<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88986_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en Aa's 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuidoosthoeker, Gezinsblad, Ter Apeler Courant/Kanaalstreek, Streekblad, Groninger Gezinsbode, HS krant, Veendammer, Eemsbode/Noordrkrant, Harener Weekblad, 27-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en Aa's 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 120, 122</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Art. 4, lid 2 , 3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1189</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>kostentoedeling</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en
                            Aa’s 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s;</al><al>Gelet op de artikelen 120 en 122 van de Waterschapswet (Stb. 2007, nr.
                            208);</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de volgende kostentoedelingsverordening
                            watersysteembeheer:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten: netto-kosten van de kostendrager watersysteembeheer
                                    zoals opgenomen in de begroting van het waterschap en die gedekt
                                    worden met behulp van de watersysteemheffing;</al></li><li nr="b."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin het
                                    waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te oefenen;
                                </al></li><li nr="c."><al>ingezetenen: degenen die blijkens de gemeentelijke
                                    basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het
                                    kalenderjaar woonplaats hebben in het gebied van het waterschap
                                    en aldaar gebruik hebben van woonruimte;</al></li><li nr="d."><al>zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen:
                                    degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                    hebben van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen
                                    zijn in het gebied van het waterschap;</al></li><li nr="e."><al>zakelijk gerechtigden natuurterreinen: degenen die krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht in het gebied van het
                                    waterschap het genot hebben van natuurterreinen;</al></li><li nr="f."><al>zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende
                                    zaken in het gebied van het waterschap;</al></li><li nr="g."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                    geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                    gelegen; </al></li><li nr="h."><al>waterbergingsgebieden: gebieden die integraal onderdeel uitmaken
                                    van het watersysteem en periodiek vanuit het
                                    oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen, daartoe ruimtelijk
                                    zijn bestemd en als zodanig in de legger van het waterschap zijn
                                    opgenomen;</al></li><li nr="i."><al>bemalen gebieden: delen van het waterschapsgebied die niet vrij
                                    afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin uit lager
                                    gelegen gebieden water wordt opgemalen;</al></li><li nr="j."><al>glasopstanden: constructie van staand glas of staande
                                    constructie van met glas overeenkomend materiaal die
                                    bedrijfsmatig wordt aangewend voor de teelt of kweek van
                                    gewassen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><al>1.De kosten voor het watersysteembeheer worden als volgt
                            toegedeeld:</al><al>25% aan de ingezetenen;</al><al>20,3% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken, niet
                            zijnde natuurterreinen;</al><al>0,2% aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;</al><al>54,5% aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken.</al><lijst><li nr="2."><al>De waarde van de onroerende zaken bedoeld in het vorige
                                    artikellid, onderdelen b, c en d, wordt bepaald naar de waarde
                                    die de onroerende zaken op de waardepeildatum hebben naar de
                                    staat en hoedanigheid waarin zij op die datum verkeren.</al></li><li nr="3."><al>De waardepeildatum is 1 januari 2007. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, worden de kosten van heffing
                            en invordering van de watersysteemheffing en de kosten van de verkiezing
                            van de leden van het algemeen bestuur, voor zover die worden toegerekend
                            aan het watersysteembeheer en zoals opgenomen in de begroting van enig
                            belastingjaar, rechtstreeks aan de betrokken categorieën toegerekend
                            naar rato van deze voor elk van de genoemde categorieën te maken kosten.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>1. Voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken die geen
                            natuurterreinen zijn en voor buitendijks gelegen gebouwde onroerende
                            zaken wordt een gedifferentieerd tarief gehanteerd dat 75% lager is dan
                            het tarief dat blijkens de verordening op de watersysteemheffing voor
                            elk van deze categorieën geldt.</al><al>2. Voor verharde openbare wegen wordt een gedifferentieerd tarief
                            gehanteerd dat 100% hoger is dan het tarief dat blijkens de verordening
                            op de watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                            natuurterreinen, geldt.</al><al>3. De tariefdifferentiatie voor buitendijks gelegen ongebouwde
                            onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor buitendijks
                            gelegen gebouwde onroerende zaken en de tariefdifferentiatie voor
                            verharde openbare wegen worden naast elkaar toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kostentoedelingsverordening 2005 wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid van deze bepaling genoemde datum, met
                                    dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    haar bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening vindt voor het eerst toepassing in het
                                    belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2009.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als
                                    Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Hunze en Aa’s
                                    2009.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur
                            van het waterschap Hunze en Aa’s gehouden op 24 september 2008 te
                            Veendam.</ondertekening><ondertekening>Gewijzigd bij besluit van het algemeen bestuur d.d. 21 november 2012; de
                            wijziging is in werking getreden op 1 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s,</ondertekening><ondertekening>Harm Küpers, Alfred van Hall.</ondertekening><ondertekening>secretaris-directeur, dijkgraaf.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer
                    waterschap Hunze en Aa’s 2009 </titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>1.Wettelijke basis</al><al>Ingevolge artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet (Stb. 2007, 208) moet
                    het algemeen bestuur van een waterschap ten behoeve van de watersysteemheffing
                    een verordening vaststellen, waarin voor elk van de categorieën van
                    heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Het waterschap
                    kan bij deze kostentoedelingsverordening bepalen dat kosten van heffing en
                    invordering en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur
                    rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken categorieën van
                    heffingplichtigen. Het waterschap kan ingevolge artikel 122 van de wet ook
                    gebruik maken van de mogelijkheid om tarieven te differentiëren. Een eventuele
                    tariefdifferentiatie moet in de kostentoedelingsverordening worden geregeld. De
                    kostentoedelingsverordening moet door gedeputeerde staten van de provincie
                    worden goedgekeurd en wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien. </al><al>2.Kostentoedelingsmethode Delfland wettelijk voorgeschreven</al><al>De wijze waarop de kosten van de taakuitoefening aan de categorieën van
                    heffingplichtigen worden toegedeeld, is wettelijk vastgelegd. Ingevolge het
                    tweede lid van artikel 120 Waterschapswet wordt de toedeling van het kostendeel
                    aan de categorie ingezetenen bepaald aan de hand van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De
                    toedeling van kosten aan de overige drie heffingplichtige categorieën
                    (ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, natuurterreinen en
                    gebouwde onroerende zaken) geschiedt ingevolge het vierde lid van deze bepaling
                    aan de hand van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer.
