<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88892_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de watersysteemheffing waterschap Hunze en Aa's 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Dagblad van het Noorden, 18-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de watersysteemheffing waterschap Hunze en Aa's 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 110, 113, 117</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>598</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de watersysteemheffing waterschap Hunze en Aa’s 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s;</al><al>Op voordracht van het dagelijks bestuur van18 oktober 2010;</al><al>Gelet op de artikelen 110, 113 en 117 van de Waterschapswet;</al><al>Besluit:</al><al>Vast te stellen de Verordening op de watersysteemheffing waterschap Hunze en
                        Aa’s 2011.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de gemeentelijke
                                    basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het
                                    kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap
                                    en die aldaar gebruik heeft van woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>het openbaar lichaam Hefpunt: het samenwerkingsverband van de
                                    afdeling Belastingen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze
                                    en Aa’s en Wetterskip Fryslân. Hefpunt verzorgt voor de
                                    deelnemers de heffing en invordering van de
                                    waterschapslasten;</al></li><li nr="c."><al>heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                                    aangewezen ambtenaar bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                    onderdeel b, of de door dit bestuur aangewezen ambtenaar bedoeld
                                    in artikel 124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="d."><al>invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                                    aangewezen ambtenaar bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                    onderdeel c, of de door dit bestuur aangewezen ambtenaar bedoeld
                                    in artikel 124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet;
                                </al></li><li nr="e."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="f."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap,
                                    bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                                    Waterschapswet;</al></li><li nr="g."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                    geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                    gelegen;</al></li><li nr="h."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;</al></li><li nr="i."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinen zijn;</al></li><li nr="j."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin het
                                    waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te
                                    oefenen;</al></li><li nr="k."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117,
                                    aanhef, Waterschapswet;</al></li><li nr="l."><al>neventaak: de zorg voor het vaarwegenbeheer zoals genoemd in het
                                    provinciaal reglement voor het Waterschap Hunze en Aa's, voor
                                    zover deze zorg niet tot de taak van anderen behoort.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al><vet>Belastbaar feit en belastingplichtigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor
                                    het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een
                                    directe belasting geheven.</al></li><li nr="2."><al>De heffing wordt geheven van hen die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                            met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de
                                            leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt
                                            als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te
                                            wijzen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van natuurterreinen in het gebied van het
                                            waterschap;</al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c
                                    en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als
                                    rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                                    blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht is;</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is
                                    heffingplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                            onroerende zaak is onderworpen aan het recht van
                                            beklemming, van erfpacht, van opstal of van
                                            vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                            dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de
                                            aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de
                                            aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel
                                            bovengrondse leidingen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten
                                    als bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de
                                    heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als
                                            de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;</al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                            watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen <vet>€ 55,80 </vet>per
                            woonruimte. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2,
                                onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze verordening, wordt als
                                één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of
                                een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                                gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing worden openbare land- en waterwegen en banen voor
                                openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende
                                zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                ongebouwde onroerende zaken <vet>€ 48,95 </vet>per hectare.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 4, eerste lid van de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor buitendijks
                                gelegen ongebouwde onroerende zaken, <vet>€ 12,85 </vet>per
                                hectare.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt
                            een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                            buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen <vet>€ 3,24 </vet>per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel d van deze verordening, wordt als één gebouwde onroerende
                                zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel;</al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van
                                        een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel
                                        of van een in onderdeel d bedoeld deel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde
                                eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een gebouwd
                                eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e,
                                deel uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vorige artikellid maken de
                                ongebouwde eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de
                                waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18,
                                vierde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel
                                uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tarief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                gebouwde onroerende zaken <vet>0,04496 </vet>% van de
                                heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 3, onderdeel c van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 4, eerste lid van de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor buitendijks
                                gelegen gebouwde onroerende zaken, <vet>0,01302 %</vet>van de
                                heffingsmaatstaf.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven.</al></li><li nr="2."><al>Op één aanslagbiljet kunnen meerdere soorten aanslagen worden
                                    verenigd, de zogenaamde integrale aanslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                                belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde
