<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR89947_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Gemeente Utrecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad van Utrecht, 2013, 33</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Gemeente Utrecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005181&amp;artikel=8">Woningwet, art. 8 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel jaargang 2013, nr. 28</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bouwen en wonen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling wordt vervangen door de Herdruk <extref doc="1.1:CVDR301953_1">Bouwverordening gemeente Utrecht</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BOUWVERORDENING GEMEENTE UTRECHT</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>10e Supplement Gemeente Utrecht (13e Wijziging VNG)</vet></al><al>zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 21 januari 1993, aangevuld met
                        raadsbesluit van 11 mei 1994, gewijzigd bij raadsbesluit van 27 juni 1996,
                        aangevuld met raadsbesluit van 5 februari 1998, en raadsbesluit van 25 juni
                        1998, gewijzigd bij raadsbesluit van 14 januari 1999, gewijzigd bij
                        raadsbesluit van 4 december 2003, gewijzigd bij raadsbesluit van 23 maart
                        2006, gewijzigd bij raadsbesluit van 8 februari 2007, gewijzigd bij
                        raadsbesluit van 4 oktober 2007, gewijzigd bij raadsbesluit van 11 september
                        2008, gewijzigd bij raadsbesluit van 1 oktober 2009gewijzigd bij
                        raadsbesluit van 4 november 2010</al><al>Deze bouwverordening bestaat uit twee delen:</al><lijst><li nr="1"><al>de tekst van de Bouwverordening, de bijlagen behorende bij de
                                verordeningstekst en de Utrechtse afwijkingen ten opzichte van de
                                modelbouwverordening;</al></li><li nr="2"><al>de toelichting op de Bouwverordening en bijlagen behorende bij de
                                toelichting.</al></li></lijst><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>INHOUD</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Bouwverordening</vet> (Gemeenteblad van Utrecht 2010, nr. 101)</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Inleidende bepalingen </al></li><li nr="2."><al>De aanvraag omgevingsvergunning </al><al> §1 Gegevens en bescheiden </al><al>§2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
                                        (<cursief>vervallen</cursief>)</al><al>§3 Welstandstoetsing (<cursief>vervallen</cursief>)</al><al>§4 Het tegengaan van bouwen op een verontreinigde bodem</al><al>§5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                    bereikbaarheidseisen §6 Voorschriften inzake
                                    brandveiligheidinstallatie en vluchtroute- aanduiding
                                    (vervallen)</al><al>§7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </al></li><li nr="3."><al>De melding (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="4."><al>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                    ingebruikneming een bouwwerk </al><al/></li><li nr="5."><lijst><li nr=""><al>Staat van open erven en terreinen,
                                            brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de
                                            nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                                            gedierte </al></li></lijst><al>§1 Staat van open erven en terreinen </al><al>§2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen (<cursief>vervallen</cursief>)</al><al>§3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </al><al>§4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
                                </al></li><li nr="6."><al>Brandveilig gebruik (v<cursief>ervallen</cursief>)</al><al/></li><li nr="7."><al>Overige gebruiksbepalingen </al><al>§1 Overbevolking </al><al>§2 Staken van het gebruik </al><al>§3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen </al><al>§4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid §5
                                    Watergebruik </al><al>§6 Installaties </al></li><li nr="8."><al>Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>§1 Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>§2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                                    voor het slopen </al><al>§3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>§4 Vrij slopen</al></li><li nr="9."><al>Welstand </al></li><li nr="10."><al>Overige administratieve bepalingen </al></li><li nr="11."><al> Handhaving (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="12."><al> Straf-, overgangs- en slotbepalingen </al></li></lijst><al/><al><vet>Bijlagen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning
                                        (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="2."><al>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
                                        (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="3."><al>Gebruikseisen voor bouwwerken
                                    (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="4."><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties
                                        (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="5."><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen
                                    (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="6."><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen (<cursief>vervallen</cursief>)
                                </al></li><li nr="7."><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen </al></li><li nr="8."><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest
                                        (<cursief>vervallen</cursief>) </al></li><li nr="9."><al>Reglement van orde van de welstandscommissie </al></li><li nr="10."><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 Brandmeldinstallaties
                                        (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="11."><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                                    Ontruimingsalarminstallaties (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="12."><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Vluchtrouteaanduiding
                                        (<cursief>vervallen</cursief>)</al></li><li nr="13."><al>Beleid artikel 2.5.29 onder b.</al></li></lijst><al/><al><vet>GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2007 Nr. 52</vet></al><al><vet>Bouwverordening</vet>.</al><al><vet>(Raadsbesluit van 4 oktober 2007)</vet></al><al>De raad van de gemeente Utrecht:</al><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 4 september
                            2007;</al><al>gelet op artikel 8 van de Woningwet (Stb. 1991, 439);</al><al><vet>B E S L U I T :</vet></al><al>vast te stellen de volgende</al><al><vet>BOUWVERORDENING</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>asbest:</al><al>-hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al>bevoegd gezag:</al><al>bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid,
                                onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als
                                bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al><al>bouwbesluit:</al><al>-de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de
                                Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht
                                ;</al><al>bouwtoezicht:</al><al>-degenen, die ingevolge artikel 92, tweede lid van de;</al><al>bouwwerk:</al><al>-elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                                materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                                indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                                vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren;</al><al> deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:</al><al>-hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al>gebruiksoppervlakte:</al><al>-de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al><al>NEN:</al><al>-een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                                norm;</al><al>NVN:</al><al>-een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                                voornorm;</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen:</al><al>-vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1,
                                eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht;</al><al>omgevingsvergunning voor het slopen:</al><al>-vergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2,
                                eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht;</al><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst><al>weg:</al><al>-alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of
                                paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al><al>Welstandscommissie:</al><lijst><li nr="-"><al>De Commissie Welstand en Monumenten Oost en de Commissie
                                        Welstand en Monumenten West;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk - een
                                gedeelte van een bouwwerk; gebouw - een gedeelte van een
                                gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende indeling
                                van de gemeente:</al><al>a. het gebied binnen de bebouwde kom, aangegeven als zone A met de
                                aangeduide straten;</al><al>b. het overige deel van de bebouwde kom (zone B);</al><al>c. het gebied buiten de bebouwde kom (zone C).</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al>a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                    verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met
                                    het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al><al>b. <vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al><al>c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                    veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                    asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt
                                    het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                    uitgave 2003.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen woonwagens en
                                    standplaatsen</titel></kop><al>.</al><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                                bouwen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering omgevingsvergunning voor het
                                    bouwenverlening</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op een verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op een verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><al>2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruikniet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                Bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de betreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al> een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van tenminste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al> zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van tenminste 14.600 kg en
                                            zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al> op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                    indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                    daarvoor lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>1.Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr=""><al>a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                        van het Bouwbesluit;</al></li><li nr=""><al>b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr=""><al>c. ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr=""><al>d. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        en</al></li><li nr=""><al>e. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02
                                        m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan
                                        die voldoet aan het bepaalde in artikel 2.39 en 2.40 van het
                                        Bouwbesluit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke,zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a.
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van tenminste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de
                                        weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale
                                van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere
                                toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van
                                de toegangen als brandweeringang aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijving van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, waarvan een omgevingsvergunning
                                        is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                                        zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                        van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3,
                                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht.</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwenplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren
                                        niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in
                                        artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht, te weten:</al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunnningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                        overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                        voor:</al><lijst><li nr="a."><al> ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld
                                                in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II
                                                bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en
                                                bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                                erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al> laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens
                                                van de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al> erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons
                                                en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                                dan 1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al> trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                                artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al> overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen
                                                twee bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al> bouwwerken aan of bij een monument –als bedoeld in
                                                de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                                gemeentelijke monumentenverordening– voor zover
                                                zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijkingen worden
                                        toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr=""><al>- 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip
                                                van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden
                                                van die rijweg;</al></li><li nr=""><al>- 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                weg;</al></li></lijst></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                niet in gevaar komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor::</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorzieningen, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair,
                                        anders</al><al>dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van
                                        het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op en over de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al> in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90° of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken –over een hoogte op een
                                    dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil–
                                    worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2
                                    m<sup>2</sup> behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="d."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="e."><al> gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="f."><al> vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="g."><al> bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="h."><al> gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij
                                            behorende woningen;</al></li><li nr="i."><al> gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="j."><al> gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al> in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan:</al></li><li nr=""><al>1. viertiende van de middellijn van de ingeschreven
                                            cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, verminderd met 1,6
                                            meter indien deze middellijn kleiner is dan of gelijk is
                                            aan 35 meter;</al></li><li nr=""><al>2. 9 meter, vermeerderd met een tiende van de middellijn
                                            van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                            indien deze middellijn groter is dan 35 meter doch
                                            kleiner is dan 110 meter;</al></li><li nr=""><al>3. 20 meter, indien de middellijn van de ingeschreven
                                            cirkel binnen de voorgevelrooilijnen gelijk is aan of
                                            groter is dan 110 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste.</al></li><li nr="b."><al> in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a. genoemde vorm op een afstand
                                            van de voorgevelrooilijn, bepaald op de onder omschreven
                                            wijze, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot
                                            een of meer der onder a. genoemde vormen voor zover zij
                                            op zichzelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het
                                            meest nabij komen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 20 meter;</al></li><li nr="c."><al> in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan:</al></li><li nr=""><al>1. viertiende van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, verminderd met 1,6 meter, indien de afstand
                                            tussen die voorgevelrooilijnen kleiner is dan of gelijk
                                            is aan 35 meter;</al></li><li nr=""><al>2. 9 meter vermeerderd met een tiende van de afstand
                                            tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, indien deze laatste afstand
                                            groter is dan 35 m. doch kleiner is dan 110 meter;</al></li><li nr=""><al>3. 20 meter, indien de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok gelijk is aan of groter is dan 110 meter.</al></li><li nr="d."><al> in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan:</al></li><li nr=""><al>1. viertiende van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, verminderd met 1,6 meter, indien de afstand
                                            tussen die voorgevelrooilijnen kleiner is dan of gelijk
                                            is aan 35 meter;</al></li><li nr=""><al>2. 9 meter, vermeerderd met een tiende van de afstand
                                            tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, indien deze laatste afstand
                                            groter is dan 35 meter doch kleiner is dan 110
                                            meter;</al></li><li nr=""><al>3. 20 meter, indien de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok gelijk is aan of groter is dan 110 meter.</al></li><li nr="e."><al> in alle niet onder a., b., c. of d. genoemde gevallen
                                            op een afstand welke wordt bepaald met inachtneming van
                                            de beginselen, welke zijn neergelegd in dit lid, doch op
                                            geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 20
                                            meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing –in het belang van de toetreding
                                    van daglicht– over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>in zone C (buiten de bebouwde kom) gelegen kassen en
                                        bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van
                                        bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                        begrepen;</al></li><li nr="b."><al>in zone C (buiten de bebouwde kom) gelegen gebouwen, geen
                                        kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de
                                        zijdelingse grens van het erf ten minste 20 m bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li><li nr="f."><al> antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>in zone C (buiten de bebouwde kom) gelegen gebouwen, geen
                                        kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de
                                        zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>in zone A en B (binnen de bebouwde kom) gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument –als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening– voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al> over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en voor wat betreft het achter het gebouw
                                            gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                            zijgevels, een</al></li><li nr="b."><al> diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="c."><al> het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                            betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet
                                            tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="d."><al> het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                    tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg
                                    en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                    weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die
                                    zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor
                                    te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet,
                                    wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al> indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al> vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al> niet toegankelijk zijn. Bebouwing van ondergeschikte
                                            aard op het erf of het aangrenzende erf wordt hierbij
                                            buiten beschouwing gelaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ,
                                    zijn niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al> het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning vereist is in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn één meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in zone A de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs
                                            de betreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>in zones B en C 2/3 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de betreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 12 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    betreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                    het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtstbijgelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                    geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van
                                    de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                    rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn één meter,
                                    vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in zone A éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>in zones B en C 2/3 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 2.5.24– de maximale hoogte van de zijgevel
                                    van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten
                                    hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwenwaarvan een omgevingsvergunningis vereist tussen
                                    de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de
                                    vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en
                                    door de achtergevelrooilijn snijden op de –krachtens de
                                    artikelen 2.5.20 en 2.5.21– maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al> 63° voor straten in zone A met geen grotere breedte dan
                                            12 meter, ten aanzien van het vlak aan de straatzijde
                                            tot een hoogte van de helft van de straatbreedte, en
                                            daarboven 45°; 45° voor straten in zone A met een
                                            grotere breedte dan 12 meter, ten aanzien van het vlak
                                            aan de straatzijde; 45° ten aanzien van het vlak aan de
                                            achtergevel;</al></li><li nr="b."><al> 45° in de overige gebieden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de –krachtens artikel 2.5. 22– maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van
                                    56°</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De grootste toegelaten hoogte van een bouwwerk in de vlakken
                                    door de voor- en achtergevelrooilijn mag niet meer bedragen dan
                                    18 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De grootste toegelaten hoogte van een bouwwerk waarvoor een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht is tussen de voor-
                                    en achtergevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 24 meter.</al><al> Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen
                                    op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte
                                    van de laagstgelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat –uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat– daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45° toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d., en artikel 2.5.28, onder h., i., j. en k.,
                                    moeten –voorzover zij de maximale hoogte overschrijden– buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht:</al></li><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 2 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan één meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument –als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening– voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking tot overschrijding van de
                                    rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de betreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 4
                                        Bor;</al></li><li nr="b."><al>de betreffende activiteit valt onder de limitatieve lijst
                                        zoals vermeld in bijlage 13;</al></li><li nr="c."><al> de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorzover de in de parkeernormen behorende bij de vigerende
                                    Parkeernota voor een functie criteria zijn aangewezen, wordt
                                    voor die functie aan de in het eerste lid gesteld eis voldaan
                                    door toepassing van die parkeernormen (bandbreedte). </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De -in de voorgaande leden bedoelde- ruimte voor het parkeren
                                    van auto's moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op
                                    gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten
                                            tenminste 1,80 m bij 5.50 m en ten hoogste 2,00 m bij
                                            7.00 m bij langsparkeervakken bedragen en tenminste 2,30
                                            m bij 4,50 m en ten hoogste 2,50 m bij 5,00 m bij haaks
                                            parkeren bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte -voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst- tenminste 3,50 m
                                            bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en vierde
                                    lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien;</al></li><li nr="b."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuiten in het
                                            belang van een goede stadsontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al>het besluit tot ontheffing dient door burgemeester en
                                            wethouders te worden voorzien van een motivering waarvan
                                            tenminste een opgave van de bestaande parkeerdruk, de
                                            verwachte toename van de parkeerdruk en het effect op de
                                            beschikbare openbare ruimte, in de omgeving van de
                                            gewenste bouwontwikkeling, of de elders gevonden
                                            oplossing voor het parkeergelegenheid onderdeel
                                            uitmaken</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallatie</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 meter afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 meter van
                                        de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare-distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen;
                                        of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a.
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                        aangesloten aan het openbare-distributienet voor
                                        aardgas:</al></li><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a. bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk
                                        niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin
                                voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en
                                voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig
                                is.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al></li><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                        verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming,</al></li><li nr="d."><al>als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                                        (warmtedistributienet).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    fecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit
                                    bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                    de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                                    openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit
                                    lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="c."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten ruisen;</al></li><li nr="d."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater, fecaliën en hemelwater,
                                            ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                            wijze op het openbaar riool te lozen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                    milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen
                                    in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld
                                    ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het
                                    openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                    aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of
                                    de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op
                                    een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of
                                    lucht mogelijk is:</al><lijst><li nr="e."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="f."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in de artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en fecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                    openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                    bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een
                                            zonder overstort, een gierput of een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen p
                                            een rottingput.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b,
                                    indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,
                                    bodem en lucht mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingsputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. </al><al> Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruik-neming van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het bouwen bij niet-tijdige
                                start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is verleend mag –onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde– niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient –voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen– tenminste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw– of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt -rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen-:</al><lijst><li nr="a."><al> de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al> machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat
                                de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al> uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al> de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al> het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al> de als gevaarlijke afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9)</al></li><li nr="b."><al> steenwol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al> glaswol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al> overig afval. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m<sup>3</sup>, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke
                                opslag</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al> van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                        riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                        door wanden en vloeren beneden straatpeil; </al></li><li nr="b."><al> van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede
                                        van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                        moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de
                                        onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                        gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2°C beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht tenminste
                                twee dagen vóór het begin van het betreffende werk in kennis worden
                                gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het betreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2°C is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor een bouwvergunning ex artikel 46
                            Woningwet (oud), dan wel een omgevingsvergunning is verleend, is het
                            verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de
                            volgende omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;</al></li><li nr="b."><al>er is niet gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning, dan
                                    wel de bouwvergunning ex art.46 Woningwet (oud).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Verbod te bouwen als bouw is stilgelegd</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk of hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al> drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al> verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al> aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk
                                            gedierte;</al></li><li nr="e."><al> aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    wegverkeer.Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang van een woongebouw meer dan 15 meter en die
                                    van een niet-woongebouw meer dan 40 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de betreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van tenminste 4,5 m, over een breedte
                                            van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte
                                            boven de kruin van de weg hebben van tenminste 4,2
                                            m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van tenminste 14.600 kg en
                                            zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds</al><al>a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                    het Bouwbesluit;</al><al>b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><al>c. ten minste 1,10 meter breed moeten zijn; en</al><al>d. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 meter;
                                    en</al><al>e. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                    tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                    voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                    Bouwbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen
                                    niet zijnde woningen, woon-gebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare-distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen;
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a.
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen;
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a. bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk
                                        niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op,:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen waarin voor het kunnen koken een andere energiebron
                                        dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele
                                        aansluiting van gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het
                                        stadsverwarmingsnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikelen 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    fecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 meter
                                            van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruimte mestkelder gier- of beerput aanwezig
                                            is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingsput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingsput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingsputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingsput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveiliggebruik</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen, woonwagens en woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m<sup>2</sup>
                                gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste persoon
                                van het totale aantal bewoners ten minste 12 m<sup>2</sup>
                                gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woningen, woonwagens </titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6
                                m<sup>2</sup> gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren –hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn– van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                                    terreinen in afwijking van de bestemming</titel></kop><al><vet><cursief>Zie toelichting en zie hieronder artikel 352 Utrechtse
                                        Bouwverordening (Gemeenteblad van Utrecht 1990, nr.
