<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR8881_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Leudal</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Leudal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekbode18augustus2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invorderingswet 1990</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-08-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-08-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied </label></kop><structuurtekst><al>Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke
                            belastingen 2008 en het beleid over het toepassingsgebied zoals
                            opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>1.1.Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>Voor u ligt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 2008
                                van de gemeente Leudal, gebaseerd op de VNG model-Leidraad
                                Invordering gemeentelijke belastingen 2008. Deze Leidraad vervangt
                                de model-Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 1990. </al><al/><al>Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna:
                                Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke
                                belastingen enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet
                                opgenomen. Dit is het grote verschil tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’
                                Leidraad. Inhoudelijk is de Leidraad echter niet veranderd. De
                                nieuwe Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 2008 bevat
                                dezelfde voorschriften als de Leidraad Invordering gemeentelijke
                                belastingen 1990. </al><al/><al>Bij de opmaak van de gemeentelijke leidraad is aansluiting gezocht
                                bij de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar
                                noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of aangepast aan de
                                gemeentelijke situatie. </al><tussenkop> Opzet van de Leidraad</tussenkop><al>Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij
                                    de Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990
                                    en onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan.
                                    Reden hiervoor is dat deze onderdelen en artikelen niet van
                                    toepassing zijn voor de gemeente Leudal. Bij diverse artikelen
                                    en onderdelen treft u dan ook de opmerking aan: ‘Deze bepaling
                                    is niet van toepassing voor de gemeente’. Dit is gedaan om de
                                    nummering van de originele Rijksleidraad niet te veranderen. De
                                    (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën
                                    kunnen dan sneller gevonden en veranderd worden. </al><al/><al>Op een aantal plaatsen in de leidraad is tekst in blauw
                                    weergegeven, daar waar wordt afgeweken van de bepalingen in de
                                    Rijksleidraad om het beleid af te stemmen op de situatie in de
                                    gemeente Leudal. </al><al>Verder is een aantal optionele aanvullende bepalingen opgenomen.
                                    Deze bepalingen zijn in rood weergegeven en komen niet in de
                                    Rijksleidraad voor. </al><al/><al> Vanwege de leesbaarheid wordt in deze leidraad het begrip
                                    ‘ontvanger’ in plaats van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar
                                    belast met de invordering van gemeentelijke belastingen’
                                    gebruikt. Om dezelfde reden wordt in deze leidraad het begrip
                                    ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de wettelijke term
                                    ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke
                                    belastingen’. In de andere gevallen is gekozen voor de directe
                                    vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale
                                    benamingen.</al><tussenkop> Wie stelt de Leidraad binnen de gemeente vast?</tussenkop><al>Uit de wet blijkt niet wie binnen de gemeente de Leidraad moet
                                    vaststellen. Met de inwerkingtreding van de aanpassingswetgeving
                                    derde tranche Algemene wet bestuursrecht (1 januari 1998) ligt
                                    het praktisch gezien het meest voor de hand dat deze de Leidraad
                                    door het college wordt vastgesteld.</al><tussenkop> 1.1.1.Lijst met gebruikte afkortingen</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afkorting</al></entry><entry colname="col2"><al>Omschrijving</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>.....................</al></entry><entry colname="col2"><al>......................................</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Awb</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene wet bestuursrecht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Awir</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene wet inkomensafhankelijke
                                                  regelingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>AWR</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene wet inzake rijksbelastingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BW</al></entry><entry colname="col2"><al>Burgerlijk Wetboek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>FW</al></entry><entry colname="col2"><al>Faillissementswet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MSNP</al></entry><entry colname="col2"><al>minnelijke schuldsanering natuurlijke
                                                  personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rv</al></entry><entry colname="col2"><al>Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sr</al></entry><entry colname="col2"><al>Wetboek van Strafrecht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sv</al></entry><entry colname="col2"><al>Wetboek van Strafvordering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>WSF</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet Studiefinanciering 2000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>WSNP</al></entry><entry colname="col2"><al>wettelijke schuldsanering natuurlijke
                                                  personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Wwb</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet werk en bijstand</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop> 1.1.2.Definities</tussenkop><lijst><li nr="-"><al><vet>belasting(en)</vet>: belastingen die door de
                                            gemeente worden geheven; </al></li><li nr="-"><al><vet>belastingdeurwaarder</vet>: de daartoe door het
                                            college aangewezen gemeenteambtenaar bedoeld in artikel
                                            231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al><vet>besluit </vet>(het): het Uitvoeringsbesluit
                                            Invorderingswet 1990;</al></li><li nr="-"><al><vet>college</vet>:het college van burgemeester en
                                            wethouders van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al><vet>echtgenoot</vet>: de echtgenoot, bedoeld in artikel
                                            3 Wwb of de echtgenoot bedoeld in artikel 3 van de Wet
                                            investeren in jongeren;</al></li><li nr="-"><al><vet>inspecteur</vet>: de gemeenteambtenaar bedoeld in
                                            artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de
                                            Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter
                                            zake mandaat is verleend door de inspecteur;</al></li><li nr="-"><al><vet>ondernemer</vet>: de belastingschuldige die een
                                            onderneming drijft of zelfstandig een beroep
                                            uitoefent;</al></li><li nr="-"><al><vet>ontvanger</vet>: de gemeenteambtenaar bedoeld in
                                            artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de
                                            Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter
                                            zake mandaat is verleend door de ontvanger;</al></li><li nr="-"><al><vet>particulier</vet>: de belastingschuldige die niet
                                            als ondernemer wordt aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al><vet>regeling</vet> (de): de Uitvoeringsregeling
                                            Invorderingswet 1990;</al></li><li nr="-"><al><vet> wet</vet> (de): de wet van 30 mei 1990 op de
                                            invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet
                                            1990).</al></li></lijst><al/><al>Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt
                                    hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat.</al><tussenkop> 1.1.3.Reikwijdte beleidsvoorschriften</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 1.1.4.Aansprakelijkgestelden en andere derden</tussenkop><al>De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en
                                    andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze
                                    plaats als de invordering met betrekking tot
                                    belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden
                                    steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen,
                                    zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die
                                    voorschriften te beperken.</al><tussenkop> 1.1.5.Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur</tussenkop><al>De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in
                                    overeenstemming met de Awb, ondanks het feit dat artikel 3:40,
                                    titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de
                                    hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing
                                    zijn op de wet.</al><al/><al>Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb
                                    inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn,
                                    tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor
                                    beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht
                                    weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een
                                    redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15
                                    Awb).</al><al/><al>Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een
                                    verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot
                                    uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het
                                    beslissen op beroepschrifen bij administratief beroep geldt een
                                    verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot
                                    verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb).</al><al/><al/><al>Het uitgangspunt met betrekking tot Awb-conforme werkwijze geldt
                                    niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig
                                    beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de
                                    uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is
                                    op de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen betalingskorting
                                            als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente
                                            als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen
                                            aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste
                                            lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7,
                                            eerste lid, van de Kostenwet invordering
                                            rijksbelastingen; en</al></li><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen voor bezwaar vatbare
                                            beschikkingen als bedoeld in de regeling.</al></li></lijst><al/><al>Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij
                                    invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is
                                    het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn
                                    opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als
                                    toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden
                                    gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden
                                    onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad
                                    dient.</al><al/><al>Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn.
                                    Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot
                                    schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn
                                    van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan
                                    onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de
                                    betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder
                                    dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb.</al><al/><al>Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb
                                    moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van
                                    behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van
                                    privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en
                                    dergelijke).</al><tussenkop> 1.1.6.Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen</tussenkop><al>Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden,
                                    heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de
                                    gemeente de voorkeur.</al><tussenkop> 1.1.7.Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven</tussenkop><al>Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het
                                    voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf, dan vraagt hij
                                    daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in
                                    dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende
                                    bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep.</al><al/><al>Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben,
                                    als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden
                                    daarvan geheel onwetend blijven.</al><tussenkop> 1.1.8.Voor de invordering minder geschikte dagen</tussenkop><al>Op grond van de artikelen 64 en 438b Rv, verricht de deurwaarder
                                    geen exploten of andere executiehandelingen tussen 20.00 uur ‘s
                                    avonds en 07.00 uur ’s ochtends, op een zondag en op een
                                    algemeen erkende feestdag, behalve na een daartoe strekkend
                                    verlof van de voorzieningenrechter. In aanvulling hierop geldt
                                    dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen treft op Goede
                                    Vrijdag.</al><al/><al>De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen
                                    particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen
                                    worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later
                                    tijdstip kunnen worden verschoven.</al><al/><al>Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover
                                    sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op
                                    bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De
                                    terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een
                                    naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de
                                    wet terstond invordert.</al><al/><al>Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:</al><lijst><li nr="-"><al>landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en
                                            gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en
                                            de daarop volgende dag</al></li><li nr="-"><al>de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar.</al></li></lijst><tussenkop> Binnenkomst van bescheiden1.1.9.</tussenkop><al>Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn
                                    verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als
                                    datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst
                                    bij de gemeente.</al><al/><al>Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of
                                    dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de
                                    belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van
                                    de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van
                                    op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit
                                    verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de
                                    dwanginvordering respectievelijk invordering langs
                                    civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van
                                    derden.</al><tussenkop> 1.1.10.Positie belastingdeurwaarder</tussenkop><al>Belastingdeurwaarder is een door of namens het college
                                    aangewezen ambtenaar van de gemeente, dan wel een als
                                    belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In
                                    de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder
                                    bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder
                                    de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de
                                    ontvanger).</al><al/><al>Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij
                                    gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor
                                    die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige
                                    gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding
                                    tot de doelen die hij met die handelingen dient.</al><al/><al>Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder
                                    steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert
                                    zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de
                                    belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of
                                    de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige
                                    werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee
                                    - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de
                                    wet of voor de heffing van enige rijksbelasting.</al><al/><al>De leiding van de invordering berust steeds in handen van de
                                    ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder
                                    de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan
                                    het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent
                                    nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen
                                    en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens
                                    aanwijzingen.</al><al/><al>Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een
                                    klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder
                                    zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband
                                    met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de
                                    ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid
                                    de belastingdeurwaarder werkzaam is.</al><tussenkop> 1.1.11.Bewaren invorderingsbescheiden</tussenkop><al>De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben
                                    op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel
                                    langer als het recht tot dwanginvordering van de
                                    belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is
                                    verjaard.</al><al/><al>De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden
                                    gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding
                                    bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden
                                    aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.</al><al/><al>Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde
                                    belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie
                                    jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan
                                    worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben
                                    verloren.</al><tussenkop> 1.1.12.Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen</tussenkop><al>Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft
                                    de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen
                                    belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de
                                    invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de
                                    ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden - voor wat
                                    betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan.
                                    In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden
                                    vermelden.</al><al/><al>De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de
                                    belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of
                                    uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft
                                    achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat
                                    die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.</al><tussenkop> 1.1.13.Informatieplicht</tussenkop><al>De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de
                                    wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen
                                    als niet is betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de
                                    belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra
                                    volledige betaling plaatsvindt. </al><al/><al>De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van
                                    hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de
                                    orde kan komen.</al><tussenkop> 1.1.14.Diplomatieke status</tussenkop><al>De invordering van belastingschulden van personen met een
                                    diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van
                                    Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om
                                    bemiddeling rechtstreeks tot:</al><al/><al>Ministerie van Buitenlandse Zaken</al><al>Directie Kabinet en Protocol</al><al>Postbus 20061</al><al>2500 EB 's-Gravenhage</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>1.2.Toepassingsgebied</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het
                                    toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een
                                    deel van de Awb niet van toepassing is op de wet.</cursief></al><al/><al>De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb
                                en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze
                                leidraad).</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 2 Begrippen </label></kop><structuurtekst><al>In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over het begrip 'woonplaats'.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>2.1.Woonplaats</label></kop><structuurtekst><al>De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de
                                uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud.</al><al/><al>Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen
                                overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de
                                ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de
                                artikelen 1:10 en volgende van het BW.</al><al/><al>Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk IV
                                van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen
                                'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de
                                gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld -
                                waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 3 Bevoegdheden ontvanger </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de
                            ontvanger. </al><al/><al><cursief>De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke
                                wijze.</cursief></al><al/><al><cursief>De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit
                                de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte
                            op.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger;</al></li><li nr="-"><al>het leggen van conservatoir beslag;</al></li><li nr="-"><al>het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures;</al></li><li nr="-"><al>de Rijksadvocaat.</al></li><li nr="-"><al>de faillissementsaanvraag en steunvordering in
                                    faillissement</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>3.1.Fiscale en civiele bevoegdheden</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke
                                bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft
                                hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling
                                aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat
                                de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale
                                bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden
                                om zijn doel te bereiken.</al><al/><al>De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die
                                hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn
                                taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van
                                fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke
                                bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van
                                de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige
                                en eventuele derden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>3.2.Conservatoir beslag</label></kop><structuurtekst><al>Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger
                                naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag
                                te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de
                                ontvanger.</al><tussenkop> 3.2.1.Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering</tussenkop><al>Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming
                                    verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij
                                    gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig
                                    acht, dan legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde reden
                                    executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de
                                    wet.</al><tussenkop> 3.2.2.Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag</tussenkop><al>Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te
                                    leggen, vraagt de ontvanger slechts verlof om conservatoir
                                    beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in
                                    redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het
                                    opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het
                                    instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel
                                    700, derde lid Rv.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>3.3.Gerechtelijke procedures - toestemming</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 3.3.1 Juridische bijstand</tussenkop><al>Op grond van artikel 3, derde lid, van de wet treedt de
                                    ontvanger zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die
                                    voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich
                                    daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met
                                    uitzondering van:</al><lijst><li nr="-"><al>beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR;</al></li><li nr="-"><al>hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h
                                            AWR;</al></li><li nr="-"><al>(hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7
                                            Kostenwet invordering rijksbelastingen;</al></li><li nr="-"><al>kantonzaken;</al></li><li nr="-"><al>kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is.
                                        </al></li></lijst><tussenkop> 3.3.2 Toestemming</tussenkop><al>In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser
                                    optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Behalve
                                    voor in hoger beroep te voeren zaken geldt het voorgaande niet
                                    voor:</al><lijst><li nr="-"><al>verklaringsprocedures in het kader van
                                            derdenbeslagen;</al></li><li nr="-"><al>kantonzaken;</al></li><li nr="-"><al>verzoekschriftprocedures;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkheidsprocedures.</al></li><li nr="-"><al>procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een
                                            verzet ex artikel 435, derde lid, Rv dan wel artikel
                                            708, tweede lid, Rv.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>3.4.Rijksadvocaat</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>3.5. Faillissementsaanvraag en steunvordering</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij
                                    ophoudt met betalen (artikel 1 FW) kan de ontvanger het
                                    faillissement aanvragen.</cursief></al><al/><al><cursief>Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming
                                    gevraagd aan het college.</cursief></al><al/><al><cursief>Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het
                                    aanvragen van een faillissement. </cursief></al><al/><al><cursief>Een steunvordering wordt uitsluitend schriftelijk
                                    gedaan.</cursief></al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van
                            deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de
                            invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een
                            belastingdeurwaarder bevoegd is. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over de reikwijdte van die bevoegdheid.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>4.1.Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder</label></kop><structuurtekst><al>De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle
                                exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die
                                rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit
                                voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger.</al><al/><al>Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is
                                tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs
                                civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 3,
                                tweede lid, van de wet gerechtigd is en tot die werkzaamheden die
                                verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en
                                verwerend in rechte optreedt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>4.2.Bescherming</label></kop><structuurtekst><al>Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179
                                en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor
                                zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>4.3. Legitimatie </label></kop><structuurtekst><al><cursief>Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen
                                    invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich
                                    legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar
                                    gemachtigden.</cursief></al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 5 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 5 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al><al/><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 6 Reikwijdte van de wet </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: </al><al><cursief>-</cursief><cursief> de rente;</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> de kosten.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over rente en kosten.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>6.1.Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet</label></kop><structuurtekst><al>Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen
                                verstaan: de invorderingsrente.</al><al/><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de
                                Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in
                                rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn
                                verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht
                                bij de invordering langs civielrechtelijke weg.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 7 Betaling en afboeking </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen
                            plaats moet vinden: </al><al><cursief>-</cursief><cursief> Lid 1 bepaalt dat toerekening van
                                betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de
                                betalingskorting, de rente en de belastingaanslag;</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de
                                verschillende componenten van de belastingaanslag
                                plaatsvindt;</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> Lid 3 schrijft voor dat de ontvanger
                                verplicht is om voor iedere contante betaling een kwitantie af te
                                geven.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>het tijdstip van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>teveelbetalingen;</al></li><li nr="-"><al>het rekenen van rente en kosten bij afboeking;</al></li><li nr="-"><al>het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling op de bestuurlijk boete;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>betaling bij vergissing;</al></li><li nr="-"><al>het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een
                                    betaling.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>Tijdstip betaling7.1.</label></kop><structuurtekst><lijst><li nr="-"><al>Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving
                                        op de rekening van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling door middel van storting van contant geld op
                                        het postkantoor, geldt als tijdstip van betaling de eerste
                                        werkdag volgend op de dag van storting;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling door middel van een pin- of
                                        creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of
                                        creditcardtransactie als tijdstip van betaling;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de
                                            dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is
                                            betaald als tijdstip van betaling. </cursief><cursief>Er
                                            kan uitsluitend betaald worden tijdens de voor de
                                            desbetreffende locatie (Haelen, Hunsel, Heythuysen,
                                            Roggel)geldende openstellingsuren.</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de
                                            dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is
                                            betaald als tijdstip van betaling;</cursief></al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.2.De afboeking van de betaling</label></kop><structuurtekst><al>Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:</al><lijst><li nr="-"><al>Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden
                                        afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de
                                        aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de
                                        wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen;</al></li><li nr="-"><al>Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de
                                        zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de
                                        oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande
                                        dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn
                                        hiervan af te wijken;</al></li><li nr="-"><al>Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke
                                        belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is
                                        het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien
                                        verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de
                                        grootte van de belastingschuld plaatsvindt.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.3.Teveelbetaling</label></kop><structuurtekst><al>Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag
                                betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere
                                belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een
                                ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.4.Rente en kosten bij afboeking betalingen</label></kop><structuurtekst><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de
                                Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in
                                rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die
                                verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder
                                verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg.</al><al/><al>Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen
                                verstaan: de invorderingsrente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.5.Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen</label></kop><structuurtekst><al>Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag
                                worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de
                                kosten zijn gemaakt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.6.Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend</label></kop><structuurtekst><al>Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die
                                aanslag vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening
                                uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de
                                bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met
                                een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger
                                beroep).</al><al/><al>Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na
                                afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit
                                bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke
                                boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog
                                aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.7.Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden</label></kop><structuurtekst><al>Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde,
                                worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de
                                aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht.</al><al/><al>Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende
                                belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing
                                is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten
                                die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt
                                indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld.</al><al/><al>Als na afboeking van genoemd resterend bedrag nog een bedrag
                                overblijft, dan wordt dit op de belastingaanslag afgeboekt, met
                                inachtneming van de toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid,
                                van de wet. Van deze toerekening naar evenredigheid wordt afgeweken
                                als de derde niet aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke
                                boete. In dit geval kan namelijk niet op de bestuurlijke boete
                                worden afgeboekt.</al><al/><al>De ontvanger licht de aansprakelijkgestelde en de belastingschuldige
                                schriftelijk in over de afboeking van zijn betaling.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.8.Betaling bij vergissing</label></kop><structuurtekst><al>Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van
                                een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler,
                                wordt bijzondere voorzichtigheid betracht.</al><al/><al>Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft
                                plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering
                                niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben.</al><al/><al>In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij
                                voor de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan
                                op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en
                                dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden
                                voldaan.</al><al/><al>Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien
                                als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt
                                dan niet plaats.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7.9.Mededeling afboeking betaling</label></kop><structuurtekst><al/><al><cursief>Belastingschuldige wordt niet schriftelijk op de hoogte
                                    gesteld van een afboeking van een betaling. Afboeking van een
                                    on</cursief><cursief>gerichte betalingen vindt plaats
                                    overeenkomstig artikel 6:43 BW.</cursief></al><al/><al><cursief>Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt
                                    op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en
                                    daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt.</cursief></al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger bedragen
                            uitbetaalt. Uitbetaling vindt primair plaats door bijschrijving op een
                            daartoe door de belastingschuldige aangewezen rekening bestemd voor
                            girale betaling. Het maakt daarbij niet uit of bedoelde rekening op naam
                            staat van de belastingschuldige of van een andere persoon. </al><al/><al><cursief>In gevallen waarbij deze aanwijzing door de belastingschuldige
                                niet heeft plaatsgevonden, kan uitbetaling van het uit te betalen
                                bedrag plaatsvinden door bijschrijving op een rekening bestemd voor
                                girale betaling, die op naam staat van de
                                belastingschuldige.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>uitbetalingsfouten.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>7a.1.Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling</label></kop><structuurtekst><al>De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op
                                het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen
                                bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op
                                het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Gemeente
                                bekende rekeningnummer door de gemeente, geldt dit ook als
                                aanwijzing.</al><al/><al>Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met
                                betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te
                                betalen bedrag een ander rekeningnummer aanwijst, dan wordt
                                laatstbedoeld rekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het
                                doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of
                                verzoeken.</al><al/><al>Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk
                                plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee
                                redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden
                                gehouden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>7a.2.Uitbetalingfouten</label></kop><structuurtekst><al>Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een
                                andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem
                                is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen.
                                De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde
                                bedrag eerst wordt gerestitueerd.</al><al/><al>Indien en voor zover blijkt dat het eerder betaalde bedrag niet ter
                                beschikking van de belastingschuldige is gekomen - bijvoorbeeld
                                omdat de rekening ten tijde van de bijschrijving een debetstand kent
                                en ook de (eventuele) kredietfaciliteit van de rekening de
                                restitutie niet toelaat - vindt hernieuwde uitbetaling direct
                                plaats.</al><al/><al>Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke)
                                voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel
                                betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde
                                verrijking.</al><al/><al>Uitbetalingfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing
                                door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De
                                ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van
                                de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de
                                belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en
                                woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is
                                betaald.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 8 Bekendmaking aanslag </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de belastingaanslag bekend
                            maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De
                            belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                                    situaties;</al></li><li nr="-"><al>de verzending van de aanslagbiljetten via TNT-Post;</al></li><li nr="-"><al>de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en
                                    aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan
                                    erfgenamen.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>8.1.Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties</label></kop><structuurtekst><al>De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de
                                belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met
                                dien verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde
                                        aan de curator worden gezonden;</al></li><li nr="-"><al>ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator
                                        wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement
                                        valt dan wel een boedelschuld vormt;</al></li><li nr="-"><al>als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet
                                        aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als
                                        bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al
                                        eerder problemen heeft opgeleverd;</al></li><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie
                                        bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de
                                        executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de
                                        erfgenamen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>8.2.Verzending aanslagbiljetten via TNT-Post</label></kop><structuurtekst><al>Voor de verzending van de aanslagbiljetten en andere bescheiden
                                maakt de ontvanger gebruik van de diensten van de TNT-Post.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>8.3.Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet</label></kop><structuurtekst><al>De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de
                                omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt
                                van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid
                                dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die
                                de belasting materieel is verschuldigd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>8.4.Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag</label></kop><structuurtekst><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de
                                erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel
                                mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen
                                een redelijk termijn te voldoen.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 9 Betalingstermijnen </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen
                            belastingaanslagen moeten worden betaald. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige
                                    aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige
                                    teruggaven;</al></li><li nr="-"><al>de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn;</al></li><li nr="-"><al>de dagtekening van het aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het begrip maand bij betalingstermijnen.</al></li><li nr="-"><al><cursief>regeling betalingstermijnen</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> automatische incasso</cursief></al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>9.1.Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>9.2.Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>9.3.Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>9.4.Dagtekening aanslagbiljet</label></kop><structuurtekst><al>De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig
                                bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag
                                van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond
                                van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt
                                toegepast.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>9.5.Begrip maand bij betalingstermijn</label></kop><structuurtekst><al>Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of
                                is gesteld op twee maanden, dan houdt dat in dat als de dagtekening
                                van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van
                                een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van twee
                                maanden vervalt op 31 december.</al><al/><al>Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn
                                van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van twee maanden op
                                30 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is,
                                in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 28 april.</al><al/><al>Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan
                                de laatste dag van de kalendermaand, dan vervalt de termijn een
                                maand later (bij een betalingstermijn van een maand) of twee maanden
                                later (bij een betalingstermijn van twee maanden) op de dag die
                                hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de
                                dagtekening bijvoorbeeld 15 februari is, dan vervalt de termijn dus
                                op 15 maart dan wel op 15 april.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>9.6.Verzuim ontvanger bij uitbetaling</label></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt
                                onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het
                                betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van
                                deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag
                                zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij
                                ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van
                                toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit
                                volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een
                                belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats
                                vindt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>9.7. Regeling betalingstermijnen</label></kop><structuurtekst><al><cursief>De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de
                                    betalingstermijn(en) in de belastingverordening geregeld.