                                belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, stelt
                                de heffingsambtenaar de aanslag ten name van een van hen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit
                                uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of
                                beperkt recht en de aanslag ten name van een van de
                                belastingplichtigen is gesteld, kan de invorderingsambtenaar de
                                belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen op degene op
                                wiens naam de aanslag ingevolge het eerste lid is gesteld, zonder
                                rekening te houden met de rechten van de overige
                                belastingplichtigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanslag die een bedrag van € 10,- niet te boven gaat, wordt niet
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
                                aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken wordt niet
                                geheven ter zake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het
                                waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De watersysteemheffing natuurterreinen wordt niet geheven ter zake
                                van natuurterreinen waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken wordt niet geheven
                                ter zaken van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen- worden begrepen die zijn
                                        geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten
                                        dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in het
                                        waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten,
                                        verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                        banken, abri’s, hekken en palen.</al></li><li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                        is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaaltermijnen</titel></kop><al>1 De aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                            aanslagbiljet.</al><al>2.In afwijking van het gestelde in het eerste lid geldt dat als de
                            verschuldigde aanslag bedragen door middel van automatische incasso
                            kunnen worden afgeschreven, dit dient te gebeuren in maximaal zes
                            termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het
                            aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de invordering van waterschapsbelastingen kan op
                            schriftelijk verzoek van de heffingsplichtige, die niet in staat is
                            anders dan met buitengewoon bezwaar de watersysteemheffing ingezetenen
                            geheel of gedeeltelijk te betalen, besluiten tot het verlenen van gehele
                            of gedeeltelijke kwijtschelding. Van de watersysteemheffing
                            natuurterreinen, de watersysteemheffing ongebouwd en de
                            watersysteemheffing gebouwd wordt geen kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing
                                en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening op de watersysteemheffing waterschap Hunze en
                                    Aa’s 2010, vastgesteld bij besluit van 18 november 2009 wordt
                                    ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum
                                    van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                                    toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum
                                    hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag
                                    na die van haar bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening op de
                                    watersysteemheffing waterschap Hunze en Aa’s 2011.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de vergadering van het Algemeen Bestuur van het waterschap
                        Hunze en Aa’s, gehouden op 24 november 2010 te Veendam.</ondertekening><ondertekening>Harm Küpers, Alfred van Hall,</ondertekening><ondertekening>secretaris-directeur dijkgraaf</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Algemeen</tussenkop><al>1.<vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de Waterschapswet.</al><al>2.<vet>De watersysteemtaak</vet></al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                    watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor het
                    watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                    waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Met het gebruik
                    van de term “zorg voor het watersysteem” wordt benadrukt dat zij een nauwe
                    onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>In artikel 1, lid 2, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op de voet van
                    artikel 122d, lid 1 van de Waterschapswet als andere hoofdtaak van het
                    waterschap genoemd. Ook is bepaald dat de zorg voor een of meer andere
                    waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn of worden opgedragen.
                    De uitvoering van de wegen- en de vaarwegentaak door een aantal waterschappen is
                    een uiting van dit laatste. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap,
                    uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent. Alhoewel de
                    wetgever dit niet met zoveel woorden aangeeft, moet worden aangenomen dat de
                    uitzonderingen gevallen betreffen waarin andere overheden dan de waterschappen
                    taken ter zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het
                    watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De nadere invulling
                    ervan vindt plaats in het provinciale waterschapsreglement en in de praktijk ook
                    in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals in de Waterwet. Op grond van
                    artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en de taken van het waterschap
                    door Provinciale Staten bepaald. </al><al>3.<vet>De watersysteemheffing</vet></al><al>Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:</al><al>de ingezetenen;</al><al>de eigenaren (zie: voetnoot 1) van ongebouwde onroerende zaken, niet
                    zijnde natuurterreinen;</al><al>de eigenaren van natuurterreinen en</al><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën.</al><al>Natuurterreinen hebben in de Waterschapswet een aparte status, omdat hun wensen
                    en behoeften op het gebied van de waterhuishouding nogal kunnen verschillen van
                    die van het overige ongebouwd. Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde
                    onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, worden verstaan. In de
                    verordening zal steeds een duidelijk onderscheid worden gemaakt in
                    natuurterreinen enerzijds en ongebouwd, niet zijnde natuur, anderzijds. </al><al>Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel
                    hebben degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren per definitie
                    belang bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun betaling is
                    hierop gebaseerd. </al><al>4.<vet>De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</vet></al><al>De Waterschapswet geeft in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter zake van
                    ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing ter zake van
                    de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf voor de
                    ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de
                    oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                    heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)
                    vastgestelde waarde. </al><al>Het tarief van de belasting moet op grond van de Waterschapswet worden gesteld
                    op een gelijk bedrag per woonruimte (ingezetenen), op een gelijk bedrag per
                    hectare (ongebouwd niet zijnde natuur en natuur) of op een vast percentage van
                    de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent daarmee dus vier
                    afzonderlijke tarieven.</al><al>5.<vet>Tariefdifferentiatie</vet></al><al>Tariefdifferentiatie is een voor de waterschappen een mogelijkheid om rekening
                    te houden met het feit dat het belang bij het watersysteembeheer voor bepaalde
                    onroerende zaken duidelijk afwijkend kan zijn dan dat van andere onroerende
                    zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur van een waterschap de
                    mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een
                    oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin
                    tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd. Om dezelfde
                    redenen is de bandbreedte van de differentiatie wettelijk begrensd.
