<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR90390_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Meppeler Courant, 01-05-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Kinderopvang (VWk) gemeente Meppel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET KINDEROPVANG">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-09-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-05-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2006-05-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004-15040</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Paragraaf 2 van deze verordening treedt in werking op het moment dat artikel 23 van de Wet kinderopvang in werking treedt.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-38664</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>VERORDENING WET KINDEROPVANG</al><al>Nr.2004-15040 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a het college: het college van burgemeester en wethouders; </al><al>b de wet: de Wet kinderopvang.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN SOCIAAL¬MEDISCHE
                        INDICATlE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>I. Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                        van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23 van de wet
                        bevat in ieder geval de volgende gegevens: </al><al>a. naam en adres van de ouder; </al><al>b. indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit een ander adres
                        is dan bet adres van de ouder: bet adres van de partner; </al><al>c. naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de aanvraag
                        betrekking heeft; </al><al>d. overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over
                        de aanvraag van de tegemoetkoming. </al><al>2. Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door
                        het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. </al><al>3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend
                        door de partner. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1. Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van
                        alle benodigde gegevens. </al><al>2. Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                        college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van
                        een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: </al><al>a. de geldigheidsduur van de indicatie; </al><al>b. de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt geacht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                        sociaal-medische indicatie vast te stellen indien: </al><al>a. de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van
                        kinderopvang ontvangt of kan ontvangen;of </al><al>b. de ouder of de partner met behoort tot de personen als bedoeld in artikel
                        6, eerste lid, onderdeel k of! van de wet. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>I. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat: </al><al>a. naam, adres en sofi-nummer van de ouder; </al><al>b. indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner en, indien dit
                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; </al><al>c. naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de kinderen waarop de
                        aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft; </al><al>d. een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                        kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het
                        aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum
                        van de opvang; </al><al>e. gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder
                        behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 22 van de wet; </al><al>f. overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over
                        de aanvraag van de tegemoetkoming. </al><al>2. Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door
                        het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. </al><al>3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend
                        door de partner. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>1. Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst van
                        alle benodigde gegevens. </al><al>2. Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                        stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot de
                        personen als bedoeld in artikel 22 van de wet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>I. De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                        aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen. </al><al>2. Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                        tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal
                        plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>I. De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                        tegemoetkomingsjaar. </al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming voor
                        een andere periode verlenen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>I. Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang
                        dat door de ouder is aangevraagd. </al><al>2. In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder als
                        bedoeld in artike124, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a,
                        van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat naar zijn
                        oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en
                        zorg. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                        kinderopvang bevat in ieder geval: </al><al>a. de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder
                        behoort; </al><al>b. de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                        tegemoetkoming betrekking heeft; </al><al>c. de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de
                        kinderopvang plaatsvindt; </al><al>d. de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de
                        tegemoetkoming wordt verleend; </al><al>e. de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het
                        bedrag dat op basis hiervan wordt verleend; </al><al>f. de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald; </al><al>g. de verplichtingen van de ouder. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>1. De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                        termijnen uitbetaald. </al><al>2. Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                        bevoorschotting. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>1. De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                        tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke
                        kosten van kinderopvang over deze periode. </al><al>2. Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst van
                        het overzicht van de kosten vast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                        betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>1. De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend worden
                        daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en
                        gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere
                        tegemoetkoming. </al><al>2. De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een
                        door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen
                        van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de
                        tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze
                        verordening in werking 3 dagen na haar bekendmaking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang (VWk)
                        gemeente Meppel. </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 september 2004 </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al>INLEIDING </al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                        beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                        combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet
                        kinderopvang. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen
                        op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken
                        voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten
                        voor kinderopvang wordt aangeduid met de term 'tegemoetkoming kosten
                        kinderopvang (gemeente). </al><al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
                        regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels
                        hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling
                        van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke
                        opdracht. </al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artike14:21 van de Algemene
                        wet bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door
                        een bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                        aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                        toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van
                        tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie
                        regelingen van toepassing zijn: </al><al>1. de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang; </al><al>2. de Wet kinderopvang; </al><al>3. de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb. </al><al>De meeste gemeenten beschikken over een algemene subsidieverordening. De
                        vraag is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang
                        en de algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene
                        subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten
                        van kinderopvang. Deze modelverordening is zo opgezet dat deze geheel los
                        staat van de algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene
                        subsidieverordening niet van toepassing op de verstrekking van
                        tegemoetkomingen. Het principe geldt dan dat de meest specifieke regeling
                        voorrang krijgt hoven de algemene regeling. </al><al>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE TEGEMOETKOMINGEN</al><al>In deze modelverordening worden de hoofdlijnen van het proces van
                        verstrekking van de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij
                        zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de
                        uitvoeringslasten voor zowel de gemeente als de aanvragers van de
                        tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede uitgangspunt is
                        dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn met de verstrekking van de
                        tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn. </al><al>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te bevorderen </al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een
                        zogeheten 'open-einde regeling'. Dit betekent dat iedereen die op grond van
                        de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een
                        tegemoetkoming van de gemeente. </al><al>Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de
                        verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de
                        modelverordening de volgende bepalingen opgenomen: </al><al>- De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen eigen
                        bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt aan
                        beperkingen gebonden. In de modelverordening wordt bepaald dat bij deze
                        groep ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren
                        kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                        redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg mogelijk
                        te maken. </al><al>- Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                        gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip
                        waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is
                        genomen. </al><al>- De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk kinderopvang
                        plaatsvindt. </al><al>- De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten. Hierdoor
                        blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die de gemeente
                        van de ouders moet terugvorderen, beperkt. </al><al>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar </al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur een
                        kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door
                        de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming
                        elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de
                        gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de
                        tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van
                        een reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum
                        waarop het kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat). </al><al>Verstrekking van de tegemoetkoming in /wee stappen </al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                        wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het
                        verlenen van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de
                        tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een
                        bepaald bedrag. De aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de
                        beschikking wordt gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk
                        gebruik zal maken van kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen
                        houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel
                        een rechtens afdwingbare aanspraak. </al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming.
                        In deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de
                        gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van
                        de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                        tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan
                        de gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                        gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de
                        houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen. </al><al>AANWIJZEN VAN EIGEN DOELGROEPEN </al><al/><al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van
                        gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze
                        criteria zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen.
                        Gemeenten hebben bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van de
                        tegemoetkoming dus geen beleidsvrijheid. Over de wijze waarop de aanspraak
                        op- en de hoogte van de tegemoetkoming moet worden vastgesteld worden
                        gemeenten in een later stadium apart geïnformeerd zodra alle relevante
                        uitvoeringsregelingen bekend zijn. </al><al>De gemeente kan er voor kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn
                        benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen maken op een
                        tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Daarbij kan gedacht worden aan
                        ouders die vrijwilligerswerk doen of ouders die zich bezighouden met
                        mantelzorg. Het verdient aanbeveling om de tegemoetkomingen aan eigen
                        doelgroepen in deze verordening te regelen en niet in een aparte
                        verordening. Dit voorkomt versnippering van regelgeving en bovendien worden
                        de procedurele bepalingen in deze verordening automatisch ook van toepassing
                        op de tegemoetkomingen die de gemeente aan eigen doelgroepen verstrekt. </al><al>Als een gemeente besluit eigen doelgroepen aan te wijzen, zal ze in de
                        verordening een aantal onderwerpen moeten regelen. Het toevoegen van eigen
                        doelgroepen geschiedt op basis van de autonome verordenende bevoegdheid van
                        gemeenten die is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit betekent
                        dat de aanhef van de verordening de bevoegdheidsgrondslag moet worden
                        uitgebreid. In de aanhef moet de zinsnede 'gelet op artikel 25 van de Wet
                        kinderopvang' worden aangevuld met 'en artikel149 van de Gemeentewet'.
