<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR89764_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING COMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Bevelander</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=84">Gemeentewet, art. 84</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nvt</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bezwaarschriftencommissie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING COMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluitnummer 14 </al><al/><al>Vergadering d.d. 15 april 2010</al><al>Verzonden 7 april 2010</al><al/><al>Onderwerp </al><al>Verordening commissie bezwaarschriften 2010</al><al/><al>Registratienummer 10INT00202</al><al/><al/><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Goes;</al><al/><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van 7 april 2010;</al><al/><al>gelet op de bepalingen van </al><lijst><li nr="-"><al>de Algemene wet bestuursrecht (Awb),</al></li><li nr="-"><al>de Gemeentewet,</al><al/></li></lijst><al>b e s l u i t e n : </al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening commissie bezwaarschriften 2010</vet></al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften;</al></li><li nr="c."><al>kamer: een kamer als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>voorzitter: de voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 3 van
                                deze verordening en</al></li><li nr="e."><al>secretaris: de secretaris van een kamer als bedoeld in artikel 3 van
                                deze verordening.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                                tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                                zijn ingediend tegen besluiten op grond van een wettelijk
                                voorschrift inzake belastingen of de Wet waardering onroerende
                                zaken.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit twee kamers, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>een sociale kamer, belast met de advisering over
                                        bezwaarschriften op het gebied van sociale zaken, zorg en
                                        dergelijke en</al></li><li nr="b."><al>een algemene kamer, belast met de advisering over de overige
                                        bezwaarschriften.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Elke kamer bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitters en de leden worden, op voorstel van het college, door
                                de raad benoemd, geschorst en ontslagen.</al></li><li nr="4."><al>De raad benoemt overeenkomstig het derde lid een genoegzaam aantal
                                plaatsvervangende leden.</al></li><li nr="5."><al>De voorzitters en de (plv.) leden van de kamers kunnen geen deel
                                uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een
                                bestuursorgaan van de gemeente Goes.</al></li><li nr="6."><al>Elke kamerregelt de vervanging van haar voorzitter.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De secretarissen van de kamerszijn door het college aangewezen
                                ambtenaren.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                                secretarissen aan.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitters en de leden van de kamersworden benoemd voor
                                een termijn van vier jaar. Het is mogelijk een keer herbenoemd te
                                worden.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitters en de leden van de kamerskunnen op elk moment
                                ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het
                                college.</al></li><li nr="3."><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitters of leden van de kamers
                                blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                aangetekend.</al></li><li nr="2."><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo
                                spoedig mogelijk in handen van de voor de advisering daarover in
                                aanmerking komende kamer van de commissie gesteld.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>De commissie onderzoekt of de zaak in de minne kan worden geschikt alvorens
                        de zaak in behandeling wordt genomen. De secretaris verricht daartoe de
                        nodige handelingen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de kamer:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17, voorzover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de kamer;</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de kamer is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                                inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de kamer
                                bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                                uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                                kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                vereist.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de kamer bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                                van de kamerwaarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan
                                in de gelegenheid worden gesteld zich door de kamer te laten
                                horen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                Awb.</al></li><li nr="3."><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien
                                van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en
                                het verwerend orgaan.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de kamer nodigt de belanghebbenden en het
                                verwerend orgaan ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk
                                uit.</al></li><li nr="2."><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                                verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken
                                het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                                week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het
                                verwerend orgaan meegedeeld.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken
                                of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het
