<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR89829_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 13e serie wijzigingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Asten</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Asten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Peelbelang 07-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Asten</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10.09.05</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bijlagen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Asten 13e serie wijzigingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Asten;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20
                        juli 2010;</al><al>Gehoord het advies van de commissie RUIMTE d.d. 7 september 2010;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>De bouwverordening van de gemeente Asten met in achtneming van de 13e serie
                        wijzigingen van de VNG, aangevuld met wijzigingen van artikel 2.5.30
                        (parkeren), hoofdstuk 9 en bijlage 9 (welstand) gewijzigd vast te
                        stellen;</al><al/><al>te bepalen dat de gewijzigde bouwverodening tegelijk met de wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 INLEIDENDE BEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                            letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de
                                            Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel,
                                            bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in
                                            dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                            bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede
                                            lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van
                                            de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met
                                            het bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                            steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                            functioneren;</al></li><li nr="-"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                            daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van
                                            het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                                            in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door
                                            of namens burgemeester en wethouders is
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                            bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                            sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de </al><al> weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                  ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                                                  van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                            openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                            gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                            behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                            liggende en als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al> – bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al> – gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van
                                    de gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li><li nr="c."><al>het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als
                                            bedoeld in artikel 9.9, eerste lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a. tot en met c.,
                                    gelden de gebieden die op de bij deze verordening behorende
                                    kaart als zodanig is aangegeven.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 2 DE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 2.1.1 t/m 2.1.4</label></kop><al>2.1.1 t/m 2.1.4 Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                        artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol
                                                dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>vervallen;</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
                                                2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft
                                        op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                        bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet
                                        voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
                                        van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                        omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                                        bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente
                                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                        Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
                                        2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en
                                        naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht
                                        is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                        veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                        rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikelen 2.1.6 t/m 2.1.8</label></kop><al>2.1.6 t/m 2.1.8 Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 2.2.1 t/m 2.2.6</label></kop><al>2.2.1 t/m 2.2.6 Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><lijst><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                        mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                        het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                        verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                                        en het overige te verwachten verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor
                                        zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel
                                        tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                        gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                        bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                        auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                        indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk
                                        zich daarvoor lenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3A Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel
                                                4.3 van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3
                                                van het Bouwbesluit;</al></li></lijst></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                        zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85
                                                m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                                0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                                hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a.langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de
                                rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al>b.langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a. bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                meter uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                        overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                        voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld
                                                in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II
                                                bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en
                                                bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                                erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens
                                                van de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons
                                                en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                                dan 1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                                artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen
                                                twee bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in
                                                de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                                gemeentelijke monumentenverordening – voor zover
                                                zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                        toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip
                                                van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden
                                                van die rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het
                                bevoegde gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouw ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                        in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en
                                                2.5.9 is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                                waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                                verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                                achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                        knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar
                                        liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich
                                        vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over
                                        een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2
                                        meter boven straatpeil – worden afgerond of afgeschuind, met
                                        dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                        oppervlakte niet groter dan 2 m<sup>2</sup> behoeft te
                                        zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van
                                                gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel
                                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen.</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                                pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij
                                                behorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                                afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                        voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan de helft van de straal van de
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                                kan worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op
                                                zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                                                op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
                                                de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                                gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                                nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                                het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                                                langs deze twee zijden op een afstand van de
                                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                                tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                                zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen
                                                op een afstand die wordt bepaald met inachtneming
                                                van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
                                                met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van
                                                de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                        achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                        achterzijden van die bebouwing – in het belang van de
                                        toetreding van daglicht – over een afstand van ten minste 5
                                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
                                        meter terugliggen ten opzichte van beide
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                        aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                        hoekbebouwing dit toelaten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                        ten minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                                achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel
                                                dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                                meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks
                                        op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts
                                        gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen
                                        van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en
                                        veranda's buiten beschouwing blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                voorwaarden wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                        tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een
                                        weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of
                                        aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan
                                        één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen
                                        voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit
                                        voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                                geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan
                                                van het verbod tot overschrijding van de
                                                achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                        van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen
                                        dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf
                                        aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                                minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                        voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                        onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel
                                        2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang
                                        van het af te scheiden erf of terrein.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                        hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                        andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken
                                        van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                        moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                        draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                                        elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                        ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken,
                                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                        worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                                van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                                oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op
                                                de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                                geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                        voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom één maal de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen
                                                de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
                                        de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
                                        weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                                        hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn
                                        van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15
                                        meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
                                        breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                        voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                        ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                        hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                        tegenoverliggende rooilijn.</al><al> Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is
                                        onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst
                                        verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking
                                        voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom één maal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al></li></lijst><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen,
                                wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt
                                gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn
                                gelegen voorgevelrooilijn.</al><lijst><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                        hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                        straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                        worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil
                                        tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige
                                        terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van
                                        de bouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                        bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan
                                        de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                        achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –
                                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale
                                        hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                        laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                                        afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij
                                        de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                        wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21,
                                        tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                        zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                        bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                        vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet
                                        hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken
                                        door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn
                                        snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 –
                                        maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek
                                        vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                        zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
                                        bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
                                        verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de –
                                        krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met
                                        het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan
                                        15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                        wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten
                                        opzichte van de laagst gelegen weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label> Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                        2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht
                                        op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer
                                        bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande
                                        van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een
                                        zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten
                                        is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard
                                        en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                        beletsel vormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                        buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte
                                        van straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                        hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                        door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                        artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en
                                        k, moeten – voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                                        – buiten beschouwing worden gelaten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste
                                lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 kan het bevoegd gezag de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                        aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                        stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
                                        in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte
                                        mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
                                        bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                        gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar
                                        vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                        auto's moet afgestemd zijn op de functie van het gebouw.
                                        Voor de afzonderlijke functies geldt dat de parkeernorm
                                        overeen dient te komen met de maximum waarden van de
                                        parkeerkencijfers zoals beschreven in het ASVV 2004 (CROW)
                                        en/of publicatie 182 'Parkeerkencijfers-basis voor
                                        parkeernormering' (CROW) of evt. recentere versies. Hierbij
                                        moet worden uitgegaan van de zone: weinig stedelijk
                                        gebied.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                        auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                        personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan
                                        indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimte overeenkomen
                                        met de genoemde afmetingen voor parkeervakken in het ASVV
                                        2004 (CROW) of een evt. recentere versie. In de ASVV 2004
                                        wordt onderscheid gemaakt tussen afmetingen voor
                                        gehandicaptenparkeerplaatsen, langparkeervakken, haakse
                                        parkeervakken en schuinparkeervakken.</al></li><li nr="4."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
                                        voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="5."><al>De in het vierde lid bedoelde ruimte voor laden en lossen
                                        moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                        voertuigen die bij de betreffende functie gebruikt worden
                                        voor laden en lossen. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                        voldaan indien de afmetingen van de bedoelde ruimte voor
                                        laden en lossen overeenkomen met de afmetingen zoals
                                        beschreven in het ASVV 2004 (CROW) of een evt. recentere
                                        versie.</al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste en vierde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                stuit, of,</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- en
                                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                                voorzien.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 2.6.1 t/m 2.6.12</label></kop><al>2.6.1 t/m 2.6.12 Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                        aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                        aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van
                                                de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet
                                                is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen
                                                van de leiding van het aardgasdistributienet dan
                                                onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor
                                                het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                                een afstand van 40 m.</al><al> Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op
                                                woningen, waarin voor het kunnen koken een andere
                                                energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming
                                                geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig
                                                is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer
                                                dan 500 m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                                verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                                gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                                verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                                Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming</label></kop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te
                                bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en fecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn
                                        aangesloten aan een openbaar riool.</al><al> Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                geloosd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of
                                                terrein moet of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                                voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                                                fecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag
                                                gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar
                                                riool te lozen.'</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                        milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet
                                        voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                        tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de
                                        goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                        van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                        ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren
                                        stoffen daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer
                                        op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem
                                        of lucht mogelijk is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en fecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                        openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                        bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                                waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                                overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder
                                                of een beerput zonder overstort, een gierput of een
                                                rottingput met overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                                afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede
                                                overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                                                dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht
                                                kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                                afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet
                                                lozen op een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a. en
                                        b., indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van
                                        water, bodem en lucht mogelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                        haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                        aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen
                                        aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat
                                        de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                        zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                        aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                        rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                        geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten
                                        een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                        waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
                                        middellijn.</al></li></lijst><al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al><lijst><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                        leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
                                        hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist,
                                        een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125
                                        mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                        hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en
                                        terreinen moeten doeltreffend zijn.</al><al> Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                                        voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                        in bijlage 7.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 3 DE MELDING</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 3.1 en 3.2</label></kop><al>3.1 en 3.2 Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</label></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag –onverminderd het in de voorwaarden van een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde – niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken
                                    waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en
                                    onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen – ten minste twee dagen voor
                                    de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het
                                    bouwproces in kennis te worden gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                            daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                            slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis
                                    te worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                    indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                    geschieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</label></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband
                                    staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat
                                    de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de
                                    weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten
                                    behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                                    gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                    moeten, wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de
                                    dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van
                                            de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel
                                            op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in
                                            gebruik stellen van de installaties door anderen dan
                                            daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                            zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan,
                                            niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde
                                            personen in werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                    elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                    elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden
                                    vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid
                                    voldoende is gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                    nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij
                                    uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                    dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                    doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
                                    open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te
                                    duchten is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                    geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder
                                    ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere
                                    openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt
                                    belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en
                                    dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein
                                    is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden
                                    bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                    transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                    kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed
                                    en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                    werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor
                                    de omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade
                                    of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                    veroorzaken, verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                    gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                            en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal
                                            niet mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                    toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen
                                    voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet
                                    genoemde milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden
                                    in de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per
                                            bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per
                                            bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten
                                    op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                    bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van
                                    10 m<sup>3</sup>, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                    verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor
                                    tijdelijke opslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                            riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                            door wanden en vloeren beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                            alsmede van de thermische isolatie in andere besloten
                                            constructies,</al></li></lijst></li></lijst><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden
                            gesteld. </al><lijst><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking
                                    heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan
                                    het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip
                                    van kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                                    op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een
                                    plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop
                                    de omgevingsvergunning voor het bouwen, betrekking heeft, wordt
                                    het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht
                                    gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel-
                                    of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht
                                    ten minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk
                                    in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten
                                    behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de
                                            voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende
                                            is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden
                                            Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                            bouwtoezicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 5 STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN HET WEREN VAN SCHADELIJK EN HINDERLIJK GEDIERTE</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met
                                        hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren
                                        voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of
                                        hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk
                                                gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 20 meter is
                                        verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                        tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn
                                        die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                        ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten
                                        verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het
                                        gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van tenminste 4,5 m, over een
                                                breedte van tenminste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor
                                        zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel
                                        tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                        gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                        brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                        verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan
                                        worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                        het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                                van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3
                                                van het Bouwbesluit;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                        zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85
                                                m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                                0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                                hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                                                artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label> Paragraaf 5.2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 5.2.1 tm 5.2.5</label></kop><al>5.2.1 t/m 5.2.5 Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a.