                    Tariefdifferentiatie kan alleen worden toegepast voor buitendijks gelegen
                    onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens de legger van het
                    waterschap als waterberging worden gebruikt, voor onroerende zaken gelegen in
                    bemalen gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden
                    bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling van de tariefdifferentiatie
                    staat in artikel 122 van de Waterschapswet. </al><al>Het waterschap Hunze en Aa’s heeft besloten om tariefdifferentiatie toe te
                    passen voor buitendijks gelegen ongebouwde en gebouwde onroerende zaken.</al><al>6.<vet>Hoofdstukindeling</vet></al><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en 18
                    artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken II tot en
                    met V gaan respectievelijk in op de heffing ter zake van ingezetenen, ongebouwde
                    onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen), natuurterreinen en gebouwde
                    onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat algemene bepalingen over de heffing en
                    de invordering van de watersysteemheffing. </al><al/><al><vet>Voetnoot </vet>1: In de toelichting wordt gemakshalve de term ‘eigenaren’
                    (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken)
                    gebruikt. De juridisch juiste term is ‘degene die krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht het genot heeft’ (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen
                    en gebouwde onroerende zaken).</al><al/><al/><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><al/><tussenkop>Aanhef</tussenkop><al>Het besluit om de watersysteemheffing in te voeren, is een bevoegdheid van het
                    algemeen bestuur van het waterschap, welke wordt geconcretiseerd door de
                    vaststelling van de belastingverordening. Dit wordt in de aanhef van de
                    verordening tot uitdrukking gebracht, waarbij ook de relevante wettelijke
                    bepalingen worden genoemd. Artikel 110 Waterschapswet is de wettelijke bepaling
                    die over het besluit tot invoering van de belasting en de daarvoor benodigde
                    vaststelling van de belastingverordening gaat. Artikel 113 is de wettelijke
                    bepaling die aangeeft welke belastingen en rechten door de waterschappen geheven
                    mogen worden en artikel 117 is de bepaling op grond waarvan waterschappen ter
                    bestrijding van kosten verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de
                    naam watersysteemheffing een belasting mogen heffen. In de aanhef wordt
                    daarnaast tot uitdrukking gebracht dat aan de vaststelling van de verordening
                    door het algemeen bestuur een voordracht van het dagelijks bestuur vooraf
                    gaat.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in
                    de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><tussenkop>a. Ingezetenen</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel 116, onder a,
                    van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet
                    sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte in het
                    gebied van het waterschap. Of sprake is van het hebben van woonplaats, wordt aan
                    de hand van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                    bepaald. De situatie bij het begin van het kalenderjaar is bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een
                    afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de
                    gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van
                    voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet worden
                    gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker
                    van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar
                    huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners van verpleeg- en
                    verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de zin van
                    artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde geldt
                    voor bewoners van studentenhuizen. </al><tussenkop>b. Hefpunt</tussenkop><al>Hefpunt is het samenwerkingsverband op het gebied van waterschapsbelastingen
                    voor de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip Fryslân.