                                </cursief></al><al><cursief>Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de
                                    betalingstermijnen uit de wet van toepassing. </cursief></al><al><cursief>In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt
                                    de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing
                                    verklaard.</cursief></al><al/><al><cursief>Op elke belastingaanslag wordt (worden) de
                                    betalingstermijn(en) aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de
                                    belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij
                                    meerdere termijnen) hebben betaald.</cursief></al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>9.8. Automatische incasso</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde
                                    belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(en) te voldoen via
                                    een automatische incasso. Hiervoor heeft het college een
                                    incassoreglement vastgesteld.</cursief></al><al/><al><cursief>Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een)
                                    afwijkende, ruimere, betalingstermijn(en)
                                toegestaan.</cursief></al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 10 Versnelde invordering </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van
                            bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in
                            artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een
                            belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. </al><al/><al>Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten
                            uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze
                            versnelde invordering. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de reikwijdte van de versnelde invordering;</al></li><li nr="-"><al>de vrees voor verduistering;</al></li><li nr="-"><al>het metterwoon verlaten van Nederland;</al></li><li nr="-"><al>geen vaste woonplaats in Nederland;</al></li><li nr="-"><al>als er al beslag ligt;</al></li><li nr="-"><al>de verkoop namens derden;</al></li><li nr="-"><al>de vordering ex artikel 19.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>10.1.Reikwijdte versnelde invordering</label></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht
                                daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10
                                van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of
                                te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot
                                het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op
                                het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10
                                van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering
                                overgaat.</al><al/><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is
                                uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel)
                                invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige
                                schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het
                                volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet
                                vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens
                                onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van
                                de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.</al><al/><al>Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde
                                dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet,
                                zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond
                                en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de
                                mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de
                                betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen
                                plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde
                                dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt
                                overgegaan - als sprake is van direct contact met de
                                belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om
                                onmiddellijk te betalen.</al><al/><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is
                                betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot
                                betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in
                                feite vier dagen) - vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op
                                een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met
                                artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende
                                onderdeel.</al><al/><al>Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich
                                voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de
                                tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft
                                geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige
                                wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst
                                in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen.</al><al/><al>Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de
                                wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar
                                ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding
                                hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de
                                belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd
                                uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de
                                betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>10.2.Vrees voor verduistering en versnelde invordering</label></kop><structuurtekst><al>Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de
                                belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel
                                b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat
                                redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een
                                aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal
                                worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de
                                belastingschuld in ernstig gevaar zal komen.</al><al/><al>De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in
                                gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde
                                situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld
                                crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor
                                onverhaalbaarheid moet worden gevreesd.</al><al/><al>Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde
                                beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is
                                niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en
                                is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel
                                te worden opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel
                                informeren over het feit dat er geen beslag ligt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>10.3.Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering</label></kop><structuurtekst><al>Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de
                                belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan
                                wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil
                                verplaatsen, moet de ontvanger - alvorens de belastingaanslag op
                                grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk
                                en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in
                                redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het
                                verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald
                                kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in
                                Nederland bevinden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>10.4.Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering</label></kop><structuurtekst><al>Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of
                                is gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de
                                belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er
                                moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs
                                vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal
                                worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden
                                verhaald.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>10.5.Beslag en versnelde invordering</label></kop><structuurtekst><al>Als voor bepaalde belastingschulden op goederen van de
                                belastingschuldige beslag is gelegd en er worden tijdens de duur van
                                dat beslag nieuwe belastingaanslagen opgelegd of er zijn
                                belastingaanslagen aanwezig waar de betalingstermijn(en) nog niet
                                van zijn verlopen, dan kan de ontvanger die belastingaanslagen
                                dadelijk en tot het volle bedrag invorderen. Versnelde invordering
                                geldt ook voor aanslagen die al opgelegd waren ten tijde van het
                                beslagleggen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>10.6.Verkoop namens derden en versnelde invordering</label></kop><structuurtekst><al>Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke
                                invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de)
                                executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder
                                maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs
                                vaststaat dat verkoop zal plaatshebben.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>10.7.Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet
                                doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag
                                terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt.</al><al/><al>Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag
                                een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere
                                belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het
                                volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van
                                die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 11 Aanmaning </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de
                            daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger overgaat tot
                            vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een
                            aanmaning. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de geadresseerde van de aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>als de aanmaning ten onrechte is verzonden;</al></li><li nr="-"><al>het achterwege laten van tussentijdse vervolging;</al></li><li nr="-"><al>de gedeeltelijke voldoening na aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>de betalingsherinnering;</al></li><li nr="-"><al>de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>11.1.De geadresseerde van de aanmaning</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet
                                is verzonden of uitgereikt.</al><al/><al>Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet
                                zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder
                                curatele staat, dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het
                                adres van de wettelijke vertegenwoordiger.</al><al/><al>Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de
                                aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat
                                de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan
                                iedere erfgenaam afzonderlijk.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>11.2.Aanmaning ten onrechte verzonden</label></kop><structuurtekst><al>Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling
                                dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de
                                vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd.</al><al/><al>Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden
                                gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat
                                de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij
                                maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig
                                stellen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>11.3.Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning</label></kop><structuurtekst><al>Vervolging - niet zijnde de eindvervolging - blijft in het algemeen
                                achterwege als het achterstallige bedrag:</al><lijst><li nr="1."><al>kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde)
                                        belastingaanslag;</al></li><li nr="2."><al>minder bedraagt dan <cursief>€ 182</cursief>.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger kan zich in bijzondere gevallen gerechtigd achten de
                                tussentijdse vervolging achterwege te laten, ook al valt het bedrag
                                buiten de gestelde grenzen.</al><al/><al>Een tussentijdse vervolging die terecht is aangevangen, wordt ook na
                                de verzending van de aanmaning voortgezet.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>11.4.Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning</label></kop><structuurtekst><al>Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het
                                achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van
                                een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning
                                voorafgegaan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>11.5.Betalingsherinnering</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Indien de openstaande vordering € 5,- of minder bedraagt
                                    dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe
                                    aanleiding geeft, kan de ontvanger eerst kosteloos een
                                    schriftelijke betalingsherinnering versturen indien het
                                    betalingsgedrag van belastingschuldige daartoe aanleiding
                                    geeft.</cursief></al><al/><al><cursief>Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als
                                    deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de
                                    belastingschuld leidt, verzendt de ontvanger een
                                    aanmaning.</cursief></al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>11.6.Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg</label></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de
                                ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De
                                dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een
                                ingebrekestelling. Wel verzendt de ontvanger eerst een kosteloze
                                aanmaning.</al><al/><al>De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir
                                beslag is gelegd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 12 Dwangbevel </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 12 van de wet bepaalt dat de ontvanger een dwangbevel kan
                            uitvaardigen als de belastingschuldige na de aanmaning in gebreke blijft
                            de belastingaanslag te betalen. </al><al/><al><cursief>Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot
                                invordering van de belastingaanslag.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>het onderwerp van het dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>tegen wie een dwangbevel wordt verleend.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>12.1.Onderwerp van het dwangbevel</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo
                                verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende
                                belastingaanslagen en beschikkingen.</al><al/><al>Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de
                                ontvanger een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag
                                van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden.</al><al/><al>De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met:</al><lijst><li nr="-"><al>de inmiddels gedane betalingen;</al></li><li nr="-"><al>verleende verminderingen;</al></li><li nr="-"><al>bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is
                                        verleend.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>12.2.Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of
                                diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent
                                tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op
                                welke gronden dit gebeurt.</al><al/><al>Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van
                                een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot
                                uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet
                                vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen.</al><al/><al>Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet
                                verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één
                                dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen.</al><al/><al>Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een
                                overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet
                                wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en
                                adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden
                                belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij
                                evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot
                                uitdrukking.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 13 Betekening van het dwangbevel </label></kop><structuurtekst><al><cursief>In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het
                                dwangbevel beschreven. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door
                                middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel
                                tot betaling kan plaatsvinden:</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> door de
                            belastingdeurwaarder;</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> per post door de ontvanger.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel per post;</al></li><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder;</al></li><li nr="-"><al>bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>13.1.Betekening dwangbevel per post</label></kop><structuurtekst><al>De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling
                                vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een
                                voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met
                                bevel tot betaling.</al><al/><al>Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter
                                verzending aanbieden van het afschrift aan TNT-Post. Als
                                betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post
                                bezorging. </al><tussenkop> 13.1.1.Adressering van per post betekende dwangbevelen</tussenkop><al>Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift
                                    van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het
                                    in de administratie van de gemeente bekende adres van de
                                    belastingschuldige.</al><al/><al>Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over
                                    het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de
                                    Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens is
                                    geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven
                                    voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander
                                    adres dan het adres volgens de Gemeentelijke Basisadministratie
                                    Persoonsgegevens - bijvoorbeeld een postbusadres - kan
                                    verzending ook plaatsvinden aan dat adres.</al><al/><al>Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel
                                    aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is
                                    verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt
                                    aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden.</al><al/><al>Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de
                                    belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het
                                    afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als
                                    betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige
                                    bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan
                                    moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het
                                    bestemde adres niet heeft bereikt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>13.2.Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder</label></kop><structuurtekst><al>Als bij de betekening van een dwangbevel door de
                                belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige
                                bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel
                                door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift
                                moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het
                                dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid,
                                Rv.</al><al/><al>Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht
                                dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de
                                huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de
                                belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken.</al><al/><al>Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het
                                adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats
                                heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is
                                uitgevaardigd door de ontvanger van een andere gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>13.3.Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel</label></kop><structuurtekst><al>Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de
                                belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder
                                curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke
                                vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden
                                overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het
                                verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger
                                voorafgaan.</al><al/><al>Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is
                                betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen
                                domicilie.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over tenuitvoerlegging;</al></li><li nr="-"><al>beslag op roerende zaken die geen registergoederen;</al></li><li nr="-"><al>beslag op onroerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>beslag onder derden;</al></li><li nr="-"><al>beslag op schepen.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>14.1. Tenuitvoerlegging algemeen</label></kop><structuurtekst><al>Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan
                                de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel
                                met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke
                                rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 14, eerste lid, van
                                de wet).</al><al/><al>Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder
                                een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot
                                tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, tweede
                                lid van de wet).</al><al/><al>Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt
                                conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het
                                bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel
                                - gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van
                                het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging.</al><al/><al>In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot
                                tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een
                                hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden
                                als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef
                                en onderdeel c, van de wet, terstond ten uitvoer kan worden gelegd
                                (artikel 14, derde lid, van de wet).</al><tussenkop> 14.1.1.Keuze van invorderingsmaatregelen</tussenkop><al>De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van
                                    Burgerlijke Rechtsvordering dat toelaat de verschillende
                                    mogelijkheden van tenuitvoerlegging tegelijkertijd te
                                    benutten.</al><tussenkop> 14.1.2.Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging</tussenkop><al>De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen
                                    dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk
                                    tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige
                                    ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht.
                                    Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven
                                    handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch
                                    oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de
                                    belastingschuldige op te nemen.</al><al/><al>In dit verband kan het verantwoord zijn dat de
                                    belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of
                                    deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de ontvanger
                                    de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle
                                    omstandigheden bekend waren geweest.</al><al/><al>Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling
                                    inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van
                                    betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als
                                    genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de
                                    beslagopdracht elkaar hebben gekruist.</al><al/><al>Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van
                                    beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop
                                    beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als
                                    de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening
                                    van het beslag. Voorwaarde is dan wel dat met de afdoening -
                                    gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de ontvanger
                                    akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat
                                    een minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad
                                    geformuleerde beleid.</al><tussenkop> 14.1.3.Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden</tussenkop><al>Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is
                                    overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot
                                    tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie
                                    maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken.</al><al/><al>Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan
                                    de rechtbank de termijn van drie maanden verlengen.</al><al/><al>Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende
                                    de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap
                                    verhalen.</al><tussenkop> 14.1.4.Volgorde van uitwinning bij beslag</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 14.1.5.Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 14.1.6.Beslaglegging voor vordering van derden</tussenkop><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd,
                                    gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden
                                    met gelijke rangorde, waarvan de invordering aan hem is
                                    opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen
                                    zaken.</al><tussenkop> 14.1.7.Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden</tussenkop><al>De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor
                                    een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen
                                    meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt
                                    voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn
                                    voldaan.</al><al/><al>De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is
                                    betaald of aan die voorwaarden is voldaan.</al><tussenkop> 14.1.8.Opheffing beslag tegen betaling door een derde</tussenkop><al>Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter
                                    opheffing van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn
                                    medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect
                                            uit het vermogen van de belastingschuldige;</al></li><li nr="2."><al>Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de
                                            opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij
                                            een executie;</al></li><li nr="3."><al>De belangen van de gemeente worden niet geschaad.</al><al/></li></lijst><al>De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de
                                    gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de
                                    betreffende zaken verhaal zoeken, en hij kan aan zijn
                                    medewerking nadere voorwaarden verbinden.</al><tussenkop> 14.1.9.Opschorten van de executie</tussenkop><al>De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het
                                    proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum
                                    vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de ontvanger ervan
                                    overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer
                                    korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de ontvanger
                                    besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal)
                                    maximaalvier maanden na de datum waarop het beslag is
                                    gelegd.</al><al/><al>Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de
                                    belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de
                                    belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van
                                    een schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de
                                    belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de
                                    verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de
                                    zin van artikel 25 van de wet.</al><tussenkop> 14.1.10.Onderhandse verkoop</tussenkop><al>Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar
                                    verwachting aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst
                                    bij openbare verkoop, dan kan de ontvanger kiezen voor een
                                    onderhandse verkoop.</al><al/><al>De ontvanger moet hierbij rekening houden met de
                                    gerechtvaardigde belangen van eventuele derde rechthebbenden die
                                    zich bij hem bekend hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze
                                    derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden ter
                                    opheffing van het beslag.</al><al/><al>Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen
                                    van de gemeente worden geschaad.</al><tussenkop> 14.1.11.Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop</tussenkop><al/><al>De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen
                                    tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als
                                            bedoeld in artikel 14.1.8 van deze leidraad;</al></li><li nr="b."><al>een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10
                                            van deze leidraad.</al></li></lijst><al>De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing
                                    van het beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen
                                    opbrengst niet lager is dan die van een onderhandse
                                    verkoop.</al><tussenkop> 14.1.12.Strafrechtelijk beslag</tussenkop><al>Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag
                                    ex artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in
                                    het kader van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat
                                    de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het
                                    strafrechtelijke beslag is opgeheven.</al><al>Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag
                                    gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen.</al><tussenkop> 14.1.13.Invordering en ontnemingswetgeving</tussenkop><al>De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke
                                    sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen
                                    voordelen.</al><al/><al>In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en
                                    ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen
                                    van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld,
                                    treedt de ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de
                                    ontvanger in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van
                                    gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden
                                    geschaad.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>14.2.Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 14.2.1.Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken</tussenkop><al>Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de
                                    belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende
                                    zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444
                                    Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog
                                    achterwege.</al><al/><al>De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke
                                    kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij
                                    zich weer op het woonadres zal vervoegen.</al><al/><al>Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het
                                    stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze
                                    misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de
                                    invordering zich tegen deze handelwijze verzet.</al><tussenkop> 14.2.2.Domiciliekeuze en beslag roerende zaken</tussenkop><al>Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van
                                    een ander Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van
                                    het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het
                                    beslagexploot tevens domicilie gekozen ten kantore van de
                                    gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn
                                    standplaats heeft.</al><tussenkop> 14.2.3.Aanbod van betaling en beslag roerende zaken</tussenkop><al>Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan
                                    de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen,
                                    aanvaardt de deurwaarder deze betaling.</al><al/><al>Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een
                                    afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten.</al><tussenkop> 14.2.4.Omvang van het beslag op roerende zaken</tussenkop><al>Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als - naar het oordeel
                                    van de belastingdeurwaarder - ruimschoots voldoende is voor
                                    dekking van de openstaande schuld inclusief rente en
                                    kosten.</al><tussenkop> 14.2.5.Beslag op roerende zaken van derden</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 14.2.6.Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken</tussenkop><al>Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de
                                    inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom
                                    claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een
                                    beroepschrift in te dienen bij het college op grond van artikel
                                    22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op
                                    grond van artikel 456 of artikel 435 Rv.</al><al/><al>Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en
                                    vaststaat dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan
                                    effectueren, blijft inbeslagname achterwege.</al><tussenkop> 14.2.7.Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken</tussenkop><al>De ontvanger kan het restant van de schuld van
                                    belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW
                                    voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige,
                                    als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft:</al><lijst><li nr="-"><al>zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en</al></li><li nr="-"><al>strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld
                                            die de belastingschuldige aan de derde heeft
                                            (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en</al></li><li nr="-"><al>waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld
                                            zou kunnen verhalen.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de
                                    executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is
                                    dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om
                                    zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn
                                    genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft.</al><tussenkop> 14.2.8.Beslag roerende zaken bij derden</tussenkop><al>Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde
                                    bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld
                                    zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende
                                    zaken.</al><al/><al>De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder
                                    derden leggen als:</al><lijst><li nr="-"><al>de derde geen medewerking verleent aan het leggen van
                                            een beslag roerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is
                                            om de zaken zelf te zien, dan wel te
                                            inventariseren;</al></li><li nr="-"><al>de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv,
                                            voordat het exploot van beslag op roerende zaken is
                                            afgesloten.</al></li></lijst><al/><al>Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van
                                    beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de
                                    belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt
                                    het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De
                                    belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na
                                    de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als
                                    bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv.</al><al/><al>Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat
                                    de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als
                                    bedoeld in artikel 461d Rv.</al><tussenkop> 14.2.9.Wegvoeren van beslagen zaken</tussenkop><al>Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk
                                    aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.</al><al/><al>Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder
                                    beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke
                                    bewaarder aan als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de
                                    ontvanger niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot
                                    de in beslag genomen zaken.</al><al/><al>Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van
                                    die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit
                                    is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden
                                    verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees
                                    bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of
                                    feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden
                                    afgevoerd.</al><al/><al>Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken
                                    wordt slechts gebruik gemaakt:</al><lijst><li nr="-"><al>als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de
                                            schuld niet volledig kan worden ingevorderd en;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen
                                            constateren dat de belastingaanslagen materieel
                                            onverschuldigd moeten worden geacht.</al></li></lijst><al/><al>Het wegvoeren van zaken gebeurt niet door de
                                    belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de
                                    ontvanger van de gemeente of zijn plaatsvervanger.</al><al/><al>Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de
                                    belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander
                                    middel, aan te brengen ter zekerheid tegen verduistering.</al><tussenkop> 14.2.10.Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 14.2.11.Afsluiting en beslag roerende zaken</tussenkop><al>in beslag genomen zaken zich bevinden, als:De
                                    deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de
                                    ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming</al><lijst><li nr="-"><al>de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel
                                            14.2.9 van deze leidraad; en</al></li><li nr="-"><al>de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar
                                            verhouding zeer hoge kosten kunnen worden
                                            afgevoerd.</al></li></lijst><al/><al>Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop
                                    worden overgegaan.</al><tussenkop> 14.2.12.Bewaarder en beslag roerende zaken</tussenkop><al>Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden
                                    weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad
                                    afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij
                                    een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook
                                    daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met
                                    betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de
                                    bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de
                                    betreffende situaties moet worden opgemaakt.</al><al/><al>Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt
                                    aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder,
                                    niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd.
                                    Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor
                                    geen vergoeding gegeven.</al><al/><al>De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat
                                    de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo
                                    nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico
                                    van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de
                                    onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is.
                                    De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden
                                    kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en
                                    de waarde van de desbetreffende zaken.</al><al/><al>Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende
                                    gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een
                                    ander tot bewaarder aangesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere
                                            tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de
                                            aan het bewaarderschap verbonden taken uit te
                                            oefenen;</al></li><li nr="-"><al>als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het
                                            bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden
                                            ontnomen;</al></li><li nr="-"><al>als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is
                                            aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele
                                            of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden
                                            geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij
                                            het beslag.</al></li></lijst><al/><al>Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in
                                    voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot.</al><tussenkop> 14.2.13.Executoriale verkoop computerapparatuur</tussenkop><al>Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur,
                                    dan valt alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De
                                    belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop
                                    wordt overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde
                                    'software' bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat
                                    het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid
                                    worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te
                                    maken.</al><tussenkop> 14.2.14.Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken</tussenkop><al>De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden
                                    of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen
                                    die volgens de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare
                                    verkoop worden gebracht of met dat doel worden
                                    tentoongesteld.</al><al/><al>Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden
                                    of platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste
                                    stempelteken - moet de ontvanger ten minste drie dagen van
                                    tevoren aangifte doen bij Waarborg Holland.</al><tussenkop> 14.2.15.Beslag op illegale zaken</tussenkop><al>Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in
                                    beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is
                                    (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de
                                    beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt
                                    direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie
                                    ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om
                                    strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het
                                    bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad.</al><al/><al>Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de
                                    voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan
                                    het verkeer), dan moet de ontvanger contact opnemen met het
                                    college voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale
                                    verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan.</al><tussenkop> 14.2.16.Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken</tussenkop><al>Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de
                                    ontvanger een andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die
                                    met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van de gemeente
                                    te bieden.</al><tussenkop> 14.2.17.Opheffing van het beslag op roerende zaken</tussenkop><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de
                                    ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij
                                    deurwaardersexploot kenbaar gemaakt.</al><al/><al>Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in
                                    artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar gemaakt bij
                                    deurwaardersexploot.</al><tussenkop> 14.2.18.Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken</tussenkop><al>De ontvanger boekt de opbrengst van de executie af met
                                    inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze
                                    leidraad.</al><al/><al>Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als
                                    er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie
                                    is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne
                                    overeenstemming te bereiken over de toedeling van de
                                    netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn
                                    de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing.</al><tussenkop> 14.2.19.Proces-verbaal van verkoop roerende zaken</tussenkop><al>Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift
                                    van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo
                                    spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en
                                    woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt.</al><tussenkop> 14.2.20.Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken</tussenkop><al>Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de
                                    ontvanger vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de
                                    ontvanger deze informatie tenzij het belang van de invordering
                                    zich daartegen verzet.</al><tussenkop> 14.2.21 Relaas van onttrekking</tussenkop><al>Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr)
                                    kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden
                                    gedaan. De ontvanger beslist over de inzending van een relaas
                                    van onttrekking aan de officier van justitie.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>14.3.Beslag op onroerende zaken</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 14.3.1.Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken</tussenkop><al>Als gelijktijdig met het beslag op de onroerende zaak beslag
                                    wordt gelegd op roerende zaken die in of op de onroerende zaak
                                    aanwezig zijn, kan de belastingdeurwaarder deze zaken afvoeren
                                    om in bewaring te geven als dit voor het behoud van die zaken
                                    redelijkerwijs noodzakelijk is. De belastingdeurwaarder heeft
                                    hiervoor toestemming nodig van de ontvanger (zie ook artikel
                                    14.2.9 van deze leidraad).</al><tussenkop> 14.3.2.Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken</tussenkop><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een
                                    onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen
                                    belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging
                                    overgaan.</al><al/><al>In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is,
                                    gaat hij altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van
                                    derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen.</al><tussenkop> 14.3.3.Verhuurde of verpachte onroerende zaken</tussenkop><al>De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen
                                    en tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel
                                    mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder
                                    of pachter. Er wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als
                                    bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv.</al><tussenkop> 14.3.4.Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken</tussenkop><al>De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de
                                    veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij
                                    treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze
                                    voorwaarden.</al><al/><al>In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop
                                    bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele
                                    rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de
                                    koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs niet toereikend
                                    mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd.</al><tussenkop> 14.3.5.Opheffing van het beslag onroerende zaken</tussenkop><al>Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt
                                    schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als
                                    het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze
                                    ook een schriftelijke mededeling.</al><al/><al>Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling
                                    gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele)
                                    hypotheekhouders en - indien van toepassing - aan de
                                    bewaarder.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>14.4.Beslag onder derden</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 14.4.1.Beslag op vordering van een derde</tussenkop><al>In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven
                                    ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een
                                    derde. Als blijkt dat - na het afleggen van de
                                    buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of zaken
                                    onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen.
