<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR89801_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2010, 49</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorziening maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning, artikel 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB10.0165</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011, in werking getreden 01-01-2011</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo 2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Den Helder;</al></li><li nr="b."><al>De wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>Belanghebbende: een persoon met een verstandelijke of
                                    lichamelijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                                    psychosociaal probleem;</al></li><li nr="d."><al>Beperking: in de International Classification of Functions,
                                    Disabilities and Impairments (ICF) beschreven problemen met
                                    lichamelijke, chronisch- psychische of psychosociale aard, die
                                    een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten op het
                                    gebied van: </al><lijst><li nr="-"><al>het voeren van een huishouden;</al></li><li nr="-"><al>het normale gebruik van een woning;</al></li><li nr="-"><al>het verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="-"><al>het verplaatsen per vervoermiddel; of</al></li><li nr="-"><al>het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan
                                            aangaan van sociale verbanden;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon die mantelzorg verleent als bedoeld in
                                    artikel 1, lid 1 onder b van de wet;</al></li><li nr="f."><al>Zelfwerkzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                                    financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan
                                    het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken; </al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zondanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoerssystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijk leven;</al></li><li nr="h."><al>Huishoudelijke voorziening: een voorziening ter ondersteuning
                                    bij of ter overname van activiteiten op het gebied van het
                                    verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel de
                                    leefeenheid waartoe een persoon behoort;</al></li><li nr="i."><al>Rolstoelvoorziening: een voorziening, waarvan het rijden de
                                    primaire functie is en die de belanghebbende in staat stelt zich
                                    in en om de woning te verplaatsen;</al></li><li nr="j."><al>Woonvoorziening: een voorziening die de belanghebbende in staat
                                    stelt tot het normale gebruik van de woning, niet zijnde een
                                    huishoudelijke- of rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="k."><al>Vervoersvoorziening: voorziening die de belanghebbende in staat
                                    stelt zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="l."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="m."><al>Eigen bijdrage: een bijdrage, die bij de verstrekking van een
                                    voorziening voor rekening van de belanghebbende komt;</al></li><li nr="n."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de
                                    belanghebbende een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan
                                    verwerven en waarop de in deze verordening en daarop rusterende
                                    regelgeving te stellen regels van toepassing zijn; </al></li><li nr="o."><al>Budgethouder: een persoon aan wie als gevolg van deze
                                    verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan
                                    het college verantwoording is verschuldigd over de besteding van
                                    het persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="p."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="q."><al>Algemeen gebruikelijk: hetgeen naar in het maatschappelijk
                                    verkeer geldende opvattingen voor de belanghebbende als gangbaar
                                    bezit of gangbare uitgaven wordt aangemerkt;</al></li><li nr="r."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven
                                    voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten
                                    van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="s."><al>Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage,
                                    gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van de
                                    voorziening door de aanvrager wordt bespaard omdat deze
                                    verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening
                                    vervangt of kan vervangen;</al></li><li nr="t."><al>Inkomen: onder inkomen wordt verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>Het netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag;</al></li><li nr="-"><al>Het gezamenlijk netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag
                                            van de belanghebbende en diens partner in de zin van
                                            artikel 1 van de wet;</al></li><li nr="-"><al>Het gezamenlijk netto-inkomen van de ouders of
                                            pleegouders, inclusief vakantietoeslag, van de
                                            belanghebbende die jonger is dan 18 jaar en geen partner
                                            heeft in de zin van artikel 1 van de wet;</al></li><li nr="-"><al>en overigens met inachtneming van het bepaalde in
                                            artikel 2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                            Gemeente Den Helder 2011;</al></li></lijst></li><li nr="u."><al>Norminkomen: de op grond van paragraaf 3.2 Wet werk en bijstand,
                                    op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                    verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 Wet werk en
                                    bijstand, door het college vastgestelde verhoging of verlaging
                                    of, de op grond van hoofdstuk 4 van de Wet investeren in
                                    jongeren van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd
                                    met de op grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde
                                    verhoging of verlaging;</al></li><li nr="v."><al>Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet
                                    behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk
                                    om de woning van de belanghebbende vanaf de toegang tot de
                                    woning te bereiken;</al></li><li nr="w."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    wet en de Awb.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een voorziening kan aan een belanghebbende pas worden toegekend
                                    indien deze als gevolg van beperking niet in aanvaardbare mate
                                    in staat is om:</al><lijst><li nr="-"><al>een huishouden te voeren;</al></li><li nr="-"><al>zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="-"><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="-"><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                            contacten aan te gaan.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een voorziening kan pas worden toegekend indien:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>de voorziening langdurig noodzakelijk is; minimaal zes maanden
                                    tenzij het huishoudelijke hulp betreft;</al></li><li nr="b."><al>de voorziening naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                    goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende, die aanspraak maakt op de voorziening staat
                                    ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie als inwoner
                                    van de gemeente Den Helder;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening in overwegende mate op het individu is
                                    gericht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Een voorziening wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen gesteld bij
                                    of krachtens de wet;</al></li><li nr="b."><al>er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere
                                    wettelijke bepaling, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening voor de belanghebbende algemeen gebruikelijk
                                    is;</al></li><li nr="d."><al>de gevraagde voorziening al eerder krachtens de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten (Wvg) of de wet is verleend en de