                    Vestigingsplaats is Groningen. Uitgangspunt is een zo doelmatig mogelijke
                    uitvoering van de heffing en invordering van de waterschapsbelastingen. In
                    (Bijlage 1 van) de gemeenschappelijke regeling Hefpunt is een groot aantal
                    wettelijke bevoegdheden betreffende waterschapsbelastingen overgedragen aan
                    Hefpunt. In dit verband zijn de door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                    aangewezen heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar in de onderdelen c en d
                    als zodanig ook voor het waterschap Hunze en Aa’s van belang.</al><tussenkop>c. Heffingsambtenaar</tussenkop><al>De ambtenaar van Hefpunt die de heffingsbevoegdheden (inspecteurbevoegdheden)
                    uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent, wordt in de verordening
                    de heffingsambtenaar genoemd. Tot de inspecteurbevoegdheden behoort de
                    bevoegdheid tot het vaststellen van belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het
                    doen van uitspraken op bezwaarschriften. De wettelijke basis is artikel 123,
                    derde lid, onder a, van de Waterschapswet.</al><al>Bij samenwerking in een gemeenschappelijke regeling, waarbij die regeling een
                    openbaar lichaam is ingesteld, kan een ambtenaar van dit openbaar lichaam als
                    heffingsambtenaar worden aangewezen. Dit is in artikel 124, vijfde lid, onder a,
                    van de Waterschapswet geregeld. Aanwijzing tot heffingsambtenaar gebeurt bij
                    besluit van het openbaar lichaam. </al><tussenkop>d. Invorderingsambtenaar</tussenkop><al>De ambtenaar van Hefpunt die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet
                    1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term ‘invorderingsambtenaar’
                    aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de
                    invordering van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van belasting
                    is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet noemt de ontvanger in artikel
                    123, derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien van de heffingsambtenaar het
                    geval is, kan in geval samenwerking door waterschappen in een gemeenschappelijke
                    regeling en indien hierbij een openbaar lichaam is ingesteld, een ambtenaar van
                    dit openbaar lichaam als invorderingsambtenaar worden aangewezen. Dit volgt uit
                    artikel 124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet. </al><tussenkop>e. Woonruimte</tussenkop><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel a,
                    hiervoor. </al><tussenkop>f. Kostentoedelingsverordening</tussenkop><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                    Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening
                    vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                    belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                    Kostentoedelingsverordening genoemd. Ook in het kader van de
                    tariefdifferentiatie is de Kostentoedelingsverordening van belang. </al><tussenkop>g. Buitendijks gelegen onroerende zaken</tussenkop><al>Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven als onroerende zaken die
                    geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen. Deze
                    omschrijving is gelijk aan de definitie uit de kostentoedelingsverordening. </al><tussenkop>h. Natuurterreinen</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                    onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving
                    van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als
                    natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende
                    zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing aan de
                    zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of
                    uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel
                    nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels
                    eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd
                    zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken,
                    plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie
                    niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden. </al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte van
                    tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of
                    open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake van een
                    natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer
                    van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                    natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van
                    tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel
                    of nagenoeg geheel staat voor 90% of meer. </al><tussenkop>i. Ongebouwde onroerende zaken</tussenkop><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken,
                    worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld.
                    Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117, onder b, van
                    de Waterschapswet. </al><tussenkop>j. Gebied van het waterschap</tussenkop><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                    waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een
                    bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het watersysteem
                    aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de provincie, bij
                    provinciaal reglement. In de praktijk wordt het gebied van het waterschap veelal
                    aangeduid op een (al dan niet elektronische) kaart die bij het provinciale
                    reglement behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor het watersysteem’ aan
                    de waterschappen niet impliceert dat <cursief>alle</cursief> zorg voor het
                    watersysteem in een bepaald gebied aan het waterschap is toegekend (ook andere
                    overheden kunnen immers ter zake taken uitoefenen), is in de verordening
                    opgenomen dat het moet gaan om het gebied waarin het waterschap de bevoegdheid
                    tot uitoefening van het watersysteembeheer heeft. </al><tussenkop>k. De heffing</tussenkop><al>Waar in de verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de
                    watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                    bedoeld. Met de watersysteemheffing wordt de zorg voor het watersysteem
                    grotendeels bekostigd.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</tussenkop><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd is
                    in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de
                    belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de
                    belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het
                    belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de
                    Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen degenen
                    die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik
