<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR8867_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJssel-en Lekstreek van 30 juni 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 7, 8 en 9</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAZ, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://capelleaandenijssel.nl"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artikel 1, lid 2, onderdeel e vervalt. De onderdelen f tot en met k worden geleeterd e tot en met j.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling / a53, nr. 2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1. Nadere regels re-integratieverordening 2009</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Deze verordening vervangt de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2005.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet, de artikelen 7, 8
                        en 10, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en
                        36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw) en de artikelen 34, 35 en 36 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen werknemers (Ioaz) en de bepalingen van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb),</al><al>gelet op de EG-verordening Werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002, Pb EG
                        2002, L 337/3) en de EG-verordening de minimissteun (nr. 69/2001, Pb EG
                        2001, L 10/30), alsmede de Beleidsaanbeveling van belang voor het
                        opstellen van de gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader
                        van de Wet Werk en Bijstand (Verzamelcirculaire SZW, april 2004),</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en
                        wethouders;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening, vergezeld van de
                        daarbijbehorende toelichting.</al><al><vet>RE-INTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2009</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover niet anders bepaald, worden begrippen in deze verordening
                                gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>uitkeringsgerechtigde: persoon die algemene bijstand
                                        ontvangt op grond van de wet, de Wet Inkomensvoorziening
                                        oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze
                                        werknemers (Ioaw), dan wel de Wet Inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige
                                        (Ioaz);</al></li><li nr="c."><al>Anw-er: persoon met een uitkering ingevolge de Algemene
                                        nabestaandenwet (Anw) die ingeschreven staat bij het
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="d."><al>niet-uitkeringsgerechtigde: persoon die behoort tot de
                                        personenkring als omschreven in artikel 6, lid 1 onderdeel
                                        a. van de wet;</al></li><li nr="e."><al>belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 7 eerste
                                        lid onder a van de wet en de persoon met een uitkering
                                        ingevolge de Ioaw of de Ioaz;</al></li><li nr="f."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van arbeid in
                                        dienstbetrekking, niet zijnde werk in het kader van de Wet
                                        sociale werkvoorziening (Wsw);</al></li><li nr="g."><al>voorziening: een voorziening zoals bedoeld in artikel 7
                                        eerste lid onderdeel a van de wet, evenals artikel 34,
                                        eerste lid, onderdeel a, Ioaw en artikel 34, eerste lid,
                                        onderdeel a, Ioaz;</al></li><li nr="h."><al>traject: het deel van activiteiten dat bijdraagt aan de
                                        arbeidsinschakeling dan wel sociale activering en dat is
                                        opgenomen in een trajectplan;</al></li><li nr="i."><al> trajectplan: een individueel plan gericht op het vergroten
                                        van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of deelname aan
                                        sociale activiteiten;</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Capelle aan den IJssel;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan de belanghebbende ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk
                                acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel
                                40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest
                                doelmatig is met het oog op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de afweging welke voorziening het meest geschikt is, houdt het
                                college rekening met de zorgtaken van alleenstaande ouders voor hun
                                kinderen tot 12 jaar. De alleenstaande ouder kan pas deelnemen aan
                                een voorziening als het college zich heeft overtuigd van de
                                beschikbaarheid van passende kinderopvang, mits deze naar het
                                oordeel van het college voor het deelnemen aan de voorziening
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen afstemmen op maatschappelijke,
                                economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking
                                tot de uitvoering van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan vast en brengt deze ter kennis van de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit beleidsplan omvat in elk geval</al><lijst><li nr="a."><al>een omschrijving van het beleid ten aanzien van de
                                        verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en
                                        tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als
                                        uitgangspunt wordt genomen;</al></li><li nr="b."><al>een nadere omschrijving van de verschillende voorzieningen;
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Cliëntenraad</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat het beleidsplan en de nadere regels,
                            voorafgaande aan zijn beslissing, ter advisering worden voorgelegd aan
                            de Cliëntenraad zoals bedoeld in de Verordening Cliëntenparticipatie Wwb
                            en Wsw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, Anw-ers, niet-uitkeringsgerechtigden,
                                alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet,
                                hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de
                                naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening
                                gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder arbeidsinschakeling kan ook worden verstaan arbeid door middel
                                van zelfstandig ondernemerschap. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en het in artikel 4 genoemde
                                beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij de toegang tot voorzieningen nadere regels
                                stellen ten aanzien van het inkomen van niet-uitkeringsgerechtigden
                                en Anw-ers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden te
                                voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Ioaw,
                                de Ioaz en de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze
                                verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de
                                aangeboden voorziening heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan het gestelde in het eerste lid, kan het college de