                                    normale afschrijvingsduur voor die voorziening nog niet is
                                    verstreken, tenzij de eerder verleende voorziening geheel of
                                    gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                    die niet aan de belanghebbende zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="e."><al>de gevraagde voorziening betrekking heeft op een hoger niveau
                                    dan het uitrustingsniveau van voorzieningen in sociale
                                    woningbouw;</al></li><li nr="f."><al>de gevraagde voorziening betrekking heeft op hotels/pensions,
                                    AWBZ-instelling, trekkerswoonwagens, kloosters, vakantiewoningen
                                    en tweede woningen;</al></li><li nr="g."><al>de belanghebbende of mantelzorger verblijft in een instelling,
                                    gefinancierd vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                                    (AWBZ);</al></li><li nr="h."><al>de aanvraag betrekking heeft op kosten die gemaakt zijn
                                    voorafgaand aan de aanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de belanghebbende een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. De hoogte van de eigen bijdrage
                            is vastgelegd in het vigerende Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Wmo 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>Onverminderd wat in de wet is bepaald zijn, op grond van deze
                            verordening en de daarop van toepassing zijnde regelgeving, de volgende
                            verplichtingen van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld
                                    uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden
                                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                                    invloed zijn op de verlening van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>De belanghebbende is verplicht het college desgevraagd
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet, de verordening en de hierop van
                                    toepassing zijnde regelgeving;</al></li><li nr="c."><al>Het college stelt bij de uitvoering van deze wet, de verordening
                                    en de daarop van toepassing zijnde regelgeving, de identiteit
                                    van de belanghebbende vast aan de hand van een document als
                                    bedoelt in artikel 1, eerste lid van de Wet op de
                                    identificatieplicht;</al></li><li nr="d."><al>Het college stelt nadere verplichtingen aan de budgethouder
                                    wanneer een Persoonsgebonden budget (PGB) wordt verstrekt. Deze
                                    nadere verplichtingen zijn opgenomen in het vigerende Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als PGB. Het college stelt vast in welke
                            situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura
                            en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in
                            het vigerende Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011
                            neergelegde criteria en/of bepalingen in deze verordening genoemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen de
                            leverancier en de belanghebbende van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming zijn de voorwaarden,
                            uit deze verordening en het vigerende Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning Wmo 2011 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Persoonsgebonden budget (PGB)</titel></kop><al>Bij verstrekking van een PGB zijn de voorwaarden en verplichtingen van
                            toepassing, zoals opgenomen in het vigerende Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning Wmo 2011 van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Keuze</titel></kop><al>Aan de belanghebbende wordt, na indicatie, hulp bij het huishouden
                            geboden waarbij gekozen kan worden uit een voorziening in natura of een
                            PGB. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>Bij aanvraag voor huishoudelijke hulp wordt onderzocht in hoeverre de
                            belanghebbende een beroep kan doen op mensen in zijn of haar omgeving.
                            De (on) mogelijkheid van deze hulp wordt meegenomen in de
                            indicatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van de hulp</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op basis van het aantal geïndiceerde uren wordt hulp bij het
                                    huishouden toegekend. De omvang van de hulp wordt uitgedrukt in
                                    klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende
                                    uren kunnen worden toegekend:</al><al>Klasse 1 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></li><li nr="2."><al>Op advies van de zorgaanbieder kan, na toestemming van de
                                    gemeente, het aantal uren voor maximaal 8 weken worden
                                    uitgebreid. Deze uitbreiding kan alleen plaatsvinden binnen
                                    bovengenoemde klassen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Omvang van het persoongebonden budget</titel></kop><al>De bedragen die per uur in de vorm van een PGB worden verstrekt, worden
                            jaarlijks door het college vastgesteld en vastgelegd in het vigerende
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Voorwaarden toekenning PGB hulp bij het huishouden</titel></kop><al>Een PGB wordt alleen toegekend indien er sprake is van een
                            arbeidsovereenkomst en/of zorgovereenkomst op grond van de Wet op de
                            Loonbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vormen</titel></kop><al>De door het college te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    inrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een financiële tegemoetkoming voor de bouwkundige of
                                    woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie van een
                                    liftinstallatie in een woning;</al></li><li nr="e."><al>een financiële tegemoetkoming voor huurderving;</al></li><li nr="f."><al>een losse woonunit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Rechthebbenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening genoemd in artikel 15 kan slechts worden toegekend
                                aan de belanghebbende en wordt verstrekt aan belanghebbende tenzij
                                er sprake is van situaties als bedoeld in het tweede lid van dit
                                artikel, evenals bedoeld in de artikelen 18 lid 2, 20 en 22 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende geen eigenaar is van de woning wordt de
                                voorziening in artikel 15 onder b, in afwijking van het vorige lid,
                                verleend aan de eigenaar van de woning waarin de belanghebbende
                                verblijft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Primaat</titel></kop><al>Een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als
                            bedoeld in artikel 15 onder a van deze verordening, zonodig in
                            combinatie met andere woonvoorzieningen, zoals opgenomen in artikel 15
                            van deze verordening, heeft voorrang indien deze voorziening of deze
                            combinatie de goedkoopst adequate oplossing is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de belanghebbende
                                zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van voorgaand lid kan een woonvoorziening worden
                                getroffen voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de
                                belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid van dit artikel bedoelde woonruimte, met een door het
                                college vastgesteld maximum. Het maximum bedrag is opgenomen in het
                                vigerende Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Gemeenschappelijke ruimte</titel></kop><al>In afwijking van artikel 16 eerste lid van deze verordening kan het
                            college een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard in of aan
                            een gemeenschappelijke ruimte verlenen voor zover deze betrekking heeft
                            op automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Voorziening voor verhuizing en inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent een financiële tegemoetkoming voor verhuizing
                                en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 15a van deze verordening
                                indien de belanghebbende niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen.