                                        10).</cursief></vet></al><al/><al><cursief>De tekst van artikel 352 van de Utrechtse Bouwverordening
                                    1990</cursief></al><al><vet>Artikel 352 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven
                                    en terreinen in afwijking van de bestemming</vet></al><al>1. Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als
                                uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet
                                1901, hetzij vóór, hetzij na inwerkingtreding van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening (Stb. 286 van 1962) geen voorschriften zijn
                                gegeven omtrent het gebruik van de in die plannen of voorschriften
                                begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing aan
                                de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaats gevonden, is het
                                verboden die bouwwerken, open erven of terreinen te gebruiken, in
                                gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel
                                strijdig met de uit dat plan of die voorschriften voortvloeiende
                                bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven bestemming
                                is verwezenlijkt.</al><al>2. Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken
                                en hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming, die
                                zij blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.</al><al>3. Niet van toepassing is het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                voor een gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen
                                wijziging wordt gebracht.4. Vrijstelling kan worden verleend van het
                                bepaalde in het eerste en tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1A</nr><titel>Bepaling aantal personen nachtverblijf</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op
                                vijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><lijst><li nr="a"><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunningvoor het slopen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                    slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                    gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m<sup>3</sup> , tenzij het slopen mede betreft
                                    het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist
                                    voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Het
                                    bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als
                                    bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al> de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al> de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al> het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, tenminste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval.</al></li><li nr="d."><al> het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                            overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2,
                                            tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet
                                            reeds zijn overgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. het bevoegd
                                    gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                                    betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                                    maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                    termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                    over het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het
                                    zesde lid van artikel 45 van de Woningwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5.</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                        monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                        overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
                                        de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                                        verleend of nog niet is aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                        grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet
                                        is verleend of nog niet is aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>een vergunning als bedoeld in artikel 30 of 33 van de
                                        Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is
                                        verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend ten gevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de
                                            werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan
                                    in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                    slopen van:</al><lijst><li nr="a."><al> geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                            asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien,
                                            uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                            staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                            niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                            bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat
                                            kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                            asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante
                                            meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                            asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een
                                            op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                            woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of
                                            bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte
                                            van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                            vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                            kadastraal perceel bedraagt; mits het voornemen tot dit
                                            slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door
                                            burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag
                                            waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen een
                                            omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. Met een
                                            woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                                            logiesverblijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                    enkelvoud worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    tweede lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste
                                    lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7
                                    en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in
                                    acht te nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de
                                    afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere
                                    afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de
                                    gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de een omgevingsvergunning voor het slopen
                                of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de vergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de vergunning moet een afschrift van de vergunning
                                    ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen
                                    krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de vergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag
                                    schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het
                                    slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de vergunning stuurt binnen twee weken na de
                                    uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift
                                    van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9,
                                    eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                    slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht
                                    hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                                    woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient tenminste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al> de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al> steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al> bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al> met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al> asfalt;</al></li><li nr="f."><al> dakgrind;</al></li><li nr="g."><al> overig afval. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand*</titel></kop><structuurtekst><al>* Het in onderstaande artikelen gehanteerde begrip welstandscommissie
                            heeft betrekking op zowel de Commissie Welstand en Monumenten Oost als
                            de Commissie Welstand en Monumenten West.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dienaangaande winnen daarnaast burgemeester en wethouders in ieder
                                geval advies in bij de welstandscommissie over aanschrijvingen bij
                                ernstige ontsiering (voor overige taken zie Bijlage 9, Reglement van
                                orde).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria (zie verder Bijlage 9, Reglement van
                                orde).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Commissie Welstand en Monumenten Oost en de Commissie Welstand en
                                Monumenten West bestaan beide tenminste uit een voorzitter en zes
                                leden, waarvan tenminste vijf leden bij voorkeur deskundig zijn op
                                het gebied van:</al><al>- architectuur</al><al>- planologie/stedenbouw</al><al>- omgevingsontwerp/landschapsarchitectuur</al><al>- bouwhistorie/architectuurhistorie/kunsthistorie</al><al>- monumenten/restauratietechniek</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de voorzitter en leden kunnen twee plaatsvervangende leden
                                benoemd worden die hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien
                                tenminste vier leden aanwezig zijn en waarvan tenminste drie leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris
                                of diens plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en diens plaatsvervanger dienen
                                deskundig te zijn op tenminste een van de in het eerste lid genoemde
                                vakgebieden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders
                                als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Minimaal twee leden, waaronder de voorzitter, dienen zowel in de
                                Commissie Welstand en Monumenten Oost als de Commissie Welstand en
                                Monument West zitting te hebben. Ook dient dezelfde ambtelijk
                                secretaris beide welstandscommissies bij te staan.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Als ambtelijk adviseur wordt aan de welstandscommissie toegevoegd de
                                directeur van Stadsontwikkeling. Deze kan zich laten vervangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de overige leden van de welstandscommissie en hun
                                plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders
                                benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. Bij de
                                benoemingsvoorstellen voor leden wordt ernaar gestreefd dat de
                                commissies zowel wat architectonische/esthetische deskundigheid als
                                wat deskundigheid over de monumentenzorg betreft, zo breed mogelijk
                                zijn samengesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De benoemingsvoorstellen voor de in het eerste lid genoemde functies
                                worden aan burgemeester en wethouders uitgebracht door de directeur
                                van Stadsontwikkeling. Over zijn/haar voorstellen hoort hij/zij van
                                tevoren de welstandscommissie. De commissie Stad en Ruimte wordt
                                vooraf geïnformeerd over de benoemingsvoorstellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als Bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorafgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde
                                komt:</al><al>- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit
                                de welstandsnota;</al><al>- de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al><al>- de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>- de bijzondere objecten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                                aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                                algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                                bijzonder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                aanvraag betreftuit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en/of via internet, dan
                                wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders
                                –al dan niet op verzoek van de aanvrager– een verzoek doen tot
                                niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders
                                daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid
                                geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de
                                adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht (zie verder
                                Bijlage 9, Reglement van orde).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden/voorzitter adviseren over bouwplannen waarvan
                                volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag
                                worden verondersteld (inzake machtiging: zie verder Bijlage 9,
                                Reglement van orde, artikel 8).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt gemandateerde het bouwplan alsnog voor
                                aan de welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                                bevoegd gezag –al dan niet op verzoek van de aanvrager– een verzoek
                                doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag
                                daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk (zie verder Bijlage 9, Reglement van orde).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                                daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening –of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen– wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een omgevingsvergunningplichtig
                            bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om omgevingsvergunning
                            voor het bouwen indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit
                            indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende
                            bodemonderzoek, tenzij het bevoegd gezag van mening is dat het
                            indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in
                            artikel 4 7, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij
                            een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan
                            de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al><vet><cursief>Vervallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop
                                    zij is afgekondigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: de
                                    Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 16 juli 1970
                                    (Gedr. Verz. 1970, laatstelijk gewijzigd en aangevuld bij
                                    raadsbesluit van 22 februari 1990, Gedr. Verz. nr. 10) en alle
                                    daarin aangebrachte wijzigingen, met uitzondering van Hoofdstuk
                                    4, afdeling A, de paragrafen 1 en 2 voor wat betreft de
                                    artikelen 287 t/m 290 en van Hoofdstuk 7, artikel 352.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                    Bouwverordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 21
                        januari 1993.</ondertekening><ondertekening>De secretaris, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Drs. A. Vermeulen Mr. I.W. Opstelten</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Afkondiging van de verordening is geschied op 3 februari 1993, zodat deze
                        verordening in werking is getreden op 6 februari 1993. </vet></al><al><vet>Publicatie van de tweede wijziging is geschied op 17 juli 1996, zodat deze
                        in werking is getreden op 25 juli 1996.</vet></al><al><vet>De derde wijziging is in werking getreden op 6 februari 1998.</vet></al><al><vet>De vierde wijziging is in werking getreden op 1 juli 1998.</vet></al><al><vet>De vijfde wijziging is in werking getreden op 1 juli 2004.</vet></al><al><vet>De zesde wijziging is in werking getreden op 24 maart 2006.</vet></al><al><vet>De zevende wijziging is in werking getreden op 22 maart 2007.</vet></al><al><vet>De achtste wijziging is in werking getreden op 4 oktober 2007.</vet></al><al><vet>De negende wijziging is in werking getreden op 22 oktober 2009</vet></al><al><vet>De tiende wijziging is in werking getreden op 25 november 2010</vet></al><al/><al/><al><vet>BIJLAGEN BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2010, NR. 101</vet></al><al/><al/><al><vet>Bijlagen 1 t/m 6</vet></al><al><vet><cursief>VERVALLEN</cursief></vet></al><al/><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al/><al><vet>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</vet></al><al/><al><cursief>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</cursief></al><al/><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="2."><al>NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="3."><al>NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen’; </al></li><li nr="4."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, ‘Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem’. (Engelstalig; met correctieblad
                            NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);</al></li><li nr="5."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 – Deel 1. Eisen’ (Engelstalig); </al></li><li nr="6."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername’ (Engelstalig);</al></li><li nr="7."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3.
                            Beproevingsmethoden’ (Engelstalig).</al></li></lijst><al/><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al><vet><cursief>VERVALLEN</cursief></vet></al><al><vet>Bijlage 9 Reglement van de orde van de welstandscommissie*</vet></al><al/><lijst><li nr=""><al>Het in onderstaande artikelen gehanteerde begrip welstandscommissie
                            heeft betrekking op zowel de Commissie Welstand en Monumenten Oost als
                            de Commissie Welstand en Monumenten West.</al></li><li nr=""><al>Bureau CWM= Bureau Commissie Welstand en Monumenten, ambtelijk
                            secretariaat</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Naast de taken die voortvloeien uit de Woningwet en in artikel 9.1 van
                            de Bouwverordening genoemd is de welstandscommissie met de volgende
                            overige taken belast:</al></li><li nr="2."><al>De geïntegreerde commissies welstand en monumenten adviseren
                            burgemeester en wethouders over zaken die krachtens de
                            monumentenverordening aan hen worden voorgelegd (zaken welke op de
                            monumenten of beschermde stads- en dorpsgezichten betrekking
                            hebben).</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie heeft het recht desgewenst eigener beweging aan
                            burgemeester en wethouders van haar inzichten te doen blijken in
                            aangelegenheden, die het stadsbeeld, het welstandstoezicht of de
                            monumentenzorg betreffen.</al></li><li nr="4."><al>Tot het nemen van zelfstandige beschikkingen, welke de gemeente binden,
                            is noch de welstandscommissie, noch haar leden, noch het Bureau CWM**
                            bevoegd.</al></li><li nr="2."><al>advisering over aanvragen omgevingsvergunning voor het slopen met
                            betrekking tot monumenten en bouwwerken in gebieden waar de
                            leefmilieuverordening van toepassing is;</al></li><li nr="3."><al>advisering met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte;</al></li><li nr="4."><al>advisering met betrekking tot reclameaanvragen;</al></li><li nr="5."><al>advisering met betrekking tot beleidsvoorstellen, ontwerpen van
                            bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en
                            stadsvernieuwingsplannen, dan wel andersoortige regelingen, welke
                            invloed uitoefenen of uit kunnen oefenen op het stadsbeeld of op de
                            monumentale waarden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het beoordelen van een om advies in handen van de welstandscommissie
                            gesteld plan, voorstel of beleidsvoornemen wordt onderzocht of dit mede
                            in verband met de omgeving en rekening houdend met de belangen van
                            betrokken partijen, uit een welstands- of monumentaal oogpunt al of niet
                            aanvaardbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Indien bij een door het gemeentebestuur vastgestelde verordening,
                            beleidsnota of (concept) Stedenbouwkundig Programma van Eisen op het
                            terrein van de welstands- en monumentenzorg criteria zijn gegeven houdt
                            de welstandscommissie daarmee bij haar beoordeling rekening.</al></li><li nr="3."><al>Door de juridische integratie van de welstands- en monumentencommissie,
                            heeft de commissie de bevoegdheid te adviseren op grond van de
                            Monumentenwet en de Woningwet. De commissie brengt een integraal advies
                            uit, waarin echter een duidelijke scheiding is aangebracht tussen het
                            welstands-advies en het advies ten aanzien van de
                            monumentenvergunning.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met betrekking tot de termijnen
                            waarbinnen moet worden geadviseerd nadere regelen te stellen.</al></li><li nr="2."><al>Het schriftelijke advies moet in ieder geval bevatten:</al><lijst><li nr="1."><al>een aanduiding van het adres dan wel het gebied waarop het
                                    advies betrekking heeft;</al></li><li nr="2."><al>het oordeel van de welstandscommissie;</al></li><li nr="3."><al>een opgave van de eventuele bedenkingen onder vermelding of en
                                    zo ja, op welke wijze door verbetering daaraan kan worden
                                    tegemoet gekomen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Adviezen van de welstandscommissie worden bij meerderheid van stemmen
                            vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>In het schriftelijk advies dient te worden aangegeven of tot het advies
                            unaniem is besloten. Bij afwezigheid van unanimiteit dient het
                            standpunt, ingenomen door een minderheid van de welstandscommissie
                            bestaande uit twee of meer leden, afzonderlijk in het advies te worden
                            vermeld voorzien van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en
                            de leden die het minderheidsstandpunt hebben ingenomen.</al></li><li nr="5."><al>Bij een afwijkend standpunt ingenomen door slechts één lid van de
                            welstandscommissie kan dit lid vorderen dat zulks in het advies wordt
                            aangetekend.</al></li><li nr="6."><al>Een negatief advies dient gemotiveerd te worden. Een positief advies
                            behoeft geen </al></li></lijst><al>nadere motivering. Indien er een bezwaar- en/of beroepsprocedure volgt naar </al><al>aanleiding van een positief advies dan zal achteraf en met terugwerkende kracht
                    het advies alsnog worden gemotiveerd.</al><lijst><li nr=""><al>Bij staking van stemmen, beslist de stem van de voorzitter. Hiervan
                            wordt bij het uitbrengen van het advies mededeling gedaan.</al></li><li nr=""><al>De ambtelijke adviseurs en de medewerkers van het Bureau CWM hebben een
                            adviserende stem.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Van het in de vergaderingen van de welstandscommissie verhandelde worden
                            notulen bijgehouden.</al></li><li nr="2."><al>De adviezen van de welstandscommissie worden in de notulen opgenomen.
                            Deze notulen worden door de voorzitter en de secretaris
                            gewaarmerkt.</al></li><li nr="3."><al>De vastgestelde notulen worden onverwijld toegezonden aan burgemeester
                            en wethouders en de directeur van StadsOntwikkeling.</al></li><li nr="4."><al>De vastgestelde notulen dan wel een uittreksel daaruit worden verder aan
                            andere personen of rechtspersonen verstrekt indien daarom wordt
                            verzocht.</al></li><li nr="5."><al>De goedgekeurde notulen zijn openbaar.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de welstandscommissie een negatief advies heeft gegeven,
                            onthouden de leden en de plaatsvervangende leden zich van het aanvaarden
                            van een opdracht tot verbetering van het ontwerp, waarop het advies
                            betrekking had, of tot vervaardiging van een nieuw ontwerp in de plaats
                            daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Indien één der leden of plaatsvervangende leden een opdracht tot het
                            maken van een ontwerp voor een werk heeft aanvaard, zodanig ontwerp
                            voorbereid heeft, of heeft doen voorbereiden, mag dit lid niet deelnemen
                            aan de opstelling van het advies omtrent dat ontwerp.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het welstandsadvies
                            indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van
                            toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de
                            commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen op basis van artikel 4:48 van de
                            Algemene wet bestuursrecht en op advies van de welstandscommissie
                            afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen
                            welstandscriteria. Dit kan onder andere gebeuren bij plannen die niet
                            voldoen aan deze welstandscriteria maar wel aan redelijke eisen van
                            welstand.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, op basis van artikel 44, eerste lid
                            onder d van de Woningwet, de omgevingsvergunning voor het bouwen
                            verlenen ondanks strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van
                            welstand, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn,
                            bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard.</al></li><li nr="4."><al>Indien burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies wordt
                            dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte
                            gesteld.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij twijfel (of bijvoorbeeld op
                            instigatie van de (ambtelijke) bezwaarschriftencommissie) bij een andere
                            welstandscommissie, gelieerd aan een andere stad of provincie, een
                            second opinion aanvragen, te coördineren door de Federatie
                            Welstand.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tijdens de vergadering van de welstandscommissie draagt de (uitvoerend)
                            secretaris er zorg voor dat door hem/haar voldoende vakinhoudelijke
                            ondersteuning op het terrein van de welstand als het terrein van de
                            monumentenzorg wordt geleverd.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie kan door bemiddeling van de secretaris aan
                            StadsOntwikkeling verzoeken te bevorderen dat bij aanvragen om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen, een omgevingsvergunning voor het
                            slopen, monumenten-, en reclamevergunningen nadere gegevens worden
                            overlegd ten aanzien van de soort, de bewerking en de kleur van de
                            materialen, zowel van het betrokken project als van het omringende
                            gebouwde gebied, alsmede dat maquettes, perspectief-, plattegronden-,
                            detail-, doorsnede en andere tekeningen op een door haar te bepalen
                            schaal worden overlegd en foto’s van de bestaande situatie worden
                            getoond.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan voorts door bemiddeling van de secretaris aan
                            StadsOntwikkeling verzoeken te bevorderen dat met betrekking tot
                            ontwerpen van bestemmings- en stadsvernieuwingsplannen, of andersoortige
                            stedenbouwkundige ontwerpen alle voor haar advisering noodzakelijke
                            gegevens, stukken, tekeningen en maquettes worden verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>De welstandscommissie kan tenslotte door bemiddeling van de secretaris
                            aan alle andere gemeentelijke ambtelijke organen verzoeken te bevorderen
                            dat met betrekking tot plannen die onder verantwoordelijkheid staan van
                            die organen alle voor haar advisering noodzakelijke gegevens, stukken,
                            tekeningen en maquettes worden verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>De welstandscommissie stelt een onderzoek ter plaatse in, indien zij bij
                            de beoordeling van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek
                            redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is.</al></li><li nr="6."><al>Indien de welstandscommissie voor de advisering over een bepaalde zaak
                            aanvullende niet-ambtelijke deskundigheid behoeft kan zij burgemeester
                            en wethouders gemotiveerd verzoeken deskundigen op te roepen om de
                            commissie bij te staan en zo nodig daartoe de vergadering bij te wonen
                            gedurende een door burgemeester en wethouders te bepalen aantal
                            uren.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan één of meerdere leden dan wel de secretaris
                            machtigen om over zaken van beperkte omvang positieve preadviezen op te
                            stellen die door de welstandscommissie aan de hand van een planlijst
                            worden bekrachtigd.</al></li><li nr="2."><al>Tenzij de welstandscommissie anders besluit wordt de (uitvoerend)
                            secretaris gemachtigd namens de welstandscommissie vooroverleg te voeren
                            met opdrachtgevers en/of ontwerpers en derden/ belanghebbenden. De
                            welstandscommissie kan ook één of meerdere leden machtigen namens de
                            commissie dat vooroverleg te voeren.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan ook één of meerdere leden dan wel de
                            secretaris machtigen namens de commissie deel te nemen in project- of
                            beleidsontwikkelingsteams, jury’s dan wel andersoortige werkgroepen en
                            rechtspersonen, een en ander voorzover de werkzaamheden verband houden
                            met het werkterrein van de commissie.</al></li><li nr="4."><al>De welstandscommissie kan één of meerdere leden dan wel de secretaris
                            machtigen om de aanvraag af te handelen in lijn met het verstrekte
                            commissieadvies. In elk geval van twijfel wordt het plan alsnog
                            voorgelegd aan de welstandscommissie.</al></li></lijst><al>5. De welstandscommissie kan één of meerdere leden, dan wel de secretaris
                    machtigen om revisievoorstellen van beperkte omvang op eerder goedgekeurde
                    aanvragen af te handelen. In elk geval van twijfel wordt het plan alsnog
                    voorgelegd aan de welstandscommissie. </al><al>6. De welstandscommissie kan met betrekking tot de machtigingen bedoeld in dit
                    artikel richtlijnen </al><al> geven waaraan de gemachtigden gehouden zijn te voldoen.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie vergadert in principe eenmaal per veertien dagen
                            op een vaste door haar te bepalen dag.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie vergadert verder zo dikwijls dit naar het oordeel
                            van de voorzitter in verband met de te behandelen zaken noodzakelijk is,
                            of zulks door tenminste drie leden onder opgaaf van redenen wordt
                            verzocht.</al></li><li nr="3."><al>De oproeping tot de vergadering van de welstandscommissie geschiedt door
                            de voorzitter, met dien verstande dat elk lid, spoedeisende gevallen
                            uitgezonderd, tenminste drie werkdagen voor de vergaderdatum daarvan
                            kennis heeft kunnen nemen.</al></li><li nr="4."><al>Een lid dat verhinderd is een vergadering bij te wonen doet daarvan
                            tijdig mededeling aan de secretaris.</al></li><li nr="5."><al>Bij verhindering van de voorzitter wordt zijn plaats ingenomen door de
                            plaatsvervangend voorzitter.</al></li><li nr="6."><al>Bij verhindering van meerdere leden, anders dan de voorzitter, kunnen
                            (indien benoemd) één of meerdere plaatsvervangende leden opgeroepen
                            worden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergaderingen van de welstandscommissie zijn openbaar (zie
                            Bouwverordening Hoofdstuk 9, artikel 9.6). Belangstellenden kunnen de
                            vergaderingen van de welstandscommissie bijwonen op de publieke
                            tribune.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de secretaris dragen ervoor zorg dat de openbare
                            vergaderingen voldoende bekend gemaakt worden.</al></li><li nr="3."><al>De bekendmaking houdt tenminste in het tijdstip, de plaats en de
                            agendapunten voor zover bekend, van de vergadering. Om aanvragers en
                            belanghebbenden de gelegenheid tot inspreken te geven, dienen deze
                            gegevens minimaal drie werkdagen voor de openbare vergadering
                            inzichtelijk te zijn.</al></li><li nr="4."><al>De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in </al></li></lijst><al> de openbaarheid. Daarvan kan afgeweken worden indien:</al><lijst><li nr="1."><al>belanghebbenden een beroep doen op artikel 10 van de Wet openbaarheid
                            van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat
                            daarmee de aanvrager in zijn/haar recht staat openbaarheid te
                            weigeren;</al></li><li nr="2."><al>burgemeester en wethouders een verzoek doen tot niet-openbare
                            behandeling waaraan klemmende redenen ten grondslag liggen op grond van
                            artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.</al></li><li nr="3."><al>De leden, de medewerkers van het Bureau CWM en indien aanwezig de
                            ambtelijke adviseurs, zijn gehouden geheimhouding te betrachten omtrent
                            het verhandelde in besloten vergaderingen, tenzij burgemeester en
                            wethouders besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></li><li nr="4."><al>De welstandscommissie dient de aanvrager en/of ontwerper van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen in persoon of bij gemachtigde de
                            gelegenheid te bieden toelichting te geven aan de commissie.</al></li><li nr="5."><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht bij openbare
                            vergaderingen. De voorzitter en/of de (uitvoerend) secretaris bepalen in
                            overleg met inspreker het tijdstip en de gelegenheid waarop inspreker de
                            commissie zijn/haar standpunt kan toelichten.</al></li><li nr="6."><al>Aanvragers en belanghebbenden kunnen via het Bureau CWM ook hun
                            toelichting op schrift aanleveren. Bij de behandeling van het
                            betreffende agendapunt in de vergadering zal deze door het Bureau CWM
                            ingebracht worden.</al></li><li nr="7."><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de
                            vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgelegd. De
                            welstandscommissie, gemandateerde commissieleden of medewerkers van het
                            Bureau CWM zijn niet verplicht tot openbaarheid bij een formeel
                            vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan. De potentiële
                            bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid.