                                uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een belanghebbende, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde,
                                die gebruik maakt van een voorziening, verwijtbaar niet voldoet aan
                                het gestelde in het eerste lid, kan het college de gemaakte kosten
                                van het traject of de voorziening(en) bij deze belanghebbende in
                                rekening brengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, om een betere afweging te kunnen maken omtrent de
                                voorziening die het meest geschikt is, de belanghebbende verplichten
                                mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van de
                                belanghebbende op de arbeidsmarkt. Dit onderzoek kan uit een
                                belastbaarheidsonderzoek, een assessment en/of een medisch onderzoek
                                bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Subsidie- en budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vorm van de ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondersteuning kan worden gegeven door het aanbieden van één of
                                meerdere voorzieningen, maar ook het bieden van praktische hulp, het
                                geven van advies of het doorverwijzen naar andere instanties. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overeengekomen traject en alle afspraken die in het kader ervan
                                worden gemaakt, worden vastgelegd in een trajectplan en een
                                beschikking. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzieningen kunnen na elkaar, maar ook gelijktijdig ingezet
                                worden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het beleidsplan als bedoeld in artikel 4 wordt vastgelegd
                                    welke voorzieningen het college in ieder geval kan
                                    aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met
                                    inachtneming van hetgeen daarover in de wet en deze verordening
                                    is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking
                                    hebben op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de aanvraag van en de besluitvorming over
                                    loonkostensubsidies;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;
                                </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de intrekking of wijziging van de beschikking inzake de
                                    subsidieverlening of –vaststelling;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                    verstrekken van subsidies.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Soorten voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Voorzieningen gericht op zorg en hulpverlening</titel></kop><al>Het college kan aan belanghebbenden voorzieningen aanbieden die zijn
                                gericht op het bieden van ondersteuning voor het verkrijgen van
                                intensieve hulpverlening om problemen die een belemmering vormen
                                voor arbeidsinschakeling op te heffen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Het college kan aan belanghebbenden voorzieningen aanbieden die zijn
                                gericht op maatschappelijk functioneren of participeren ter
                                voorbereiding op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog
                                niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                                participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Persoonsgebonden re-integratiebudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de belanghebbende een persoonsgebonden
                                    re-integratiebudget toekennen te besteden aan voorzieningen
                                    gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over de hoogte alsmede de
                                    voorwaarden waaronder het persoonsgebonden re-integratiebudget
                                    wordt verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan belanghebbenden een vorm van scholing
                                    aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de uitkeringsgerechtigde niet beschikt over een
                                    startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                    werkzaamheden op een participatieplaats zoals bedoeld in artikel
                                    10 a lid 1 van de wet, door het college bekeken in hoeverre
                                    scholing kan bijdragen aan vergroting van de kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het tweede lid van toepassing is betrekt het college bij
                                    de beoordeling:</al><lijst><li nr="-"><al>Het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                            belanghebbende de werkzaamheden uitvoert</al></li><li nr="-"><al>De scholingswens van de belanghebbende</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over de voorwaarden, de duur en
                                    de maximale kosten van scholing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Leerwerkplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een belanghebbende een leerwerkplek
                                    aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de leerwerkplek is het opdoen van werkervaring dan
                                    wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie, voor zover van
                                    toepassing met behoud van uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de duur en
                                    de verplichting die aan een leerwerkplek worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt alleen een leerwerkplek aan indien de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    indien er geen verdringing van reguliere arbeid
                                    plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen werkgever en de
                                    belanghebbende worden tenminste vastgelegd het doel en de duur
                                    van de leerwerkplek, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                    plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een organisatie aanwijzen die
                                    uitkeringsgerechtigden een dienstverband aanbiedt, gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een inlenende organisatie. De detachering wordt vastgelegd
                                    in een schriftelijke overeenkomst tussen de partijen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing
                                    de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                    en indien door zijn plaatsing geen verdringing van reguliere
                                    arbeid plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over het dienstverband, de
                                    inleenvergoeding, inlenende organisatie en de van toepassing
                                    zijnde rechtspositie van de werknemer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                    belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de duur en
                                    de hoogte van de subsidie en ten aanzien van de verplichtingen
                                    die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing van reguliere arbeid plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Premie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een premie als
                                    bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel j. toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over de hoogte alsmede de
