<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88847_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening gemeente Doesburg 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Regiobode, 9 maart 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening gemeente Doesburg 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 Gemeentewet, artikelen 7, 8, 10 Wet werk en bijstand, artikelen 34, 35, 36 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikelen 34, 35, 36 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-03-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-03-10</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening gemeente Doesburg 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doesburg;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en
                        10 tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers
                        en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</al><al>b e s l u i t: vast te stellen de navolgende <vet>Re-integratieverordening
                            Gemeente Doesburg 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 - <cursief>Begripsomschrijving</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening verstaat onder:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>de wet: </cursief>de Wet werk en bijstand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Ioaw: </cursief>de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte</al><al>werknemers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Ioaz: </cursief>de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte</al><al>gewezen zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>uitkeringsgerechtigde: </cursief>persoon die
                                            een periodieke uitkering voor levensonderhoud</al><al> ontvangt op grond van de wet, de Ioaw of de Ioaz;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Anw-er: </cursief>persoon die een uitkering
                                            ingevolge de Algemene nabestaandenwet</al><al>ontvangt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>niet-uitkeringsgerechtigde (nugger):
                                            </cursief>een persoon als bedoeld in artikel 6 onder
                                            a.</al><al>van de wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>doelgroep: </cursief>de personen aan wie op
                                            grond van artikel 7, lid 1 onder a. van de wet,</al><al>artikel 34 van de Ioaw of artikel 34 van de Ioaz door
                                            het college ondersteuning</al><al>kan worden geboden, evenals personen die tot de
                                            doelgroep als bedoeld in artikel 1</al><al>Wet participatiebudget behoren en die naar oordeel van
                                            het college ondersteuning </al><al>nodig hebben;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>belanghebbende: </cursief>een persoon die
                                            behoort tot de doelgroep en die aanspraak maakt op
                                            ondersteuning of aan wie ondersteuning wordt
                                            geboden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>voorzieningen: </cursief>voorzieningen bedoeld
                                            in artikel 7, lid 1 onder a van de wet, artikel</al><al>34 van de Ioaw en artikel 34 van de Ioaz; een instrument
                                            binnen een traject dat</al><al>ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding dan wel
                                            behoud van algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid, waaronder mede wordt verstaan
                                            zelfstandig ondernemerschap,</al><al>weg te nemen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>arbeidsovereenkomst: </cursief>een
                                            arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met een </al><al>arbeidsovereenkomst wordt gelijkgesteld een aanstelling
                                            op grond van het </al><al>ambtenarenrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k. </al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>vrijwilligerswerk: </cursief>het verrichten van
                                            onbetaalde maatschappelijk nuttige</al><al>activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of
                                            zelfstandige maatschappelijke</al><al>participatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>traject: </cursief>een met de belanghebbende
                                            overeengekomen, dan wel door het college aan hem
                                            opgelegd geheel van activiteiten gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder mede wordt verstaan
                                            zelfstandig ondernemerschap, dan wel zelfstandige
                                            maatschappelijke participatie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>WIJ</cursief>: Wet investeren in jongeren</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Artikel 2 - <cursief>Opdracht aan het college</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt ondersteuning aan de doelgroep.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                voorzieningen en ondersteuning. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen
                                prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en
                                met maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                ontwikkelingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college stemt het traject af op de omstandigheden, krachten en
                                bekwaamheden van de uitkeringsgerechtigde. Bij de invulling van het
                                trajectplan onderzoekt het college de mogelijkheden en
                                omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. Zij beziet daarbij
                                tevens in hoeverre de wensen van de belanghebbende bij de invulling
                                van het traject kunnen worden betrokken.</al></li><li nr="5."><al>Uitvoering van dit artikel vindt plaats binnen de daarvoor door de
                                gemeenteraad beschikbaar gestelde middelen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 - Doel en doelgroep</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3 - <cursief>Doel van de ondersteuning</cursief></vet></al><al>Het college kan aan een belanghebbende ondersteuning bieden bij het vinden
                        van algemeen geaccepteerde arbeid of als dat doel niet bereikbaar is, bij
                        zelfstandige maatschappelijke participatie. Onder algemeen geaccepteerde
                        arbeid wordt mede verstaan zelfstandig </al><al>ondernemerschap.</al><al/><al><vet>Artikel 4 - <cursief>Aanspraak op ondersteuning</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Uitkeringsgerechtigden, werknemers in gesubsidieerde arbeid, Anw-ers
                                en nuggers hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling
                                en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="2."><al>Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien er sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar de mening van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de
                                belanghebbende.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan een of meer subsidie-of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen. Een door het college
                                vastgestelde subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond
                                bij de aanspraak op een voorziening.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5 - <cursief>Vorm van de ondersteuning</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt voorzieningen beschikbaar, die een traject
                                ondersteunen.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde voorzieningen kunnen in ieder geval
                                bestaan uit:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>ondersteuning bij het verwerven en behouden van
                                            arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>ondersteuning bij het verbeteren of behouden van de
                                            positie op de arbeidsmarkt of</al><al>binnen de maatschappij;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>ondersteuning bij het wegnemen van belemmeringen voor de
                                            arbeidsinschakeling,</al><al>waaronder mede wordt verstaan schuldhulpverlening en
                                            kinderopvang;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>ondersteuning bij de verwerving van een dienstverband
                                            als bedoeld in artikel 2,</al><al>eerste lid van de Wet sociale werkvoorziening; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 16;</al><al>een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek naar de
                                            mogelijkheden van belanghebbende;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>Individuele re-integratie overeenkomsten als bedoeld in
                                            artikel 6a van deze Verordening.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al>Bij de inzet van voorzieningen wordt gekozen voor die voorziening
                                die beschikbaar is en die adequaat en toereikend is voor het doel
                                dat beoogd wordt.</al></li><li nr="4."><al>Bij het inzetten van een voorziening houdt het college in beginsel
                                rekening met de wensen van betrokkene. </al></li><li nr="5."><al>Het college kan een voorziening beëindigen, herzien of
                                intrekken:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>indien de belanghebbende de aan de voorziening verbonden
                                            verplichtingen niet nakomt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>indien de belanghebbende aan wie de voorziening is
                                            verstrekt niet meer behoort tot de doelgroep;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid
                                            aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                                            voorziening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                            onvoldoende bijdraagt aan de in lid 2 van dit artikel
                                            beschreven doelen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Artikel 6 - <cursief>Onderzoek</cursief></vet></al><al>Het college kan, voordat besloten wordt tot een traject en tot de inzet van
                        voorzieningen, een onderzoek (laten) doen naar de mogelijkheden van de
                        belanghebbende en naar de geschiktheid van voorzieningen of andere vormen
                        van begeleiding voor de belanghebbende. De resultaten uit dit onderzoek
                        kunnen ook worden gebruikt ten behoeve van de beoordeling of een tijdelijke
                        ontheffing van de arbeidsplicht aan de orde is.</al><al/><al><vet>Artikel 6a<cursief> – Aanspraak op een individuele re-integratie
                                overeenkomst</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende kan het college een voorstel doen voor een
                                individueel re-integratietraject. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan na goedkeuring, middelen beschikbaar stellen voor
                                het traject zoals in lid 1 bedoeld. </al></li><li nr="3."><al>Dit traject wordt slechts goedgekeurd indien redelijkerwijs kan
                                worden aangenomen dat door middel van het traject binnen een korte
                                periode tegen aanvaardbare kosten arbeidsinschakeling kan worden
                                bereikt. </al></li><li nr="4."><al>Het traject kan bestaan uit inschakeling van een
                                re-integratiebedrijf en/of uit scholing. </al></li><li nr="5."><al>Indien gebruik wordt gemaakt van een re-integratiebedrijf dan worden
                                de rechten en plichten in een overeenkomst vastgelegd tussen het
                                college, de belanghebbende en het re-integratiebedrijf, voordat het
                                traject kan worden gevolgd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 7 – <cursief>Verplichtingen</cursief></vet></al><al>Onverminderd de verplichtingen die gelden op grond van de WWB, de Ioaw en de
                        Ioaz gelden voor de belanghebbende de volgende verplichtingen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>het actief verstrekken van inlichtingen aan het college
                                            die nodig zijn voor het bepalen;</al><al>van een geschikt traject en/of een geschikte
                                            voorziening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>verlenen van actieve medewerking aan een onderzoek als
                                            bedoeld in artikel 6;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>het naar vermogen deelnemen aan de verschillende
                                            onderdelen van het traject.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een
                                            voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede
                                            lid, kan de het college de uitkering verlagen conform
                                            wat hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Wet
                                            werk en bijstand gemeente Doesburg; </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Artikel 8 - <cursief>Beperkingen</cursief></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van
                                            een voorliggende voorziening, die naar oordeel van het
                                            college, in voldoende mate kan bijdragen aan de
                                            re-integratie van de</al><al>belanghebbende.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Voor Anw-ers en nuggers vervalt het recht op
                                            ondersteuning indien: </al><al>het gezinsinkomen meer bedraagt dan 130 % van de van
                                            toepassing zijnde bijstandsnorm</al><al>of het vermogen meer bedraagt dan het wettelijk
                                            vastgestelde vrij te laten vermogen in de WWB.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>De kosten van een re-integratietraject voor de doelgroep
                                            in lid 2 van dit artikel, bedraagt maximaal € 2750,-per
                                            jaar.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 - Werk als instrument voor re-integratie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9 - <cursief>Sociale activering (waaronder
                                vrijwilligerswerk)</cursief></vet></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep, als onderdeel
                        van een traject, activiteiten in het kader van sociale activering aanbieden.