                                Het maximum bedrag van deze tegemoetkoming is opgenomen in</al><al> het vigerende Besluit maatschappelijke ondersteuning WMO 2011.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de
                                belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen, wordt alleen
                                een woonvoorziening verstrekt ten aanzien van de meerkosten als
                                gevolg van de ondervonden beperkingen. De algemeen gebruikelijke
                                kosten van een verhuizing komen in deze situatie niet voor
                                vergoeding in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 16 lid 1van deze verordening, kan het
                                college een voorziening verstrekken aan een persoon, die op verzoek
                                van de gemeente, ten behoeve van de belanghebbende de woning
                                ontruimt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>Het college verleent slechts een voorziening voor onderhoud, keuring en
                            reparatie van een liftinstallatie indien deze is verstrekt op basis van
                            de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten, de WVG of de
                            WMO.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Tegemoetkoming voor huurderving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 15 lid 1 van deze verordening kan het
                                college voor de duur van maximaal 6 maanden een financiële
                                tegemoetkoming bij huurderving verstrekken aan de eigenaar van een
                                woning indien deze woning is aangepast voor meer dan € 5.000,00
                                teneinde deze woning ter beschikking of opnieuw ter beschikking van
                                een belanghebbende te laten komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt geen tegemoetkoming over de eerste maand van
                                huurderving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maandelijkse tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel kan het
                                bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 van de Wet op de huurtoeslag niet
                                overstijgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>De losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit het maken van een
                            slaapgelegenheid en/of natte cel op de begane grond (al dan niet in een
                            aanbouw), kan het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Beperkingen en weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een woonvoorziening op grond van dit hoofdstuk
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevraagde voorziening een gevolg is van de aard van de in de
                                    woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>de beperking of het probleem niet in de woning zelf (waartoe ook
                                    de toegankelijkheid van de woning wordt begrepen) worden
                                    ondervonden;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde verhuiskosten betrekking hebben op een verhuizing
                                    vanuit een woning waarin en waar omheen belanghebbende in staat
                                    is zich te verplaatsen, tenzij er een belangrijke reden voor de
                                    verhuizing bestaat;</al></li><li nr="d."><al>de gevraagde verhuiskosten betrekking hebben op een verhuizing
                                    en/of de acceptatie van de nieuwe woning plaatsgevonden heeft
                                    voordat het college een besluit heeft genomen, tenzij het
                                    college schriftelijk toestemming heeft verleend voor de
                                    verhuizing of die acceptatie;</al></li><li nr="e."><al>de gevraagde verhuiskosten betrekking hebben op een verhuizing
                                    naar een niet op dat moment beschikbare meest geschikte woning
                                    voor belanghebbende, tenzij het college toestemming heeft
                                    verleend voor die verhuizing;</al></li><li nr="f."><al>de gevraagde verhuiskosten betrekking hebben op een verhuizing
                                    naar een woning die niet geschikt is om het gehele jaar bewoond
                                    te worden;</al></li><li nr="g."><al>de gevraagde verhuiskosten betrekking hebben op een verhuizing
                                    naar een AWBZ-instelling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De woningeigenaar die een voorziening genoemd in artikel 15
                                    onder b heeft ontvangen van meer dan € 25.000,00 en die binnen
                                    een periode van 10 jaar, na de datum van gereedmelding van de
                                    werkzaamheden, de woning verkoopt is gehouden het college een
                                    deel van de voorziening terug te betalen;</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in het
                                    eerste lid is gelijk aan het bedrag van de voorziening na aftrek
                                    van € 25.000,00 verminderd met 10 procent per jaar;</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien de woning wordt
                                    verkocht aan de belanghebbende aan wie de voorziening is
                                    verleend of een andere belanghebbende die op grond van deze
                                    verordening een vergelijkbare voorziening is toegekend;</al></li><li nr="4"><al>De woningeigenaar als bedoeld in het eerste lid is verplicht om
                                    het college schriftelijk op de hoogte te stellen van de
                                    voorgenomen verkoop van de woning, zodat een eventuele vordering
                                    vastgesteld kan worden voordat de officiële verkoop plaats
                                    vindt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vormen</titel></kop><al>De door het college te verstrekken voorziening aan een belanghebbende
                            kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>Een vervoersbudget bestaande uit of:</al><lijst><li nr="1."><al>een forfaitair bedrag voor eigen vervoer, of </al></li><li nr="2."><al>(rolstoel) taxivervoer in de vorm van
                                            kilometertegoed;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Een aanpassing van een eigen auto;</al></li><li nr="c."><al>Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</al></li><li nr="d."><al>Een scootmobiel;</al></li><li nr="e."><al>Een driewielfiets of aanpassingen aan een fiets;</al></li><li nr="f."><al>Een training voor het gebruik van een scootmobiel dan wel
                                    buitenwagen;</al></li><li nr="g."><al>Een gehandicaptenparkeerplaats en/of kaart.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende kan eerst dan voor een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 26 in aanmerking komen, wanneer hij niet in
                                    staat is het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>De verlening van een vervoersbudget, zoals bedoeld in artikel 26
                                    onder a van deze verordening, eventueel in combinatie met andere
                                    vervoersvoorzieningen, heeft voorrang.</al></li><li nr="3."><al>Een belanghebbende kan eerst dan voor een scootmobiel, als
                                    bedoeld in artikel 26 onder d, in aanmerking komen als hij niet
                                    in staat is om 400 meter te lopen en niet in staat is gebruik te
                                    maken van een al dan niet speciaal uitgevoerde fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een inkomen meer dan 1,2 maal het norminkomen wordt het
                                    vervoersbudget, als bedoeld in artikel 26, a onder 1,
                                    gehalveerd.</al></li><li nr="2."><al>Bij een inkomen meer dan 1,35 maal het norminkomen wordt een
                                    vervoersvoorziening, zoals bedoeld in artikel 26, a onder 1,
                                    algemeen gebruikelijk geacht.</al></li><li nr="3."><al>Bij een inkomen meer dan 1,5 maal het norminkomen wordt een auto
                                    of een al dan niet gesloten buitenwagen (dit is een 45 km auto)
                                    als algemeen gebruikelijk geacht. Een auto of een al dan niet
                                    gesloten buitenwagen en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                                    onderhoudskosten komen niet in aanmerking voor een verstrekking
                                    of vergoeding. </al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Bij een inkomen meer dan 1,2 maal het norminkomen wordt het
                                    kilometertegoed verlaagd tot het aantal genoemd in artikel 16
                                    van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011.</al></li><li nr="5."><al>Bij een inkomen meer dan 1,35 maal het norminkomen wordt het
                                    kilometertegoed verlaagd tot het aantal genoemd in artikel 16
                                    van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt voor
                                maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de
                                verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van
                                het leven van alledag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het vervoersbudget op grond van artikel 26, a onder 1, is gebaseerd
                                op een maximum aantal te verrijden kilometers per kalenderjaar en is
                                opgenomen in artikel 16 van het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning Wmo 2011.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het kilometertegoed voor (rolstoel) taxivervoer op grond van artikel
                                26, a onder 2 en de reikwijdte van het aantal OV-zones is opgenomen
                                in artikel 16 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Wmo
                                2011.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het college kan bij beleidsregels nadere regels stellen met betrekking
                            tot de verstrekking van een invalidenparkeerkaart en/of
                            invalidenparkeerplaats. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Vormen</titel></kop><al>De door het college te verstrekken voorziening aan een belanghebbende
                            kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>Een rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>Een training voor het gebruik van een elektrische rolstoel;</al></li><li nr="c."><al>Een sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende kan in aanmerking komen voor een
                                    rolstoelvoorziening indien aantoonbare beperkingen op grond van
                                    ziekte of gebrek, inclusief psychische en psychosociale
                                    problemen, incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning
                                    noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond
                                    van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate
                                    oplossing bieden.</al></li><li nr="2."><al>Een belanghebbende kan voor een sportrolstoel in aanmerking
                                    komen indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.