                                    voorwaarden waaronder de premie zoals bedoeld in het eerste lid
                                    wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college aan de uitkeringsgerechtigde, die werkzaam is
                                    op een participatieplaats zoals bedoeld in artikel 10 a lid 1
                                    van de wet, de tweemalige stimuleringspremie conform artikel 10
                                    a, zesde lid van de wet toekent wordt dit in één bedrag
                                    uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie zoals bedoeld in het derde lid wordt geweigerd indien
                                    bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de
                                    participatieplaats bedoelde verplichtingen in de voorafgaande
                                    zes maanden heeft geschonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De premie zoals bedoeld in het derde lid bedraagt maximaal 25 %
                                    van het maximumbedrag zoals genoemd in artikel 31, lid 2
                                    onderdeel j. van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Voorziening gericht op nazorg</titel></kop><al>Het college kan aan de werkgever waarbij een uitkeringsgerechtigde
                                algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, gedurende maximaal de
                                periode van 6 maanden een voorziening bieden gericht op het in stand
                                houden van de dienstbetrekking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan in de vorm van een experiment of een project andere
                                vormen van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden
                                aan belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke
                                    kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoedingen
                                    bestaat indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende
                                    voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor
                                    belanghebbende toereikend en passend te zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Beëindiging van een voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Beëindigen van een voorziening</titel></kop><al>Het college kan een voorziening in ieder geval beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt
                                        zijn verplichtingen, zoals bedoeld in de artikel 5 van deze
                                        verordening en artikel 9 en 55 van de wet niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot
                                        de doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid
                                        aanvaardt, en niet langer gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening niet,
                                        niet langer dan wel in onvoldoende mate bijdraagt aan
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Wet inschakeling werkzoekenden en Besluit In- en
                                doorstroombanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de uitvoering van de dienstbetrekkingen
                                als bedoeld in artikel 4 van Wet inschakeling werkzoekenden (WIW),
                                zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, en stimuleert de
                                uitstroom. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de subsidiering van de
                                dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit In- en
                                doorstroombanen (Besluit I/D-banen), zoals dit besluit luidde op 31
                                december 2003, en voor de subsidiering van de arbeidsovereenkomsten
                                zoals bedoelt in artikel 5, eerste lid, van de WIW, zoals dit
                                artikel luidde op 31 december 2003. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten genoemd in het eerste
                                en tweede lid, zijn vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wwb
                                voorzieningen in de zin van de Wwb. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Re-integratieverordening Wet werk
                            en bijstand 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2009</al></li><li nr="2."><al>Per datum genoemd in het eerste lid, wordt de
                                    Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2005
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 18 mei 2009</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>TOELICHTING RE-INTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2009</al><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><vet>Opdracht college</vet></al><al>Op grond van de Wwb heeft het college de opdracht om zorg te dragen voor
                            de re-integratie van</al><al>uitkeringsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden die aan de daaraan
                            te stellen criteria voldoen, belanghebbenden met een uitkering krachtens
                            de Algemene nabestaandenwet (Anw-ers) en belanghebbenden die onder de
                            strekking van artikel 10 tweede lid Wwb vallen.</al><al>Op grond van de Wwb is de gemeenteraad gehouden om een verordening vast
                            te stellen waarin de kaders voor het beleid van de gemeente ten aanzien
                            van haar re-integratietaak worden neergelegd. Tevens dient in deze
                            verordening de aanspraak van belanghebbenden op ondersteuning bij
                            re-integratie vastgelegd te worden.</al><al>De basis voor deze verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid
                            onder a en tweede lid van de Wwb, en artikel 10, eerste en tweede lid
                            van de Wwb. Uit de Wwb vloeit voort dat, naast het</al><al>re-integratiebeleid in algemene zin, in de verordening of nadere regels
                            tenminste de volgende zaken moeten worden geregeld:</al><lijst><li nr="·"><al>het beleid ten aanzien van de categorieën van personen die onder
                                    de doelgroep vallen;</al></li><li nr="·"><al>een omschrijving van de verschillende voorzieningen;</al></li><li nr="·"><al>het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en
                                    zorgtaken.</al></li></lijst><al><vet>Procedurele opzet verordening</vet></al><al>In tegenstelling tot een inhoudelijk uitgebreide
                            re-integratieverordening, waarin het beleid voor langere duur is
                            vastgelegd, is gekozen voor een meer kaderstellende opzet van de
                            re-integratieverordening. Dit past ook in het duale stelsel. Het houdt
                            in dat in de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009 enkel
                            datgene is opgenomen wat op grond van de wet in de
                            Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009 vastgelegd dient te
                            worden. De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009 beperkt
                            zich derhalve tot:</al><lijst><li nr="·"><al>enkele algemene artikelen over de opdracht aan het college,</al></li><li nr="·"><al>de aanspraak op voorzieningen,</al></li><li nr="·"><al>de inzet van voorzieningen en de rechten en plichten van de
                                    belanghebbende,</al></li><li nr="·"><al>de wijze waarop in de gemeente het beleid bepaald wordt en hoe
                                    de verhouding tussen de gemeenteraad en het college is.</al></li><li nr="·"><al>het opnemen van een algemeen artikel betreffende