                    Deze wijze van kostentoedeling staat bekend als de methode Delfland, die
                    voorheen door veel waterschappen werd toegepast. </al><al>3.Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen</al><al>De eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan de
                    categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De
                    toedeling is als volgt:</al><lijst><li nr="·"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%;</al></li><li nr="·"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan
                            1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal 40%;
                        </al></li><li nr="·"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%. </al></li></lijst><al>Het binnen de bandbreedtes bepalen van het exacte ingezetenenaandeel behoort tot
                    de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. </al><al>3.1 Ophogen ingezetenenaandeel</al><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan de zojuist genoemde maximale
                    kostentoedelingspercentages met 10% verhogen. Dit is via een amendement (TK
                    30601, nr. 18) in het derde lid van artikel 120 van de Waterschapswet geregeld.
                    Blijkens de wetsgeschiedenis kan verhoging in bijzondere omstandigheden
                    plaatsvinden. Als voorbeeld zijn daarbij twee situaties genoemd, te weten de
                    situatie waarin in het gebied van het waterschap een relatief groot aantal
                    natuurterreinen voorkomt en de situatie waarin in het gebied van het waterschap
                    sprake is van een zeer grote inwonerdichtheid. De wet zegt in geen van beide
                    gevallen wat hieronder moet worden verstaan. Omwille van de eenduidigheid is dit
                    bij de meeste waterschappen gerelateerd aan het objectief fiscaal criterium
                        ‘<cursief>in b</cursief><cursief>e</cursief><cursief>tekenende
                        mate’</cursief>. Dit staat voor 25% of meer. Toepassing van dit criterium
                    leidt er in bovenstaande voorbeelden dus toe dat voor een eventuele ophoging van
                    het ingezetenenaandeel kan worden gekozen indien 25% of meer van het gebied van
                    het waterschap uit natuurterreinen bestaat of indien het gemiddelde
                    inwoneraantal 1250 (125% x 1000 inwoners) of meer bedraagt. Hierbij wordt er van
                    uitgegaan dat een gemiddeld inwoneraantal van 1000, voor een hoge
                    inwonerdichtheid staat. Tot natuurterreinen worden in verband met het bepaalde
                    in artikel 116, onderdeel c, van de wet, ook bossen en open wateren met een
                    oppervlakte van ten minste één hectare gerekend. </al><al>Het verhogen van het maximale ingezetenenaandeel is geen verplichting, maar
                    behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. Het criterium van 25%
                    of meer geeft een zekere denkrichting aan. Bij de besluitvorming over een
                    eventuele ophoging van het ingezetenenaandeel kunnen ook andere bestuurlijke
                    overwegingen een rol spelen. </al><al>4.Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke categorieën</al><al>Nadat het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald, worden de
                    resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën ongebouwd niet
                    zijnde natuurterreinen, natuurterreinen en gebouwd toegedeeld. Deze toedeling
                    vindt op basis van het bepaalde in artikel 120, vierde lid, Waterschapswet,
                    plaats op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economische
                    verkeer. In het Waterschapsbesluit (Stb. 2007,497) zijn over de waardebepaling
                    nadere regels gesteld. De onderlinge waardeverhouding tussen de categorieën is
                    bepalend voor de kostentoedeling.</al><al>4.1 Waardebepaling en waardepeildatum</al><al>De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid en de
                    staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.10, eerste
                    lid, van het Waterschapsbesluit is dit voor natuurterreinen en voor andere
                    ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, uitdrukkelijk
                    bepaald. Voor gebouwde onroerende zaken bevat het Waterschapsbesluit een
                    dergelijke expliciete regeling niet. Dit is ook niet nodig, omdat voor de
                    waardebepaling van deze categorie wordt aangesloten bij de WOZ-gegevens en in de
                    Wet WOZ al geldt dat de waarde naar de hoedanigheid en de staat van de
                    onroerende zaken op de waardepeildatum moet worden bepaald. </al><al>Ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterschapsbesluit, ligt de
                    waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste kalenderjaar
                    waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. Voor de onderhavige
                    kostentoedeling moest dus een keuze worden gemaakt tussen de waardepeildatum 1
                    januari 2007 en de waardepeildatum 1 januari 2008. Uit praktische overwegingen
                    is in deze verordening voor de waardepeildatum 1 januari 2007 gekozen. Zo is
                    rekening gehouden met het feit dat de waardegegevens van gebouwde onroerende
                    zaken via de WOZ-gegevensleveringen van de gemeenten beschikbaar komen. Deze
                    gegevens ‘ijlen’ één jaar na. De WOZ-waarden die naar de waardepeildatum 1
                    januari 2008 zijn vastgesteld, komen met andere woorden in de eerste acht weken
                    van 2009 beschikbaar. Dit is met het oog op een ordentelijke vaststelling en
                    goedkeuring van de onderhavige kostentoedelingsverordening te laat. Een
                    soortgelijke redenering geldt voor de waardegegevens van landbouwgronden die via
                    de Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van LNV beschikbaar komen. De
                    waardepeildatum ten behoeve van de kostentoedeling is daarom vastgesteld op 1
                    januari 2007. </al><al>In het proces van kostentoedeling wordt geen rekening gehouden met wijzigingen
                    die zich in de staat of de hoedanigheid van de onroerende zaken hebben
                    voorgedaan of nog zullen voordoen tussen de waardepeildatum (in dit geval
                    1-1-2007) en het begin van het eerste belastingjaar waarop de
                    kostentoedelingsverordening betrekking heeft (1-1-2009). Zo zullen bouwpercelen
                    die na de waardepeildatum zijn bebouwd, voor de kostentoedeling als ongebouwde
                    onroerende zaken worden aangemerkt en zal landbouwgrond die na de
                    waardepeildatum is omgevormd tot natuur of tot bouwgrond, nog wel als
