<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR89963_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Compensatieverordening Bos, Natuur, Landschap en Archeologie</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-02-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten 28 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Compensatieverordening Bos, Natuur, Landschap en Archeologie</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 147, 149 Gemeentewet.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-02-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening wordt nog aangepast in</al><al>verband met artikel 19h van de Natuur-</al><al>beschermingswet 1998.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Compensatieverordening Bos, Natuur, Landschap en Archeologie</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>COMPENSATIEVERPLICHTING </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>initiatiefnemer:</cursief> degene of de organisatie die
                                    het initiatief neemt om te komen tot een ruimtelijke ingreep op
                                    een bepaalde locatie</al></li><li nr="b."><al><cursief>ingreep:</cursief> het geheel van de acties die nodig
                                    zijn binnen een ruimtelijk begrensd gebied dat nodig is om te
                                    komen tot het beoogde maatschappelijke doel</al></li><li nr="c."><al><cursief>compensatie:</cursief> het creëren van nieuwe waarden
                                    die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Indien
                                    het volledig onvervangbare waarden betreft, heeft de compensatie
                                    betrekking op het creëren van zo vergelijkbaar mogelijke
                                    waarden.</al></li><li nr="d."><al><cursief>compensatieplan:</cursief> het plan waarin is
                                    aangegeven welke maatregelen getroffen worden en op welke
                                    termijn om de compensatie te realiseren</al></li><li nr="e."><al><cursief>EHS:</cursief> de Ecologische hoofdstructuur bestaat
                                    uit bestaande bos- en natuurgebieden en landgoederen zoals
                                    opgenomen in het POP, nieuwe natuurgebieden met functiewijziging
                                    voorzover begrensd door de provincie, beheersgebieden en
                                    ecologische verbindingszones voor zover deze de natuurgebieden
                                    van de EHS met elkaar verbinden en zodra gerealiseerd</al></li><li nr="f."><al><cursief>MER:</cursief> een Milieueffectrapport biedt inzicht in
                                    de milieueffecten van verschillende beleidsalternatieven om het
                                    beoogde doel te bereiken.</al></li><li nr="g."><al><cursief>mitigatie:</cursief> het verminderen van nadelige
                                    effecten van ingrepen/activiteiten op de aanwezige natuur-,
                                    bos-, landschaps- en archeologische waarden door bepaalde
                                    maatregelen.</al></li><li nr="h."><al><cursief>compensatiegebieden:</cursief> gebieden waarin de
                                    compensatie plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid
                                    van deze verordening</al></li><li nr="i."><al><cursief>Groenfonds:</cursief> het Nationaal Groenfonds,
                                    opgericht in 1994 is een stichting die dicht bij de overheid
                                    staat. Doel van het Nationaal Groenfonds is het verlenen van
                                    financiële faciliteiten voor natuur, bos, landschap, recreatie
                                    en landbouw, binnen de kaders van het overheidsbeleid. Ook
                                    bundelt en beheert het Nationaal Groenfonds overheidsgelden. Zo
                                    kan de overheid de beschikbare gelden voor natuuruitbreiding
                                    beter benutten.</al></li><li nr="j."><al><cursief>Habitatrichtlijn:</cursief> heeft tot doel bij te
                                    dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door
                                    het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora
                                    en fauna op het Europese grondgebied </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien na afweging van belangen voor gebieden met de functie
                                    natuur en/of bos wordt besloten dat één van deze functies moet
                                    wijken voor, of anderszins aanwijsbare schade ondervindt van een
                                    ander aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor
                                    een ruimtelijke ingreep wordt toegestaan, zullen niet alleen
                                    maatregelen worden getroffen met het oog op inpassing en
                                    mitigatie ter plaatse van de ingreep, maar zal bovendien, indien
                                    bedoelde maatregelen onvoldoende zijn, compensatie
                                    plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>De gebiedscategorieën waarvoor compensatie zal worden toegepast
                                    zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>kerngebieden van de ecologische hoofdstructuur;</al></li><li nr="b."><al>gerealiseerde reservaats- en natuurgebieden;</al></li><li nr="c."><al>kleinere natuurgebieden buiten de ecologische
                                            hoofdstructuur die als zodanig zijn aangeduid in het
                                            Provinciaal Omgevingsplan (POP), onder de werking van de