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere
                                        energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                        individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                        hemelwater moeten onverminderd het bepaalde in artikel
                                        5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                        openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor
                                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput
                                                aanwezig is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie</label></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 6 BRANDVEILIG GEBRUIK</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf </label></kop><artikel><kop><label>6.1 t/m 6.4 vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7.1 Overbevolking </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m<sup>2</sup>
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</label></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7.2 Staken van het gebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</label></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</label></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.3 Vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.3.1 N.v.t.</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder</label></kop><al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of
                                terrein, voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7.4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                        geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                        bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                        worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                        hierdoor niet wordt aangetrokken.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7.5 Watergebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7.6 Installaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 8 SLOPEN</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 8.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen,
                                        te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het
                                        bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                        indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval
                                        niet meer zal bedragen dan 10 m<sup>3</sup>, tenzij het
                                        slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is
                                        geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een
                                        besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel
                                        een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                                        van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan het
                                        besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde
                                        lid.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor
                                        het slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden
                                                houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een
                                                scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel
                                                8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze
                                                gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het
                                        derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het
                                        selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de
                                        tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties
                                        gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                                        Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor
                                        het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het
                                        afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het
                                        sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                        plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                        indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                        over het slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>8.1.2 t/m 8.1.5 Vervallen</label></kop><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                        monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                        overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
                                        de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                                        verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                        onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                        gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 8.2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders
                                        dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn
                                        geheel slopen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                                asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde
                                                dakleien, uit een woning of uit een op het erf van
                                                die woning staand bijgebouw, voor zover de woning of
                                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening
                                                van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld
                                                zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                                de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal 35
                                                m² per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit
                                                een op het erf van de woning staand bijgebouw, voor
                                                zover de woning of het bijgebouw niet in het kader
                                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                                                gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader
                                                en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels
                                                maximaal 35 m² per kadastraal perceel bedraagt;</al></li></lijst></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na
                                de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.</al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                        worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        2-voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                        aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst
                                        toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                        vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                        bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn
                                        hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                        betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                        asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in
                                        het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                        krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                        nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                        sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                        eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde
                                        eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de
                                        melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de
                                        door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te
                                        leggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsver- gunning voor het slopen</label></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kW.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraag 8.3. Veiligheid op sloopterrein</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Verpichtingen tijden het slopen</titel></kop><al/><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slo- pen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet
                                        het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                                        opdragen aan een deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet
                                        een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het
                                        deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van
                                        werk zal uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt
                                        ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het
                                        slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de
                                        data en tijdstippen waarop het slopen, voor zover dat
                                        betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                        binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                        bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                        eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning
                                        voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest en
                                        tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die
                                        sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het
                                        bouw- en woningtoezicht.</al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van
                                        tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden
                                        gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de
                                        sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien
                                        het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen
                                        schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                        bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                        bouwwerk wordt gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                        technieken worden toegepast om verontreiniging van het
                                        milieu met asbest te voorkomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.6 Vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 8.4 Vrij slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                        vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding
                                        krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te
                                        worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                                augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van
                                                gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g,
                                        en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en
                                        met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden ge-
                                        houden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 9 WELSTAND</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan een externe onafhankelijke instelling of partij, die
                                    daarvoor de noodzakelijke deskundigheid heeft, die uit haar