                    hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied van het
                    waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, van natuurterrein of van gebouwde onroerende zaken. Deze
                    vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede lid, onderdelen a
                    tot en met d, van de verordening opgenomen. </al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                    kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde
                    onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren van natuurterreinen
                    en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, eerste
                    lid, van de Waterschapswet. Indien het genot krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of
                    eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht vanwege het
                    tijdstipkarakter van de heffing. Het begin van het kalenderjaar is blijkens
                    artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook bepalend voor de
                    ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de
                    Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal specifieke
                    situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige aangegeven. Deze
                    regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel 2 van de verordening
                    overgenomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</tussenkop><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                    bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De
                    heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen en
                    ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de
                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende
                    zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde. </al><tussenkop>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4 Tarief ingezetenen</tussenkop><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de Kostentoedelingsverordening
                    tot uitdrukking gebracht en is, conform het bepaalde in artikel 121, eerste lid,
                    onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag
                    per woonruimte wordt gesteld. Tariefdifferentiatie is niet mogelijk. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken </tussenkop><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing betrekking
                    heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid regelt de
                    afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen natuurterreinen is. Het
                    ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één
                    ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal perceel of een
                    gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen ingevolge de wet
                    wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet
                    een natuurterrein is, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten
                    aanmerking moet worden gelaten. In artikel 5, eerste lid, van de verordening
                    komt deze wettelijke regeling terug. </al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van de
                    Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                    afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in dit
                    artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                    natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en
                    banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke
                    bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen,
                    aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt
                    op basis van kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden
                    aangemerkt als woning, kwalificeren uitdrukkelijk niet als ongebouwde
                    objecten.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                    Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                    onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Deze bepaling en de
                    relatie met de Kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid van artikel 6
                    opgenomen. </al><tussenkop>Tariefdifferentiatie</tussenkop><al>De Waterschapswet noemt in artikel 122 vijf situaties waarin het mogelijk is om
                    de tarieven van de belasting lager of hoger vast te stellen. Artikel 122 (de
                    bepaling die de tariefdifferentiatie regelt) maakt dus een inbreuk op het
                    uitgangspunt dat het tarief van de belasting op een gelijk bedrag per hectare
                    wordt gesteld. In de Kostentoedelingsverordening is aangegeven in welke gevallen
                    gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke mate. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken is in de
                    Kostentoedelingsverordening het tarief van de belasting 75% lager vastgesteld.
                    In de verordening op de watersysteemheffing komt het tarief na toepassing van de
                    differentiatie te staan. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 7 Belastingobject </tussenkop><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een kadastraal
                    perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook natuurterreinen
                    worden dus op basis van de kadastrale registratie afgebakend. Hierbij wordt
                    hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen als een ongebouwde
                    onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein, wordt aangemerkt, buiten
                    aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4, Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met
                    andere woorden door de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de
                    bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat
                    voor 90% of meer, terwijl gebruik van het woord ‘duurzaam’ erop duidt dat geen
                    sprake mag zijn van een situatie die als tijdelijk is bedoeld. </al><al>Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden op
                    grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als natuurterreinen
                    aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen dat zij geheel of
                    nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden
                    geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen vallen. De wetgever heeft
                    hiervoor gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde
                    bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de
                    praktijk moeilijk is te maken (zie:voetnoot 2).</al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden ook
                    een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein maar als
                    agrarische grond aangemerkt. </al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden ook
                    voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens worden gedacht aan
                    wateren met een weids karakter. Openbare waterwegen behoren niet tot deze