                                    loonkostensubsidies daar de aard van deze voorziening een
                                    regeling in de verordening noodzakelijk maakt.</al></li></lijst><al>Het overige wordt vastgelegd in nadere regels die door het college
                            worden vastgelegd. Het voordeel van het regelen in nadere regels is dat
                            hiermee flexibeler kan worden omgegaan. De kaderstellende opzet van de
                            re-integratieverordening stelt het college eveneens in staat om de
                            noodzakelijke individualisering met betrekking tot de arbeidsinpassing
                            mogelijk te maken. Anders gezegd: om het vereiste maatwerk te kunnen
                            leveren.</al><al><vet>Relatie met de Afstemmingsverordening 2009</vet></al><al>De Wwb vraagt tevens aan gemeenten een verordening op te stellen waarin
                            het samenstel van de rechten en plichten van de belanghebbende wordt
                            geregeld. Dit samenstel van rechten en plichten is in de
                            “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009” opgenomen. De
                            re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009 en de
                            Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009 zijn nauw met elkaar
                            verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject gericht
                            op arbeidsinschakeling kunnen sancties worden verbonden indien de
                            belanghebbende ter zake deze verplichting in verzuim is. Dit kan
                            gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit zou ertoe kunnen
                            leiden dat de beide verordeningen geïntegreerd worden. Daar het college
                            aan de verlening van bijstand of een uitkering ook verplichtingen kan
                            verbinden die geen enkele of geen directe relatie hebben met
                            re-integratie, is gekozen voor separate verordeningen. Wel is er een
                            duidelijke relatie gelegd tussen de Afstemmings- en
                            Re-integratieverordening.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet>: In het kader van decentrale regelgeving is het gebruikelijk
                    dat voor lagere overheden met</al><al>betrekking tot de terminologie in een verordening of regeling, de Algemene wet
                    bestuursrecht, de Provincie- of Gemeentewet en zo nodig de Europese en
                    internationale regelgeving wordt gevolgd. Daarbij geldt tevens dat regels uit
                    een hogere wettelijke regeling niet worden herhaald in een provinciale of
                    gemeentelijke regeling. Om hieraan tegemoet te komen is in het eerste lid
                    bepaald, dat alle begrippen die niet nader worden omschreven in de verordening
                    dezelfde omschrijving hebben als in de Wet werk en bijstand (Wwb). Deze
                    systematiek zorgt in de uitvoeringspraktijk voor een uniforme hantering van de
                    diverse begrippen.</al><al><vet>Lid 2</vet>: De begrippen zijn in een logische volgorde gerangschikt. Het
                    aantal begrippen is beperkt tot</al><al>hetgeen noodzakelijk is.</al><tussenkop>Artikel 2 Opdracht college </tussenkop><tussenkop>De Wwb geeft het college van burgemeester en wethouders rechtstreeks de
                    verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Hoewel belanghebbenden
                    aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op
                    ondersteuning op de manier zoals belanghebbenden dat mogelijk graag zouden zien.
                    Het is aan het college om zorg te dragen voor een voldoende en gevarieerd aanbod
                    van voorzieningen, waarbij zij te maken hebben met beperkte financiële middelen,
                    terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan
                    sociaal-economische factoren.</tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de Wwb. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie.
                    Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het college specifieke
                    opdrachten mee te geven. In de Wwb is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de
                    aanspraak op voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk
                    inwoners van de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40,
                    eerste lid van de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college
                    te koppelen, geeft de gemeente aan de voorzieningen alleen voor de eigen
                    doelgroep in te willen zetten.</al><al>In het derde lid is de opdracht aan het college neergelegd om bij alleenstaande
                    ouders met kinderen tot 12 jaar de afweging te maken tussen het belang van
                    arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de
                    zorgtaken. Er dient rekening gehouden te worden met een verantwoorde invulling
                    van de combinatie arbeid en zorg en indien nodig moeten (flankerende)
                    voorzieningen geboden worden om deze combinatie mogelijk te maken. Een voorbeeld
                    van een flankerende voorziening is kinderopvang. </al><al>Passende kinderopvang wil zeggen dat de kinderopvang wordt afgestemd op de
                    situatie van kind en ouder. </al><al>Het vierde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Dit is vooral van belang, omdat de gemeente de aanspraak op
                    ondersteuning niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient
                    altijd een alternatief voorhanden te zijn.</al><tussenkop>Artikel 3 Uitvoering</tussenkop><tussenkop>Voor de uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere regels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid
                    om dergelijke regels vast te stellen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Beleidsplan</tussenkop><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, draagt de Wwb aan de
                    gemeenteraad op om het re-integratiebeleid in een verordening vast te leggen.
                    Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de verordening te regelen,
                    maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en nadere regels.</al><al>In het beleidsplan is opgenomen dat de aan te bieden voorziening correspondeert
                    met de re-integratiepositie die een belanghebbende inneemt. Een
                    re-integratiepositie is een maat voor de afstand die een belanghebbende heeft
                    tot de arbeidsmarkt. </al><al>Deze positie is te verdelen in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>zorg</al></li><li nr="2."><al>maatschappelijke activering</al></li><li nr="3."><al>arbeidsactivering</al></li><li nr="4."><al>arbeidstoeleiding</al></li><li nr="5."><al>regulier werk met ondersteuning</al></li><li nr="6."><al>regulier werk zonder ondersteuning</al></li></lijst><al>Het eerste lid geeft aan dat het college, ter uitvoering van de verordening, een
                    beleidsplan opstelt. Het college brengt dit plan ter kennis aan de
                    gemeenteraad.</al><al>In het tweede lid is geregeld welke onderwerpen in ieder geval in het
                    beleidsplan aan de orde dienen te komen: deze vloeien rechtstreeks voort uit de
                    wet. Het staat de gemeente vrij daar andere onderdelen aan toe te voegen.</al><tussenkop>Artikel 5 Cliëntenraad</tussenkop><al>Dit artikel maakt de nadere regels en het beleidsplan tot onderwerp van
                    inspraak. </al><tussenkop>Artikel 6 Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al>De Wwb stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                    verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de Wwb zelf geregeld.