                                    midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie,
                                    hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de
                                    welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat uit ten minste drie leden,
                                    waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste
                                    twee leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                    ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                    minste twee leden aanwezig zijn welke beschikken over
                                    deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                    gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>In de welstandscommissie kan een geïnteresseerde burger, anders
                                    als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de leden van de welstandscommissie en hun
                                    plaatsvervangers worden door de gemeenteraad benoemd en
                                    ontslagen.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                    termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                    herbenoemd voor een periode van ten hoogste 3 jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage
                                    9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het
                                    gestelde in de voorgaande leden, nadere
                                    benoemingsprocedures.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota; </al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen; </al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag voor
                                    een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen één week
                                    nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is
                                    verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                    betrekking heeft op een deel van een project, of als het een
                                    gefaseerde aanvraag betreft uit binnen één week nadat door of
                                    namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door
                                    burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                                    afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                                    3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label> Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondeling toelichting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                    openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                    welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                    overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                    burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de
                                    aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                                    dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op
                                    grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                    grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                    beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                    welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                    toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van
                                    de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Er is geen spreekrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag voor
                                    vergunningplichtige mandateren aan een of meerdere daartoe
                                    aangewezen leden. De aangewezen leden adviseren over bouwplannen
                                    waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als
                                    bekend mag worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                    bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                    welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                    het bevoegd gezag – al dan niet op verzoek van de aanvrager –
                                    een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het
                                    bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10
                                    van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                    leggen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                    schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                    burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                    voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                    bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad
                                    het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                    wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
                                    vastgestelde verordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 t/m 10.5 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label></kop><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de
                                    herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                                    praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze
                                    verordening – of in de bij deze verordening behorende bijlagen –
                                    wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm,
                                    voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of
                                    vervangen en die herziening of vervanging heeft
                                    gepubliceerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 11 HANDHAVING</label></kop><artikel><kop><label>11.1 t/m 11.4 Vervallen</label></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Overgangsbepalingen</label></kop><lijst><li nr="2."><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming
                                    anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                                    wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd
                                    tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                                    bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór de
                                    onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen
                                    geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Slotbepalingen</label></kop><lijst><li nr="2."><lijst><li nr="1."><al>Deze wijzigingsverordening treedt in werking op het
                                            tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                            bouwverordening, gewijzigd vastgesteld bij raadsbesluit
                                            d.d. 16 oktober 2007.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                            “Bouwverordening Gemeente Asten 2010”.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Asten
                        d.d. 26 januari 1993 en gewijzigd naar aanleiding van de 13e
                        serie wijzigingen van de Modelbouwverordening 1992 in de vergadering van de
                        raad van de gemeente Asten d.d. 28 september 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de Griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de Voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1 t/m 12</nr></kop><al/><al>BIJLAGEN </al><al/><al>BIJLAGEN 1 t/m 6 Vervallen </al><al/><al/><al>BIJLAGE 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen </al><al/><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 </al><al/><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: </al><al>a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979); </al><al>b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979); </al><al>c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen'; </al><al>d. NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem' (Engelstalig); </al><al>e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999 – Deel 1. Eisen (Engelstalig)'; </al><al>f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername
                    (Engelstalig); </al><al>g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3. Beproevingsmethoden
                    (Engelstalig). </al><al/><al/><al>BIJLAGE 8 Vervallen </al><al/><al/><al>BIJLAGE 9 Reglement van orde van de welstandscommissie </al><al/><al>Hoofdstuk 1 Advisering door de commissie </al><al/><al>De raad wijst de SRE Milieudienst aan als welstandscommissie (hierna te noemen:
                    de commissie). De commissie brengt aan het college advies uit over de vraag of
                    het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd zijn met redelijke
                    eisen van welstand. De welstandscommissie voert haar taak uit in
                    onafhankelijkheid. </al><al/><al> Hoofdstuk 2 Samenstelling en benoeming </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een
                    voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste twee leden deskundig zijn op
                    het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. </al><al><vet>rtikel 2.2</vet></al><al>Een van de deskundige leden is secretaris van de commissie, de rayonarchitect
                    van de SRE Milieudienst. </al><al><vet> Artikel 2.3 </vet></al><al>Voor de leden kunnen plaatsvervangend leden van de commissie van de SRE
                    Milieudienst als respectievelijke plaatsvervangers optreden. </al><al><vet> Artikel 2.4 </vet></al><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen als ten minste twee
                    deskundige leden aanwezig zijn. </al><al><vet>Artikel 2.5 </vet></al><al>De voorzitter, de leden en plaatsvervangend leden zijn onafhankelijk van het
                    gemeentebestuur. </al><al><vet>Artikel 2.6</vet></al><al>De commissie kan zich bij de uitoefening van haar taak laten bijstaan door
                    personen met deskundigheid in andere, aanverwante disciplines zoals
                    landschapskunde, beeldende kunst etc. Deze personen worden, in overleg met de
                    betreffende gemeente, ter advisering van een bijzonder plan waarvoor de inbreng
                    van specifieke deskundigheid gewenst wordt geacht, door de SRE Milieudienst voor
                    de vergadering van de commissie uitgenodigd. </al><al><vet>Artikel 2.7</vet></al><al>De SRE Milieudienst doet elke nieuwe zittingstermijn een voordracht voor
                    commissieleden en hun plaatsvervangers aan burgemeester en wethouders. De
                    gemeenteraad benoemt en ontslaat de leden van de commissie en hun
                    plaatsvervangers door in te stemmen met de voordracht. </al><al><vet> Artikel 2.8 </vet></al><al>De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van ten hoogste
                    drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. </al><al><vet> Artikel 2.9 </vet></al><al>Bij afwezigheid van een extern commissielid treden plaatsvervangers op in de
                    commissievergadering. </al><al/><al> Hoofdstuk 3 Taken van de commissie </al><al/><al>De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid,
                    zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 3.1 Wettelijke taken </cursief></al><al><vet>Artikel 3.1.1 </vet></al><al>De welstandscommissie adviseert het college over de welstandsaspecten van een
                    bouwplan in verband met de toetsing aan artikel 2.10 eerste lid, onderdeel d,
                    van de Wabo en artikel 12 en 12a van de Woningwet. </al><al><vet>Artikel 3.1.2</vet></al><al> Ontvankelijke aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                    worden in de regel binnen twee weken na behandeling van een welstandsadvies
                    voorzien. </al><al><vet>Artikel 3.1.3 </vet></al><al>De commissie legt de gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor van de door
                    haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen
                    op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste
                    één maal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek
                    plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie.
