<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88832_7</dcterms:identifier><dcterms:title>Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad van Utrecht 2010, nr. 41</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reïntegratieverordening 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-05-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging definitie onder M. in art. 1</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel jaargang 2010, nr. 52b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2004 (waarin opgenomen de
                            eerste t/m zesde wijziging. Raadsbesluiten van 18 december 2003, 9
                            december 2004, 9 februari 2006, 15 maart 2007, 4 september 2008, 9 juli
                            2009 en 29 april 2010)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al/><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    Utrecht;</al></li><li nr="c."><al>de gemeente: de gemeente Utrecht;</al></li><li nr="d."><al>vrijwilligerswerk: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk
                                    zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of
                                    zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al>proefplaatsing: werken met behoud van uitkering als bedoeld in
                                    artikel 9 van deze verordening;</al></li><li nr="f."><al>opstapbaan: een arbeidsplaats die door de gemeente gesubsidieerd
                                    wordt op grond van afdeling 2 van hoofdstuk 4 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="g."><al>vangnetbaan: een arbeidsplaats die door de gemeente
                                    gesubsidieerd wordt op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 4 van
                                    deze verordening;</al></li><li nr="h."><al>alleenstaande: de alleenstaande zoals bedoeld in artikel 4 onder
                                    a. van de wet;</al></li><li nr="i."><al>alleenstaande ouder: de alleenstaande ouder als bedoeld in
                                    artikel 4 onder b. van de wet;</al></li><li nr="j."><al>gezin: het gezin als bedoeld in artikel 4 onder c. van de
                                    wet;</al></li><li nr="k."><al>gehuwden: gehuwden of degenen die daarmee gelijk te stellen zijn
                                    volgens artikel 3 van de wet;</al></li><li nr="l."><al>kind: een kind als bedoeld in artikel 4 onder d. van de
                                    wet;</al></li><li nr="m."><al>de doelgroep: de personen aan wie op grond van artikel 7 eerste
                                    lid onder a. van de wet door de gemeente ondersteuning kan
                                    worden geboden, met uitzondering van de jongere tot 27 jaar die
                                    aanspraak maakt of kan maken op een werkleeraanbod en/of een
                                    inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren
                                    (WIJ);</al></li><li nr="n."><al>degene die bijstand ontvangt: degene die algemene bijstand
                                    ontvangt op grond van de wet. Met degene die bijstand ontvangt
                                    wordt gelijkgesteld degene die een uitkering ontvangt op grond
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of op grond van de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);</al></li><li nr="o."><al>de belanghebbende: het lid van de doelgroep dat aanspraak maakt
                                    op ondersteuning of aan wie ondersteuning wordt geboden;</al></li><li nr="p."><al>de werknemer: het lid van de doelgroep dat een dienstverband
                                    heeft met een werkgever die daarvoor subsidie ontvangt op grond
                                    van deze verordening;</al></li><li nr="q."><al>ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de
                                    wet;</al></li><li nr="r."><al>een traject: een aaneenschakeling van
                                    reïntegratieinstrumenten;</al></li><li nr="s."><al>reïntegratieinstrumenten: de instrumenten die het college ter
                                    beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als bedoeld
                                    in artikel 7 van de wet;</al></li><li nr="t."><al>arbeidsinschakeling: arbeidsinschakeling zoals bedoeld in
                                    artikel 6 onder b. van de wet;</al></li><li nr="u."><al>wettelijk minimumloon: het wettelijk minimumloon zoals dat op 1
                                    januari van het kalenderjaar waar de subsidie betrekking op
                                    heeft van toepassing was op de werknemer. Als op de werknemer op
                                    die datum een minimumjeugdloon van toepassing was, geldt dat als
                                    het voor hem geldende minimumloon;</al></li><li nr="v."><al>arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht. Met een arbeidsovereenkomst wordt gelijk gesteld een
                                    aanstelling op grond van het ambtenarenrecht;</al></li><li nr="w."><al>dakloze: persoon zonder vaste woon of verblijfplaats die de
                                    nacht doorgaans buiten doorbrengt of in een instelling bedoeld
                                    voor de opvang van daklozen.</al></li><li nr="x."><al>pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd waarop het recht op
                                    AOW ontstaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning aan leden van de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                reïntegratie-instrumenten. Het college houdt daarbij rekening met de
                                aard en omvang van door het college te bepalen doelgroepen en de
                                instrumenten die het meest geschikt zijn voor de leden van die
                                doelgroepen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan
                                reïntegratie-instrumenten prioriteiten stellen in verband met de
                                financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de
                                opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor leden van de doelgroep,
                                voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject of
                                voor deelname aan een reïntegratie-instrument, of voor het bereiken
                                van het doel van een traject of een reïntegratie-instrument.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doel en doelgroep</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Doel van de ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan aan een lid van de doelgroep ondersteuning bieden bij
                            het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid, of als dat doel niet
                            bereikbaar is, bij zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vorm van de ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden een traject,
                                waarbij zonodig reïntegratie-instrumenten kunnen worden
                                ingezet,</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>of door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing
                                naar andere instanties.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de inzet van reïntegratie-instrumenten wordt gekozen voor dat
                                instrument dat beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor
                                het doel dat beoogd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Reïntegratie-instrumenten die gericht zijn op de arbeidsinschakeling
                                worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van het vorige lid kan worden afgeweken als het college van oordeel
                                is dat dat nodig is om duurzame uitstroom te realiseren en het
                                college dat gewenst acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><al>Het college kan voordat besloten wordt tot een traject en/of tot de
                            inzet van reïntegratie-instrumenten een onderzoek (laten) doen naar de
                            mogelijkheden van de belanghebbende en naar de geschiktheid voor hem van
                            de reïntegratie-instrumenten of andere vormen van begeleiding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>Onverminderd andere verplichtingen die gelden op grond van de wet of van
                            andere wetten, bijvoorbeeld in verband met een uitkering die de
                            belanghebbende ontvangt, gelden voor de belanghebbende de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van de inlichtingen aan het college die nodig
                                    zijn voor het bepalen van een geschikt traject en/of een
                                    geschikt reïntegratie-instrument;</al></li><li nr="b."><al>het verlenen van medewerking aan een onderzoek als bedoeld in
                                    het vorige artikel;</al></li><li nr="c."><al>het naar vermogen uitvoering geven aan de verschillende
                                    onderdelen van het traject;</al></li><li nr="d."><al>na te laten hetgeen de realisatie van het doel van het traject
                                    of van de reïntegratie-instrumenten belemmert.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Werk als instrument voor reïntegratie</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Werken met behoud van uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vrijwilligerswerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk kan een onderdeel zijn van een traject gericht
                                    op arbeidsinschakeling of, als dat vooralsnog niet mogelijk is,
                                    zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk heeft als doel de belanghebbende, met behoud
                                    van uitkering, werkritme op te laten doen en/of behouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties zonder
                                    winstoogmerk. In afwijking daarvan kan vrijwilligerswerk ook
                                    verricht worden bij een organisatie die ten behoeve van de
                                    gemeente reïntegratieactiviteiten verricht als bedoeld in deze
                                    verordening</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan
                                    de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende
                                    geen perspectief, of op (middel)lange termijn een reëel
                                    perspectief, heeft op regulier werk en dat inzet van het
                                    instrument wenselijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Leerwerkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een leerwerkstage kan een onderdeel zijn van een traject gericht
                                    op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leerwerkstage heeft als doel de belanghebbende, met behoud
                                    van een bijstandsuitkering, door middel van een stage
                                    werkervaring en vaardigheden op te laten doen in een bepaald
                                    vakgebied.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan
                                    de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende
                                    op korte of (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft op
                                    regulier werk en een leerwerkstage geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leerwerkstage duurt maximaal negen maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Proefplaatsingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bemiddeling naar een proefplaatsing kan een onderdeel zijn van
                                    een traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing heeft als doel de belanghebbende, met behoud
                                    van een bijstandsuitkering, te laten wennen aan aspecten die
                                    samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan
                                    de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende
                                    op korte of (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft op
                                    regulier werk en een proefplaatsing geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De proefplaatsing kan maximaal zes maanden duren. Wanneer door
                                    het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de
                                    belanghebbende op korte of middellange termijn een reëel