                    Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een
                    algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat arbeidsinschakeling niet uitsluitend hoeft te
                    betekenen dat er sprake moet zijn van een dienstbetrekking. Arbeidsinschakeling
                    kan ook bereikt worden door als zelfstandig ondernemer aan de slag te gaan.</al><al>In het derde lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elke beleidsregel waarin die
                    criteria geformuleerd kunnen worden, doch minimaal de verordening en het
                    beleidsplan. Eén van die criteria kan het inkomen betreffen (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 7 Verplichtingen van de belanghebbende</tussenkop><al>In de Wwb is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in
                    het eerste lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al><al>Het tweede lid biedt de verbinding met de Afstemmingsverordening Wet werk en
                    bijstand 2009. De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009 regelt het
                    opleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn
                    verplichtingen voldoet. </al><al>Echter, voor personen zonder uitkering, Anw-ers en personen in gesubsidieerde
                    arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in
                    het derde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een
                    deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan vorderen. Daartoe is het
                    noodzakelijk dat afspraken hierover schriftelijk wordt vastgelegd.</al><al>Het college kan een belanghebbende verplichten mee te werken aan een onderzoek
                    naar diens mogelijkheden en beperkingen, teneinde de juiste voorziening aan te
                    bieden. Uit het belastbaarheidsonderzoek en/of medisch onderzoek kan tevens een
                    gedeeltelijke of gehele ontheffing van de arbeidsplicht volgen. </al><tussenkop>Artikel 8 Subsidie- en budgetplafonds</tussenkop><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van
                    begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen
                    te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de gemeente bij verordening
                    subsidie- en budgetplafonds instellen.</al><al>De Wwb stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument of vorm van ondersteuning wordt uitgeweken.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                    subsidies inhouden, zoals de loonkostensubsidie. Een subsidieplafond dient wel
                    bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1
                    Awb).</al><tussenkop>Artikel 9 Vorm van de ondersteuningDe ondersteuning die de gemeente biedt
                    kan in principe iedere vorm hebben. De ene belanghebbende is gebaat bij een
                    doorverwijzing naar maatschappelijk werk. Een andere zal eerst een intensief
                    traject moeten volgen om daarmee de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen
                    voordat er aan reguliere arbeid gedacht kan worden. Ook een combinatie van
                    voorzieningen is mogelijk, zoals het aanbieden van duale trajecten.</tussenkop><al>Het inzetten van voorzieningen is geen doel op zich. Voorzieningen worden alleen
                    ingezet als zonder die inzet het vinden en het behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Vervolgens moet door de inzet van een of
                    meerdere voorzieningen het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid mogelijk
                    zijn binnen afzienbare tijd. Bovendien moet deelname aan een voorziening de
                    kortste weg naar arbeid zijn. Daar waar het behalen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid (nog) niet haalbaar is worden voorzieningen ingezet gericht op zorg en
                    activering. Deze voorzieningen zijn bedoeld om belemmeringen weg te nemen of te
                    verminderen, dan wel om de belanghebbende te activeren (als opstap naar
                    arbeidsinschakeling).</al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van een traject ligt bij
                    het college. Het te doorlopen traject wordt vastgelegd in een trajectplan (of
                    eventueel in een zorgplan of activeringsplan). Door middel van een beschikking
                    wordt belanghebbende in kennis gesteld van het trajectplan en de daarbij
                    behorende verplichtingen. </al><tussenkop>Artikel 10 Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn geregeld. Het eerste lid
                    geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende regelgeving van
                    voorzieningen bevat.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de
                    casemanagers de voortgang bespreekt.</al><al>De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de
                    doelgroep niet-uitkeringsgerechtigden. Immers, van deze groep is het niet
                    vanzelfsprekend dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een
                    eigen bijdrage, eventueel gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan op
