<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88636_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch gemeenteblad, 03-06-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukIII/Artikel44/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 44</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukVI/Artikel95/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 95 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel147/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukVI/Artikel96/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 96</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukVI/Artikel97/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 97</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukVI/Artikel98/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 98</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukVI/Artikel99/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 99</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-05-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-05-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>rechtspositie, wethouders, raadsleden, commissieleden</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR331012_1">Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lopik,gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid,
                        95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet,gelet op het Rechtspositiebesluit
                        wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden,</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening</al><al>Verordening rechtspositie wethouders,raads- en commissieleden 2007 </al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling
                                    van 20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van
                                    het Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt.212;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="h."><al>Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste
                            lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk
                            aan door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties voor
                            de geldende gemeenteklasse het vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste
                                    lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is
                                    gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                    Koninkrijksrelaties voor de geldende gemeenteklasse het
                                    vastgestelde maximum.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding
                                    ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                    loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet
                                    alsdienstbetrekking wordt aangemerkt, is in afwijking van het
                                    eerste lid de onkostenvergoeding gelijkaan het bedrag voor de
                                    geldende gemeenteklasse het vastgestelde maximum, vermeld in
                                    tabel III van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                    geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en
                                    3, naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar
                                    raadslid is geweest.</al></li><li nr="2."><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                    geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                    kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de
                                    gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                    gemeentebestuur vergoed.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:a. bij gebruik
                                    van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een volledige
                                    vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                    reiskosten;b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een
                                    vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                    reiskosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel
                                    b, van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                    vervulling van het raadslidmaatschap.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met
                                    een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste
                                    lid ontvangt het raadslid ten laste van de gemeente op aanvraag
                                    per jaar een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde
                                    daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt
                                    ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software welke het college aan
                                    raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college een raadslid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap voor een
                                    periode van maximaal drie jaar een tegemoetkoming van 30% van de
                                    aanschafwaarde voora. aanschaf van een computer, bijbehorende
                                    apparatuur en software, ofb. gebruik van een eigen computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software. Daarbij wordt ten hoogste
                                    uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende
                                    apparatuur en software welke het college aan raadsleden in
                                    bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="4."><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="5."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                    aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor
                                    de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt
                                    kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel
                                    geldende spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                    aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor
                                    de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt
                                    kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel
                                    19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                    raadslid gebruik maakt van de wettelijke
                                    levensloopregeling.</al></li><li nr="4."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                    aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor
                                    de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt
                                    kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van
                                    de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van het
                                    raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel vaste
                                    onkostenvergoeding verminderd met de vergoeding voor de fiets
                                    als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of
                            gedeeltelijkearbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van
                                    die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li><li nr="2."><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het
                                    Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt
                                    en de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit
                                    ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer
                                    dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de
                                    gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag
                                    van 8% van de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de
                                    werkzaamheden over de tijd van de waarneming.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                                    als bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden bedraagt € 175 per jaar.</al></li><li nr="2."><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                    kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                    tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid
                                    van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is
                                    geweest.</al></li><li nr="3."><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                    geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li><li nr="4."><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                                    vervalt als de tegemoetkoming van de ziektekosten voor
                                    ambtenaren wordt afgeschaft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven
                                    van toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10
                                    van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap
                                    en bevalling of ziekte, met dien erstande dat de
                                    onkostenvergoeding die dit raadslid op grond van artikel 3,
                                    eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag
                                    dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                    lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van
                                    toepassing op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter
                                    vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X10 van de
                                    Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en
                                    bevalling of ziekte.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor de geldende
                            gemeenteklasse het vastgestelde maximum, vermeld in artikel 25 van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al/><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van dewethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in
                                    artikel 15 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van
                                    andere dan de in artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de