                                </al></li><li nr="3."><al>Een belanghebbende die verblijft in een AWBZ-instelling kan
                                    uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking komen indien hij
                                    geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond van de
                                    AWBZ.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een voorziening dient te worden ingediend
                                    bij/via het zorgloket.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht
                                    direct ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs
                                    nodig is voor de uitvoering van de wet, de verordening en de
                                    daarop van toepassing zijnde regelgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Relatie met de AWBZ</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het zorgloket van de gemeente,
                            waarbij eveneens aanvragen zorg inzake de AWBZ kunnen worden
                            ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Inlichtingen en advies/externe deskundige</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Behalve de in artikel 5 onder a en b van deze verordening
                                    bedoelde inlichtingen- en medewerkingverplichting van
                                    belanghebbende, kan het college eveneens een aangewezen
                                    instantie om advies en (nader) onderzoek vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Belanghebbende nog niet eerder een aanvraag in het kader
                                            van deze verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen
                                            samenhangend af te stemmen op de situatie van de
                                            belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>Het college dat, gelet op de situatie van
                                            belanghebbende, noodzakelijk acht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij het onderzoek, zoals bedoeld in het vorig lid, wordt door de
                                    deskundige gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd
                                    in de ICF classificatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Heronderzoek</titel></kop><al>In verband met de voortzetting van het recht op een voorziening is het
                            college bevoegd regelmatig een heronderzoek te verrichten naar de van
                            belang zijnde omstandigheden en gegevens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Intrekking en herziening</titel></kop><al>Het college kan een genomen besluit geheel of gedeeltelijk intrekken
                            en/of herzien indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden en/of
                                    verplichtingen gesteld bij de wet, deze verordening en de daarop
                                    van toepassing zijnde regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                    als bedoeld in artikel 5 van deze verordening heeft geleid tot
                                    het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een
                                    voorziening;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>blijkt dat binnen zes maanden na toekenning van de financiële
                                    tegemoetkoming het budget niet is aangewend voor de bekostiging
                                    van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. </al></li><li nr="d."><al>anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag een vergoeding
                                    dan wel een financiële tegemoetkoming is verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Het college vordert, onverminderd het bepaalde in artikel 25 van deze
                            verordening, de geldwaarde van de voorziening in natura, het PGB dan wel
                            de financiële tegemoetkoming terug voor zover deze:</al><lijst><li nr="1."><al>ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="2."><al>anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de
                                    belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen</al><al> begrijpen;</al></li><li nr="3."><al>niet is aangewend voor de toegekende voorziening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende of de woningeigenaar afwijken van de bepalingen van
                                deze verordening, wanneer strikte toepassing daarvan tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en de op deze verordening van toepassing zijnde regelgeving
                            opgenomen bedragen verhogen of verlagen, conform de ontwikkelingen van
                            het indexeringspercentage van de consumentenprijsindex alle huishoudens
                            van het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na haar bekendmaking in werking met ingang van 1
                            januari 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening voorziening
                            maatschappelijke ondersteuning Wmo 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 november 2010.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning WMO 2011</titel></kop><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt, hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Wet maatschappelijke ondersteuning. Omdat
                    uit de verordening moet blijken waar belanghebbenden recht op hebben, zijn de
                    begripsomschrijvingen en de daarbij behorende toelichting overgenomen uit de wet
                    en opgenomen in de verordening.</al><lijst><li nr="c."><al>Het begrip “persoon met een beperking” is onder andere afkomstig uit de
                            verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen
                            kunnen worden getroffen. Daarnaast is vanuit de Wet voorzieningen
                            gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek” toegevoegd. In verband met de begrenzing van de
                            doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                            jurisprudentie op grond van de Wvg ten aanzien van dit onderdeel op dit
                            begrip van toepassing. Aan de formulering is een nieuwe doelgroep
                            toegevoegd: “personen met een chronisch psychisch of psychosociaal
                            probleem”. Deze doelgroep is afkomstig uit de AWBZ-regelgeving (Besluit
                            Zorgaanspraken).</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>De omschrijving van het begrip “mantelzorger” is ontleend aan de
                            begripsomschrijving van “mantelzorg” in artikel 1, eerste lid onderdeel
                            b van de wet.</al></li><li nr="h/k"><al> Het begrip voorziening wordt afgebakend tot de onderdelen die onder de
                            wet vallen, namelijk woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen,
                            rolstoelen en huishoudelijke ondersteuning. </al><al>Een woonvoorziening is elke voorziening die verband houdt met een
                            maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen
                            die een persoon ondervindt bij het normale gebruik van de woning, met
                            dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard
                            slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt indien
                            de voorziening is gericht op het opheffen of verminderen van
                            beperkingen.</al><al>Een vervoersvoorziening is een voorziening die gericht is op het
                            opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon ondervindt bij
                            het vervoer buitenshuis.</al><al>Een rolstoel is een voorziening die gericht is op het opheffen of
                            verminderen van beperkingen die een persoon ondervindt bij het zich
                            verplaatsen in en om de woning. Een rolstoel kan zowel handbewogen zijn
                            als elektrisch aangedreven. Een trippelstoel wordt niet als een rolstoel
                            beschouwd. Indien een rolstoel of scootmobiel uitsluitend bedoeld is
                            voor gebruik buitenshuis, is deze per definitie een
                            vervoersvoorziening.</al><al>Bij huishoudelijke ondersteuning gaat het om het verrichten van
                            huishoudelijke taken, zoals schoonmaken en het organiseren van het
                            huishouden. Het gaat <onderstreept>niet</onderstreept> om persoonlijke
                            verzorging van de belanghebbende zoals wassen, medicijnen klaarzetten en
                            steunkousen aantrekken. Persoonlijke verzorging valt onder de AWBZ.</al></li><li nr="l."><al>Voorzieningen in natura zijn voorzieningen die niet in de vorm van een
                            financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden verstrekt.