                                eerste tot en met het derde lid.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting van de kameris vereist dat de
                        meerderheid van het aantal leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of
                        zijn plaatsvervanger, aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitters en de leden van de kamers nemen niet deel aan de behandeling
                        van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan
                        zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zittingvan de sociale kamer is besloten. De zitting van de
                                algemene kamer is openbaar voor zover het de behandeling van
                                bezwaarschriften betreft die geen betrekking hebben op rechtspositie
                                – en andere regelingen voor het gemeentelijk personeel. Behandeling
                                van deze bezwaarschriften vindt in een besloten zitting plaats.</al></li><li nr="2."><al>De deuren van de algemene kamer kunnen worden gesloten indien de
                                voorzitter van de kamer of een van de aanwezige leden
                                daarvanhet nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe
                                een verzoek doet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de kamer vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                                zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de
                                zitting achter gesloten deuren plaats.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen
                                van de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren
                                plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                                het verslag hiervan melding.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                                die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verslag wordt, zo nodig, apart ondertekend door de voorzitter en
                                de secretaris van de kamer.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                voorzitter van de kamer uit eigen beweging of op verlangen van de
                                andere kamerleden dit onderzoek houden.</al></li><li nr="2."><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                                aan de leden van de kamer, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de kamer, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                                kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                                voorzitter van de kamer een verzoek richten tot het beleggen van een
                                nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo’n verzoek.</al></li><li nr="4."><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                                betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kamerberaadslaagt en beslist achter gesloten deuren over
                                het door haar uit te brengen advies.</al></li><li nr="2."><al>De kamer beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen
                                advies.</al></li><li nr="3."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                                voorzitter van de kamer.</al></li><li nr="4."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt in het advies melding gemaakt
                                indien die minderheid dat verlangt.</al></li><li nr="5."><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                beslissing op het bezwaarschrift.</al></li><li nr="6."><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de kamer
                                ondertekend.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                                artikel 15 en eventueel door de kamer ontvangen nadere informatie en
                                nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                                bezwaarschrift dient te beslissen.</al></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de kamer de termijn
                                van twaalf weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb,
                                ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies
                                en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan
                                tijdig de beslissing te verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de leden van de
                                adviserendekamer en de belanghebbende(n) een afschrift.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Uitbrengen jaarverslag</titel></kop><al>De kamers van de commissie brengen gezamenlijk jaarlijks voor 1 juli aan de
                        bestuursorganen van de gemeente schriftelijk verslag uit van hun
                        werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt op 1 mei 2010 in werking. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Bezwaarschriften die voor het moment van het in werking treden van deze
                        verordening bij de raad, het college of de burgemeester van de gemeente Goes
                        zijn ingediend, worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van de toen
                        geldende verordening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                        bezwaarschriften.</al><al/><al>II.De Verordening commissie bezwaarschriften, vastgesteld op 23 augustus
                        2007, in te trekken.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Goes in zijn openbare</ondertekening><ondertekening>vergadering van 15 april 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. J.W. Scherpenzeel. drs. D.J. van der Zaag.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label/><nr/><titel><cursief>Toelichting Verordening commissie
                    bezwaarschriften</cursief></titel></kop><al><vet>A. Algemene toelichting</vet></al><al/><al><vet>Opbouw commissie</vet></al><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is het
                    dat de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester
                    hebben deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen
                    van de commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen één en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><al/><al>Indertijd is gekozen voor de instelling van een onafhankelijke hoor- en
                    adviescommissie waarvan niet alleen de voorzitter, maar ook de leden géén deel
                    uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een gemeentelijk