                                    De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte.</al><al/><al>Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van
                                    derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de
                                    belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander -
                                    bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. Denk hierbij
                                    bijvoorbeeld aan de echtgenoot met wie de belastingschuldige in
                                    gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het
                                    derdenbeslag gelegd ten laste van de echtgenoot van de
                                    belastingschuldige, als de echtgenoot alleen gerechtigd is de
                                    vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag
                                    vallen.</al><al/><al>In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de
                                    derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de
                                    echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet
                                    worden betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op
                                    welke gronden hij de vordering die op naam van de echtgenoot is
                                    geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een
                                    vordering op de belastingschuldige.</al><tussenkop> 14.4.2.Derdenbeslag of vordering ex artikel 19</tussenkop><al>Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van
                                    artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het
                                    doen van een vordering.</al><tussenkop> 14.4.3.Roerende zaken bij derden</tussenkop><al>Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige
                                    bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in
                                    artikel 14.2.8 van deze leidraad.</al><tussenkop> 14.4.4.Plaats beslaglegging en derdenbeslag</tussenkop><al>Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de
                                    naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere
                                    aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde
                                    een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat
                                    geval legt de belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk
                                    bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat
                                    bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt
                                    gezocht.</al><al/><al>kiest in alle gevallen domicilie bij de
                                    belastingdeurwaarder.In spoedeisende gevallen kan het beslag
                                    worden gelegd onder een ander filiaal of bijkantoor. De
                                    executant</al><al/><al>Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van
                                    het beslag bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door
                                    een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op
                                    een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in
                                    het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde
                                    uitdrukkelijk melding gemaakt.</al><tussenkop> 14.4.5.Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt</tussenkop><al>Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e
                                    dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat
                                    hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de
                                    beslagen betalingen, dan past de ontvanger zonder rechterlijke
                                    tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld
                                    in de artikelen 475b en 475d Rv.</al><tussenkop> 14.4.6.Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring</tussenkop><al>De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de
                                    ontvanger in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de
                                    termijn van vier weken nog geen verklaring van hem is
                                    ontvangen.</al><al/><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over
                                    te gaan.</al><tussenkop> 14.4.7.Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring</tussenkop><al>De derdebeslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de
                                    ontvanger in gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht
                                    van de opeisbare geldsommen of tot het aan de
                                    belastingdeurwaarder ter beschikking stellen van de goederen
                                    en/of zaken binnen de termijn genoemd in de schriftelijke
                                    uitnodiging van de ontvanger aan de derde-beslagene.</al><al/><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan
                                    zijn verplichting te voldoen.</al><tussenkop> 14.4.8.Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag</tussenkop><al>Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken
                                    verklaring doen van hetgeen hij onder zich heeft en de
                                    belastingdeurwaarder laten weten direct tot afdracht te willen
                                    overgaan.</al><al/><al>In dat geval deelt de ontvanger hem namens de
                                    belastingdeurwaarder mee - als er geen aanleiding bestaat de
                                    verklaring te betwisten - dat het beslag van rechtswege vervalt
                                    op het moment dat de door de derde-beslagene af te dragen
                                    geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken
                                    door de belastingdeurwaarder zijn ontvangen.</al><tussenkop> 14.4.9.Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente</tussenkop><al>Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of
                                    spaarverzekering of lijfrente geldt - naast de voorschriften in
                                    artikel 479l en volgende Rv het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen
                                            van derdenbeslag als er sprake is van een
                                            niet-bovenmatige oudedagsvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding
                                            tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst
                                            bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van
                                            de opbrengst houdt de ontvanger rekening met het feit
                                            dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in
                                            bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden
                                            handeling die tot negatieve uitgaven voor
                                            inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een
                                            aanslag in de inkomstenbelasting kan worden
                                            opgelegd;</al></li><li nr="-"><al>Als de netto-opbrengst van de polis minder dan
                                                <cursief>€ 2.500</cursief> bedraagt, de polis wordt
                                            afgekocht of het derdenbeslag is gelegd
                                                <cursief>drie</cursief> jaren voor de
                                            expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet
                                            uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat
                                            geval laat de ontvanger - in overleg met
                                            belastingschuldige - het beslag liggen tot de
                                            expiratiedatum;</al></li><li nr="-"><al>De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange
                                            tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag
                                            niet in de weg;</al></li><li nr="-"><al>De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt
                                            gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in
                                            redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht.</al></li></lijst><tussenkop> 14.4.10.Retentierecht en derdenbeslag</tussenkop><al>Als de derdebeslagene een retentierecht heeft op de zaken die
                                    door het derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan
                                    de ontvanger op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling
                                    van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting
                                    van verrekening met de belastingschuldige. Het bedrag moet dan
                                    wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de
                                    desbetreffende zaak.</al><tussenkop> 14.4.11.Opheffing van het derdenbeslag</tussenkop><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de
                                    ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij
                                    deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de
                                    belastingschuldige als de derde.</al><al/><al>In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis
                                    gegeven aan de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de
                                    belastingschuldige een afschrift van deze kennisgeving.</al><tussenkop> 14.4.12.Onverschuldigde betaling en derdenbeslag</tussenkop><al>Als een derde tegen de ontvanger een vordering uit
                                    onverschuldigde betaling instelt en de ontvanger aan deze
                                    vordering voldoet, wordt de belastingaanslag waarvoor het
                                    derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre niet te zijn
                                    voldaan.</al><al/><al>De ontvanger kan de invordering van die aanslag dan ook
                                    hervatten alsof er geen derdenbeslag is gelegd.</al><tussenkop> 14.4.13.Derdenbeslag onder de Staat of de ontvanger en het doen van verklaring</tussenkop><al>Als derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de ontvanger,
                                    dan is specificatie verplicht; er wordt in dit verband verwezen
                                    naar artikel 479 Rv.</al><al/><al>De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal
                                    te belemmeren, maar de taak van de Staat of de ontvanger te
                                    verlichten. Dit betekent dat de verklaring in het kader van het
                                    derdenbeslag zich niet moet beperken tot de ex artikel 479 Rv
                                    genoemde vermogensbestanddelen, maar zich ook moet uitstrekken
                                    tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen heeft van de Staat of
                                    de ontvanger en wat bij de Staat of de ontvanger bekend was op
                                    het moment van beslaglegging.</al><tussenkop> 14.4.14.Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>14.5.Beslag op schepen</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 14.5.1.Beletten van het vertrek van het schip</tussenkop><al>De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de
                                    nodige maatregelen nemen om het vertrek van het schip te
                                    beletten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting
                                    leggen' van het schip. Zo nodig voorziet de belastingdeurwaarder
                                    zich - na daartoe overleg te hebben gepleegd met de ontvanger -
                                    van deskundige bijstand. De kosten van deze bijstand komen voor
                                    rekening van de belastingschuldige.</al><al/><al>In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik
                                    van het schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten,
                                    bijvoorbeeld wanneer ter voorkoming van een executoriale verkoop
                                    door de belastingschuldige een voorstel tot minnelijke afdoening
                                    is gedaan en dit voorstel voor de ontvanger - gelet op de
                                    omstandigheden - aanvaardbaar is.</al><al/><al>In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het
                                    bij artikel 25 van deze leidraad geformuleerde
                                    uitstelbeleid.</al><tussenkop> 14.5.2.De executie van schepen</tussenkop><al>Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of
                                    voorgeschreven gebeurt de executoriale verkoop van een schip ten
                                    overstaan van een bevoegde notaris.</al><al/><al>De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten
                                    overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name
                                    gebruik moeten worden gemaakt als het land van herkomst de
                                    verkoop door een notaris niet erkent.</al><al/><al>De executie van niet-teboekgestelde schepen gebeurt op dezelfde
                                    wijze als de executie van andere roerende zaken die geen
                                    registergoederen zijn. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te
                                    verkrijgen, kan de ontvanger een andere belastingdeurwaarder dan
                                    de belastingdeurwaarder die met de verkoop is belast, opdragen
                                    voor rekening van de gemeente te bieden. De ontvanger geeft deze
                                    belastingdeurwaarder zo nodig nadere aanwijzingen.</al><tussenkop> 14.5.3.Afgelasting van de verkoop van een schip</tussenkop><al>Als een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden
                                    geen doorgang kan vinden, dan draagt de ontvanger er zorg voor
                                    dat de aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd. Hij
                                    treft ook voor op andere wijze gedane aankondigingen
                                    dienovereenkomstige maatregelen.</al><al/><al>Als de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte
                                    is, dan wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd
                                    mededeling gedaan. Als verwacht mag worden dat deze mededeling
                                    de belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip
                                    van verkoop bereikt, dan stelt de ontvanger hem zo mogelijk op
                                    een andere wijze in kennis.</al><tussenkop> 14.5.4.Deskundige hulp en beslag op schepen</tussenkop><al>Als bij een executie deskundige hulp is gewenst, kan de
                                    ontvanger een makelaar of een andere ter zake kundige
                                    inschakelen.</al><tussenkop> 14.5.5.Opheffing van het beslag op schepen</tussenkop><al>Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling
                                    gedaan aan de belastingschuldige. Ook wordt - ingeval van
                                    teboekgestelde schepen - van de opheffing bij
                                    deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de ingeschreven
                                    schuldeisers.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 15 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 15 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 16 Vervallen termijnen en beslag </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 16 van de wet bepaalt dat als de ontvanger een dwangbevel heeft
                            uitgevaardigd voor een termijnbedrag (termijndwangbevel), de
                            belastingdeurwaarder op grond van dat dwangbevel dan alle termijnen van
                            de belastingaanslag die tot het tijdstip van beslaglegging vervallen
                            zijn, in het beslag kan betrekken. Het bedrag dat op het moment van
                            beslaglegging invorderbaar is, moet dan wel uit het dwangbevel kunnen
                            worden opgemaakt. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 16 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over de tenuitvoerlegging van een termijndwangbevel.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>16.1.Tenuitvoerlegging termijndwangbevel</label></kop><structuurtekst><al>Een éénmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen
                                termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid
                                voltooid als de eindvervolging.</al><al/><al>Voor die nader vervallen termijnen moet wel eerst een aanmaning
                                worden verzonden, waarna voor die termijnen een eigen dwangbevel kan
                                worden uitgevaardigd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen
                            van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Naast de
                            belastingschuldige kan een ieder tegen wie de dwanginvordering is
                            gericht in verzet komen. </al><al/><al><cursief>Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft
                                plaatsgevonden. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het
                                dwangbevel, voor zover dit door het verzet wordt bestreden. Ook kan
                                verzet worden gedaan tegen een vordering als bedoeld in artikel 19
                                van de wet.</cursief></al><al/><al><cursief>Er kan geen verzet worden ingesteld tegen de in rekening
                                gebrachte kosten van de aanmaning en de betekeningskosten van het
                                dwangbevel.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 17 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de schorsing van de invordering bij verzet tegen
                                    tenuitvoerlegging dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                                    adressering.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>17.1.Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel</label></kop><structuurtekst><al>Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk
                                kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als
                                bedoeld in artikel 3:13 BW, kan hij - na verkregen toestemming van
                                het college -besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort
                                te zetten.</al><al/><al>Als sprake is van een beslag onder een derde, en de derde heeft een
                                buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of
                                onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie
                                schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop
                                deze schorsing berust.</al><al/><al>De ontvanger vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel
                                476 Rv, dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde
                                werkt. Ook wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt
                                betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de
                                schorsende werking van het verzet is opgeheven.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>17.2.Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering</label></kop><structuurtekst><al>Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per
                                post betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en
                                daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet
                                mogelijk.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 19 Doen van een vordering </label></kop><structuurtekst><al><cursief>De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de
                                ontvanger de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige
                                wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de
                                belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich
                                heeft of zal krijgen.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over het doen van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>de faillissementsvordering;</al></li><li nr="-"><al>vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>19.1.Vordering algemeen</label></kop><structuurtekst><al>Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter
                                besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de
                                voorkeur gegeven boven derdenbeslag. </al><al/><al>Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden
                                gericht wel houder van penningen is, moet al naar gelang de
                                omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de
                                voorkeur verdient.</al><tussenkop> 19.1.1.Bekendmaking vordering</tussenkop><al>De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een
                                    brief aan degene aan wie de vordering is gedaan en aan de
                                    belastingschuldige.</al><al>Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook
                                    aan genoemde personen laten betekenen door de
                                    belastingdeurwaarder. Bij de betekening van een vordering
                                    handelt de belastingdeurwaarder overeenkomstig de voor
                                    betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van
                                    Burgerlijke Rechtsvordering.</al><al/><al>Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in
                                    rekening.</al><tussenkop> 19.1.2.Voldoen aan de vordering</tussenkop><al>Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op
                                    twee of meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan
                                    te geven ter voldoening van welke belastingaanslag de betaling
                                    strekt.</al><tussenkop> 19.1.3.Niet voldoen aan de vordering</tussenkop><al>Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten
                                    onrechte niet is voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte
                                    niet heeft gereageerd. Hiervan is zeker sprake als blijkt dat
                                    het uitblijven van het voldoen aan de vordering te wijten is aan
                                    de derde.</al><al/><al>Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen
                                    derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en
                                    wordt de vordering ingetrokken.</al><al/><al>Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in
                                    het beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het
                                    beslag is voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is
                                    gedaan.</al><tussenkop> 19.1.4.Intrekken van een vordering</tussenkop><al>Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te
                                    worden gehandhaafd, trekt de ontvanger deze bij beschikking
                                    in.</al><al>De ontvanger maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de
                                    vordering is gedaan.</al><tussenkop> 19.1.5.Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering</tussenkop><al>Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand
                                    vermindert of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan
                                    wordt de hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of
                                    uitbetaald aan de belastingschuldige.</al><tussenkop> 19.1.6.Doorbreken beslagverboden en vordering</tussenkop><al>Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het
                                    vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke
                                    uitkeringen) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een
                                    wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze
                                    mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de
                                    belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire
                                    wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de
                                    wet.</al><al/><al>De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde
                                    beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf
                                    schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder
                                    vermelding van het bijzondere karakter daarvan.</al><al/><al>De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder
                                    welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de
                                    toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het
                                    maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van
                                    de wet niet vatbaar is voor beslag.</al><tussenkop> 19.1.7.Notoire wanbetaler en vordering</tussenkop><al>In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet
                                    vindt de vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk
                                    beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats indien voldaan is
                                    aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft
                                            de belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald
                                            gelaten;</al></li><li nr="b."><al>de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen
                                            is op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met
                                            ten minste twee maanden overschreden;</al></li><li nr="c."><al>de belastingschuldige komt niet voor uitstel van
                                            betaling of kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar
                                            de ontvanger bekend is, beschikt over voldoende vermogen
                                            of voldoende betalingscapaciteit om de
                                            belastingaanslagen te voldoen;</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                            gemeente.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>19.2.De faillissementsvordering</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 19.2.1.Aan te melden schulden in faillissement</tussenkop><al>In een faillissement vallen de belastingschulden - en ook de
                                    invorderingsrente - voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór
                                    de dag van de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan
                                    dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij
                                    het tegendeel blijkt:</al><lijst><li nr="-"><al>Belastingschulden ontstaan tot aan de datum van het
                                            faillissement worden als faillissementsschulden
                                            aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het
                                            faillissement zijn niet verifieerbaar en moeten
                                            eventueel als boedelschuld worden aangemeld.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid
                                    of tijdstip en doet twee aparte vorderingen:</al><lijst><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden
                                            aangemeld;</al></li><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden
                                            aangemerkt.</al></li></lijst><al/><al>Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van
                                    de wet kan de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de
                                    termijnen die aan die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen.
                                    De ontvanger splitst de voorlopige aanslagen naar
                                    tijdsevenredigheid of tijdstip.</al><al/><al>Bij het bepalen of een bestuurlijke boete in een faillissement
                                    valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de
                                    desbetreffende beschikking. Als die beschikking is gedagtekend
                                    voor het faillissement, kan de ontvanger de boete in het
                                    faillissement aanmelden. Als de dagtekening ligt na uitspraak
                                    van het faillissement, dan kan de ontvanger de boete niet meer
                                    in het faillissement aanmelden, ook al heeft de boete betrekking
                                    op een situatie vóór het faillissement.</al><tussenkop> 19.2.2.Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden in faillissement</tussenkop><al>Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de
                                    periode van een surséance van betaling die aan het faillissement
                                    voorafgaat, kunnen op grond van artikel 249 FW worden beschouwd
                                    als boedelschulden in het faillissement.</al><al/><al>Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze
                                    schulden en de belastingaanslagen die hierop betrekking hebben
                                    op soortgelijke wijze van toepassing.</al><tussenkop> 19.2.3.Opkomen in faillissement</tussenkop><al>Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de
                                    vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij
                                    bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de
                                    invordering daartoe noodzaken.</al><al/><al>In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement
                                    opkomt, vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op
                                    eventuele voorrang. Als de curator tijdens het faillissement
                                    materieel ontstane belastingschulden die als boedelschuld kunnen
                                    worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan wendt de
                                    ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs
                                    minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen.</al><al/><al>Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de
                                    ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In
                                    het uiterste geval kan de ontvanger zich rechtstreeks verhalen
                                    op de boedel.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>19.3.Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 19.3.1.Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen</tussenkop><al>Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan
                                    met betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend
                                    het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument
                                    betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van
                                    belastingschulden is beoogd.</al><al/><al>Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient
                                    boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten
                                    uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Als het invordering
                                    van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst
                                    andere invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via
                                    de vordering te betrekken.</al><tussenkop> 19.3.2.Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen</tussenkop><al>Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de
                                    invordering vervolgt door een vordering onder de werkgever
                                    (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een
                                    andere vordering op een periodieke uitkering waaraan een
                                    beslagvrije voet is verbonden, is hij verplicht de
                                    belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van
                                    zijn voornemen een vordering te doen.</al><al/><al>De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier
                                    dagen zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van
                                    het dwangbevel met bevel tot betaling ter post heeft
                                    bezorgd.</al><al/><al>De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven
                                    dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De
                                    vooraankondiging blijft achterwege als de ontvanger de vordering
                                    doet bij een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op
                                    vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de
                                    belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.</al><tussenkop> 19.3.3.Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen</tussenkop><al>Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die
                                    niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van
                                    de wet (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de
                                    belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud
                                    volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de
                                    ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv toe.</al><al/><al>In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte
                                    waarmee de periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft.
                                    Hetzelfde geldt bij vorderingen ten laste van een
                                    belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast
                                    verblijft.</al><al/><al>Voor een alleenstaande, jonger dan 21 jaar, en een
                                    alleenstaande, ouder jonger dan 21 jaar - indien zij een ander
                                    inkomen genieten dan een bijstandsuitkering - geldt een
                                    beslagvrije voet van 90% van het feitelijk inkomen (+
                                    vakantieaanspraak) met een minimum van 90% van de bijstandsnorm
                                    genoemd in artikel 21, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b
                                    van de Wet werk en bijstand en een maximum van 90% van de
                                    bijstandsnorm nadat deze verhoogd is met het bedrag genoemd in
                                    artikel 25 van die wet.</al><tussenkop> 19.3.4.Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet</tussenkop><al>De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens
                                    die bij de ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de
                                    beslagvrije voet niet tot een juist bedrag kan vaststellen
                                    zonder nadere informatie van de belastingschuldige, stelt hij -
                                    op basis van artikel 58 van de wet - de belastingschuldige in de
                                    gelegenheid die nadere informatie te verstrekken. Denk
                                    bijvoorbeeld aan de situatie dat de belastingschuldige een
                                    partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger
                                    niet bekend is.</al><al/><al>Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet
                                    verstrekt, wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de
                                    bijstandsnorm.</al><tussenkop> 19.3.5.Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering</tussenkop><al>Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit
                                    Nederland een periodieke uitkering genieten die in het woonland
                                    belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van
                                    dubbele belasting. In dat geval wordt op verzoek van de
                                    belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt
                                    met de belasting die in het woonland over die uitkering
                                    verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek
                                    gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.</al><tussenkop> 19.3.6.Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet</tussenkop><al>Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige
                                    geniet vanwege de Staat, gebeurt door aan de betreffende
                                    autoriteit verrekening te vragen volgens artikel 117 van de
                                    Ambtenarenwet en subsidiair door een vordering te doen.</al><tussenkop> 19.3.7.Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm</tussenkop><al>Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm
                                    omdat de betrokkene in natura geniet wat een
                                    bijstandsgerechtigde uit de bijstandnorm geacht wordt te
                                    betalen.</al><al/><al>In een dergelijk geval vermindert de ontvanger de beslagvrije
                                    voet met het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan
                                    worden toegerekend.</al><tussenkop> 19.3.8.Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 20 Lijfsdwang </label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen </label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 22 Bodemrecht </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 22 van de wet gaat over het bodemrecht. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 22 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de werkingssfeer van het bodemrecht;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en bestuurlijke boeten;</al></li><li nr="-"><al>overbetekening bodembeslag;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en voorrang;</al></li><li nr="-"><al>verzet en beroep.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>22.1.Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht</label></kop><structuurtekst><al>Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of
                                onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken - op de voet van
                                de artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv - geldend maken.
                                Op grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag
                                verzetten.</al><al/><al>Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht
                                menen te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld
                                beslag is gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken
                                in de administratieve sfeer door middel van een beroepschrift
                                voorleggen aan het college van de gemeente.</al><al/><al>Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een
                                eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op
                                de zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de
                                voet van artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie van
                                rechtswege op.</al><al/><al>Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid
                                van verzet in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel
                                bedoelde zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt men het
                                bodemrecht van de fiscus. Dit voorrecht kan de ontvanger van de
                                gemeente niet toepassen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>22.2.Bodemrecht en bestuurlijke boeten</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>22.3.Overbetekening bodembeslag</label></kop><structuurtekst><al/><al>Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken in
                                eigendom toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel
                                435, derde lid, Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit
                                beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen
                                betekenen door de belastingdeurwaarder.</al><al/><al>Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat
                                hij de mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming
                                te richten aan het college.</al><al/><al>De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als
                                hij op enig later tijdstip - maar vóór de geplande verkoopdatum -
                                kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom
                                zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de
                                derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen,
                                gaat de ontvanger over tot het vaststellen van een nieuwe
                                verkoopdatum.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>22.4.Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>22.5.Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>22.6.Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>22.7.Bodemrecht en voorrang</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>22.8.Verzet en beroep</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 22.8.1.Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag</tussenkop><al>Als uit een verzetschrift ex artikel 435, derde lid, Rv blijkt
                                    dat de derde geen eigenaar is van de zaken genoemd in dat
                                    verzetschrift, of voor de ontvanger anderszins duidelijk is dat
                                    de derde geen eigenaar is van de betreffende zaken, dan vindt
                                    executie van die zaken in beginsel doorgang.</al><tussenkop> 22.8.2.Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag</tussenkop><al>Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde
                                    lid, Rv heeft gedaan, heft de ontvanger het beslag op als zonder
                                    meer duidelijk is dat het zaken betreft waarop de ontvanger geen
                                    verhaal kan nemen.</al><al/><al>In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke
                                    mededeling door naar het college. Als ook het college geen
                                    aanleiding ziet aan het verzet tegemoet te komen, dan stuurt de
                                    ontvanger de stukken door naar een advocaat met het verzoek een
                                    procedure aan te spannen om een executoriale titel tegen de
                                    derde te verkrijgen.</al><tussenkop> 22.8.3.Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag</tussenkop><al>Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van
                                    roerende zaken schort de voortgang van de executie niet van
                                    rechtswege op.</al><al/><al>Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op
                                    en neemt hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het
                                    oordeel van de ontvanger de verzetprocedure alleen wordt
                                    gebruikt om de invordering te traineren.</al><tussenkop> 22.8.4.Beroepschrift ex artikel 22 van de wet</tussenkop><al>Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend
                                    bij de ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert.