                    landbouwgrond in de waardebepaling worden meegenomen.</al><al>5.Natuurterreinen</al><al>Natuurterreinen vormen voor de kostentoedeling en de belastingheffing een nieuwe
                    categorie. Ingevolge artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een
                    natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en de
                    ontwikkeling van natuur. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige situatie
                    of een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt dus of sprake is van een
                    natuurterrein. Bossen, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, en open wateren
                    worden bij wetsfictie mede als natuurterreinen aangemerkt. Voorwaarde is wel dat
                    deze objecten een oppervlakte van ten minste één hectare hebben.</al><al>6.De watersysteemtaak</al><al>De watersysteemtaak wordt in artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet
                    genoemd en omvat de taken van het waterschap op het gebied van het
                    waterkeringsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van
                    oppervlaktewateren, voor zover laatstgenoemde activiteiten niet vallen onder het
                    transporteren en/of behandelen van afvalwater. </al><al>De zorg voor het watersysteem is een samenhangende taak die het waterschap in
                    het gehele waterschapsgebied uitoefent. Onder het waterschapsgebied moet het
                    reglementaire gebied worden verstaan, de buitengrenzen van het waterschap
                    derhalve, inclusief eventuele buitendijkse gebieden. Omdat de watersysteemtaak
                    in het gehele waterschapsgebied wordt uitgeoefend, komen gebieden zonder enig
                    belang in de nieuwe situatie niet meer voor. Ook de situatie waarin per taak
                    verschillende taakgebieden kunnen worden onderscheiden, behoort tot het
                    verleden. Uitzondering hierop kan overigens de wegentaak vormen. Indien deze
                    taak niet in het hele gebied van het waterschap wordt uitgeoefend, is wel sprake
                    van een taakgebied voor het wegenbeheer. </al><al>7.Relatie met de begroting van het waterschap</al><al>In het traject van belastingheffing
                    (kostentoedeling-tariefbepaling-aanslagvervaardiging-heffing-invordering) zijn
                    de kosten van de watersysteemtaken van het waterschap bepalend. Deze kosten
                    worden in de begroting van het waterschap geraamd en in de jaarverslaggeving
                    verantwoord. Gelet op het belang van de belastingheffing voor de waterschappen
                    en gelet op het feit dat inzicht moet bestaan in de lasten voor de
                    belastingplichtigen, vormt een specificatie van de bedragen die uiteindelijk tot
                    lasten van de belastingplichtigen leiden, een apart onderdeel van de begroting
                    (de begroting naar kostendragers). Een en ander is in de nieuwe
                    verslaggevingsvoorschriften van het Waterschapsbesluit vastgelegd. Het gaat in
                    deze verordening om de kostendrager watersysteembeheer. </al><al>Eveneens op grond van de nieuwe verslaggevingsvoorschriften wordt in de
                    begroting naar kostendragers voor iedere taak allereerst op basis van de
                    netto-kosten, het bedrag voor onvoorzien, de bedragen die voor kwijtschelding en
                    oninbaarverklaring worden geraamd, verwachte dividenden en overige algemene
                    opbrengsten een saldo berekend, het resultaat. Daarna wordt aangegeven hoe het
                    begrote resultaat zal worden gedekt of bestemd. In de regel wordt er eerst
                    onttrokken of toegevoegd aan reserves en ontstaat daarna het bedrag dat het
                    waterschap door middel van belastingheffing zal moeten ontvangen. Dit laatste
                    bedrag is het startpunt voor de kostentoedeling.</al><al>8.Tariefdifferentiatie</al><al>In artikel 122 van de wet wordt de mogelijkheid van tariefdifferentiatie
                    geboden. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever deze regeling
                    opgenomen omdat zij niet voorbij heeft willen gaan aan het feit dat het belang
                    bij de watersysteemtaak voor bepaalde onroerende zaken duidelijk anders kan
                    liggen dan dat van andere onroerende zaken. De wetgever heeft nadrukkelijk
                    aangegeven dat de waterschappen inzake de tariefdifferentiatie een bestuurlijke
                    vrijheid hebben. Het algemeen bestuur van het waterschap is –anders dan bij de
                    vroegere classificatie- met andere woorden niet tot het differentiëren van
                    tarieven verplicht. Zie hiervoor de Memorie van Toelichting, TK 30601, nr. 3,
                    blz. 26 en de Handreiking tariefdifferentiatie van de Unie.</al><al>Het uitgangspunt dat in artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de
                    Waterschapswet is neergelegd, is dat het tarief van de belasting per
                    heffingsmaatstaf voor elke onderscheiden categorie gelijk is. De regeling van de
                    tariefdifferentiatie brengt hierin verandering. Indien voor het differentiëren
                    van tarieven wordt gekozen, is binnen de betreffende belastingcategorie geen
                    sprake meer van een gelijk tarief, maar van tarieven die naar gelang de situatie
                    hoger of lager kunnen zijn vastgesteld. De situaties waarin tariefdifferentiatie
                    mogelijk is, zijn limitatief in de wet genoemd. De wet geeft ook de maximale
                    omvang (verhoging of verlaging) van de differentiaties aan. </al><al>Tariefdifferentiatie is ingevolge artikel 122 van de Waterschapswet uitsluitend
                    in de volgende gevallen en binnen de volgende marges mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken (maximaal 75% lager tarief);</al></li><li nr="2."><al>onroerende zaken die blijkens de legger van het waterschap als
                            waterberging worden gebruikt (maximaal 75% lager tarief);</al></li><li nr="3."><al>onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden (maximaal 100% hoger
                            tarief);</al></li><li nr="4."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan (maximaal
                            100% hoger tarief);</al></li><li nr="5."><al>verharde openbare wegen (maximaal 100% hoger tarief).</al></li></lijst><al>De differentiaties kunnen blijkens het vierde lid van artikel 122 Waterschapswet
                    naast elkaar worden toegepast. In de Handreiking tariefdifferentiatie wordt
                    overigens aanbevolen cumulatie van tariefdifferentiatie te beperken.</al><al>De Unie van Waterschappen heeft ten behoeve van de waterschappen een handreiking
                    opgesteld waarin nader op de tariefdifferentiatie wordt ingegaan.