                    bestuursorgaan. Daarmee werd een mogelijke schijn van partijdigheid vermeden,
                    een objectieve behandeling van bezwaarschriften in de ruimste zin des woords
                    mogelijk en aangesloten bij de voorgestane open bestuurscultuur. </al><al>Deze gedachtevorming is nog steeds actueel. </al><al/><al>Met deze verordening behoort de advisering over alle bezwaarschriften tegen
                    besluiten afkomstig van de afdelingen Samenleving, Vergunningen en Handhaving,
                    Sociale zaken, Stadsontwikkeling, Publiekszaken en Personeel en Organisatie tot
                    het takenpakket van de commissie. Dit overigens met uitzondering van
                    bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van een wettelijk
                    voorschrift inzake belastingen of de Wet waardering onroerende zaken. Daarvoor
                    gelden andere en afwijkende regels en procedures.</al><al/><al>Ten behoeve van de werkverdeling (kennis en hoeveelheid) is het noodzakelijk om
                    de commissie op te delen in kamers. Daarbij is nu gekozen voor één sociale - en
                    één algemene kamer. </al><al>De rechtspositionele kamer - de kamer die was belast met de advisering over
                    bezwaarschriften betreffende rechtspositie - en andere regelingen voor het
                    gemeentelijk personeel - is opgegaan in de algemene kamer. Geschillen over
                    personele aangelegenheden kwamen namelijk verhoudingsgewijs (gelukkig) heel
                    weinig voor. Eenvoudiger en praktischer is het dan ook om in voorkomende
                    gevallen de behandeling van daarop betrekking hebbende bezwaarschriften in te
                    plannen in de reguliere vergadercyclus van de algemene kamer. De kamer waarvan
                    wordt ingeschat dat bij de leden over de voor de advisering daarover benodigde
                    deskundigheid kan worden beschikt.</al><al>Daarnaast leert de praktijk dat de aantallen en soorten bezwaarschriften niet
                    van dien aard zijn dat de mogelijkheid van meerdere sociale – en algemene kamers
                    behouden moet blijven.</al><al/><al>De sociale kamer adviseert over de afwikkeling van bezwaarschriften op het
                    gebied van sociale zaken, zorg en dergelijke. Aan de algemene kamer dienen de
                    overige bezwaarschriften ter advisering te worden voorgelegd. </al><al/><al>De instelling van de kamers is rechtstreeks aan de raad zelf overgelaten.</al><al/><al><vet><cursief>Bestuursorgaan</cursief></vet></al><al>Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 19 maart
                    2003, LJN AF6023. is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een
                    adviescommissie is maar ook een bestuursorgaan. In deze Verordening zijn regels
                    opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De raad, het
                    college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee zeggenschap
                    over de wijze waarop de commissie haar adviestaak uitoefent. Zo kunnen afspraken
                    met de commissie worden gemaakt over de termijnen waarbinnen de
                    bezwaarschriftencommissie advies uitbrengt. In het kader van de Wet dwangsom en
                    beroep is het van belang dat de commissie op tijd adviseert, zodat ook tijdig
                    een beslissing op het bezwaar kan worden genomen.</al><al/><al>De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de
                    uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als
                        bestuursorgaan<cursief>.</cursief></al><al/><al>Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als
                    bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet
                    openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt
                    ingediend of indien er een klacht wordt ingediend. </al><al>Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in
                    documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of
                    een onder verantwoordelijkheid van een bestuurorgaan werkzame instelling, dienst
                    of bedrijf.</al><al/><al>De commissie dient te beslissen op Wob verzoeken om documenten die onder haar
                    berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden
                    verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.</al><al/><al>Ook is de bezwaarschriften commissie verantwoordelijk voor de verwerking van
                    persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegeven in het
                    kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op
                    verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal
                    de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten.</al><al/><al>Op basis van artikel 9:1 Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze
                    waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan
                    werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders
                    heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als
                    geheel, over een commissielid maar ook klachten over de secretaris moeten worden
                    afgedaan door de commissie zelf.</al><al/><al>Eveneens kan een klacht over de commissie worden ingediend bij de Nationale
                    Ombudsman.</al><al/><al>Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en
                    besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit
                    relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de
                    gehele commissie hierover afspraken te maken.</al><al/><al><vet>Vierde tranche Awb</vet></al><al>Op 1 juli 2009 trad de vierde tranche van de Awb in werking. Deze tranche
                    beslaat 3 onderwerpen:</al><al>- algemene regels voor betaling en inning van schulden (bestuursrechtelijke
                    geldschulden)</al><al>- bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete</al><al>- attributie van bevoegdheden aan ambtenaren</al><al/><al>In de ledenbrief van 25 juni 2009 heeft de VNG de leden uitgebreid geïnformeerd
                    over deze aanvulling op de Awb. Zie hiervoor de website <extref doc="http://www.vng.nl/">www.vng.nl</extref></al><al/><al>De vierde tranche heeft verder weinig gevolgen voor de werkzaamheden van de
                    bezwaarschriftencommissie. Wellicht leidt deze aanvulling van de Awb tot een
                    toename van het aantal bezwaarschriften. Op dit moment is daar echter nog weinig