                        </al><al/><al><cursief>Paragraaf 3.2 </cursief><cursief>Niet wettelijk
                        verplichte taken</cursief></al><al><vet>Artikel 3.2.1</vet></al><al>Beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor reclames (inzake de
                    gemeentelijke APV). </al><al><vet>Artikel 3.2.2</vet></al><al>Het voeren van, op verzoek van gemeente of aanvrager noodzakelijk geacht,
                    overleg met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. Dit overleg vindt
                    plaats onder regie van de gemeente. </al><al><vet> Artikel 3.2.3</vet></al><al>Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de welstandsaspecten van in
                    voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen,
                    beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                    beleidsstukken. </al><al><vet>Artikel 3.2.4</vet></al><al>Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen
                    die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. </al><al><vet>Artikel 3.2.5</vet></al><al> Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het
                    uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn.
                        <vet>Artikel 3.2.6</vet></al><al>Voorlichting geven inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, B&amp;W en
                    burgers. </al><al><vet>Artikel 3.2.7</vet></al><al>Het desgevraagd adviseren op basis van welstandseisen op zienswijzen,
                    bezwaarschriften etc. </al><al><vet>Artikel 3.2.8</vet></al><al>Adviseren over een herziening van de welstandsnota. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 3.3 Taakomschrijving commissieleden</cursief></al><al><vet> Artikel 3.3.1</vet></al><al>De leden van de commissie (voorzitter en leden) worden geselecteerd op de
                    noodzakelijk geachte deskundigheid en zijn onafhankelijk. </al><al><vet>Artikel 3.3.2</vet></al><al> De secretaris, de rayonarchitect van de welstandscommissie voert als
                    gemandateerd lid van de commissie het (eerste) vooroverleg met de planindieners,
                    ontwerpers en andere belanghebbenden. </al><al><vet>Artikel 3.3.3</vet></al><al> De voorzitter, een deskundige met bestuurlijke ervaring, is
                    verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de
                    advisering. De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de
                    voortgang van de agenda. Hij/ zij ziet toe dat de commissie adviseert binnen de
                    kaders van het gemeentelijke welstandsbeleid. </al><al><vet>Artikel 3.3.4</vet></al><al>Tijdens de vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/ gastvrouw voor alle
                    aanwezigen. Hij/ zij licht de vergaderorde toe en informeert wie van de
                    aanwezigen bij een agendapunt wil toelichten. Na de fase van de toelichtingen
                    (secretaris/ externe toelichters) wordt deze afgerond en begint de fase van de
                    beraadslaging, een fase waaraan alleen de leden van de commissie deelnemen. De
                    voorzitter draagt er zorg voor dat na de inhoudelijke discussie een voor alle
                    aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven, resulterend in een
                    conclusie. </al><al><vet>Artikel 3.3.5</vet></al><al>De voorzitter ziet er op toe dat, in het geval dat één van de leden van de
                    commissie op een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bouwplan,
                    dit lid in voorkomend geval niet zal deelnemen aan de beraadslagingen en zo
                    mogelijk zal worden vervangen. </al><al><vet>Artikel 3.3.6</vet></al><al> Bij het overleg met de gemeente en de pers treedt de voorzitter namens de
                    commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse
                    inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie
                    worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie. </al><al/><al>Hoofdstuk 4 Werkwijze gemeente </al><al/><al><vet>Artikel 4.1</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen advies vragen over alle plannen waarvoor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd. De daartoe door
                    burgemeester en wethouders aangewezen afdeling of ambtenaar draagt er zorg voor
                    dat de commissie inzicht heeft in de planologische aanvaardbaarheid van het
                    plan, en bij strijdigheid met planologische aspecten inzicht heeft in de aard
                    van de strijdigheid. </al><al><vet>Artikel 4.2</vet></al><al> De daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen afdeling of
                    ambtenaren controleren of plannen voldoen aan de indieningsvereisten.