                        Vrijwilligerswerk is een vorm van sociale activering.</al><al/><al><vet>Artikel 10 – <cursief>Onbeloonde additionele werkzaamheden (stage-
                                werkervaringsplaatsen, participatieplaatsen)</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De activiteiten in het kader van sociale activering kunnen, voor
                                zover de activiteiten arbeidsinschakeling tot doel hebben, de vorm
                                aannemen van onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in
                                artikel 10a van de wet, artikel 38 van de Ioaw en artikel 38 van de
                                Ioaz.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden die onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verrichten conform artikel 10a, zesde lid
                                van de wet, artikel 38 lid 6 van de Ioaw, artikel 38 lid 6 van de
                                Ioaz, een premie van telkens € 300,00 per 6 maanden
                                verstrekken.</al></li><li nr="3."><al>De premie wordt geweigerd indien naar het oordeel van het college
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                geschonden.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de
                                onbeloonde additionele werkzaamheden door het college onderzocht in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 11 – <cursief>Opstapbanen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een opstapbaan kan een onderdeel zijn van een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Bij plaatsing in en opstapbaan gaat het om regulier werk waarbij de
                                werkgever een loonkostensubsidie ontvangt. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 12 –<cursief> Vangnetbanen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voormalige in- en Doorstroombanen en WIW- dienstbetrekkingen zijn
                                omgezet in vangnetbanen. </al></li><li nr="2."><al>De bestaande vangnetbanen worden afgebouwd en niet meer opnieuw
                                ingezet als voorziening.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 – Scholing en schuldhulpverlening</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13 – <cursief>Scholing of opleiding</cursief></vet></al><al>Het college kan, indien dit naar het oordeel van het college kan bijdragen
                        aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende, scholing of opleiding
                        aanbieden.</al><al/><al><vet>Artikel 14 – <cursief>Kosten in verband met
                        scholing</cursief></vet></al><al>Voor de scholing of opleiding voor toepassing van artikel 13 van deze
                        verordening, kunnen de volgende kosten voor vergoeding in aanmerking
                        komen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>opleidingskosten en cursusbijdragen van de scholing of
                                            opleiding;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>een naar het oordeel van het college vast te stellen
                                            bedrag dat voldoende is om de </al><al>indirecte kosten in verband met scholing of opleiding te
                                            voldoen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>boeken en leermiddelen die door het opleidings- of
                                            scholingsinstituut verplicht zijn</al><al>gesteld, dan wel die naar het oordeel van het college
                                            nodig zijn voor het volgen van</al><al>de scholing of opleiding;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>Reiskosten voor deelname aan de scholing;</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Artikel 15 –<cursief>Wegnemen belemmeringen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan producten in het kader van schuldhulpverlening ten
                                behoeve van de doelgroep aanbieden, zoals bijvoorbeeld preventie,
                                intake, cursussen, begeleiding, bemiddeling, beheer, nazorg,
                                bewindvoering en/of WSNP-verklaring. Het product preventie kan
                                categoriaal worden ingezet.</al></li><li nr="2."><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de
                                opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor belanghebbende, voor
                                zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject of voor
                                deelname aan een voorziening, of voor het bereiken van het doel van
                                een traject of een voorziening. </al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Subsidies voor de werkgever</vet></al><al/><al><vet>Artikel 16 – <cursief>Loonkostensubsidie
                        opstapbaan</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde een
                                loonkostensubsidie aan een werkgever verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>De loonkostensubsidie wordt slechts uitbetaald voor zover de
                                arbeidsovereenkomst daadwerkelijk van kracht is. </al></li><li nr="3."><al>De duur en hoogte van de loonkostensubsidie wordt gebaseerd op een
                                loonwaardemeting. Hierbij wordt rekening gehouden met de krachten en
                                bekwaamheden, de arbeidsprestatie en de benodigde extra begeleiding
                                van de belanghebbende. </al></li><li nr="4."><al>Geen loonkostensubsidie wordt verstrekt voor kosten waarvoor, al dan
                                niet door de gemeente, reeds een andere vergoeding of subsidie wordt
                                verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 17<cursief> – Subsidie vangnetbaan</cursief></vet></al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie in het kader van de voormalige WIW en ID
                        regeling, is vast gesteld op basis van gemaakte afspraken met de werkgever.