                                    Een beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag
                                    is opgeheven of vervallen.</al><al/><al>Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het college
                                    dit beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag
                                    niet meer ligt.</al><tussenkop> 22.8.5.Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet geldt voor de
                                    beroepsfase dat als uit een beroepschrift niet duidelijk blijkt
                                    waarop het beroep is gebaseerd, de ontvanger de indiener
                                    verzoekt om het beroepschrift binnen een redelijke termijn
                                    (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een
                                    mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan
                                    de motiveringsplicht.</al><tussenkop> 22.8.6.Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet</tussenkop><al>Een beroepschrift dat te laat is ingediend - maar dat betrekking
                                    heeft op een beslag dat nog steeds ligt - zal het college niet
                                    ontvankelijk verklaren, tenzij hij van oordeel is dat de
                                    indiener niet in verzuim is geweest.</al><al/><al>Een beroepschrift dat in verband met te late indiening
                                    niet-ontvankelijk is verklaard, zal het college ambtshalve in
                                    behandeling nemen. De ontvanger schort in het algemeen eveneens
                                    de verkoop op - ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak
                                    daartoe - als een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle
                                    inbeslaggenomen zaken betrekking heeft.</al><al/><al>Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger
                                    wendt voordat hij een beroepschrift indient of een procedure
                                    aanspant, dan wijst de ontvanger de belanghebbende op de
                                    mogelijkheid een beroepschrift tot het college te richten. Als
                                    de ontvanger in dit stadium met de belanghebbende tot een
                                    oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In
                                    geval van leasing geldt echter dat de ontvanger een beslag niet
                                    opheft dan na overleg met het college.</al><tussenkop> 22.8.7.Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag</tussenkop><al>Het college motiveert de beslissing ook als sprake is van een te
                                    laat ingediend beroepschrift. Het college zendt zijn beslissing
                                    op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. De
                                    ontvanger draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de
                                    beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun
                                    gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. Voor de
                                    betekening van de beslissing van het college worden geen kosten
                                    in rekening gebracht.</al><al/><al>Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift
                                    wordt hetzij door het college rechtstreeks aan de adressant of
                                    zijn gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij
                                    op verzoek van het college verzonden en betekend op de wijze die
                                    geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.</al><al/><al>Als het gewenst is dat de zaken - in afwachting van de
                                    beslissing op het beroepschrift - spoedig worden verkocht, dan
                                    kan de ontvanger na overleg met het college erin toestemmen dat
                                    de verkoop door de derde gebeurt mits de opbrengst - die in de
                                    plaats van de zaken treedt - in afwachting van de beslissing bij
                                    de ontvanger wordt gedeponeerd.</al><tussenkop> 22.8.8.Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag</tussenkop><al>De situatie kan zich voordoen dat de ontvanger uit het
                                    ingediende bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd
                                    administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22
                                    eerste lid, van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond
                                    van artikel 435, derde lid, Rv.</al><al/><al>Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich
                                    daarover binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet
                                    reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift
                                    ex artikel 22, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop> 22.8.9.Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag</tussenkop><al>Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid,
                                    van de wet indient als een schriftelijke mededeling doet als
                                    bedoeld in artikel 435, derde lid, Rv, dan behandelt de
                                    ontvanger eerst het verzet ex artikel 435, derde lid, Rv,
                                    voordat hij het beroepschrift doorzendt aan het college.</al><al/><al>Als de ontvanger daarbij van oordeel is dat het beslag kan
                                    worden opgeheven, dan bevordert hij de intrekking van het
                                    beroepschrift ex artikel 22 van de wet. Bij een verzetprocedure
                                    beslist het college op het beroepschrift, in die zin dat hij
                                    zich zal houden aan de uitspraak gewezen in de
                                    verzetprocedure.</al><tussenkop> 22.8.10.Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet</tussenkop><al>van eigendom van de derde. het eigendomsrecht van een derde
                                    ontzien in die gevallen waarin sprake is belastingaanslagen als
                                    bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt ingediend
                                    tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor Bij de beslissing
                                    van het college op een beroepschrift dat is</al><tussenkop> 22.8.11.Beëindiging operationele lease-overeenkomst</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 22.8.12.Executie en bodemrecht</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 22a en artikel 23 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 22a en artikel 23 van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 24 Verrekening </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 24 van de wet regelt de verrekening door de ontvanger van in te
                            vorderen en uit te betalen bedragen. Bij de verrekening mag de ontvanger
                            geen gebruik maken van de algemene verrekeningsbepalingen van het
                            Burgerlijk Wetboek. Tijdens faillissement, surséance en wettelijke
                            schuldsanering geldt artikel 24 van de wet niet; dan zijn de artikelen
                            53 tot en met 56, 234, 235 en 307 van de FW van toepassing. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 24 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>wanneer verrekening;</al></li><li nr="-"><al>betwiste schuld en verrekening;</al></li><li nr="-"><al>reikwijdte van de verrekening;</al></li><li nr="-"><al>bekendmaking verrekening;</al></li><li nr="-"><al>instemmingsregeling bij cessie en verpanding.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>24.1.Wanneer verrekening</label></kop><structuurtekst><al>De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger
                                bepaalt of al dan niet tot verrekening wordt overgegaan.</al><al/><al>Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde
                                belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een
                                bepaalde openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan
                                willigt de ontvanger dit verzoek altijd in.</al><al/><al>Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf
                                is geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In
                                dat geval schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer
                                op. Zo nodig kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in
                                verband met de te verwachten teruggaaf respectievelijk het te
                                verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (zie artikel 25.3 van
                                deze leidraad).</al><tussenkop> 24.1.1.Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>24.2.Betwiste schuld en verrekening</label></kop><structuurtekst><al>In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een
                                te betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de
                                ontvanger uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel
                                25.2 van deze leidraad.</al><al/><al>De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de
                                belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid
                                bestaat.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>24.3.Reikwijdte van de verrekening</label></kop><structuurtekst><al>Aangezien de wet daartoe de mogelijkheid biedt, kunnen uit te
                                betalen bedragen ook worden verrekend met aanslagen waarvan de
                                laatste vervaldatum nog niet is verstreken. </al><al>Indien verrekening mogelijk is met een aanslag die wel invorderbaar
                                is, geniet dit laatste van verrekening de voorkeur.</al><al/><al>Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd is om in gevallen zoals
                                omschreven in artikel 19, tweede lid, van de wet binnen de
                                betalingstermijn te verrekenen.</al><al/><al>Als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste
                                lid, onderdelen b, c of d, van de wet, dan is verrekening mogelijk
                                met alle termijnen van de voorlopige aanslag vanaf het moment dat
                                zich één van de genoemde situaties voordoet.</al><al/><al>Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de
                                ontvanger is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de
                                invordering feitelijk aan de ontvanger is opgedragen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>24.4.Bekendmaking verrekening</label></kop><structuurtekst><al>Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt
                                bij beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige
                                bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een
                                kennisgeving.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>24.5.Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>24.6.Instemmingsregeling bij cessie en verpanding</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 24.6.1.Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding</tussenkop><al>In artikel 24, vijfde lid, van de wet is een instemmingsregeling
                                    opgenomen die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met
                                    cessie (artikel 3:94 BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW)
                                    van een uit te betalen bedrag.</al><al/><al>Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening
                                    met openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of
                                    verpanding aan hem meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te
                                    betalen bedrag met de belastingschulden die openstaan op het
                                    moment van formalisering van het uit te betalen bedrag.</al><al/><al>Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen
                                    instemmingsregeling.</al><tussenkop> 24.6.2.Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen</tussenkop><al>Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is
                                    mogelijk mits dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.</al><al/><al>Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak
                                    op teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen
                                    van de belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel
                                    vaststaat. Dit is op zijn vroegst het geval na het einde van het
                                    jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft.</al><tussenkop> 24.6.3.Instemming of weigering met een cessie of verpanding</tussenkop><al>De weigering van een instemming met de cessie of verpanding
                                    heeft betrekking op de gehele cessie of verpanding. De
                                    instemming wordt niet gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de
                                    mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in gedeelten te
                                    cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan bij iedere cessie
                                    of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee
                                    instemt.</al><al/><al>Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd
                                    als de ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat
                                    instemmen met de cessie of verpanding zal kunnen leiden tot
                                    oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de
                                    mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor
                                    verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag
                                    zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De
                                    weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag
                                    wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen
                                    bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir
                                    slechte betaler.</al><al/><al>Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een
                                    cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt
                                    gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet
                                    zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De ontvanger is
                                    verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op het
                                    tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name
                                    van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus
                                    geformaliseerde) schuld invorderbaar is.</al><al/><al>De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en
                                    aan de derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris -
                                    bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de
                                    belastingschuldige op de mogelijkheid wordt gewezen bij het
                                    college beroep in te stellen.</al><tussenkop> 24.6.4.Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met
                                    betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk
                                    blijkt waarop het beroep is gebaseerd, dat de ontvanger de
                                    indiener verzoekt het beroepschrift binnen een redelijke termijn
                                    (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een
                                    mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan
                                    deze motiveringsplicht.</al><tussenkop> 24.6.5.Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding</tussenkop><al>De beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend
                                    gemaakt door toezending of uitreiking van de beschikking aan
                                    zowel de belastingschuldige als de derde, in dit geval de
                                    pandhouder of cessionaris.</al><tussenkop> 24.6.6.Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding</tussenkop><al>De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter
                                    wenden met het verzoek de ontvanger te verbieden de instemming
                                    te weigeren. Totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft
                                    gedaan, gaat de ontvanger niet tot verrekening over.</al><al/><al>Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger
                                    niet eerder dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag
                                    van de uitspraak, tenzij tegen deze uitspraak hoger beroep is
                                    ingesteld.</al><al/><al>Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst,
                                    verrekent de ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in
                                    hoger beroep onherroepelijk vaststaat.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 25 Uitstel van betaling </label></kop><structuurtekst><al><cursief>Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger - onder
                                door hem te stellen voorwaarden - uitstel van betaling verlenen aan
                                de belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde
                                belastingaanslag.</cursief></al><al/><al><cursief>Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op
                                schriftelijk of telefonisch verzoek van de belastingschuldige. Het
                                verzoek wordt gevolgd door een schriftelijke beschikking. De
                                ontvanger beslist in beginsel In daartoe aanleiding gevende gevallen
                                kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel van betaling verlenen.
                            </cursief></al><al/><al><cursief>De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij
                                beschikking tussentijds beëindigen.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag.</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen
                                    bedrag;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met betalingsproblemen;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>25.1.Algemene uitgangspunten uitstelbeleid</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 25.1.1.Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel</tussenkop><al>Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling
                                    handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd
                                    als het verzoek is toegewezen.</al><al/><al>Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen
                                    worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel
                                    wel invorderingsmaatregelen treffen.</al><tussenkop> 25.1.2.Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling</tussenkop><al>Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de
                                    voorwaarden waaronder hij uitstel van betaling verleent in de
                                    beschikking. </al><tussenkop> 25.1.3.Redenen afwijzing verzoek om uitstel</tussenkop><al>Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval
                                    afgewezen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het
                                            oordeel van de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="b."><al>onjuiste gegevens worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de
                                            ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;
                                            tenminste dienen een kopie van het laatste
                                            inkomensoverzicht en het laatste rekeningsafschrift van
                                            belastingschuldige en diens partner te worden
                                            overlegd;</al></li><li nr="d."><al>de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel
                                            25.1.1, 25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze
                                            leidraad);</al></li><li nr="e."><al>de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde
                                            kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde
                                            belasting te betalen;</al></li><li nr="f."><al>de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de
                                            schuld direct voldaan kan worden;</al></li><li nr="g."><al>de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger
                                            onaanvaardbare termijn uitstrekt;</al></li><li nr="h."><al>de betalingsproblemen structureel zijn en een
                                            betalingsregeling volgens de ontvanger geen uitkomst zal
                                            bieden;</al></li><li nr="i."><al>sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van
                                            een belastingaanslag in verband met
                                            betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek
                                            uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of
                                            beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende
                                            die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben
                                            gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden
                                            betaald.</al></li><li nr="j."><al><cursief> indien de belastingschuldige reeds eerder een
                                                regeling heeft genoten, maar deze niet is
                                                nagekomen;</cursief></al></li><li nr="k."><al><cursief> indien ter zake van de aanslag reeds een
                                                beslagopdracht naar de belastingdeurwaarder is
                                                uitgegaan dan wel door de belastingdeurwaarder reeds
                                                beslag is gelegd;</cursief></al></li><li nr="l."><al><cursief> in geval van een vordering op grond van
                                                artikel 19 van de wet;</cursief></al></li><li nr="m."><al><cursief> het in bezwaar betwiste bedrag minder dan € 50
                                                bedraagt.]</cursief></al></li><li nr="n."><al><cursief> indien er sprake is van een notoire
                                                wanbetaler, als bedoeld in artikel 19 van de
                                                Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 2008
                                                van de gemeente Leudal.</cursief></al></li></lijst><al/><al>De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de
                                    gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te laten
                                    brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of
                                    gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt
                                    afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het
                                    verzoek is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden
                                    worden genoemd; er kan niet worden volstaan met het noemen van
                                    de voornaamste afwijzingsgrond.</al><tussenkop> 25.1.4.Redenen beëindigen uitstel</tussenkop><al>Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het
                                            uitstel is verleend;</al></li><li nr="b."><al>tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste
                                            gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de aanleiding tot uitstel van betaling is
                                            weggevallen;</al></li><li nr="d."><al>de financiële omstandigheden van de belastingschuldige
                                            zodanig veranderen of zijn veranderd dat het naar het
                                            oordeel van de ontvanger onjuist is het uitstel te
                                            continueren;</al></li><li nr="e."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het
                                            oordeel van de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="f."><al>zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel
                                            10 van de wet en de ontvanger van mening is dat de
                                            verhaalbaarheid van de belastingschuld waarvoor uitstel
                                            is verleend, ernstig in gevaar komt;</al></li><li nr="g."><al>belastingschuldige in staat van faillissement wordt
                                            verklaard, hem surséance van betaling wordt verleend of
                                            hij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering
                                            natuurlijke personen.</al></li></lijst><tussenkop> 25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn</tussenkop><al><cursief>kan </cursief>de ontvanger alvorens hij de regeling
                                    beëindigt, de belastingschuldige gedurende de regeling eenmaal
                                    in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen de
                                    achterstand te voldoen. Komt Als de belastingschuldige een
                                    betalingsregeling van meer dan één termijn niet nakomt, </al><tussenkop> 25.1.6.Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel</tussenkop><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip
                                    en dit tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van
                                    rechtswege vervallen.</al><al/><al>Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is
                                    ingediend, stelt de ontvanger de belastingschuldige van het
                                    vervallen van het verleende uitstel schriftelijk op de hoogte
                                    onder opgaaf van reden.</al><tussenkop> 25.1.7.Geen invordering tijdens verleend uitstel</tussenkop><al>Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger
                                    voor een belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling
                                    heeft verleend, geen invorderingsmaatregelen nemen.</al><tussenkop> 25.1.8.Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd</tussenkop><al>Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of
                                    een verleend uitstel beëindigt, of als het college afwijzend
                                    heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing
                                    of beëindiging, dan wordt de vervolging in beginsel niet
                                    aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na
                                    dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel
                                    van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een
                                    mededeling is gedaan.</al><al/><al>Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op
                                    telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de
                                    termijn van tien dagen niet.</al><al/><al>Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder
                                    meer plaats als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen
                                    bestaan dat door het niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen
                                    van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad.
                                    Verder geldt deze termijn niet als een executieverkoop wordt
                                    opgeschort en in verband daarmee uitstel van betaling is
                                    verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.</al><tussenkop> 25.1.9.Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 25.1.10.Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 25.1.11.Uitstel voor een bestuurlijke boete</tussenkop><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke
                                    boete in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de
                                    bestuurlijke boete.</al><al/><al>De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een
                                    bestuurlijke boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen
                                    een belastingaanslag en de bedragen van die belastingaanslag en
                                    die van de boete-beschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld.
                                    De ontvanger verleent dit uitstel niet als uit het
                                    bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen de
                                    bestuurlijke boete.</al><al/><al>Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe
                                    strekken de belangen van de gemeente veilig te stellen. De
                                    ontvanger verleent het uitstel tot het moment waarop op het
                                    bezwaarschrift is beslist.</al><tussenkop> 25.1.12.Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen</tussenkop><al>Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de
                                    voorwaarde dat voor nieuwe belastingaanslagen geen
                                    betalingsachterstand zal ontstaan.</al><tussenkop> 25.1.13.Zekerheid bij uitstel</tussenkop><al>De ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de
                                    voorwaarde stellen dat de belastingschuldige of een derde
                                    zekerheid stelt. Bij het stellen van zekerheid gaat de voorkeur
                                    uit naar zekerheden die op eenvoudige wijze kunnen worden
                                    gesteld, bewaakt en uitgewonnen.</al><al/><al>Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding
                                    van voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard
                                    van deze zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze
                                    verpanding van voorraden slechts als aannemelijk is dat de
                                    belastingschuld niet kan worden betaald en andere
                                    zekerheidsvormen niet voorhanden zijn.</al><tussenkop> 25.1.14.Tijdstip indiening verzoek om uitstel</tussenkop><al>De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in
                                    behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium
                                    van de invordering.</al><al/><al>De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in
                                    verband met betalingsproblemen in het algemeen af als het
                                    verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de
                                    belastingschuldige te houden executoriale verkoop in een dagblad
                                    heeft plaatsgevonden, of als publicatie daarvan niet meer is te
                                    voorkomen.</al><al/><al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger
                                    de beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend
                                    verzoek om uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger
                                    bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking.
                                    In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van tien dagen
                                    waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of
                                    voortzetten.</al><al/><al>De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als
                                    de belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale
                                    verkoop.</al><tussenkop> 25.1.15.Verzoekschriften aan andere instellingen</tussenkop><al>De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is
                                    ingediend bij de raad, het college of de gemeentelijke
                                    ombudsman.</al><al/><al>Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden
                                    genomen na voorafgaande toestemming van het college.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>25.2.Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 25.2.1.Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag</tussenkop><al>De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een
                                    belastingaanslag door middel van een bezwaarschrift kenbaar
                                    maken. Een in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan
                                    de ontvanger verlenen tot het moment waarop de inspecteur
                                    uitspraak op het bezwaarschrift doet. Onder een bezwaarschrift
                                    wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend
                                    (hoger) beroepschrift.</al><al/><al>Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid
                                    heeft uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige
                                    bestreden deel van de belastingaanslag waarvoor uitstel is
                                    verzocht of verleend, </al><tussenkop> 25.2.2.Bezwaarschrift en beroepschrift gelden niet als verzoek om uitstel</tussenkop><al><cursief>Voor het bestreden bedrag van een aanslag moet de
                                        belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling
                                        indienen. Het indienen van een bezwaarschrift geldt niet
                                        tevens als een verzoek om uitstel van
                                    betaling.</cursief></al><al/><al><cursief>Uitstel van betaling naar aanleiding van een
                                        bezwaarschrift wordt uitsluitend verleend voor het bestreden
                                        gedeelte van de aanslag, mits het niet-gedingbedrag tijdig
                                        (conform de vervaltermijn) wordt voldaan, belastingschuldige
                                        niet deelneemt aan de automatische incasso en mits het
                                        aanslagbedrag van de op het aanslagbiljet verzamelde
                                        aanslagen van belastingschuldige € 2500,- of meer
                                        bedraagt.</cursief></al><al/><al><cursief>Indien uitstel van betaling wordt gevraagd voor een
                                        bezwaarschrift dat niet deugdelijk is gemotiveerd, wordt
                                        geen uitstel verleend.</cursief></al><al/><al>Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het
                                    bezwaarschrift en een door de belastingschuldige ingesteld
                                    beroep tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van
                                    een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel
                                    van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een
                                    afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de
                                    ontvanger.</al><tussenkop> 25.2.2.A.Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift</tussenkop><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de
                                    ontvanger in verband met een bezwaarschrift tegen de
                                    belastingaanslag dan moet hij in het verzoek het bestreden
                                    bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag
                                    vermelden.</al><tussenkop> 25.2.2.B.Ontbrekende gegevens</tussenkop><al>Als in het verzoek aan de ontvanger om uitstel van betaling in
                                    verband met een ingediend bezwaarschrift het bestreden bedrag of
                                    de berekening daarvan niet zijn vermeld, dan stelt de ontvanger
                                    de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens
                                    alsnog schriftelijk mee te delen. De ontvanger kan voorts aan de
                                    belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling van de
                                    hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger geeft de
                                    belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf
                                    de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De
                                    invordering wordt voor die termijn geschorst.</al><al/><al>Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven
                                    termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit
                                    redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn
                                    ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om
                                    uitstel af.</al><al/><al>Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling
                                    opgenomen in het bezwaarschrift zelf. </al><al/><al>Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een
                                    ingediend beroepschrift, dient tevens een kopie van het
                                    beroepschrift te worden overgelegd.</al><tussenkop> 25.2.3.De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling</tussenkop><al>In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van
                                    betaling in verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de
                                    artikelen 25.2.2, 25.2.2.A en 25.2.2.B gestelde eisen is
                                    voldaan.</al><al/><al>De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De
                                    toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het
                                    bestreden bedrag.</al><tussenkop> 25.2.4.Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 25.2.5.Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar</tussenkop><al>Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de
                                    ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld.