                        <vet>Artikel 4.3</vet></al><al>De gegevens, en zo mogelijk ook de bescheiden, worden voor aanvang van de
                    vergadering digitaal aan de commissie aangeleverd. </al><al/><al>Hoofdstuk 5 Jaarlijkse verantwoording </al><al/><al><vet>Artikel 5.1 Verslag burgemeester en wethouders</vet></al><al>Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad één maal per jaar een verslag
                    voor waarin zij uiteenzetten: </al><lijst><li nr=""><al>op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de commissie;</al></li><li nr=""><al>in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de commissie voor advies
                            hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing
                            hebben gegeven aan de welstandstoets;</al></li><li nr=""><al>in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op grond van
                            art. 19 Ww 2002 zijn overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten
                            tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van
                            het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen bepaalde termijn,
                            en</al></li><li nr=""><al>in welke categorieën van gevallen zij bij of na de aanschrijving op
                            grond van art 19 Ww 2002 zijn overgegaan tot toepassing van
                            bestuursdwang op grond van art. 26 Ww 2002. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.2 Evaluatie welstandsbeleid</vet></al><al>Naar aanleiding van het verslag evalueert de commissie het toegepaste
                    welstandsbeleid met de verantwoordelijke portefeuillehouders van de gemeenten. </al><al/><al>Hoofdstuk 6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting </al><al/><al><vet>Artikel 6.1</vet></al><al>De behandeling van bouwplannen door de commissie is openbaar. De agenda voor de
                    vergadering van de commissie wordt minimaal 1 dag van tevoren bekend gemaakt.
                    Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager -
                    een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                    wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                    openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel
                    voor de toelichtingen, beraadslagingen, de beoordelingen als de adviezen. </al><al><vet>Artikel 6.2</vet></al><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het
                    indienen van de aanvraag heeft verzocht, wordt deze door of namens de commissie
                    in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. </al><al><vet>Artikel 6.3</vet></al><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld
                    en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de gemeente een uitnodiging te
                    ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                    behandeld. </al><al><vet>Artikel 6.4</vet></al><al> Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij B&amp;W deze
                    belanghebbenden hiertoe in de gelegenheid stellen. In deze gevallen wordt de
                    behandeling van het bouwplan ten minste 10 dagen van tevoren aangekondigd om
                    deze belanghebbenden in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden. </al><al/><al> Hoofdstuk 7 Afdoening bij mandaat </al><al/><al><vet>Artikel 7.1</vet></al><al> De commissie kan de advisering over een aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen om advies mandateren aan een of meerdere
                    daartoe aangewezen leden of plaatsvervangend leden. </al><al><vet> Artikel 7.2</vet></al><al>Bouwplannen waarvan volgens het lid/de leden het oordeel van de commissie als
                    bekend mag worden verondersteld, worden door het lid/de leden geadviseerd. </al><al><vet> Artikel 7.3 </vet></al><al>In elk geval van twijfel legt/leggen de gemandateerde/gemandateerden het
                    bouwplan alsnog voor aan de commissie. </al><al><vet>Artikel 7.4</vet></al><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en
                    wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet
                    openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                    wethoudersdaaraan klemmende redenen op grond van artikel 10
                    Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. </al><al/><al>Hoofdstuk 8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </al><al/><al><vet> Artikel 8.1</vet></al><al> De commissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk in heldere
                    en duidelijk toetsbare bewoordingen. </al><al><vet>Artikel 8.2</vet></al><al>Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente achtergelaten, of zo
                    spoedig mogelijk na de vergadering ondertekend toegestuurd aan de gemeente. </al><al><vet>Artikel 8.2</vet></al><al>Zodra het advies is uitgebracht wordt het door of namens burgemeester en
                    wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. </al><al><vet>Artikel 8.3 </vet></al><al>De commissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                    burgemeester en wethouders over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing van
                    een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de
                    omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met
                    redelijke eisen van welstand’ (art. 12, lid 1 Ww 2002). Dit wordt beoordeeld aan