                                    perspectief heeft op regulier werk, en de proefplaatsing in
                                    combinatie met een opstapbaan wordt ingezet, duurt de
                                    proefplaatsing maximaal drie maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een participatieplaats kan een onderdeel zijn van een traject,
                                    gericht op arbeidsinschakeling. Op een participatieplaats
                                    verricht een bijstandsgerechtigde tijdelijke additionele
                                    werkzaamheden met behoud van uitkering op grond van artikel 10a
                                    van de wet Werk en Bijstand om de kans op inschakeling in het
                                    arbeidsproces te vergroten of te behouden wanneer tijdelijk geen
                                    regulier werk beschikbaar blijkt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De participatieplaats heeft als doel de belanghebbende geruime
                                    tijd in staat te stellen werkervaring en noodzakelijke
                                    vaardigheden op te doen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt jaarlijks of de werkzaamheden op de
                                    participatieplaats de kans op werk hebben vergroot, tot een
                                    maximum van vier jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien belanghebbende niet in bezit is van een startkwalificatie
                                    zal binnen zes maanden na plaatsing op een participatieplaats
                                    worden beoordeeld in hoeverre een vorm van scholing kan
                                    bijdragen aan een vergroting van de kansen tot plaatsing op de
                                    arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van de premie zoals in artikel
                                    10a, zesde lid van de wet Werk en Bijstand is opgenomen, alsmede
                                    de voorwaarden waaronder deze premie zal worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt richtlijnen ter uitvoering van hetgeen het
                                    eerste tot en met vijfde lid is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan nadere richtlijnen opstellen met betrekking tot
                                    eventuele bijdragen van inlenende organisaties, als mogelijke
                                    vergoeding van de inzet van bijstandsgerechtigden op een
                                    participatieplaats.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betaald werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Opstapbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bemiddeling naar een opstapbaan kan een onderdeel zijn van een
                                    traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De opstapbaan heeft als doel de belanghebbende, door betaald
                                    werk, sneller op regulier werk te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan
                                    de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende
                                    op korte of middellange termijn een reëel perspectief heeft op
                                    regulier werk en een opstapbaan geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het instrument wordt uitsluitend ingezet ten behoeve van
                                    bijstandsgerechtigden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De opstapbaan duurt maximaal één jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vangnetbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bemiddeling naar een vangnetbaan kan een onderdeel zijn van een
                                    traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vangnetbaan heeft als doel de belanghebbende, door betaald
                                    werk, een zodanige werkervaring op te laten doen dat het
                                    perspectief op regulier werk vergroot wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit instrument kan worden ingezet als het college aan de hand
                                    van een onderzoek heeft vastgesteld dat de belanghebbende die
                                    bijstand ontvangt op lange termijn een reëel perspectief heeft
                                    op regulier werk en een vangnetbaan geïndiceerd is. Het
                                    instrument kan ook worden ingezet als de belanghebbende jonger
                                    is dan 27 jaar en tot de doelgroep behoort als bedoeld onder
                                    artikel eerste lid, onder m. en op korte of middellange termijn
                                    een reëel perspectief heeft op reguliere arbeid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het instrument wordt niet ingezet als de belanghebbende gehuwd
                                    is en het bruto-inkomen van zijn partner hoger is dan EUR
                                    2.500,00 per maand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vangnetbaan kan maximaal drie jaar duren. In bijzondere
                                    gevallen is éénmalige verlenging van maximaal drie jaar
                                    mogelijk, als de werknemer daarmee de pensioengerechtigde
                                    leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het instrument vangnetsubsidie komt met ingang van 1 augustus
                                    2009 te vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a</nr><titel>Doe Mee Banen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bemiddeling naar een Doe Mee Baan kan een onderdeel zijn van een
                                    traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Doe Mee Baan heeft als doel de belanghebbende, door betaald
                                    werk, een zodanige werkervaring op te laten doen dat het
                                    perspectief op regulier werk vergroot wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan
                                    de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende
                                    die bijstand ontvangt op lange termijn een reëel perspectief
                                    heeft op regulier werk, en een doe mee baan geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Doe Mee Baan kan een jaar duren en kan maximaal twee keer met
                                    een periode van een jaar verlengd worden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Dit instrument eindigt voor belanghebbende op de eerste dag van
                                    de maand waarin belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd
                                    bereikt.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Algemen bepalingen over subsidies aan werkgevers</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Algemene voorwaarden voor subsidie aan werkgevers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Doel van de subsidies voor de werkgever</titel></kop><al>Het college kan een subsidie verlenen voor de loonkosten van
                                bepaalde werknemers, om zo werkgevers te stimuleren arbeidsplaatsen
                                beschikbaar te stellen voor bepaalde categorieën werkloos
                                werkzoekenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Werkingsfeer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie aan werkgevers is alleen mogelijk ten behoeve van
                                    arbeidsplaatsen die worden vervuld door leden van de
                                    doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op het verlenen van subsidies aan werkgevers zijn de voorwaarden
                                    en de kaders van toepassing uit de Verzamelbrief van april
                                    2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Samenloop van subsidies</titel></kop><al>Geen subsidie wordt verleend voor kosten waarvoor, al dan niet door
                                de gemeente, reeds een andere subsidie wordt verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Definitieve vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de subsidie voor een bepaalde periode geldt, wordt het recht
                                    op die subsidie telkens na afloop van het kalenderjaar
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever verstrekt daartoe binnen twee maanden na het
                                    verstrijken van het kalenderjaar waar de subsidie betrekking op
                                    heeft de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de
                                    subsidie en de gegevens die nodig zijn voor verantwoording door
                                    de gemeente aan het rijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de gegevens bedoeld in het tweede lid niet binnen de daar
                                    genoemde termijn worden verstrekt, vordert het college de
                                    subsidie terug over die subsidietermijn waarvoor de gegevens
                                    niet zijn verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in de situatie die bedoeld wordt in het vorige
                                    lid voorafgaande aan de subsidievaststelling voorschotten
                                    verstrekken als aan de andere voorwaarden voor subsidie is
                                    voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschotten worden eerst verrekend met de definitief
                                    vastgestelde subsidie of met voorschotten over een zelfde of een
                                    volgend kalenderjaar. Als een werkgever meerdere subsidies
                                    ontvangt, kunnen voorschotten op de ene subsidie met een
                                    definitief vastgestelde andere subsidie op grond van deze
                                    verordening of met voorschotten op een andere subsidie op grond
                                    van deze verordening worden verrekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Verstrekking van voorschotten kan worden gestaakt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever in staat van faillissement verkeert;</al></li><li nr="b."><al>als ten aanzien van de werkgever surséance van betaling
                                            is aangevraagd;</al></li><li nr="c."><al>als een schuldeiser van de werkgever executoriaal of
                                            conservatoir beslag heeft gelegd op goederen van de
                                            werkgever.</al></li><li nr="d."><al>de werkgever niet de verantwoording bedoeld in artikel
                                            15, tweede lid, aan het college verstrekt en/of niet aan
                                            de andere aan de subsidieverlening verbonden
                                            verplichtingen voldoet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de aan
                                    de subsidieverlening aan werkgevers verbonden
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan regels stellen waarin categorieën van werkgevers
                                    of werknemers worden aangewezen die uitgezonderd zijn van
                                    bepaalde verplichtingen die verbonden zijn aan de verlening van
                                    subsidie of van de hoogte of duur daarvan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen voor de
                                    subsidies aan werkgevers.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de in dit hoofdstuk genoemde subsidiebedragen
                                    aanpassen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan besluiten de subsidie voor de werkgever hoger
                                    vast te stellen als de werknemer in dienst treedt bij de
                                    werkgever in het kader van een werkgelegenheidsproject dat door,
                                    in opdracht van of in samenwerking met de gemeente wordt
                                    uitgevoerd of waarin de gemeente participeert.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De werkgever bedoeld in het vorige lid kan een
                                    re-integratiebedrijf zijn dat in opdracht van de gemeente
                                    handelt, of een onderaannemer zijn van een re-integratiebedrijf
                                    dat opdracht van de gemeente handelt of een speciaal voor het
                                    werkgelegenheidsproject in het leven geroepen rechtspersoon. De
                                    werkgever bedoeld in het vorige lid kan alleen een andersoortige