                    Tariefdifferentiatie is voor de waterschappen een nieuw fenomeen, waarvan
                    gebruik kán worden gemaakt. De handreiking moet de waterschappen behulpzaam zijn
                    bij hun oriëntatie op de mogelijkheid van tariefdifferentiatie. Daarnaast geeft
                    de handreiking de waterschappen steun bij de bestuurlijke besluitvorming over
                    het al dan niet toepassen van tariefdifferentiatie. </al><al>In de handreiking tariefdifferentiatie wordt aanbevolen om:</al><lijst><li nr="-"><al>terughoudend gebruik van de tariefdifferentiatie te maken; </al></li><li nr="-"><al>voor de categorie natuurterreinen geen tariefdifferentiatie in te
                            stellen;</al></li><li nr="-"><al>cumulatie van tariefdifferentiatie te beperken;</al></li><li nr="-"><al>zoveel mogelijk gelijke tariefverhogingen/verlagingen per
                            belastingcategorie te hanteren. </al></li></lijst><al>Aanvankelijk heeft het Algemeen Bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s
                    vooruitlopend op het kostentoedelingsonderzoek op 20 februari 2008 besloten geen
                    gebruik te maken van de mogelijkheid van tariefdifferentiatie. Belangrijkste
                    overweging was dat tariefdifferentiatie afbreuk zou doen aan het collectieve
                    karakter van het watersysteem (solidariteitsbeginsel). Verder speelden ook de
                    volgende overwegingen een rol:</al><lijst><li nr="-"><al>er is geen dusdanig afwijkend belang dat differentiatie noodzakelijk
                            maakt (rechtvaardigheid);</al></li><li nr="-"><al>de diversiteit van het waterschapsgebied is niet dusdanig dat er tot
                            differentiatie overgegaan dient te worden;</al></li><li nr="-"><al>door te differentiëren neemt de complexiteit van de watersysteemheffing
                            als geheel toe;</al></li><li nr="-"><al>de lastenverschuivingen bij de overgang naar het nieuwe belastingstelsel
                            zijn niet zo groot dat differentiatie noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Op 28 mei 2008 heeft het Algemeen Bestuur van het Waterschap Hunze en Aa’s
                    besloten ten aanzien van buitendijkse gebieden voor de categorieën gebouwd en
                    ongebouwd, niet zijnde natuur wel een tariefdifferentiatie (reductie met 75%)
                    toe te staan. Een belangrijke beweegreden hiervoor was dat het belastingregime
                    voor de zeehavens Eemshaven en Delfzijl eensluidend zou moeten zijn. De
                    Eemshaven en een deel van de haven van Delfzijl vallen onder het beheerregime
                    van waterschap Noorderzijlvest. Het waterschap Noorderzijlvest gaat een
                    tariefdifferentiatie voor buitendijks gebied (behalve voor de categorie natuur)
                    hanteren van – 75% . Bij het waterschap Noorderzijlvest zijn met de grotendeels
                    buitendijks gelegen zeehavens grote economische belangen gemoeid die een
                    maximaal toegestane reductie van het tarief voor watersysteembeheer
                    rechtvaardigen. Waterschap Hunze en Aa’s conformeert zich aan deze
                    zienswijze.</al><al/><al><vet>Tariefdifferentiatie per 01-01-2013</vet></al><al/><al><vet>Verruimen van de mogelijkheid tariefdiferentiatie aan te passen</vet></al><al>Als onderdeel van de nieuwe Waterschapswet is in 2009 een nieuw belastingstelsel
                    ingevoerd. Kenmerkend voor het nieuwe stelsel is een vereenvoudiging; minder
                    belastingsoorten en een vaste berekening van de kostentoedeling volgens de
                    methode Delfland. Voor uitzonderingen kan een afwijkend belastingtarief worden
                    ingesteld, door tarieven te differentiëren. Zie voor een algemene toelichting op
                    het onderdeel tariefdifferentiatie paragraaf 8 van de algemene toelichting op de
                    kostentoedelingsverordening uit 2009.</al><al/><al>In 2008 heeft het algemeen bestuur besloten in zijn algemeenheid geen
                    tariefdifferentiatie toe te passen. Alleen voor een klein buitendijks gebied op
                    het haventerrein in Delfzijl is een differentiatie ingesteld. Iedereen heeft
                    immers belang bij de werkzaamheden van het waterschap, de een wat meer dan de
                    ander, solidariteit is echter een leidend principe. Daarom zag het algemeen
                    bestuur geen aanleiding verschillende tarieven in te stellen.</al><al/><al>Bij het opstellen van de kostentoedelingsverordening in 2008 bleek dat de waarde
                    ongebouwd sterk wordt beïnvloed door de waarde van de aanwezige infrastructuur
                    zoals wegen en spoorlijnen. Het tarief vor de categorie ongebouwd komt hierdoor
                    niet meer voor iedereen overeen met het belang bij het werk van het
                    waterschap.</al><al>De belasting wordt geheven per hectare ongebouwde grond, en niet naar de waarde
                    van de ongebouwde grond. Dit betekent dat eigenaren van wegen in belangrijke
                    mate het kostenaandeel voor ongebouwd bepalen, maar de effecten daarvan
                    grotendeels bij de agrarische gronden (met veel hectares) neerslaan. De
                    eigenaren van agrarische gronden dragen daarmee meer dan evenredig en de
                    eigenaren van wegen minder dan evenredig bij in de belastingopbrengst voor
                    ongebouwd.</al><al/><al><vet>Gebruikmaken van de bestaande mogelijkheden</vet></al><al/><al>Binnen de Waterschapswet is het mogelijk eigenaren van verharde openbare wegen
                    een tarief van maximaal 100% van het algemene tarief voor ongebouwd (exclusief
                    de perceptiekosten) in rekening te brengen. Door maximaal van deze mogelijkheid
                    gebruik te maken wordt het tarief voor ongebouwd voor iedereen meer in
                    overeenstemming gebracht met het belang bij het waterschap. Hiertoe is aan
                    artikel vier een tweede lid toegevoegd waarin wordt aangegeven dat het tarief
                    voor verharde wegen 100% hoger is dan het tarief voor ongebouwde onroerende
                    zaken, niet zijnde natuurterreinen. Omdat het mogelijk is dat de beide
                    tariefdifferentiaties (buitendijks en openbare weg) gelijktijdig optreden (een
                    buitendijks gelegen opembare weg) is een derde lid aan artikel 4 toegevoegd.