                            Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in </al><al>bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening.</al></li><li nr="m."><al>Met de eigen bijdrage wordt bedoeld de bijdrage die, bij de verstrekking
                            van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                            budget, voor rekening van de aanvrager komt. De bevoegdheid voor het
                            vragen van een eigen bijdrage (of eigen aandeel) in de kosten van een
                            voorziening vloeit voort uit artikel 15, eerste lid van de wet. De eigen
                            bijdrage kan worden afgestemd op het inkomen. In het vigerende Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning Gemeente Den Helder is de ruimte, die het
                            gemeentebestuur heeft voor het vaststellen van eigen bijdragen,
                            vastgelegd.</al></li><li nr="n."><al>Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag dat de belanghebbende
                            onder bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende
                            voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking over de diverse
                            voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt
                            plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Den
                            Helder.</al></li><li nr="o."><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het
                            begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de
                            beschikking krijgt over het budget en die over de besteding daarvan
                            verantwoording dient af te leggen.</al></li><li nr="p."><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een
                            bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende
                            vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de
                            kosten.</al></li><li nr="q."><al>Voorzieningen waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie,
                            ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken, worden als
                            algemeen gebruikelijk aangemerkt. Wat in een concrete situatie als
                            algemeen gebruikelijk is te beschouwen, hangt af van de geldende
                            maatschappelijke normen van het moment van aanvraag. Het gaat hierbij om
                            voorzieningen, die:</al><al>- in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al><al>- niet speciaal voor gehandicapten zijn bedoeld;</al><al>- niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel'.</al><al>Als voorbeelden kunnen worden genoemd: verhoogde toiletpotten,
                            eenvoudige handgrepen, eenhendelmengkranen en thermostatische kranen,
                            fietsen met hulpmotor of elektrische trapondersteuning en fietsen met
                            een lage instap.</al></li><li nr="r."><al>Het begrip “meerkosten” hangt samen met het begrip “algemeen
                            gebruikelijk”. De meerkosten zijn de kosten, die in een direct
                            oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                            beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in
                            artikel 1, eerste lid, onderdeel g, achtste volzin van de wet. Een met
                            de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking
                            of psychosociaal probleem heeft deze meerkosten per definitie niet,
                            omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de
                            bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als
                            de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 Voorwaarden</tussenkop><al/><tussenkop>lid 2, onderdeel a; langdurig noodzakelijk</tussenkop><al>Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan,
                    in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een
                    terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties
                    waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard. Kenmerk is
                    in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de
                    medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus
                    redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager.
                    In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de
                    betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal
                    kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een
                    wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval
                    opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch
                    adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een
                    langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor
                    langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel
                    gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is
                    verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van
                    situatie tot situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><al/><tussenkop>lid 2, onderdeel b; goedkoopst adequate voorziening </tussenkop><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn
                    (de kosten van de voorziening) een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om
                    gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij
                    een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
                    Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is
                    het prijsverschil uit eigen middelen te betalen.</al><al/><tussenkop>lid 2, onderdeel c: inschrijving GBA</tussenkop><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wvg, geen specifieke
                    bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in
                    de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over
                    “ingezetenen”. De bepaling is opgenomen om te voorkomen dat er aanvragen
                    binnenkomen van personen die niet in de gemeente wonen.</al><al/><tussenkop>lid 2, onderdeel d; op het individu gericht</tussenkop><al>De beperking van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Het individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. Dit neemt niet weg dat ook
                    een gemeenschappelijke voorziening een passende voorziening kan zijn. Een
                    voorbeeld van een voorziening met een individueel karakter waarvan ook anderen
                    gebruik kunnen maken is bijvoorbeeld een rolstoelpool voor incidenteel
                    rolstoelgebruik.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Weigeringgronden</tussenkop><lijst><li nr="b."><al>Indien een aanvrager bijvoorbeeld een rolstoel voor wonen en werken kan
                            krijgen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA),
                            dan is dat een voorliggende voorziening en wordt er geen rolstoel
                            verstrekt op grond van de wet. Deze bepaling geldt ook voor andere
                            hulpmiddelen en andere wet- en regelgeving, bijvoorbeeld de AWBZ en de
                            Wet op de jeugdzorg. Ook wat op grond van een verzekering of een
                            privaatrechtelijke overeenkomst wordt verstrekt valt onder deze
                            bepaling. Deze bepaling is een uitwerking van artikel 2 van de wet.</al></li><li nr="e."><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                            Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                            afgestemd, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit. Duurdere of andere
                            voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit levert een duidelijke
                            begrenzing. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau.
                            Ook bij huishoudelijke ondersteuning speelt deze bepaling een rol.
                            Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het
                            feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze
                            bepaling een duidelijke grens aan. In principe strekt de hulp bij het
                            huishouden tot het onderhouden van een woning met 1 badkamer, 1 toilet
                            en maximaal 3 slaapkamers.</al></li><li nr="h."><al>Onder h wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening
                            aanvraagt nadat deze al door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is.
                            Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening
                            volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed
                            heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                            voorziening worden geweigerd.</al><al> Bijvoorbeeld, pas nadat het college een beslissing over de aanvraag
                            voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt
                            met de werkzaamheden. Want pas op dat moment heeft het college alle op
                            de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan
                            een besluit genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig
                            mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college als
                            goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld
                            ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager
                            gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen
                            woning ergens anders, of een losse woonunit, waardoor een dure
                            woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. </al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een
                            verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in
                            aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging
                            heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de aanvrager tot
                            verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de
                            gemeente achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd, met een claim
                            voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                            gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen
                            omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen.