                    de hand van de criteria die daartoe door de gemeenteraad zijn vastgesteld. </al><al><vet>Artikel 8.4</vet></al><al>Een welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben: </al><al/><al><cursief>Voldoet</cursief></al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst
                    motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al><al><cursief>Voldoet mits (voldoet niet tenzij) </cursief>De commissie is van
                    oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria, tenzij
                    tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De commissie
                    omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het
                    geval burgemeester en wethoudershet advies overnemen,
                    krijgt de aanvrager voor zover dit nog past binnen de beschikbare
                    vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de
                    bezwaarpunten tegemoet te komen. </al><al><cursief>Voldoet niet</cursief> De commissie is van oordeel dat het
                    bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een negatief standpunt
                    houdt in dat indien burgemeester en wethoudershet advies
                    overnemen, het bouwplan ingrijpend zal moeten worden gewijzigd. Adviseert de
                    commissie negatief dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze
                    omvat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van
                    toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van
                    het plan op die punten. </al><al><cursief>Aanhouden </cursief>De commissie kan het advies aanhouden – de daartoe
                    door burgemeester en wethouders aangewezen afdeling of ambtenaar geeft aan of en
                    hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningstermijn - wanneer meer
                    informatie of een nadere toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk
                    is. </al><al/><al/><al>Hoofdstuk 9 Afwijken van het advies, afwijken van de criteria </al><al>Burgemeester en wethoudersvolgen in hun oordeel in principe
                    het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende
                    uitzonderingsmogelijkheden: </al><al/><al><vet>Artikel 9.1 Afwijken van het advies op inhoudelijke grond <cursief>/
                        </cursief>second opinion</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies
                    van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de
                    welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                    geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft
                    toegepast. Indien burgemeester en wethoudersbij een
                    aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen op inhoudelijke grond tot
                    een ander oordeel komen dan de commissie, dan vragen zij voordat het besluit op
                    de vergunningaanvraag wordt genomen, maar binnen de daarvoor geldige
                    afhandelingtermijn, een second opinion aan bij een van de andere
                    adviescommissies van de SRE Milieudienst. Het advies van deze commissie speelt
                    een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders.
                    Indien het advies van de reguliere commissie en de second opinion tegengesteld
                    zijn en burgemeester en wethoudersop inhoudelijke grond
                    afwijken van het advies van de reguliere commissie wordt dit in de beslissing op
                    de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De reguliere
                    commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. </al><al/><al><vet> Artikel 9.2 Afwijken van het advies om andere redenen </vet></al><al>Burgemeester en wethouders krijgen volgens artikel 2.10 lid d Wabo, de
                    mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van
                    welstand, toch de omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen indien zij van
                    oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of
                    maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van
                    de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie wordt
                    hiervan op de hoogte gesteld. Burgemeester en wethouders zullen uiterst
                    terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke
                    kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of
                    maatschappelijke belangen. </al><al/><al><vet> Artikel 9.3 Afwijken van de criteria </vet></al><al>De welstandscommissie kan bij haar advisering afwijken van het welstandsbeleid.
                    Dit kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies bij
                    plannen die weliswaar niet voldoen aan enige gebiedsgerichte of objectgerichte
                    welstandscriteria maar wel aan redelijke eisen van welstand, dit te beoordelen
                    aan de hand van de algemene welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de
                    beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning eveneens gemotiveerd. </al><al>Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de
                    welstands-commissie voor een bepaald plan aanleiding ziet tot afwijken van het
                    beleid, zal zij burgemeester en wethouders in haar advies
                    daarover informeren. </al><al/><al/><al><vet>BIJLAGEN 10 t/m 12 Vervallen</vet></al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>