                        Vanwege de vertraging in de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede
                        en Eerste Kamer kan het daarnaast noodzakelijk zijn om artikel149 van de
                        Gemeentewet in de aanhef als grondslag te vermelden. Dit hangt o.m. samen
                        met het moment waarop deze verordening in de gemeenteraad behandeld wordt.
                        Om deze reden is artikel 149 van de Gemeentewet in de modelverordening
                        standaard a1s grondslag opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de
                        artikelsgewijze toelichting bij het inwerkingtredingsartikel. </al><al>Omdat de Wet kinderopvang niet van toepassing is op de door de gemeente
                        aangewezen doelgroepen, zal de omschrijving van de doelgroep( en) in de
                        verordening moeten geschieden. Bovendien zal in de verordening de hoogte van
                        de tegemoetkoming geregeld moeten worden. Hiervoor moet het volgende worden
                        geregeld: </al><al>- De wijze waarop de kosten van kinderopvang worden bepaald, inclusief een
                        maximum-uurprijs (daarbij zou verwezen kunnen worden naar bepalingen in
                        artikel 7 Wet kinderopvang). </al><al>- Het deel van de kosten van kinderopvang waarvoor een tegemoetkoming wordt
                        verstrekt. </al><al>Bovendien kan in de verordening worden geregeld dat er jaarlijks een
                        subsidieplafond wordt vastgesteld voor de verstrekkingen van
                        tegemoetkomingen aan de eigen doelgroepen. Zo'n subsidieplafond is niet
                        mogelijk voor de tegemoetkomingen die de gemeente verstrekt op basis van de
                        Wet kinderopvang, maar kan wel worden vastgesteld voor de tegemoetkomingen
                        die de gemeente verstrekt op grond van haar autonome verordenende
                        bevoegdheid. Met het vaststellen van een subsidieplafond worden de
                        aanspraken op een tegemoetkoming beperkt tot een bepaald bedrag. Het
                        vaststellen van een subsidieplafond verplicht de gemeente een tegemoetkoming
                        te weigeren als toekenning ZQU leiden tot overschrijding van het plafond.
                        Hierdoor wordt een open-einde regeling voorkomen. Voor de goede orde: het
                        vaststellen van een subsidieplafond is een bevoegdheid, geen verplichting. </al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikel l Begripsbepalingen </al><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                        toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen met
                        gedefinieerde begrippen zijn aangevuld. </al><al>Artikel 2 Te verstrekken gegevens </al><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet
                        worden ingediend bij het college. In de procedure gaat de aanvraag voor de
                        toekenning van een sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor
                        een tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de aanvragen vaak
                        gelijktijdig worden ingediend. Ook de besluiten over de toekenning van een
                        sociaal-medische indicatie en de verlening van een tegemoetkoming in de
                        kosten van kinderopvang kunnen in een beschikking worden opgenomen. Wel moet
                        de juiste volgorde in acht worden genomen: eers het besluit over de
                        aanwezigheid van een sociaal-medische indicatie en vervolgens het besluit
                        over de verstrekking van een tegemoetkoming. </al><al>Artikel 3 Beslistermijn </al><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening Ie worden gehouden met
                        de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een
                        'onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid'
                        (artikel 23, derde lid, Wet kinderopvang). </al><al>Om de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, verdient hel
                        aanbeveling dat de gemeente 'harde' afspraken maakt de adviserende
                        organisaties over de termijn waarbinnen adviezen worden uitgebracht. </al><al>Artikel 4 Inhoud van de beschikking </al><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit
                        betekent dal tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan
                        worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                        sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking
                        aangegeven hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het besluit
                        over de noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de
                        aanvraag voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het
                        besluit de geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze
                        verplichting staat in het vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. Het
                        kan gaan om een geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om een
                        geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal hierover
                        ook een uitspraak moeten worden gedaan. </al><al>Het college neemt het besluit op basis van hel uitgebrachte indicatieadvies.