                                            Natuurbeschermingswet vallen of zijn vastgelegd in een
                                            bestemmingsplan;</al></li><li nr="d."><al>agrarische gronden met natuurwaarden (zone IV POP);</al></li><li nr="e."><al>biotopen van aandachtssoorten die op indicatie van de
                                            soortenbeschermingsplannen van het rijk in
                                            omgevingsplannen en/of bestemmingsplannen zijn
                                            opgenomen;</al></li><li nr="f."><al>bossen en landschappelijke beplantingen die onder de
                                            werking van de Boswet vallen.</al></li></lijst></li></lijst><al>Deze verordening is ook van toepassing op ingrepen buiten de aangegeven
                            gebieden, indien deze ingrepen directe effecten binnen de gebieden
                            hebben.</al><lijst><li nr="3."><al>Deze verordening is bovendien van overeenkomstige toepassing als
                                    sprake is van schade op de locatie zelf door verlies aan
                                    waardevolle landschappelijke elementen of structuren, schade aan
                                    de omgeving, bijvoorbeeld door een storende visuele werking, het
                                    verbreken van samenhang in het landschap of verlies aan openheid
                                    en ingeval van aantasting van archeologische waarden.</al></li><li nr="4."><al>Uitgangspunt bij de toepassing van compensatie is dat in
                                    beginsel geen netto verlies aan waarden mag optreden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>VERANTWOORDELIJKHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitgezonderd gevallen waarin de compensatiebepalingen van de
                                Europese Habitatrichtlijn, dan wel de Natuurbeschermingswet van
                                toepassing zijn, dient de initiatiefnemer tegelijk met zijn aanvraag
                                voor de concrete ruimtelijke ingreep een compensatieplan te
                                overleggen, waarin op een integrale en nauwgezette wijze in elk
                                geval de volgende aspecten worden beschreven:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestaande waarden van het betrokken gebied in relatie tot
                                        de omgeving;</al></li><li nr="b."><al>de redelijkerwijs te verwachten effecten van de voorgenomen
                                        ruimtelijke ingreep;</al></li><li nr="c."><al>de in artikel 2, eerste lid, bedoelde maatregelen;</al></li><li nr="d."><al>de financiering van de te treffen maatregelen;</al></li><li nr="e."><al>de ruimtelijke ingreep zelf;</al></li><li nr="f."><al>het zwaarwegend maatschappelijk belang;</al></li><li nr="g."><al>waar en hoe compensatie wordt voorgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan de
                                ruimtelijke ingreep indien geen andere geschikte locatie voor het te
                                dienen belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid aanwezig is en
                                het vorenbedoelde maatschappelijk belang op een adequate wijze is
                                aangetoond.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afhankelijk van de situatie kunnen burgemeester en wethouders nadere
                                eisen stellen met betrekking tot de inhoud van het in het eerste lid
                                bedoelde plan en de te volgen procedure. De initiatiefnemer pleegt
                                hieromtrent vooraf overleg met de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde plan wordt tegelijkertijd met de
                                aanvraag ingediend. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>BOS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit het in artikel 3, eerste lid, bedoelde plan blijkt dat er
                                sprake is van (a) verlies van oppervlakte aan bos, (b) aantasting
                                van de kwaliteit van bos, en/of (c) verlies aan oude bosbodem wordt
                                de compensatie vastgesteld afhankelijk van de leeftijd van het bos
                                als levensgemeenschap en met inachtneming van de volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al>als het bos of de beplanting nog geen 25 jaren oud is, dient
                                        150% van de oppervlakte gecompenseerd te worden (100% voor
                                        het verlies van de oppervlakte en 50% oppervlakte voor het
                                        verlies van kwaliteit);</al></li><li nr="b."><al>als het bos of de beplanting ouder is dan 25 jaren doch
                                        jonger dan 100 jaren, dient 200% van de oppervlakte
                                        gecompenseerd te worden (100% voor het verlies van de
                                        oppervlakte en 100% oppervlakte voor het verlies van
                                        kwaliteit);</al></li><li nr="c."><al>als het bos of de beplanting ouder is dan 100 jaren, dient
                                        300% van de oppervlakte gecompenseerd te worden (100% voor
                                        het verlies van de oppervlakte en 200% oppervlakte voor het
                                        verlies van kwaliteit). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van geval tot geval wordt bezien of en hoe de natuurlijke
                                kwaliteiten geregenereerd kunnen worden. Mocht regeneratie niet
                                mogelijk zijn, dan wordt geen medewerking verleend aan de ingreep.