                                    werkgever zijn als het gaat om een speciaal
                                    werkgelegenheidsproject in samenwerking met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Aan de subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden
                                    met de strekking dat de werkgever de medewerking verleent die
                                    nodig is voor het realiseren van de re-integratiedoelstellingen
                                    ten aanzien van de werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie voor loonkosten moet worden aangevraagd uiterlijk
                                    drie maanden na de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie die op grond van artikel 24 kan worden verleend,
                                    moet binnen drie maanden, nadat het recht ontstaat, worden
                                    aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van de termijn bedoeld in de vorige leden kan worden afgeweken
                                    als de termijnoverschrijding verschoonbaar is.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Subsidie voor opstapbanen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Voorwaarden bij subsidie voor opstapbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever een subsidie verlenen voor de
                                    loonkosten van een werknemer die in het kader van een traject
                                    gericht op reïntegratie in de arbeid ten behoeve van de
                                    werkgever werkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verleend als de werkgever een
                                    arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werknemer van wie
                                    vooraf door of namens het college is vastgesteld dat deze tot de
                                    doelgroep voor een opstapbaan behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieverlening is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen
                                    in organisaties met en zonder winstoogmerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Hoogte en duur van de subsidie voor opstapbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie bedraagt EUR 10.000,00 en geldt voor de duur van één
                                    jaar en wordt naar rato verlaagd voor zover het dienstverband
                                    korter heeft geduurd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie geldt voor dienstverbanden van 32 uren per week. Het
                                    subsidiebedrag wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband
                                    van minder dan 32 uren per week en verhoogd bij een
                                    dienstverband van meer dan 32 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit instrument eindigt voor belanghebbende op de eerste dag van
                                    de maand waarin belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd
                                    bereikt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Subsidie voor vangnetbanen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verplichtingen verbonden aan de subsidieverlening voor
                                    vangnetbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever een subsidie verlenen voor de
                                    loonkosten van een werknemer die in het kader van een traject
                                    gericht op reïntegratie in de arbeid ten behoeve van de
                                    werkgever werkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verleend als de werkgever een
                                    arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werknemer waarvan
                                    vooraf door of namens het college is vastgesteld dat deze tot de
                                    doelgroep voor een vangnetbaan behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieverlening is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen
                                    in organisaties met en zonder winstoogmerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Hoogte en duur van de subsidie voor vangnetbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie bedraagt EUR 20.000,00 per jaar en wordt naar rato
                                    verlaagd voor zover het diensterband korter heeft geduurd dan
                                    het kalenderjaar waarover het wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid wordt de subsidie afwijkend
                                    vastgesteld voor de werknemer die op de ingangsdatum van een
                                    arbeidscontract of verlenging daarvan, jonger is dan 23 jaar. De
                                    volgende bedragen zijn dan van toepassing:De hoogte van de
                                    loonkostensubsidie voor de jongere wordt vastgesteld op basis
                                    van de leeftijd van de jongere op 1 januari van het
                                    kalenderjaar. Bij de afrekening wordt dit gecontroleerd.</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Tabel vangnetsubsidie bij jongeren tot 23
                                                  jaar</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Leeftijd</vet></al></entry><entry><al><vet>Hoogte Vangnetsubsidie bij 32
                                                  uur</vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>22</vet></al></entry><entry><al><vet>€ 17.500,00 </vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>21</vet></al></entry><entry><al><vet>€ 15.750,00 </vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>20</vet></al></entry><entry><al><vet>€ 14.500,00 </vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>19</vet></al></entry><entry><al><vet>€ 13.500,00 </vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>18</vet></al></entry><entry><al><vet>€ 12.500,00 </vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt gedurende maximaal drie jaar verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van
                                    minder dan 32 uren per week en verhoogd bij een dienstverband
                                    van meer dan 32 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Dit instrument eindigt voor belanghebbende op de eerste dag van
                                    de maand waarin belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd
                                    bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><al>Het college kan categorieën van werknemers of categorieën van
                                werkgevers aanwijzen waarvoor de subsidie in afwijking van het
                                vorige artikel hoger kan worden vastgesteld of voor een langere duur
                                kan worden verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Overgangsbepalingen subsidieregeling vangnetbanen</titel></kop><al>In navolging van het bepaalde in artikel 10, vierde lid, komt de
                                subsidieregeling voor vangnetbanen met ingang van 1 augustus 2009 te
                                vervallen, met dien verstande dat de artikelen 21 tot en met 23 van
                                toepassing blijven voor de reeds op 1 augustus 2009 verleende
                                subsidies.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Subsidie bij doorstroom naar regulier werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Subsidie bij doorstroom naar regulier werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan categorieën van werkgevers aanwijzen aan wie een
                                    subsidie wordt verleend als een werknemer reguliere arbeid heeft
                                    aanvaard bij dezelfde of een andere werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verleend als de werkgever voor de
                                    loonkosten van de werknemer een subsidie ontvangt of heeft
                                    ontvangen op grond van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels vast over de verplichtingen
                                verbonden aan de verlening van de subsidie bedoeld in het vorige
                                artikel en de hoogte daarvan.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Subsidies voor de belanghebbende</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan categorieën van personen aanwijzen aan wie een
                                subsidie of premie verleend kan worden ter bevordering van de
                                aanvaarding of het behoud van werk, ter bevordering van deelname of
                                succesvolle afronding aan een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling of ter bevordering van het starten, het
                                voortzetten of een succesvolle afronding van een opleiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast over de verplichtingen
                                verbonden aan de verlening van die subsidie of premie en de hoogte
                                daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan besluiten om voor noodzakelijke en werkelijk
                                gemaakte of te maken kosten ten behoeve van een re-integratietraject
                                die niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van
                                de belanghebbende een vergoeding te verstrekken aan de
                                belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende geacht kan worden ten behoeve van zijn
                                re-integratietraject, of een onderdeel daarvan extra kosten te
                                moeten maken kan het college besluiten ten behoeve van die extra
                                kosten een eenmalige of periodieke vergoeding te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de in de vorige leden bedoelde vergoeding kan de voorwaarde
                                worden verbonden dat het trajectonderdeel of de geboden voorziening
                                met goed gevolg is afgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen over de in de vorige leden
                                bedoelde vergoedingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Citeerwijze en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                Reïntegratieverordening</al><al>2004.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening loonkostensubsidie instroom/doorstroombanen
                                Wiwwerkervaringsplaatsen (Gemeenteblad van Utrecht 1999, nr. 23)
                                wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Verordening premiebeleid en vrijlating inkomsten 2001</al><al>(Gemeenteblad van Utrecht 2001, nr. 19) wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verordening treedt in werking op 1 januari 2004</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op</ondertekening><ondertekening>18 december 2003.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Drs. A.A.H. Smits Mr. A.H. Brouwer-Korf</ondertekening><ondertekening>Bekendmaking is geschied op 24 december 2003.</ondertekening><ondertekening>Deze verordening is in werking getreden op 1 januari 2004.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2004, NR. 64</titel></kop><al><vet>Toelichting</vet></al><al>Algemeen</al><al>Deze verordening regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij de
                    arbeidsinschakeling van werklozen die horen tot de doelgroep. De opdracht om die
                    ondersteuning te bieden is geregeld in artikel 7 van de Wet werk en bijstand
                    (WWB). Het voorschrift om een verordening vast te stellen waarin deze
                    ondersteuning nader vorm wordt gegeven volgt uit artikel 8 WWB.</al><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>Artikel 1 Definities</al><al>In dit artikel worden definities gegeven van begrippen die meer dan eens in de
                    verordening voorkomen, en waarvan het van belang is dat er telkens</al><al>hetzelfde onder wordt verstaan. In een aantal gevallen wordt verwezen naar
                    definities in de wet om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk aansluiting
                    blijft bij de wetgeving die van toepassing is.</al><lijst><li nr="a."><al>t/m c. kortheidshalve wordt onder de wet de WWB verstaan, en onder het
                            college en de gemeente de betreffende organen van Utrecht. Hiermee wordt
                            ook tot uitdrukking gebracht dat de verordening alleen op de gemeente
                            Utrecht van toepassing is.</al></li><li nr="d."><al>t/m g. Een aantal reïntegratie-instrumenten is in de definitielijst
                            opgenomen. Vooral bij de vormen van gesubsidieerde arbeid onder f. en g.