                        De huidige regeling wordt afgebouwd, de voorziening wordt niet meer opnieuw
                        ingezet. </al><al/><al><vet>Artikel 18 – <cursief>No-risk polis</cursief></vet></al><al>Het college kan voor een werkgever die een belanghebbende in dienst neemt
                        een no-risk verzekering af sluiten. Bij het inzetten van een no-risk
                        verzekering loopt een werkgever gedurende een bepaalde periode geen
                        financieel risico bij verzuim van de werknemer.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Premies, vergoedingen belanghebbende</vet></al><al/><al><vet>Artikel 19 - <cursief>Uitstroompremie</cursief></vet></al><al>Het college kan een premie verstrekken aan belanghebbende bij duurzame
                        uitstroom naar regulier werk. </al><al/><al><vet>Artikel 20 – <cursief>Vrijlating onkostenvergoeding
                                vrijwilligerswerk</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de onkostenvergoeding die belanghebbende ontvangt
                                vrijlaten, indien na onderzoek is gebleken dat vrijwilligerswerk het
                                hoogst haalbare is. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de kostenvergoeding welke mag worden vrijgelaten is
                                gebaseerd op grond van artikel 31 lid k. van de wet.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 21 – <cursief>Inkomstenvrijlating</cursief></vet></al><al>Het college kan ter uitvoering van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o
                        van de wet, op aanvraag een vrijlating van inkomsten verlenen ter hoogte van
                        het in die bepaling genoemde bedrag gedurende ten hoogste zes maanden. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 - Terugvordering</vet></al><al/><al><vet>Artikel 22 - <cursief>Terugvordering</cursief></vet></al><al>Het college kan van een belanghebbende aan wie een voorziening is toegekend
                        en die niet voldoet aan het gestelde in artikel 7 of de aan de voorziening
                        verbonden verplichtingen, de kosten van de voorziening geheel of
                        gedeeltelijk terugvorderen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 - Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 23 - <cursief>Beleidsregels</cursief></vet></al><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere
                        regels vaststellen.</al><al/><al><vet>Artikel 24 - <cursief>Hardheidsclausule</cursief></vet></al><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                        afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                        verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al/><al><vet>Artikel 25 - <cursief>Citeertitel</cursief></vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “re-integratieverordening
                        gemeente Doesburg 2010”.</al><al/><al><vet>Artikel 26 - <cursief>Inwerkingtreding</cursief></vet></al><al>Deze verordening treedt inwerking op de dag na die waarop zij is
                        bekendgemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 27 - <cursief>Intrekking bestaande
                        verordening</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De Re-integratieverordening gemeente Doesburg 2010, zoals
                                vastgesteld bij raadsbesluit van 28 september 2010, wordt
                                ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Rechten, welke zijn verkregen op grond van de
                                Re-integratieverordening gemeente Doesburg 2010, zoals vastgesteld
                                bij raadsbesluit van 28 september 2010, blijven van kracht voor de
                                duur dat er aanspraak is op deze rechten.</al></li></lijst><al/><al/></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Doesburg in zijn openbare
                        vergadering van 25 november 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter (wnd.),</ondertekening><ondertekening>J.B. Voorhof mr. P. Schadd-de Boer</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Re-integratieverordening gemeente Doesburg
                        2010</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Deze verordening regelt de ondersteuning die het college biedt bij de
                    arbeidsinschakeling van burgers die horen tot de doelgroep. De opdracht om die
                    ondersteuning te bieden is geregeld in artikel 7 van de WWB en artikel 34 van de
                    Ioaw en Ioaz. Het voorschrift om een verordening vast te stellen waarin deze
                    ondersteuning nader vorm wordt gegeven volgt uit artikel 8 WWB en artikel 35
                    Ioaw en Ioaz.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 - <cursief>Begripsomschrijving</cursief></vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de</al><al>omschrijving in de WWB en de Awb.</al><al/><al><vet>Artikel 2 - <cursief>Opdracht aan het college</cursief></vet></al><al>De WWB, Ioaw, Ioaz en het participatiebudget geeft aan het college de
                    verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Het college biedt
                    maatwerk en houdt net zoals in de Wet investeren in jongeren (WIJ) rekening met
                    de wens van de belanghebbende. Het college bepaalt wel de inhoud van het
                    traject, maar door rekeningen te houden met de wensen van de belanghebbende
                    beoogt het college de slagingskans van het traject te vergroten. Het is aan het
                    college om zorg te dragen voor een voldoende aanbod van voorzieningen. </al><al/><al><vet>Artikel 3 - <cursief>Doel van de ondersteuning</cursief></vet></al><al>Het doel van de ondersteuning, zoals in allerlei vormen is vastgelegd in deze
                    verordening, is het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid of als dat doel
                    niet bereikbaar is, zelfstandige maatschappelijke participatie. Bij dit laatste
                    valt te denken aan vrijwilligerswerk, mantelzorg of deelname aan activiteiten in
                    wijk of buurt. Het college vindt ondersteuning naar zelfstandig ondernemerschap
                    ook een belangrijk re-integratiemiddel. Bij de ondersteuning naar zelfstandig
                    ondernemerschap overweegt het college of zelfstandig ondernemerschap de kortste
                    weg is naar duurzame uitstroom.</al><al/><al><vet>Artikel 4 - <cursief>Aanspraak op ondersteuning</cursief></vet></al><al>In dit artikel wordt een opsomming gegeven van categorieën die beroep kunnen
                    doen op ondersteuning van de gemeente.</al><al>De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag om ondersteuning of een voorziening. Dit
                    houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Het college kan
                    indien voorzien wordt dat de beschikbare budgetten overschreden zullen worden,
                    een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen om de
                    financiële risico’s te kunnen beheersen. Het uitgeput zijn van begrotingsposten
                    kan namelijk op zich nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te
                    weigeren. Om het weigeren van een voorziening mogelijk te kunnen maken is in de
                    verordening vastgelegd dat plafonds door het college kunnen worden ingesteld.