                                    In beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en
                                    omvang van de belastingschuld in relatie tot de
                                    verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn daartoe
                                    aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook
                                    rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in het
                                    verleden.</al><tussenkop> 25.2.6.Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld</tussenkop><al>Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is
                                    ingediend niet onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor
                                    de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke
                                    invorderingsmaatregelen.</al><al/><al>Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente
                                    of de belangen van de belastingschuldige door het achterwege
                                    laten van onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden
                                    geschaad, dan kan de ontvanger die maatregelen wel treffen.</al><al/><al>Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een
                                    bewaringsmaatregel geldt niet als een onherroepelijke
                                    invorderingsmaatregel.</al><tussenkop> 25.2.7.Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar</tussenkop><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van
                                    het bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere
                                    belastingaanslag of andere uit te betalen bedragen achterwege,
                                    in afwachting van de uitspraak op het bezwaarschrift, tenzij
                                    anders is bepaald in deze leidraad onder artikel 24.</al><al/><al>Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van
                                    de belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de
                                    solvabiliteit van diens onderneming in relatie tot de hoogte van
                                    de (bestreden) belastingschuld - dat vrees voor
                                    onverhaalbaarheid bestaat en verder niet voldoende zekerheid is
                                    gesteld.</al><al/><al>Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de
                                    belastingschuldige in bij de bekendmaking van de beschikking
                                    omtrent zijn beweegredenen.</al><tussenkop> 25.2.8.Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag</tussenkop><al>Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een
                                    belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de
                                    opschortende voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per
                                    omgaande dan wel tijdig wordt betaald.</al><al/><al>Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt
                                    de invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele
                                    belastingaanslag aangevangen dan wel voortgezet.</al><al/><al>Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende
                                    belastingaanslag in verband met bezwaar neemt de ontvanger pas
                                    in behandeling als het niet-bestreden gedeelte van de
                                    belastingaanslag is voldaan.</al><tussenkop> 25.2.9.Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag</tussenkop><al>De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is
                                    verleend in verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de
                                    belastingaanslag en later blijkt dat het bezwaar slechts
                                    betrekking heeft op een gedeelte van dat bedrag.</al><al/><al>De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om
                                    uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met
                                    bezwaar pas in behandeling neemt, als het niet-bestreden
                                    gedeelte van de belastingaanslag tijdig is voldaan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>25.3.Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                    gemeente.</cursief></al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>25.4.Uitstel in verband met betalingsproblemen</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 25.4.1.Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen</tussenkop><al>Als de belastingschuldige de belasting - geheel of gedeeltelijk
                                    - niet binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan
                                    de ontvanger aan de belastingschuldige op diens verzoek een
                                    betalingsregeling toestaan. De ontvanger kan daarbij voorwaarden
                                    stellen.</al><al/><al>Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen
                                    de omstandigheden van dat moment een rol. Als de
                                    belastingschuldige in het verleden bijvoorbeeld niet heeft
                                    gereserveerd voor redelijkerwijs voorzienbare schulden of
                                    nalatig is geweest bij het doen van aangiften of betalingen, kan
                                    dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van een
                                    betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een
                                    betalingsregeling.</al><al/><al>De ontvanger kan een betalingsregeling weigeren als de
                                    betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen
                                    of activiteiten die geen perspectief bieden.</al><tussenkop> 25.4.2.Uitstel en motorrijtuigenbelasting</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 25.4.3.Verrekening tijdens een betalingsregeling</tussenkop><al>Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger
                                    belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande
                                    belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de ontvanger
                                    afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven.</al><tussenkop> 25.4.4.Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surséance</tussenkop><al>Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de
                                    wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de
                                    ontvanger op de gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de
                                    bewindvoerder aanmelden. Voor deze schulden treft de ontvanger
                                    geen betalingsregeling.</al><al/><al>Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen
                                    worden voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel
                                    verlenen.</al><al/><al>De ontvanger kan tijdens een surséance van betaling op verzoek
                                    van de bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de
                                    belastingschuld die voor de aanvang van de surséance materieel
                                    verschuldigd is geworden. De ontvanger stelt daarbij de
                                    voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende
                                    verplichtingen stipt nakomt.</al><al/><al>De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling onder de gebruikelijke voorwaarden
                                    uitstel van betaling verlenen voor belastingaanslagen waarop de
                                    wettelijke schuldsaneringsregeling niet van toepassing is.</al><al/><al>Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de
                                    ontvanger deze uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de
                                    bewindvoerder over de wijziging in de hoogte van de
                                    belastingschuld.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>25.5.Betalingsregeling voor particulieren</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 25.5.1.Duur betalingsregeling particulieren</tussenkop><al><cursief>twaalf</cursief>maanden, te rekenen vanaf de
                                    datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking
                                    toestaat.De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van
                                    betaling voor een periode van ten hoogste </al><al/><al><cursief>twaalf </cursief>maanden.Slechts als er volgens de
                                    ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de
                                    belastingschuldige een langere termijn gunnen dan </al><tussenkop> 25.5.2.Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren</tussenkop><al>De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende
                                    voorwaarden verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het
                                    verlenen van een betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw
                                    opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen - waarvan
                                    de invordering aan de ontvanger is opgedragen - tijdig worden
                                    nagekomen.</al><al/><al>De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid
                                    eisen als de aard en de omvang van de schuld in relatie tot de
                                    uitsteltermijn en de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe
                                    aanleiding geven. Ook het aangifte- en betalingsgedrag in het
                                    verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.</al><tussenkop> 25.5.3.Kort uitstel particulieren</tussenkop><al>Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader
                                    onderzoek een betalingsregeling worden getroffen met een
                                    looptijd tot maximaal 1 maand na de laatste vervaldag van de
                                    (oudste) aanslag, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is
                                    voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>De totale openstaande schuld van de
                                            belastingschuldige bedraagt <cursief>niet meer dan €
                                                100,00</cursief>. Hierbij wordt geen rekening
                                            gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van
                                            betaling in verband met een ingediend bezwaar- of
                                            beroepschrift is verleend;</al></li><li nr="b."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                            gemeente.</al></li><li nr="c."><al>Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde
                                            belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen
                                            uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen
                                            of uitstel in verband met een te verwachten uit te
                                            betalen bedrag verleend;</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                            gemeente.</al></li><li nr="e."><al>De belastingschuldige heeft geen belastingschuld
                                            openstaan waarvoor een hernieuwd bevel van betaling is
                                            betekend door de belastingdeurwaarder waarvan de
                                            betalingstermijn is verstreken;</al></li></lijst><tussenkop> 25.5.4.Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren</tussenkop><al>In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze
                                    leidraad, gaat de ontvanger aan de hand van de daartoe door de
                                    verzoeker verstrekte gegevens over tot de berekening van de
                                    betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie.
                                    De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling
                                    als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al
                                    uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is
                                    verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is
                                    beëindigd.</al><al/><al>Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de
                                    ontvanger zo nodig nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de
                                    berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van
                                    de begrippen en normen die gelden bij het kwijtscheldingsbeleid,
                                    behalve voor zover daarvan in de artikelen 25.5.6 tot en met
                                    25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken. Ook met betrekking tot
                                    het vermogen gaat de ontvanger uit van het vermogensbegrip zoals
                                    dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.</al><tussenkop> 25.5.5.Vermogen en betalingsregeling particulieren</tussenkop><al>De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van
                                    het verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de
                                    weg. Dit geldt met name indien het vermogen zonder bezwaar
                                    liquide is te maken.</al><al/><al>Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor
                                    particulieren is vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter
                                    niet in de weg. Onder vermogen wordt in dit verband verstaan de
                                    bezittingen van de belastingschuldige en diens echtgenoot,
                                    verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan
                                    de belastingschuld.</al><tussenkop> 25.5.6.Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren</tussenkop><al>Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de
                                    financiële omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van
                                    de verzoeker een belangrijke rol, zowel ten tijde van het
                                    indienen van het verzoek als gedurende de looptijd van de
                                    betalingsregeling. De betalingscapaciteit van de
                                    belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt
                                    in belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige
                                    (periodiek) op de achterstallige schuld moet aflossen. De
                                    betalingscapaciteit geeft ook aan in hoeverre een
                                    betalingsregeling zinvol is.</al><al/><al>Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij
                                    een verzoek om een betalingsregeling is het inkomen van de
                                    belastingschuldige en diens echtgenoot. Het inkomen en de
                                    uitgaven ten behoeve van bij de belastingschuldige inwonende
                                    kinderen zal bij de berekening van de betalingscapaciteit niet
                                    in aanmerking worden genomen. Een uitzondering daarop vormt de
                                    ontvangen alimentatie ten behoeve van minderjarige
                                    kinderen.</al><al/><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger
                                    met betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de
                                    woning waarin de belastingschuldige feitelijk verblijft uit van
                                    de werkelijke uitgaven.</al><al/><al><cursief>80%</cursief> van de betalingscapaciteit op.De
                                    betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na
                                    aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de
                                    betalingsregeling eist de ontvanger </al><tussenkop> 25.5.7.Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven</tussenkop><al>De ontvanger kan - afhankelijk van de concrete situatie van de
                                    belastingschuldige en zijn gezin - bepaalde aanvaardbare
                                    uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering
                                    brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de
                                    maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar
                                    het oordeel van de ontvanger in redelijkheid niet kunnen worden
                                    betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en 80% van de
                                    betalingscapaciteit (de uitvoeringstolerantie).</al><tussenkop> 25.5.8.Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden</tussenkop><al>In het algemeen blijven bij de berekening van de
                                    betalingscapaciteit de aflossingsverplichtingen aan derden
                                    buiten beschouwing. De ontvanger kan een uitzondering maken voor
                                    aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot ongewenste
                                    effecten kan leiden, of waaraan een preferentie is
                                    verbonden.</al><tussenkop> 25.5.9.Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten</tussenkop><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger
                                    slechts rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld,
                                    tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan
                                    plaatsvindt dan wel zou moeten plaatsvinden in de periode
                                    waarvoor de betalingsregeling geldt.</al><tussenkop> 25.5.10.Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor</tussenkop><al>Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een
                                    betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen één maand
                                    wordt afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de
                                    ontvanger heeft berekend, dan hoeft een niet al te grote
                                    afwijking niet te leiden tot afwijzing van het verzoek.</al><al/><al>Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld
                                    voor de ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling
                                    wel ingewilligd kan worden, dan deelt de ontvanger onder
                                    afwijzing van het verzoek de belastingschuldige mee welke
                                    regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.</al><tussenkop> 25.5.11.Betalingsregeling langer dan twaalf maanden</tussenkop><al><cursief>twaalf</cursief> maanden, is van
                                    overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege
                                    bijzondere omstandigheden langer dan <cursief>twaalf
                                    </cursief>maanden duurt. Het beleid zoals beschreven bij de
                                    berekening van de betalingscapaciteit bij regelingen tot en
                                    met</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>25.6.Betalingsregeling voor ondernemers</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 25.6.1.Geen betalingsregeling ondernemers</tussenkop><al>Voor betalingsregelingen verschuldigd door ondernemers bestaat
                                    er – anders dan bij particulieren – geen aanleiding tot het
                                    toestaan van een betalingsregeling. Het verlenen van uitstel aan
                                    een ondernemer kan immers betekenen dat het ondernemersrisico
                                    feitelijk wordt gedragen door de gemeente en dat deze dan
                                    optreedt als oneigenlijke kredietverlener. Tevens zou een
                                    betalingsregeling voor schuld van een ondernemer
                                    concurrentieverstorend kunnen werken ten opzichte van andere
                                    ondernemers die wel tijdig hun verplichtingen nakomen.</al><al>Onder het begrip ‘ondernemer’ wordt in dit verband verstaan:
                                    rechtspersonen en natuurlijke personen die een bedrijf of
                                    zelfstandig beroep uitoefenen, niet zijnde natuurlijke personen
                                    die een uitkering genieten ingevolge de Wet werk en inkomen
                                    kunstenaars. Onder het begrip ‘particulier’ wordt in dit verband
                                    verstaan: natuurlijke personen die geen ondernemer zijn.</al><tussenkop> 25.6.2.vervallen</tussenkop><tussenkop> 25.6.3.Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers</tussenkop><al>Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals
                                    dat geldt voor particulieren, ook als de belastingschuld
                                    betrekking heeft op de ondernemingsperiode.</al><tussenkop> 25.6.4.Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie</tussenkop><al>Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een
                                    onderzoek wordt ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of
                                    steunverlening om de schuld te voldoen of een sanering mogelijk
                                    te maken, dan verleent de ontvanger uitstel van betaling als hij
                                    de verwachting heeft dat het verzoek door de (potentiële)
                                    subsidiënt zal worden gehonoreerd. De belastingschuldige moet
                                    dan wel aan de lopende verplichtingen voldoen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>25.7.Administratief beroep</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 25.7.1.Toetsing uitstelbeschikking door het college</tussenkop><al>Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel
                                    afwijst of een verleend uitstel beëindigt, kan de
                                    belastingschuldige daartegen administratief beroep instellen bij
                                    het college van de gemeente. De belastingschuldige moet het
                                    beroepschrift indienen bij de ontvanger die de beschikking heeft
                                    genomen.</al><al/><al>Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de
                                    ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het
                                    verzoek om uitstel is toegewezen.</al><tussenkop> 25.7.2.Beroepsfase uitstel</tussenkop><al><cursief>tien</cursief> dagen bedraagt. Als uit het
                                    beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd
                                    is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het
                                    beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren.
                                    De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke
                                    niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze
                                    motiveringsplicht.Met overeenkomstige toepassing van artikel 24
                                    van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een
                                    beroepschrift </al><tussenkop> 25.7.3.Beslissing college op beroepschrift bij uitstel</tussenkop><al>In alle gevallen waarin het college van de gemeente het beroep
                                    gegrond oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij
                                    door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te
                                    wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden.</al><tussenkop> 25.7.4.Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel</tussenkop><al>De belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen
                                    het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om
                                    uitstel van betaling. Het indienen van een beroepschrift is in
                                    deze situatie niet aan een termijn gebonden.</al><al/><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel
                                    van betaling had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te
                                    volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft
                                    beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de
                                    belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</al><tussenkop> 25.7.5.Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger</tussenkop><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen
                                    de beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde
                                    belastingschuld een herhaald verzoek om uitstel indient, dan
                                    behandelt de ontvanger dit als een beroepschrift.</al><al/><al><cursief>tien</cursief> dagen in beroep gaan bij het college.Als
                                    de ontvanger op dat moment aanleiding ziet tot een voor de
                                    belastingschuldige gunstigere beslissing, geeft hij echter een
                                    nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de
                                    nieuwe beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen
                                </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 26, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling
                            regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
                            rijksbelastingen. De ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke
                            kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met
                            buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal
                            van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een
                            belastingaanslag te betalen ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd
                            worden verwacht. </al><al/><al><cursief>De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet
                                zijn vastgelegd in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de
                                regeling zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen in de belastingsfeer tot uitdrukking
                                gebracht.</cursief></al><al/><al><cursief>Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van
                                bestaan binnen een bepaalde bandbreedte gesteld op 90% van het
                                inkomen van de belastingschuldige. Gemeenten mogen een ruimer
                                kwijtscheldingsbeleid voeren door dit percentage te verhogen tot
                                maximaal 100% (artikel 255, vierde lid, van de Gemeentewet).
                            </cursief></al><al/><al><cursief>In de gemeente Leudal wordt het percentage voor de berekening
                                van de kosten van bestaan gesteld vastgesteld op
                            100%.</cursief></al><al/><al><cursief>Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden
                                verleend. Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de
                                betalingsverplichting. In artikel 53, derde lid van de wet is
                                bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op grond
                                waarvan de ontvanger de aansprakelijkgestelde geheel of gedeeltelijk
                                van zijn betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet in staat
                                is anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen.</cursief></al><al/><al><cursief>De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van
                                kwijtschelding, gelden ook voor het ontslag van de
                                betalingsverplichting.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van (rijks)belastingen voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van (rijks)belastingen voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep;</al></li><li nr="-"><al>voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                                    kwijtschelding;</al></li><li nr="-"><al>geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het
                                    verzoek om kwijtschelding;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief> geen kwijtschelding voor
                                        invorderingskosten</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>ambtshalve kwijtschelding</cursief></al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>26.1.Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 26.1.0.Aanvraag kwijtschelding</tussenkop><al>Kwijtschelding is uitsluitend mogelijk voor de navolgende
                                    belastingen/heffingen:</al><lijst><li nr="-"><al>afvalstoffenheffing (uitgezonderd extra
                                            ledigigingen)</al></li><li nr="-"><al>hondenbelasting voor de eerste hond</al></li></lijst><tussenkop> 26.1.1.Kwijtschelding van betaalde belastingschulden</tussenkop><al>De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen
                                    die al zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is
                                    voldaan:</al><lijst><li nr="-"><al>De belastingschuldige dient het verzoek om
                                            kwijtschelding in binnen <cursief>drie</cursief> maanden
                                            nadat de (laatste) betaling op de belastingaanslag heeft
                                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="-"><al>De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden
                                            die aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding
                                            als hij daar eerder om had verzocht.</al></li></lijst><al/><al>Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de
                                    belastingschuldige het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is
                                    verleend.</al><tussenkop> 26.1.2.Het indienen van een verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de
                                    ontvanger waaronder de belastingschuldige ressorteert op een
                                    daartoe ingesteld verzoekformulier.</al><al/><al>Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient,
                                    maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de
                                    ontvanger het verzoek niet als zodanig in behandeling. De
                                    ontvanger zendt een verzoekformulier aan de belastingschuldige
                                    en stelt deze in de gelegenheid </al><al>het verzoek alsnog binnen <cursief>twee weken </cursief>in te
                                    dienen. </al><al/><al>In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel
                                    opgeschort. Als de belastingschuldige het formulier niet
                                    terugzendt, wijst de ontvanger het verzoek af.</al><tussenkop> 26.1.3.Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding</tussenkop><al><cursief>de gestelde termijn van tenminste twee
                                        weken</cursief> te verstrekken. In afwachting
                                    daarvan schort de ontvanger de invordering in beginsel op.Als de
                                    ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier
                                    onvolledig ingevuld terugontvangt, stelt hij de
                                    belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens
                                    alsnog binnen</al><al/><al><cursief>éénmaal</cursief> op. Als de belastingschuldige niet
                                    alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt, wordt hij nog éénmaal
                                    in de gelegenheid gesteld de stukken binnen de gestelde termijn
                                    van tenminste twee weken aan te leveren. Als belastingschuldige
                                    ook na herhaald verzoek niet alle gevraagde stukken aanlevert,
                                    beschouwt de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld
                                    en wijst hij het verzoek af.e ontvanger vraagt de gegevens in
                                    beginsel slechts D</al><tussenkop> 26.1.4.Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen
                                    van belang die gelden op het moment van indiening van het
                                    verzoek, tenzij in de leidraad anders is aangegeven.</al><tussenkop> 26.1.5.Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden</tussenkop><al>Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend
                                    nadat aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die
                                    voorwaarden in de beschikking op.</al><al/><al><cursief>drie</cursief> jaar, te rekenen vanaf de dagtekening
                                    van de kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die
                                    nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag
                                    intreedt.Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat
                                    verrekening zal plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan
                                    stelt hij tevens de termijn vast waarin verrekening van die
                                    bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt maximaal </al><al/><al><cursief>tien</cursief> dagen een voorstel te doen met
                                    betrekking tot de betaling van dat deel. Hierbij is het
                                    uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van toepassing.
                                    Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de
                                    schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te
                                    betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende
                                    teruggaven.Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van
                                    de schuld behoort, dan moet de ontvanger de belastingschuldige
                                    uitnodigen om binnen een termijn van </al><tussenkop> 26.1.6.Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij
                                    motiveren waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft
                                    besloten. Daarbij moet hij alle afwijzingsgronden noemen.</al><tussenkop> 26.1.7.Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering</tussenkop><al><cursief>tien</cursief> dagen na dagtekening van de beschikking.
                                    Deze termijn wordt niet of niet geheel verleend als naar het
                                    oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                                    direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van
                                    de gemeente worden geschaad.Als de ontvanger geen kwijtschelding
                                    verleent, of als het college afwijzend heeft beslist op een
                                    ingediend beroepschrift tegen de afwijzing, dan wordt de
                                    vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een
                                    termijn van </al><tussenkop> 26.1.8.Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding</tussenkop><al><cursief>tien</cursief> dagen waarbinnen de ontvanger de
                                    invordering niet mag aanvangen of voortzetten.Om de belangen van
                                    de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op
                                    een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                                    kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt
                                    deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat
                                    geval geldt niet de termijn van </al><al/><al>Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan
                                    verzoek dat niet is ingediend op een verzoekformulier of op een
                                    verzoekformulier dat onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de
                                    belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt het verzoek in
                                    te dienen op het daartoe bestemde formulier of de
                                    belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de ontbrekende
                                    gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2 en
                                    26.1.3 van deze leidraad), maar het verzoek afwijst.</al><tussenkop> 26.1.9.Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend</tussenkop><al>Er wordt geen kwijtschelding verleend als:</al><lijst><li nr="-"><al>de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het
                                            verzoek niet, niet volledig, onjuist, of niet op het
                                            door de ontvanger uitgereikte formulier (zie ook de
                                            artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad) zijn
                                            verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het
                                            verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de
                                            omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen
                                            anderzijds en de belastingschuldige de in dat verband
                                            door de ontvanger gevraagde opheldering niet - of naar
                                            het oordeel van de ontvanger - in onvoldoende mate
                                            verschaft;</al></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste
                                            aangifte in te dienen. In dat geval wordt de
                                            belastingschuldige meegedeeld dat een nieuw verzoek om
                                            kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend, dan
                                            nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte
                                            gegevens de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft
                                            kunnen vaststellen. Het verzoek dat wordt ingediend
                                            nadat de belastingaanslag tot het juiste bedrag is
                                            vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste
                                            verzoek;</al></li><li nr="-"><al>een bezwaarschrift tegen de hoogte van de
                                            belastingaanslag in behandeling is bij de inspecteur,
                                            dan wel een beroepschrift tegen de hoogte van de
                                            belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of
                                            (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele
                                            vermindering of vernietiging van de belastingaanslag
                                            dient namelijk aan kwijtschelding vooraf te gaan. De
                                            belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw
                                            verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden
                                            ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of
                                            beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;</al></li><li nr="-"><al>voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is
                                            gesteld;</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van meer dan één belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan
                                            worden gesteld;</al></li><li nr="-"><al>het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat
                                            de belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is
                                            onder andere sprake als:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan opzet of grove schuld van de
                                                  belastingschuldige is te wijten dat te weinig
                                                  belasting is geheven;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen)</al></li><li nr="c."><al>een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een
                                                  belastingteruggaaf) niet is aangewend ter
                                                  voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding
                                                  wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige
                                                  teruggaaf betreft voor zover die niet voor beslag
                                                  vatbaar is;</al></li><li nr="d."><al>vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag
                                                  tot aan de indiening van het verzoek om
                                                  kwijtschelding op enig moment voldoende middelen
                                                  aanwezig waren om de aanslag te kunnen
                                                  voldoen;</al></li><li nr="e."><al>de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon
                                                  vermoeden dat een belastingaanslag zou worden
                                                  opgelegd en nalatig is gebleven in verband daarmee
                                                  middelen te reserveren;</al></li><li nr="f."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                                  gemeente;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="g."><al>eze bepaling is niet van toepassing voor de
                                                  gemeente;d</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="h."><al>de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt
                                                  van het recht op aanvullende bijstand, waardoor de
                                                  belastingaanslag (gedeeltelijk) zou kunnen worden
                                                  betaald.</al></li><li nr="i."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                                  gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige in surséance van betaling of in
                                            staat van faillissement verkeert, tenzij een akkoord is
                                            gesloten als bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van de belastingschuldige de
                                            schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                                            toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een
                                            akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een
                                            belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als
                                            bedoeld in artikel 8, tweede lid van de regeling, voor
                                            zover die materieel verschuldigd is geworden op een
                                            tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de
                                            uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van
                                            65toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt
                                            als een boedelschuld;</al></li><li nr="-"><al>het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én
                                            die aanslag nog niet is gevolgd door een (definitieve)
                                            aanslag;</al></li><li nr="-"><al>door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan
                                            die voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de
                                            gestelde voorwaarden is voldaan, kan alsnog
                                            kwijtschelding worden verleend.</al></li></lijst><al/><al>Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te
                                    betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als
                                    aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat:</al><lijst><li nr="-"><al>binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk
                                            wisselende inkomens een hoger inkomen is te
                                            verwachten;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na indiening van het verzoek een
                                            verbetering is te verwachten in de financiële
                                            omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf,
                                            anders dan de voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel
                                            14, tweede lid, van de regeling kan worden verwacht. De
                                            vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de verschuldigde
                                            belasting te betalen, kan immers slechts betrekking
                                            hebben op een per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor
                                            dat saldo moeten de aanwezige financiële middelen worden
                                            aangesproken. Dit houdt in dat geen kwijtschelding kan
                                            worden verleend als de belastingaanslag binnen een jaar
                                            door middel van verrekening kan worden
                                            aangezuiverd.</al></li></lijst><tussenkop> 26.1.10.Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding</tussenkop><al>Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de
                                    ontvanger het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.</al><al/><al>Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het
                                    bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek
                                    om kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het
                                    bepaalde in artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige
                                    bedrijfsvermogen zal geheel moeten worden gebruikt ter aflossing
                                    van de openstaande (zakelijke) belastingaanslagen.</al><tussenkop> 26.1.11.Verzoekschriften aan andere instellingen</tussenkop><al>De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift
                                    is ingediend bij het college, de raad of de gemeentelijke
                                    ombudsman. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen
                                    bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de
                                    invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de
                                    ontvanger toch invorderingsmaatregelen treffen.</al><al/><al>Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden
                                    genomen na voorafgaande toestemming van het college.</al><tussenkop> 26.1.12.Geen kwijtschelding voor invorderingskosten</tussenkop><al>Aanvragen voor kwijtschelding die zijn gedaan nádat een
                                    aanmaning is verstuurd of een dwangbevel is betekend of een
                                    hernieuwd bevel tot betaling is gedaan, worden niet eerder in
                                    behandeling genomen dan nadat de invorderingskosten zijn voldaan
                                    of belastingschuldige een machtiging heeft afgegeven ter
                                    voldoening van de invorderingskosten.</al><al/><al>Naar aanleiding van het verzoek om kwijtschelding wordt
                                    belastingschuldige een ontvangstbevestiging gezonden met de
                                    mededeling dat de aanvraag niet eerder in behandeling kan worden
                                    genomen dan nadat de invorderingskosten zijn voldaan of de
                                    machtiging is verstrekt. De termijn waarbinnen de
                                    invorderingskosten moeten worden voldaan, wordt op twee weken ná
                                    dagtekening van de ontvangstbevestiging gesteld.</al><al/><al>Wanneer betaling uitblijft, wordt er een laatste uitnodiging tot
                                    betaling van de invorderingskosten gezonden onder gelijktijdige
                                    mededeling dat bij uitblijvende betaling binnen twee weken na
                                    dagtekening van de laatste uitnodiging, de
                                    kwijtscheldingsaanvraag buiten behandeling wordt gesteld. </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>26.2.Kwijtschelding van belastingen voor particulieren</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 26.2.1.Vermogen en kwijtschelding particulieren</tussenkop><al>Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische
                                    verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn
                                    echtgenoot, verminderd met de schulden van de belastingschuldige
                                    en de echtgenoot die hoger bevoorrecht zijn dan de
                                    rijksbelastingen.</al><al/><al>Ook als de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is
                                    gehuwd, of bij ongehuwd samenlevenden als sprake is van een
                                    samenlevingscontract, is het voorgaande van overeenkomstige
                                    toepassing ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk
                                    kan worden gesteld voor de voldoening van de
                                    belastingaanslag.</al><tussenkop> 26.2.2.De inboedel en kwijtschelding particulieren</tussenkop><al>De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in
                                    aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer
                                    dan</al><al>€ 2.269 bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle
                                    waarde als vermogen in aanmerking genomen.</al><tussenkop> 26.2.3.De auto en kwijtschelding particulieren</tussenkop><al>De waarde van de personenauto wordt niet als
                                    vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het
                                    moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van €
                                    2.269 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle
                                    waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor
                                    een erkende financiële instelling een pandrecht is gevestigd,
                                    moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de
                                    financieringsschuld in mindering worden gebracht.</al><al/><al>Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking
                                    genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na
                                    een verzoek daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto
                                    absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel
                                    absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van
                                    de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt
                                    bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren)
                                    voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben)
                                    waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald.</al><tussenkop> 26.2.4.Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals
                                    bijvoorbeeld vakantiegeld) worden voor de bepaling van een
                                    aanwezig vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij
                                    bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag
                                    rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen
                                    bij de vakantiegelduitkering.</al><al/><al>De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet
                                    wordt in de kwijtscheldingsregeling niet als een
                                    vermogensbestanddeel aangemerkt.</al><al/><al>Bij de berekening van het vermogen wordt tweemaal het voor het
                                    desbetreffende huishouden geldende normbedrag gehanteerd. </al><tussenkop> 26.2.5.De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in
                                    zijn bezit heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel.