                    Hierin is opgenomen dat beide tariefdifferentiaties naast elkaar worden
                    toegepast. Dit betekent dat de aanslag voor een buitendijkse weg bestaat uit een
                    korting van 75% op het regulier tarief voor ongebouwd, verhoogd met de 100%
                    opslag op het regulier tarief voor ongebouwd.</al><tussenkop>Artikelsgewijs </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In artikel 1 zijn enkele begrippen, die in de verordening vaker voorkomen, nader
                    gedefinieerd. De onderdelen g tot en met j zijn speciaal in verband met de
                    bepalingen over de tariefdifferentiatie opgenomen. </al><al>In <vet>onderdeel a</vet> wordt een omschrijving van het begrip kosten gegeven.
                    De kosten die in de kostentoedeling een rol spelen zijn de netto-kosten die in
                    de begroting van het waterschap zijn opgenomen en die met behulp van de
                    watersysteemheffing worden gedekt. Kosten waarvoor dit niet geldt, worden niet
                    in de kostentoedeling watersysteembeheer betrokken. </al><al>In <vet>onderdeel b</vet> wordt het gebied van het waterschap omschreven als het
                    gebied dat is aangegeven op de bij het provinciale reglement behorende kaart
                    waarin het waterschap bevoegd is de watersysteemtaak uit te voeren. Het gaat om
                    de buitenste grenzen van het waterschapsgebied, inclusief eventuele buitendijkse
                    gebieden. </al><al>In de <vet>onderdelen c tot en met f</vet> wordt een omschrijving gegeven van de
                    begrippen ingezetenen, zakelijk gerechtigden ongebouwd niet zijnde
                    natuurterreinen, zakelijk gerechtigden natuurterreinen en zakelijk gerechtigden
                    gebouwd. Dit zijn de heffingplichtige categorieën. Voor de omschrijvingen is
                    aangesloten bij artikel 116, onder a en artikel 117 onder b t/m d van de
                    Waterschapswet. </al><al><vet>Onderdeel g</vet> geeft aan wat onder buitendijks gelegen onroerende zaken
                    moet worden verstaan. Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven als
                    onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                    gelegen. Afhankelijk van de regionale situatie kan het ook om onroerende zaken
                    gaan die buiten de secundaire of regionale kering zijn gelegen. </al><al><vet>Onderdeel h</vet> geeft aan wat onder het begrip waterbergingsgebieden moet
                    worden verstaan. Waterbergingsgebieden zijn omschreven als gebieden die
                    integraal onderdeel uitmaken van het watersysteem en die periodiek vanuit het
                    oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen. Kenmerkend aan waterbergingsgebieden
                    is dat zij hiertoe ruimtelijk zijn bestemd en dus ook als zodanig in de legger
                    van het waterschap zijn opgenomen. </al><al>De <vet>onderdelen i en j</vet> ten slotte geven een omschrijving van wat onder
                    bemalen gebieden en wat onder glasopstanden moet worden verstaan. Onder bemalen
                    gebieden worden zowel delen van het waterschapsgebied die niet vrij afwateren
                    als delen van het waterschapsgebied waarin uit lager gelegen gebieden water
                    wordt opgemalen, verstaan. De definitie van glasopstanden is ontleend aan de
                    Gemeentewet (artikel 220d, lid 1, onderdeel b, Gemeentewet).</al><tussenkop>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer</tussenkop><al>In artikel 2 is aangegeven op welke wijze de kosten van de taakuitoefening over
                    de vier heffingplichtige categorieën worden verdeeld. Artikel 2 vormt daarmee
                    het kernartikel van de verordening. De kostentoedeling geschiedt in twee
                    stappen. In de eerste stap wordt het kostenaandeel van de categorie ingezetenen
                    bepaald en in de tweede stap worden de resterende kosten van de taakuitoefening
                    over de categorieën ongebouwd niet zijnde natuur, natuur en gebouwd verdeeld. </al><al>Met betrekking tot de te nemen stappen is op 30 mei 2008 door Tauw BV te
                    Deventer het rapport ‘Kostentoedelingsonderzoek 2009. Een onderzoek naar de
                    waardeverhouding bij het waterschap Hunze en Aa’s’ uitgebracht. Dit rapport
                    geeft een uitwerking van de verdeling van de kosten van het watersysteembeheer
                    over de verschillende categorieën en vormt de basis voor de onderhavige
                    kostentoedelingsverordening. Bij het onderzoek heeft Tauw BV gebruik gemaakt van
                    de door de Unie van Waterschappen aangereikte Handleiding Rekenmodel
                    Belastingstelsel 2009, Geowijzer en Taxatiewijzer. </al><tussenkop>Stap 1: Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen</tussenkop><al>De eerste stap in het kostentoedelingsproces is het toedelen van kosten aan de
                    categorie ingezetenen. Dit gebeurtop basis van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid in het gebied van het waterschap. Voor het bepalen van de
                    gemiddelde inwonerdichtheid wordt uitgegaan van het totaal aantal inwoners zoals
                    dat uit de GBA-gegevens van de in het waterschapsgebied liggende gemeenten
                    blijkt en de totale oppervlakte (buitenste grenzen) van het waterschapsgebied.