                                Compensatie wordt uitgevoerd op een van tevoren te bepalen plaats
                                waar potentieel dezelfde waarden kunnen worden ontwikkeld. Deze
                                plaats dient zich in het algemeen nabij de plaats van de ingreep te
                                bevinden en waar aansluiting bij de bestaande waarden kan worden
                                gezocht. Is deze mogelijkheid niet aanwezig, dan zal in de nabije
                                omgeving een andere locatie (aansluitend aan de EHS, aan bestaand
                                bos, aan bestaande natuurterreinen) moeten worden gevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien boswaarden verloren gaan ten behoeve van een zeldzamer
                                ecosysteem, gelden uitsluitend de compensatienormen van de
                                Boswet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>NATUUR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit het in artikel 3, eerste lid, bedoelde plan blijkt dat er
                                sprake is van (a) verlies van oppervlakte aan natuur, (b) aantasting
                                van de kwaliteit van natuur en/of (c) verlies of aantasting van
                                biotopen voor aandachtssoorten, wordt de compensatie vastgesteld met
                                inachtneming van de volgende criteria:</al><al>a.als natuurwaarden binnen 25 jaren vervangen kunnen worden, dient
                                100% van de oppervlakte gecompenseerd te worden en 50% financiële
                                toeslag voor het verlies van kwaliteit (ten behoeve van het
                                aanloopbeheer);</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>als natuurwaarden binnen een periode van 25 tot 100 jaren vervangen
                                kunnen worden, dient 100% van de oppervlakte gecompenseerd te worden
                                en 100% financiële toeslag voor het verlies van kwaliteit (ten
                                behoeve van het aanloopbeheer);</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>als natuurwaarden niet binnen een periode van 100 jaren vervangen
                                kunnen worden, is compensatie slechts in zeer uitzonderlijke
                                situaties mogelijk. Dan geldt naast een compensatie van 100% voor
                                het verlies van de oppervlakte een financiële toeslag van 200% voor
                                het verlies van kwaliteit. (wordt in principe geen medewerking
                                verleend. In geval van onontkoombaar maatschappelijk belang, wordt
                                van geval tot geval bepaald welke norm voor compensatie redelijk
                                wordt geacht).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening is van overeenkomstige
                                toepassing</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>LANDSCHAP</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit het in artikel 3, eerste lid, bedoelde plan blijkt dat er
                                sprake is van (a) schade op de locatie zelf door verlies aan
                                waardevolle landschappelijke elementen of structuren en/of (b)
                                schade aan de omgeving, bijvoorbeeld door een storende visuele
                                werking, het verbreken van de samenhang in het landschap of verlies
                                aan openheid zulks ter beoordeling aan het college van burgemeester
                                en wethouders met inachtneming van de gemeentelijke en provinciale
                                landschapsplannen, wordt de compensatie vastgesteld met inachtneming
                                van de volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>voor waterlopen dient 100% van de oppervlakte te worden
                                        gecompenseerd en 50% financiële toeslag voor het verlies aan
                                        kwaliteit</al></li><li nr="b."><al>voor beplanting dient 100% van de oppervlakte te worden
                                        gecompenseerd en een financiële toeslag voor het verlies aan
                                        kwaliteit die afhankelijk is van de tijd die nodig is voor
                                        vervanging. Dit is 50% toeslag bij vervangbaarheid binnen 25
                                        jaar, 100% toeslag voor vervangbaarheid tussen 25 en 100
                                        jaar en 200% toeslag als vervanging niet of moeilijk
                                        mogelijk is</al></li><li nr="c."><al>voor openheid geldt dat fysieke compensatie vrijwel
                                        onmogelijk is. Als mitigerende en inpassende maatregelen
                                        onvoldoende effect hebben, wordt in beginsel geen
                                        medewerking verleend aan aantastingen van openheid. Indien
                                        onder bijzondere omstandigheden van deze regel wordt
                                        afgeweken, wordt compensatie van geval tot geval
                                        bekeken</al></li><li nr="d."><al>voor kwel en cultuurhistorische gaafheid geldt dat
                                        vervanging niet of nauwelijks mogelijk is. In beginsel wordt
                                        ook geen medewerking verleend aan aantastingen hiervan.