                            In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van
                            het college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager
                            voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente
                            te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de
                            feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                            onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een
                            verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of
                            erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 5 Verplichtingen</tussenkop><al/><al>a Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie direct gemeld dienen te
                    worden in al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te
                    verstrekken voorzieningen of op de hoogte van een financiële tegemoetkoming
                    danwel persoonsgebonden budget.</al><al/><al>b Het college is bevoegd de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en
                    om inlichtingen te vragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                    en te laten onderzoeken en/of om inlichtingen te vragen door een of meer daartoe
                    aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet
                    zijn van de aanvraag.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 6 Keuzevrijheid</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een verstrekking in natura, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren
                    bestaan op grond waarvan niet wordt overgegaan tot verstrekking van een
                    persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen om af te wegen in welke
                    gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen
                    persoonsgebonden budget te verstrekken (zoals het in stand kunnen houden van een
                    systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer).</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid,
                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Voorziening in natura</tussenkop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college
                    een derde inschakelt voor verstrekking van voorzieningen in natura en
                    laatstgenoemde de eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer
                    het college een derde inschakelt voor het verlenen van huishoudelijke
                    ondersteuning. Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard
                    niet een dergelijke overeenkomst nodig.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>De wijze waarop de hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt afgestemd op
                    het inkomen van de aanvrager wordt geregeld in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Den Helder. Om te waarborgen dat de verstrekte financiële
                    tegemoetkoming wordt besteed aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan
                    zaken die los staan van de doelen die met de wet worden beoogd, kunnen in de
                    beschikking voorwaarden worden opgenomen die verbonden zijn aan de verstrekking
                    van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling, die moet worden
                    bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze verordening, biedt
                    daartoe de mogelijkheid.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Persoonsgebonden budget (PGB)</tussenkop><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De in dit artikel genoemde bepaling
                    spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in artikel 6 van de wet.
                    Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in
                    beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget moet worden geboden.
                    Gemeenschappelijke voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld aan de tegenwaarde van de
                    te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er moet immers een
                    referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd.
                    ‘Goedkoopst adequaat’ is een objectief vaststelbaar referentiepunt. Ook kan een
                    aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de instandhoudingkosten van de
                    voorziening. Overigens kan de hoogte van het persoonsgebonden budget worden
                    afgestemd op het inkomen van de aanvrager (zie artikel 4 van de verordening).
                    Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling worden gegeven in
                    het Besluit voorzieningen Wmo 2009, dat door het college wordt vastgesteld. </al><al>Het college stelt de omvang van een persoonsgebonden budget vast. Het zal immers
                    gaan om een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor
                    verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de
                    rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze
                    richtlijnen vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Den Helder en in de beleidsregels. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 11 Gebruikelijke zorg</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voor zover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. De term “leefeenheid” is ontleend aan de AWBZ (Besluit
                    zorgaanspraken AWBZ). Onder het begrip leefeenheid wordt verstaan: een eenheid
                    bestaande uit gehuwden of met gehuwden gelijk te stellen personen die al dan
                    niet samen met een of meer andere personen (minderjarigen of meerderjarigen)
                    duurzaam een huishouden voeren.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Omvang van de hulp bij het huishouden</tussenkop><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan een minimaal
                    en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men
                    bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in
                    klasse 1. Mocht de hulp van de belanghebbende enigszins stijgen of dalen binnen
                    de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw te
                    worden geïndiceerd en beschikt. Voor de gemeente is dat een administratief
                    voordeel, voor de belanghebbende ook.</al><al>Bij de toekenning van huishoudelijke hulp krijgt de cliënt een beschikking met
                    het aantal geïndiceerde uren. Voor maximaal een periode van 8 weken kan meer
                    uren door de zorgaanbieder worden verstrekt, indien dit aantal uren binnen de
                    bepaalde klasse blijft.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Omvang van het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met
                    prijsindexering, zoals genoemd in artikel 38.</al><al/><tussenkop>Artikel 13a Voorwaarden toekenning PGB hulp bij het
                    huishouden</tussenkop><al>Per 1-1-2010 is het niet meer mogelijk dat zorgaanbieders zgn. Alphahulpen
                    inzetten als hulp bij het huishouden. Wanneer een hulpbehoevende nu kiest voor
                    zorg in natura dan krijgt men een hulp via de gecontracteerde zorgaanbieder.
                    Deze hulp is in dienst van de zorgaanbieder.</al><al>Kiest men voor een PGB dan wordt de hulpbehoevende werkgever van de door hem
                    gekozen hulp.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Vervallen</tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 15 Vormen van woonvoorzieningen</tussenkop><al/><lijst><li nr="a."><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de
                            verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste
                            of een goedkoper aan te passen woning dan de al bewoonde woning. Het
                            college maakt de afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in
                            de verhuiskosten en een woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus
                            ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de
                            Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de
                            ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan met
                            bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                            Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast en
                            dergelijke zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk
                            beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad
                            aangepaste woningen in de gemeente.</al></li><li nr="b."><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van
                            de woning zelf, die de problemen moet compenseren van een bewoner met
                            beperkingen. Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een
                            ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk met name een
                            persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden.