                        Dit advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan
                        afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het
                        uitgebrachte advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de
                        beschikking moeten motiveren (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting
                        geldt vooral voor het geval waarin een positief advies wordt gegeven en het
                        college een afwijzend besluit neemt. </al><al/><al>Artikel 5 Weigeringsgronden </al><al>Dit artikel bevat twee weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft
                        aan dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische
                        indicatie een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een
                        andere bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een
                        tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een
                        tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wegens een sociaal-medische
                        noodzaak. </al><al>De weigeringsgrond onder b spreekt voor zich. </al><al>Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag </al><al>De tegemoetkoming wordt door de onder aangevraagd bij het college (artikel
                        26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar
                        de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                        schriftelijk gebeuren (artikel 4: I Awb). </al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                        verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de
                        lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te honden, verdient het
                        aanbeveling dat de gemeente het aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag
                        aan de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds is ingevuld met de
                        gegevens die bij de gemeente bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de
                        mutaties op het aanvraagformulier aan te geven. </al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                        aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een
                        verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang
                        van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De onder moet hiervan
                        wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet
                        kinderopvang en artikel16, eerste lid). </al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                        contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                        verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                        tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de onder over
                        een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract
                        kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het
                        kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                        ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikeI5, eerst lid, Wet
                        kinderopvang). </al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                        verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de onder behoort
                        tot een gemeentelijke doolgroep. In een aantal gevallen kan de ouder
                        volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de
                        gegevens beschikt: </al><al>- de onder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                        IOAWIIOAZ of Anw en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling; </al><al>- de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                        geregistreerd bij het CWI maakt en maakt gebruik van een voorziening gericht
                        op arbeidsinschakeling; </al><al>- de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringprogramma volgt; </al><al>- het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld. </al><al> In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                        verstrekken: De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond Indien de
                        uitkering wordt verkregen in een andere van de Wet inkomensvoorziening
                        kunstenaars gemeente: naarn van deze gemeente </al><al> De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet Bewijs van inschrijving
                        school of opleidingsinstituut bereikt, volgt scholing of een opleiding en
                        ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB of kan zo 'n uitkering
                        ontvangen De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een Bewijs van
                        inschrijving school of opleidingsinstituut school of instelling als bedoeld
                        in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in
                        de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000
                        Trajectplan van het UWV De ouder of diens partner ontvangt een WW­uitkering
                        en maakt gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                        Trajectplan van het UWV De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en
                        maakt gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft,
                        deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                        volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is reeds
                        neergelegd in artike126, derde lid, Wet kinderopvang. </al><al>Artikel 7 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming </al><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moot nemen over de aanvraag
                        van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming.
                        Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor
                        aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming
                        en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding
                        van de omvang van de kinderopvang. In de modelverordening is gekozen voor
                        een beslistermijn van ten hoogste vier weken die eventueel met vier weken
                        kan worden verlengd. </al><al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                        aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om
                        er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden
                        voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken voor I januari
                        bij de gemeente moeten indienen. </al><al>Het feit dat het college een termijn van vier weken heeft om te beslissen
                        over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het
                        college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er
                        naar moeten streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te
                        houden en met name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te
                        handelen. Door middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de
                        besluitvorming worden versneld. </al><al>Artikel 8 Weigeringsgrond </al><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden
                        om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van
                        toepassing. Artike1 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden
                        geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: </al><al>a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; </al><al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                        verplichtingen; </al><al>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal
                        afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven
                        en inkomsten, voor rover deze voor de vaststelling van de subsidie van
                        belang zijn. </al><al>Het tweede lid van artike1 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                        ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager: </al><al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                        verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking
                        op de aanvraag zou hebben geleid, of </al><al>b. failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend of
                        ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                        toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                        ingediend. </al><al>Artikel 9 Ingangsdatum van de tegemoetkoming </al><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming.