                                    Voor de waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de
                                    waarde van de onroerende zaak bij verkoop vrij te
                                    aanvaarden.</al><al/><al>Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken
                                    leidt tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de
                                    belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de
                                    voortzetting van de invordering bij oudere belastingschuldigen
                                    die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen slijten,
                                    leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing
                                    in verband met de verkoop van de woning zal voor deze groep
                                    belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting zijn dan
                                    voor andere belastingschuldigen. In die gevallen kan de
                                    ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien van
                                    prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling
                                    verlenen, gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door
                                    het leggen van een beslag op de woning. De hypotheek moet
                                    opeisbaar zijn na het overlijden van de langstlevende of bij een
                                    eerder vrijkomen van de woning.</al><al/><al>Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot
                                    uitzonderlijke gevallen.</al><tussenkop> 26.2.6.Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een
                                    eigen vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling
                                    van het door de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet
                                    in aanmerking genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn
                                    vermogen heeft toebedeeld aan zijn kind(eren) om daaruit een
                                    fiscaal voordeel te behalen.</al><tussenkop> 26.2.7.Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van
                                    belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële
                                    omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang.
                                    Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de
                                    nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van belang.</al><al/><al>Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de
                                    overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de
                                    persoonlijke financiële omstandigheden wel mee in aanmerking
                                    genomen, ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als
                                    mede-erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen
                                    worden aangesproken.</al><al/><al>Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor
                                    kwijtschelding in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij
                                    beschikking voor zijn aandeel in de belastingschuld ontslag van
                                    betalingsverplichting verleend. Deze werkwijze wordt ook gevolgd
                                    als de partner van de erflater het verzoek om kwijtschelding
                                    indient.</al><tussenkop> 26.2.8.[vervallen]</tussenkop><tussenkop> 26.2.9.Beroepsvermogen wikker en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Als sprake is van een belastingschuldige die een uitkering
                                    ontvangt ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars, wordt het
                                    vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep
                                    van kunstenaar niet als vermogensbestanddeel in aanmerking
                                    genomen.</al><tussenkop> 26.2.10.Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen
                                    aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen,
                                    moet worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige
                                    betalingscapaciteit voldoende is om de belastingaanslag te
                                    voldoen.</al><al/><al>De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil
                                    tussen het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar
                                    inkomen van de belastingschuldige en de gemiddeld per maand te
                                    verwachten kosten van bestaan in de periode van twaalf maanden
                                    vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is
                                    ingediend.</al><al/><al>Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt
                                    vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto
                                    besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf
                                    maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is
                                    ingediend. Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse
                                    voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden wanneer
                                    sprake is van een samenlevingscontract, is het voorgaande van
                                    toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk
                                    kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag.
                                    De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat
                                    los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen
                                    waarvan kwijtschelding wordt verzocht.</al><al/><al>De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de
                                    belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële)
                                    belastingschulden die stammen uit de huwelijkse periode dan wel
                                    uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd.
                                    Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de
                                    belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de
                                    betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige,
                                    worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de
                                    belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding
                                    betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de
                                    aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke
                                    huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval -
                                    afhankelijk van de omstandigheden - het normbedrag voor een
                                    alleenstaande dan wel het normbedrag voor een alleenstaande
                                    ouder (zie artikel 16 van de regeling).</al><tussenkop> 26.2.11.Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het
                                    vakantiegeld wordt gesteld op 7% van de - aan loonheffing
                                    onderworpen - inkomsten waarbij aanspraak bestaat op
                                    vakantiegeld.</al><al/><al>Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de
                                    ontvanger uit eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten
                                    vakantiegeld meer of minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel
                                    genoten vakantiegeld in aanmerking genomen.</al><tussenkop> 26.2.12.Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt
                                    rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond
                                    van de WSF 2000 en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                    onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+ ).</al><al/><al>Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben
                                    recht op een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van
                                    de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van
                                    basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening.
                                    Daarbij wordt rekening gehouden met het feit of de student
                                    thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit
                                    normbudget verhoogd met de partnertoeslag of de
                                    één-oudertoeslag.</al><al/><al>De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair
                                    bedrag.</al><lijst><li nr="A."><al>Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag
                                            voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met
                                            een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot
                                            € 57.</al></li><li nr="B."><al>Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit
                                            het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud
                                            verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en
                                            leermiddelen groot € 50 en met het bedrag aan
                                            onderwijsretributie groot € 84,42.</al></li></lijst><al/><al>Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over
                                    eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire
                                    inkomsten, zoals hiervoor berekend onder A en B. </al><al/><al>Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het
                                    ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger
                                    onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgen boven de voor het
                                    desbetreffende huishoudtype maximaal geldende kosten van bestaan
                                    wordt om de betalingscapaciteit te kunnen berekenen de
                                    navolgende formules gebruikt:</al><al/><al>Formule 1: (P + Q) – R – S = X</al><al/><al>In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de
                                    daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het
                                    ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger
                                    onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt aangegeven
                                    met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding
                                    geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te
                                    brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de
                                    IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening
                                    wordt aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd
                                    tenminste 0 bedraagt.</al><al/><al>Formule 2: X + Y = T</al><al/><al>In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag
                                    aan inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A
                                    of B. Het resultaat van de berekening volgens formule 1 (X)
                                    vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit inkomen vormt
                                    vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen te
                                    kunnen berekenen en de betalingscapaciteit.</al><al/><al>In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot
                                    deel of zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook
                                    uitgegaan van de vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is
                                    hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige
                                    toepassing.</al><tussenkop> 26.2.13.Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere
                                    bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke
                                    kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet,
                                    worden niet als inkomen in aanmerking genomen.</al><al/><al>De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21
                                    jaar, wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen,
                                    evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren
                                    ontvangen. In dat geval is de bijzondere bijstand niet bestemd
                                    voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere
                                    bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor
                                    jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm,
                                    als de ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage
                                    bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm
                                    voor personen van 21 tot 65 jaar - geheel of gedeeltelijk
                                    ontbreekt.</al><tussenkop> 26.2.14.Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen
                                    rekening gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de
                                    periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is
                                    ingediend, nog zullen worden opgelegd.</al><al/><al>Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen aan
                                    rijksbelastingen ook de betalingen gerekend die worden verricht
                                    op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten
                                    die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet) en andere
                                    belastingen en heffingen van lokale overheden.</al><tussenkop> 26.2.15.Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden</tussenkop><al>Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor
                                    belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de
                                    huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de
                                    zin van artikel 3 Wwb (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad),
                                    worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten hoogste 50%
                                    van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond van
                                    artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.</al><tussenkop> 26.2.15.A.Woonlasten van meerpersoonshuishoudens</tussenkop><al>verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of
                                    kamerhuurders. In het geval de belastingschuldige met tenminste
                                    twee personen van 18 jaar of ouder een gezamenlijke huishouding
                                    voert alsmede in het geval de belastingschuldige met één of meer
                                    bloedverwanten in de eerste graad van 18 jaar of ouder een
                                    gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins op één adres
                                    verblijf houdt, wordt bij de berekening van de
                                    betalingscapaciteit geen rekening gehouden met de
                                    netto-woonlasten, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt
                                    dat de woonlasten niet gedeeld kunnen worden. Het vorenstaande
                                    geldt niet als sprake is van commerciële</al><tussenkop> 26.2.16.Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren</tussenkop><al>Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van
                                    het netto besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde
                                    onderhoudsbijdrage - de bijdrage die een gemeente op grond van
                                    de Wwb van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand - in
                                    mindering gebracht.</al><tussenkop> 26.2.17.Kwijtschelding tijdens WSNP</tussenkop><al>Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de
                                    schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
                                    verklaard, en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding
                                    van nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te
                                    merken als boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld
                                    overeenkomstig het bestaande beleid.</al><al/><al>Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de
                                    betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige
                                    niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat
                                    onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder
                                    wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder
                                    beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als
                                    vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.</al><tussenkop> 26.2.18.Inkomen wikker</tussenkop><al>Van de kunstenaar die in het voorafgaande kalenderjaar geen
                                    Wik-uitkering heeft genoten worden de totale inkomsten gesteld
                                    op het bedrag van de voor hem geldende bijstandsnorm, met
                                    inbegrip van de maximale toeslag.</al><tussenkop> 26.2.19.Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering</tussenkop><al>De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de
                                    zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm,
                                    bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 44
                                    per maand en voor echtgenoten € 81 per maand.</al><tussenkop> 26.2.20.Onderhoud gezinsleden in het buitenland</tussenkop><al>De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die
                                    zijn in het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen
                                    daadwerkelijk onderhoudt, wordt voor de berekening van de
                                    betalingscapaciteit niet als een alleenstaande aangemerkt.
                                    Uitgegaan wordt van het normbedrag voor echtgenoten in de zin
                                    van artikel 3 Wwb. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur
                                    in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag voor
                                    echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb, wordt in het
                                    kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met
                                    de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of
                                    aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met
                                    de werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige
                                    overmaakt, wordt geen rekening gehouden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>26.3.Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 26.3.1.Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord</tussenkop><al>Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een
                                    saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot
                                    gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.</al><al/><al>Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde
                                    zekerheden zijn uitgewonnen.</al><tussenkop> 26.3.2.Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers</tussenkop><al>Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij
                                    na of de mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te
                                    stellen voor onbetaald gebleven belastingschuld. Als de (te
                                    verwachten) opbrengst uit de aansprakelijkstelling zodanig is
                                    dat het aanbod tot een saneringsakkoord voor de ontvanger geen
                                    betere perspectieven biedt, treedt de ontvanger niet toe tot het
                                    akkoord.</al><al/><al>Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van
                                    afzien derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet
                                    bij de vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet
                                    worden voldaan rekening worden gehouden met het bedrag dat uit
                                    de aansprakelijkstelling geïnd had kunnen worden.</al><al/><al>Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast
                                    nog derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van
                                    het bedrag dat in het akkoord moet worden voldaan een
                                    (eventuele) opbrengst uit de aansprakelijkstelling buiten
                                    beschouwing. In de situatie dat de aansprakelijkgestelde zijn
                                    regresrecht op de gesaneerde onderneming uitoefent en het
                                    bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de
                                    ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog
                                    aanvult. Als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan
                                    betalen, eist de ontvanger evenmin het ontstane tekort op.</al><tussenkop> 26.3.3.Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord</tussenkop><al>De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord
                                    waarbij één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering
                                    dat niet wordt voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan
                                    een derde of omzetten in aandelenkapitaal.</al><tussenkop> 26.3.4.Toepassingsbereik saneringsakkoord</tussenkop><al>Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt
                                    de ontvanger welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen
                                    worden betrokken. Uitgangspunt hierbij is de formele
                                    belastingschuld ten tijde van het verzoek.</al><al/><al>Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van
                                    de belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de
                                    formele schuld zo nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de
                                    materiële schuld. Als de belastingschuldige niet de gegevens
                                    overlegt die (kunnen) leiden tot een juiste vaststelling van de
                                    verschuldigde belasting, is er geen aanleiding voor de ontvanger
                                    toe te treden tot het aangeboden akkoord.</al><al/><al>Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de
                                    inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig
                                    mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen en de
                                    eventueel nog (materieel) verschuldigde belastingen over
                                    tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het verzoek om sanering
                                    is ingediend, te formaliseren.</al><tussenkop> 26.3.5.Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 26.3.6.Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord</tussenkop><al>Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden
                                    betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden
                                    afgewerkt voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna
                                    past de ontvanger het akkoordpercentage toe op de
                                    belastingschuld én op de bestuurlijke boete.</al><tussenkop> 26.3.7.Rente en kosten en saneringsakkoord</tussenkop><al>De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord.
                                    Het bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in
                                    afwijking van artikel 7 van de wet op de hoofdsom afgeboekt. De
                                    ontvanger vermeldt dit in de beschikking.</al><tussenkop> 26.3.8.Speciale crediteuren en saneringsakkoord</tussenkop><al>Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij
                                    niet noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om
                                    (een deel van) de vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot
                                    die crediteuren behoren onder meer:</al><lijst><li nr="-"><al>Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de
                                            pandhouder op het in pand gegeven goed boven het
                                            voorrecht van de fiscus gaat, staat het niet deelnemen
                                            van de pandhouder aan het akkoord niet aan een deelname
                                            daaraan door de ontvanger in de weg. Vanzelfsprekend zal
                                            in aanmerking moeten worden genomen dat het recht van
                                            voorrang van de pandhouder afhankelijk is van - en dus
                                            qua belang beperkt is tot - de waarde van het in pand
                                            gegeven goed. Voor het niet door pand gedekte gedeelte
                                            van zijn vordering kan de pandhouder slechts als
                                            concurrent schuldeiser worden aangemerkt. De bezitloos
                                            pandhouder wiens pandrecht betrekking heeft op een zaak
                                            als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede volzin van
                                            de wet is voor die zaak lager bevoorrecht dan de fiscus.
                                            Voor hem geldt het voorgaande dus niet. Vordering van de
                                            gemeente moeten als concurrente vorderingen worden
                                            aangemerkt.</al></li><li nr="-"><al>Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak
                                            hebben voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van
                                            de geleverde zaak heeft voorbehouden, moet bij het
                                            bepalen van de grootte van zijn vordering rekening
                                            worden gehouden met dat eigendomsvoorbehoud. Het
                                            voorgaande is niet van toepassing als de rijksontvanger
                                            met toepassing van het bodemrecht beslag heeft gelegd op
                                            deze zaak. In dat geval wordt door de rijksontvanger
                                            integrale voldoening van de waarde van de bodemzaak
                                            worden geëist en voor het restant van de fiscale
                                            vordering (ten minste) het dubbele percentage;</al></li><li nr="-"><al>Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige
                                            gecedeerde uit te betalen bedragen en de ontvanger heeft
                                            eveneens met de cessie ingestemd, dan wordt bij een
                                            akkoord de vordering van de crediteur/cessionaris in
                                            aanmerking genomen met inachtneming van de te verwachten
                                            uit te betalen bedragen. De hoogte van de vordering van
                                            de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te houden met
                                            de te verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde - uit te
                                            betalen bedragen.</al></li></lijst><al/><al>Onder 'dwangcrediteuren' worden verstaan leveranciers die niet
                                    bereid zijn aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming
                                    zonder hen niet verder kan werken.</al><al/><al>Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken
                                    moet produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig
                                    zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger
                                    rekening met de volledige betaling van de vordering van de
                                    adviseur/boekhouder.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>26.4.Administratief beroep</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 26.4.1.Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de
                                    beschikking van de ontvanger op het verzoek om kwijtschelding,
                                    kan hij een gemotiveerd beroepschrift richten tot het college.
                                    Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger. In verband
                                    met het aan het college uit te brengen advies zendt de ontvanger
                                    zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige
                                    toe.</al><al/><al>Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier
                                    niet terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit
                                    alsnog te doen. Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg
                                    geeft, stelt de ontvanger het college daarvan in kennis. De
                                    ontvanger adviseert het college dan om niet aan het
                                    beroepschrift tegemoet te komen.</al><tussenkop> 26.4.2.Herhaald verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding
                                    als een beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de
                                    ontvanger aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen
                                    dan in zijn eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde
                                    verzoek zelf af.</al><al/><al>De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding
                                    als een eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg
                                    van een duidelijke, ambtelijke fout.</al><al/><al>In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van
                                    de ontvanger een beroepschrift indienen bij het college.</al><tussenkop> 26.4.3.Beroepsfase kwijtschelding</tussenkop><al>Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het
                                    beroep is gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige
                                    het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te
                                    motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke
                                    niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze
                                    motiveringsplicht.</al><tussenkop> 26.4.4.Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde
                                    verzoek om kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang
                                    die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste
                                    verzoek. Wanneer echter blijkt dat het inkomen van de
                                    belastingschuldige ten opzichte van het eerste verzoek zodanig
                                    is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke
                                    mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een
                                    herberekening plaats. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake
                                    huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen leiden tot een herberekening.
                                    Een herberekening vindt niet plaats bij wijzigingen in de kosten
                                    van bestaan.</al><tussenkop> 26.4.5.Beslissing directeur op beroep bij kwijtschelding</tussenkop><al>In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt,
                                    kan het college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het
                                    verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder
                                    verbetering of vervanging van de gronden.</al><tussenkop> 26.4.6.Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al><cursief>tien</cursief> dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de
                                    regeling is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de
                                    termijn van <cursief>tien </cursief>dagen een beroepschrift
                                    wordt ingediend, dan wordt gedurende de behandeling van dit
                                    beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de
                                    regeling.Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen,
                                    wordt de invordering niet eerder voortgezet dan nadat </al><al/><al><cursief>tien</cursief> dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid.
                                    Dit neemt echter niet weg dat - als het belang van de
                                    invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag
                                    worden verwacht dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het
                                    beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in
                                    dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de
                                    regeling.Indiening van het beroepschrift na de termijn van </al><al/><al>Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve
                                    behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden. Hiervan is
                                    echter in ieder geval sprake als inmiddels onherroepelijke
                                    invorderingsmaatregelen zijn genomen.</al><tussenkop> 26.4.7.Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een
                                    verzoek om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen
                                    beroep instellen bij het college. Hieraan is geen termijn
                                    gebonden.</al><al/><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger
                                    kwijtschelding had moeten verlenen, dan hoeft het college niet
                                    te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft
                                    beslist, maar kan het college op het beroepschrift van de
                                    belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>26.5.Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 26.5.1.Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om
                                    kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of het college heeft
                                    afwijzend beslist op een ingediend beroepschrift tegen een
                                    afwijzende beschikking van de ontvanger, dan moet de
                                    belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) verschuldigde
                                    bedrag binnen tien dagen na dagtekening van de afwijzende
                                    beschikking of binnen de betaaltermijnen die op het
                                    aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen. Na deze termijn kan de
                                    ontvanger de invordering aanvangen dan wel voortzetten. De
                                    termijn van tien dagen geldt niet als sprake is van een situatie
                                    als bedoeld in artikel 10 van de wet.</al><tussenkop> 26.5.2.Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding</tussenkop><al>Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor
                                    kwijtschelding maar de ontvanger voortzetting van de invordering
                                    niet gewenst vindt, wijst de ontvanger het verzoek om
                                    kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die beschikking op in
                                    hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen.</al><al/><al>Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van
                                    invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder
                                    dat hij daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor
                                    de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als
                                    kwijtschelding.</al><al/><al>De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer
                                    te nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat
                                    eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten
                                    de invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening
                                    plaatsvindt bedraagt maximaal <cursief>drie </cursief> jaar, te
                                    rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel - als dit
                                    minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van
                                    de belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze
                                    verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.</al><al/><al>Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen
                                    meer te nemen voor de nog openstaande schuld, zal hij in zijn
                                    beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen. Anders dan
                                    kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als
                                    de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de
                                    ontvanger nieuwe beschikking, waarbij hij zijn eerdere
                                    beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat
                                    hij belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn
                                    voornemen de eerdere beschikking in te trekken als niet binnen
                                        <cursief>veertien</cursief> dagen alsnog aan de voorwaarden
                                    of de tijdsbepaling is voldaan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>26.6.Ambtshalve kwijtschelding</label></kop><structuurtekst><al>Belastingschuldigen met een WWB-uitkering of AOW-ers aan wie door de
                                gemeente Leudal twee of meer achtereenvolgende jaren kwijtschelding
                                is verleend op een aanvraag kwijtschelding en waarbij geen
                                verbetering in de financiële omstandigheden is te verwachten, worden
                                aangeschreven om schriftelijke toestemming te verlenen tot digitale
                                toetsing via het Inlichtingenbureau. Belastingschuldigen uit
                                bovengenoemde categorieën die geen schriftelijke toestemming
                                verlenen, dienen elk jaar opnieuw een aanvraag kwijtschelding in te
                                dienen via het daartoe bestemde aanvraagformulier.</al><al/><al>Aan belastingschuldigen die toestemming tot digitale toetsing hebben
                                verleend en ten aanzien van wie het Inlichtingenbureau een positief
                                advies heeft afgegeven, wordt de beschikking verstuurd dat
                                kwijtschelding is verleend.</al><al/><al> Belastingschuldigen die toestemming tot digitale toetsing hebben
                                verleend en ten aanzien van wie het Inlichtingenbureau een negatief
                                advies heeft afgegeven, ontvangen een brief met de mededeling dat
                                toetsing door het Inlichtingenbureau geen resultaat heeft gehad.
                                Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om een reguliere aanvraag
                                aan de hand van het meegezonden aanvraagformulier in te dienen.