                                    gemeente gemaakt.De vergoeding betreft:a. bij gebruik van
                                    openbare middelen van vervoer en van een taxi: een volledige
                                    vergoeding van de reiskosten;b. bij gebruik van een eigen
                                    personenauto: de vergoeding als bedoeld in artikel 4, onderdeel
                                    b, van de Regeling rechtspositie wethouders;c. een vergoeding
                                    van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfkosten.</al></li><li nr="2."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                    wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                    gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de
                                    eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de
                                    reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder plaats
                                    overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling binnenland,
                                    artikel 2a van de Reisregeling buitenland en artikel 13a van de
                                    krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                    Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                    Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                    reis- en verblijfkosten vergoed. </al></li><li nr="2."><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                    zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf
                                    toestemming van het college vereist. De gemeenteraad kan aan
                                    deze toestemming voorwaarden verbinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                    uitoefening van het ambt van wethouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van zijn
                            ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld die
                            bestemd is voor zakelijk gebruik.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het
                                    gemeentelijk personeel geldende spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld
                                    in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                    wethouder gebruik maakt van de wettelijke
                                    levensloopregeling.</al></li><li nr="4."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                    artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar
                                    keuze van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                    onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                    vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                    Uitvoeringsregeling.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten lastevan de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                    commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het
                                    door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                                    voor de geldende gemeenteklasse het vastgestelde maximum..</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene
                                    die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de
                                    werkzaamheden als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet
                                    ontvangt.</al></li><li nr="3."><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                    commissiea. als raadslid of wethouder;b. uit hoofde van dan wel
                                    als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke
                                    hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling die
                                    grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;c. als
                                    vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie
                                    of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens
                                    in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is
                                    en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de
                                    commissie is benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van
                                    de vergaderingen van de commissie vergoed.De vergoeding
                                    betreft:a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van
                                    een taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                    gemaakte noodzakelijke reiskosten;b. bij gebruik van een eigen
                                    vervoermiddel: een vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                    noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                    4,onderdeel b, van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                    redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                    reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                    Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad
                                    toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het
                                    buitenland. De gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden
                                    verbinden.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of
                                    vanwege de gemeente georganiseerd.</al></li><li nr="3."><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                    rekening van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                    seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                    vervulling van het commissielidmaatschap.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Computer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het commissielid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het commissielidmaatschap een
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met
                                    een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste
                                    lid ontvangt het raadslid ten laste van de gemeente op aanvraag
                                    per jaar een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde
                                    daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt
                                    ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software welke het college aan
                                    raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college commissielid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap voor een
                                    periode van maximaal drie jaar een tegemoetkoming van 30% van de
                                    aanschafwaarde voora. aanschaf van een computer, bijbehorende
                                    apparatuur en software, ofb. gebruik van een eigen computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software. Daarbij wordt ten hoogste
                                    uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                                    bijbehorende</al></li><li nr="4."><al>Apparatuur en software welke het college aan commissieleden in
                                    bruikleen ter beschikking stelt. Het commissielid ondertekent
                                    voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst met de
                                    gemeente.</al></li><li nr="5."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al/><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6,
                                    16, , 19, 24 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                    waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                    kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.
                                    Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid
                                    dient het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                    onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem
                                    aangewezen ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele
                                    bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, , 10,
                                    20 en 24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de
                                    door het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord
                                    ondertekende factuur aan de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door
                                    het begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></li><li nr="3."><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                    begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                    griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                    aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De ‘verordening rechtspositie wethouders en raadsleden
                            2007’ wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op 18 april 2006 en werkt voor wat
                            betreft de artikelen 1 tot en met 11 terug tot en met 16 maart 2006 en
                            voor wat betreft de artikelen 14 tot en met 22 ten aanzien van de op 18
                            april 2006 beëdigde wethouders terug tot en met de dag van hun
                            beëdiging. De artikelen 20 tot en met 22 werken voor zover het de
                            op 16 maart 2006 beëdigde wethouders betreft terug tot en met de
                            dag van hun beëdiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders en raads- en com missieleden 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van gemeente Lopik,
                        gehouden op 10 juli 2007.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>MW. MR. G.M.G. DOLDERS C.W. OVERBEEK </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Nieuwe Toelichting</titel></kop><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende regelingen waren
                    opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen
                    sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders.In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                    in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen.