                            Ook bevat deze categorie hulpmiddelen voor baden, wassen en
                            douchen(welke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd) en
                            mobiele patiëntliften. Tilliften en losse douchestoelen worden in
                            principe in natura verstrekt zodat hergebruik mogelijk is.</al></li><li nr="d."><al>Voor deze kosten is een vergoeding mogelijk omdat deze kosten regelmatig
                            moeten worden gemaakt voor een reeks woonvoorzieningen (zoals
                            trapliften, deuropeners, beweegbare keukens en dergelijke) en soms
                            relatief hoog zijn. Het gaat hierbij vooral om voorzieningen die
                            (elektrisch) beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan optreden
                            waardoor de veiligheid van het gebruik van de voorziening niet langer
                            kan worden gegarandeerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>De gemeente kan er in uitzonderlijke gevallen toe overgaan om tegemoet
                            te komen aan de risico’s die een verhuurder loopt indien een persoon met
                            beperkingen een aangepaste woning verlaat en er niet binnen zes maanden
                            een geschikte kandidaat voor de woning gevonden wordt, door een bijdrage
                            in de kosten van huurderving of het verwijderen van voorzieningen te
                            geven. </al><al>Deze mogelijkheid moet ervoor zorgen dat er eerder medewerking van
                            verhuurders verkregen wordt. Voorkomen moet worden dat voorzieningen te
                            snel uit een woning worden verwijderd zonder dat voldoende tijd is
                            genomen om een geschikte kandidaat voor de woning te vinden.</al></li><li nr="f."><al>Onder de Wvg konden gemeenten woningaanpassingen duurder dan € 20.420,00
                            onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie van
                            Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de wet vervalt deze
                            mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de gemeente komen.
                            Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen
                            worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                            investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen
                            waarin dat niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van
                            losse woonunits. Wanneer in concrete situaties de mogelijkheid bestaat,
                            wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang
                                gegeven<cursief>.</cursief></al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 17 Primaat van de verhuizing</tussenkop><al>Al onder de Wvg gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningaanpassing
                    eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden.
                    Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een
                    uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst
                    adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de
                    verhuizing is onder de Wvg in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele
                    duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële
                    gevolgen van de verhuizing (gevolgen voor de woonlasten) binnen aanvaardbare
                    grenzen vallen. Verder moet duidelijk zijn dat de verhuizing kan worden
                    gerealiseerd binnen een medisch verantwoorde termijn. Dit betekent dat het
                    college zicht moet hebben op de mogelijkheden (woningvoorraad) om binnen de
                    medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste
                    of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten kunnen,
                    afhankelijk van de situatie, een rol spelen bij de afweging over het toepassen
                    van het primaat van de verhuizing in een concreet geval. </al><al/><tussenkop>Artikel 18 Hoofdverblijf</tussenkop><al>In tegenstelling tot de Wvg wordt in de wet niet expliciet vermeld dat de
                    gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de inwoners van de gemeente.
                    Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing in die richting door
                    vermelding van “ingezetenen”.</al><al>Onder de Wvg waren bewoners van een AWBZ-instelling uitgesloten van het recht op
                    woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door gemeenten
                    gemaakt voor het bezoekbaar maken van een woonruimte voor bezoek aan ouders of
                    andere familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de verordening. Omdat
                    met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wvg geregelde
                    zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken
                    ook weer in de verordening opgenomen in artikel 18. Verdere verplichtingen dan
                    hier genoemd in de verordening heeft de gemeente daarom niet. ‘Bezoekbaar maken’
                    wordt in de verordening gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte
                    zelf en enkele essentiële ruimten daarin.</al><al/><tussenkop>Artikel 22 Tegemoetkoming voor huurderving</tussenkop><al>In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald
                    percentage huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de verhuurder
                    het normale risico van leegstand loopt. Het is echter niet onredelijk dat de
                    gemeente enigszins tegemoet komt in de extra risico's die een verhuurder loopt
                    als gevolg van het feit dat er sprake van een aangepaste woning is. Door de
                    eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor gehandicapten.</al><al>Door het verstrekken van een tegemoetkoming in de kosten van huurderving deelt
                    de gemeente in de risico's van de verhuurder. Het zou niet redelijk zijn als een
                    van beide partijen het risico voor de volle 100% zou moeten lopen. Beide
                    partijen hebben er belang bij dat de woning op zo'n kort mogelijke termijn weer
                    verhuurd kan worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 De losse woonunit </tussenkop><al>Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen worden
                    verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de investering over
                    een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt,
                    wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. Vooral wanneer
                    er sprake is van het realiseren van een slaap en/of douchegelegenheid op de
                    begane grond in de woning of door middel van het realiseren van een aanbouw,
                    dient bekeken te worden of het plaatsen van een losse woonunit mogelijk is.
                    Wanneer in concrete situaties de mogelijkheid bestaat, wordt aan het gebruik van
                    een dergelijke unit voorrang gegeven<cursief>.</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 24 Beperkingen en weigeringgronden </tussenkop><lijst><li nr="c."><al>Onder c wordt de verhuizing van een adequate woning naar een inadequate
                            woning genoemd als weigeringgrond voor woonvoorzieningen. Niet de
                            ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning
                            is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. In
                            dergelijke situaties is er geen aanspraak op woonvoorzieningen. Deze
                            bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat
                            verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in
                            heeft. Uitzondering op deze bepaling is de zogeheten “belangrijke
                            reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege
                            samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk.</al></li><li nr="g."><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de
                            aanvrager buiten de doelgroep van de wet valt. Deze mensen kunnen immers
                            niet meer zelfstandig participeren, en hebben dus geen aanspraak op
                            woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de Wvg ook niet
                            hadden.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 25 Terugbetaling bij verkoop </tussenkop><al>Dit betreft een zogenaamde anti-speculatiebepaling. Deze bepaling heeft als doel
                    het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de waardestijging die
                    het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. De
                    datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum al vaststaat wat de
                    verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van de aanpassing
                    is. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een concrete
                    situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een afweging
                    dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling
                    (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 26 Vormen</tussenkop><al>a De gemeente Den Helder kent geen collectief vervoer. Maandelijks wordt een
                    vervoersbudget (forfaitair bedrag) verstrekt.</al><al/><tussenkop>Artikel 27 Aanspraak </tussenkop><al>Artikel 27, tweede lid, geeft het primaat van het vervoersbudget aan boven de
                    individuele verstrekkingen. Men kan voor individuele verstrekkingen in
                    aanmerking komen indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken
                    van het vervoersbudget.</al><al>Individuele verstrekkingen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van
                    het vervoersbudget worden toegekend. Dit is het geval wanneer het vervoersbudget
                    de vervoersbehoefte van de aanvrager, die een aanspraak heeft, niet volledig
                    dekt. Dit is met name van belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn
                    (mensen met een loopafstand van maximaal 100 meter). Alleen het vervoersbudget
                    is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 29 Omvang in gebied en in kilometers</tussenkop><al>Onder de Wvg is de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het
                    kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving. In verband
                    hiermee kunnen de tegoedbonnen voor gebruik (rolstoel)taxi alleen gebruikt
                    worden voor het vervoer in een straal van 5 OV-zones vanaf het eigen woonadres.