                    zijn plaats zijn. </al><tussenkop>Artikel 11 Voorzieningen gericht op zorg en hulpverlening</tussenkop><al>Een belanghebbende is niet in staat tot re-integratie wanneer er sprake is van
                    ernstige beperkingen, waarbij er een zorgvraag is. Indien er beperkingen zijn om
                    algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden dan kunnen er voorzieningen worden
                    aangeboden die deze beperkingen verminderen of oplossen. Een voorziening gericht
                    op zorg of hulpverlening kan worden ingezet wanneer door het college aan de hand
                    van onderzoek is vastgesteld dat belanghebbende geen perspectief of pas op
                    (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft op arbeidsinschakeling en dat
                    inzet van de voorzieningen wenselijk is. De voorzieningen worden opgenomen in
                    een zogenaamd zorgplan. </al><al>Artikel 55 van de wet biedt de mogelijkheid om naast de verplichtingen die
                    ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel
                    daaraan door het college verbonden worden, verplichtingen op te leggen die
                    strekken tot arbeidsinschakeling. Een verplichting kan, op advies van een arts,
                    inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische
                    aard.</al><tussenkop>Artikel 12 Sociale activering</tussenkop><al>Een belanghebbende kan een voorziening in de vorm van sociale activering worden
                    aangeboden indien hij niet in staat is tot re-integratie door beperkingen of het
                    ontbreken van basale arbeidsvaardigheden. Deze voorziening kan ook zelfstandige
                    maatschappelijke participatie tot doel hebben. Onder sociale activering kan
                    vrijwilligerswerk worden verstaan.</al><tussenkop>Artikel 13 Persoonsgebonden re-integratiebudget</tussenkop><al>Een uitgangspunt van het re-integratiebeleid van de gemeente is zelfredzaamheid
                    van de belanghebbende. Het kan voorkomen dat de belanghebbende zelf duidelijke
                    ideeën heeft hoe het snelste kan worden gere-integreerd. Met een
                    persoonsgebonden reïntegratiebudget kan de belanghebbende zelf de meest
                    geschikte voorziening inkopen. Het college toetst of de voorziening de snelste
                    weg naar arbeid is.</al><al>In een individuele re-integratieovereenkomst worden de afspraken (rechten en
                    plichten) verbonden aan het persoonsgebonden budget vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 14 Scholing</tussenkop><al>In het kader van de trajecten gericht op arbeidsinschakeling kan scholing
                    noodzakelijk zijn. Daar het aanbod van scholing bijzonder divers is en daarbij
                    ook de duur en kosten erg variabel zijn, is het noodzakelijk om voor het aanbod
                    hiervan nadere randvoorwaarden vast te stellen.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat de scholing zowel aangeboden kan worden als een
                    voorziening die</al><al>door de gemeente ingekocht wordt, als in de vorm van een subsidie. Dit laatste
                    kan van belang zijn als de klant op eigen initiatief met een voorstel tot
                    scholing komt die door het college noodzakelijk wordt geacht, doch niet bestaat
                    binnen het reguliere aanbod. (zie ook artikel 13)</al><al>In de wet STAP is geregeld dat uitkeringgerechtigden zonder startkwalificatie na
                    6 maanden op een participatieplaats scholing of opleiding aangeboden krijgen
                    tenzij dit naar het oordeel van B&amp;W niet bijdraagt aan de
                    arbeidsmarktkansen.De Wet STAP stelt geen eisen aan de inhoud, de duur of de
                    hoogte van de scholing of opleiding. De gemeenteraad stelt bij verordening
                    regels met betrekking tot de scholing of opleiding. Deze regels kunnen onder
                    meer betrekking hebben op het type scholing of opleiding dat wordt ingezet in
                    relatie tot de afstand tot de arbeidsmarkt. Het is aan het oordeel van gemeenten
                    of scholing bijdraagt aan de arbeidsmarktkansen en gemeenten mogen zelf bepalen
                    welke scholing zij aanbieden. Het vaststellen van nadere regels wordt
                    gedelegeerd aan het college.</al><al>De Wet Verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders regelt dat de
                    alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn laste
                    komende kinderen tot vijf jaar en die een ontheffing van de arbeidsverplichting
                    heeft aangevraagd en heeft gekregen, is verplicht te voldoen aan de
                    re-integratieverplichting. Die verplichting houdt in, het volgen van scholing of
                    een opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij scholing of
                    opleiding naar het oordeel van het college voor de alleenstaande ouder niet
                    haalbaar is of de alleenstaande ouder al beschikt over een startkwalificatie.