                        Er zijn twee ingangsdata mogelijk: </al><al>1. De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                        ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                        moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben. </al><al>2. De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                        dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                        plaatsvindt. </al><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de
                        kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de
                        gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van
                        artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag: </al><al>- schriftelijk moet worden ingediend; </al><al>- moet zijn ondertekend; </al><al>- de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten; </al><al>- een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd. </al><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop
                        de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de
                        tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                        verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                        terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is
                        genomen. </al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing
                        op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                        tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor
                        door het college in ontvangst is genomen. </al><al>Artikel 10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend </al><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                        Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                        tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                        betekent dat een ouder elk jaar v66r 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval a1s de aanvrager voor een bepaalde periode recht
                        heef! op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject
                        voor een bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de
                        tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een
                        andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de
                        verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoof! de gemeente geen
                        eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. </al><al>Artikel 11 Omvang van de kinderopvang </al><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                        tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de
                        omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de
                        wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort heef! deze recht op een
                        gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal
                        uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in
                        het systeem van de wet waarin de ouder zelf bepaalt hoeveel kinderopvang hij
                        nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg. </al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten
                        van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke
                        eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten 'Koa-kopje',
                        zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet
                        kinderopvang). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage geen rem
                        op de vraag naar kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders die wet een
                        (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten
                        betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag
                        naar kinderopvang. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de
                        verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins
                        beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders
                        die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel
                        kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij
                        verricht te kunnen combineren met zorgtaken. </al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig
                        is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden
                        met omstandigheden a1s een handicap of chronische ziekte van de ouder( s) of
                        een beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                        ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                        sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft
                        voor deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd. </al><al>Het is aan te bevelen dat het college in beleidsregels neerlegt hoe het wil
                        omgaan met zijn bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel
                        mogelijk geobjectiveerd. </al><al>Artikel 12 Inhoud van de beschikking </al><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van
                        de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de
                        wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f).
                        Artikel 13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van
                        maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking
                        de verplichtingen van de onder worden opgenomen. Daarbij moet aan de
                        volgende verplichtingen worden gedacht: </al><al>- de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                        tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te verstrekken van
                        de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode; </al><al>- de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met
                        derde lid, Wet kinderopvang; </al><al>Artikel 13 De bevoorschotting van de tegemoetkoming </al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                        voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                        waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen
                        (indien de aanvraag het gehele tegemoetkomingsjaar betreft). </al><al>De gemeente betaa1t de tegemoetkoming uit aan de ouder. De onder kan, al dan
                        niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                        machtigen om de beta1ingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of
                        gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets
                        aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag
                        gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft
                        sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                        stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                        college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                        factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo'n
                        voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                        daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang. </al><al>Artikel 14 Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming </al><al>Op grond van artikeI4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                        ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt
                        in dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De
                        ouders hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij
                        het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                        waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                        feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                        tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                        kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden
                        ingediend. Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht
                        zijn dat door het kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een
                        verzameling van maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de
                        tijd om de tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente
                        een onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                        gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de
                        houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen. </al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                        precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                        recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                        verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het
                        vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt
                        vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking
                        tot verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal
                        uren. In de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel
                        worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                        tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook
                        betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond
                        van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan
                        de subsidie lager worden vastgesteld indien: </al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                        plaatsgevonden; </al><al>b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                        verplichtingen; </al><al>c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                        de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking
                        op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of </al><al>d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                        wist of behoorde te weten. Het derde lid van artike14:46 Awb luidt: 'Voor
                        zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van