                    Het college dient na te gaan welke andere alternatieven er dan beschikbaar zijn.
                    Dit laat de mogelijkheid open dat er een andere voorziening kan worden ingezet. </al><al>Het opnemen in de verordening dat het college nadere regels stelt ten aanzien
                    van, onder andere, de duur en de hoogte van een voorziening, voorkomt daarmee
                    een ongewenste overschrijding van de beschikbare middelen. Bij de vaststelling
                    van de plafonds kan verwezen worden naar de bedragen die in het beleidsplan of
                    in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd. </al><al>Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. </al><al>Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                    weigeringsgrond bij de aanspraak op de desbetreffende voorziening. </al><al>Op grond van art. 4:27, eerste lid Awb dient een subsidieplafond bekendgemaakt
                    te worden vóór de periode waarvoor deze geldt. Een budgetplafond geldt voor de
                    overige uitgaven die het college doet in het kader van voorzieningen. Indien er
                    geen budget- of subsidieplafond kan worden vastgesteld, kan het college
                    besluiten een plafond in te stellen aan het aantal personen dat gebruik maken
                    van de subsidie. Zodra het college een situatie voorziet, waarin het instellen
                    van een subsidie- of budgetplafond gewenst is, kan zij deze subsidie- of
                    budgetplafonds in beleidsregels vaststellen. </al><al/><al><vet>Artikel 5 - <cursief>Vorm van de ondersteuning</cursief></vet></al><al>In principe biedt het college elke uitkeringsgerechtigde een traject aan. Dit
                    traject richt zich, indien dit mogelijk is, op arbeidsinschakeling. Alleen als
                    arbeidsinschakeling binnen afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort,
                    kan zelfstandige maatschappelijke participatie (o.a. vrijwilligerswerk,
                    mantelzorg of deelname aan activiteiten in wijk of buurt) een doel van de inzet
                    van voorzieningen zijn. Ook in dat geval geldt dat de voorziening beschikbaar
                    moet zijn en dat het adequaat en toereikend moet zijn voor het beoogde doel. De
                    uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij het
                    college, die immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelgerichte
                    inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid
                    wordt in beginsel conform de Wet investeren in jongeren rekening gehouden met de
                    wensen van de belanghebbende. </al><al>Het college biedt tevens de mogelijkheid aan een belanghebbende om zelf een
                    voorstel voor een re-integratietraject in te dienen. Het college beoordeelt het
                    individuele re-integratietraject en toetst of het bijdraagt aan en succesvolle
                    re-integratie. Mocht een ander traject naar het oordeel van het college betere
                    mogelijkheden op uitstroom bieden, dan kan het college afwijzend beslissen op
                    het verzoek van belanghebbende. </al><al>Ook vergoeding van noodzakelijke reiskosten (kosten volgens het goedkoopste
                    openbaar vervoer tarief); en, kosten van kinderopvang, nazorg en de kosten van
                    schuldhulpverlening worden in elk geval aangemerkt als voorziening. De opsomming
                    is geen limitatieve lijst. Naast de genoemde voorzieningen kunnen ook andere
                    soorten voorzieningen worden ingezet, voor zover deze naar het oordeel van het
                    college bijdragen aan het doel van het met de belanghebbende overeengekomen
                    traject.</al><al/><al><vet>Artikel 6 - <cursief>Onderzoek</cursief></vet></al><al>Voordat tot de inzet van voorzieningen wordt besloten kan een advies worden
                    gevraagd van een bedrijf dat gespecialiseerd is in diagnoses met betrekking tot
                    re-integratie, dan wel kan het onderzoek namens het college worden verricht door
                    een medewerker van de cluster Werk, inkomen en zorg. </al><al/><al><vet>Artikel 6a - <cursief>Aanspraak op een individuele re-integratie
                            overeenkomst</cursief></vet></al><al>Een belanghebbende kan het college een voorstel doen voor een individueel
                    re-integratietraject. Dit traject dient zich te richten op arbeidsinschakeling
                    waarbij de kortste weg naar werk leidend is. Het verzoek voor een individueel
                    re-integratietraject wordt door het college getoetst op kosten, duur en
                    passendheid. Bij het inzetten van scholing kan het college een onafhankelijk
                    medisch onderzoek inzetten naar de passendheid van de functie waartoe de