                    Hiermee wordt niet een nieuwe verplichting voor de alleenstaande ouder
                    geïntroduceerd. Op grond van de huidige Wwb heeft de alleenstaande ouder de
                    verplichting gebruik te maken van de door het college aangeboden
                    re-integratievoorzieningen en kan het college ook nu scholing als
                    re-integratievoorziening inzetten.</al><al>Met de wet wordt wel een nieuw element geïntroduceerd. Namelijk dat het college
                    bij voorrang de re-integratieplicht voor alleenstaande ouders zonder
                    startkwalificatie, die de volledige zorg hebben voor een of meer tot zijn laste
                    komende kinderen tot vijf jaar en die om ontheffing van de arbeidsverplichting
                    hebben verzocht, ten minste dient in te vullen met scholing of opleiding die de
                    toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Dit alleen, indien dit niet de krachten
                    of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat en de alleenstaande
                    ouder geen startkwalificatie heeft. Welke scholing in individuele gevallen zal
                    worden aangeboden, is afhankelijk van de individuele omstandigheden en wordt
                    bepaald door het college in samenspraak met de alleenstaande ouder.</al><al>Dit is alleen anders, als een alleenstaande ouder met startkwalificatie die om
                    een ontheffing van de arbeidsverplichting heeft gevraagd, het college verzoekt
                    de re-integratieplicht in te vullen met een MBO-opleiding niveau 4. Naar
                    aanleiding van het amendement Spekman is het college verplicht aan dit verzoek
                    te voldoen, tenzij dit naar het oordeel van het college de krachten en
                    bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.</al><al>Indien scholing voor een alleenstaande ouder in het individuele geval niet
                    haalbaar is of als de alleenstaande ouder al een startkwalificatie heeft en geen
                    MBO-4 opleiding wil volgen, blijft de algemene re-integratieverplichting van
                    toepassing. Welke re-integratievoorziening in die gevallen uiteindelijk wordt
                    aangeboden is afhankelijk van de individuele omstandigheden en wordt bepaald
                    door het college. Deze wet brengt geen verandering in de huidige situatie.</al><al>Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, mede gelet op
                    de beschikbare financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar
                    re-integratiebeleid. Het college heeft belang bij een goed bij de betreffende
                    alleenstaande ouder passend aanbod, omdat daarmee de kansen op uitstroom uit de
                    bijstand worden vergroot en de bijstandsafhankelijkheid wordt verkleind of wordt
                    beëindigd. Het stellen van nadere regels is dan ook aan het college.</al><al>Het verzoek om een ontheffing van de arbeidsverplichting is onlosmakelijk
                    gekoppeld aan de scholings- c.q. re-integratieplicht. Indien uit houding en
                    gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de
                    scholings- c.q. re-integratieplicht niet wil nakomen wordt de ontheffing van de
                    arbeidsverplichting niet verleend of wordt deze opgeschort. Als de alleenstaande
                    ouder laat blijken dat zij wel aan die plicht wil gaan voldoen, kan een
                    ontheffing van de arbeidsverplichting worden verleend.</al><al>Binnen zes maanden na de aanvraag van ontheffing stelt het college in ieder
                    geval een plan van aanpak op over de invulling van de aan de alleenstaande ouder
                    aan te bieden (scholings)voorziening. </al><tussenkop>Artikel 15 Leerwerkplek</tussenkop><al>In deze voorziening staat het leren werken centraal. Het is belangrijk in de
                    gaten te houden onder welke voorwaarden deze voorziening wordt geboden. Dit
                    vanwege het gevaar dat de leerwerkplek beschouwd kan worden als een gewone
                    dienstbetrekking. Het college dient hier dan ook nadere regels over op te
                    stellen.</al><tussenkop>Artikel 16 Detacheringsbaan</tussenkop><al>Een detacheringsbaan heeft tot doel de belanghebbende met een grote afstand tot
                    de arbeidsmarkt geschikt te maken voor regulier werk door het aanbieden van een
                    arbeidsovereenkomst, in combinatie met begeleiding. De belanghebbende komt niet
                    in dienst van de gemeente maar bij een door het college aangewezen organisatie.
                    De aangewezen organisatie neemt het werkgeverschap op zich. Voor daadwerkelijk
                    opdoen van werkervaring wordt de belanghebbende geplaatst bij een inlenende
                    organisatie. Een detacheringsbaan is altijd tijdelijk.</al><tussenkop>Artikel 17 Loonkostensubsidie </tussenkop><al>Voor het verstrekken van subsidies is een wettelijke basis in een verordening
                    vereist. Daarin is, in lijn met het procedurele karakter van deze verordening,
                    alleen het minimale geregeld. De nadere regelgeving wordt vastgesteld door het
                    college.</al><al>De gemeente dient bij het verlenen van een subsidie rekening te houden met de
                    EU-regelgeving rond staatssteun.</al><tussenkop>Artikel 18 Premie</tussenkop><al>De Wwb regelt in artikel 31 lid 2 sub j de eenmalige maximale premie die door
                    het college kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling. </al><al>Deze premie is onbelast en telt dus ook niet mee bij de toepassing van
                    inkomens-afhankelijke regelingen. Dit is alleen het geval als in datzelfde jaar
                    geen onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk is verstrekt.</al><al>In deze verordening is ervoor gekozen het verstrekken van premies in algemene
                    zin te regelen. Het college stelt nadere regels. De gemeente kan haar
                    premiebeleid afstemmen op verschillende activiteiten die in het kader van
                    activering verricht worden en daarbij de hoogte van de premie laten variëren.