                    over bekend.</al><al/><al><vet>Wet dwangsom en beroep</vet></al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep, onderdeel van de Awb, in werking
                    getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is deze wet op 2 punten van
                    belang.</al><al/><al>Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een
                    bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het
                    moment dat een bezwaar wordt ingediend maar vanaf het moment dat de
                    bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen
                    waarbij er meerdere bezwaren tegen 1 besluit worden ingediend, het is nu
                    mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim 5
                    weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste waardoor
                    het lastig was op tijd het 1<sup>e</sup> bezwaarschrift af te handelen.</al><al/><al>Daarnaast is de beslistermijn indien er een commissie is, verlengd van 10 naar
                    12 weken en de mogelijkheid om te verdagen van 4 naar 6 weken.</al><al/><al>Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het
                    mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door
                    het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee
                    weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de
                    dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag
                    van €1260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld
                    bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen. </al><al>De Wet dwangsom en beroep zorgt ervoor dat bestuursorganen hun interne processen
                    goed inrichten zodat op tijd besluiten genomen kunnen worden. De
                    bezwaarcommissie maakt onderdeel uit van het proces om tot een beslissing op
                    bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er afspraken worden gemaakt tussen
                    bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie is het belangrijk dat zij zo snel
                    mogelijk de dossiers behorende bij het bezwaarschrift ontvangen van de
                    ambtelijke organisatie, voor het bestuursorgaan is het van belang dat de
                    commissie rekening houdt met de vergadercyclus van bijv. het college en dat
                    adviezen op tijd worden aangeleverd.</al><al/><al><vet>B. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></al><al/><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'verwerend orgaan'
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan
                    dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van
                    burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via
                    delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen.</al><al>Voorts zijn, om mogelijke misverstanden te voorkomen, de in de verordening
                    gehanteerde begrippen kamer, voorzitter en secretaris van een nadere
                    omschrijving voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie</vet></al><al/><al>In de algemene toelichting is het waarom van de keuze voor het horen en
                    adviseren door een onafhankelijke commissie ver(ant)woord. Een commissie die via
                    deze inleidende bepaling vervolgens als zodanig wordt geïntroduceerd. Daarbij
                    vermeldt het tweede lid in hoeverre de bevoegdheid van de commissie thans
                    strekt. De beperking ligt in bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten
                    op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet waardering
                    onroerende zaken. Daarover mag ingevolge deze versie van de verordening niet
                    worden geadviseerd. De Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ bevatten
                    over beslistermijnen, het horen en de geheimhouding namelijk afwijkende of
                    aanvullende bepalingen, zodat het aanbeveling verdient dergelijke besluiten om
                    deze reden in elk geval uit te zonderen.</al><al>Uiteraard is het tweede lid een facultatieve bepaling; ook andere uitzonderingen
                    kunnen dus worden gemaakt.</al><al/><al>In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te
                    worden verstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</vet></al><al/><al>Gelet op het grote aantal te behandelen geschriften en in verband met een
                    wenselijk geachte splitsing naar onderwerp, is er voor gekozen om de commissie
                    in kamers op te splitsen. Daarbij is als uitgangspunt genomen het instellen van
                    de kamers rechtstreeks aan de raad zelf - en dus niet aan de commissie - over te
                    laten. </al><al/><al>Het tweede lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al/><al>Met het toekennen van de bevoegdheid de commissie ook te laten adviseren over
                    aan de raad gerichte bezwaarschriften kon indertijd worden ingestemd indien de
                    raad invloed op de benoeming van de leden van de commissie zou hebben. Een
                    "voorwaarde" die leidt tot datgene wat in de leden 3 en 4 van dit artikel wordt
                    vermeld.</al><al>Voor een verklaring van het waarom van het vijfde lid kan worden verwezen naar
                    hetgeen ten aanzien van de samenstelling van de commissie in de algemene
                    toelichting is verwoord.</al><al/><al>Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel 7:13
                    Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31-5-99, JG
                    1999/179).</al><al/><al>De raad is uiteindelijk het orgaan dat, indien nodig, het functioneren van de
                    leden van de commissie evalueert. Indien een lid van de commissie niet naar
                    behoren functioneert is het in eerste instantie de commissie die hierop actie
                    zal ondernemen, het is immers een zelfstandig bestuursorgaan. De voorzitter zal
                    hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid niet zelf ontslag nemen dan is
                    het uiteindelijk aan de raad om op te treden. </al><al>Het ligt voor de hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse
                    gesprekken hebben plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de
                    bevoegdheid van de raad om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een
                    situatie waarbij het functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze,