                                        Indien onder bijzondere omstandigheden van deze regel wordt
                                        afgeweken, wordt compensatie van geval tot geval
                                        bekeken</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening is van overeenkomstige
                                toepassing. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>ARCHEOLOGIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit het in artikel 3, eerste lid, bedoelde plan blijkt dat
                                (hoge) archeologische waarden worden aangetast, wordt in principe
                                geen medewerking aan de ruimtelijke ingreep verleend. Indien onder
                                bijzondere omstandigheden van deze regel wordt afgeweken, wordt in
                                elk geval voorgeschreven dat eventueel vernietigde waarden op kosten
                                van de initiatiefnemer wetenschappelijk worden onderzocht en/of
                                opgegraven om de aanwezige informatie veilig te stellen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In overige gevallen wordt van geval tot geval bezien of, en zo ja in
                                hoeverre en onder welke condities medewerking wordt verleend aan de
                                ruimtelijke ingreep. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Nadat het Verdrag van Malta, d.d. 16 januari 1992 is uitgewerkt in
                                de Monumentenwet, komt artikel 7 van deze verordening van rechtswege
                                te vervallen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>FINANCIËLE COMPENSATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde fysieke compensatie
                                redelijkerwijs niet of qua oppervlakte slechts ten dele mogelijk is,
                                kan het college van burgemeester en wethouders besluiten tot
                                financiële compensatie. De financiële compensatie bestaat uit de
                                kosten die anders gemoeid zouden zijn met fysieke compensatie plus
                                de financiële toeslag ten behoeve van het aanloopbeheer. Financiële
                                compensatie is ook mogelijk in geval van artikel 7. In dat geval
                                gaat het om de geraamde kosten voor de activiteiten genoemd in
                                artikel 7, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de financiële compensatie wordt vastgesteld door het
                                college van burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrag wordt door de aanvrager in het Groenfonds gestort,
                                gericht op behoud en herstel van bos-, natuur- en landschapswaarden
                                elders in de provincie Drenthe<vet>.</vet></al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>COMMISSIE VAN DESKUNDIGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in de fase die voorafgaat aan de besluitvorming verschil van
                                mening bestaat omtrent de omvang van de schade dan wel omtrent de
                                inzet van maatregelen, kunnen partijen overeenkomen een advies te
                                vragen aan de commissie van deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie van deskundigen wordt ingesteld door gedeputeerde
                                staten van Drenthe een en ander in overleg met de Vereniging van
                                Drentse Gemeenten</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie bestaat uit ten minste drie onafhankelijk deskundigen
                                op het gebied van ruimtelijke ordening, landschap, natuur,
                                archeologie, cultuurhistorie en bos. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>SLOTBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 15 september 2003.</al></li><li nr="2."><al>Zij kan worden aangehaald als: Compensatieverordening gemeente
                                    Midden-Drenthe.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 26 juni 2003,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>J.Pit</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>R.W. ter Avest</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage uitgangspunten bij het formuleren van
                    compensatiemaatregelen.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aantasting dient zoveel als mogelijk invulling gegeven te worden
                            aan landschappelijke inpassing en mitigatie. Deze activiteiten zijn er
                            in belangrijke mate op gericht om de locatie, waar als gevolg van de
                            ingrepen sprake is van negatieve effecten, te verkleinen. Dit kan
                            gebeuren door een juiste inrichting, landschappelijke inpassing en door
                            het nemen van specifieke maatregelen zoals bijvoorbeeld geluidsschermen,
                            dassentunnels en wildviaducten.</al></li><li nr="2."><al>Het bereiken van een gelijkwaardige ecologische samenhang. Als delen van
                            de ecologische structuur worden aangetast, moeten compenserende gebieden
                            aansluiten bij het resterende deel om eenzelfde samenhang te kunnen
                            waarborgen. Als dit niet mogelijk is, zal kwaliteitsverbetering van het
                            resterende gebied moeten plaatsvinden.</al></li><li nr="3."><al>Vervanging door natuur van gelijke aard. Het doel is het compenseren
                            naar de aard van het gebied dat verloren gaat of naar de aard van de
                            effecten van de ingreep op de omgeving. Van belang zijn in dit verband
                            de aanwezige zeldzame en bedreigde soorten (vergelijk de
                            Habitatrichtlijn), het landschapstype en het natuurdoeltype. Voor bossen
                            en ecologische verbindingszones geldt ook dat de compensatie van gelijke
                            aard moet zijn. Bos wordt vervangen door bos en een verbindingszone door
                            een andere verbindingszones die dezelfde waarde in hetzelfde gebied