                            Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl
                            uit oogpunt van de (korte) bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                            verdient.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter, leden en de plaatsvervangende leden van de
                            welstandscommissie, worden voor een periode van drie jaar benoemd en
                            zijn als voorzitter, als lid of als plaatsvervangend lid onmiddellijk
                            herbenoembaar voor nog één zittingsperiode van drie jaar.</al></li><li nr="2."><al>Een lid en een plaatsvervangend lid dat aftreedt of ontslag neemt,
                            blijft lid of plaatsvervangend lid totdat zijn opvolger de benoeming
                            heeft aanvaard, waarbij ernaar gestreefd wordt dat deze periode niet
                            langer dan een half jaar duurt.</al></li><li nr="3."><al>Aftredende en plaatsvervangende leden zijn, behoudens de mogelijkheid
                            tot een éénmalige herbenoeming, eerst na zes jaar weer
                            herbenoembaar.</al></li><li nr="4."><al>De leden en de plaatsvervangende leden van de welstandscommissie,
                            alsmede niet-ambtelijke deskundigen ontvangen voor het bijwonen van de
                            vergadering, alsmede voor het namens de commissie verrichten van
                            werkzaamheden een door burgemeester en wethouders nader vast te stellen
                            vergoeding op uurbasis. Reiskosten worden vergoed op basis van kosten
                            van openbaar vervoer 1<sup>ste </sup>klas, dan wel op basis van
                            kilometervergoeding.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 12</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op grond van een raadsbesluit kan voor een groot bouwkundig project,
                            stadsdeel en/of stadsuitbreiding op het grondgebied van Utrecht een
                            extra welstandskamer/-team worden opgericht, die voor het betreffende
                            bouwkundige project, stadsdeel en/of de stadsuitbreiding de
                            werkzaamheden van de commissie overneemt.</al></li><li nr="2."><al>Voor de welstandskamer/-team dienen aparte leden op voorstel van
                            burgemeester en wethouders door de gemeenteraad benoemd te worden. De
                            voorzitter en ambtelijk secretaris van een der beide welstandscommissies
                            fungeren als voorzitter respectievelijke secretaris.</al></li><li nr="3."><al>Bij behandeling van monumenten zal ter advisering een deskundige op het
                            gebied van monumentenzorg ofwel uit de welstandscommissie gevraagd
                            worden de betreffende vergadering bij te wonen ofwel –afhankelijk van
                            het karakter van grondgebied– structureel benoemd worden.</al></li><li nr="4."><al>De welstandskamer/-team wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door het
                            Bureau CWM.</al></li><li nr="5."><al>De artikelen in hoofdstuk 9 van de Bouwverordening alsook in het bijlage
                            9 Reglement van Orde, zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            welstandskamer of het welstandsteam.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij overtreding van het gestelde in artikel 5 Reglement van Orde, is de
                            gemeenteraad bevoegd het betreffende lid van de welstandscommissie
                            tussentijds te ontslaan.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad is eveneens bevoegd een lid tussentijds te ontslaan
                            indien </al></li></lijst><al>gebleken is dat deze het functioneren van de welstandscommissie niet dan wel </al><al>onvoldoende mogelijk maakt. Daaronder wordt mede begrepen het niet geregeld
                    deelnemen aan de vergaderingen.</al><lijst><li nr=""><al>Alvorens tussentijds ontslag voor te stellen wordt het betreffende lid
                            door de voorzitter en de directeur van StadsOntwikkeling gehoord.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>De welstandscommissie is bevoegd omtrent punten, waarin deze bepalingen niet
                    voorzien, een werkregeling vast te stellen, welke evenals de wijzigingen en
                    aanvullingen daarvan, door burgemeester en wethouders moeten worden
                    goedgekeurd.</al><al><vet>Bijlagen 10 tot en met 12</vet></al><al><vet><cursief>VERVALLEN</cursief></vet></al><al><vet>Bijlage 13</vet></al><al/><al><vet>Limitatieve lijst behorende bij artikel 2.5.29 sub b</vet></al><al/><al><vet>In afwijking van het verbod in artikel 2.5.29 tot overschrijding van de
                        rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte kan door het bevoegd gezag een
                        vergunning worden verleend voor:</vet></al><al/><al><vet>A. Algemeen</vet></al><al>a. Bouw en aanleg c.q. aanpassing van bestaande weg-, water-, parkeer- en
                    groenvoorzieningen van lokale aard;</al><al>b. Openbare nutsvoorzieningen (niet zijnde antennemasten), mits deze bebouwing
                    van beperkte omvang is en het beoogde gebruik in relatie tot de omgeving niet
                    hinderlijk van aard is;</al><al>c. Kleinschalige voorzieningen van algemeen belang, zoals bergbezinkbassins en
                    voorzieningen voor afvalinzameling. </al><al/><al><vet>B. Stedelijk gebied</vet></al><al>a. realisering, verandering, vervanging en uitbreiding van
                    woningen/woongebouwen, ongeacht de maatvoering tot van woningen in de
                    hoofdkernen van de gemeente;</al><al>b. realisering van functiewijzigingen van bestaande opstallen en gronden, de
                    daaruit voortkomende bouwactiviteiten alsmede uitbreiding van bestaande functies
                    op buurt- en wijkniveau; ingeval van detailhandel geldt dat het bruto
                    vloeroppervlak van de gebouwen na realisatie de 1.500 m² niet te boven mag gaan;
                    bij omzetting naar wonen geldt het maximum aantal woningen als genoemd onder
                    a;</al><al>c. realisering van nieuwe werk- en detailhandelsvoorzieningen, zoals winkels,
                    kantoren en bedrijven op buurt en wijkniveau; voor detailhandel en wonen geldt
                    hetzelfde als gesteld onder b., respectievelijk a.;</al><al>d. oprichten van gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van sport,
                    maatschappelijke doeleinden, recreatie of cultuur met de daarbij behorende
                    gronden, zoals een school- of kerkgebouw, een kleedgebouw, een jongerenhangplek
                    met bijbehorende voorzieningen, dierenverblijf of standbeeld, mits deze
                    bebouwing en het beoogde gebruik daarvan in relatie tot de omgeving niet
                    hinderlijk van aard is. </al><al>e. antennemasten voor telecommunicatie tot een hoogte van vijftien meter. </al><al><vet>BIJLAGE B BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2010, NR. 101</vet></al><al/><al><vet>Bijlage 3 – Toelichting Bouwverordening Gemeente Utrecht</vet></al><al/><al/><al><vet>INHOUD</vet></al><al/><al><vet>Toelichting Bouwverordening</vet></al><al>1. Inleidende bepalingen 2</al><al>2. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen 5</al><al>§1 Gegevens en bescheiden 6</al><al>§2 <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>§3 <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>§4 Het tegengaan van bouwen op een verontreinigde bodem 7</al><al>§5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen 9</al><al>§6 <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>§7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen 19</al><al>3. <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>4. Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een
                    bouwwerk 23</al><al>5. Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het
                    weren van </al><al> schadelijk en hinderlijk gedierte 30</al><al>§1 Staat van open erven en terreinen 30</al><al>§2 <cursief>Vervallen</cursief></al><al>§3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen 30</al><al>§4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid 31</al><al>6. <cursief>Vervallen</cursief></al><al>7. Overige gebruiksbepalingen 32</al><al>§1 Overbevolking en slaapplaatsen 32</al><al>§2 Staken van het gebruik 32</al><al>§3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen 33</al><al>§4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid. 39</al><al>§5 Watergebruik 39</al><al>§6 Installaties 40</al><al>8. Slopen 41</al><al>§1 Omgevingsvergunning voor het slopen 42</al><al>§2 Sloopmelding 45</al><al>§3 Verplichtingen tijdens het slopen 48</al><al>§4 Vrij slopen 50</al><al>9. Het welstandstoezicht 51</al><al>10. Overige administratieve bepalingen 56</al><al>11. Handhaving 57</al><al>12. Straf-, overgangs- en slotbepalingen 58</al><al/><al><vet>Bijlagen op de Toelichting:</vet></al><al/><al>1. Toelichting Verordening 59</al><al>2. Voorbeeldvoorwaarden bij een gebruiksvergunning
                    (<cursief>vervallen</cursief>)</al><al>3. Tabel maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met
                    het oog op de op de brandveiligheid (<cursief>vervallen</cursief>)</al><al>4. Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning (<cursief>vervallen</cursief>)</al><al>5. Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen 78</al><al>6. Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van de
                    opsteller van het sloopveiligheidsplan 79</al><al>7. Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan 81</al><al>8. Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop 82</al><al>9. Vervallen</al><al>10. Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest 86 </al><al><vet>TOELICHTING BOUWVERORDENING</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al><vet>Asbest</vet></al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de
                    vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-6-4), amosiet (Cas-nummer
                    12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer
                    12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer
                    77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt. </al><al/><al>Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al/><al><vet>Regeling omgevingsrecht (Mor) </vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor
                    komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.</al><al/><al><vet>Besluit omgevingsrecht (Bor)</vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken
                    (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel.
                    De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor. </al><al/><al><vet>Bevoegd gezag </vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in
                    ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag
                    opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen,
                    wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening,
                    blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit
                    betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt
                    afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het
                    bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze
                    door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het
                    kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de
                    aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan
                    niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door
                    naar burgemeester en wethouders. </al><al/><al><vet>Bouwbesluit 2003 </vet></al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het
                    Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen. </al><al/><al><vet>Bouwtoezicht</vet></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                    die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet. Artikel 5.10 Wabo heeft
                    betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk
                    niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo.
                    Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of
                    op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt. </al><al/><al><vet>Gebruiksoppervlakte</vet></al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    tweede lid begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de
                    bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, </al><al>paragraaf 1, van de verordening. </al><al/><al><vet>Bouwwerk en gebouw</vet></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de verordening en de jurisprudentie. </al><al/><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet. </al><al/><al><vet>Deskundig bedrijf</vet></al><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
                    En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in
                    artikel 4.54 d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. </al><al/><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor
                    www.ascert.nl</al><al/><al><vet>Omgevingsvergunning</vet></al><al>In de verordening worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                    ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving
                    genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen
                    twee.</al><al/><al><vet>Vergunningvrij bouwen </vet></al><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Voor welke
                    activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist staat in
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is gebaseerd op de
                    Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). </al><al/><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende
                    onderdelen: </al><al>- De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals
                    het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig. ; </al><al>- De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd
                    waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1. een
                    categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de
                    beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van toepassing is
                    (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het planologisch
                    regime niet van toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo
                    opgaan van planologische afwijkingsbesluiten;</al><al>- Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder een
                    nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht; </al><al>- Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen bij
                    woningen en woongebouwen); </al><al>- Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of uitbouw; </al><al>- Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig; </al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom. Ook
                    bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het
                    betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. De
                    bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor
                    gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat een
                    afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden. </al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                    toelichting.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen </vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al/><al><vet>Regeling omgevingsrecht</vet>.</al><al>In hoofdstuk 2 van de verordening zijn alle artikelen verzameld die betrekking
                    hebben op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                    indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling vervangt
                    het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. </al><al/><al><vet>Wet BIBOB </vet></al><al>De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het
                    bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies
                    wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                    van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de
                    gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                    het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. </al><al/><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op. </al><al/><al><vet>Awb</vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is. </al><al/><al><vet>Wro</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al/><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost. </al><al/><al><vet>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                        bouwen </vet></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan. </al><al/><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage. </al><al/><al><vet>Wabo </vet></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van
                    hoofdstuk 8 van de verordening maken deel uit van de omgevingsvergunning en
                    worden in de verordening aangeduid als <cursief>omgevingsvergunning voor het
                        bouwen (art. 2.1 Wabo)</cursief> en <cursief>omgevingsvergunning voor het
                        slopen (artikel 2.2, eerste lid, onder a. Wabo)</cursief>. De Wabo heeft
                    gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De
                    verordening is Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een
                    vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is
                    ook onder de Wabo mogelijk</al><al> ten aanzien van de omgevingsvergunning. </al><al/><al><vet>Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwen
                    </vet></al><al>Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden
                    over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats
                    opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze
                    voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. </al><al/><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al/><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de verordening hebben tot doel te
                    bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat
                    het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                    toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                    beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de
                    voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. </al><al/><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                    onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd -ook wel
                    historisch onderzoek genoemd- ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien net
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid
                    besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend
                    onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de
                    grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond
                    te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. </al><al/><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. </al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. </al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. </al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op een verontreinigde bodem</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op een verontreinigde bodem</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord ‘uitsluitend’ in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al/><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. </al><al/><al>De structuur is als volgt: </al><lijst><li nr=""><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                            onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd,
                            aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.</al></li><li nr=""><al>Artikel 4.4, tweede lid van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                            waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te
                            worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn
                            verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en
                            die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in
                            artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt
                            dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te
                            toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de
                            aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag
                            zijn. </al></li><li nr=""><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                            bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                            opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                            wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de
                            gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al></li><li nr=""><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                            bevoegd gezag in een voorwaarde </al></li></lijst><al>bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden
                    alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens
                    wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en
                    bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. </al><al/><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieu-, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al/><al><vet>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</vet></al><al>Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    ‘enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan een dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al/><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip ‘voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al/><al><vet>Bouwwerken die de grond niet raken</vet></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al/><al><vet>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                        bodemverontreiniging</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet
                    onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. </al><al/><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe
                    zijn aangewezen (zie website ministerie VROM site:
                        <onderstreept>www.vrom.nl/pagina.html?id=24354&amp;term=wet+bodembescherming</onderstreept>;
                    Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming) volgens de Wet
                    bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen. </al><al/><al><vet>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</vet></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van de verordening. </al><al/><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvraag van de werkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen. </al><al/><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen. </al><al/><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en -in relatie tot de
                    bouw- op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: </al><al>- de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                    wordt aangebracht; </al><al>- de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                    afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; </al><al>- de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt
                    aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk
                    in stand wordt gehouden. </al><al/><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden. </al><al/><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. </al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor
                    voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een
                    even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan
                    worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat
                    de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost. Het parkeren regelen in een
                    bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die dit nu doen, kunnen hiermee
                    door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn geregeld in een
                    bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9
                    Woningwet). </al><al/><al><vet>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</vet></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet­vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in
                    art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders
                    bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                    volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake
                    is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                    worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het
                    bestemmingsplan aan.</al><al/><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een driedelige toets te worden uitgevoerd.</al><lijst><li nr="1."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li><li nr="2."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde
                            onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag
                            ontkennend, dan dient tenslotte te worden bezien of </al></li><li nr="3."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Wet ruimtelijke ordening (Wro) </vet></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3 (Bereikbaarheid
                    bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A (Bereikbaarheid van
                    gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van
                    de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit
                    de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven deze artikelen vooralsnog in de
                    bouwverordening bestaan. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. </vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over ‘een bouwwerk dat voor het verblijf van
                    mensen is bestemd’, omdat met name ziekenauto’s en brandweerauto’s niet alleen
                    gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw
                    zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.</al><al/><al>Indien de maat in het eerste lid door de raad op tien meter wordt bepaald, dan
                    correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan -ingevolge artikel
                    5, vierde lid van de Postregeling 2009 dat op artikel 20 van de Postwet 2009
                    berust- een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan
                    de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt
                    van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de
                    blusslangen te groot wordt.</al><al/><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin
                    van het eerste lid, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                    geweigerd. Eventueel kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat
                    met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die
                    aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat
                    de aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een
                    toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het
                    wegennet. </al><al/><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen van
                    wegen door particulieren) is opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening
                    (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten
                    vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen is -gelet op artikel 14
                    van de Wegenwet- niet nodig voor het aansluiten, c.q. uitwegen op openbare
                    wegen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door
                    gangbare vrachtauto’s, zoals verhuisauto’s, brandweerauto‘s e.d., zonder dat
                    deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het draagvermogen van de
                    verharding en een eventuele brug over een sloot of iets dergelijks is eveneens
                    afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare vrachtauto’s.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen
                    behoeven echter niet te worden verhard, indien de plaatselijke brandweer over
                    blusvoertuigen voorterreingebruik beschikt.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de
                    Brandweerwet 1985. Burgemeester en wethouders hebben de zorg voor de openbare
                    (brand)veiligheid en zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor de
                    openbare bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin voorzien. </al><al>In de bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare bluswatervoorziening
                    (de bouwer) moet zorg dragen voor een niet openbare bluswatervoorziening. Te
                    denken valt aan een huisje op de hei. In zo'n geval kan van de gemeente geen
                    bluswaterleiding worden gevraagd, dit gaat de zorgplicht te boven. De bouwer
                    moet dit zelf regelen. </al><al/><al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:</al><lijst><li nr="1."><al>aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al></li><li nr="2."><al>aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;</al></li><li nr="3."><al>speciaal gegraven blusvijver;</al></li><li nr="4."><al>ander oppervlaktewater;</al></li><li nr="5."><al>waterput of bron.</al></li></lijst><al/><al>Onder toereikende openbare bluswatervoorziening wordt een debiet verstaan van
                    minimaal 60 m<sup>3</sup>/h, met uitzondering woonfuncties niet in een
                    woongebouw. Hiervoor kan worden volstaan met minimaal 30 m<sup>3</sup>/h.