                    Het minimum kostenaandeel voor de categorie ingezetenen bedraagt 20% en het
                    maximum -indien van de mogelijkheid van de verhoging als bedoeld in artikel 120,
                    lid 3, van de Waterschapswet gebruik wordt gemaakt- 60%. De exacte
                    onderverdeling is als volgt:</al><lijst><li nr="--"><al>bedraagt het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer in het
                            gebied van het waterschap 500 of minder, dan bedraagt het kostenaandeel
                            minimaal 20 en maximaal 30%;</al></li><li nr="--"><al>bedraagt het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer in het
                            gebied van het waterschap meer dan 500 maar minder dan 1.000, dan
                            bedraagt het kostenaandeel minimaal 31 en maximaal 40%; </al></li><li nr="--"><al>bedraagt de gemiddelde inwonerdichtheid meer dan 1.000, dan is het
                            kostenaandeel minimaal 41 en maximaal 50%. </al></li></lijst><al>Er is dus steeds sprake van een bandbreedte van 10% per inwonerdichtheidsklasse. </al><al>De inwonerdichtheid in het waterschap Hunze en Aa’s is geschat op afgerond 230
                    inwoners per vierkante kilometer. Dit resulteert in een ingezetenenaandeel van
                    afgerond 25%. In de vergadering van 19 december 2007 heeft het Algemeen Bestuur
                    al bepaald dat het aandeel ingezetenen voor de watersysteemheffing 25% zal
                    bedragen. Dit percentage valt binnen de binnen de genoemde bandbreedte en
                    bestuurlijke vrijheid van het waterschap. </al><tussenkop>Verhoging maximale percentages ingezetenenaandeel</tussenkop><al>Binnen waterschap Hunze en Aa’s is niet gekozen voor een verhoging van het
                    aandeel ingezetenen voor de watersysteemheffing. Voor een toelichting op dit
                    onderwerp verwijzen wij u naar onderdeel 3.1 van het Algemeen deel van deze
                    toelichting. </al><tussenkop>Stap 2: Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke
                    categorieën</tussenkop><al>Nadat is bepaald welk aandeel in de kosten van het watersysteembeheer aan de
                    ingezetenen wordt toegedeeld, vindt in stap 2 de toedeling plaats van de
                    resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën ongebouwd niet
                    zijnde natuur, natuur en gebouwd. Dit gebeurt op basis van hun onderlinge
                    waardeverhouding. In verband hiermee moet de waarde in het economische verkeer
                    van deze categorieën worden bepaald. In het Waterschapsbesluit is aangegeven hoe
                    de waardebepaling dient te geschieden en welke regels daarbij gelden. </al><tussenkop>Waardebepaling categorie ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                    natuurterreinen</tussenkop><al>Deze categorie valt in het kader van de kostentoedeling uiteen in vijf
                    ‘subcategorieën’ (groepen) van typen grondgebruik, te weten:</al><lijst><li nr="--"><al>Agrarische gronden;</al></li><li nr="--"><al>Openbare landwegen, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="--"><al>Banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="--"><al>Bouwpercelen en</al></li><li nr="--"><al>Overige ongebouwde onroerende zaken. </al></li></lijst><al>Ingevolge het Waterschapsbesluit is een onderverdeling in groepen noodzakelijk,
                    omdat tussen de groepen zowel de wijze van waardebepaling als de waarde per
                    hectare verschilt. </al><al>Van elke groep moet de waarde worden bepaald. Dit gebeurt globaal, hetgeen in
                    dit geval betekent dat het waterschap niet van elk individueel object dat tot de
                    betreffende groep behoort een exacte waarde hoeft te bepalen, maar dat kan
                    worden volstaan met het bepalen van de waarde van het geheel van de onroerende
                    zaken van de betreffende groep. Het product van de oppervlakte in hectare en de
                    gemiddelde waarde per hectare vormt dan de waarde van de betreffende
                    subcategorie. De optelsom van de waarden van de subcategorieën is de totale
                    waarde van de categorie ongebouwd, niet zijnde natuur. </al><tussenkop>Subcategorie agrarische gronden</tussenkop><al>Onder agrarische grond wordt ingevolge artikel 6.1, onder a, van het
                    Waterschapsbesluit de ten behoeve van de landbouw als bedoeld in artikel 312 van
                    Boek 7 van het BW, bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond verstaan, voor
                    zover deze niet de ondergrond vormen van gebouwde eigendommen. De ondergrond van
                    glasopstanden (kassen) behoort tezamen met de glasopstand zelf tot een gebouwde
                    onroerende zaak. Natte veenweidegebieden behoren ook tot de categorie agrarische
                    gronden. Bossen behoren er niet toe. Bossen worden op grond van artikel 116,
                    onder c, van de Waterschapswet immers tot de categorie natuurterreinen gerekend. </al><al>De gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden wordt bepaald op
                    basis van of afgeleid uit verkooptransacties van deze gronden in het gebied van
                    het waterschap. In het tweede lid van artikel 6.5 van het Waterschapsbesluit is
                    neergelegd dat de waarde wordt bepaald op de waarde die aan de gronden moet
                    worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
                    worden overgedragen en de gronden als agrarische gronden in gebruik zouden
                    blijven. Dit betekent dat transacties waarbij geen marktconforme prijs tot stand
                    is gekomen (dit kan bij transacties in de familiesfeer het geval zijn), niet in
                    de berekeningen mogen worden betrokken. Verder dient bij de waardebepaling van
                    gronden die zijn bezwaard met beperkte rechten of die worden verpacht, te worden
                    geabstraheerd van de waardedrukkende invloed die van deze feiten uitgaat.
                    Blijkens de toelichting bij het Waterschapsbesluit vormen de onderzoeksgegevens
                    van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
                    Voedselkwaliteit een goede basis voor de waardebepaling van agrarische gronden
                    ten behoeve van de kostentoedeling. Deze dienst rapporteert jaarlijks aan de
                    Tweede Kamer over de gemiddelde prijzen van agrarische gronden. </al><tussenkop>Subcategorieën openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer per
                    rail, inclusief kunstwerken</tussenkop><al>In feite is voor de kostentoedeling sprake van twee afzonderlijke
                    subcategorieën. Omdat de wijze waarop de waarde van deze subcategorieën moet
                    worden bepaald aan elkaar gelijk is, worden ze hier gezamenlijk besproken. </al><al>Bij de waardebepaling van openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer per
                    rail worden behalve de landwegen en spoorbanen als zodanig ook
                    verkeersvoorzieningen en kunstwerken betrokken. Voorbeelden van kunstwerken zijn
                    bruggen, viaducten en tunnels. Bij verkeersvoorzieningen moet worden gedacht aan
                    grond die dienstbaar is aan het verkeer over de weg (grond die een bijdrage
                    levert aan de verkeerskundige functionaliteit van de weg), zoals tussenbermen,
                    geluidswerende voorzieningen, obstakelvrije zone’s, bermsloten, e.d. </al><al>De gemiddelde waarde per hectare wordt ingevolge het Waterschapsbesluit gesteld
                    op de vervangingswaarde. Dit is het bedrag dat met de herbouw van een identiek
                    vervangend object gepaard zou gaan, waarbij tevens rekening moet worden gehouden
                    met een correctiefactor voor technische en functionele veroudering. Om te
                    voorkomen dat de waterschappen van geval tot geval steeds zelf de component voor
                    de technische en functionele veroudering van de onroerende zaken zouden moeten
                    bepalen, heeft de wetgever de correctiefactor in het Waterschapsbesluit zelf
                    vastgelegd. Deze bedraagt 25%. De Taxatiewijzer voor de waardebepaling van
                    openbare wegen en spoorwegen (taxatiewijzer wegen) bevat handreikingen voor de
                    waardebepaling. </al><tussenkop>Subcategorie bouwpercelen</tussenkop><al>Bouwpercelen zijn ongebouwde, al dan niet bouwrijp gemaakte percelen, waarop
                    gebouwd mag worden (artikel 6.1, onder b, Waterschapsbesluit). De gemiddelde
                    waarde per hectare wordt ingevolge artikel 6.7 van het Waterschapsbesluit
                    bepaald op basis van de waarden die voor de binnen het gebied van het waterschap
                    gelegen bouwpercelen op de voet van de Wet WOZ zijn vastgesteld. </al><tussenkop>Subcategorie overige ongebouwde onroerende zaken</tussenkop><al>De subcategorie overige ongebouwde onroerende zaken is een restcategorie waartoe
                    onder andere volkstuinen, begraafplaatsen, openbare parken en plantsoenen en
                    recreatie- en </al><al>sportterreinen behoren, voor zover zij althans niet op grond van artikel 118,
                    lid 2, van de wet deel uitmaken van een gebouwd eigendom. De gemiddelde waarde
                    per hectare wordt ingevolge het Waterschapsbesluit gesteld op de gemiddelde
                    waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van het waterschap.