                            vertegenwoordigt. </al></li><li nr="4."><al>De functionaliteit van de ecologische structuur dient in tact te
                            blijven. Alvorens een goed voorstel voor compensatie te kunnen maken,
                            moet bekend zijn welke functies het aan te tasten gebied vervult. Voor
                            gebieden die voor amfibieën van belang zijn moet onderscheid gemaakt
                            worden tussen leef- en voortplantingsgebied. Beiden moeten met elkaar in
                            verbinding staan. Bij compensatie van een van beide gebieden, moet het
                            te compenseren gebied aansluiting vinden bij het in tact blijvende
                            gebied.</al></li><li nr="5."><al>Compenserende maatregelen dienen een areaal te beslaan dat minimaal even
                            groot is als het gebied dat door de ingreep wordt ingenomen. De omvang
                            van het te compenseren gebied wordt bepaald door het vernietigde areaal
                            plus het deel waarin, na mitigerende maatregelen nog negatieve effecten
                            blijven bestaan. Voorts wordt een toeslag berekend voor
                            kwaliteitsverlies, afhankelijk van de waarden van het aan te tasten
                            gebied. De compensatie van het kwaliteitsverlies houdt rekening met de
                            periode die moet worden overbrugd om van maagdelijk ingericht gebied te
                            komen tot gerijpt gebied dat verloren is gegaan. </al></li><li nr="6."><al>De aard en de omvang van de compensatie worden mede bepaald door de
                            invloeden die de ingreep uitoefent op zijn omgeving en de aard van het
                            gebied waar compensatie plaatsvindt. De invloed op de omgeving van de
                            ingreep kan door mitigerende en inpassende maatregelen zoveel mogelijk
                            beperkt worden. Doel hiervan is de uiteindelijke negatieve externe
                            invloed te minimaliseren.</al></li><li nr="7."><al>De compenserende maatregelen dienen in beginsel plaats te vinden in de
                            (directe) omgeving van de ingreep. De locatie moet zodanig gekozen
                            worden dat deze buiten de directe invloedssfeer van de ingreep ligt,
                            zodat niet opnieuw aanleiding ontstaat voor compensatie. Compensatie mag
                            ook niet plaatsvinden binnen de EHS, omdat dit in strijd is met de
                            compensatiegedachte en leidt tot oneigenlijk gebruik van
                            compensatiemiddelen. Compensatie binnen de EHS zou opnieuw leiden tot
                            compensatie. Vanuit het streven naar zo groot mogelijke aaneengesloten
                            gebieden, verdient het wel aanbeveling aan te sluiten bij de EHS.</al></li><li nr="8."><al>Compensatie dient te passen binnen het lokaal afgewogen beleid zoals dat
                            verwoord is in het provinciaal omgevingsplan, natuur- en
                            landschapsbeleidsplannen. Een belangrijk hulpmiddel bij de keuze voor
                            compensatiegebieden zijn het POP en de (gemeentelijke) landschaps- en
                            natuurbeleidsplannen. Het POP en landschaps- en natuurbeleidsplan
                            verwoorden de beleidsdoelstellingen ten aanzien van behoud, herstel en
                            ontwikkeling van natuur en landschap binnen de gemeente en
                            provincie.</al></li><li nr="9."><al>Inrichting, beheer en duurzaamheid dienen gewaarborgd te zijn. Tot
                            onderdeel van de compensatie worden ook de inrichting van terreinen
                            gerekend die nodig is om ontwikkeling mogelijk te maken van
                            natuurwaarden tot het kwaliteitsniveau van het gebied dat door de
                            ingreep verloren gaat. Voorwaarde hierbij is dat zowel het voortbestaan
                            van de compensatiegebieden als het beheer ervan, na inrichting, op een
                            duurzame wijze gewaarborgd zijn. Dit kan gebeuren door de toekomstig
                            beheerder al in een vroeg stadium bij de planontwikkeling te betrekken.
                            De kosten voor het aanloopbeheer komen voor rekening van de
                            initiatiefnemer. De duur van het aanloopbeheer is afhankelijk van het
                            beoogde natuurdoeltype. Om duurzaamheid te garanderen is tevens van
                            belang dat de functiewijziging van het compensatiegebied wordt
                            doorvertaald naar bestemmingsplannen en POP.</al></li><li nr="10."><al>Bij de realisering van compensatie moet gestreefd worden naar
                            robuustheid in groene structuren. Compensatie mag niet leiden tot
                            versnippering van natuur en landschap. Compensatie van grote elementen
                            mag niet leiden tot opsplitsing in kleinere eenheden. Bundeling van
                            meerdere compensaties kan leiden tot robuuste nieuwe gebieden. Hierbij
                            mag niet voorbijgegaan worden aan het feit dat bij compensatie gestreefd
                            dient te worden naar gelijke aard en functionaliteit van de compensatie.
                            Kleinschalige landschapselementen met belangrijke verbindingsfunctie,
                            welke vaak zeer bepalend zijn voor het landschap, mag men niet
                            compenseren als onderdeel van een groot bosgebied.</al></li></lijst><tussenkop>Vormen van aantasting</tussenkop><al>Bij ruimtelijke ingrepen ten koste van natuur, landschap, bos en archeologie kan
                    sprake zijn van de volgende vormen van aantasting</al><lijst><li nr="a."><al>Vernietiging Hierbij is sprake van vernietiging van de groeiplaats en de
                            aanwezige natuurwetenschappelijke, landschappelijke of archeologische
                            waarden ten behoeve van andere bestemmingen</al></li><li nr="b."><al>Verstoring Onder verstoring verstaan we de negatieve effecten op de
                            omgeving door de nieuwe ontwikkelingen op de locatie van aantasting.