                            is dit van belang. Daarmee wordt een duidelijke relatie gelegd tussen
                            hoofdstuk 3, waarin geregeld wordt in welke situatie en onder welke
                            voorwaarden iemand in aanmerking kan komen voor bemiddeling naar een
                            gesubsidieerde baan, en hoofdstuk 4, waarin de voorwaarden voor een
                            werkgever staan om een loonkostensubsidie te krijgen. Zo’n subsidie is
                            namelijk alleen mogelijk als de werknemer tot de doelgroep van zo’n
                            gesubsidieerde baan behoort.</al></li><li nr="h."><al>t/m l. Voor de begrippen die te maken hebben met de gezinssituatie wordt
                            aansluiting gezocht bij de definities daarvoor in de WWB. Hierdoor
                            worden samenlevingsvormen als samenwoning en geregistreerd partnerschap
                            gelijkgesteld met het huwelijk.</al></li><li nr="m."><al>De doelgroep aan wie de gemeente ondersteuning moet bieden is geregeld
                            in artikel 7, eerste lid van de WWB. Jongeren tot 27 jaar die bij de
                            inwerkingtreding op 1 oktober 2009 van de Wet investering in jongeren
                            (WIJ) geen bijstand ontvingen of van wie de bijstandsuitkering nadien is
                            beëindigd, behoren niet tot de kring van rechthebbenden van de WWB. Zij
                            kunnen alleen een beroep doen op de WIJ en kunnen aan deze verordening
                            derhalve geen rechten ontlenen. Met ingang van 1 juli 2010 behoren alle
                            jongeren tot 27 jaar tot de kring van rechthebbenden van de WIJ, ook
                            degenen die tot die datum nog bijstand hebben ontvangen.</al></li><li nr="n."><al>Degenen die één van deze uitkeringen ontvangen vallen onder de doelgroep
                            van deze verordening en worden in deze verordening gelijkgesteld met
                            degenen die bijstand ontvangen.</al></li><li nr="q."><al>t/m t. Voor een definitie van ondersteuning is aansluiting gezocht bij
                            de definitie daarvan in de WWB. Reïntegratie-instrumenten zijn
                            voorzieningen die verstrekt kunnen worden om die ondersteuning te
                            bieden. Een traject is een aaneenschakeling van
                            reïntegratie-instrumenten. Het doel is van tevoren vastgesteld. In de
                            meeste gevallen wordt naar aanleiding van een diagnose, samen met de
                            belanghebbende, een plan opgesteld, met daarin de trajectdoelen. Een
                            traject kan ook uit een enkel reïntegratie-instrument bestaan.</al></li><li nr="w."><al>Daklozen vormen een bijzondere groep, die door hun sociaaleconomische
                            omstandigheden vaak moeilijker aan het werk raakt. Voor deze groep
                            gelden bij de loonkostensubsidies gunstigere bepalingen, om zo een
                            groter aanbod van arbeidsplaatsen voor deze groep te bevorderen. Voor de
                            definitie van dakloze is aansluiting gezocht bij de definitie daarvan in
                            de Verordening toeslagen en verlagingen WWB.</al></li><li nr="x."><al>De toevoeging van deze definitie is nodig, omdat het begrip
                            pensioengerechtigd wordt toegevoegd aan andere artikelen.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Opdracht aan het college</al><al>De WWB geeft aan het college de verantwoordelijkheid voor het bieden</al><al>van ondersteuning. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op
                    ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals
                    de belanghebbende dat het liefst zou zien. Het is aan het college om te zorgen
                    voor een voldoende aanbod van reïntegratie-instrumenten, maar het college heeft
                    daarbij te maken met beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning
                    afhankelijk is van een veelheid aan sociaal-economische factoren.</al><al>Artikel 4 Vorm van de ondersteuning</al><al><vet>GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2007 Nr. 20</vet> .</al><al/><al><vet>Verordening tot wijziging van de Re-integratieverordening 2004
                        (raadsbesluit van 15 maart 2007) </vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 2 maart
                    2007</al><al/><al/><al>Besluit</al><al/><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al><vet>VERORDENING </vet>tot wijziging van de Re-integratieverordening 2004</al><al/><al/><al><vet>Artikel I</vet></al><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2004 (Gemeenteblad van Utrecht,
                    2006, nr. 9), wordt gewijzigd als aangegeven in artikel II.</al><al/><al/><al><vet>Artikel II</vet></al><al/><al>Aan artikel 4 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt:</al><lijst><li nr=""><al>Van het vorige lid kan worden afgeweken als het college van oordeel is
                            dat dat nodig is om duurzame uitstroom te realiseren en het college dat
                            gewenst acht.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 10, vijfde lid wordt gewijzigd als volgt:</al><lijst><li nr=""><al>De opstapbaan duurt maximaal één jaar.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 10, zesde lid komt te vervallen.</al><al/><al>Artikel 11, derde lid wordt gewijzigd als volgt:</al><lijst><li nr=""><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand
                            van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende die bijstand
                            ontvangt op lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk
                            en een vangnetbaan geïndiceerd is.</al></li></lijst><al/><al>Na artikel 11 wordt een artikel toegevoegd, dat luidt:</al><al/><al><vet>Artikel 11a Doe Mee Banen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bemiddeling naar een Doe Mee Baan kan een onderdeel zijn van een traject
                            gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De Doe Mee Baan heeft als doel de belanghebbende, door betaald werk, een
                            zodanige werkervaring op te laten doen dat het perspectief op regulier
                            werk vergroot wordt.</al></li><li nr="3."><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand
                            van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende die bijstand
                            ontvangt op lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk,
                            en een doe mee baan geïndiceerd is. </al></li><li nr="4."><al>De Doe Mee Baan kan een jaar duren en kan maximaal twee keer met een
                            periode van een jaar verlengd worden.</al></li></lijst><al/><al>Aan artikel 13 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt:</al><lijst><li nr=""><al>Op de toekenning van subsidies aan werkgevers zijn de voorwaarden en de
                            kaders van toepassing uit de Verzamelbrief van april 2004.</al></li></lijst><al>Aan artikel 16 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt:</al><lijst><li nr=""><al>Verstrekking van voorschotten kan worden gestaakt als:</al></li><li nr=""><al>de werkgever in staat van faillissement verkeert;</al></li><li nr=""><al>als ten aanzien van de werkgever surséance van betaling is
                            aangevraagd;</al></li><li nr=""><al>als een schuldeiser van de werkgever executoriaal of conservatoir beslag
                            heeft gelegd op goederen van de werkgever.</al></li></lijst><al/><al>Aan artikel 17 worden de volgende leden toegevoegd:</al><lijst><li nr=""><al>Het college kan de in dit hoofdstuk genoemde subsidiebedragen
                            aanpassen.</al></li><li nr=""><al>Het college kan besluiten de subsidie voor de werkgever hoger vast te
                            stellen als de werknemer in dienst treedt bij de werkgever in het kader
                            van een werkgelegenheidsproject dat door, in opdracht van of in
                            samenwerking met de gemeente wordt uitgevoerd of waarin de gemeente
                            participeert.</al></li><li nr=""><al>De werkgever bedoeld in het vorige lid kan een re-integratiebedrijf zijn
                            dat in opdracht van de gemeente handelt, of een onderaannemer zijn van
                            een re-integratiebedrijf dat opdracht van de gemeente handelt of een
                            speciaal voor het werkgelegenheidsproject in het leven geroepen
                            rechtspersoon. De werkgever bedoeld in het vorige lid kan alleen een
                            andersoortige werkgever zijn als het gaat om een speciaal
                            werkgelegenheidsproject in samenwerking met de gemeente.</al></li><li nr=""><al>Aan de subsidie kunnen verplichtingen worden verbonden met de strekking
                            dat de werkgever de medewerking verleent die nodig is voor het
                            realiseren van de re-integratiedoelstellingen ten aanzien van de
                            werknemer.</al></li></lijst><al/><al>Aan artikel 18 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:</al><lijst><li nr=""><al>Van de termijn bedoeld in de vorige leden kan worden afgeweken als de
                            termijnoverschrijding verschoonbaar is.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 19 vierde lid komt te luiden:</al><lijst><li nr=""><al>In afwijking van het vorige lid kan subsidie worden verstrekt als de
                            werknemer voor een aantal uren wordt aangesteld waarbij het netto
                            salaris minder bedraagt dan het voor hem geldende bijstandsniveau, als </al><lijst><li nr="1."><al>het college ten aanzien van de werknemer die alleenstaande ouder
                                    is heeft vastgesteld dat hij niet in staat is het aantal in het
                                    vorige lid bedoelde uren te werken in verband met de zorg voor
                                    één of meerdere kinderen;</al></li><li nr="2."><al>het college ten aanzien van de werknemer heeft vastgesteld dat