                    hangende het overleg hierover, wordt geschorst.</al><al/><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door
                    het college van leden van een bezwaarschriftencommissie, aanleiding was een
                    vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de uitspraak van de
                    Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van
                    het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te ontslaan wegens een
                    vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere mate een
                    onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de commissie
                    ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar
                    onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met
                    de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat
                    een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het
                    bestuurorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een
                    adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het
                    bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de
                    Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                    bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets
                    te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een
                    periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van
                    een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Secretaris</vet></al><al/><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een kamer van een commissie beschikt over een secretaris ter
                    ondersteuning van de werkzaamheden.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Zittingsduur</vet></al><al/><al>Deze bepaling is gewijzigd bij de herziening van 2010. In het voorgaande model
                    was bepaald dat de zittingsduur van de commissie gelijk liep met de
                    zittingstermijn van de raad. Dat heeft alleen een functie als raadsleden lid van
                    de commissie zijn. Hoewel dit juridisch (nog) mogelijk is, is dit geen gewenste
                    situatie. Overigens is hiervoor ook niet gekozen.</al><al/><al>Door de wijziging is er een mate van continuïteit bij de commissie, is het niet
                    meer zo dat op één moment de hele commissie opstapt, maar door natuurlijk
                    verloop zal dit meer gespreid zijn. </al><al/><al>Verder is gekozen voor een zittingsduur van vier jaar die éénmaal door
                    herbenoeming kan worden verlengd. Daarmee is uitdrukkelijker dan voorheen
                    vastgelegd dat de zittingsduur eindig is. </al><al/><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</vet></al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en aan de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><al>a. Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al><al>b. De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12):</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="2."><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het
                            besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8).</al></li><li nr="3."><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie van de
                            verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel 6:9, tweede
                            lid). </al></li><li nr="4."><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat ingediende
                            bezwaarschriften(artikel 6:10 en 6:11).</al></li><li nr="5."><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, is
                            niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12).</al></li></lijst><al>c. De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en met
                    6:15):</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij het
                            bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat een
                            commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een later
                            stadium.</al></li><li nr="2."><al>Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst><al/><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is formeel (nog) niet mogelijk. Een
                    gemeentelijke regeling ter zake ontbreekt vooralsnog. Wordt een bezwaarschrift
                    per e-mail ingediend, dan dient u de verzender hiervan op de hoogte te brengen
                    en hem te verzoeken het bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te
                    versturen. Een per e-mail ingediend bezwaarschrift kan dus niet automatisch
                    niet-ontvankelijk worden verklaard.</al><al/><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde
                    lid). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens en
                    wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer het
                    derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegde orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al/><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling
                    geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo spoedig
                    mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. </al><al/><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                    bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                    weken wordt verlengd tot 12 weken met een verdagingsmogelijkheid van zes weken
                    (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het aanbeveling
                    verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte te brengen
                    van de te volgen procedure.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Bemiddeling</vet></al><al/><al>Deze bepaling is bij de herziening van 2010 toegevoegd. Alternatieve
                    geschillenbeslechting wordt bij de meeste bestuursorganen en rechtbanken op een
                    bepaalde manier toegepast. Veel voorkomende vormen zijn (pre)-mediation of een
                    andere aanpak.</al><al>Bij de andere aanpak wordt vaak na ontvangst van het bezwaarschrift meteen
                    gebeld naar de bezwaarde. Op deze manier kunnen misverstanden worden rechtgezet,
                    het besluit nader worden toegelicht etc. Dit kan leiden tot intrekking van het
                    bezwaarschrift. </al><al>Mediation is een formelere vorm. Hierbij kan onder begeleiding van een mediator
                    naar een oplossing gezocht worden waarmee beide partijen uit de voeten kunnen.