                    belanghebbende wordt opgeleid. </al><al/><al><vet>Artikel 7 - <cursief>Verplichtingen</cursief></vet></al><al>Deelname aan een traject is niet vrijblijvend. Uitkeringsgerechtigden zijn al
                    door het ontvangen van een uitkering aan de plicht tot arbeidsinschakeling
                    gehouden. Blijkt dat de verplichtingen op grond van de Wwb, de Ioaw en Ioaz en
                    welke in het trajectplan zijn opgenomen niet of onvoldoende worden nagekomen,
                    kan het college maatregelen opleggen zoals vastgelegd in de
                    Afstemmingsverordening Wwb gemeente Doesburg.</al><al>Voor niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers worden ook verplichtingen aan het
                    traject verbonden, conform de verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden. Het
                    niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af te
                    breken of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee
                    wil werken aan een onderzoek. Ook is denkbaar dat gemaakte kosten van de
                    belanghebbende worden teruggevorderd (artikel 22 van deze verordening), als door
                    verwijtbaar handelen een traject niet tot het gewenste resultaat leidt. Om die
                    mogelijkheid open te houden is het wenselijk dat de belangrijkste voorwaarden
                    voor het behalen van succes als verplichting zijn opgenomen. Natuurlijk heeft de
                    belanghebbende ook rechten. Deze rechten zijn elders in wet- of regelgeving
                    ondergebracht.</al><al/><al><vet>Artikel 8 - <cursief>Beperkingen</cursief></vet></al><al>Indien gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende voorziening (bijvoorbeeld
                    Studiefinanciering) vindt geen ondersteuning op basis van deze verordening
                    plaats. </al><al>Aangezien er geen beperkingen zijn gesteld aan de trajecten voor een nugger of
                    een Anw-er en gelet op de schaarse middelen is ervoor gekozen om een drempel in
                    te bouwen voor deze doelgroepen. Voor Anw-ers en Nuggers vervalt het recht als
                    het inkomen hoger is dan 130% van de geldende bijstandsnorm of het vermogen
                    hoger is dan het maximaal vrij te laten vermogen conform de Wwb. Tevens geldt
                    dat de trajectkosten niet meer mogen bedragen dan € 2750,-per jaar. </al><al/><al><vet>Artikel 9 - <cursief>Sociale activering</cursief></vet></al><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk
                    nuttige activiteiten als voorbereiding op een traject gericht op werk of gericht
                    op het voorkomen van sociaal isolement.</al><al>Activiteiten in het kader van sociale activering, waaronder vrijwilligerswerk
                    (met behoud van uitkering), kunnen een nuttig instrument zijn om werkritme op te
                    doen of te laten behouden. Zij kunnen worden ingezet als arbeidsinschakeling pas
                    op middellange of lange termijn te realiseren is, of als nog onduidelijk is of
                    er perspectief is op arbeidsinschakeling. Er is bewust voor gekozen om geen
                    exacte termijnen te noemen voor dit arbeidsperspectief. Niet alleen zou dat ten
                    onrechte de suggestie wekken dat dit altijd vooraf exact vast te stellen is, het
                    arbeidsperspectief is ook niet alleen afhankelijk van in de persoon gelegen
                    omstandigheden. Ook een veranderende arbeidsmarkt maakt dat het
                    arbeidsperspectief wijzigt.</al><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties die geen winstoogmerk
                    hebben. Uit de definitie van vrijwilligerswerk in artikel 1 onder k van deze
                    verordening volgt bovendien dat het moet gaan om maatschappelijk nuttige
                    activiteiten.</al><al>Er is van afgezien om voor sociale activering een maximale duur vast te stellen,
                    om ervoor te zorgen dat de voorziening ingezet kan worden voor degenen voor wie
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, en voor wie het vrijwilligerswerk
                    zelfstandige maatschappelijke participatie als doel heeft. Als vrijwilligerswerk
                    een onderdeel van een traject gericht op arbeidsinschakeling is zal dit een
                    voorziening zijn die in beginsel kortdurend wordt ingezet. Dergelijke
                    werkzaamheden vallen overigens onder de werking van artikel 10 (onbeloonde
                    additionele werkzaamheden) van de verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 10 – <cursief>Onbeloonde additionele werkzaamheden (stage-
                            werkervaringsplaatsen, participatieplaatsen)</cursief></vet></al><al>De onbeloonde additionele werkzaamheden hebben als belangrijkste doel het opdoen
                    van vaardigheden in een instelling of bedrijf, waardoor uitstroom naar betaald
                    werk (op termijn) mogelijk wordt gemaakt. </al><al>De Wet stimulering arbeidsparticipatie maakt het nodig om hierover regels te