                    Ook kan zij besluiten slechts bepaalde doelgroepen te subsidiëren. </al><al>Minder beleidsvrijheid heeft het college bij het toekennen van een
                    stimuleringspremie bij een participatieplaats. Participatieplaatsen zijn
                    tijdelijke werkplekken waarin mensen in het kader van hun re-integratie
                    additionele arbeid verrichten met behoud van uitkering. De grondslag van de
                    participatieplaatsen is artikel 10a van de wet. Op 1 januari 2009 is de Wet
                    stimulering arbeidsparticipatie (STAP) in werking getreden (Stb. 2008, 590 en
                    591). In deze wet wordt een aantal wijzigingen met betrekking tot de
                    participatieplaatsen geregeld. Wijzigingen die ervoor moeten zorgen dat
                    uitkeringsgerechtigden nog beter worden toegerust voor de arbeidsmarkt en die
                    regelen dat ook het UWV voor haar uitkeringsgerechtigden over
                    participatieplaatsen kan beschikken.</al><al>De uitkeringsgerechtigde op een participatieplaats heeft na zes maanden en
                    vervolgens iedere zes maanden recht op een premie, tenzij hij onvoldoende
                    meewerkt aan de arbeidsinschakeling. Met de Wet STAP is het mogelijk gemaakt om
                    de premie tweemaal per jaar te verstrekken. Voor de hoogte van de premie is
                    aangesloten bij het bestaande premie-instrument binnen de Wwb en dit is maximaal
                    2196 euro per jaar (bedrag per 1 januari 2009). Het gaat hier om de premie zoals
                    bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j van de Wwb.</al><al>De gemeenteraad legt de regels over de stimuleringspremie vast in een
                    verordening. In deze verordening moet in ieder geval rekening worden gehouden
                    met de hoogte van de premie die bij de participatieplaats wordt toegekend, in
                    relatie tot de armoedeval. Om te voorkomen dat een premie doorwerkt in
                    inkomensafhankelijke regelingen, zoals de zorgtoeslag, dient de tweemalige
                    premie in één bedrag te worden uitbetaald.</al><tussenkop>Artikel 19 Voorziening gericht op nazorg</tussenkop><al>Het is belangrijk ervoor te zorgen dat belanghebbenden na uitstroom niet na een
                    korte periode terugvallen in de uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten veel
                    aandacht te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame plaatsing
                    te realiseren. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden
                    ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ongeacht of hiervoor
                    loonkostensubsidie is verleend aan de werkgever.</al><tussenkop>Artikel 20 Overige voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om een bepaalde voorziening die
                    nog niet nader omschreven is, maar gericht op arbeidsinschakeling, tijdelijk of
                    als experiment in te zetten.</al><tussenkop>Artikel 21 Overige vergoedingen</tussenkop><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. Het
                    kan hierbij gaan om de volgende kosten:</al><lijst><li nr="a."><al>Verhuiskosten;</al></li><li nr="b."><al>Reiskosten;</al></li><li nr="c."><al>Kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="d."><al>Kosten van werkaanvaarding.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 22 Beëindigen van een voorziening</tussenkop><al>Het artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke
                    gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><tussenkop>Artikel 23 Wet inschakeling werkzoekenden en Besluit In- en
                    doorstroombanen.Omdat de WIW en de I/D-regelgeving per 1 januari 2004 zijn
                    vervallen is het noodzakelijk de lopende afspraken met WIW-ers, inleners en
                    I/D-werkgevers te borgen. Het betreft hier een beperkte groep belanghebbenden
                    die niet uitgebreid wordt. </tussenkop><al>De belanghebbenden, de voormalig WIW-ers, hebben een arbeidsovereenkomst die in
                    stand is gebleven onder de Wwb. Bij Nota van wijziging op de Invoeringswet Wwb
                    was geregeld dat de aanstelling naar burgerlijk recht gehandhaafd blijft voor
                    deze groep. Voor werknemers in vaste dienst kan de arbeidsovereenkomst in
                    theorie doorlopen tot het 65ste levensjaar van de werknemer. Voor WIW-ers met
                    een tijdelijke arbeidsovereenkomst geldt dat na afloop ervan wordt bepaald of
                    een voorziening in het kader van de Wwb wordt ingezet. Dit hoeft geen nieuwe
                    arbeidsovereenkomst te zijn, maar een vorm van ondersteuning die adequaat
                    is.</al><tussenkop>Artikel 24 Onvoorziene omstandighedenDit artikel behoeft geen nadere
                    toelichting. </tussenkop><tussenkop>Artikel 25 HardheidsclausuleDe hardheidsclausule is ook van toepassing op
                    de nadere regels (bij of krachtens deze verordening). </tussenkop><tussenkop>Artikel 26 Citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere
                    toelichting.</tussenkop><tussenkop>Artikel 27 Inwerkingtreding </tussenkop><al>In het eerste lid wordt de inwerkingtreding van de verordening geregeld. De
                    verordening kan pas in werking treden nadat ze is bekendgemaakt. De
                    Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2005 wordt ingetrokken.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>