                    Eenzelfde maatstaf als hiervoor vermeld geldt voor een doeltreffende niet
                    openbare bluswatervoorziening. Bij de onder c t/m e aangegeven voorzieningen
                    dienen de debieten gerealiseerd te worden door middel van een eigen
                    pompinstallatie.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard,
                    ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats
                    voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Daarnaast kan ontheffing betrekking
                    hebben op geschikte en doelmatige verbindingswegen die afwijken van de maten
                    genoemd in het tweede lid. Voorwaarde daarbij is dat het verlenen van een
                    ontheffing afhankelijk is van een positief advies van de brandweer. Hierdoor
                    wordt de bereikbaarheid voor o.a. de hulpverleningsdiensten gewaarborgd.
                    Voorbeelden: woningen op binnenterreinen en/of aan een smalle steeg,
                    recreatiewoonverblijven die aan het water liggen en over een aanlegsteiger
                    beschikken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten e.d. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit
                    die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet
                    gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de
                    eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b. kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd.</al><al/><al>Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen
                    zouden voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                    verdient het de voorkeur om het onder b. bepaalde als volgt te redigeren:</al><lijst><li nr=""><al>langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                            aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte van tenminste 30 meter de lijn gelegen op een afstand
                            van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar tenminste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. </al><al>Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd: </al><al>1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                    het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is. </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b.</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. </al><al/><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. </vet></al><al><vet>Afschuining van straathoeken</vet></al><al><cursief>Vierde lid, onder a.</cursief></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen. </al><al/><al><cursief>Vierde lid, onder f.</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al/><al><cursief>Vierde lid, onder g.</cursief></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder a.</cursief></al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen wordt gedefinieerd als ‘de lijn die
                    -behoudens toegelaten afwijkingen- bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevel-rooilijn)
                    niet mag worden overschreden’, is -om misverstand te voorkomen- een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen. </al><al/><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een -verboden- overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al/><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. </al><al/><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn.</al><al/><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Vrijstelling voor overschrijdingen van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al/><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al><al/><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven. </al><al/><al><cursief>Ad a. en g.</cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g. bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    ‘buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit. </al><al/><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht. </al><al/><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al/><al><cursief>Derde lid, onder b., ad 1.</cursief></al><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al/><al><cursief>Derde lid, onder b., ad 2.</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte. </al><al/><al><cursief>Derde lid, onder b., ad 3.</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder a. en b.</cursief></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere geval. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is. </al><al/><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al/><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk. </al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. </al><al/><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar/beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, derde lid, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. Indien in het gebied waarop het
                    bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van opstal is gevestigd
                    -zie hiervoor het kadaster- dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een
                    geringere afstand in een bestemmingsplan geen betekenis. In veel
                    bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die
                    elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. </al><al/><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al/><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al/><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a<sup>1</sup>
                    enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                    achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen
                    terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de
                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de andere weg liggende
                    voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen
                    achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Bij achterterreinen die -door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins-
                    niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de -op die zijgevel
                    aansluitende- voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</vet></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De hier genoemde hoek van 56° correspondeert met de hoogte-diepteverhouding uit
                    het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt -bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte- overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken. </al><al/><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van ‘straatpeil’.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</vet></al><al><cursief>Ad a.</cursief></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al/><al><cursief>Ad b.</cursief></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten. </al><al/><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al/><al><cursief>Ad e., onder 1.</cursief></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                        beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 van deze verordening is, in relatie met de overige
                    stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie
                    tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                    anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan.
                    Paragraaf 2.5 van de verordening is te beschouwen als een bestemmingsplan
                    vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking
                    wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo
                    eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de
                    verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die
                    uit een bestemmingsplan. </al><al/><al><cursief>Sub a. </cursief></al><al>Artikel 4.1.1. Bro is het equivalent van het inmiddels vervallen artikel 20 Bro
                    (oud). </al><al/><al><cursief>Sub b.</cursief></al><al>De verwijzing naar de limitatieve lijst in bijlage 13 betreft de integraal
                    overgenomen limitatieve lijst van de inmiddels vervallen provinciale circulaire
                    uit 2006 behorende bij het eveneens vervallen artikel 19, tweede lid WRO (oud).
                    Het betreft hier derhalve het voortzetten van vaststaand beleid.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen </vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren. </al><al/><al><cursief>Eerste en tweede lid </cursief></al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. De gemeenteraad heeft derhalve
                    in de Parkeernormen 2004 en de Partiële Herijking Parkeernormen 2007 met
                    zoneringskaart het parkeerbeleid van de Gemeente Utrecht weergegeven. In deze
                    nota zijn parkeernormen vastgelegd met als uitgangspunt dat het parkeren op
                    eigen terrein wordt geregeld. De normen zijn gedefinieerd binnen een bandbreedte
                    teneinde optimale flexibiliteit in te bouwen en maatwerk te bieden. </al><al>Naast de locatie is bij de normering rekening gehouden met de functie van
                    bouwwerken, zoals wonen, werken, winkels en de overige mobiliteitskenmerken van
                    gebruikers en/of bezoekers. </al><al>Voor het gefiscaliseerde gebied (betaald parkeren) in de centrale stad en de
                    schil is voor kleinere ontwikkelingen een 0-norm gesteld. Dit betekent dat in
                    situaties waarin het fysiek niet mogelijk is om parkeerplaatsen te realiseren de
                    parkeereis komt te vervallen. Voorbeelden hiervan zijn het wonen boven winkels,
                    het vestigen van een restaurant in het voetgangersgebied, woningsplitsing of het
                    omzetten van een winkel naar bijvoorbeeld een sportschool. </al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van het
                    eerste en tweede lid. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                    parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers
                    gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                    vrachtauto te maken. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige
                    onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende
                    reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de
                    wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen
                    voor rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><al>De maatvoering van de parkeerplaatsen is afkomstig uit de 'Aanbevelingen voor
                    verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, ASVV 2004' van het CROW (nationaal
                    kennisplatform voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte). In geval van
                    gebouwde parkeervoorzieningen dienen deze te voldoen aan de NEN 2443 'Parkeren
                    en stallen van personenauto's op terreinen en in garages'. </al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's). </al><al/><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>De tekst van artikel 2.5.30, vierde lid voorziet in de mogelijkheid van
                    afwijkingen (ontheffing) van de norm boven de bandbreedte (nadere eis) en
                    afwijkingen in bijzondere gevallen van de norm. </al><al/><al><cursief>Ad a. </cursief></al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste en tweede lid om een
                    beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is
                    onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of
                    openbare parkeergarage aanwezig is. </al><al/><al><cursief>Ad b. </cursief></al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste en tweede lid is onder
                    meer bedoeld voor die gevallen waar het belang van een goede stadsontwikkeling
                    belangrijker wordt geacht dan het parkeerbelang. Zo kan bijvoorbeeld bij een
                    groot tekort aan starterswoningen het college ontheffing verlenen voor een
                    lagere norm voor een bepaald complex. Een ander voorbeeld is verbouwing van
                    bestaande gebouwen zoals winkels en dergelijke in de binnenstad die
                    omgevingsvergunningplichtig zijn. </al><al/><al><cursief>Ad c. </cursief></al><al>Het besluit tot ontheffing dient te worden gemotiveerd. De motivering bevat in
                    ieder geval: </al><al>- de bestaande parkeerdruk; </al><al>- de verwachte toename van de parkeerdruk en; </al><al>- het effect op beschikbare openbare ruimte, in: </al><al>o de omgeving van de gewenste bouwontwikkeling, of; </al><al>o de elders gevonden oplossing voor het parkeergelegenheid onderdeel uitmaken. </al><al/><al>Dit lid is gewijzigd naar aanleiding van een amendement van de raad en heeft tot
                    doel dat ontheffingen van een voldoende motivering worden voorzien.</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet
                    in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en
                    evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De
                    plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in
                    tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van
                    drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met
                    het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit
                    contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op
                    de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het
                    waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de
                    binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak
                    in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al/><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                    binnenhuisinstallatie voor drinkwater -als bedoeld in het genoemde artikelnummer
                    van het Bouwbesluit- ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                    gelijkwaardigheidsbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het aanbrengen
                    van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater wordt
                    toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare-distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar is gesteld over de
                    waterleiding geldt mutatis mutandis voor de aansluiting aan het
                    elektriciteitsnet’.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op gas
                    wordt gekookt en voor verwarming geen individuele toevoer van gas nodig is. In
                    de praktijk betreft dit vaak woningen voor ouderen of gehandicapten, waar wordt
                    aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas koken. </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder b</cursief></al><al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                    eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                    hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                    geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                    brandstof noodzakelijk acht.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder c</cursief></al><al>Van het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden bij woningen
                    die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming, indien een
                    gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas. </al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, de Wet
                    Milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet richten zich op de lozers
                    van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving.
                    Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het Handboek Water:
                        <onderstreept>www.infomil.nl/handboekwater</onderstreept>. Met het oog op
                    vermindering van de belasting van het milieu en van het bestaande rioleringsnet
                    kan in bepaalde gebieden of in een hele gemeente verplicht worden gesteld dat
                    hemelwaterafvoer wordt afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel. Deze plicht is
                    niet gebaseerd op de bouwverordening, maar staat in een afzonderlijke
                    gemeentelijke verordening. De VNG heeft hiervoor de Modelverordening afvoer
                    hemelwater en grondwater opgesteld en per ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr.
                    09/091 aan de gemeentebesturen toegezonden. Deze verordening is gebaseerd op
                    artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. </al><al/><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de verordening. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in
                    artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 2.1 van
                    de Wabo gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het herziene artikel 13 van
                    de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om
                    aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en
                    het dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.</al><al/><al>Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene regels
                    (amvb’s). Deze amvb’s zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en regelen alle
                    lozingsroutes: rioolstelsels, oppervlaktewater en bodem. Dit betreft drie
                    amvb’s, die zich richten tot een bepaalde doelgroep</al><al/><al>1. Het besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat uitsluitend
                    van toepassing is op lozingen vanuit particuliere huishoudens, </al><al>2. het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415), dat zich richt tot inrichtingen in
                    de zin van de Wet milieubeheer, en </al><al>3. het Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr., 2009, 12902) waarin het grootste
                    deel van de resterende lozingen in geregeld worden. Dit besluit is nog in
                    ontwerp en zal in 2010 van kracht worden. </al><al/><al>Een aantal lozingen, met name die van grotere bedrijven, worden nog geregeld met
                    vergunningen. Bij lozing in het oppervlaktewater is dat de watervergunning, bij
                    lozing in het riool de Wabo-vergunning. </al><al/><al>Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de omvang van de
                    lozing) staan de besluiten een directe lozing in het oppervlaktewater of de
                    bodem toe. In deze besluiten zijn de voorwaarden voor deze lozingen opgenomen,
                    voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk afvalwater kan dan bijvoorbeeld
                    een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater) worden toegepast</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dient de afvoerleiding het
                    huishoudelijk afvalwater te worden aangesloten op het vuilwaterriool. De afvoer
                    van het hemelwater van dak en terrein kan afhankelijk van het gemeentelijk
                    beleid, zoals vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), geloosd
                    worden in het oppervlaktewater, de bodem of een speciaal daartoe aangelegd
                    hemelwaterstelsel. De voorwaarden waar deze lozingen aan moeten voldoen staan in
                    de hiervoor genoemde besluiten onder ‘Algemeen’.</al><al/><al>De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan de onder b genoemde
                    uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten)
                    gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen
                    te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de
                    toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in
                    de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en
                    regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam,
                    specificatieblad S 445. </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder a.</cursief></al><al>Naast het geven van aanwijzingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van de
                    te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:</al><lijst><li nr="1."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuumriolering
                            wordt aangesloten;</al></li><li nr="2."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd
                            voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer,
                            indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden
                            gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Tweede lid, onder b</cursief></al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van het
                    riool kan worden gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de 'hogere
                    regelgeving' – hiervoor genoemd onder ‘Algemeen’ -is nog meer dan voorheen
                    duidelijk dat de bouwverordening niet gaat over het lozen, maar uitsluitend over
                    de aansluitplicht. Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart
                    1996, geldt als hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar
                    riool te lozen. Uitzonderingen gelden voor:</al><al/><al><cursief>Vierde lid, onder a</cursief></al><al>Deze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in bovenstaande
                    besluiten. In bepaalde gevallen, genoemd in die besluiten, moet gemeld
                    worden.</al><al/><al><cursief>Vierde lid, onder b</cursief></al><al>Het bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot aansluiting aan
                    het openbare riool. Een gebruikelijke praktijk bij agrarische bedrijven is dat
                    het huishoudelijk afvalwater geloosd wordt in de mestkelder en gezamenlijk met
                    de mest wordt uitgereden over het land onder de meststoffenregelgeving. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder c</cursief></al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen erop te wijzen dat de lozingen van afvalwater, via alle lozingsroutes,
                    zijn geregeld met algemene regels volgens de amvb’s genoemd in de toelichting
                    bij artikel 2.7.4.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder d</cursief></al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                    daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk
                    hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                    behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                    andere oplossing moeten worden gezocht.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</vet></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er
                    -met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede
                    werking van de zuiveringsinstallatie- op worden toegezien dat er in de
                    huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 ‘Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, Binnenriolering in woningen
                    en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden’ formeel slechts toepasbaar is op
                    binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de
                    dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop
                    aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.
                    Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de ‘huis’-aansluitleidingen van niet tot
                    bewoning bestemde gebouwen.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De dimensionering volgens vierde lid kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen,</al><al> blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met overlegging van
                    een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee vergelijkbare
                    keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                        ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de
                    voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar
                    uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 hebben betrekking op alle
                    bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig. </al><al/><al>Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene
                    verbodsbepalingen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die
                    van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk of
                    een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2 en 2.3 van de Wabo staat
                    (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd met een voorschrift van de
                    omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden tegen de instandhouding van
                    een (deel van een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwijking van een
                    omgevingsvergunning. </al><al/><al><vet>Structuur van de voorschriften</vet></al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13. Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het
                    voorkomen van nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv veiligheid,
                    grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikel 4.7 tot en
                    met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op net bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds
                    1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet jo 4.14 van de verordening.</al><al>De veiligheidsvoorschriften -de artikelen 4.8 tot en met 4.10- gelden ingevolge
                    artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al/><al><vet>Handhaving van de voorschriften</vet></al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b
                    van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene
                    toelichting bij Hoofdstuk 11. Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen
                    enz. als bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het toepassen van
                    bestuursdwang. Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de
                    omgeving. Deze bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden.
                    Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de
                    Arbeidsinspectie belast.</al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                    ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de
                    plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op
                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn
                    van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is
                    voorgeschreven -de tekst is immers voorhanden- en voorkomt dat de uitvoerder op
                    het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.</al><al/><al><cursief>Sub a.</cursief></al><al>Onder het begrip ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ in de zin van dit artikel
                    vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen
                    e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden
                    gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden. </al><al/><al><cursief>Sub b.</cursief></al><al>Deze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige
                    consequenties hebben. Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op bij
                    voorbeeld beschikkingen van de rijks-of provinciale overheid. </al><al/><al><cursief>Sub d.</cursief></al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14, tweede
                    lid, onder b. van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor
                    bouwen op grond van deze besluiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                    vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en art. 2.1, derde
                    lid van de Wabo). </al><al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2
                    ook de omgevingsvergunning voor het slopen op het bouw- en sloopterrein aanwezig
                    zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>De woorden ‘voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen,
                    waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld
                    bij een verbouwing.</al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                        van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                    tijdige controle.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, sub a.</cursief></al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd, verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen. Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet
                    Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd
                    ‘Grondroerdersregeling’. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze wet.
                    Zie: <onderstreept>www.kadaster.nl/KLIC</onderstreept>. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder
                    en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                    onderzoekingen</vet></al><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht
                    vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn
                    onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van
                    de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te
                    doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers
                    zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het
                    bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit
                    en de bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit
                    artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de gemeente. </al><al/><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten
                    van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                    bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel
                    van de bouwverordening toegepast. </al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de kwaliteit van funderingen en daarmee de
                    veiligheid van bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet
                    niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. Het motief van het bepaalde
                    in dit artikel is aanvullend op de doelstelling van de Waterwet. </al><al/><al>De Grondwaterwet is per 22 december 2009 vervangen door de Waterwet. Een
                    belangrijk gevolg van de invoering van de Waterwet is dat de huidige
                    vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit
                    resulteert in één vergunning: de watervergunning. </al><al/><al>In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel activiteiten onder
                    algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in
                    plaats van de vergunningenprocedure. Bevoegd gezag voor de verlening van de
                    watervergunning zijn het waterschap voor het regionale watersysteem,
                    Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem en de provincies voor drie specifieke
                    categorieën grondwateronttrekkingen en infiltraties. Als de aanvraag om een
                    watervergunning betrekking heeft op handelingen waarvoor verschillende
                    bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de beslissing op de aanvraag in beginsel
                    genomen door het hoogste bevoegde gezag. De Waterwet geeft Rijkswaterstaat, de
                    provincies en de waterschappen wel de mogelijkheid in voorkomende gevallen te
                    regelen dat een ander bestuursorgaan bevoegd gezag wordt. Hiertoe is een
                    handreiking ontwikkeld (‘Handreiking samenloop bevoegdheden Waterwet’).</al><al/><al>De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet geïntegreerd. </al><al>Het zijn afzonderlijke vergunningen die wel bij hetzelfde overheidsloket,
                    Omgevingsloket online, kunnen worden aangevraagd. De gemeente is aangemerkt als
                    het overheidsloket van Nederland, dus in principe ook voor de watervergunning,
                    ook al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor een watervergunning
                    kan echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op grond van de Waterwet
                    worden ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of waterschap). Overigens kan ook
                    de aanvraag om een omgevingsvergunning bij de provincie worden ingediend als
                    niet de gemeente maar de provincie bevoegd is op die aanvraag te beslissen. De
                    aanvrager heeft dus alle vrijheid, daarom is het verstandig dat waterbeheerders,
                    provincies en gemeenten afspraken maken over de onderlinge afstemming. De
                    wettelijke termijnen moeten immers in acht worden genomen, waardoor snel
                    handelen noodzakelijk is. Zo zal een via de gemeente binnengekomen aanvraag om
                    een watervergunning direct aan de waterbeheerder of de provincie moeten worden
                    doorgezonden.</al><al/><al>Zie ook: www.helpdeskwater.nl en www.waterwet.nl </al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>Dit voorschrift betreft de veiligheid van voorbijgangers en belendingen. Zie ook
                    artikel 2.4 van de Regeling omgevingrecht (Mor) dat regels bevat over het
                    indienen van een bouwveiligheidsplan. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. </al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur
                    zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde
                    tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te
                    weren en te voorkomen dat mensen -en vooral spelende kinderen- op een
                    bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde
                    lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het
                    bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                    permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het
                    bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                    gewaarborgd.</al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</vet></al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor
                    de omgeving te voorkomen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval. Uitgangspunt voor het
                    verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van afvalstoffen in fracties
                    is dat een afvalstof in hogere regelgeving als gevaarlijk is gekwalificeerd en
                    uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij de bron moet worden gescheiden,
                    dan wel dat een afvalstof slechts voor hergebruik geschikt is, indien deze
                    schoon blijft en niet vermengd wordt met ander afval.</al><al/><al><vet>a. Gevaarlijke afvalstoffen</vet></al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                    gehouden. Een anti-mengclausule in het derde lid van artikel 4 van de Regeling
                    Europese afvalstoffenlijst (EURAL), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met
                    ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna
                    gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden
                    houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe
                    hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze
                    wijze </al><al>gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein </al><al>chemisch afval van huishoudens. </al><al/><al><vet>b en c. Glaswol en steenwol</vet></al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                    ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten ‘bigbag' (een
                    stevige zak met een inhoud van 1 m<sup>3</sup>) of een zak van 200 liter. De
                    ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten te
                    veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van
                    bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevingsvergunning is verleend.