                    stellen.</al><al/><al>Het gaat hierbij om het stellen van regels met betrekking tot het verlenen van
                    een premie en over het aanbieden van scholing of opleiding aan die
                    belanghebbende die niet beschikt over een startkwalificatie. De hoogte van de
                    premie wordt vastgesteld op € 300,-per 6 maanden en wordt op basis van
                    wettelijke voorschriften iedere 6 maanden verstrekt.</al><al>Bij het inzetten van onbeloonde additionele werkzaamheden, wordt rekening
                    gehouden met de Europese regelgeving betreffende staatssteun (EU verordening
                    werkgelegenheidssteun). </al><al/><al><vet>Artikel 11 – <cursief>Opstapbanen</cursief></vet></al><al>De opstapbaan is een tijdelijk gesubsidieerde baan waarbij de belanghebbende
                    werkt bij een werkgever en werkervaring opdoet. Uitgangspunt is, dat
                    belanghebbende gedurende de periode dat de loonkostensubsidie wordt verstrekt,
                    aanvullende vaardigheden en werkervaring kan opdoen, zodat arbeidsinschakeling
                    aan het eind van de periode waarover de voorziening wordt verstrekt mogelijk
                    is.</al><al/><al><vet>Artikel 12 - <cursief> Vangnetbanen</cursief></vet></al><al>De vangnetbanen zijn niets meer dan een nieuwe benaming voor de voormalige “In-
                    en doorstroombanen” en “WIW- banen”. De vangnetbanen zijn dan ook geen nieuw in
                    te zetten voorziening voor re-integratie. </al><al/><al><vet>Artikel 13 – <cursief>Scholing of opleiding</cursief></vet></al><al>Met dit artikel wordt de mogelijkheid geboden om personen die behoren tot de
                    doelgroep, scholing of opleiding aan te bieden voor zover dit naar het oordeel
                    van het college bij kan dragen aan de arbeidsinschakeling. Ook scholing of
                    opleiding die gericht is op zelfstandig ondernemerschap kan</al><al>als voorziening worden ingezet. Dit artikel legt een link met de Wet investeren
                    in jongeren. In de Wet investeren in jongeren wordt een grote waarde gehecht aan
                    scholing en opleiding. Het Rijk stelt dat voor een duurzame participatie op de
                    arbeidsmarkt een startkwalificatie (minimaal mbo-2) een vereiste is. </al><al/><al><vet>Artikel 14 -<cursief> Kosten in verband met scholing of
                        opleiding</cursief></vet></al><al>Met dit artikel worden regels gesteld ten aanzien van kostensoorten in verband
                    met scholing/opleiding die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Dit is
                    echter geen limitatieve opsomming. Aan de hand van de individuele situatie zal
                    het college beoordelen welke specifieke kosten in verband met de scholing/
                    opleiding voor vergoeding in aanmerking komen.</al><al/><al><vet>Artikel 15 –<cursief>Wegnemen van belemmeringen</cursief></vet></al><al>Het tegengaan van schuldenproblematiek is één van de belangrijkste peilers van
                    een goed re-integratiebeleid. Daarom is er voor gekozen om expliciet in de
                    verordening de voorziening schuldhulpverlening te benoemen. Aangegeven is welke
                    kostensoorten onder het begrip schuldhulpverlening kunnen vallen. Dit is echter
                    geen uitputtende of limitatieve opsomming. </al><al>De beschikbaarheid van kinderopvang is voor de belanghebbenden van belang om te
                    kunnen deelnemen aan een traject of voorziening. Kinderopvang is geregeld in
                    specifieke wetgeving. Financieel kan het noodzakelijk zijn om de eigen bijdrage
                    als specifieke kosten in aanmerking te nemen. Daarnaast kan de beschikbaarheid
                    van kinderopvang een belemmering zijn voor het starten van een voorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 16 – <cursief>Loonkostensubsidie opstapbaan</cursief></vet></al><al>Doel van de inzet van de voorziening “loonkostensubsidie” is om belanghebbenden
                    die door de grotere afstand tot de arbeidsmarkt minder productief zijn, of
                    waarvoor werkgevers door een gebrek aan werkervaring huiverig zijn deze in
                    dienst te nemen, sneller en makkelijker aan werk te helpen. Door deze
                    voorziening worden de financiële risico’s tijdelijk gecompenseerd. </al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie is gerelateerd aan de arbeidsprestatie van
                    de belanghebbende. De duur is maximaal 2 jaar.</al><al/><al><vet>Artikel 17 – <cursief>Subsidie vangnetbaan</cursief></vet></al><al>De duur en de hoogte van de subsidie voor de voormalige ID’ers en WIW’ers is
                    afhankelijk van de door het college gemaakte afspraken met de werkgevers. De
                    huidige vangnetbanen worden afgebouwd door middel van natuurlijk verloop, o.a.