                        de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in
                        redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de
                        vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen'. </al><al>Artikel 15 Verrekening met de voorschotten </al><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen
                        deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                        uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                        bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet
                        kinderopvang (zie ook de toelichting bij artikel 16). </al><al>Artikel 16 Inlichtingenplicht </al><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel
                        28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt
                        deze verplichting hier herhaald. </al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van
                        een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: 'De houder
                        verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle
                        gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                        tegemoetkoming van belang zijn'. </al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                        onderscheiden: </al><al>1. het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang; </al><al>2. er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                        recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke doelgroep). </al><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                        onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het
                        college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de
                        tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                        terugvorderen. Ook is mogelijk om in aanvul1ing hierop een bestuurlijke
                        boete aan de betreffende ouder op te leggen. Hieronder wordt op de twee
                        maatregelen nader ingegaan. </al><al>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de tegemoetkoming </al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in
                        de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en
                        teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: </al><al>a. de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de
                        situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld. </al><al>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van
                        de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikeI4:48 Awb) </al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                        beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van
                        de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien: </al><al>a. de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                        geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; </al><al>b. de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                        verplichtingen; </al><al>c. de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                        verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                        beschikking op de aanvraag tot verlening van de tegemoetkoming zou hebben
                        geleid; </al><al>d. de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de ontvanger
                        dit wist of behoorde te weten. </al><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                        subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                        bepaald. </al><al>Opschorten van de bevoorschotting (artikeI4:56 Awb) </al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat
                        het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd.
                        Het college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                        schorten. Op grond van artikel4:56 Awb kan het college de verplichting tot
                        betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het
                        college aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden
                        dat er grond bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                        in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de dag
                        waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of
                        de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien
                        weken zijn verstreken. </al><al>Ad b. de tegemoetkoming is we! vastgeste!d: intrekken of wijzigen van de
                        beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Awb) </al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde
                        gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in
                        te trekken of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen.
                        Het gaat om de volgende gevallen: </al><al>a. er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                        vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn
                        en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de verlening
                        van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld; </al><al>b. de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                        tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten; </al><al>c. de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                        tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                        verplichtingen. </al><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van
                        de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de
                        dag waarop zij is bekendgemaakt. </al><al>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang) </al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                        tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan
                        de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In artikel
                        38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand (WWB)
                        over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard
                        op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat
                        het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                        tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                        terugvordering moot de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                        (artikel 60, eerste lid WWB). </al><al>De bestuurlijke boete </al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college
                        in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke
                        boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke
                        boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke
                        verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht is op bestraffing van
                        de overtreder (artikel I, eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het
                        betreffende bedrag komt toe aan de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet
                        kinderopvang). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                        inlichtingenplicht met nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de
                        volgende verplichtingen: </al><al>- het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                        inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte
                        van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel28, eerste
                        lid, Wetkinderopvang); </al><al>- het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                        college te stellen redelijke termijn (artikeI28, tweede lid, Wet
                        kinderopvang); </al><al>- het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het college
                        van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een
                        lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang). </al><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 72,
                        eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de
                        hoogte van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren.
                        Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete
                        wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin de
                        overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin die
                        persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk
                        geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college geen
                        bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties: </al><al>- de overtreder is overleden; </al><al>- de overtreder is wegens deze1fde gedraging reeds eerder een bestuurlijke
                        boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete zal
                        worden opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte doen bij het
                        Openbaar Ministerie; </al><al>- er is vijfjaren verstreken nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. </al><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                        artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang. </al><al>Artikel 17 Inwerkingtreding </al><al>Door vertraging in het wetgevingstraject is de oorspronkelijke planning van
                        het implementatietraject door gemeenten met name in 2004 onder steeds
                        groeiende tijdsdruk komen te staan. Ten tijde van publicatie van deze
                        modelverordening was nog niet zeker per wanneer artikel25 van de Wet
                        kinderopvang in werking zou treden. Dit artikel is van belang omdat het de
                        juridische grondslag vormt waarop deze verordening is gebaseerd. </al><al>In de oorspronkelijke planning van het wetgevings- en implementatietraject
                        was er vanuit gegaan dat gemeenten in de eerste helft van 2004, dus voor het
                        zomerreces van de gemeenteraad, hun verordening zouden kunnen vaststellen.