                    Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot
                    scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn. </al><al/><al><vet>d. Overig afval</vet></al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                    bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                    onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die
                    op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te
                    nemen.</al><al/><al><vet>Wanneer is iets afval?</vet></al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak
                    is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                    gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</al><al/><al><vet>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</vet></al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                    plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting.
                    Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen. </al><al/><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                    gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het
                    gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden
                    opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger
                    (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om
                    nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                    daarin. </al><al/><al><vet>Afvoeren en overdragen van bouwafval</vet></al><al>De formulering ‘gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het
                    mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor
                    het hergebruik van materialen, geldt ander wetgeving dan de bouwverordening,
                    waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien
                    hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet
                    milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</al><al/><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                    bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april
                    1997 een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die
                    geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                    sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op zaterdagmorgen.
                    Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                    waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over
                    bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                    toegelaten.</al><al/><al><vet>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</vet></al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht.</al><al/><al><vet>Sorteerinrichting</vet></al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is
                    -voorzover net uit meer dan een afvalstof bestaat- alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de betreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen. </al><al/><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                    voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                    niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Hierin worden de volgende afvalstromen
                    aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro
                    metalen, massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie,
                    kunststofgevelelementen of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze
                    stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in
                    een sorteerinrichting.</al><al/><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het
                    niet-operationeel zijn van een retoursysteem . Overigens geldt voor zowel
                    steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen. </al><al/><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                    aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de
                    Stichting KNAPZAK (<onderstreept>www.knapzak.nl</onderstreept>) nemen enkele
                    kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van transporteurs als van
                    sorteerbedrijven in voor recycling. </al><al/><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                    voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                    Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof-gevelelementen
                    kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting
                    Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers,
                    verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R
                    Recycling B.V te Middelharnis.</al><al/><al><vet>Mee terugnemen naar de werf</vet></al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een omgevingsvergunning is
                    vereist op grond van de Wabo. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval
                    vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De
                    plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere stoffen, de
                    anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht tot het
                    afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar die
                    voor de inname van deze stoffen bevoegd is. </al><al/><al><vet>Enkele specifieke begrippen</vet></al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid
                    van een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo. </al><al/><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te
                    zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor
                    enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                    terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate omgevingsvergunning op grond van de Wabo.
                    Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt
                    het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk </al><al>bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit
                    bevoegd de hier </al><al>bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is
                    verbranden de beste oplossing. </al><al/><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                    uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                    hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) voorziet hierin.
                    In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit. </al><al/><al><vet>Vergunningvoorwaarden</vet></al><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te
                    verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te
                    scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan
                    in strijd met het vierde lid van artikel 2.22 Wabo. </al><al/><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar.
                    Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met
                    een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven,
                    verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en
                    zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron
                    noch met een brand- of explosiebron. </al><al/><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij
                    het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8,
                    het slopen, te betrekken. </al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                    spoedig daarna controles uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat het
                    verbod een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in
                    overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften,
                    bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de Woningwet
                    vloeit voort dat de voorschriften omtrent het gebruik in de bouwverordening geen
                    betrekking kunnen hebben op het gebruik in planologische zin, doch uitsluitend
                    op het veilig en verantwoord gebruik van gebouwen. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.Het controleren van de
                    thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig de uitkomst van de
                    berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende
                    categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts
                    effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                    opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van de
                    isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet anders is gesteld,
                    geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Op aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank Leeuwarden van
                    22 september 2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot ingebruikneming van een
                    bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw ingevoerd. Hierbij is uitgegaan van
                    de oude tekst van artikel 4.14. Gereedmelding is aan de orde bij de in artikel
                    4.12 genoemde gevallen. Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan
                    als gevolg van het in gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken of bouwwerken
                    waarin niet alle noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn aangebracht
                    (ABRvS, 23 december 2009, LJN: BK7451). </al><al/><al>De houder van een bouwvergunning is niet verplicht te bouwen en derhalve ook
                    niet verplicht alle onderdelen van een bouwwerk waarvoor vergunning is verleend
                    te realiseren. Toch kan er bezwaar bestaan tegen het gebruiken van een niet
                    afgebouwd bouwwerk of een bouwwerk dat op onderdelen afwijkt van de
                    omgevingsvergunning (of van de bouwvergunning ex artikel 46 Woningwet (oud)).
                    Voordat ingebruikneming plaatsvindt moet de vergunningverlenende overheid
                    gelegenheid hebben het voltooide bouwwerk te toetsen aan de gestelde eisen en
                    moet zij indien nodig de ingebruikneming kunnen beletten. Tussen de
                    gereedmelding en de ingebruikneming is in artikel 4.14 een toetsingsmoment
                    geïntroduceerd. </al><al/><al>Met inachtneming van de bedoeling van de wetgever – het schrappen van een
                    beschikking uit een oogpunt van deregulering – is artikel 4.14 zo opgesteld dat
                    geen beschikking nodig is. Het artikel is een verbod tegen overtreding waarvan
                    bestuursdwang kan worden toegepast en een straf is bedreigd. Overtreding van de
                    voorschriften van het Bouwbesluit moet worden gezien als een overtreding van de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen (of van de bouwvergunning ex artikel 46
                    Woningwet (oud)). Bij het verlenen van die vergunning is immers getoetst aan het
                    Bouwbesluit. Zie ook de toelichting bij artikel 11.1, eerste lid, letter e., en
                    bij artikel 2.2.4. </al><al><vet>Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                        nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                    gedierte</vet></al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt
                    in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande
                    bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren.
                    Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen
                    van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van de artikelen 13,
                    13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang
                    of het opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden
                    voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen
                    of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen
                    van een plicht tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen
                    5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van
                    hoofdstuk 2, de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek
                    fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                    bouwen. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van
                    een open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan. </al><al/><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7. </al><al/><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</vet></al><al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                    indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een
                    gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een
                    bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door
                    overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt
                    belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar
                    komt.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al/><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al/><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al/><al>Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge de
                    artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot toepassing van
                    bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom waarin het bevoegd
                    gezag het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde
                    artikelnummers van het Bouwbesluit -ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het bevoegd gezag de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het
                    betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                    welput, regenbak of watertank. </al><al/><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van net
                    openbare-distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al/><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                    wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang - op grond van
                    het Lozingsbesluit bodembescherming- het afvalwater in de bodem mag worden
                    geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen -in
                    financiële zin- nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                    geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk
                    zich moet bevinden. Dit artikel heeft rechtstreekse werking en leidt in geval
                    van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                    wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last
                    onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende
                    onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan. </al><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen en bouwwerken geen gebouw
                    zijnde. De wet noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld.
                    Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld
                    over het gebruik. In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen
                    van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door onder meer een algemene
                    maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De
                    overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk. </al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit artikel berust op artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het is bedoeld om
                    in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist, van
                    gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins­/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te
                    balanceren.</al><al/><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                    woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen
                    in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins
                    gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                    kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                    wenselijk en mogelijk. </al><al/><al><cursief>Normstelling </cursief></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in
                    principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten,
                    respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten. </al><al/><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1. </al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in
                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil
                    in getalwaarden tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</vet></al><al/><al><vet>Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van gebruik
                    </vet></al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                    Woningwet is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot het
                    gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik.
                    Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van
                    een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld
                    worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is
                    gelegen. </al><al/><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in artikel
                    7.2.2 is afhankelijk gesteld van een beschikking van het bevoegd gezag. De
                    mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van
                    feitelijke aard. </al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                        terreinen in afwijking van de bestemming</vet></al><al><cursief>Reden tot vervallen van artikel 7.3.1
                    Modelbouwverordening</cursief></al><al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                    overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                    voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                    bepaling. De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352
                    MBV. Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de Gemeentewet. De Woningwet
                    van 1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening
                    te regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats
                    meer is voor een op artikel 168 Gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van
                    artikel 352 MBV moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8
                    van de Woningwet.</al><al/><al>De Voorzitter van de Afdeling Rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot
                    het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                    gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1
                    verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren
                    sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere
                    jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV
                    opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de gemeente bij invoering
                    van de nieuwe bouwverordening de oude bouwverordening en dus ook artikel 352
                    ingetrokken.</al><al/><al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van
                    een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                    bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze
                    kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel
                    geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering kan als
                    nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk andersluidende
                    uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat in de toekomst een
                    ander oordeel is te verwachten. Derhalve is artikel 7.3.1 geschrapt.</al><al>Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV niet
                    is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft op het
                    moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is ingetrokken.</al><al>Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de
                    toelichting en jurisprudentie die daarop betrekking heeft.</al><al/><al><onderstreept>In Utrecht is artikel 7.3.1 nooit overgenomen in de
                        bouwverordening, maar is artikel 352 van de vorige Utrechtse bouwverordening
                        (Gemeenteblad van Utrecht 1990, nr. 10) gehandhaafd
                    gebleven.</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 352 MBV 1965</vet></al><al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet
                    zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                    complement op de artikelen 10 en 12 van die wet.</al><al/><al>Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q.
                    voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het
                    plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan
                    het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden
                    geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.
                    Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van net eerste lid bedoeld,
                    in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt
                    voor net gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352 buiten werking. De
                    aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet
                    binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog
                    steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling
                    vooralsnog nodig blijft.</al><al/><al>Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en
                    kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al/><al>De jurisprudentie die is ontstaan op basis van het artikel 352 MBV 1965 is, voor
                    zover nog relevant, hierna opgenomen.</al><al/><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de
                        bouwverordening (MBV 1965)</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid (Terreinen en bouwwerken die onder een bestemmingsplan
                        vallen)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Onder <vet>gebruik</vet> in de zin van deze bepaling valt ook het
                            aanleggen van werken, dat erop is gericht de grond niet meer in
                            overeenstemming met de daaraan bij het bestemmingsplan gegeven
                            bestemming te gebruiken. Ook de uitvoering van werken, geen bouwwerken
                            zijnde, en van werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de betreffende
                            grond niet langer in overeenstemming met de verwezenlijkte bestemming
                            zal worden gebruikt, dient te worden aangemerkt als gebruik van grond,
                            dat krachtens artikel 352, eerste lid, verboden is. (Bij voorbeeld het
                            aanbrengen van een oppervlakteverharding of gebruik van grond voor
                            parkeerdoeleinden.) ARRS 6 augustus 1982, NG 1982, S201; OB 1983,
                            III.2.2.7, nr. 44824; ARRS 2 juni 1983, A-31.3231 (1982).</al></li><li nr="2."><al>Van een verwezenlijkte bestemming is (in beginsel) sprake:</al></li><li nr="3."><al>ook wanneer die bestemming is verwezenlijkt na het van kracht worden van
                            artikel 352. ARRS 7 maart 1979, A-3.2098 (1979); ARRS 25 april 1980; AB
                            1980, 490; GS 6629.</al></li><li nr="4."><al>wanneer een perceel zodanig is ingericht en daarop zodanig is gebouwd
                            dat het overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming kan worden
                            gebruikt. Voor het aannemen van bedoelde verwezenlijking is niet vereist
                            dat een gebruik overeenkomstig de bestemming ook inderdaad heeft
                            plaatsgevonden. HR 8 februari 1974; NJ 1974, 151; ARRS 2 oktober 1981;
                            AB 1982, 42.</al></li><li nr="5."><al>ook als op een perceel een aanmerkelijk deel van een bedrijfshal is
                            gebouwd, die overigens is opgericht op een stuk grond met een andere
                            bestemming. HR 1 maart 1973; BR 1974, 527; NJ 1974, 234.</al></li><li nr="6."><al>ook als een gebouw in strijd met de aan de grond gegeven bestemming is
                            opgericht, maar het perceel voor die tijd overeenkomstig de bestemming
                            in gebruikwas. Hof Amsterdam 30 oktober 1975; BR 1976, 317.</al></li><li nr="7."><al>wanneer een bouwwerk -hoewel voor een ander doel in gebruik- zonder dat
                            daarvoor ingrijpende voorzieningen moeten worden getroffen, de
                            geschiktheid heeft om overeenkomstig de bestemming te worden gebruikt.
                            Het feit dat na het afbranden van het gebouw op het perceel een gebouw
                            is opgericht, dat mogelijk niet met de bestemming in overeenstemming is,
                            doet er niet aan af dat met betrekking tot het perceel van een
                            verwezenlijkte bestemming moet worden gesproken. ARRS 9 September 1983;
                            AB 1984, 87.</al></li><li nr="8."><al>als een pand (of de grond) zonder het treffen van ingrijpende
                            voorzieningen overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, ook al
                            zou moeten worden aangenomen dat op of na het tijdstip van
                            inwerkingtreding van artikel 352 bouwverordening het pand (of de grond)
                            voor een ander doel werd gebruikt (i.c. bewoning). ARRS 28 november
                            1985, RO 3.84.305; ARRS 23 mei 1986; BR 1986, 839.</al></li><li nr="9."><al>bij gronden met een bebouwingsbestemming is de bestemming pas
                            verwezenlijkt, wanneer de grond zodanig is bebouwd dat een gebruik van
                            de zich daarop bevindende opstallen en bijbehorende grond overeenkomstig
                            de bestemming mogelijk is. ARRS 10 augustus 1982; BR 1982, 891; ARRS 18
                            mei 1988; RO 3.86.3865.</al></li><li nr="10."><al>het gebruik van de keuken (of een ander deel) van een woning als
                            afhaalcentrum verdraagt zich niet met de -verwezenlijkte-
                            woonbestemming. Wanneer door het gebruik als afhaalcentrum geen
                            ingrijpende en onomkeerbare inbreuk op de bestemming plaatsvindt, is
                            vrijstelling mogelijk. Vz. ARRS 30 mei 1983, RO 3.83.2703/S737.</al></li><li nr="2."><al><vet>Incidentele of kortdurende activiteiten</vet> behoeven aan de
                            bestemming niet altijd afbreuk te doen. In casu betrof het het gebruik
                            van een agrarisch gebied als crossterrein voor een week. Vz. ARRS 30
                            oktober 1980, A-3.4726 (1980).</al></li><li nr="3."><al>Wanneer uit de voorschriften van een bestemmingsplan voortvloeit dat op
                            gronden met de bestemming ‘landelijk gebied' slechts woningen en andere
                            gebouwen uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf mogen worden
                            opgericht, betekent dat niet dat iedere agrarische activiteit die niet
                            strekt ten behoeve van een agrarisch bedrijf, strijd oplevert met de
                            bestemming ‘landelijk gebied’. Van strijd is pas sprake bij
                                <vet>agrarische activiteiten</vet> die een zodanige omvang en
                            karakter hebben -zoals bijvoorbeeld bij een volkstuin het geval kan
                            zijn- dat het recreatieve element daarbij kennelijk op de voorgrond
                            staat. Ook valt te denken aan activiteiten die wel worden verricht in
                            verband met het agrarische gebruik, maar anderszins onverenigbaar zijn
                            met het specifieke landelijke karakter van het betrokken gebied. ARRS 23
                            augustus 1983; GS 6768.</al></li><li nr="4."><al>In stalruimten binnenmuren aangebracht teneinde deze ruimten voor
                            bewoning te gaan gebruiken. De gebruiksbepaling van artikel 352, eerste
                            lid, kan niet als grondslag dienen voor een aanschrijving de stalruimten
                            uit te breken zodanig dat deze ongeschikt zijn voor bewoning. Een
                            aanschrijving baseren op overtreding van de Woningwet wegens illegaal
                            aangebrachte voorzieningen is wel mogelijk. ARRS 7 november 1986; RO
                            3.85.3838.</al></li></lijst><al><vet>Van een verwezenlijkte bestemming is (in beginsel) geen sprake:</vet></al><lijst><li nr=""><al>Wanneer een gebouw op zich wel geschikt is voor de bestemming, maar
                            blijkens de bouwvergunning niet daarvoor bedoeld was en er ook nooit
                            voor is gebruikt. (I.e. betrof het een gebouw voor detailhandel in een
                            gebied met een industriebestemming.) ARRS 5 februari 1982, A-3.2100
                            (1980).</al></li><li nr=""><al>Is een gebouw tot stand gekomen met toepassing van artikel 19 WRO en
                            artikel 50, achtste lid Woningwet, dan is het gebruik van dat gebouw in
                            strijd met artikel 352, eerste lid, wanneer dit plaatsvindt buiten de
                            grenzen aangegeven of geïmpliceerd in de vrijstellingen krachtens
                            artikel 19 WRO en artikel 50, achtste lid Woningwet. HR 10 oktober 1975;
                            BR 1975, 809; NJ 1976, 107; OB 1976, XI.7.8.1, nr. 37099, NG 1976, SIll.
                            Arob-jurisprudentie bevestigt het standpunt van de HR:</al></li><li nr=""><al>Artikel 352, eerste lid, van de bouwverordening is onverbindend als
                            daarin ontbreken de woorden ‘nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven
                            bestemming is verwezenlijkt’. ARRS 31 juli 1984; BR 1985, 28.</al></li><li nr=""><al>Het verbod in artikel 352, eerste lid, geldt niet, voor zover het
                            gebruik van een gebouw rechtstreeks voortvloeit uit een bouwvergunning
                            die is verleend vóór het in werking treden van artikel 352, eerste lid.
                            ARRS 20 maart 1984, RvS/R.3.159/84.</al></li><li nr=""><al>Het na 1 augustus 1970 opnieuw vaststellen van een bouwverordening -met
                            inbegrip van artikel 352- die reeds eerder voor die datum werd
                            vastgesteld, doet geen afbreuk aan de verbindendheid van artikel 352.
                            Wnd. vz. ARRS 20 juni 1985, RO 3.85.3265/S5852.</al></li><li nr=""><al>Ook een redactionele (niet-ingrijpende) wijziging van artikel 352,
                            aangebracht na 1970, werd nog toegestaan. ARRS 15 april 1986; BR 1986,
                            682.</al></li><li nr=""><al>In een geval waarin een bestemmingsplan (oude stijl) 35 keer was
                            gewijzigd, waaronder twee keer ingrijpend, nagenoeg steeds volgens de
                            moderne bestemmingsplanprocedure, vond de ARRS dat artikel 352, eerste
                            lid, niet meer van toepassing was: het plan moest geacht worden (geheel)
                            te zijn aangepast aan de WRO. ARRS 5 december 1985; AB 1986, 492.</al></li><li nr=""><al>Artikel 352, eerste lid, <vet>kan niet</vet> worden toegepast als er
                            sprake is van een bestemmingsplan nieuwe stijl, waarvan (de)
                            gebruiksvoorschriften niet zijn goedgekeurd. ARRS 9 mei 1980; GS
                            6650.</al></li><li nr=""><al>Een besluit tot ingrijpende wijziging van artikel 352, aangebracht na
                            1970, wordt beschouwd als vaststelling van een nieuw artikel 352.