                            Deze kan bestaan uit geluidsoverlast, betreding, verdroging,
                            verontrusting en verlichting</al></li><li nr="c."><al>Versnippering Versnippering treedt op als elementen uit de ecologische
                            of landschappelijke structuur met een duidelijke voor hun omgeving
                            belangrijke functie. Dit zijn elementen die een functie hebben in
                            grotere natuurlijke systemen. Bij dergelijke systemen moet gedacht
                            worden aan foerageer- en leefgebieden, stepping stones, houtwallen,
                            natte of droge verbindingen tussen natuurgebieden en winter- en
                            zomergebieden.</al></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING </tussenkop><al>Artikelsgewijs</al><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In dit artikel zijn de definities van de gebruikte termen opgenomen. Als er
                    elders in de verordening nieuwe termen worden opgenomen, kunnen deze hier nader
                    gedefinieerd worden.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>In deze bepaling is het principe van de compensatieverplichting neergelegd. </al><al>Het eerste lid is van toepassing op ruimtelijke ingrepen met betrekking tot bos
                    en natuur, voor zover het gaat om de gebieden genoemd in artikel 2, tweede lid.
                    In het tweede lid is een opsomming gemaakt van gebieden die op grond van
                    provinciale of rijksplannen zijn aangewezen als bos of natuur. Bij significante
                    aantasting van bestaande waarden zal door Rijk of provincie in voorkomende
                    gevallen altijd een vorm van compensatie verlangd worden. De gemeente kan de
                    lijst desgewenst aanvullen met gebieden die specifiek voor hun gemeente
                    beschermenswaardig gevonden worden. Ingevolge het derde lid is de verordening
                    ook van toepassing op landschap en archeologie als dat gezien aard en karakter
                    van de voorgenomen ruimtelijke ingreep naar het oordeel van burgemeester en
                    wethouders nodig is (waarbij de nota Landschap of het gemeentelijke
                    landschapsbeleidsplan en de Archeologische Monumenten kaart en de Indicatieve
                    Kaart Archeologische Waarden maatgevend zijn). In dat geval geldt niet de
                    beperking van artikel 2, tweede lid. Het derde lid van artikel 2 kan desgewenst
                    vervallen in de verordening. De gemeente moet zich er wel van bewust zijn dat de
                    provincie het recht heeft dan in voorkomende gevallen ingrepen te toetsen aan
                    het POP.</al><al>In het vierde lid wordt het beginsel van “geen netto verlies” als uitgangspunt
                    verklaard. Dit beginsel moet in de artikelen 4 en verder nader worden
                    uitgewerkt. Bij een ingreep in een bepaald gebied wordt door de volgende stappen
                    te doorlopen inhoud gegeven aan het beginsel “geen netto verlies”:</al><lijst><li nr="a."><al>compensatie in oppervlakte conform de normen in artikel 4 en verder, in
                            de directe omgeving van de ingreep door middel van vervangende grond die
                            voldoende is ingericht en geschikt gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>via vergoeding van gekapitaliseerde kosten van aanloopbeheer vanwege
                            kwaliteitsverschil tussen bestaand en nieuw aangelegd terrein;</al></li></lijst><al>Als fysieke compensatie door overmacht niet of niet voldoende mogelijk is, wordt
                    deze vervangen door financiële compensatie</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>De Natuurbeschermingswet wordt hier genoemd omdat het compensatiebeginsel over
                    enige tijd (<cursief>wetsontwerp vastgesteld door de Eerste en Tweede Kamer,
                        maar nog niet in werking getreden omdat de Habitatrichtlijn nog onvoldoende
                        in de Natuurbeschermingswet is verankerd. Het aangepaste voorstel moet
                        nogmaals vastgesteld worden</cursief>) voor een aantal gebieden in deze wet
                    geregeld zal zijn. De verordening treedt dan terug.</al><al>Kern van artikel 3 is het compensatieplan, onmisbaar onderdeel van het
                    besluitvormingproces. Van belang is dat burgemeester en wethouders nadere eisen
                    kunnen stellen aan inhoud en procedure. Mocht de gemeente besluiten dat in alle
                    gevallen nadere stukken of te volgen stappen noodzakelijk zijn, dank kan het
                    eerste lid worden aangevuld met de benodigde informatie.</al><al>Het vierde lid schrijft voor dat het plan bij de aanvraag wordt gevoegd.