                                    hij niet in staat is het aantal in het vorige lid bedoelde uren
                                    te werken vanwege verminderde arbeidsgeschiktheid of
                                    omstandigheden van sociaal medische aard;</al></li><li nr="3."><al>het college ten aanzien van de werknemer heeft vastgesteld dat
                                    er geen geschikte arbeidsplaats beschikbaar is voor een hoger
                                    aantal uren.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Artikel 20 komt te luiden:</al><al><vet>Artikel 20 Hoogte en duur van de subsidie voor opstapbanen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De subsidie bedraagt EUR 12.500,00 en geldt voor de duur van één jaar en
                            wordt naar rato verlaagd voor zover het dienstverband korter heeft
                            geduurd.</al></li><li nr="2."><al>De subsidie geldt voor dienstverbanden van 32 uren per week. Het
                            subsidiebedrag wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van minder
                            dan 32 uren per week en verhoogd bij een dienstverband van meer dan 32
                            uur.</al></li></lijst><al/><al>Aan artikel 21 wordt een vijfde lid toegevoegd dat luidt:</al><lijst><li nr=""><al>De subsidie is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen in organisaties
                            met en zonder winstoogmerk.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 22 komt te luiden:</al><al><vet>Artikel 22 Hoogte en duur van de subsidie voor vangnetbanen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De subsidie bedraagt EUR 20.000,00 per jaar en wordt naar rato verlaagd
                            voor zover het diensterband korter heeft geduurd dan het kalenderjaar
                            waarover het wordt vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het vorige lid bedraagt de subsidie maximaal 102% van
                            het wettelijk minimumloon als de werknemer jonger dan 23 jaar is. De
                            hoogte van de loonkosten van de jongere wordt automatisch aangepast door
                            de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>De subsidie wordt gedurende maximaal drie jaar verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>De subsidie wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van minder
                            dan 32 uren per week en verhoogd bij een dienstverband van meer dan 32
                            uur.</al></li></lijst><al>Aan artikel 24 komt te luiden:</al><al><vet>Artikel 24 Subsidie bij doorstroom naar regulier werk</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan categorieën van werkgevers aanwijzen aan wie een
                            subsidie wordt verstrekt als een werknemer reguliere arbeid heeft
                            aanvaard bij dezelfde of een andere werkgever.</al></li><li nr="2."><al>De subsidie wordt alleen verstrekt als de werkgever voor de loonkosten
                            van de werknemer een subsidie ontvangt of heeft ontvangen op grond van
                            deze verordening.</al></li></lijst><al/><al>Aan artikel 25 komt te luiden:</al><al><vet>Artikel 25 Bevoegdheid college</vet></al><al>Het college stelt nadere regels vast over de voorwaarden voor de subsidie
                    bedoeld in het vorige artikel en de hoogte daarvan.</al><al/><al>De naam van hoofdstuk 5 wordt:</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5</vet></al><al><vet>Subsidies voor de belanghebbende</vet></al><al/><al/><al>Artikel 26 wordt gewijzigd als volgt:</al><al><vet>Artikel 26 Bevoegdheid college</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan categorieën van personen aanwijzen aan wie een subsidie
                            verstrekt kan worden ter bevordering van de aanvaarding of het behoud
                            van werk, ter bevordering van deelname of succesvolle afronding aan een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling of ter bevordering van het
                            starten, het voortzetten of een succesvolle afronding van een
                            opleiding.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels vast over de voorwaarden voor die
                            subsidie en de hoogte daarvan.</al></li></lijst><al/><al>Na artikel 26 wordt, onder vernummering van artikel 27 naar 28, het volgende
                    artikel ingevoegd:</al><al><vet>Artikel 27 Onkostenvergoeding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan besluiten om voor noodzakelijke en werkelijk gemaakte of
                            te maken kosten ten behoeve van een re-integratietraject die niet
                            gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van de
                            belanghebbende een vergoeding te verstrekken aan de belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Als een belanghebbende geacht kan worden ten behoeve van zijn
                            re-integratietraject, of een onderdeel daarvan extra kosten te moeten
                            maken kan het college besluiten ten behoeve van die extra kosten een
                            eenmalige of periodieke vergoeding te verstrekken.</al></li><li nr="3."><al>Aan de in de vorige leden bedoelde vergoeding kan de voorwaarde worden
                            verbonden dat het trajectonderdeel of de geboden voorziening met goed
                            gevolg is afgelegd.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan nadere regels vaststellen over de in de vorige leden
                            bedoelde vergoedingen.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel III</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 april 2007.</al><al/><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 15 maart
                    2007.</al><al/><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>Drs. A.A.H. Smits Mr. A.H. Brouwer-Korf</al><al/><al/><al><vet>Publicatie is geschied op 28 maart 2007.</vet></al><al><vet>Deze verordening is in werking getreden op 1 april 2007.</vet></al><al><vet>BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2007, NR. 20</vet></al><al/><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING bij de Verordening tot wijziging van de
                        Re-integratieverordening 2004</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4 Vorm van de ondersteuning</vet></al><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                    diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                    re-integratie-instrumenten. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of
                    doorverwijzing naar andere instanties. Re-integratie-instrumenten worden alleen
                    ingezet als zonder die inzet arbeidsinschakeling niet mogelijk is. Bovendien
                    worden de instrumenten alleen ingezet als aan de hand van onderzoek is gebleken
                    dat door de inzet van die instrumenten arbeidsinschakeling binnen afzienbare
                    tijd mogelijk wordt. Reïntegratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid
                    zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en de
                    werkaanvaarding bedoeld, maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te
                    bereiken.</al><al>Inzet van re-integratie-instrumenten is ook mogelijk als het college van oordeel
                    is dat zonder de inzet van re-integratie-instrumenten op korte termijn slechts
                    tijdelijke uitstroom mogelijk is, terwijl de inzet van
                    re-integratie-instrumenten meer duurzame uitstroom mogelijk kan maken. Ook hier
                    geldt dat het instrument adequaat en toereikend moet zijn voor het bereiken van
                    dat doel.</al><al>Alleen als arbeidsinschakeling binnen afzienbare termijn niet tot de
                    mogelijkheden behoort, kan zelfstandige maatschappelijke participatie een doel
                    van de inzet van re-integratie-instrumenten zijn. Ook in dat geval geldt dat het
                    instrument beschikbaar moet zijn en dat het adequaat en toereikend moet zijn
                    voor het beoogde doel. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van
                    het traject ligt bij het college, dat immers ook verantwoordelijk is voor de
                    effectieve en doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen van
                    die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden worden met de wensen van de
                    belanghebbende. Voor het slagen van het traject is de motivatie van de
                    belanghebbende belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt
                    besloten, de inhoud van het traject besproken met de belanghebbende, waarna het
                    trajectplan door beide partijen ondertekend wordt.</al><al>Artikel 5 Onderzoek</al><al>In de meeste gevallen zal voordat tot de inzet van reïntegratie-instrumenten
                    wordt besloten een advies worden gevraagd van een bedrijf dat gespecialiseerd is
                    in diagnoses. Niet uitgesloten is dat het onderzoek zelf wordt verricht.
                    Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek besloten worden alsnog advies van
                    derden in te winnen. Ook is denkbaar dat uit het eigen onderzoek al blijkt dat
                    een diagnose door derden en/of de inzet van reïntegratie-instrumenten niet nodig
                    is.</al><al>Artikel 6 Verplichtingen</al><al>Deelname aan reïntegratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn reeds
                    door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden. Voor
                    diegenen zonder uitkering moeten voorwaarden aan het reïntegratietraject
                    gekoppeld worden. Deze gelden vanzelfsprekend ook voor de bijstandsgerechtigden.
                    Het niet nakomen van de verplichtingen geeft</al><al>de mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde ondersteuning te
                    weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onder-</al><al>zoek. Ook is denkbaar dat gemaakte kosten op de belanghebbende worden verhaald,
                    als door verwijtbaar handelen een traject niet tot het gewenste resultaat leidt.