                            Vaststelling van een nieuw artikel was na 1 augustus 1970 niet
                            toegestaan, derhalve is dit nieuwe artikel onverbindend. Door
                            vaststelling van een latere tekst wordt de eerdere geacht te zijn
                            vervallen.</al></li><li nr=""><al>ARRS 23 juni 1986; BR 1987, 40; AB 1987, 206.</al></li><li nr=""><al>ten aanzien van het gebruik van gebouwen; zie vz. ARRS 15 oktober 1980;
                            BR 1981, blz. 238;</al></li><li nr=""><al>ten aanzien van het gebruik van gronden; zie vz. ARRS 8 maart 1985; BR
                            1985, blz. 649.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Opmerking</cursief></vet>: Een ingrijpend gevolg van deze
                    uitspraak is dat in de betreffende bouwverordening artikel 352 niet meer
                    bestaat. Aangenomen moet worden dat het oude artikel niet automatisch herleeft.
                    In hoeverre het opnieuw vaststellen van de oude tekst nu nog tot het gewenste
                    resultaat -een verbindend artikel 352- zal leiden is onduidelijk. Wanneer sprake
                    is van een niet-ingrijpende wijziging en wanneer van een ingrijpende wijziging
                    van artikel 352, is op basis van de twee vorenstaande uitspraken niet in
                    algemene zin aan te geven. Wei past hier een waarschuwing: tornen aan de tekst
                    van artikel 352 blijkt riskant te zijn en dient dan ook ontraden te worden.</al><lijst><li nr=""><al>De gebruiksbepaling in het bestemmingsplan waarmee het gebruik van een
                            gebouw als moskee strijdt, mag, gelet op artikel 6 van de Grondwet, het
                            gebruik van dat gebouw voor gebedsdienst niet onmogelijk maken. Pres.
                            Rb. Den Bosch 25 juni 1985; KG 1985, 446.</al></li><li nr=""><al>Een terrein dat werd doorsneden (i.e. door een sloot), werd geacht te
                            bestaan uittwee afzonderlijke gedeelten met een verschillende
                            bestemming. ARRS 25 maart 1982; AB 1982, 446.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Tweede lid (Niet onder een bestemmingsplan begrepen terreinen en
                        bouwwerken)</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Artikel 352, tweede lid, kan geen grond zijn voor weigering van een
                            bouwvergunning. Vz. ARRS 3 december 1985, RO 3.85.7089/S1763.</al></li><li nr=""><al>Artikel 352, tweede lid, heeft geen planologische, maar alleen een
                            bouwkundige betekenis. Wanneer constructie en inrichting van een gebouw
                            toelaten dat dit gebouw voor verschillende bestemmingen wordt gebruikt,
                            dan verbiedt artikel 352, tweede lid, een dergelijk gebruik niet. HR 28
                            juni 1974; BR 1974, 666; NJ 1974, 401; AB 1974, 280; GS 6309, 6310 en
                            6311.</al></li><li nr=""><al>Een aanschrijving tot het staken van het gebruik van een fabriekspand
                            als supermarkt werd echter niet geschorst. De vz. ARRS was van oordeel
                            dat het begrip ‘bestemming' in tweede lid van artikel 352 mede strekt
                            ter bescherming van de omgeving. Bij het verlenen van vrijstelling
                            krachtens het vierde lid mogen planologische belangen worden meegenomen.
                            Wnd. vz. ARRS 18 juli 1983, RO 3.83.3885/S1024.</al></li><li nr=""><al>Een garage waarvan de oorspronkelijke garage-inrichting op legale wijze
                            ongedaan is gemaakt, mocht worden gebruikt als supermarkt: de huidige
                            constructie en inrichting van het gebouw waren niet vreemd aan het
                            gebruik als supermarkt. Wnd. vz. ARRS 6 augustus 1984, RO
                            3.84.4144/S1049.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Derde lid (Overgangsbepaling)</cursief></al><al>Op de overgangsregeling van artikel 352, derde lid, kan alleen beroep worden
                    gedaan, wanneer het gebruik dat van voor de inwerkingtreding van artikel 352
                    dateert, wordt voortgezet zonder dat zich daarin wijzigingen in planologisch
                    relevante zin hebben voorgedaan.</al><al>ARRS 8 juli 1983; AB 1983, 586; ARRS 14 maart 1983; AB 1983, 345; ARRS 9
                    februari 1984; AB 1984, 272.</al><al/><al><cursief>Vierde lid (Vrijstelling)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijstelling krachtens artikel 352, vierde lid, mag niet worden
                            gebruikt om voor een omvangrijk gebied een einde te maken aan de
                            mogelijkheid dat gebied te gebruiken overeenkomstig de bestemming. Op
                            die manier zou men immers vooruitlopen op een bestemmingswijziging, die
                            volgens de Wet op de Ruimtelijke Ordening alleen op de in deze wet
                            aangegeven wijze kan worden bewerkstelligd. Dit geldt te meer nu de
                            anticipatiebevoegdheid van burgemeester en wethouders ex artikel 19 WRO
                            juist is gebonden aan een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde
                            staten. HR 29 maart 1974, 607; NJ 1974, 344; ARRS 20 maart 1981; AB
                            1981, 430; ARRS 12 januari 1982; GS 6743; AB 1982, 363; BR 1986, 441
                            (motorcrossterrein).</al></li><li nr="2."><al>De gemeente is (in beginsel) verplicht vrijstelling te geven wanneer
                            strikte toepassing van artikel 352, eerste lid, er op zou neerkomen, dat
                            het <vet>meest doelmatige gebruik</vet> van grond en opstallen wordt
                            beperkt, zonder dat deze beperking door dringende redenen is
                            gerechtvaardigd. Zie bij voorbeeld KB 1 maart 1974; BR 1974, 534 (inzake
                            het bestemmingsplan); KB 10 juni 1977; BR 1977, 744; vz. ARRS 20 mei
                            1977; BR 1977, 742.</al></li><li nr="3."><al>De vrijstelling kan aan een termijn worden gebonden. ARRS 2 februari
                            1982; GS 6743; AB 1982, 243.</al></li><li nr="4."><al>Aanvaard werden onder meer vrijstellingen ter voorkoming van langdurige
                            leegstand van industriepanden (de gemeente werd daarbij niet verplicht
                            tot uitputtend onderzoek naar de financieel-economische gevolgen van toe
                            te laten vestigingen). Vz. ARRS 7 maart 1985, RO 3.84.6853/S5206.</al></li><li nr="5."><al>Een vrijstelling om een woning te gebruiken als kantoor of
                            praktijkruimte mocht worden <vet>geweigerd</vet>. Overwogen werd onder
                            meer het volgende. Een groot aantal panden aan de betrokken straat wordt
                            voor woondoeleinden gebruikt. De gemeente streeft ernaar dit
                            woonkarakter van de straat te behouden. In dit beleid past niet dat
                            woonhuizen (nagenoeg) geheel als kantoor of praktijkruimte worden
                            gebruikt. Ook al zou dit gebruik in de onderhavige gevallen naar buiten
                            toe niet storend zijn, dan nog wijkt het wezenlijk af van gebruik voor
                            woondoeleinden. Zo zullen de panden tijdens de werkuren belangrijk
                            vaker, door telkens wisselende personen, worden bezocht, terwijl de
                            panden buiten deze uren een doods element vormen. ARRS 17 februari 1984,
                            A-31.1330 (1982).</al></li><li nr="6."><al>De belangenafweging bij het uitoefenen van bestuursdwang valt niet
                            geheel samen met de afweging van belangen in het kader van de verlening
                            van vrijstelling krachtens artikel 352, vierde lid. (Onder andere zal
                            bij bestuursdwang rekening moeten worden gehouden met het langdurig
                            gedogen van een illegale situatie.) ARRS 17 februari 1984; GS 6772.</al></li><li nr="7."><al>De vraag of het gebruik strijdig is met de woonbestemming dient
                            beantwoord te worden aan de hand van de ruimtelijke uitwerking die dat
                            gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bezien moet
                            worden of deze uitstraling van dien aard is, dat deze niet meer te
                            rijmen valt met de woonfunctie van het betrokken pand of perceel. (In
                            casu ging het om naaicursussen die in een woonkamer werden gegeven, ter
                            zake waarvan burgemeester en wethouders vrijstelling ex artikel 352,
                            vierde lid, hadden geweigerd). Volgt vernietiging wegens strijd met
                            motiveringsbeginsel. ARRS 18 februari 1992, R03.89.1986; AB 1992,
                            nr.163.</al></li><li nr="6."><al>Een -terughoudend- vrijstellingsbeleid ter bevordering van concentratie
                            van detailhandelsvoorzieningen werd niet onredelijk geacht. ARRS 5
                            november 1981, A-3.2139.</al></li><li nr="7."><al>Voor het gebruik als (bij voorbeeld) supermarkt is een vrijstelling
                            krachtens artikel 352, vierde lid, vereist, ook als eerder zo’n
                            vrijstelling werd verleend om de voor een houtverwerkingsbedrijf
                            opgerichte bedrijfshal te gebruiken als bouwmarkt. ARRS 16 augustus
                            1985, RO 3.83.6146.</al></li><li nr="8."><al>Een vrijstelling mag niet worden geweigerd, omdat het gaat om
                            activiteiten die ‘niet gebruikelijk’ zijn. (i.c.. betrof het het gebruik
                            als manege van opstallen en gronden met een industriebestemming.) ARRS
                            15 februari 1983; BR 1983, 471.</al></li><li nr="9."><al>Een voorwaarde, verbonden aan een vrijstelling krachtens artikel 352,
                            mag geen verbod bevatten om bepaalde bouwwerken op te richten. ARRS 5
                            juli 1983; AB 1983, 488.</al></li><li nr="5."><al>voor het gebruik van een landbouwschuur ten behoeve van een
                            autoherstelbedrijf, nu dit gebruik niet zo ingrijpend behoefde te zijn
                            dat deze schuur ongeschikt zou worden om overeenkomstig de agrarische
                            bestemming te worden gebruikt. ARRS 31 januari 1985; BR 1985, 754.</al></li><li nr="6."><al>voor tijdelijke opslag van heipalen en betonplaten op een terrein. Wnd.
                            vz. ARRS 14 mei 1985, RO 3.85.2555/S5719 en 3.85.2633/S5720.</al></li><li nr="7."><al>twee panden met de bestemming ‘eengezinsmiddenstandshuizen' worden aan
                            een stichting in gebruik gegeven voor huisvesting en begeleiding van
                            ex-drugsverslaafden. ARRS 3 juli 1981; A-3.0220.</al></li><li nr="3."><al>Vrijstelling van een verbod tot gebruik in strijd met de bestemming is
                            (in beginsel) alleen mogelijk als het perceel objectief bezien niet meer
                            zinvol overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt. Vz. ARRS 24
                            juli 1985, RO 3.85.3950/S992; ARRS 10 juni 1987; W/RvS/R.3.328/87.</al></li><li nr="4."><al>Daar de bevoegdheid tot het geven van vrijstelling niet aan voorwaarden
                            is gebonden, kan hiervan ook gebruik worden gemaakt in andere gevallen
                            dan waarin van een beperking van het meest doelmatige gebruik sprake is.
                            ARRS 13 maart 1986; BR, 663; GS 6826.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders mogen (ook) vrijstelling krachtens artikel
                            352, vierde lid, verlenen, ook al is een zinvol gebruik overeenkomstig
                            de bestemming nog mogelijk, mits een redelijke belangenafweging daartoe
                            aanleiding geeft en vrijstelling niet leidt tot een ingrijpende en
                            onomkeerbare inbreuk op de bestemming. ARRS 18 oktober 1985; BR 1986,
                            512; GS 6826.</al></li><li nr="6."><al>Als een feitelijk onomkeerbare situatie werd (bij voorbeeld) aangemerkt
                            het (permanent) gebruik van een terrein met agrarische bestemming voor
                            de opslag van te breken en gebroken puin. ARRS 8 december 1983; AB 1984,
                            167.</al></li><li nr="2."><al>Bij de toepassing van artikel 352, vierde lid, behoort (dan ook)
                            richtinggevend te zijn dat de vrijstelling de verwezenlijking van de
                            doeleinden van een toekomstig bestemmingsplan niet in de weg zal staan.
                            Wnd. vz. ARRS 1 maart 1985, 758.</al></li><li nr="3."><al>Ook de in de Wet geluidhinder voorziene met waarborgen omklede procedure
                            (zonevaststelling) of het vereiste van vergunning krachtens artikel 17
                            van die wet en de procedure vastgelegd in de artikelen 41 e.v. van die
                            wet mag niet worden omzeild doortoepassing van de
                            vrijstellings-bevoegdheid krachtens artikel 352, vierde lid. ARRS 17
                            januari 1986; AB 1986, 318, en AB 1987, 109. Vergelijk GS 6808 en wnd.
                            vz. ARRS 9 april 1984; milieu en recht 1984/7.</al></li></lijst><al/><al><vet>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening 1992
                        (MBV 1992)</vet></al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7.3.1 MBV 1992, de opvolger van artikel 352 MBV 1965, mist
                            verbindende kracht, nu deze bepaling geen grondslag vindt in de
                            limitatieve opsomming van artikel 8 van de Woningwet. Vz. ARRS 11
                            februari 1993; S03.92.4484 en S03.93.0088; AB 1993, nr. 247. Zie ook Vz.
                            ARRS 3 juni 1993; S03.93.1085.</al></li><li nr=""><al>Niet valt in te zien dat artikel 352 (Model-)bouwverordening 1965 zou
                            zijn vervallen bij het vaststellen door de raad van een nieuwe
                            bouwverordening, nu in de in artikel 12.6 van de nieuwe bouwverordening
                            opgenomen slotbepaling nadrukkelijk is bepaald dat artikel 352 van de
                            oude bouwverordening bij de inwerkingtreding van de nieuwe
                            bouwverordening niet vervalt. Ook de stelling dat uit de in artikel 126,
                            eerste lid, van de Woningwet opgenomen overgangsbepaling ten aanzien van
                            de geldigheidsduur van de -oude- gemeentelijke bouwverordening volgt dat
                            artikel 352 van deze verordening per 1 oktober 1993 zal komen te
                            vervallen, wordt onjuist geacht aangezien dit artikel zijn grondslag
                            niet in de Woningwet 1962, maar in artikel 168 van de Gemeentewet vindt.
                            Vz. ARRS 16 september 1993, BR 1994, p. 214.</al></li><li nr=""><al>De raad heeft een (nieuwe) bouwverordening vastgesteld waarin de oude
                            gebruiksbepaling 352 niet is ingetrokken doch slechts is vernummerd tot
                            artikel 7.3.1. Overeenkomstig hetgeen is overwogen in de uitspraak van
                            de Vz. ARRS d.d. 16-9-1993 (BR 1994, p. 214) moet dan ook geoordeeld
                            worden dat burgemeester en wethouders met artikel 7.3.1 van de
                            bouwverordening nog steeds beschikken over een verbindend
                            gebruiksvoorschrift. Pres. Rb. Assen 4 mei 1994, BR 1994, p. 591.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 A Vergunningsplicht nachtverblijf</vet></al><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in
                    artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te wijken.
                    De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1
                    Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening vaststellen. In Utrecht is
                    gekozen voor het aantal van vijf of meer. </al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Artikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks handhaafbaar op grond
                    van artikel 7b van die wet. </al><al/><al>Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het
                    plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van
                    tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en
                    televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor
                    zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                    stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij
                    voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                    verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich in
                    een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels of
                    –stof te vrezen valt. </al><al/><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen
                    die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein
                    zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels
                    gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen
                    een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                    aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van
                    sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                    overtreding van het Bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende aantoonbaar. </al><al/><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                    artikel 7.3.2 van de verordening juncto artikel 13 van de Woningwet. </al><al/><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                    artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                    maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en ­stof te
                    rechtvaardigen. </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al/><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                    schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid.
                    Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de
                    duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar. Zie
                    voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Watergebruik</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de
                    beschikking heeft genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 en
                    7.2.2.</al><al><vet>Paragraaf 6 Installaties</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of
                    de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d. </al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onder­houd aan
                    terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte
                    opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al/><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                    veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                    Warenwetbesluit liften, dat op de Warenwet berust. <vet>Hoofdstuk 8
                    Slopen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit
                    hoofdstuk gaat over de omgevingsvergunning voor het slopen. Aan de vergunning
                    kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject.
                    Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening
                    is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk
                    hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het
                    bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop
                    verwijzen wij hier.</al><al/><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in
                    hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in
                    artikel 7.2 van de Mor. </al><al/><al><vet>Planologische sloopvergunning </vet></al><al>De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een sloopvergunning, die wij hier
                    ter onderscheiding van andere ‘sloopvergunningen’ – uit de bouwverordening en
                    uit de Monumentenwet – aanduiden als ‘planologische sloopvergunning’. De
                    planologische sloopvergunning kan door de raad van een gemeente in een
                    bestemmingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets verplicht, maar biedt deze
                    mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de planologische gevolgen van
                    sloopactiviteiten en de eventuele bouwplannen op de locatie die door het slopen
                    vrij komt.</al><al/><al><vet>Asbest</vet></al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32). Voor meer informatie en
                    publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar
                        <onderstreept>www.infomil.nl/asbest. </onderstreept></al><al/><al><cursief>Incident</cursief></al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals
                    een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een
                    calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                    asbestbranden”.</al><al/><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak. </al><al/><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren. </al><al/><al><cursief>Certificering</cursief></al><al>De certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De instantie
                    die zich bezig houdt met de certificering is de Stichting Certificatie Asbest,
                    www.ascert.nl De oude Beoordelingsrichtlijnen (BRL) die van toepassing waren op
                    de sloop van asbest zijn vervangen door certificeringsschema’s voor
                    asbestinventarisatie (SC 540) en asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in
                    Stcrt. 2008, nr. 57, p. 9).</al><al/><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al/><al><cursief>Risicoklasse</cursief></al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de omgevingsvergunning voor het slopen. </al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al/><al><cursief>Intensivering van de handhaving</cursief></al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de sloopvoorschriften. Voor diverse publicaties wordt verwezen
                    naar <onderstreept>www.infomil.nl</onderstreept>.</al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis
                    voor de omgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met zich mee, dat de
                    term sloopvergunning wordt vervangen door omgevingsvergunning voor het slopen of
                    wanneer het uitsluitend over het verwijderen van asbest gaat omgevingsvergunning
                    voor het slopen van asbest. </al><al/><al><cursief>Ontvangstbevestiging en mededeling procedure </cursief></al><al>De huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op de aanvraag als
                    bewijs van ontvangst is niet langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en derde lid
                    Wabo stelt verplicht dat na ontvangst van een aanvraag onverwijld de bevestiging
                    wordt verzonden en dat eveneens onverwijld een mededeling over de te volgen
                    procedure wordt verzonden. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend -minder dan 10 m<sup>3</sup>- een algemene eis geformuleerd in
                    artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van
                    niet-ingrijpende interne verbouwingen. </al><al/><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                    meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                    vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Een ondergrens van 10 m<sup>3</sup> voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor
                    zover net te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen
                    met een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op
                    de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren. </al><al/><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10
                    m<sup>3</sup> komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                    vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit
                    een overtreding wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning voor het
                    slopen. </al><al/><al>Onder 10 m<sup>3</sup> sloopafval wordt verstaan: los gestort sloopafval. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.