                    De wetgever heeft om redenen van eenvoud hiervoor gekozen. Dit blijkt uit de
                    toelichting op artikel 6.8 van het Waterschapsbesluit. </al><al>De totale waarde ongebouwde onroerende zaken binnen waterschap Hunze en Aa’s is
                    geraamd op € 15,6 miljard. Hierbij is van het volgende uitgegaan:</al><al>Er is gebruik gemaakt van de door de Unie van Waterschappen aangereikte
                    conversietabel in de Geowijzer. </al><al>De waarde van de openbare landwegen en openbare spoorwegen is gebaseerd op de
                    Taxatiewijzer. Bij wetsfictie is de waarde van de openbare wegen en spoorwegen
                    gesteld op 75% van de vervangingswaarde.</al><al>De gemiddelde waarde van de agrarische gronden is vastgesteld op € 23.040 per
                    hectare.</al><tussenkop>Waardebepaling categorie natuurterreinen</tussenkop><al>De volgende categorie waarvoor in het kader van de kostentoedeling een waarde
                    moet worden vastgesteld, is de categorie natuurterreinen. Natuurterreinen zijn
                    in artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet gedefinieerd als ongebouwde
                    onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel
                    en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Tot de
                    categorie natuurterreinen worden daarom bijvoorbeeld heidevelden, moerassen,
                    zandverstuivingen en duingebieden gerekend. Ook (productie)bossen en open
                    wateren met een oppervlakte van ten minste 1 hectare behoren tot deze categorie.
                    Bij open wateren moet blijkens het Waterschapsbesluit worden gedacht aan vennen,
                    meren, plassen en daarmee vergelijkbare wateren met een open en weids karakter.
                    In de regel zullen stadsparken, plantsoenen, e.d. vanwege hun recreatieve
                    functie niet als een natuurgebied kunnen worden aangemerkt. De gemiddelde waarde
                    per hectare van natuurterreinen wordt op basis van het Waterschapsbesluit
                    gesteld op 20% van de gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in
                    het gebied van het waterschap.</al><al>De totale waarde natuurterreinen binnen waterschap Hunze en Aa's is geraamd op €
                    0,154 miljard. Hieraan ten grondslag ligt dat de gemiddelde waarde van de
                    categorie natuur bij wetsfictie is vastgesteld op 20% van de gemiddelde
                    agrarische waarde. De gemiddelde waarde van de natuurterreinen is daarmee
                    vastgesteld op € 4.608 per hectare.</al><tussenkop>Waardebepaling categorie gebouwde onroerende zaken</tussenkop><al>Voor het bepalen van de waarde van de gebouwde onroerende zaken moet worden
                    aangesloten bij de waarden, zoals die voor deze objecten in het kader van de Wet
                    WOZ door de gemeenten zijn vastgesteld. Wat onder een gebouwd object moet worden
                    verstaan, is in artikel 118, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet
                    geregeld. Op grond van deze regeling wordt een samenstel van ongebouwde en
                    gebouwde onroerende zaken als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt. </al><al>De WOZ-waarde van de gebouwde onroerende zaken binnen het gebied van waterschap
                    Hunze en Aa’s bedroeg op peildatum 1 januari 2007 in totaal € 41,7 miljard.</al><tussenkop>Samenvattend</tussenkop><al>Samenvattend bedroeg de waarde van de categorieën ongebouwde onroerende zaken,
                    natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken binnen het beheersgebied van
                    waterschap Hunze en Aa’s op de peildatum 1 januari 2007:</al><lijst><li nr="--"><al>ongebouwde onroerende zaken € 15,60 miljard (27,1%)</al></li><li nr="--"><al>natuurterreinen € 0,15 miljard (0,3%)</al></li><li nr="--"><al>gebouwde onroerende zaken € 41,75 miljard (72,6%)</al></li></lijst><al>Gelet op het vorenstaande is onderlinge waardeverhouding tussen de categorieën
                    ingezetenen, ongebouwd, natuur en gebouwd voor de watersysteemheffing van
                    waterschap Hunze en Aa’s vastgesteld op:</al><lijst><li nr="--"><al>ingezetenen 25%</al></li><li nr="--"><al>ongebouwde onroerende zaken 20,3%</al></li><li nr="--"><al>natuurterreinen 0,2%</al></li><li nr="--"><al>gebouwde onroerende zaken 54,5%</al></li></lijst><tussenkop>Waardepeildatum</tussenkop><al>Artikel 6.11 van het Waterschapsbesluit bepaalt dat de waardepeildatum van de
                    categorie ongebouwde onroerende zaken en van de categorie natuurterreinen
                    plaatsvindt naar de hoedanigheid en de staat van deze onroerende zaken op de
                    waardepeildatum. De waardepeildatum ligt ingevolge het eerste lid van deze
                    bepaling maximaal twee jaren voor het begin van het eerste kalenderjaar waarop
                    de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. De waardepeildatum kan in het
                    onderhavige geval dus op 1 januari 2008 of op 1 januari 2007 worden vastgesteld.