                    Om die mogelijkheid open te houden is het wenselijk dat de belangrijkste
                    voorwaarden voor het behalen van succes als verplichting zijn opgenomen.</al><al>Natuurlijk heeft de belanghebbende ook rechten. Deze rechten zijn meestal elders
                    in wetof regelgeving ondergebracht. Tegen beslissingen op grond van deze
                    verordening staat bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Het recht op inzage in gegevens en zonodig correctie
                    daarvan is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><al>Artikel 7 Vrijwilligerswerk</al><al>Vrijwilligerswerk met behoud van uitkering kan een nuttig instrument zijn om
                    werkritme op te doen of te laten behouden. Het kan worden ingezet als uitstroom
                    naar algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is, of als dat pas op
                    middellange of lange termijn mogelijk is. Er is bewust voor gekozen om geen
                    exacte termijnen te noemen voor dit arbeidsperspectief. Niet alleen zou dat ten
                    onrechte de suggestie wekken dat dat altijd vooraf exact vast te stellen is, het
                    arbeidsperspectief is ook niet alleen afhankelijk van in de persoon gelegen
                    omstandigheden. Ook een veranderende arbeidsmarkt maakt dat de het
                    arbeidsperspectief wijzigt. In het meerjarig beleidsplan zoals dat was
                    vastgesteld bij het van kracht worden van deze verordening wordt uitgegaan van
                    de volgende termijnen:</al><lijst><li nr="-"><al>korte termijn: binnen een anderhalf jaar;</al></li><li nr="-"><al>middellange termijn: tussen anderhalf en tweeënhalf jaar;</al></li><li nr="-"><al>lange termijn: niet binnen tweeënhalf jaar.</al></li></lijst><al>Daarnaast worden nog groepen onderscheiden die direct kunnen uitstromen naar
                    betaald werk, of bij wie er in het geheel geen arbeidsperspectief is. Niet
                    alleen het arbeidsperspectief is bepalend voor de inzet van een
                    reïntegratieinstrument. Steeds geldt dat het nodig moet zijn, dat de kortste weg
                    naar werk gevolg wordt en dat het geïndiceerd is.</al><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties die geen winstoogmerk
                    hebben. Uit de definitie van vrijwilligerswerk in artikel 1 onder d. volgt
                    bovendien dat het moet gaan om maatschappelijk nuttige activiteiten. Er is van
                    afgezien om een maximale duur vast te stellen, om ervoor te zorgen dat het
                    instrument ingezet kan worden voor degenen voor wie uitstroom naar betaald werk
                    niet mogelijk is, en voor wie het vrijwilligerswerk zelfstandige
                    maatschappelijke participatie als doel heeft. Als vrijwilligerswerk een
                    onderdeel van een traject naar betaald werk is, wordt de duur beperkt doordat
                    een traject van beperkte duur is.</al><al>Artikel 8 Leerwerkstage</al><al>De leerwerkstage heeft als belangrijkste doel het opdoen van vaardigheden in een
                    vakgebied, waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk wordt gemaakt. De
                    leerwerkstage is bedoeld voor leden van de doelgroep die op korte, middellange
                    of lange termijn perspectief op betaald werk hebben. Wat die termijnen inhouden
                    is nader uitgewerkt in de toelichting op artikel 7. Voor de leerwerkstage geldt
                    net als voor vrijwilligerswerk dat niet alleen het arbeidsperspectief bepalend
                    is voor de inzet van het instrument. Anders dan bij vrijwilligerswerk geldt hier
                    wel een duurbeperking. De reden daarvan is dat de leerwerkstage niet kan worden
                    ingezet met als (voorlopig) einddoel zelfstandige maatschappelijke participatie,
                    zodat een duurbeperking hier geen ongewenste beperkingen aan de inzet ervan
                    geeft.</al><al>Artikel 9 Proefplaatsingen</al><al>Bij de proefplaatsing is het doel niet zozeer het leren van vaardigheden, maar
                    vooral het wennen aan aspecten die samenhangen met betaald werk. Net als de
                    leerwerkstage kan het instrument worden ingezet voor leden van de doelgroep met
                    een perspectief op betaald werk op korte, middellange of lange termijn. Wat die
                    termijnen inhouden is nader uitgewerkt in de toelichting op artikel 7. Voor de
                    proefplaatsing geldt net als voor vrijwilligerswerk dat niet alleen het
                    arbeids-perspectief bepalend is voor de inzet van het instrument. De
                    proefplaatsing duurt maximaal zes maanden. De proefplaatsing duurt drie maanden
                    als die voorafgaat aan een opstapbaan. Omdat opstapbanen gereserveerd zijn voor
                    mensen met een arbeidsperspectief op korte of middellange termijn, doet die
                    situatie zich alleen in die gevallen voor.</al><al>Artikel 10 Opstapbanen</al><al>De opstapbaan is een gesubsidieerde baan die bedoeld is om de belanghebbende
                    sneller op een reguliere baan geplaatst te krijgen. Hij is bedoeld voor mensen
                    die op korte of middellange termijn naar regulier werk kunnen uitstromen. De
                    duurbeperking die aan de opstapbaan verbonden is houdt verband met de maximale
                    duur van de loonkostensubsidie die aan de werkgever kan worden verstrekt.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Vangnetbanen</vet></al><al>De vangnetbaan is een gesubsidieerde baan die bedoeld is om door het opdoen van
                    werkervaring het perspectief op regulier betaald werk te vergroten. Hij is
                    bedoeld voor mensen waarvoor het extra belangrijk is om langdurige werkloosheid
                    te voorkomen. Het gaat om mensen met een bijstandsuitkering. Als voor-waarde
                    geldt dat er pas op lange termijn uitstroom mogelijk is naar regulier werk. De
                    vangnetbaan duurt maximaal drie jaar. Deze duurbeperking houdt verband met de
                    maximale duur van de loonkostensubsidie die aan de werkgever kan worden
                    verstrekt. </al><al>Een voorafgaande proefplaatsing is niet langer een vereiste voor plaatsing op
                    een Vangnetbaan, hoewel het wel wenselijk kan zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 11, derde lid</vet></al><al>Deze wijziging biedt nu ook de mogelijkheid om aan alle jongeren in de doelgroep
                    van sociale zaken (uitkeringsgerechtigd en niet uitkeringsgerechtigd) een
                    vangnetbaan aan te bieden om zo hun kansen op de reguliere arbeidsmarkt te
                    vergroten. Dit sluit aan bij de wensen voor deze doelgroep om te komen tot
                    duurzame toetreding tot het arbeidsproces. Daarbij is het nu dan ook mogelijk om
                    langere kwalificerende scholing in te zetten, waarmee de kansen op duurzame
                    uitstroom worden vergroot.</al><al/><al><vet>Artikel 11, vijfde lid</vet></al><al>In het geval dat een persoon bij het aangaan van de vangnetbaan 59 jaar of ouder
                    is, is het moeilijk deze personen na deze vangnetbaan te bemiddelen naar een
                    reguliere baan. Als dit nu niet lukt, is niet wenselijk om deze persoon terug te
                    laten vallen in een WW uitkering en zelfs eventueel in de bijstand. De kans op
                    een nieuw succesvol re-integratietraject is voor deze groep zeer klein.</al><al/><al><vet>Artikel 11a Doe Mee Banen</vet>Doe Mee Banen zijn een nieuw instrument voor
                    het bevorderen van uitstroom uit de uitkering naar regulier betaald werk. Doel
                    is het opdoen (of op peil houden) van arbeidsritme en
                    werknemersvaardigheden.</al><al><vet>Artikel 11a, vijfde lid</vet></al><al>Vanwege de relatief hoge kosten die aan deze banen verbonden zijn én omdat er
                    voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd een voorliggende voorziening
                    in de vorm van AOW bestaat, is het nodig deze begrenzing in te voeren. </al><al>.</al><al>Artikel 12 Doel van de subsidies voor de werkgever</al><al>Doel van subsidiering van arbeidsplaatsen is om extra werkgelegenheid te
                    bevorderen voor speciale groepen van werklozen die anders geen werk kunnen
                    vinden. De reden hiervoor kan zijn dat deze werklozen door de grotere afstand
                    tot de arbeidsmarkt minder productief zijn, of dat werkgevers door een gebrek
                    aan werkervaring huiverig zijn om iemand in dienst te nemen vanwege de extra
                    financiële risico’s die daaraan verbonden zijn. Door deze subsidiering worden
                    die financiële risico’s gecompenseerd, en komen er voor de gemeente extra
                    instrumenten beschikbaar voor het uitvoeren van haar
                    reïntegratiedoelstellingen.</al><al>Artikel 13 Werkingssfeer</al><al>In de Verzamelbrief van april 2004 staan kaders beschreven die gelden in verband
                    met (Europese) mededingingsregels om te voorkomen dat er sprake is van verboden
                    staatsteun. Op grond van die regels is het bijvoorbeeld niet toegestaan om
                    loonkostensubsidies voor te behouden aan werkgevers in een bepaalde regio.</al><al> Het is wel toegestaan om als voorwaarde te stellen dat de werknemer tot de
                    doelgroep van de (Utrechtse) Re-integratieverordening behoort. In de circulaire
                    wordt aanbevolen in de verordening expliciet te verwijzen naar deze
                    Verzamelbrief.</al><al>Artikel 14 Samenloop van subsidies</al><al>Ongewenste samenloop van subsidies moet worden voorkomen. Voor een deel is
                    daarin al voorzien doordat alleen voor kosten (en voor zover die er zijn)
                    subsidie kan worden verleend. Toch is nog eens uitdrukkelijk opgenomen dat een
                    loonkostensubsidie alleen mogelijk is voor die loonkosten, of voor dat deel van
                    die loonkosten, waar niet al een andere subsidie voor wordt ontvangen. Dat hoeft
                    niet een subsidie te zijn die alleen voor de loonkosten bedoeld is. Het kan ook
                    om een meer algemene subsidie gaan, waarvan is vastgesteld dat die ook voor de
                    loonkosten bedoeld is.</al><al>Artikel 15 Definitieve vaststelling</al><al>Het definitieve recht op subsidie wordt vastgesteld na afloop van ieder
                    kalenderjaar.</al><al>Als er meer dan één gesubsidieerde arbeidsplaats is, wordt op dat moment tevens
                    het totaal aan subsidies voor die arbeidsplaatsen vastgesteld. Definitieve
                    vaststelling per kalenderjaar sluit ook goed aan bij het moment van
                    salarisveranderingen en fiscale veranderingen en bij het moment waarop
                    definitief opgave van loonkosten moet worden gedaan ten behoeve van andere
                    regelingen.</al><al/><al><vet>Artikel 15, tweede lid</vet></al><al>Deze aanpassing is nodig om ervoor te zorgen dat de afrekening van de
                    loonkostensubsidies in de pas gaat lopen met de verantwoording binnen de
                    gemeente Utrecht en de verantwoording over WWB-gelden naar het Rijk. Nu is deze
                    periode te lang en bestaat er kans op financiële risico’s voor de gemeente. Deze
                    worden door de nieuwe bepaling voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 15, derde lid</vet>Naar aanleiding van procedures die werkgevers
                    tegen de gemeente hebben gevoerd, is het juridisch nodig om deze bepaling op te
                    nemen, zodat de subsidie, in het geval van niet juiste en/of tijdige
                    verantwoording kan worden teruggevorderd. Dit om financiële risico’s naar de
                    toekomst te voorkomen.</al><al>Artikel 16 Voorschotten</al><al>Voorschotverlening is mogelijk gemaakt omdat de subsidie eenmaal per jaar
                    definitief wordt vastgesteld, en de bedrijfsvoering van werkgevers niet altijd
                    toelaat dat de loonkosten worden betaald zonder dat daar de inkomsten uit de
                    loonkostensubsidie tegenover staat. Als is vastgesteld dat aan de voorwaarden
                    van subsidiering is voldaan, kunnen periodiek voorschotten worden verstrekt ter
                    hoogte van een voorlopige schatting van het uiteindelijk toe te kennen
                    subsidiebedrag ten behoeve van de aanwezige gesubsidieerde arbeidsplaatsen over
                    de periode waar het voorschot betrekking heeft. Bij de definitieve vaststelling
                    van de subsidie vindt verrekening van de verstrekte voorschotten plaats. </al><al>Het verschil dat resteert wordt uitbetaald als het positief is, of verrekend met
                    de bevoorschotting van het volgende kalenderjaar als het negatief is. Als
                    verrekening niet mogelijk is, worden te veel verstrekte voor-schotten
                    teruggevorderd.Loonkostensubsidies zijn bedoeld om banen te creëren en
                    (vervolgens) in stand te houden die vervuld worden door leden van de doelgroep.