                    Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de vergunning te
                    verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d. Het vierde lid
                    geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het scheiden en gescheiden
                    houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere detaillering. </al><al/><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd
                    in het derde en vierde lid van dit artikel. </al><al/><al><cursief>Ad a. en b. De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                        nabijgelegen bouwwerken</cursief></al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het
                    bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en
                    het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat
                    deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard
                    behoeft datgene wat via deze van toepassing verklaring al van toepassing is,
                    niet nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een vergunning. Mede
                    afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de
                    directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld.
                    Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                    veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de
                    sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie.
                    Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                    aanvraag om een vergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2, tweede
                    lid. Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas
                    wanneer de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk,
                    bij voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de vergunning voorschriften verbonden ter voorkoming
                    van deze strijdigheid. </al><al/><al><cursief>Ad c. Het scheiden en gescheiden afvoeren</cursief></al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    omgevingsvergunning voor het slopen en andere regels, bij voorbeeld die over het
                    vervoer van <cursief>gevaarlijk</cursief> afval, in acht te worden genomen.</al><al>In de praktijk komt dit erop neer dat alleen mag worden samengewerkt met
                    vergunninghoudende inzamelaars en transporteurs voor het gevaarlijk afval en
                    alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die
                    beschikken over een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften
                    in de omgevingsvergunning voor het slopen mogen geen ‘gedwongen winkelnering'
                    inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor dat
                    afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.</al><al/><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                    samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in
                    de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen en het bepaalde in
                    artikel 5 van het Asbest verwijderingsbesluit 2005. Onder c. is de meest
                    minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving. Naast
                    deze drie ‘onvermijdelijke' fracties -gevaarlijke afvalstoffen, asbest en overig
                    afval- verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                    voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen:</al><lijst><li nr=""><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr=""><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr=""><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr=""><al>asfalt;</al></li><li nr=""><al>dakgrind;</al></li><li nr=""><al>glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li></lijst><al/><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                    bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel
                    5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                    gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                    sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</al><al/><al><vet>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor.</vet></al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning
                    worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en
                    de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en
                    welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de
                    in de regio beschikbare verwijderingsstructuren, waaronder bewerkings- en
                    verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.Het is van
                    belang dat voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen wordt
                    getoetst de hergebruiksmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn.
                    Hierbij moeten de volgende aspecten worden nagegaan:</al><lijst><li nr=""><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr=""><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr=""><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr=""><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al></li><li nr=""><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders
                            en inzamelaars.</al></li></lijst><al/><al><vet>Onderzoek</vet></al><al>Voordat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden
                    ingediend moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden:</al><lijst><li nr=""><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                            slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                            gevaarlijke afvalstoffen, dient een onderzoek te worden ingesteld naar
                            de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van
                            dit onderzoek bij de aanvraag om vergunning worden gevoegd (artikel 7.1
                            en 7.2 Regeling omgevingsrecht); </al></li><li nr=""><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                            aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 7.1 en 7.2
                            Regeling omgevingsrecht, daarover bij het indienen van een aanvraag om
                            een omgevingsvergunning voor het slopen gegevens worden ingediend. Op
                            grond van artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een
                            onderzoeksplicht naar de aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat
                            wil zeggen daartoe gecertificeerd bedrijf.</al></li></lijst><al/><al>Achter in deze toelichting is als bijlage 8 van de toelichting opgenomen een
                    Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt
                    de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen een handreiking voor een
                    verdergaande scheiding dan normaliter in de voorwaarden van deze
                    omgevingsvergunning verplicht is gesteld om op de slooplocatie uit te voeren.
                    Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande scheiding zowel financiële
                    als milieuhygiënische overwegingen in zijn beschouwing betrekken. </al><al/><al><vet>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen.</vet></al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten
                    van kunststofgevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van
                    kunststofleidingsystemen (ver­enigd in de FKS) zijn voor deze twee deelstromen
                    inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al/><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al/><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend
                    voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden
                    afgevoerd via met dit inzamelsysteem. </al><al/><al><vet>Andere inzamelsystemen</vet></al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie. </al><al/><al><cursief>Ad d. Gegevens die na de vergunningverlening worden
                    ingediend</cursief></al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om vergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De naam
                    en het adres van degene die met het slopen zal worden belast -gewoonlijk de
                    aannemer- zijn dikwijls nog niet bekend ten tijde van het indienen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen. Deze gegevens spelen bovendien
                    geen rol bij de beoordeling van het in behandeling nemen. </al><al/><al>In de vergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat uiterlijk
                    ... (bijvoorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden de naam
                    en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden is belast worden
                    overgelegd aan het bevoegd gezag of de directeur van het </al><al>(gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al/><al><vet>Het gebruik van een mobiele puinbreker</vet></al><al>Op verzoek van de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen kan,
                    onder in de vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de
                    sloopplaats het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde
                    mobiele puinbreekinrichting. </al><al/><al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ bevat alle voorschriften ten
                    aanzien van mobiele brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf
                    deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande
                    voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling
                    treedt in de plaats van de lagere regeling. </al><al/><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                    toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan
                    een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval
                    wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie
                    maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te
                    bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de
                    breker is opgesteld</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de vergunning voorschriften worden gesteld. Afhankelijk
                    van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of bepaalde
                    handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval zware
                    eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De tweede
                    zin verplicht het bevoegd gezag een voorschrift in de vergunning op te nemen
                    over het afzonderlijk gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van
                    asbest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. Deze verplichting staat in
                    artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Voor seizoengebonden bouwwerken, welke naar hun aard slechts tijdelijk een plek
                    staan en meestal jaarlijks op dezelfde plek opnieuw worden geplaatst, geldt een
                    andere regeling. Het betreft hier meestal het uit elkaar nemen van het bouwwerk
                    totdat dit opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij wordt gedacht aan strandpaviljoens,
                    bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al><cursief>Ad a en b </cursief></al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld
                    in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens het slopen
                    en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is gewaarborgd. Indien
                    ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau van veiligheid c.q.
                    bescherming kan worden gewaarborgd, moet de vergunning worden geweigerd. Meestal
                    zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de indiening van de aanvraag om
                    vergunning - worden gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige
                    sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een
                    onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te
                    kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet
                    van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt. </al><al/><al>Gelet op de Utrechtse situatie is de mogelijkheid om een lid e. toe te voegen
                    aan de tekst van de verordening benut.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die
                    vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de
                    houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                    werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot
                    intrekking nog niet te nemen. De Wabo verhindert niet dat in een verordening,
                    waarbij de vergunningplicht is ingesteld, criteria op te nemen over het
                    intrekken van de vergunning. </al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van de omgevingsvergunning voor
                        het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al/><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van
                    burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en vatbaar voor
                    bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht. Dit betekent onder
                    meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend bij burgemeester en
                    wethouders. Ingevolge het zesde lid moet worden gebruik gemaakt van de door
                    burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. In het achtste lid is
                    bepaald dat aan de mededeling voorschrif­ten kunnen worden verbonden.</al><al/><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico's voor degene die sloopt, naar de risico's voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). </al><al/><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf –dus
                    de burger- zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen
                    voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze
                    voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de
                    mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                    praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                    onvoldoende zijn. </al><al/><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest zie de folder Asbest in en om het
                    huis op www.utrecht.nl.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert.
                    Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de
                    woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de woning ook genoemd het
                    logiesverblijf (recreatiewoning) alsmede de op het daarbij behorende erf staande
                    bijgebouwen.</al><al/><al>Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                    asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is
                    in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een
                    maximum van 35 m<sup>2</sup> per kadastraal perceel. </al><al/><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen
                    bij woningen. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid van artikel 1 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen oplossing, omdat onduidelijk
                    is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in de Woningwet het begrip
                    woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                    Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de
                    uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning
                    mede wordt verstaan een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid van
                    art. 8.2.1.</al><al/><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij
                    een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al/><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf
                    van die woning staand bijgebouw, voor zover de woning of het bijgebouw niet in
                    het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                    bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                    perceel bedraagt’. </al><al/><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is –net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005- dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel
                    van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de gemeente
                    Utrecht thans bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de
                    bouwverordening, de bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen
                    bouwwerken ‘logiesverblijf’ gehandhaafd.</al><al/><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is
                    beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van
                    een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger
                    het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En
                    illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans
                    dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de ruime uitleg is de burger
                    legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren. </al><al/><al>Op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer toegestaan om
                    anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het verwijderen
                    van:</al><lijst><li nr=""><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                            betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                            zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te leven.
                            Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op
                            blootstelling aan asbestvezels.</al></li><li nr=""><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot.
                            Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen
                            leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en
                            verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al></li></lijst><al/><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Zie voor de Utrechtse procedure: www.utrecht.nl</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar ‘in de gemeente geldende voorschriften'
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen (zoals asbesthoudende platen) die hij zelf
                    mag verwijderen na een melding. </al><al/><al>Met deze voor­schriften zijn bedoeld de voorschriften over de wijze van
                    aanbieden aan de gemeentewerf. Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest zie
                    de folder Asbest in en om het huis op www.utrecht.nl.</al><al/><al><cursief>Tiende lid</cursief></al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk.</al><al/><al><cursief>Elfde lid</cursief></al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                    van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de
                    aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester en wethouders
                    besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager
                    in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door burgemees­ter en
                    wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen
                    die termijn kort te houden (één week). </al><al/><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder een omgevingsvergunning
                    voor het slopen als bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld
                    in artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op
                    andere regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning
                    of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening.</al><al/><al>In gevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is ook het verwijderen van
                    beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen vergunningvrij. Ook
                    wel aangeduid als voegkit.</al><al/><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a,
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 bedoelde waterleidingbuizen, gasleidingbuizen,
                    rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel uitmaken van het
                    ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-,
                    water-, riool- en mantelbuizen in bouwwerken moet wel plaatsvinden door een
                    deskundig asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die
                    zich in (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is geen sprake van
                    routinematig verwijderen met een beheersbaar risico.</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</vet></al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                    aanwezigheid van de vergunning of de een besluit tot toepassing van
                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het slopen
                    mag degene die de werkzaamheden verricht <vet>-</vet>in de regel een ander dan
                    de houder van de vergunning- geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al/><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de omgevingsvergunning voor
                    het slopen, indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze
                    vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al><al/><al><vet>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</vet></al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest.
                    De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3
                    schept verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen.
                    Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet
                    bekend was. Deze situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt.
                    Artikel 8.3.5 geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op
                    grond van een omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een
                    mededeling naar aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste
                    bestaande technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit
                    artikel echter niet voor het slopen op grond van een mededeling.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van omgevingsvergunning voor het
                        slopen </vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, let­ters
                    k, I, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten
                    verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al/><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbest­verwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    vergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die moet
                    er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt. </al><al/><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van stilleggen van de
                    sloopwerkzaamheden door toepassing van bestuursdwang.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk. </al><al/><al>Hetzelfde geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde lid,
                    indien tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt.</al><al/><al>Indien burgemeester en wethouders de ontvangst van een melding van de voltooiing
                    van een sloopwerk bevestigen, bijvoorbeeld door de mel­ding af te stempelen en
                    van de ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve
                    handeling die niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente
                    aanvaardt daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het
                    slopen en het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften
                    voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest voor zover dit gebeurt
                    anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.</al><al/><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden
                    regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende
                    certificering.</al><al/><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt. </al><al/><al>Het eerste en tweede lid van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat
                    verspreiding van asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt.
                    Indien de minister op grond van het tweede lid van artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding
                    hogere en lagere regelgeving vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid wordt ‘redelijkerwijs uitvoerbaar’ als beoordelingscriterium
                    genoemd. Een deskundig bedrijf dat beschikt over het KOMO-procescertificaat
                    volgens BRL 5050, is in staat dit te beoordelen.</al><al>Voor het verwijderen van asbest op grond van een mededeling naar aanleiding van
                    een melding geldt niet de eis vooraf een plan over te leggen. De categorieën
                    asbest waarvoor geen omgevingsvergunning voor het slopen nodig is, zijn
                    voldoende beperkt en overzichtelijk om te volstaan met algemene regels.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Met de omschrijving ‘asbest dat vrijkomt bij het slopen' wordt bedoeld alle
                    asbest dat op enigerlei wijze bij dat slopen vrijkomt ongeacht de vorm of
                    hoeveelheid. Hieronder valt dus behalve het verwijderde asbest ook het met
                    asbest verontreinigd afval. Het asbest mag voordat het wordt verpakt niet worden
                    verkleind door breken of verpulveren of anderszins worden bewerkt waardoor
                    asbestvezels kunnen vrijkomen. Het verbod ter zake staat in artikel 8.1.1,
                    vijfde lid en artikel 8.2.1, tiende lid.</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 4 Vrij slopen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, zijn er redenen om de plicht tot
                    het hebben van een omgevingsvergunning voor het slopen te koppelen aan een
                    ondergrens van 10 m<sup>3</sup>sloopafval. Dit betekent niet dat al het
                    sloopafval dat minder dan 10 m<sup>3</sup>bedraagt, niet gescheiden zou behoeven
                    te worden.</al><al>De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard
                    voor zover die stoffen daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde
                    stoffen die niet mogen worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is
                    asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder
                    melding mag worden verwijderd.</al><al/><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien.
                    De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                    m<sup>3</sup>, uitsluitend repressief plaats. </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Asbestverwijderingsbesluit 2005</vet></al></entry><entry><al><vet>Bouwverordening Utrecht</vet></al></entry></row><row><entry><al>Art. 3</al></entry><entry><al>H 8,Toelichting Algemeen</al></entry></row><row><entry><al>Art. 3, lid 3</al></entry><entry><al>H 8,Toelichting calamiteit</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4, lid 1, sub a</al></entry><entry><al>8.1.2, lid 3, sub c (Vervallen)</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4, lid 1, sub b</al></entry><entry><al>8.2.2, lid 1, sub c</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e</al></entry><entry><al>8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 1, sub a en b</al></entry></row><row><entry><al>Art. 5</al></entry><entry><al>8.3.3, lid 3 vervallen</al></entry></row><row><entry><al>Art. 6</al></entry><entry><al>1.1 (Begripsbepaling)</al></entry></row><row><entry><al>Art. 7</al></entry><entry><al>H. 8,Toelichting Algemeen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>brochure VROM nog niet gereed</al></entry></row><row><entry><al>Art. 8, lid 1</al></entry><entry><al>8.3.5, lid 1 en 2</al></entry></row><row><entry><al>Art. 8, lid 2</al></entry><entry><al>Min. Besluit is er nog niet</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter a</al></entry><entry><al>8.1.1</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter b</al></entry><entry><al>8.1.2, lid 3, sub c (vervallen)</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter c</al></entry><entry><al>8.2.1</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter d</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 7</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter e</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter f</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 9</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter g</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter h</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 12 (vervallen)</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter i</al></entry><entry><al>8.1.4, lid 2 (vervallen)</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter j</al></entry><entry><al>8.1.2, lid 4 (vervallen)</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letters k, I, m en n</al></entry><entry><al>8.3.3, lid 1 t/m 4</al></entry></row><row><entry><al>Art. 11</al></entry><entry><al>12.1, lid 1 en 2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouw­verordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement
                    niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde
                    procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening; de gemeente
                    Utrecht heeft ervoor gekozen deze als bijlage aan de bouwverordening toe te
                    voegen.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria en welstandsnota</vet></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al/><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al/><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een
                    bestemming is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al/><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist. </al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de Welstandscommissie</vet></al><al><vet>Onafhankelijkheid</vet></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al/><al><vet>Deskundigen en burgers</vet></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie. </al><al/><al><vet>Commissie Welstand en Monumenten Oost</vet></al><al>Voor januari 2003 was de welstandsadvisering in Utrecht ondergebracht in twee
                    commissies. De Commissie Welstand en Monu­menten bracht advies uit over de
                    ‘bestaande' stad. Voor de grootschalige stadsuitbreiding aan de westzijde werd
                    een aparte Welstandskamer opgericht, de Welstandskamer Leidsche Rijn. Met de
                    wijziging van de gemeentegrenzen door de toevoeging van Vleuten-De Meern en de
                    Heicopse Polder dekken de benamingen de lading niet meer. Bij de actualisatie
                    van de Bouwverordening in het kader van de Woningwet 2003, is de gelegenheid te
                    baat genomen de commissie van een adequate naam te voorzien en de geografische
                    scheiding van de betreffende adviesgebieden vastte leggen.</al><lijst><li nr=""><al>De Commissie Welstand en Monumenten Oost: deze commissie adviseert over
                            het grondgebied ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal.</al></li><li nr=""><al>De Commissie Welstand en Monumenten West: deze commissie adviseert over
                            het grondgebied ten westen van het Amsterdam-Rijnkanaal.</al></li></lijst><al>De artikelen in hoofdstuk 9 en in Bijlage 9 van de Bouwverordening hebben
                    betrekking op beide commissies. Om eenheid en continuïteit in de
                    welstandsadviseringen te garanderen dient minimaal een lid zitting te hebben in
                    zowel de Commissie Welstand en Monumenten Oost als de Commissie Welstand en
                    Monumenten West. De voorkeur gaat er naar uit dat de voorzitter deze positie
                    vervult. Daarnaast is het noodzakelijk, met het oog op zowel de continuïteit als
                    het op de hoogte zijn van de diverse ontwikkelingen, dat dezelfde secretaris
                    beide welstandscommissies ondersteunt.</al><al/><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de betreffende gemeente werkzaam is. </al><al>Daarmee wordt beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie te
                    bevorderen.</al><al>Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de
                    zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissie in gevaar
                    kan brengen. </al><al/><al>Voor de benoemingsprocedure wordt verwezen naar artikel 11 van bijlage 9,
                    Reglement van orde van de welstandscommissie.</al><al/><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><vet>Jaarverslag welstandscommissie</vet></al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al/><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al/><al><vet>Jaarverslag burgemeester en wethouders</vet></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou tenminste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr=""><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen;</al></li><li nr=""><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de aanvraag
                            voor een omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de
                            welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die
                            gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria; </al></li><li nr=""><al>op welke wijze uitdrukking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen; </al></li><li nr=""><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders een besluit
                            hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                            last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke
                            eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat
                            besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.</al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al/><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd. De mogelijkheid van beoordeling van een zgn.
                    schetsplan in een informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen
                    pas aanvangen bij de ontvangst van verzoek om vergunning. Indien een aanvraag om
                    een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over
                    alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam gebruik te maken van de
                    mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</vet></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevings-vergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al/><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al/><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. </al><al/><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind</al><al/><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al/><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is. </al><al/><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient. </al><al/><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat. </al><al/><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al/><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken.</al><al/><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten. </al><al/><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                    mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met name
                    in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine
                    bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003 in artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                    ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete motivering
                    achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra
                    bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al/><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken </vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van de MBV vast.