                    Ingevolge artikel 4:5 Awb behoeft de aanvraag pas in behandeling te worden
                    genomen als het plan aan de gestelde vereisten voldoet. </al><tussenkop>Artikelen 4 en 5</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat geen “netto-verlies” aan genoemde waarden resteert (artikel
                    2, vierde lid). Daartoe zullen maatregelen getroffen kunnen worden met het oog
                    op inpassing, mitigatie en compensatie (artikel 2, eerste lid). </al><al>De in de verordening opgenomen normen voor compensatie van bos en natuur
                    (artikelen 4 en 5) zijn gebaseerd op het SGR I, maar gaan verder dan die welke
                    zijn opgenomen in het SGR. Uitgangspunt voor de berekening van de
                    kwaliteitstoeslag van het Rijk is, dat bij compensatie de grondkosten gemiddeld
                    ¾ van de totale kosten voor aankoop en inrichting blijken te bepalen. Deze
                    cijfers zijn echter gebaseerd op compensatie in de Randstad. Dit heeft te maken
                    met de wijze van berekening van de compensatie (een percentage van de kosten die
                    gemoeid zijn met aankoop van gronden voor fysieke compensatie), die in Drenthe
                    relatief laag uitvallen door lagere grondprijzen. Daarmee zou een tekort voor
                    het beheer ontstaan, omdat de kosten daarvoor in heel Nederland ongeveer gelijk
                    zijn. Het Rijk hanteert voor snel vervangbaar 1/3 toeslag (in deze verordening
                    is dat 50%), In 25-100 jaar vervangbaar 2/3 toeslag (in deze verordening 100%)
                    en voor niet of moeilijk vervangbare natuur en bos stelt het Rijk geen norm. Per
                    geval zal bekeken moeten worden welke norm benodigd is (deze verordening 200%).
                    Ons inziens schept het wel stellen van een norm meer duidelijkheid, ook al zal
                    deze situatie zich zeer weinig voordoen omdat vernietiging van niet-vervangbare
                    natuur te allen tijde voorkomen moet worden. Daarnaast is natuur, bos, landschap
                    en cultuurhistorie van groot belang voor het vestigingsklimaat van wonen,
                    werken, recreatie en toerisme in Drenthe. Met andere woorden de economische
                    waarde van natuur en landschap in Drenthe is relatief hoog. Dat mag niet
                    verloren gaan. Ondanks deze verschillen kunnen SGR en verordening naast elkaar
                    bestaan, aangezien ze elkaar aanvullen en het SGR geen wetskracht heeft. Als de
                    gemeente goed kan beargumenteren dat een andere norm voor berekening van kosten
                    voor inrichting en beheer gehanteerd moet worden, is dat geen bezwaar. In
                    principe is de initiatiefnemer van de ingreep verantwoordelijk voor de
                    compensatie. Als de gemeente de norm lager vaststelt dan de werkelijke kosten,
                    zullen uiteindelijk de natuur (toch netto-verlies van waarden) of de gemeenschap
                    (resterende kosten betaald door beheerder van de natuur) opdraaien voor de
                    gevolgen.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Voor landschap gelden de normen genoemd in de nota Landschap en het POP als
                    leidraad. Maar van geval tot geval wordt maatwerk geleverd. Mits goed
                    gemotiveerd, is een andere norm ook denkbaar. Net als in artikel 2, tweede lid
                    voor bos en natuur een lijst van gebiedscategorieën is opgenomen, kan de
                    gemeente ook voor landschap een aantal gebiedscategorieën opnemen. Denkbaar is
                    dat in een bepaalde gemeente bijvoorbeeld alleen essen en beekdalen (nader
                    gespecificeerd in een landschapsbeleidsplan) onder deze verordening vallen.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het Verdrag van Malta d.d. 16 januari 1992 is bedoeld voor de
                            bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding
                            ervan in de ruimtelijke ontwikkeling. </al></li><li nr="2."><al> Archeologische waarden zijn, uitzonderingen als hunebedden,
                            grafheuvels, celtic fields en mottes daargelaten, doorgaans onzichtbaar
                            omdat ze schuilgaan onder het maaiveld. De zichtbare en de onzichtbare
                            waarden - samen ook wel het bodemarchief genoemd - hebben met elkaar
                            gemeen dat zij niet-regenereerbaar zijn. Aantasting van archeologische
                            waarden (voorwerpen, grondsporen en hun onderlinge relaties) betekent
                            dus vernietiging van unieke informatiebronnen. De moderne archeologische
                            monumentenzorg, die binnen niet al te lange tijd zijn beslag zal krijgen
                            in een nieuwe monumentenwet, streeft dan ook naar behoud van
                            archeologische waarden in de bodem, zodat ook latere generaties dit
                            bodemarchief nog kunnen raadplegen. Is behoud-in-situ niet mogelijk, dan
                            dient door wetenschappelijk onderzoek voorafgaand aan de geplande
                            bodemverstoring de in de bodem aanwezige informatie onderzocht,
                            vastgelegd en veiliggesteld te worden.</al></li></lijst><al>Aantasting – waaronder ook versnippering van terreinen valt – komt voor
                    compensatie in aanmerking.</al><al>De initiatiefnemer dient na te gaan of en in welke mate het initiatief gevolgen
                    heeft voor eventuele archeologische waarden in het desbetreffende gebied. De
                    instrumenten die hiervoor ter beschikking staan zijn de Archeologische
                    Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW).