                    pensionering. Daarnaast kan het college jaarlijks de hoogte van de
                    inleenvergoeding voor de voormalige WIW –banen en de hoogte van de subsidie voor
                    de voormalige ID-banen, opnieuw vaststellen of beëindigen.</al><al/><al><vet>Artikel 18 – <cursief>No-risk polis</cursief></vet></al><al>Potentiële werkgevers kunnen aarzelen om een uitkeringsgerechtigde in dienst te
                    nemen. Een aspect dat daarin kan meespelen is dat de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer verplicht is tot loondoorbetaling gedurende de contractperiode. Om
                    deze drempel weg te nemen kan het college een no-risk polis inzetten. Deze
                    voorziening kan worden ingezet voor belanghebbenden die uitstromen naar een
                    reguliere baan. Door het inzetten van een no-risk polis loopt een werkgever
                    gedurende een bepaalde periode geen financieel risico bij verzuim van de
                    werknemer. De no-risk polis wordt door de gemeente betaald. De maximale
                    verzekeringsduur is 24 maanden en wordt door het college bepaald. Hierbij zal de
                    afstand tot de arbeidsmarkt van belanghebbende mede bepalend zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 19 – <cursief>Uitstroompremie</cursief></vet></al><al>Om uitstroom naar betaald werk te stimuleren kan het college een premie
                    verstrekken aan uitkeringsgerechtigden die duurzaam uitstromen naar een
                    reguliere baan. Deze premie geeft de uitkeringsgerechtigde de mogelijkheid om de
                    eerste onkosten die gepaard gaan bij het aanvaarden van werk, te financieren. Te
                    denken valt aan de kosten voor kinderopvang over de periode dat de toeslag
                    kinderopvang vanuit de belastingdienst nog niet is betaald. Het betreft een
                    premie die door de wet is gemaximeerd.</al><al/><al><vet>Artikel 20 - <cursief>Vrijlating onkostenvergoeding
                            vrijwilligerswerk</cursief></vet></al><al>Voor uitkeringsgerechtigden die na onderzoek geen mogelijkheden (meer) hebben om
                    arbeid in loondienst te verkrijgen en waarvoor vrijwilligerswerk het hoogst
                    haalbare is, kan het college een gemaximeerde kostenvergoeding vrijlaten op de
                    uitkering.</al><al>De hoogte van de maximale vrijlating is conform de fiscale regelgeving en is
                    opgenomen in artikel 31 lid 2 onderdeel k van de Wwb</al><al/><al><vet>Artikel 21 - <cursief>Inkomsten vrijlating</cursief></vet></al><al>Het college kan ter uitvoering van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o van
                    de wet op aanvraag een vrijlating van inkomsten verlenen ter hoogte van het in
                    die bepaling genoemde bedrag gedurende ten hoogste zes maanden. De hoogte van
                    het bedrag van de maximale vrijlating varieert. Per 1 januari 2010 bedraagt het
                    bedrag maximaal € 187,00 per maand. Voor de hoogte van de actuele maximale
                    inkomstenvrijlating wordt verwezen naar artikel 31 lid 2 onder o van de
                    Wwb.</al><al/><al><vet>Artikel 22 - <cursief>Terugvordering</cursief></vet></al><al>In dit artikel is de mogelijkheid tot (gehele of gedeeltelijke) terugvordering
                    van kosten van een voorziening opgenomen. Tot (civielrechtelijke) terugvordering
                    kan alleen worden overgegaan indien de belanghebbende niet voldoet aan de
                    verplichtingen op grond van de Wwb, de Ioaw, de Ioaz, de verordening of de
                    verplichtingen die aan de toekenning van de voorziening zijn verbonden. </al><al>Is er bij een traject voor een nugger of Anw-er sprake van het niet nakomen va
                    verplichtingen, niet meewerken aan een onderzoek en/of gemotiveerd deelnemen aan
                    het traject, kan het college besluiten tot het geheel of gedeeltelijk
                    terugvorderen van de kosten van de voorziening of subsidie.</al><al/><al><vet>Artikel 23 - <cursief>Beleidsregels</cursief></vet></al><al>In deze verordening zijn de belangrijkste regels en voorwaarden voor
                    re-integratie van personen die behoren tot de doelgroep opgenomen. Desondanks
                    kan het wenselijk zijn dat het college bepaalde regels of voorwaarden aanvult,
                    specificeert of aanscherpt. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om
                    binnen het kader van deze verordening nadere uitvoeringsregels op te stellen. </al><al/><al><vet>Artikel 24 - <cursief>Hardheidsclausule</cursief></vet></al><al>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende
                    aard leidt, kan het college ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                    bepalingen. Van deze mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te
                    worden, om precedentwerking tegen te gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 25 - <cursief>Citeertitel</cursief></vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 26 - <cursief>Inwerkingtreding</cursief></vet></al><al>Deze verordening treedt inwerking op de dag na die waarop zij is bekend
                    gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 27 - <cursief>Intrekking bestaande verordening</cursief></vet></al><al>De re- integratieverordening gemeente Doesburg 2010 zoals vastgesteld bij
                    raadsbesluit van 28 september 2010, wordt ingetrokken. </al><al>Lid. 2. waarborgt dat voorzieningen en trajecten welke vastgesteld zijn onder de
                    vorige verordening worden geborgd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>