                    Het vervoer voor gehandicapten verder dan deze 5 OV-zones wordt geregeld door
                    Valys. </al><al>De wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c over “het zich lokaal verplaatsen
                    per vervoermiddel”. Dit lijkt nog beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de
                    Wvg, maar aangezien met de wet niet is beoogd de reikwijdte van de Wvg te
                    beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de
                    letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                    artikel 29, conform de onder de Wvg gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van
                    de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale
                    zorgplicht, zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wvg in dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen
                    de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal zo’n 1.500 kilometer af te
                    leggen.</al><al>Het aantal kilometers dat de gemeente Den Helder hanteert is maximaal 1774 per
                    kalenderjaar. Het aantal tegoedbonnen voor gebruik taxi is maximaal 208 per
                    kalenderjaar.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en rond de woning</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 31 Diverse typen rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al>Onder de Wvg waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen
                    opgenomen. In de WMO is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet
                    wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet
                    voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel
                    gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in
                    en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een
                    definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip
                    ‘rolstoel’ een rolstoel begrepen zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan
                    zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een (elektrische)
                    trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet
                    verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te
                    verstrekken voorzieningen. </al><al>Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen
                    als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                    lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                    voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                    onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                    vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingdoel, het verplaatsen, bijvoorbeeld omdat ze nodig zijn in verband
                    met therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Bij
                    aanpassingen en accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch noodzakelijke
                    en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. </al><al/><tussenkop>Artikel 32 Aanspraak </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen zoals krukken, een
                            rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                            verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel
                            worden verstrekt in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het
                            gebruik dagelijks noodzakelijk is. Indien de rolstoel niet noodzakelijk
                            is voor incidenteel gebruik, maar voor dagelijks zittend verplaatsen in
                            en om de woning, kan de rolstoel worden verstrekt als voorziening in
                            natura of als persoonsgebonden budget.</al></li><li nr="2."><al>Een sportrolstoel, in principe te verstrekken als een persoonsgebonden
                            budget, zal verstrekt worden indien zonder de sportrolstoel
                            sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het
                            begrip sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden.
                            Andere sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddel
                            aan een sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor
                            sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen nodig is.</al></li><li nr="3."><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners
                            bestaat alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”,
                            als de functie “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende
                            AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet,
                            is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente
                            een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de wet. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen
                            erkenning voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een
                            verzorgingshuis) de AWBZ-functie “behandeling” als het ware inkoopt bij
                            een voor die functie wél erkende instelling. Het “verzorgingshuis met
                            verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin in de
                            instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de
                            instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar
                            alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op
                            een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                            functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                            AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende
                            AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de
                            erkenning van de andere instelling. </al><al/></li></lijst><tussenkop>Hoofstuk 7 Het verkrijgen van voorzieningen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 35 Inlichtingen en advies/externe deskundige</tussenkop><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al><al>In tegenstelling tot wat er was bepaald in de Wvg is in de wet niet geregeld dat
                    er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering
                    van de wet echter onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs
                    aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de
                    verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer
                    adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een
                    eenduidige vermelding onmogelijk maakt. </al><al>Advies wordt, volgens lid 1, onder a, in ieder geval gevraagd wanneer het een
                    eerste aanvraag door de betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen
                    beoordelen of het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij
                    vooruitlopend op dit proces al eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen
                    te worden dan op het moment van de aanvraag nodig lijkt. Advies wordt in
                    principe gevraagd wanneer de situatie van de aanvrager niet duidelijk genoeg is. </al><al>Doorslaggevend is dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er
                    medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager. Het spreekt voor zich dat bij
                    overgang van AWBZ en Wvg naar de wet voor diegenen die al een voorziening hadden
                    niet gesproken wordt van eerste aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken
                    als een aanvrager in zijn geheel niet bekend is bij de wet.</al><al>In het bijzonder wanneer de aard en de prognose van de aandoening niet echt
                    duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige
                    aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is
                    wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot
                    invaliderende effecten voor de aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente
                    leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch)
                    moeilijk objectiveerbare aandoeningen.</al><al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                    Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al><al>De bepaling in lid 1, onder c, spreekt voor zich. Het is duidelijk dat gegevens
                    inzake de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere
                    gegevens noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. </al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag; zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Lid 2 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Dit is een
                    uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan
                    voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.Mede omdat bij
                    de indicatiestelling van de diverse functies in de AWBZ eveneens van deze
                    classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie
                    afstemming tussen de AWBZ en de wet vergemakkelijken.</al><al/><tussenkop>Artikel 37 Intrekking en herziening </tussenkop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening” (zie artikel 5) van groot belang om de voorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de
                    feiten.</al><al/><tussenkop>Artikel 38 Terugvordering </tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen over terugvordering van voorzieningen, die reden is
                    om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura), kan het
                    college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,00 en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. </al><al>Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten
                    baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij
                    moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een
                    procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van
                    inschakeling van een deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een PGB binnen zes maanden
                    na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening
                    waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat
                    hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de
                    vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen
                    zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt
                    nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 39 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 39 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Het gebruik maken van
                    de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><al/><tussenkop>Artikel 40 Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de verordening
                    gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Helder, te
                    indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde
                    normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. Landelijk zullen ook de bedragen van de eigen bijdragen
                    jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden
                    gewijzigd bij ministeriële regeling (AMvB). Het ligt voor de hand wijzigingen
                    tegelijkertijd hiermee door te voeren in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Den Helder.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>