                        De juridische basis voor deze verordening kon dan artikel 25 van de Wet
                        kinderopvang zijn. Tevens zouden gemeenten voldoende tijd hebben voor
                        eventuele inspraaktrajecten (afhankelijk van de lokaal geldende
                        inspraakverordening) voorafgaand aan vaststelling, en de termijn van 6 weken
                        na vaststelling van de verordening die de Tijdelijke referendumwet vereist
                        voor inwerkingtreding. Nu het niet zeker is of de Eerste Kamer nog v66r het
                        zomerreces de wet zal behandelen en aannemen is er aanleiding om maatregelen
                        te nemen om tijdige invoering van de Wet kinderopvang mogelijk te maken.
                        Daarbij dient een belangenafweging gemaakt te worden tussen enerzijds een
                        zorgvuldige besluitvormingsprocedure, die burgers voldoende tijd en
                        gelegenheid geeft om te reageren op de voorgenomen regelgeving, en
                        anderzijds het belang van de burgers en ook de gemeente om na
                        inwerkingtreding van de verordening voldoende tijd en gelegenheid te hebben
                        om aan de verplichtingen die de verordening hen oplegt te voldoen en gebruik
                        te maken van de aanspraken die de verordening de burger biedt. Naar de
                        mening van de VNG zou deze belangenafweging ertoe moeten leiden dat
                        gemeenten de volgende drie maatregelen neemt om tijdige inwerkingtreding van
                        de verordening te bewerkstelligen: </al><al>- Indien de lokaal geldende inspraakverordening die mogelijkheid biedt
                        afzien van het bieden van gelegenheid tot inspraak. Het is ook mogelijk dat
                        in een gemeente conform de modelinspraakverordening van de VNG (artikel 2,
                        lid 3 onder e en f) geen inspraak vereist is. </al><al>- Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet (Trw) de
                        inwerkingtreding van de verordening niet laten voorafgaan door de door die
                        wet vereiste termijn van 6 weken. Dit omdat het inwerkingtreden van de
                        verordening geen uitstel kan leiden. </al><al>-In de aanhef van de verordening naast artikel25 van de Wet kinderopvang ook
                        artikel149 van de Gemeentewet als grondslag voor de verordening opnemen. Op
                        deze wijze wordt voorkomen dat de verordening niet in werking kan treden
                        omdat artikel 25 Wk nog met in werking is getreden op het moment dat de
                        gemeenteraad de verordening vaststelt. Burgers kunnen dan toch tijdig
                        aanvragen indienen, waardoor gemeenten in staat zijn om tijdig besluiten te
                        nemen op deze aanvragen. Het risico voor gemeenten bij deze handelwijze is
                        beperkt, omdat de materiele normen voor de aanspraken op een tegemoetkoming
                        in de wet kinderopvang zijn vastgelegd. </al><al>Mocht de wet door de Eerste Kamer worden verworpen of de artikelen 22, 23 of
                        24 niet tijdig in werking treden dan kan de gemeente dergelijke aanvragen
                        afwijzen omdat er geen recht bestaat op een tegemoetkoming. In het eerste
                        geval zal wellicht ook intrekking van de gehele verordening aan de orde
                        zijn. </al><al>Indien artikel 25 van de wet kinderopvang reeds in werking is getreden op
                        het moment dat de gemeenteraad een besluit neemt over de verordening kan in
                        principe artikel 149 van de gemeentewet uit de aanhef worden weggelaten. Dit
                        laatste is weer niet het geval wanneer de gemeente eigen doelgroepen in de
                        verordening heeft gedefinieerd (zie het algemene deel van deze toelichting). </al><al/><al>Artikel 18 </al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Meppel/i168542.pdf">Toelichting verordening Wet Kinderopvang</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>