                            </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 27 Verjaring </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 27 van de wet bepaalt dat het recht tot dwanginvordering en het
                            recht tot verrekening verjaren door verloop van vijf jaren: </al><al><cursief>-</cursief><cursief> na de aanvang van de dag volgende op die
                                waarop die belastingaanslag geheel invorderbaar is;</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> dan wel - als dit tot een later tijdstip
                                leidt - vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop
                                de ontvanger de laatste akte van vervolging heeft betekend (stuiting
                                van de verjaring).</cursief></al><al/><al><cursief>Het tweede lid van dit artikel bepaalt limitatief in welke
                                gevallen er sprake is van verlenging van de verjaringstermijn
                                (schorsing van de verjaring).</cursief></al><al/><al><cursief>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik
                                van de mogelijkheid om in te vorderen door middel van een
                                dagvaarding.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>versnelde invordering en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>stuiting van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>schorsing van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>afstand van verjaring;</al></li><li nr="-"><al>rente en kosten en verjaring.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>27.1.Versnelde invordering en verjaring</label></kop><structuurtekst><al>Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van
                                de wet begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de
                                belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar
                                werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de
                                verjaring geen belang meer.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>27.2.Aansprakelijkgestelden en verjaring</label></kop><structuurtekst><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet)
                                is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de
                                belastingaanslag terzake waarvan aansprakelijk is gesteld, eindigt
                                ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de
                                aansprakelijkheidsvordering.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>27.3.Stuiting van de verjaring</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger stuit de verjaring door de betekening aan de
                                belastingschuldige van een akte van vervolging. Als de betekening
                                van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te
                                stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het
                                doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos.</al><al/><al>Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal
                                worden betekend.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>27.4.Schorsing van de verjaring</label></kop><structuurtekst><al>Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag
                                verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>27.5.Afstand van verjaring</label></kop><structuurtekst><al>Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De
                                ontvanger beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als
                                zonder meer duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk
                                bedoelt afstand van de verjaring te doen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>27.6.Rente en kosten en verjaring</label></kop><structuurtekst><al>De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn
                                onlosmakelijk met de belastingaanslag verbonden. Als voor een
                                belastingaanslag de verjaring is ingetreden, laat de ontvanger dus
                                ook voor de rente en kosten invordering en verrekening
                                achterwege.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>27.7.Na verjaring geen civiele invordering</label></kop><structuurtekst><al>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de
                                mogelijkheid om in te vorderen door middel van een dagvaarding.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 27a Betalingskorting </label></kop><structuurtekst><al>De bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 28 Invorderingsrente </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 28 van de wet regelt het in rekening brengen en vergoeden van
                            invorderingsrente. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>cheque buitenland en invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>correctie berekende invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>vermindering terecht in rekening gebrachte
                                    invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>verzuim van de gemeente en invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>rente- of schadevergoeding;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk;</al></li><li nr="-"><al>verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de
                                    wet.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>28.1.Cheque buitenland en invorderingsrente</label></kop><structuurtekst><al>Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van
                                ontvangst van de cheque als dag van betaling beschouwd, tenzij de
                                ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>28.2.Correctie berekende invorderingsrente</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste
                                gegevens zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag
                                waaraan een nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een
                                ander aanvangstijdstip voor de renteberekening.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>28.3.Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente</label></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente
                                in rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties
                                aanleiding bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan
                                van mening zijn dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld
                                niet kan worden verweten aan de belastingschuldige en bovendien dat
                                de invordering van rente onredelijk en onbillijk is.</al><al/><al>De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend
                                bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>28.4.Verzuim van de gemeente en invorderingsrente</label></kop><structuurtekst><al>Als de behandeling van een bezwaarschrift meer tijd heeft gevergd
                                dan gebruikelijk is, moet de hierdoor belopen rente volledig worden
                                voldaan. Slechts als sprake is van een buitensporig lange
                                behandeling zonder dat de belastingschuldige daarop invloed heeft
                                kunnen uitoefenen, kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan om
                                met betrekking tot de rente een tegemoetkoming te verlenen. Het moet
                                gaan om extreme, schrijnende situaties en de geleden schade moet
                                hoofdzakelijk het gevolg zijn van een duidelijk verzuim van de
                                gemeente.</al><al/><al>De belastingschuldige moet het aan de gemeente te wijten rentenadeel
                                aannemelijk maken. De ontvanger vermindert de rente in
                                overeenstemming met het aangetoonde rentenadeel.</al><al/><al>De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend
                                bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>28.5.Rente- of schadevergoeding</label></kop><structuurtekst><al>Als na formalisering van een uit te betalen bedrag de daadwerkelijke
                                uitbetaling veel langer op zich laat wachten dan gebruikelijk is en
                                deze vertraging is aan de gemeente te wijten, dan vergoedt de
                                ontvanger rente over de periode waarin van vertraging sprake is
                                geweest.</al><al/><al>De ontvanger moet een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een
                                verzoek om rente- of schadevergoeding motiveren. Als de
                                rechthebbende verzoekt om herziening van de beschikking van de
                                ontvanger, dan stuurt de ontvanger dit verzoek door aan het
                                college.</al><al/><al>De ontvanger beslist op een verzoek om rente- of schadevergoeding
                                binnen <cursief>acht </cursief>weken. Als dit niet mogelijk is,
                                stelt de ontvanger de verzoeker hiervan in kennis onder vermelding
                                van de termijn waarbinnen wel kan worden beslist.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>28.6.Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk</label></kop><structuurtekst><al>Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk.
                                De ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden
                                ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding
                                verleent of rente buiten invordering laat, als hij de hoofdsom
                                kwijtscheldt of buiten invordering laat op grond van het bepaalde in
                                artikel 26 van deze leidraad.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>28.7.Verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 29 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente </label></kop><structuurtekst><al>Artikel 30 van de wet bepaalt dat de ontvanger het bedrag van de
                            betalingskorting en de invorderingsrente vaststelt bij een voor bezwaar
                            vatbare beschikking. Op deze beschikking is hoofdstuk V van de AWR van
                            toepassing. De ontvanger kan geen betalingskorting verlenen van
                            belastingen. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>beschikking terug te nemen betalingskorting;</al></li><li nr="-"><al>verzoek tot vermindering rente is bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                                    cassatie;</al></li><li nr="-"><al>teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van
                                    betaling;</al></li><li nr="-"><al>geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende
                                    betalingskorting.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>30.1.Beschikking terugnemen betalingskorting</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>30.2.Verzoek tot vermindering rente is bezwaar</label></kop><structuurtekst><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in
                                rekening gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een
                                bezwaarschrift.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>30.3.Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie</label></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het
                                bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van
                                het Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de
                                ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te
                                leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de
                                stukken die in de procedure over de toepassing van de regeling
                                betalingskorting dan wel invorderingsrente relevant zijn.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>30.4.Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling</label></kop><structuurtekst><al>Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van
                                toepassing voor de gemeente.</al><al/><al>Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort
                                de verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om
                                uitstel van betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van
                                deze leidraad en artikel 34 van de regeling van overeenkomstige
                                toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>30.5.Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 31 en artikel 31a </label></kop><structuurtekst><al><cursief>Let op!</cursief></al><al><cursief>Het college kan een regeling vaststellen waarbij de
                                ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de wet (de
                                Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990) niet, dan wel gedeeltelijk
                                van toepassing is verklaard. De gemeente heeft de bevoegdheid
                                zelfstandig regels te stellen voor de, bij de berekening van de
                                invorderingsrente, toe te passen afrondingen en voor het niet in
                                rekening brengen van invorderingsrente die een bepaald bedrag niet
                                te boven gaat.</cursief></al><al/><al>Verder zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de
                            wet geen beleidsregels gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 32 van de wet bepaalt dat naast de aansprakelijkheidsbepalingen
                            die in hoofdstuk VI van de wet zijn opgenomen, de ontvanger ook een
                            beroep kan doen op aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke
                            regelingen. De ontvanger kan dus ook een beroep doen op
                            aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of
                            het Wetboek van Koophandel. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>keuze aansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>32.1.Keuze aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al/><al>In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de
                                toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als
                                een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in
                                beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.</al><al/><al>In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat,
                                wordt in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die
                                aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de
                                gelegenheid is zich te disculperen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>32.2.Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een
                                gemeenschapsschuld. De ontbinding van een goederengemeenschap
                                ontheft de echtgenoten niet van hun aansprakelijkheid voor
                                gemeenschapsschulden die zijn ontstaan vóór de ontbinding van de
                                gemeenschap. Ieder van de echtgenoten blijft aansprakelijk voor het
                                geheel van de gemeenschapsschulden waarvoor hij/zij voordien
                                aansprakelijk was.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die
                            gelden voor de invordering van alle (rijks)belastingen. </al><al/><al><cursief>Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde
                                lichaam geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor
                                de nog verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe
                                betrekking staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en
                                invloed (hadden) kunnen uitoefenen op het betalen van de
                                belastingschulden.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger;</al></li><li nr="-"><al>feitelijke vestiging;</al></li><li nr="-"><al>lichaam dat is ontbonden;</al></li><li nr="-"><al>vereffenaar;</al></li><li nr="-"><al>bestuurder;</al></li><li nr="-"><al>gewezen bestuurder.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>33.1.Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn
                                dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>33.2.Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van
                                de wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is
                                gevestigd, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het
                                geval.</al><al/><al>De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële
                                vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>33.3.Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al/><al>De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid,
                                onderdeel c, van de wet doelt, kan - behalve op grond van de
                                verschillende formele ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden
                                ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van
                                rechtspersonen.</al><al/><al>Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende
                                ontbinding - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben
                                voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.</al><al/><al>Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van
                                de bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van
                                de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg'
                                maken van het lichaam.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>33.4.Vereffenaar bij aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is
                                aansprakelijk op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van
                                de wet, maar ook degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden
                                zonder dat van een uitdrukkelijke lastgeving sprake is.</al><al/><al>De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de
                                belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van
                                de vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk
                                bestuur in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>33.5.Bestuurder bij aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de
                                wet wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als
                                zodanig in het Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als
                                bestuurder aangemerkt degene die zich feitelijk als bestuurder heeft
                                gedragen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>33.6.Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de
                                belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode
                                hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode
                                materieel is ontstaan.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 34 tot en met 47 </label></kop><structuurtekst><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen </label></kop><structuurtekst><al>Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam,
                            maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de erflater -
                            niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden
                            aangesproken. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>beneficiaire aanvaarding;</al></li><li nr="-"><al>invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>48.1.Beneficiaire aanvaarding</label></kop><structuurtekst><al>Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is
                                aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien
                                verstande dat de ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van
                                zijn rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad).</al><al/><al>Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard
                                achterwege.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>48.2.Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege</label></kop><structuurtekst><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer
                                tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft
                                invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan
                                    <cursief>€ 23</cursief> moet worden ingevorderd achterwege,
                                tenzij het de hoofdsom van de aanslag betreft.</al><al/><al>Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische
                                gronden buiten invordering te laten.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor
                            aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële
                            aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De
                            bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen
                            aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in
                            enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek
                            en het Wetboek van Koophandel. </al><al/><al><cursief>De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk
                                wordt gesteld.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling
                                    keten- en inlenersaansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>eerst uitwinning belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>volgorde van aansprakelijkstellen;</al></li><li nr="-"><al>bezwaar en uitstel van betaling;</al></li><li nr="-"><al>overgangsrecht.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>49.1.Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de
                                bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de
                                beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld
                                bekendmaakt. De ontvanger moet dan in de beschikking de gronden
                                vermelden waarop de aansprakelijkstelling voor de boete
                                    berust<cursief>.</cursief></al><al/><al>Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden,
                                waarop het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de
                                vergrijpboete berust, te betwisten of de ontvanger is van oordeel
                                dat de betwisting van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de
                                derde daarvan op de hoogte stellen en overgaan tot
                                aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op de voet van
                                artikel 49, eerste lid, van de wet.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.2.Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente</label></kop><structuurtekst><al>Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet
                                worden gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag
                                waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</al><al/><al>Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking
                                tevens een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat
                                bedrag geen rente in rekening gebracht.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.3.De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 49.3.1.Wanneer in gebreke</tussenkop><al>De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn
                                    belastingschuld niet heeft plaatsgevonden binnen de
                                    betalingstermijn die voor de belastingaanslag geldt.</al><tussenkop> 49.3.2.In gebreke zijn en versnelde invordering</tussenkop><al>De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de
                                    belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond
                                    invorderbaar is.</al><tussenkop> 49.3.3.In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’</tussenkop><al>Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft
                                    gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen
                                    tegen de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de
                                    desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden
                                    gesteld.</al><al/><al>In dat geval is sprake van een ‘in gebreke zijn’ van de
                                    belastingschuldige als bedoeld in het eerste lid van artikel 49
                                    van de wet.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.4.Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.5.Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden</label></kop><structuurtekst><al/><al>Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet
                                de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte
                                stellen van de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk
                                is gesteld.</al><al/><al>Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden
                                verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking
                                hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden
                                verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol
                                hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de
                                genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere gegevens worden
                                verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden
                                geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.</al><al/><al>De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de
                                aansprakelijk gestelde - vooruitlopend op het indienen van een
                                bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.</al><al/><al>Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de
                                gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de
                                gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking
                                heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing.
                                Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden
                                tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als hiervoor
                                genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor
                                het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het
                                instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.6.Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op
                                vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat
                                tot uitwinning van de vermogensbestanddelen van de
                                aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld
                                in artikel 14.1.4, laatste volzin, van de leidraad.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.7.Volgorde van aansprakelijkstellen</label></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van
                                meer dan één fiscale of civielrechtelijke
                                aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij daarbij geen volgorde in
                                acht te nemen. Hetzelfde geldt als de ontvanger verscheidene derden
                                op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende
                                aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen.</al><al/><al>Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad
                                anders is bepaald.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.8.Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 49.8.1.Bezwaar en uitstel van betaling</tussenkop><al>Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling
                                    wordt tevens aangemerkt als een verzoek om uitstel van
                                    betaling.</al><tussenkop> 49.8.2.[vervallen]</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>49.9.Overgangsrecht</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 49.9.1.Bij civiele procedure geen invordering of verrekening</tussenkop><al>Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond
                                    van het tot 1 december 2002 geldende recht vinden geen
                                    invorderingsmaatregelen plaats. Bij vrees voor onverhaalbaarheid
                                    kunnen wel conservatoire maatregelen worden genomen.</al><al/><al>Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening
                                    plaats van uit te betalen bedragen ten name van de
                                    aansprakelijkgestelde met een aansprakelijkheidsschuld. Bij
                                    vrees voor onverhaalbaarheid kan conservatoir beslag worden
                                    gelegd op het uit te betalen bedrag.</al><tussenkop> 49.9.2.Wijziging eis</tussenkop><al>De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de
                                    belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan
                                    met betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt
                                    tot aanpassing van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld,
                                    en artikel 50, zesde lid, van de wet (oud) van toepassing
                                    is.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid </label></kop><structuurtekst><al><cursief>De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van
                                de wet is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel
                                heeft de ontvanger de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen
                                op grond van artikel 51 van de wet met toepassing van de regels van
                                het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>51.1.Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar</label></kop><structuurtekst><al>Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt
                                om uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de
                                beschikking, dan verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling
                                als er zekerheid wordt gesteld.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling </label></kop><structuurtekst><al><cursief>Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wet heeft de
                                aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van twee maanden na
                                dagtekening van de beschikking van de
                                aansprakelijkstelling.</cursief></al><al/><al><cursief>Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft
                                plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is
                                ingediend, is het in de beschikking vermelde bedrag
                                invorderbaar.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over vermindering van de belastingaanslag.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>52.1.Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling</label></kop><structuurtekst><al>Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het
                                bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat
                                voortvloeit uit de vermindering en deelt dat mee aan de
                                aansprakelijkgestelde.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding </label></kop><structuurtekst><al><cursief>De ontvanger heeft op grond van het bepaalde in artikel 53
                                recht om ook de regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet
                                met uitzondering van het derde lid) toe te passen voor een
                                aansprakelijkgestelde. Dit leidt ertoe dat een openstaande
                                aansprakelijkheidsschuld kan worden verrekend met een aan de
                                aansprakelijkgestelde uit te betalen bedrag.</cursief></al><al/><al><cursief>Als de aansprakelijkgestelde niet in staat is - anders dan met
                                buitengewoon bezwaar - de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk
                                is gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem op
                                verzoek ontslag van betalingsverplichting worden
                            verleend.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>53.1.Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld</label></kop><structuurtekst><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet)
                                is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de
                                belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het
                                recht van dwanginvordering en verrekening van de
                                aansprakelijkheidsvordering.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 54 van de wet regelt de uitbetaling van een teruggaaf aan de
                            aansprakelijkgestelde die het gevolg is van een vermindering van de
                            belastingaanslag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>54.1.Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in
                                artikel 54, eerste lid, van de wet - aan gedurende vier weken na de
                                dagtekening van de schriftelijke mededeling aan de
                                belastingschuldige.</al><al/><al>In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al
                                voor de aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald -
                                derdenbeslag leggen onder de ontvanger op het bedrag van de
                                teruggaaf. In de derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie
                                de ontvanger het bedrag van de teruggaaf moet betalen.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 55 tot en met 57 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen </al><al>beleidsregels gemaakt.</al><al/><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde </label></kop><structuurtekst><al>Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige
                            en de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en
                            inlichtingen en het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor
                            de invordering van de 'eigen' belastingschulden van belang zijn. </al><al/><al><cursief>Verder regelt artikel 58 van de wet de
                                identificatieverplichting tegenover de ontvanger.</cursief></al><al/><al><cursief>Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen'
                                belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen
                                ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij
                                mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke
                                    procedure;</al></li><li nr="-"><al>gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>58.1.Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure</label></kop><structuurtekst><al>Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te
                                doen instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid
                                heeft gesteld bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde
                                stellingen, indien en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om
                                gegevens te verwerven om dat bewijs te kunnen leveren.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden </label></kop><structuurtekst><al>Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’
                                belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen
                                ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij
                                mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde </label></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 59 van de wet
                            niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                            belastingen.</al><al/><al>Artikel 59 legt aan degene die de boekhouding of gegevens van de
                            belastingschuldige of aansprakelijkgestelde (bij)houdt de verplichting
                            op de gevraagde gegevens aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst te
                            verstrekken. Het artikel kan op grond van artikel 246a van de
                            Gemeentewet bij algemene maatregel van bestuur geheel of gedeeltelijk
                            van toepassing worden verklaard voor gemeentelijke belastingen. In de
                            betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit
                            gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing (Stb. 1995, 346) is
                            ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt
                            met artikel 59. In artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking is
                            alleen bepaald dat de rijksbelastindienst desgevraagd gegevens en
                            inlichtingen moet verstrekken over de inkomens- en vermogenspositie van
                            de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding van
                            gemeentelijke belasting heeft gedaan op de voet van artikel 26 van de
                            wet. Bij de beoordeling van een ingediend kwijtscheldingsverzoek kunnen
                            de opgegeven inkomens- en vermogensgegevens worden geverifieerd bij de
                            rijksbelastingdienst. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen </label></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de
                            informatieverplichtingen. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van
                                    informatie;</al></li><li nr="-"><al>de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of
                                    beschikbaar stellen.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>60.1.Redelijke termijn voor verstrekken van informatie</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de
                                gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de
                                gegevensdragers.</al><al/><al>Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of
                                beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>60.2.Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen</label></kop><structuurtekst><al>Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder
                                voorbehoud worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en
                                vordert hij op basis van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte
                                en concrete gegevens.</al><al/><al>Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde
                                eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint
                                of de strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast.</al><al/><al>Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk
                                plaats. In uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de
                                gegevens mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering
                                zorgt de ontvanger voor een vastlegging van het gesprek.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen </label></kop><structuurtekst><al>Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60 van
                            de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan
                            beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk
                            voorschrift zou zijn opgelegd. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over niet van de administratie gescheiden
                            (beroeps-)vertrouwelijke gegevens.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>61.1.Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens</label></kop><structuurtekst><al>De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en
                                gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie
                                van de belastingschuldige.</al><al/><al>Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële
                                gegevens gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger
                                privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de
                                verstrekking van gegevens of de beschikbaarstelling van
                                gegevensdragers te weigeren. De ontvanger is op grond van artikel
                                67, eerste lid, van de wet gehouden tot geheimhouding van die
                                gegevens.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige </label></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 62 van de wet
                            niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                            belastingen.</al><al/><al>Artikel 62 van de wet legt aan derden de verplichting op om gegevens en
                            inlichtingen die voor de invordering van belang kunnen zijn te
                            verstrekken aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst. In artikel
                            246a van de Gemeentewet is bepaald dat bij algemene maatregel van
                            bestuur regels kunnen worden gesteld om de artikelen 59 en 62 van de
                            Invorderingswet 1990 geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren
                            of een overeenkomstige bepaling vast te stellen. In de betreffende
                            algemene maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking
                            gemeentelijke belastingheffing is ten aanzien van de invordering geen
                            bepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 62. In een aantal
                            gevallen kunnen gemeenten echter toch gebruik maken van inlichtingen van
                            derden. Het kan daarbij gaan om de volgende gevallen: </al><al><cursief>-</cursief><cursief> Verschaffing inlichtingen door de
                                rijksbelastingdienst. De Staatssecretaris van Financiën heeft in
                                onderdeel 2.1.1.3 van het Voorschrift informatieverstrekking 1993
                                bepaald dat aan gemeenten desgevraagd informatie wordt verstrekt
                                voor zover die zijn belast met de uitvoering van de belastingwet of
                                invordering op basis van de Invorderingswet 1990. Op grond van dit
                                voorschrift kunnen aan de rijksbelastingdienst ten aanzien van een
                                derde bijvoorbeeld gegevens over werkgevers of uitkerende instanties
                                worden gevraagd indien een beslag op loon of uitkering wordt
                                overwogen. Opgemerkt wordt dat het voorschrift geen wettelijke
                                verplichting aan de rijksbelastingdienst oplegt tot het verstrekken
                                van inlichtingen.</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> Inlichtingenplicht derden op grond van
                                artikel 475g Rv.</cursief></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 63 tot en met 64 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63 tot en met 64 van de wet
                            geen beleidsregels gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf </label></kop><structuurtekst><al><cursief>Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot
                                het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van
                                gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet.</cursief></al><al/><al><cursief>In artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet wordt de
                                strafmaat voor dit strafbare feit gegeven. De beide straffen die in
                                die leden zijn genoemd, kunnen cumulatief worden toegepast. Artikel
                                65a van de wet merkt dit strafbare feit aan als een
                                misdrijf.</cursief></al><al/><al><cursief>Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde
                                'inkeerregeling':het recht op strafvervolging vervalt als een
                                persoon tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en
                                volledige verstrekking van informatie.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>65.1.Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf</label></kop><structuurtekst><al>De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en
                                tweede lid, van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het
                                feit dat te weinig belasting wordt ingevorderd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 65a en artikel 66 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 67 Geheimhoudingsplicht </label></kop><structuurtekst><al>Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid
                            van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als: </al><lijst><li nr="-"><al><cursief>bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk
                                        voorschrift;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>prake is van structurele gegevensverstrekking aan
                                        bestuursorganen die bij ministeriële regeling (voor de
                                        gemeente geldt: bij besluit van het college) zijn
                                        aangewezen; s</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige
                                        zelf voor zover deze gegevens door of namens hem zijn
                                        verstrekt.</cursief></al></li></lijst><al/><al><cursief>Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing
                                van de geheimhoudingsplicht verlenen.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige
                                    zelf;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke
                                    betalingen.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>67.1.Bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf</label></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige zelf verzoekt informatie te geven over de
                                belastingschulden die hij heeft, zal de ontvanger die informatie ook
                                kunnen verstrekken zonder de geheimhoudingsplicht te schenden.