                    categorie, maar tot de categorie ongebouwd niet zijnde natuur.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</tussenkop><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld. Dit is
                    in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bepaald. In
                    artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo aangegeven. Daarnaast wordt in
                    deze bepaling de relatie met de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al>In de Handreiking tariefdifferentiatie wordt het instellen van
                    tariefdifferentiatie voor natuurterreinen afgeraden. In deze verordening zijn
                    ter zake dan ook geen bepalingen opgenomen. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 9 Belastingobject</tussenkop><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één
                    gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118, eerste en
                    tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in
                    artikel 9 van de verordening overgenomen. </al><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van gebouwde
                    onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet
                    waardering onroerende zaken (hierna Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft deze
                    aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van ongebouwde en gebouwde
                    eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De
                    ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van de gebouwde
                    onroerende zaak. De gemeentelijke objectafbakening is leidend. </al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                    samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid van
                    artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen ongebouwde
                    eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet WOZ buiten aanmerking
                    worden gelaten, geen deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Het gaat
                    concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen in de
                    Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus bedrijfsmatig
                    geëxploiteerde cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen,
                    openbare land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun kunstwerken. Deze
                    onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met een gebouwd
                    eigendom, dus ongebouwd.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Tarief</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                    percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121, eerste
                    lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in de verordening op de
                    watersysteemheffing overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10, eerste lid, van de
                    verordening de relatie met de Kostentoedelingsverordening aan. </al><tussenkop>Tariefdifferentiatie</tussenkop><al>De wetgever heeft in artikel 122 vijf gevallen genoemd waarin
                    tariefdifferentiatie mogelijk is en heeft daarbij ook de maximale mate van
                    tariefdifferentiatie vastgelegd. In artikel 10, tweede tot en met zevende lid
                    van de verordening zijn deze situaties, voor zover relevant voor gebouwde
                    onroerende zaken, nader uitgewerkt. De Kostentoedelingsverordening van het
                    waterschap moet uitsluitsel geven over de vraag of er in een concreet geval
                    gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke mate. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Voor gebouwde onroerende zaken gelegen in het buitendijks gebied is het tarief
                    75% lager vastgesteld. De mate waarin wordt gedifferentieerd moet uit de
                    Kostentoedelingsverordening blijken. In de verordening op de watersysteemheffing
                    komt het percentage na toepassing van de differentiatie te staan. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 11 Wijze van heffing</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanslagen in de watersysteemheffing voor het waterschap Hunze en Aa’s worden
                    geheven bij wege van aanslag. Deze hoofdregel is vastgelegd in het eerste lid. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Op grond van het tweede lid kunnen op één aanslagbiljet meerdere soorten
                    aanslagen worden verenigd, de zogenaamde integrale aanslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                    belastingplichtigen</tussenkop><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde voorwerp
                    van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                    belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen te stellen.
                    Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een onroerende zaak en is de
                    aanslag ten name van een van de belastingplichtigen gesteld, dan kan de
                    invorderingsambtenaar van het waterschap de gehele belastingschuld op
                    laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van de
                    aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan
                    overeenkomt met zijn belastingplicht, naar evenredigheid van ieders
                    belastingplicht op de overige belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit
                    artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</tussenkop><al>Artikel 13 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                    Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een
                    aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                    gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de
                    bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                    opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting
                    in deze gevallen immers al snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling blijkt
                    in situaties waarin een belastingplichtige de eigenaar van meerdere objecten met
                    een relatief geringe waarde in het gebied van het waterschap is. Indien het
                    waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet
                    verenigt, wordt wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel
                    uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden opgelegd. </al><al>In de Gemeentewet is in het kader van de heffing van de gemeentelijke
                    onroerende-zaakbelastingen bepaald dat gemeenten geen belastingaanslagen hoeven
                    op te leggen indien de heffingsmaatstaf beneden de €12.000, - of een in de
                    belastingverordening te bepalen lager bedrag blijft. Een vergelijkbare bepaling
                    komt in de Waterschapswet niet voor. Elk waterschap is dan ook vrij de hoogte
                    van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te bepalen en in de
                    heffingsverordening neer te leggen. </al><al/><tussenkop>Artikel 14 Vrijstellingen</tussenkop><al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de watersysteemheffing