                    Als het bedrijf van de werkgever in (betalings-)moeilijkheden verkeert kan een
                    situatie ontstaan waarbij dat doel niet meer te realiseren is. Ook is denkbaar
                    dat bij de eind-afrekening blijkt dat de subsidie niet volledig toegekend kan
                    worden, waardoor er –achteraf bezien- teveel voorschotten verstrekt zijn. Om de
                    situatie te voorkomen dat teveel als voorschot verstrekt is, en die teveel
                    verstrekte voorschotten vervolgens niet meer verrekend of teruggevorderd kunnen
                    worden, of om de situatie te voorkomen dat doorgegaan moet worden met het
                    verstrekken van voorschotten terwijl die niet meer ten goede komen aan het doel
                    waarvoor ze verstrekt worden, voorziet dit artikel in een solide juridische
                    basis om de bevoorschotting zonodig te staken.</al><al/><al><vet>Artikel 16, derde lid onder d</vet></al><al>De toevoeging van dit onderdeel geeft een basis voor het opschorten van de
                    betaling van voorschotten zolang een werkgever niet tijdig voldoet aan de
                    verplichtingen uit artikel 15 van deze Verordening.</al><al>Artikel 17 , vierde lid</al><al>Door geldontwaarding en stijging van (loon)kosten kan het periodiek wenselijk
                    zijn de subsidiebedragen aan te passen. Om de regeling eenvoudig te houden is
                    gekozen voor ronde bedragen. Door dit artikel kan flexibel ingespeeld worden op
                    een eventuele toekomstige wenselijkheid om de bedragen aan te passen.</al><al/><al><vet>Artikel 17, vijfde lid</vet></al><al>Voor speciale projecten, die extra gesubsidieerde werkgelegenheid kunnen bieden,
                    kan het incidenteel wenselijk zijn extra middelen in te zetten, om de extra
                    banen mogelijk te kunnen maken. Hieruit kan eventueel ook een deel van de
                    apparaatkosten gefinancierd worden die nodig zijn om de banen mogelijk te
                    maken.</al><al/><al><vet>Artikel 17, zesde lid</vet></al><al>Het is niet de bedoeling om werkgevers van al bestaande gesubsidieerde banen
                    aanspraak te laten maken op extra subsidie. De bedoeling is om speciale
                    werkgelegenheidsprojecten mogelijk te maken die anders niet mogelijk zijn. Om
                    die reden zijn extra voorwaarden gesteld aan het toekennen van hogere subsidie.
                    Zo moet het om speciale projecten gaan die door of namens of in samenwerking met
                    de gemeente georganiseerd worden</al><al/><al><vet>Artikel 17, zevende lid</vet>Doel van gesubsidieerde arbeid is de
                    reïntegratie van de werknemer. Daarom kan van de werkgever die subsidie ontvangt
                    medewerking gevraagd worden om dat doel te bereiken. Die medewerking kan onder
                    andere bestaan in het bieden van begeleiding, maar ook in het (deels) ter
                    beschikking stellen van de werknemer voor scholing of begeleiding gericht op de
                    reïntegratie. Ook kan van de werkgever worden verlangd dat hij vanuit zijn
                    gezagsrelatie ten aanzien van de werknemer medewerking verlangt aan activiteiten
                    gericht op de reïntegratie.</al><al/><al><vet>Artikel 18, tweede lid</vet></al><al>Het huidige artikel verwees naar leden die er niet meer zijn. Nu klopt de
                    verwijzing weer.</al><al><vet>Artikel 18, derde lid</vet></al><al>Niet altijd wordt de termijn om de subsidie aan te vragen gehaald. In gevallen
                    waarbij die termijnover-schrijding verschoonbaar is, of waarbij het belang van
                    tijdige aanvraag niet opweegt tegen de wenselijkheid om subsidie te verstrekken,
                    kan daarvan afgeweken worden. Daarbij kan ook de mate waarin er van
                    termijn-overschrijding sprake is worden meegewogen.</al><al>Artikel 19 Voorwaarden bij subsidie voor opstapbanen</al><al>De voorwaarden die zijn verbonden aan een loonkostensubsidie zoals bedoeld in
                    dit artikel houden recht-streeks verband met de voorwaarden die gelden voor
                    plaatsing van een belanghebbende op een opstapbaan. Dat komt doordat een
                    werkgever alleen subsidie kan krijgen nadat hij een arbeidsovereenkomst heeft
                    gesloten met een werknemer waarvan vooraf door het college is vastgesteld dat
                    hij tot de doelgroep behoort. In de praktijk zal een werkgever kenbaar maken dat
                    hij een arbeidsplaats wil creëren voor de doelgroep en daarvoor subsidie wil
                    gaan ontvangen. Daarna zullen aan hem verschillende kandidaten worden
                    gepresenteerd voor wie in het kader van hun reïntegratie een opstapbaan wordt
                    gezocht. De beschikbaarheid van een geschikte kandidaat die tot de doelgroep van
                    een opstapbaan behoort is daardoor een voorwaarde voor subsidie geworden. </al><al>Een andere belangrijke voorwaarde is dat het werk (en dus ook de betaling
                    daarvoor) van een dusdanige omvang is, dat de belanghebbende daarmee in zijn
                    eigen levensonderhoud kan voorzien, en dus geen beroep meer hoeft te doen op
                    (aanvullende) bijstand. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt als het om
                    een alleenstaande ouder gaat, van wie vooraf door het college is vastgesteld dat
                    hij dat benodigde aantal uren niet kan werken vanwege de zorg voor minderjarige
                    kinderen. Niet alleen de combinatie van arbeid met de zorg voor kinderen voor
                    een alleenstaande ouder kan een reden zijn waarom iemand niet voor een volledige
                    arbeidsweek kan worden ingezet. Andere redenen daarvoor kunnen zijn
                    gedeeltelijke arbeids-ongeschiktheid of het feit dat op een bepaald moment
                    alleen een deeltijdbaan beschikbaar is die geschikt is voor de belanghebbende.
                    Daarom is het aantal situaties waarin afgeweken kan worden van het uitgangspunt
                    dat alleen subsidie mogelijk is voor de werknemer die daardoor volledig
                    onafhankelijk is van een uitkering uitgebreid.Omdat het creëren van extra
                    werkgelegenheid voor bepaalde doelgroepen het belangrijkste doel van de
                    loonkostensubsidie is, is het niet van belang of de werkgever winst nastreeft of
                    geen winstoogmerk heeft.</al><al>Artikel 20 Hoogte en duur van de subsidie voor opstapbanen</al><al>Vanwege het toegenomen accent op ‘werk boven inkomen’ en de te beperkte
                    beschikbaarheid van gesubsidieerde arbeidsplaatsen is de subsidie verhoogd.