                    De AMK geeft de bekende terreinen en hun waarde weer, de IKAW geeft de kans
                    (laag, middelhoog en hoog) aan op de aanwezigheid van archeologische waarden in
                    gebieden waar (nog) geen waarden zijn aangetroffen. Een groot deel van de op de
                    AMK aangeduide terreinen is behoudeniswaardig (een aantal terreinen is zelfs
                    wettelijk beschermd). De nog niet gewaarde terreinen op deze kaart – ‘terreinen
                    van archeologische betekenis’ - dienen op kosten van de initiatiefnemer
                    gewaardeerd te worden alvorens vastgesteld kan worden of zij al dan niet
                    behoudeniswaardig zijn. </al><al>De gebieden waarvoor de IKAW een hoge tot middelhoge verwachting uitspreekt
                    dienen aan een verkennend onderzoek onderworpen te worden om vast te stellen of
                    er waarden aanwezig zijn en zo ja, wat de waardering is. In het geval het om
                    (hoge) archeologische waarden gaat, dient naar behoud gestreefd te worden.
                    Indien behoud niet mogelijk is en de waarden als gevolg van de voorgenomen
                    ingreep vernietigd zullen worden, dienen ze op kosten van de initiatiefnemer
                    wetenschappelijk opgegraven te worden om de aanwezige informatie veilig te
                    stellen. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat financiële compensatie slechts plaatsvindt als fysieke
                    compensatie niet of slechts ten dele mogelijk is. De financiële compensatie
                    wordt in dat geval door de gemeente of provincie gelabeld in een fonds
                    gestort.</al><al>Daarnaast kan de financiële toeslag gestort worden in een fonds. De financiële
                    toeslag wordt vanuit het fonds beschikbaar gesteld aan de beheerder voor het
                    beheer (en inrichting) van de nieuwe gebieden. De financiële toeslag kan ook
                    d.m.v. een bankgarantie veiliggesteld worden en rechtstreeks door de
                    initiatiefnemer aan de beheerder worden uitbetaald. De gemeente bepaalt hoe en
                    waar de financiële compensatie wordt gestationeerd. Het verdient aanbeveling een
                    termijn vast te stellen, waarbinnen de financiële compensatie opnieuw moet
                    worden ingezet. Aangezien geadviseerd wordt compensatie zo dicht mogelijk bij de
                    ingreep te realiseren, ligt het voor de hand dat compensatie in eerste instantie
                    binnen de eigen gemeente plaatsvindt. Mocht dat niet haalbaar zijn, of als
                    blijkt dat compensatie in een andere gemeente op minder problemen stuit, kan de
                    gemeente besluiten de financiële middelen te besteden in een andere gemeente.
                    Zeker bij grensoverschrijdende natuurgebieden kan dit aan de orde zijn.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Het is niet de bedoeling dat de commissie van deskundigen een
                    “rechtsbeschermende rol” krijgt. Vandaar de bepaling dat deze commissie alleen
                    een rol kan spelen in het voortraject. Als burgemeester en wethouders een
                    besluit op de aanvraag genomen hebben gelden de normale regels van bezwaar en
                    beroep (Algemene wet bestuursrecht).</al><al>De commissie wordt ingesteld op gemeentelijk of provinciaal niveau, dit in
                    overleg met de Vereniging van Drentse Gemeenten. Het college van burgemeester en
                    wethouders of gedeputeerde staten dragen zorg voor een onafhankelijke
                    samenstelling van de commissie, waarin alle benodigde deskundigheid
                    vertegenwoordigd is. De commissie wordt eens per 4 jaar herbevestigd. De
                    commissie kan conform bijv. de adviescommissie Beeldende kunst functioneren.
                    Gezien de lage frequentie van compensatiegevallen en de te verwachten nog lagere
                    frequentie van meningsverschillen, lijkt het efficiënter om een provinciale
                    commissie in te stellen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>