                    niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken (ongebouwde, zowel als gebouwde
                    en natuurterreinen) die bij het waterschap in eigendom zijn. Door een
                    vrijstellingsbepaling in de verordening op te nemen wordt voorkomen dat het
                    waterschap aan zichzelf aanslagen moet opleggen. Dit is niet doelmatig
                    (vestzak-broekzak). In artikel 14 is daarnaast een vrijstelling voor
                    straatmeubilair opgenomen. Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde
                    onroerende zaken. Het verschil met de eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken
                    is dat het straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om
                    voor vrijstelling in aanmerking te komen. </al><al/><tussenkop>Artikel 15 Betaaltermijnen</tussenkop><al>In de Invorderingswet 1990 is geregeld dat een belastingaanslag zes weken na
                    dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar is. Lokale overheden kunnen in
                    hun belastingverordening echter voor een afwijkende betaaltermijn kiezen. In het
                    eerste lid van de verordening is geregeld, dat in afwijking van de wettelijke
                    regeling, een belastingaanslag betaald moet worden binnen twee maanden na de
                    dagtekening van het aanslagbiljet. </al><al>Dit geldt echter niet in het geval dat gekozen wordt voor betaling via
                    automatische incasso. In dat geval kan er in zes termijnen betaald worden. Dit
                    is geregeld in het tweede lid.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Kwijtschelding</tussenkop><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen
                    bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                    gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. In de verordening
                    wordt ervan uitgegaan dat het algemeen bestuur van de bevoegdheid om geen
                    kwijtschelding te verlenen, gebruik maakt ten aanzien van de watersysteemheffing
                    natuurterreinen, de watersysteemheffing ongebouwd en de watersysteemheffing
                    gebouwd. Van de watersysteemheffing ingezetenen wordt op grond van deze bepaling
                    wel kwijtschelding verleend. </al><al/><tussenkop>Artikel 17 Nadere regels</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de heffing en de
                    invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de verordening
                    opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er op het gebied
                    van de heffing en de invordering van de belasting ook op andere plaatsen dan in
                    de verordening zelf relevante regels kunnen zijn opgenomen. Het gaat hierbij met
                    name om regels die gelden voor het doen van aangifte (voor de
                    watersysteemheffing minder relevant), het opleggen van voorlopige aanslagen,
                    regels in het kader van de invorderingsrente en nadere regels in het kader van
                    de heffing op andere wijze. Voor dit laatste wordt ook verwezen naar artikel
                    125a, eerste lid, tweede volzin, Waterschapswet. </al><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen strekt zich
                    uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de
                    Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur zijn
                    toegekend. </al><al/><tussenkop>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                    heffing en citeertitel</tussenkop><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt de Verordening op de watersysteemheffing
                    waterschap Hunze en Aa’s 2010 ingetrokken met ingang van de datum van de
                    heffing. De datum van ingang de heffing is 1 januari 2011. De oude verordening
                    blijft van toepassing op belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2011 hebben
                    voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze belastbare feiten op basis van de
                    oude verordening te belasten, ook al is de verordening ingetrokken. </al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 18 treedt de verordening acht dagen na haar
                    bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de
                    Waterschapswet. Het opnemen van een andere termijn dan acht dagen is mogelijk. </al><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder hetgeen in artikel 73 van
                    de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is
                    essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening immers geen
                    verbindende kracht. Bekendmaking geschiedt ingevolge artikel 73, tweede lid,
                    door:</al><lijst><li nr="·"><al>plaatsing van het besluit in een vanwege het waterschapsbestuur tegen
                            betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie;</al></li><li nr="·"><al>het doen van mededeling van dit feit in een plaatselijk verschijnend
                            dag- of nieuwsblad. </al></li></lijst><al>Het is de bedoeling dat de integrale tekst van het besluit tot vaststelling van
                    de belastingverordening in de vanwege het waterschapsbestuur verkrijgbaar
                    gestelde publicatie wordt geplaatst. De publicatie waarop de wetgever doelt, is
                    het Waterschapsblad of, bij gebreke daarvan, een daaraan vergelijkbare uitgave.
                    Van belang is dat de uitgave omwille van de overzichtelijkheid een register en
                    een nummering bevat. Het kan worden vergeleken met het Staatsblad voor
                    rijkswetten. Waterschapsbesturen zijn voor het overige volledig vrij in de wijze
                    waarop zij het Waterschapsblad of de andere uitgave vormgeven. </al><al>Het waterschapsbestuur moet het Waterschapsblad of de andere uitgave algemeen
                    verkrijgbaar stellen. Dit betekent dat geen sprake mag zijn van een louter
                    intern bedoeld medium. </al><al>Het doen van mededeling in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad houdt
                    niet in dat de integrale tekst van de verordening in het dag- of nieuwsblad moet
                    worden geplaatst. Voldoende is dat van het feit dat de verordening in het
                    Waterschapsblad of de andere uitgave is geplaatst, in het dag- of nieuwsblad
                    mededeling wordt gedaan. </al><al>De verordening moet op grond van artikel 73, vierde lid, Waterschapswet,
                    tegelijk met de bekendmaking gedurende 12 weken voor een ieder ter inzage liggen
                    op de secretarie van het waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur
                    te bepalen plaats. Deze ter inzage legging is kosteloos. Het gaat er om dat een
                    ieder die dat wenst kennis kan nemen van de verordening. </al><al>In het vierde lid is de citeertitel van de verordening en het jaartal 2011
                    genoemd. Het jaar 2011 verwijst naar het eerste jaar waarin de waterschappen de
                    watersysteemheffing op basis van deze verordening zullen heffen.</al><al/><al/><al><vet>Voetnoot </vet>2: Zie de toelichting op het Waterschapsbesluit, Staatsblad
                    2007, 497, bladzijde 131</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>