                    Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als bedoeld in artikel
                    1.3 MBV. <vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</vet></al><al/><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN’s), voornormen (NVN’s) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's). </al><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in
                    strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of
                    ander bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                    gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen
                    kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb
                    de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32,
                    vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde lid Awb. Het
                    direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is
                    er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang
                    toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten
                    worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                    uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003,
                    893). </al><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. </al><al/><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Dit artikel voorkomt dat het na het van kracht worden van deze bouwverordening
                    opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt niet
                    wanneer het bevoegd gezag van mening is dat het eerder uitgevoerde indicatieve
                    bodemonderzoek niet meer als recent kan worden aangemerkt. Voor de vraag wat kan
                    worden verstaan onder een recent onderzoek, zie de toelichting bij artikel 2.4.1
                    van de Modelbouwverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                        en terreinen</vet></al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                    situaties.</al><al>Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en
                    redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties -dat
                    wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze voorschriften-
                    lijkt de eis wel redelijk. </al><al/><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 Woningwet, kunnen in die vergunning
                    eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om te
                    voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen van
                    bereikbaarheid zou behoeven te voldoen. </al><al><vet>Bijlage 1 (behorend bij de toelichting)</vet></al><al/><al><vet>Toelichting Verordening</vet></al><al/><al><vet>Figuren 1 tot en met 19, behorende bij de stedenbouwkundige
                        bepalingen.</vet></al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>figuur 5 - ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>(artikel 2.5.11, eerste lid, onder a)</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>Bijlage 5 (behorend bij de toelichting)</vet></al><al/><al><vet>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</vet></al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Activiteit samenhangende met sloopproject</vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>Sloopmethode</vet></al></entry><entry><al><vet>Bedreiging</vet></al></entry></row><row><entry><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen van
                                        bal)</al></entry><entry><al>onvoldoende afstand tot gebouwenstof bij instortenovermatige
                                        trillingenongecontroleerd instorten</al><al/></entry></row><row><entry><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op lengterichting
                                        met als gevolg breuk)</al></entry><entry><al>stof bij instortenwegspatten dommekracht (hefboom)
                                        ongecontroleerd instorten</al><al/></entry></row><row><entry><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                        stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen; o.a.
                                        explosieven.)</al></entry><entry><al>rondvliegend puinopslag
                                        e.d.trillingenstofproductieverzakkingen</al><al/></entry></row><row><entry><al>Afhijsen (knijpen)</al></entry><entry><al>vallend materiaal/onvoldoende afstandomvallen kraan/maximum
                                        hijslastafbreken hijslast</al><al/></entry></row><row><entry><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al></entry><entry><al>kantelen trekapparatuurstapelen palen</al><al/></entry></row><row><entry><al>Overige methoden :</al></entry><entry><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al dan
                                        niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien het
                                        bouwhek niet ver genoeg staat puin, gereedschap e.d. buiten
                                        het sloopterrein vallen.</al><al/></entry></row><row><entry><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry><al>aan- en afvoerop- en afbouwafbreken hijslast of delen
                                        daarvanomvallen kraanoverschrijden max. wegbelasting</al><al/></entry></row><row><entry><al>Sloopobject</al></entry><entry><al>omvallende bouwdelenwegspattend/vallend puin en
                                        gereedschapverontreinigd sloopmateriaal</al><al/></entry></row><row><entry><al>Sloopterrein</al></entry><entry><al>afkalven, instorten bouwputtenopslag van materialen en
                                        materieelonvoldoende afgrenzing</al><al/></entry></row><row><entry><al>Bouwputten en -sleuven</al></entry><entry><al>instorten/afkalven bouwputten en sleuvenonjuiste
                                        bemaling</al><al/></entry></row><row><entry><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry><al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen arbeidsinspectie
                                        en APV's.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Bijlage 6 (behorend bij de toelichting)</vet></al><al/><al><vet>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van
                        de opsteller van het sloopveiligheidsplan</vet></al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry><al>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en objectgericht)</al><al/></entry><entry><al>Aanbevelingen</al></entry></row><row><entry><al>Belendingen</al></entry><entry><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry><al>constructief scheidentrillingsarm slopen belending (in
                                        extremo: met de hand)stutten/stempelen bouwputten- en
                                        sleuvengecontroleerd bemalenvoorzieningen i.v.m.
                                        gemeen-schappelijke bouwmurenen funderingen</al><al/></entry><entry><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Gebruikers</al></entry><entry><al>trillingsarm slopenstofarm slopenslopen op bepaalde
                                        dagen/tijdenin extreme situaties (calamiteiten):
                                        ontruimenrekening houden met verontreinigd sloopmateriaal,
                                        zoals asbest</al><al/></entry><entry><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry><al>vrijhouden/toegankelijk houden van belendende
                                        gebouwenaangepaste werktijden</al><al/></entry><entry><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                        verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry><al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al></entry><entry><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry><al>toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        veiligheid objecten Zie ook bouwkundige staat
                                        belendingen.</al></entry><entry><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving m.b.t.
                                        veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor bestaande
                                        situaties. Voor mogelijke maatregelen en aanbevelingen zie
                                        ‘belendingen’.</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry><al>toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        veiligheid en gezondheid. Zie ook gebruikers
                                        belendingen.</al><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school, zieken
                                        huis, e.d.)</al><al/></entry><entry><al>toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        bruikbaarheid Zie ook gebruiksfuncties belendingen.</al><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Infrastructuur</al></entry><entry><al>Kabels, leidingen rioleringen</al></entry><entry><al>aangepaste sloopmethodestuttenbeschermen
                                        (afdekken)afsluitenomleggenhijsplan bij grote
                                        hijsklussen</al><al/></entry><entry><al>Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al></entry><entry><al>beschermenafsluitenverwijderen</al><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d.</al></entry><entry><al>afdekken (schotten, rijplaten, zand)aangepaste
                                        sloopmethode</al><al/></entry><entry><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Waterstaat-kundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                        e.d.)</al><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Regelen in vooroverleg met verant­woordelijke instantie</al><al/></entry></row><row><entry><al>Verkeerssituatie</al></entry><entry><al>Voetgangers en fietsers</al></entry><entry><al>afdoende afgrenzen sloopterreinuitstekers
                                        (valschermen)voetgangerstunnelsafzetten weggedeelte met
                                        hekwerk(tijdelijk) afzetten van gehele weg</al><al/></entry><entry><al>Bij complexe situaties: verkeers­circulatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verant­woordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Overig weg verkeer (openbaar-vervoer, auto’s)</al></entry><entry><al>afdoende afgrenzen sloopterreinvrijhouden en waarborgen
                                        veiligheid bovenleidingen trams en
                                        trolleysuitstekersafzetten weg</al><al/></entry><entry><al>Bij complexe situaties: verkeers-circulatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verant-woordelijke instanties en
                                        gemeente-diensten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Routes voor brandweer- en ziekenhuisauto’s e.d.</al></entry><entry><al>vrijhouden wegaangepaste sloopmethodebeperken overige
                                        verkeersstroom</al></entry><entry><al>Bij complexe situaties: verkeers-circulatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verant-woordelijke instanties en
                                        gemeente-diensten</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Spoorwegen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Regelen in vooroverleg met N.S.</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Scheepvaart</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Regelen in vooroverleg met water beheerder (RWS, provincie,
                                        water-schap, gemeente)</al><al/></entry></row><row><entry><al>Bijzondere omstandigheden</al><al/></entry><entry><al>Veel omstanders</al></entry><entry><al>aanbrengen extra veiligheids-voorzieningenafzetten
                                        wegen</al></entry><entry><al>Vooraf informeren omwonenden</al><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d.)</al><al/></entry><entry><al>afzetten wegontruimen belendende percelen</al></entry><entry><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Vandalen en daklozen</al><al/></entry><entry><al>extra afscheidingverscherpt toezicht</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Bijlage 7 (behorend bij de toelichting)</vet></al><al/><al><vet>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</vet></al><al/><al/><al><vet>VOORBEELD INHOUDSOPGAVE SLOOPVEILIGHEIDSPLAN</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="2."><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="3."><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="4."><al>Beschrijving werkzaamheden</al></li><li nr="5."><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en
                            hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li><li nr="6."><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot
                            externe veiligheid</al></li><li nr="7."><al>Betrokken instanties</al></li><li nr="8."><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="9."><al>Instructies aan werknemers</al></li><li nr="10."><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="11"><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="12"><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="13"><al>Logboek</al></li></lijst><al/><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="1."><al>belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="2."><al>tekening waarop staat aangegeven:</al></li><li nr="3."><al>de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze tekening mag niet
                            kleiner zijn dan 1:1.000 (indien nodig bij detailleringen niet kleiner
                            dan 1:100).</al></li><li nr="4."><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li><li nr="5."><al>transportroutes afkomende materialen.</al></li><li nr="3."><al>de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="4."><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="5."><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="6."><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="7."><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="8."><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen,
                            bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="9."><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het
                            laden en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al></li><li nr="10."><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8 (behorend bij de toelichting)</vet></al><al/><al><vet>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</vet></al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>niveau I minimumscheiding</al><al/></entry><entry><al>niveau l-plus minimumscheiding</al></entry><entry><al>niveau II</al></entry><entry><al>niveau III maximumscheiding</al></entry></row><row><entry><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry><al>olieproducten</al><al/><al/><al>overig gevaarlijk afval</al></entry><entry><al>afgewerkte oliebrandstofrestanten
                                        batterijenaccu’sschoorsteenkanalenrookkanalenoverig chemisch
                                        belast puinverontreinigde leidingenoliehoudende
                                        elementencoatings, kittenbitumineuze
                                        materialenzeefzandtl-buizen/startershalogeen lampen</al><al>niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL</al></entry></row><row><entry><al>asbest en asbest-houdende afvalstromen</al></entry><entry><al>asbest en asbest-houdende afvalstromen</al></entry><entry><al>asbestproducten</al></entry><entry><al>golfplaatspouwbladenbrandwerende
                                        platenisolatiemateriaal</al><al>producten niet elders genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al><al/></entry><entry><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry><al>metalen</al><al/></entry><entry><al>metalen</al><al/></entry><entry><al>ferro</al></entry><entry><al>constructiebalken e.d.metalen trappen
                                        e.d.betonijzerschroottanks, silo’sferro, niet elders
                                        genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al>non ferro</al></entry><entry><al>aluminium (kozijnen, constructies)lood (buis, slabben)zink
                                        (regenpijp, dakgoot)koperbuisnon ferro, niet elders
                                        genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>elektriciteitskabels</al><al/></entry><entry><al>kabels 220 V kabels&gt; 220V</al></entry></row><row><entry><al>steenachtig afval i.e. betonpuin en baksteen-puin</al></entry><entry><al>steenachtig afval i.e. betonpuin en baksteen-puin</al></entry><entry><al>beton</al></entry><entry><al>gewapend betonschuimbetongasbetonstaalvezelbetonhoge sterkte
                                        betonbetonproductenbeton niet elders genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>metselwerk</al></entry><entry><al>metselwerkpuin metselmortel</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>kalkzandsteen</al></entry><entry><al>metselwerkpuin bouwblokken</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>dakpannen/bedekking (beton, keramiek, leisteen</al><al/></entry><entry><al>intacte dakpannengebroken dakpannendakleien </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>keramiek</al></entry><entry><al>wandtegelsplavuizensanitair</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>gipshoudende elementen</al></entry><entry><al>gipsplaatstucwerkanhydriet vloerengipsvezelplaatgipshoudende
                                        elementen</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>asfalt</al></entry><entry><al>asfaltbetonasfaltpuinfreesafval</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>steenwol</al></entry><entry><al>steenwol</al></entry><entry><al>steenwol</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>glaswol</al></entry><entry><al>glaswol</al></entry><entry><al>glaswol</al><al/></entry></row><row><entry><al>massief hout</al><al>(zonder verduur-zamingsmiddelen, direct herbruikbaar)</al></entry><entry><al>massief hout</al><al>(zonder verduur-zamingsmiddelen, direct herbruikbaar)</al></entry><entry><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al></entry><entry><al>balkenvloerdelentrapelementendakbeschotregels/tengelspalletsschoon
                                        hout,niet elders genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>geverfd/gelakt hout</al></entry><entry><al>gevelelementenkozijnendeurenparketvloerengeverfd/gelakt
                                        hout, niet elders genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al></entry><entry><al>spaanplaatmultiplexhardboardvezelplaathoutwolcementplaatbekistingsmateriaalvloerplaatplaatmateriaal,
                                        niet elders genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>geïmpregneerd hout</al></entry><entry><al>tuinhoutbielzengeïmpregneerd hout, niet elders genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al>overig afval</al></entry><entry><al>kunststof gevel-elementen PVC- en PE-leidingen</al></entry><entry><al>kunststof gevelelementen PVC</al></entry><entry><al>kunststof gevelelementenleidingsystemen (riolering,
                                        afvoer)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>PPen PE</al></entry><entry><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)dakfolieswandfolies</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>vlak glas</al></entry><entry><al>vlak glas</al></entry><entry><al>vlak glasdraadglasspiegelglasdubbelglasHR- en LE-glas</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>papier en karton</al></entry><entry><al>papier en karton</al></entry><entry><al>papierkarton</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>overig afval</al></entry><entry><al>LDPE/HDPE</al></entry><entry><al>dakfolieswandfoliesleidingsystemen</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>XPS/EPS</al></entry><entry><al>vloerisolatiedakisolatiewandisolatie</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>PUR</al></entry><entry><al>isolatieplatenPUR-producten, niet elders genoemd</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>overige kunststoffen gem.</al></entry><entry><al>EPDMoverige kunststoffen gem.</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>cellulose isolaties</al></entry><entry><al>cellulose isolaties</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>textiel</al></entry><entry><al>gordijnenvloerbedekking</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>doorvuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al></entry><entry><al>folies met aanhangend vuil papierkarton met aanhangend
                                        vuiltextiel met aanhangend vuilglas met kitresten</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>composiet-materialen</al></entry><entry><al>beton met PS-platensandwichpanelenmetselwerk met
                                        stucwerkbeton met stucwerk</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>thermohardende kunststoffen</al></entry><entry><al>meterkastendeurknoppen</al><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>overig afval</al></entry><entry><al>overig afval</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toelichting tabel</vet></al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau l-plus staan
                    voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                    minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en l-plus, is nodig omdat de raad bij de vaststelling van
                    artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht wordt
                    verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De verschillende
                    categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet
                    worden opgevat als definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden.</al><al/><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                    hulpmiddel.</al><lijst><li nr=""><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste afvalstromen: Op
                            het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen
                            van toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare componenten uit
                            het gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op
                            niveau III.</al></li><li nr=""><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen Het scheiden van asbestproducten
                            tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan kan worden met het apart
                            houden van asbest en asbesthoudende producten in één afvalstroom, omdat
                            asbest altijd moet worden gestort.</al></li><li nr=""><al>Overige afvalstromen Het scheiden van de diverse componenten is alleen
                            zinvol indien hiermee een afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking
                            komt voor hergebruik en waarvoor inzamel- en verwerkings- of
                            bewerkingscapaciteit bestaan. Voor sommige componenten betekent dit dat
                            gescheiden dient te worden tot niveau III (bijvoorbeeld bepaalde
                            betonproducten, steenachtige isolatiematerialen, dakpannen, metalen,
                            kunststoffen, glas, schoon hout). Voor andere componenten kan ook worden
                            volstaan met scheiding op niveau II (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen,
                            geverfd en gelakt hout, verlijmd hout, papier en karton, textiel,
                            kabels).</al></li><li nr=""><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                            afvalstromen In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval,
                            moet ook deze categorie worden beschouwd als overig afval en worden
                            afgevoerd naar de sorteerinrichting.</al></li></lijst><al/><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen van de
                    mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de omgevingsvergunning voor
                    het slopen.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze regionaal
                    of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de betreffende ambtenaar, verantwoordelijk voor
                    de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                    regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                    tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                    onderwerp zijn in een voorschrift van de omgevingsvergunning voor het slopen.
                    Toch verdient het aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde)
                    grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en locaties
                    van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de volgende
                    publicaties worden geraadpleegd:</al><lijst><li nr=""><al>Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen aan
                            den Rijn, 1993)</al></li><li nr=""><al>SBR-brochure 230-b Bouwafvalstoffengids, Rotterdam 1991.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</vet></al><al/><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm
                    voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door
                    slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd
                    afnemen).</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Product</vet></al></entry><entry><al><vet>Mogelijk toegepast in</vet></al></entry><entry><al><vet>Mate waarin het is toe­gepast</vet></al></entry><entry><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, vlakke plaat</al></entry><entry><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mmdik, vaak aan een kant
                                        'wafel-structuur'</al><al/></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating</al></entry><entry><al>Decoratieve buitengevels, galerij</al></entry><entry><al>Vrij algemeen in flats</al></entry><entry><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                        geëmailleerde of gespoten coating</al><al/></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal</al></entry><entry><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al><al/></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, bloembak</al></entry><entry><al>Zowel buiten als binnen, balkons</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner
                                        dan betonnen bak</al><al/></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, golfplaat</al></entry><entry><al>Daken van schuren en garages</al><al/></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Als golfplaat, in diverse dikten</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement met cellulose-vezels (asbestboard)</al></entry><entry><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                        inpandige kasten</al><al/></entry><entry><al>Soms</al></entry><entry><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, dakleien</al></entry><entry><al>Imitatieleien</al></entry><entry><al>In Nederland weinig toegepast</al></entry><entry><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat</al><al/></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, standleidingen</al></entry><entry><al>Afvoer toilet</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al><al/></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, imitatie-marmer</al></entry><entry><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels</al></entry><entry><al>Soms</al></entry><entry><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                        zichtbaar</al><al/></entry></row><row><entry><al>Harde asbesthoudende vinyltegels</al></entry><entry><al>Toiletten, keukens</al></entry><entry><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd</al></entry><entry><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt.</al><al/><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Product</vet></al></entry><entry><al><vet>Mogelijk toegepast in</vet></al></entry><entry><al><vet>Mate waarin het is toe­gepast</vet></al></entry><entry><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry><al>Afdichtkoord</al></entry><entry><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in oude
                                        haarden en alles-branders</al><al/></entry><entry><al>Regelmatig</al></entry><entry><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</al></entry></row><row><entry><al>Asbesthoudend stucwerk</al></entry><entry><al>Op (vochtige) muren en plafonds</al><al/></entry><entry><al>Nauwelijks</al></entry><entry><al>Vezelige korrelstructuur</al></entry></row><row><entry><al>Brandwerend board</al></entry><entry><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                        trapbeschot</al><al/></entry><entry><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen</al></entry><entry><al>Lichtbruin tot geel, zacht-boardachtig</al></entry></row><row><entry><al>Asbestkarton</al></entry><entry><al>Bekleding zoldering</al><al/></entry><entry><al>Weinig</al></entry><entry><al>Lichtgrijs, kartonachtig</al></entry></row><row><entry><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag</al></entry><entry><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor1983</al></entry><entry><al>Zeer vaak</al></entry><entry><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toelichting tabel</vet></al><al/><al><cursief>Herkennen van asbest</cursief></al><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of
                    een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                    waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                    overzicht is niet volledig.</al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond
                    zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden
                    gegeven:</al><al/><lijst><li nr=""><al>Asbesthoudende vinylvloertegels Tot omstreeks 1985 waren
                            vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met asbest. Meestal zijn
                            deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd. Vinylvloertegels zijn
                            veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten en keukens.
                            Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een wit
                            'gevlamde' decoratie.</al></li><li nr=""><al>Asbesthoudende vinylvloerbedekking Vinylvloerbedekking met asbest was
                            tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel gebruikt in keukens en op
                            trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag zit asbest. Deze
                            viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot lichtbeige en
                            soms lichtgroen.</al></li></lijst><al/><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking van
                    textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een doffe,
                    zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloer-bedekkingen met een
                    harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum;
                    buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel zeil met een
                    onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim).</al><al/><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop van
                    asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                    losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                    cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                    gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de
                    onderzijde van de plaat.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>