                    Gekozen is voor een rond bedrag, dat eenvoudig uitvoerbaar en goed te
                    communiceren is. Om te zorgen dat het subsidiebedrag in verhouding blijft met de
                    stijgende salariskosten is voorzien in de mogelijkheid om het bedrag zonodig aan
                    te passen. De bevoegdheid daarvoor wordt bij het college gelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 19, derde en vierde lid</vet></al><al>Deze uit de verordening verwijderde leden beperkten de doelgroep voor de
                    gemeente in de toepassing van het inzetten van het instrument voor mensen met
                    deeltijdbanen waarvoor de uitzondering van deze leden niet gold. Wij willen ook
                    deeltijders in alle gevallen een loonkostensubsidie toe kunnen kennen, ook als
                    zij niet alleenstaande ouder, arbeidsgehandicapt zijn of als er ook voltijdbanen
                    beschikbaar zijn. Dit om meer maatwerk in te kunnen zetten voor de
                    doelgroep.</al><al/><al><vet>Artikel 20, derde lid</vet></al><al>Vanwege de relatief hoge kosten die aan deze banen verbonden zijn én omdat er
                    voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd een voorliggende voorziening
                    in de vorm van AOW bestaat, is het nodig deze begrenzing in te voeren. </al><al/><al><vet>Artikel 20, vijfde lid</vet></al><al>Doordat de subsidieregeling non-discriminatoir is, dat wil zeggen dat hij niet
                    regiogebonden is, is het vanuit regelgeving die verboden staatsteun regelt niet
                    noodzakelijk om subsidieverlening te beperken tot werk-gevers zonder
                    winstoogmerk. Regiogebonden subsidiering mag alleen aan organisaties zonder
                    winstoog-merk. Om zoveel mogelijk arbeidsplaatsen te kunnen creëren voor leden
                    van de doelgroep met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt is
                    subsidieverlening ook mogelijk aan organisaties met winstoogmerk. Omdat de
                    subsidie afhankelijk is van vaststelling waaruit volgt dat de werknemer
                    verminderd productief is, en omdat van de werkgever medewerking aan het
                    realiseren van de re-integratiedoelstellingen wordt gevraagd, wordt voorkomen
                    dat de werkgever een niet gerechtvaardigd voordeel geniet.</al><al>Artikel 21 Voorwaarden bij subsidie voor vangnetbanen</al><al>Net als bij de opstapbaan zijn de voorwaarden die zijn verbonden aan een
                    loonkostensubsidie gekoppeld aan de voorwaarden voor plaatsing op de
                    gesubsidieerde baan, doordat een werkgever alleen subsidie kan krijgen nadat hij
                    een arbeidsoverkomst heeft gesloten met een werknemer waarvan vooraf door het
                    college is vastgesteld dat hij tot de doelgroep behoort en dat een vangnetbaan
                    geïndiceerd is. De maximale duur voor de subsidie is in alle gevallen drie jaar.
                    Voor jongeren ( jonger dan 23 jaar) en voor daklozen wordt de hoogste subsidie
                    gegeven, om extra werkgelegenheid voor deze groepen te creëren. Voor
                    arbeidsplaatsen die vervuld worden door werknemers die kostwinner voor een gezin
                    zijn wordt om diezelfde reden een hogere subsidie gegeven dan voor plaatsen die
                    opgevuld worden door alleenstaanden.</al><al/><al><vet>Artikel 21, derde en vierde lid</vet></al><al>Deze uit de verordening verwijderde leden beperkten de doelgroep voor de
                    gemeente in de toepassing van het inzetten van het instrument voor mensen met
                    deeltijdbanen waarvoor de uitzondering van deze leden niet gold. Wij willen ook
                    deeltijders in alle gevallen een loonkostensubsidie toe kunnen kennen, ook als
                    zij niet alleenstaande ouder, arbeidsgehandicapt zijn of als er ook voltijdbanen
                    beschikbaar zijn. Dit om meer maatwerk in te kunnen zetten voor de
                    doelgroep.</al><al>Artikel 22 <vet>Hoogte en duur van de subsidie voor vangnetbanen</vet></al><al>Ook hier is het bedrag verhoogd tot een eenvoudig uitvoerbaar en te communiceren
                    bedrag. Om te voor-komen dat het subsidiebedrag bij werknemers die onder het
                    minimumjeugdloon vallen hoger is dan het totaal aan salariskosten is de subsidie
                    voor die werknemers gemaximeerd tot het wettelijk minimumloon. Hierop wordt een
                    kleine opslag gegeven voor aan de arbeidsplaats gerelateerde kosten die voor
                    rekening van de werkgever komen en kosten die de werkgever maakt voor de
                    begeleiding van de werknemer. Daarom is voor het percentage van 102%
                    gekozen.</al><al/><al><vet>Artikel 22, tweede lid</vet></al><al>Het oude lid gaf discussie over de hoogte van de subsidie. Daarbij kwam dat dit
                    in sommige gevallen leidde tot ongewenste hoogte van de subsidie. Vanwege de
                    systematiek van de jeugdminimumlonen is het eenvoudiger en duidelijker vaste
                    bedragen in te voeren, waarbij het nu voor de werkgever altijd een extra
                    incentive is om deze jongeren in dienst te nemen. Bij elke nieuw
                    arbeidscontract, of een verlenging daarvan geldt het bedrag genoemd in de tabel,
                    behorende bij de leeftijd van de jongere op dat moment. Zou blijven de
                    loonkostensubsidie en het jeugdminimumloon gelijk oplopen met het ouder worden
                    van de belanghebbende.</al><al/><al><vet>Artikel 22, vijfde lid</vet></al><al>Vanwege de relatief hoge kosten die aan deze banen verbonden zijn én omdat er
                    voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd een voorliggende voorziening
                    in de vorm van AOW bestaat, is het nodig deze begrenzing in te voeren.</al><al>Artikel 23 Bevoegdheid college</al><al>In dit artikel wordt aan het college de mogelijkheid geboden om voor bepaalde
                    categorieën van werknemers of werkgevers de subsidie voor een vangnet baan hoger
                    vast te stellen, of voor een langere duur mogelijk te maken. Dit is een
                    aanvulling op de bevoegdheid die in artikel 17 lid 2 is gegeven, om dat daar
                    alleen de mogelijkheid wordt gegeven om bijvoorbeeld andere categorieën van
                    werknemers gelijk te stellen met werknemers die bijstand ontvingen, zodat voor
                    hen plaatsing op een vangnetbaan mogelijk wordt, maar ook bijvoorbeeld een
                    subsidie van twee in plaats één jaar voor een opstapbaan mogelijk wordt. Dit
                    artikel maakt het alleen voor vangnetbanen mogelijk om de hoogte en de duur voor
                    de subsidie zelf in gunstige zin bij te stellen, en kan gebruikt worden om voor
                    bepaalde groepen de subsidie bijvoorbeeld op een hoger percentage van het
                    wettelijk minimumloon vast te stellen. Net als artikel 17 geeft dit artikel niet
                    de mogelijkheid om in individuele gevallen af te wijken. Een richtlijn met
                    criteria is vereist.</al><al>Artikel 24 Subsidie bij doorstroom naar regulier werk </al><al>De subsidies die een werkgever kon krijgen als de werknemer van een
                    gesubsidieerde baan doorstroomde naar regulier betaald werk was geen succes. Er
                    werd nauwelijks gebruik van gemaakt. Om de doorstroming naar regulier werk te
                    bevorderen wordt nu meer ingezet op intensievere begeleiding van de werknemer.
                    De bestaande uitstroomsubsidie voor werkgevers is afgeschaft. Het college
                    behoudt wel de mogelijkheid om dit instrument in de toekomst eventueel opnieuw
                    in te zetten.</al><al>Artikel 26 Bevoegdheid college</al><al>Dit artikel maakt het mogelijk om middels een algemene richtlijn die door het
                    college is vastgesteld premies te geven aan bijvoorbeeld mensen die bijstand
                    ontvangen en die arbeid in loondienst aanvaarden die leidt of zal leiden tot
                    volledige arbeidsinschakeling. Ook kan een premie verstrekt worden om deelname
                    aan een voorziening gericht op reïntegratie te bevorderen of om een succesvolle
                    afronding daarvan te bevorderen. Het is ook mogelijk om een premie te
                    verstrekken om te bevorderen als iemand een opleiding start of voortzet waarbij
                    de uitkering beëindigd is of kan worden, omdat er door het volgen van de
                    opleiding aanspraak op andere voorzieningen ontstaat of is ontstaan, zoals
                    studiefinanciering.</al><al>Artikel 27 Onkostenvergoeding</al><al>Soms moet een belanghebbende onkosten maken ten behoeve van deelname aan
                    voorzieningen gericht op reïntegratie. Van een aantal van dergelijke kosten kan
                    van de belanghebbende gevraagd worden om die voor zijn eigen rekening te nemen
                    (denk aan reiskosten binnen de stad). Immers er zijn ook mensen die werken tegen
                    het minimumloon die ook kosten voor woon- werkverkeer moeten maken. Soms kunnen
                    de kosten van dien aard zijn, dat het niet redelijk is ze ten laste van de
                    belanghebbende te laten komen. Daarnaast kan het feit dat een belanghebbende
                    extra kosten moet maken in bepaalde gevallen een ongewenst negatief effect op de
                    motivatie hebben. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om voor zulke kosten
                    een tegemoetkoming te verstrekken. Dat kan op basis van werkelijk gemaakte
                    kosten of op basis van een inschatting van de te maken extra kosten. Over de
                    hoogte van de vergoeding en de voorwaarden die van toepassing zijn kan het
                    college nadere regels stellen.</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>