                    Belangrijk is dat beide partijen deze stap nemen en dat afspraken die hierbij
                    horen formeel in een overeenkomst worden vastgelegd.</al><al/><al>De keuze om al dan niet tot mediation over te gaan is aan het bestuursorgaan,
                    dat ook de grenzen van de onderhandelingsruimte dient vast te stellen.</al><al/><al>Voor het opnemen van deze bepaling is gekozen omdat enige vorm van alternatieve
                    geschilbeslechting wordt toegepast. Het is de commissie die na ontvangst van een
                    bezwaarschrift kan beoordelen of een bemiddelingspoging zinvol is. In de
                    praktijk zal de secretaris een initiërende rol hebben om een
                    bemiddelingsvoorstel zowel bij de commissie als de behandelende afdeling voor te
                    leggen.</al><al/><al>Door deze bepaling is procedureel vastgelegd dat een bemiddelingspoging mogelijk
                    is in het bezwaarschriftenproces. Door de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                    beslissen is het van belang dat, indien er gesproken wordt over mogelijke
                    oplossingen buiten de bezwaarprocedure om, formeel wordt vastgelegd dat de
                    beslistermijn van het bezwaarschrift wordt opgeschort tot het moment dat aan de
                    secretaris wordt meegedeeld wat de uitkomst van de bemiddelingspoging is.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Uitoefening bevoegdheden</vet></al><al/><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de kamer wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn in
                    dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><al/><al>-Artikel 2:1, tweede
                    lid</al><al> Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al/><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al/><al>- Artikel 6:6</al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al/><al> Toelichting:</al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over
                    belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of
                    na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al/><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien. </al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al/><al>- Artikel 6:17</al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al/><al> Toelichting:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken
                    van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een
                    belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><al/><al>- Artikel 7:4, tweede lid</al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al/><al> Toelichting:</al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al/><al>- Artikel 7:6, vierde lid</al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al> Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al/><al><cursief> Toelichting</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de mogelijkheid gegeven om de
                    belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn dat
                    tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid geeft aan dat in
                    dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd hoeven te worden over wat
                    er in de afzonderlijke hoorzittingen is besproken.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Vooronderzoek</vet></al><al/><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de kamer er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de kamer of haar voorzitter bij de voorbereiding van de te
                    behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. </al><al>Deze kosten komen ten laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in
                    de begroting voorzien in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders
                    liggen als het om bijzondere kosten gaat.</al><al/><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in deze bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging
                    vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n
                    toetsing het werk van de kamer frustreert en haar onafhankelijke positie
                    daardoor aantast.</al><al/><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al/><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de kamer vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking hebbende
                    gegevens zullen zijn. De kamer zal immers geen afgewogen oordeel kunnen
                    uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Hoorzitting</vet></al><al/><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 8 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><al>a. het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al><al>b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al><al>c. de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                    recht te worden gehoord, of</al><al>d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden
                    daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.</al><al/><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de kamer contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op de
                    artikelen 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al/><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de kamer. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al/><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Uitnodiging zitting</vet></al><al/><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie (lees kamer) van groot belang om van bestuurlijke zijde te
                    vernemen hoe een beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de
                    commissie (lees kamer) moeilijk worden om een goede afweging te maken. </al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al/><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Met de inwerkingtreding van de wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
                    is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee
                    ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort, en dit op papier te bevestigen.</al><al/><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om
                    van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling te doen.</al><al/><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8).</al><al/><al>- Artikel 7:4</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak
                            betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten
                            minste één week voor belanghebbenden ter inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                            toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voorzover
                            geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van
                            deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al/><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al/><al>- Artikel 7:8</al><al>1. Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en
                    deskundigen worden gehoord.</al><al>2. De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                    belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al><al/><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><al/><al><vet>Artikel 12 Quorum</vet></al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie (lees
                    kamer) , terwijl advisering door de voltallige commissie (lees kamer) heeft
                    plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008,
                    nr. 101 is een artikel verschenen van mr. H. Piefers : “<cursief>Horen en
                        adviseren door een onvolledige bezwaarschriftencommissie”.</cursief></al><al/><al/><al><vet>Artikel 13 Niet-deelneming aan de behandeling</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><al/><al><vet>Artikel 14 Openbaarheid zitting</vet></al><al/><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet
                    bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al/><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting van de
                    algemene kamer in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze
                    regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van
                    familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk
                    karakter aan de orde komen. </al><al>Nu op voorhand het standpunt wordt gehuldigd dat hiervan bij de behandeling van
                    bezwaarschriften betreffende de rechtspositie - en andere regelingen voor het
                    gemeentelijk personeel en bij die op het gebied van sociale zaken, zorg en
                    dergelijke sprake is, is er voor gekozen behandeling daarvan in ieder geval in
                    een besloten zitting te laten plaatsvinden. </al><al/><al>De zitting dient overigens te worden onderscheiden van de beraadslaging van de
                    kamer, die ingevolge artikel 16 van de verordening in ieder geval altijd achter
                    gesloten deuren plaatsheeft.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Schriftelijke verslaglegging</vet></al><al/><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag worden niet
                    door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    verordening een vaste procedure wordt opgenomen.</al><al/><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al/><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbende wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188).</al><al/><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid
                    afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de kamer, hoeft bij de
                    hernieuwde behandeling in de kamer niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april
                    1996, AB 1997/23).</al><al/><al><vet>Artikel 16 Nader onderzoek</vet></al><al/><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de kamer te verzoeken daartoe een nieuwe
                    zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het hier
                    bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te nemen
                    beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt
                    meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord
                    (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><al/><al><vet>Artikel 17 Raadkamer en advies</vet></al><al/><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is, de reeds genoemde
                    uitzonderingen daargelaten, in principe openbaar; de hier bedoelde beraadslaging
                    vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al/><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de kamer door afwezigheid van een of meer
                    leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van artikel
                    13) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al/><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige kamer (zie onder 12); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie (lees kamer) die voldoet
                    aan de eisen van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies totstandkomt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al/><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al/><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Uitbrengen advies en verdaging</vet></al><al/><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie (lees kamer)
                    en wordt het schriftelijk uitgebracht.</al><al/><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de kamer dat
                    indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij
                    tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen. </al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al/><al><cursief>Afronding van de procedure</cursief></al><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt
                    er in feite mee - zie artikel 18 - dat door de commissie schriftelijk advies
                    wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                    beslissen.</al><al/><al>In artikel 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna dient te
                    gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een
                    heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift
                    niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de
                    heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
                    bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw
                    besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                    (bestreden) besluit.</al><al/><al>Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op
                    bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van art
                    7:11 vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing
                    niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen
                    van de wet zich ook dient uit te strekken tot beleidsmatige en bestuurlijke
                    aspecten.</al><al/><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening
                    moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De
                    feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen
                    zijn van belang.</al><al/><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                    Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de
                    aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                    bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar
                    hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt
                    dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer
                    bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al/><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel.</al><al/><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift
                    dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de
                    beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien van het advies
                    van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van die afwijking
                    wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.</al><al/><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat
                    indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan
                    bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden
                    aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
                    ingesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 19 Jaarverslag</vet></al><al/><al>Jaarlijks brengen de kamers van bezwaarschriftencommissie gezamenlijk verslag
                    uit aan de raad, het college en de burgermeester over hun werkzaamheden. De
                    invulling van dit verslag is aan de kamers van de commissie gelaten. Voor de
                    hand ligt het dat wordt aangegeven welke aantallen bezwaren zijn ingediend, wat
                    de werkvoorraad was bij aanvang van het kalenderjaar, hoeveel adviezen zijn
                    uitgebracht, wat de adviezen inhielden (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond etc.)
                    of het bestuursorgaan contrair heeft besloten, in welke gevallen beroep wordt
                    ingediend en wat de uitkomst van dit beroep is. </al><al>In geval er een klacht is ingediend tegen de (kamer(s) van de)
                    bezwaarschriftencommissie wordt dit in het jaarverslag vermeld.</al><al/><al>Het jaarverslag is ook een instrument voor de kamers van de commissie om aan de
                    bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op het gebied van
                    juridische kwaliteit.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>In de artikelen 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><al/><al>Overigens is gelet op de beschikbaarheid van personen gekozen voor het gefaseerd
                    in werking laten treden van deze verordening. De inhoud van dit artikel spreekt
                    in dat verband voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Overgangsbepaling</vet></al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Citeertitel</vet></al><al/><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie
                    bezwaarschriften.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>