                    Omdat het in het onderhavige geval praktisch evenwel niet mogelijk is om van de
                    waardepeildatum 1 januari 2008 uit te gaan, (zie voor een toelichting hierop
                    onderdeel 4.1 van het Algemeen deel van deze toelichting), wordt in de
                    modelverordening uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2007. Deze
                    waardepeildatum zal ook worden gehanteerd in de taxatiewijzer wegen. </al><tussenkop>Artikel 3 Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing </tussenkop><al>Het waterschap kan ervoor kiezen om kosten van heffing en invordering van de
                    watersysteemheffing en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen
                    bestuur rechtstreeks aan de betrokken categorieën toe te rekenen, maar is
                    hiertoe niet verplicht. Het waterschap kan er ook voor kiezen om alleen de
                    kosten van heffing en invordering óf alleen verkiezingskosten rechtstreeks toe
                    te rekenen. Indien het waterschap voor rechtstreekse toerekening van kosten
                    kiest, moet deze methodiek integraal worden toegepast. Dit betekent dat dit
                    principe ten aanzien van alle categorieën ten behoeve waarvan de betreffende
                    kosten worden gemaakt, moet worden toegepast. In dit verband wordt overigens
                    opgemerkt dat de kosten van verkiezingen onder de gewijzigde Waterschapswet
                    alleen nog betrekking hebben op de categorie ingezetenen; de andere in het
                    waterschapsbestuur vertegenwoordigde categorieën van belanghebbenden worden
                    immers niet verkozen maar benoemd (zie artikel 14 Waterschapswet). </al><al>Bij kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing kan met name
                    worden gedacht aan kwijtscheldingskosten en kosten voor het verkrijgen van
                    WOZ-gegevens. Kwijtscheldingskosten hebben met name betrekking op de categorie
                    ingezetenen en WOZ-kosten op de categorie gebouwd. Indien een waterschap ervoor
                    kiest de kosten van kwijtschelding rechtstreeks toe te rekenen, moet er wel
                    rekening worden gehouden met het feit dat deze kosten niet alleen in het kader
                    van de watersysteemheffing, maar ook in het kader van de zuiveringsheffing
                    worden gemaakt. Een deel van de kwijtscheldingskosten moet met andere woorden
                    ten laste van de zuiveringsheffing worden gebracht. </al><tussenkop>Artikel 4 Buitendijks gelegen onroerende zaken
                    (tariefdifferentiatie)</tussenkop><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan besluiten de belastingtarieven,
                    zoals die voor de categorieën ongebouwd, natuur en gebouwd in de verordening op
                    de watersysteemheffing zijn vastgesteld, te differentiëren. Het gaat hier om een
                    facultatieve bevoegdheid van het waterschapsbestuur en niet om een verplichting.
                    Tariefdifferentiatie is slechts toegestaan in een beperkt aantal gevallen, die
                    in de wet (artikel 122) met zoveel woorden zijn genoemd. Ook de maximale omvang
                    van de tariefdifferentiaties (de verhogingen en verlagingen) is in de wet
                    geregeld. Zie voor een nadere toelichting ook de Handreiking
                    tariefdifferentiatie.</al><al>De hoofdregel die uit artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c en d van de
                    Waterschapswet voortvloeit, is dat het tarief van de belasting per eenheid van
                    de heffingsmaatstaf gelijk is. De regeling van de tariefdifferentiatie maakt het
                    mogelijk om van deze hoofdregel af te wijken. Indien tarieven worden
                    gedifferentieerd zal voor de betreffende belastingcategorieën geen sprake meer
                    zijn van gelijke tarieven per heffingsmaatstaf. </al><al>De wet schrijft in artikel 122 voor dat de tariefdifferentiatie in de
                    kostentoedelingsverordening moet worden geregeld. Blijkens de wetsgeschiedenis
                    moet de provincie het besluit tot toepassing van tariefdifferentiatie via de
                    kostentoedelingsverordening goedkeuren. Een logische interpretatie is dat de
                    wetgever heeft gewild dat de waterschappen in hun kostentoedelingsverordening de
                    situaties aangeven waarin tariefdifferentiatie zal plaatsvinden alsook de mate
                    waarin dit zal geschieden. Dit wordt in de modelverordening tot uitdrukking
                    gebracht. Omdat de kostentoedelingsverordening geen bepaling over de tarieven
                    bevat (deze staan in de verordening op de watersysteemheffing), is het nodig om
                    in deze verordening een verwijzing naar de belastingverordening op te nemen. </al><al>Zoals zojuist is opgemerkt, worden in artikel 122 van de Waterschapswet maximale
                    tariefafwijkingen genoemd. Voor welk(e) percentage(s) in specifieke gevallen
                    precies wordt gekozen, behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. </al><al>De verordening sluit aan op de aanbevelingen van de eerdergenoemde Handreiking
                    tariefdifferentiatie. In deze handreiking wordt aanbevolen om:</al><lijst><li nr="--"><al>terughoudend gebruik van de tariefdifferentiatie te maken; </al></li><li nr="--"><al>voor de categorie natuurterreinen geen tariefdifferentiatie in te
                            stellen;</al></li><li nr="--"><al>cumulatie van tariefdifferentiatie te beperken;</al></li><li nr="--"><al>zoveel mogelijk gelijke tariefverhogingen/verlagingen per
                            belastingcategorie te hanteren. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit lid bepaalt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van het
                    belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2009. De ingetrokken verordening blijft
                    gelden voor de belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet bepaalt dat besluiten van het
                    waterschap die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan wanneer
                    zij zijn bekendgemaakt. Deze regel is ook op de kostentoedelingsverordening van
                    toepassing. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de
                    Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                    bekendmaking, tenzij in deze besluiten een ander tijdstip is aangewezen. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De onderhavige kostentoedelingsverordening wordt voor het eerst toegepast op het
                    belastingjaar dat op 1 januari 2009 aanvangt. De kostentoedelingsverordening
                    moet ten minste eenmaal in de vijf jaar worden herzien. Frequentere herziening
                    is dus mogelijk. Het noemen van een einddatum is mede hierom niet
                    wenselijk.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>In dit artikellid wordt de verordening voorzien van een citeertitel. De naam van
                    het waterschap en het jaartal 2009 zijn hiervan een onderdeel.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>