                                Ontheffing door het college is in dat geval niet nodig.</al><al/><al>Overigens kunnen er situaties zijn die het verstrekken van
                                informatie op verzoek van de belastingschuldige zelf om andere reden
                                onwenselijk maken (bijvoorbeeld in strafzaken).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>67.2.Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen</label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 68 tot en met 72 </label></kop><structuurtekst><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68 tot en met 72 van de wet
                            geen beleidsregels gemaakt.</al><al/><al>Artikel 69 is niet toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 73 Insolventieprocedures </label></kop><structuurtekst><al>In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures
                            opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten insolventieprocedures;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en surséance;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en faillissement;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedures en akkoorden.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>73.1.Algemene uitgangspunten insolventieprocedures</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 73.1.1.Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement</tussenkop><al>Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de
                                    ontvanger zijn vorderingen ter verificatie aan bij de
                                    bewindvoerder. Daarbij wordt er van uitgegaan dat
                                    belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, geacht worden
                                    van dag tot dag te ontstaan.</al><al/><al>De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter
                                    verificatie aan bij de bewindvoerder.</al><al/><al>Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt
                                    verwezen naar artikel 19.2 van deze leidraad. </al><tussenkop> 73.1.2.Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement</tussenkop><al>Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het
                                    faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling
                                    is mogelijk.</al><tussenkop> 73.1.3.Boedelschulden</tussenkop><al>De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de
                                    curator worden voldaan. Als belastingschulden die als
                                    boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet
                                    worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de
                                    curator teneinde informatie te verkrijgen over de toestand van
                                    de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog voldoening
                                    te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende
                                    oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de
                                    rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger
                                    rechtstreeks verhaal zoeken op de boedel.</al><al/><al>Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling.</al><al/><al>Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens
                                    de wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van
                                    de schuldenaar aanvragen.</al><al/><al>Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn
                                    boedelschulden in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze
                                    leidraad).</al><tussenkop> 73.1.4.Proceskostengarantie</tussenkop><al>Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de
                                    bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een
                                    bate voor de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten
                                    van de boedel niet toereikend zijn om de proceskosten te
                                    voldoen, kan de curator bij de ontvanger een gemotiveerd verzoek
                                    indienen om garantstelling voor het bedrag dat niet uit de
                                    boedel kan worden voldaan.</al><al/><al>Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als
                                    uitgangspunt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de boedel bij de actie van de curator moet zijn
                                            gebaat;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger (een deel van) de in het faillissement
                                            ingediende vordering zal kunnen innen.</al></li></lijst><al/><al>Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die
                                    bij een verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van
                                    de vermoedelijke opbrengst van de procedure - bereid zijn om
                                    naar evenredigheid mee garant te staan voor de proceskosten. Dit
                                    geldt ook voor boedelschuldeisers. Als een bewindvoerder in de
                                    wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger een verzoek om
                                    garantstelling doet, treedt de ontvanger in overleg met het
                                    college.</al><tussenkop> 73.1.5.Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.1.6.Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.1.7.Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.1.8.Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP</tussenkop><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP
                                    wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze
                                    leidraad.</al><tussenkop> 73.1.9.Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP</tussenkop><al>Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP
                                    artikel 26.1.9 van deze leidraad.</al><tussenkop> 73.1.10.Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.1.11.Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.1.12.Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>73.2.Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 73.2.1.Kwijtschelding tijdens WSNP</tussenkop><al>Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie
                                    de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
                                    is verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen
                                    belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld,
                                    wordt verwezen naar artikel 26.2.17 van deze leidraad.</al><tussenkop> 73.2.2.Na de toepassing van de WSNP</tussenkop><al>Belastingvorderingen waarop de wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling van toepassing is en voor zover die na
                                    de beëindiging op grond van artikel 356, tweede lid, FW
                                    onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke
                                    verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij
                                    de bewindvoerder zijn aangemeld.</al><al/><al>Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van
                                    de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die
                                    betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de
                                    toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de
                                    ontvanger verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke
                                    verbintenis zijn getransformeerd.</al><al/><al>Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan
                                    de ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde
                                    belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten
                                    worden aangemerkt.</al><al/><al>Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de
                                    ontvanger voortzetten.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>73.3.Insolventieprocedure en surséance</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 73.3.1.Uitstel en surséance</tussenkop><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot surséance wordt
                                    verwezen naar artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.</al><al/><al>Voor kwijtschelding in relatie tot surséance wordt verwezen naar
                                    artikel 26.1.9 van deze leidraad.</al><tussenkop> 73.3.2.Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surséance</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>73.4.Insolventieprocedure en faillissement</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 73.4.1.Faillissementsaanvraag: algemeen</tussenkop><al>De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement
                                    aanvraagt, moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid
                                    materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag
                                    blijft achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de
                                    betalingsonmacht van korte duur is.</al><al/><al>Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een
                                    faillissement aan als:</al><lijst><li nr="-"><al>die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag;
                                            of</al></li><li nr="-"><al>naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen
                                            onbetaald zijn gebleven.</al></li></lijst><tussenkop> 73.4.2.Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag</tussenkop><al>Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer
                                    uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn,
                                    dan wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen
                                    die moeten leiden tot ontbinding van die rechtspersoon boven het
                                    aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon.</al><tussenkop> 73.4.3.Particulieren en faillissement</tussenkop><al>Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft
                                    achterwege als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele
                                    vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder
                                    faillissement kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele
                                    schuld wordt voldaan.</al><al/><al>Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet
                                    een onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en
                                    waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te
                                    doen.</al><al/><al>Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van
                                    bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep,
                                    worden natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige
                                    beroepsuitoefening hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd
                                    als particulieren.</al><tussenkop> 73.4.4.Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag</tussenkop><al>Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in
                                    behandeling is genomen - een verzoek om kwijtschelding doet, dan
                                    wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de
                                    zin van artikel 73.6 van deze leidraad), dan zal de ontvanger de
                                    faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het
                                    verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te
                                    onderwerpen.</al><al/><al>Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het
                                    verzoek dan wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling
                                    van de faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van
                                    afgeweken als het aanbod onvoldoende past binnen het door de
                                    gemeente gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het
                                    in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid, en/of
                                    gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze
                                    gevallen wijst de ontvanger het verzoek dan wel het aanbod bij
                                    beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in
                                    te trekken of aan te houden.</al><tussenkop> 73.4.5.Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter</tussenkop><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling
                                    doet, voordat de rechtbank de faillissementsaanvraag in
                                    behandeling heeft genomen, dan zal de ontvanger de
                                    faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het
                                    verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.</al><al/><al>De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek
                                    louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag
                                    te traineren, of als het verzoek onvoldoende past binnen het
                                    door de gemeente gehanteerde uitstelbeleid, en/of gebaseerd is
                                    op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst
                                    de ontvanger het verzoek bij beschikking gemotiveerd af, zonder
                                    de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</al><tussenkop> 73.4.6.Toestemming voor faillissementsaanvraag</tussenkop><al>De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag
                                    schriftelijk toestemming van het college hebben.</al><tussenkop> 73.4.7.Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag</tussenkop><al>Als de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil
                                    maken van de vordering van een derde als zogenoemde
                                    steunvordering, doet hij dit alleen als de derde schriftelijk te
                                    kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.</al><tussenkop> 73.4.8.Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag</tussenkop><al><vet>niet</vet> hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.7 is
                                    vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de
                                    ontvanger.Voor het verstrekken van de gegevens van de
                                    belastingschuldige geldt </al><al/><al>Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het
                                    college vereist, als het een belastingschuldige betreft die een
                                    bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in
                                    totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden. De gegevens
                                    worden uitsluitend schriftelijk verstrekt.</al><al/><al><vet>wel</vet> hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3,
                                    73.4.6 en 73.4.7 van deze leidraad. In dat geval is dus ook
                                    toestemming van het college vereist.Als de ontvanger zelf het
                                    initiatief neemt om een andere schuldeiser van de
                                    belastingschuldige te benaderen met het verzoek het
                                    faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met
                                    gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, dan
                                    geldt </al><tussenkop> 73.4.9.Verzet tegen faillietverklaring</tussenkop><al>Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot
                                    verzet tegen de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW
                                    heeft hij hiervoor toestemming van het college nodig.</al><tussenkop> 73.4.10.Beroep op regresrecht in faillissement</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.4.11.Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement</tussenkop><al>Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van
                                    faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze
                                    leidraad.</al><tussenkop> 73.4.12.Opkomen in faillissement</tussenkop><al>Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de
                                    curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt
                                    verwezen naar artikel 19.2.3 van deze leidraad.</al><tussenkop> 73.4.13.Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.4.14.Na de toepassing van het faillissement</tussenkop><al>De ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid
                                    van artikel 196 FW, om na de beëindiging van een faillissement
                                    het proces-verbaal van de verificatievergadering voor het
                                    onbetaald gebleven bedrag tegen de schuldenaar te executeren.
                                    Als er wel aanleiding tot invordering bestaat, doet de ontvanger
                                    dit zoveel mogelijk bij dwangbevel.</al><al/><al><cursief>vijf</cursief> jaar na het faillissement beschikt over
                                    een meer dan modaal inkomen of over vermogensbestanddelen van
                                    substantiële waarde.Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger
                                    slechts in bijzondere omstandigheden de invordering na
                                    beëindiging van het faillissement. Deze omstandigheden doen zich
                                    onder andere voor als de betrokkene binnen </al><al/><al>Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen
                                    gelden moeten worden terugbetaald, treedt de ontvanger in
                                    verband met artikel 194 FW in overleg met de curator.</al><tussenkop> 73.4.15.Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure</tussenkop><al>Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat
                                    van de EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie
                                    verkeert terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging,
                                    kan in Nederland op grond van de EG-insolventieverordening een
                                    zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden
                                    geopend.</al><al/><al>Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende
                                    hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij
                                    het openen van een secundaire procedure in Nederland. Een
                                    dergelijke secundaire procedure betreft alleen de
                                    liquidatieprocedure - dus niet de surseance van betaling - en
                                    wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De
                                    staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond.
                                    De ontvanger vraagt een secundaire procedure aan met
                                    inachtneming van het in deze leidraad verwoorde beleid.</al><tussenkop> 73.4.16.Omzetting faillissement in WSNP</tussenkop><al>Als omzetting van een faillissement in een wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger - als
                                    de schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de
                                    schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord aan het
                                    beleid ingevolge artikel 19a en 22a van de regeling.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>73.5.Insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 73.5.1.Algemeen</tussenkop><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van
                                    maximaal 36 maanden gedurende de periode van schuldregeling
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de
                                            Gedragscode Schuldregeling van de van de Vereniging
                                            schuldhulpverlening en sociaal bankieren tot stand is
                                            gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die
                                            dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij
                                            voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt
                                            uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;</al></li><li nr="b."><al>de schuldhulpverlener lid of geassocieerd lid is van de
                                            Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren
                                            of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente
                                            in eigen beheer;</al></li><li nr="c."><al>de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke
                                            personen, niet zijnde ondernemers;</al></li><li nr="d."><al>redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de
                                            belastingschuldige - afgezien van de formaliteiten die
                                            daarvoor verricht moeten worden, met uitzondering van
                                            het bepaalde in artikel 288, tweede lid, onderdeel b, FW
                                            - in aanmerking zou komen voor de wettelijke
                                            schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;</al></li><li nr="e."><al>aan het eind van de looptijd van de
                                            schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald
                                            van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen
                                            indien er sprake zou zijn van een wettelijke
                                            schuldsanering.</al></li></lijst><al/><al>Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling
                                    ook van toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat
                                    hij in de toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep
                                    zal uitoefenen.</al><al/><al>De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener
                                    hem schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot
                                    schuldregeling tot stand is gekomen. Het uitstel vangt aan met
                                    ingang van de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na
                                    totstandkoming van een schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de
                                    schuldhulpverlener of een schuldregeling met de schuldeisers tot
                                    stand kan worden gebracht. De schuldhulpverlener rondt dit
                                    onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend vanaf de datum van de
                                    schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met de
                                    schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de
                                    schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener
                                    stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt
                                    de schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de
                                    schuldregeling, wordt de schuldregelingsovereenkomst
                                    beëindigd.</al><al/><al>Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen
                                    waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals
                                    belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling ook van toepassing is op die
                                    belastingaanslagen.</al><al/><al>De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking
                                    hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de
                                    dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een
                                    gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande
                                    vorderingen is ontvangen.</al><tussenkop> 73.5.2.Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP</tussenkop><al/><al>Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met
                                    een stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de
                                    schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor
                                    de toepassing van dit artikel wordt met een
                                    stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld met een schriftelijke
                                    mededeling van de schuldhulpverlener inhoudend dat hij
                                    activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële
                                    situatie van de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren. </al><al/><al>Vanaf de ontvangst van een afschrift van de
                                    stabilisatie-overeenkomst neemt de ontvanger gedurende 120 dagen
                                    geen dwanginvorderingsmaatregelen. Lopende
                                    invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in
                                    overleg met de schuldhulpverlener. Voorts vindt verrekening
                                    alleen plaats met teruggaven die betrekking hebben op belasting
                                    die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het
                                    afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al><al/><al>Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde
                                    termijn door de schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger
                                    met maximaal vier maanden worden verlengd. Als 120 dagen na het
                                    sluiten van de stabilisatie-overeenkomst of na afloop van de
                                    verlenging van de stabilisatie-periode de schuldhulpverlener de
                                    ontvanger niet schriftelijk heeft geïnformeerd dat een
                                    schuldregelingsovereenkomst tot stand is gekomen, hervat de
                                    ontvanger de invordering. </al><tussenkop> 73.5.3.Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen</tussenkop><al>Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling
                                    tussen de schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen
                                    (en de schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet).
                                    Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking
                                    hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de
                                    dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is
                                    ontvangen.</al><tussenkop> 73.5.4.Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP</tussenkop><al>Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van
                                    een schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende
                                    de periode van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling.</al><al/><al>Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van
                                    belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag waarop
                                    het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde
                                    schriftelijke opgave van de opstaande vorderingen is ontvangen,
                                    dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande
                                    beleid.</al><al/><al>Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de
                                    betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige
                                    niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat
                                    door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder wordt opgemerkt
                                    dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener
                                    berusten, niet worden beschouwd als vermogen in de zin van
                                    artikel 12 van de regeling.</al><tussenkop> 73.5.5.Intrekken uitstel gedurende MSNP</tussenkop><al>De ontvanger trekt het uitstel in als:</al><lijst><li nr="-"><al>hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening
                                            van de schuldregelingsovereenkomst door de
                                            schuldhulpverlener schriftelijk is geïnformeerd dat de
                                            schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die
                                            (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd
                                            na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener
                                            om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de
                                            openstaande vorderingen is ontvangen en die niet voor
                                            kwijtschelding in aanmerking komen, onbetaald laat;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet
                                            nakomt;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te
                                            benadelen;</al></li><li nr="-"><al>de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders
                                            dan in de zin van art. 73.5.6.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het tweede, derde
                                    en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat
                                    hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn
                                    voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet
                                    binnen veertien dagen zijn verplichtingen correct nakomt.</al><tussenkop> 73.5.6.De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP</tussenkop><al>Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de
                                    periode van de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de
                                    schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot
                                    schuldregeling aangemerkt als het aanbieden van een
                                    buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de
                                    regeling.</al><al/><al>In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na
                                    eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn
                                    verplichtingen heeft voldaan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>73.6.Insolventieprocedures en akkoorden</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 73.6.1.Buitengerechtelijk akkoord</tussenkop><al>In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling
                                    zijn bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP -
                                    namelijk het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de
                                    gezamenlijke schuldeisers over de sanering van de schulden
                                    zonder tussenkomst van een rechter - ook voor de gemeente laten
                                    gelden.</al><al/><al>Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting
                                    van een aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden
                                    aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van
                                    toepassing is.</al><tussenkop> 73.6.2.Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord</tussenkop><al>De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs
                                    mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling
                                    van toepassing zal worden verklaard. Van belang voor de
                                    beantwoording van die vraag is artikel 288 FW dat de
                                    weigeringsgronden voor de rechter bevat op een verzoek om
                                    toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.</al><al/><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
                                    plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering
                                    instemt met betaling in termijnen eist hij zekerheid.</al><al/><al>Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn
                                    begrepen waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld,
                                    neemt de ontvanger als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas
                                    wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van die
                                    aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De
                                    ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden
                                    bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking
                                    komen.</al><tussenkop> 73.6.3.Gevolgen buitengerechtelijk akkoord</tussenkop><al>Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord
                                    verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld
                                    dat onbetaald blijft.</al><al/><al>Een buitengerechtelijk akkoord is niet van invloed op gelegde
                                    beslagen. De ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt
                                    wat hij heeft gevorderd op grond van het buitengerechtelijk
                                    akkoord.</al><tussenkop> 73.6.4.Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord</tussenkop><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
                                    plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering
                                    instemt met betaling in termijnen eist hij zekerheid.</al><al/><al>Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor
                                    derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger
                                    als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd
                                    op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten
                                    meer kunnen worden verkregen. De ontvanger ziet van deze
                                    voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de
                                    aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.</al><tussenkop> 73.6.5.Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord</tussenkop><al>Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk
                                    akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de
                                    belastingschuld dat onbetaald blijft.</al><tussenkop> 73.6.6.Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord</tussenkop><al>Bij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast
                                    op welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft.
                                    Uitgangspunt daarbij is de materiële belastingschuld die is
                                    ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een
                                    buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.</al><al/><al>Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te
                                    saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag
                                    vast te stellen, in die zin dat de materieel verschuldigde
                                    belasting wordt geformaliseerd in een aanslag.</al><al/><al>De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten
                                    integraal in een akkoord.</al><tussenkop> 73.6.7.Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord</tussenkop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><tussenkop> 73.6.8.Gevolgen dwangakkoord</tussenkop><al>Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering
                                    een dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt
                                    de ontvanger het deel van de belastingschuld dat onvoldaan
                                    blijft oninbaar.</al><al/><al>Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord,
                                    verleent hij geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die
                                    resteren na het dwangakkoord blijven als natuurlijke
                                    verbintenissen over.</al><tussenkop> 73.6.9.Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord</tussenkop><al>Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een
                                    saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot
                                    gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.</al><al/><al>Zie artikel 26.3 van deze leidraad.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten </label></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 75 Kosten van vervolging </label></kop><structuurtekst><al>Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten
                            van vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de
                            kosten die op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen
                            (Kostenwet) in rekening worden gebracht.</al><al/><al>Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden
                            die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele
                            wijze.</al><al/><al>In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging
                            opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>gevorderde som bevat geen vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aan derden toekomende bedragen;</al></li><li nr="-"><al>rechtsmiddelen en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als
                                    bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>niet in rekening brengen van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>onverschuldigdheid van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>versnelde invordering en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>geen kwijtschelding van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>limitering betekeningskosten dwangbevel.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label>75.1.Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al>De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan
                                onderscheidenlijk sprake is in artikel 2 en artikel 3, eerste lid,
                                van de Kostenwet invordering rijksbelastingen) is te verstaan als
                                het belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is
                                uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten en eventuele - pro
                                memorie opgenomen - rente.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.2.Aan derden toekomende bedragen</label></kop><structuurtekst><al/><al>Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet
                                invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening
                                worden gebracht, vallen:</al><lijst><li nr="-"><al>de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3,
                                        vierde lid, en artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet
                                        invordering rijksbelastingen;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem
                                        ingeschakelde derden;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld
                                        in artikel 444 Rv;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de
                                        verkoop ter plaatse van de in beslag genomen zaken;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden door
                                        makelaars, deskundigen en afslagers;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen
                                        zaken als de verkoop elders plaatsvindt;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van
                                            inbeslaggenomen roerende zaken.</cursief></al></li></lijst><al/><al>Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in
                                rekening gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de
                                belastingschuldige elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk
                                zijn belang is gediend. Eventuele gemaakte reiskosten door de
                                gemeente voor de betekening en de tenuitvoerlegging van het
                                dwangbevel kunnen niet op de belastingschuldige worden verhaald,
                                evenals mogelijke porti- en telefoonkosten.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.3.Rechtsmiddelen en vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het
                                bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van
                                het Besluit beroep in belastingzaken 2005.</al><al/><al>De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure
                                over de toepassing van de Kostenwet relevant zijn.</al><al/><al>Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep)
                                stuit op grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de
                                voortzetting van de tenuitvoerlegging van de akte van
                                vervolging.</al><al/><al>Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is
                                verwoord in artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van
                                overeenkomstige toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.4.Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar</label></kop><structuurtekst><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in
                                rekening gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift.
                                Het bepaalde in artikel 75.3 van deze leidraad is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.5.Niet in rekening brengen van vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al/><al>In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van
                                exploten geen vervolgingskosten in rekening:</al><lijst><li nr="-"><al>herhaalde betekening van een dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>(herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter
                                        stuiting van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde
                                        als bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien
                                        verstande dat de eerste betekening wel, maar de tweede
                                        betekening (aan de wettelijke vertegenwoordiger) niet in
                                        rekening wordt gebracht;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een beslissing van het college op een
                                        beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan
                                        de derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene
                                        en zo nodig de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met
                                        gehele of gedeeltelijke opheffing van het beslag;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een proces-verbaal van overgang van de
                                        bewaring van beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek
                                        of door toedoen van de belastingschuldige.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.6.Onverschuldigdheid van vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al/><al>Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening
                                rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd,
                                zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de betaling op de rekening van de gemeente is
                                        bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten
                                        verschuldigd zijn geworden;</al></li><li nr="-"><al>Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een
                                        afname van de schuld, anders dan door betaling,
                                        kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze
                                        situatie zal zich voordoen bij vermindering van
                                        belastingaanslagen;</al></li><li nr="-"><al>Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van
                                        de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om
                                        de invordering op te schorten. Hierbij valt te denken
                                        aan:</al><lijst><li nr="-"><al>een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding,
                                                mits volledig ingevuld;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend verzoekschrift bij het college, de
                                                raad of de gemeentelijke ombudsman.</al><al>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich
                                                omstandigheden kunnen voordoen waarin het
                                                noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten.
                                                In dat geval komen de hieraan verbonden kosten
                                                vanzelfsprekend niet voor een tegemoetkoming in
                                                aanmerking.</al><al>Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd
                                                in rekening gebracht als sprake is van trainering
                                                van de invordering;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Als na het in rekening brengen van de kosten aan de
                                        belastingaanslag een nieuwe dagtekening is toegekend;</al></li><li nr="-"><al>Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als
                                        bedoeld in artikel 14.4.1 van deze leidraad;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel
                                        in een beslag op roerende als in een beslag op onroerende
                                        zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of
                                        deze zaken roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid
                                        is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten
                                        worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband
                                        houden met het niet voortgezette beslag niet
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige
                                        aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een
                                        beslag op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat
                                        over de vraag of deze zaken een bestanddeel vormen van het
                                        schip dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, en
                                        duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die
                                        zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten
                                        die verband houden met het niet voortgezette beslag niet
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met
                                        inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de
                                        belastingschuldige binnen twee werkdagen na uitreiking van
                                        het aanslagbiljet de openstaande belastingschuld
                                        betaalt.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.7.Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al>In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding
                                bestaan de in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook
                                verschuldigd - te verminderen als de belastingschuldige hier
                                schriftelijk om verzoekt.</al><al/><al>Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont
                                in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk
                                onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en
                                bovendien de invordering van vervolgingskosten - gezien de
                                omstandigheden van het specifieke geval- onredelijk en onbillijk
                                is.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.8.Versnelde invordering en vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al>Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de
                                artikelen 10 en 15 van de wet, vermeldt de belastingdeurwaarder in
                                de akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die
                                maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als
                                de openstaande belastingschuld binnen twee werkdagen na uitreiking
                                van het aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van
                                overeenkomstige toepassing op de beslagkosten.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.9.Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al>Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het
                                gevolg zijn van invorderingsmaatregelen die tegen de
                                aansprakelijkgestelde zijn genomen, is dit hoofdstuk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.10.Geen kwijtschelding van vervolgingskosten</label></kop><structuurtekst><al>Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens
                                vermeende betalingsonmacht. De ontvanger doet in dat geval ook geen
                                toezegging dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>75.11.Limitering betekeningskosten dwangbevel</label></kop><structuurtekst><al>Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van
                                die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de
                                betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan € 11.026, zijn
                                niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 11.026.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Artikel 76 tot en met 79 </label></kop><structuurtekst><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>