                    Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in
                    de kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als
                    raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                    treffen.</al><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </vet>In de verordening zijn
                    bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden
                    van gemeentelijke commissies. De grondslag hiervoor is te vinden in de
                    Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of
                    krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten,
                    in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de
                    Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                    wethouders uitsluitend te vinden zijn inrespectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositiewethouders en de
                    plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                    commissieleden.Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering
                    en pensioen aan de Algemenepensioenwet politieke ambtsdragers.Een soortgelijke
                    bepaling als artikel 44 is voor raads- en commissieleden opgenomen in artikel 99
                    vande Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij
                    gemeentelijkeverordening aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in
                    de vorm van vergoedingen entegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is
                    wel de goedkeuring van gedeputeerdestaten vereist.De rechtspositionele
                    aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook uitsluitend te vinden
                    zijnin respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden en deplaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                    commissieleden.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:- de beloning voor de werkzaamheden van
                    raadsleden (artikel 2), waarbij is op te merken dat voor wethouders niets is
                    opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                    Rechtspositiebesluit wethouders;- een vaste algemene onkostenvergoeding voor
                    wethouders en raadsleden (artikelen 3 en 14);- reis- en verblijfkosten van
                    wethouders, raadsleden, waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt
                    tussen woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 15 t/m 17, 22,23 en
                    24);- reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                    verhuisplichtige wethouder (artikel 21)- beschikbaarstelling van computer- en
                    communicatieapparatuur aan wethouders, raads- encommissieleden (artikelen
                    8,19,26) en faciliteiten in de vorm van deelname van wethouders,raads- en
                    commissieleden aan cursussen, congressen e.d. (artikelen 7, 18 en 25);- een
                    aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, zoals voor zowel wethouders
                    alsraadsleden zoals de spaarloonregeling of levensloopregeling (artikelen 9 en
                    19).- de procedure van declareren (artikelen 27 t/m 29).</al><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</vet>Raadsleden zijn
                    niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever.
                    Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschapniet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                    die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006,
                    660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in de kosten van
                    een ziektekostenverzekering worden toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen aan
                    de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage.Omdat er geen dienstbetrekking
                    met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964
                    maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan
                    een raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief
                    werknemerschap (zie hieronder).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van
                    het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de
                    loonbelasting te opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                    Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.<vet>De loon- en
                        inkomstenbelastingOpting in regeling</vet>Raadsleden kunnen opteren voor de
                    loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze
                    loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De administratie
                    van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde
                    wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het
                    raadslid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                    gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente
                    de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen
                    werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden
                    over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De
                    inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen
                    administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                    raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt
                    verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen
                    een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                    vergoeding. Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de
                    levensloopregeling en de fietsregeling</al><al><vet>Fiscale standaardpositie</vet>Als niet voor de loonbelasting wordt
                    geopteerd dan geldt voor het raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting
                    2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van
                    toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan
                    de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben
                    voor de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als
                    onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan
                    de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan
                    onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Zij kunnen niet deelnemen aan
                    de spaarloonregeling en de levensloopregeling en fietsregeling</al><al><vet>Eénmalige keuze per zittingsperiode</vet>Betrokkenen kunnen bij de aangifte
                    inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal
                    wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar
                    inkomen (belastbare resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                    verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden
                    middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische
                    verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot
                    aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit
                    of het raadslid wel of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor
                    hieronder de toelichting op artikel 3).Zoals hierboven naar voren is gekomen kan
                    de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het raadslid
                    ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren
                    kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                    (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op
                    deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft
                    niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de
                    zittingsperiode voor de resterende periode.</al><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet>Voor de uitoefening van het politieke ambt
                    moeten bestuurders niet het eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate
                    vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn,
                    verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin
                    de bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                    terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                    gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de
                    kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de mogelijkheid om zo
                    nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan. Als
                    vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van redeneren:- welke
                    voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering en
                    bestuurskosten);- welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van
                    het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;- kan
                    voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden (indien
                    de loonbelasting geldt);- voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen
                    worden, kan een (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.Voorzieningen die
                    zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering- bruikleen van computer- en
                    communicatieapparatuur;- zakelijk gebruik van dienstauto’s; - deelname aan
                    cursussen en congressen e.d. De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden
                    voorgeschoten door de wethouder of het raadslid maar worden direct door de
                    gemeente voldaan en de voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij
                    vallen derhalve buiten de vergoedingssfeer.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen worden
                    vergoedVoor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft
                    het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het
                    raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan
                    de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen
                    worden vergoed Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                    kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 13 is
                    aangegeven om welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.<vet>Controle en
                        verantwoording</vet>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de
                    besteding van alle andere publieke middelen - transparantie van groot belang.
                    Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                    vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke
                    verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen
                    dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van
                    onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders en over de
                    eventueel verschuldigde belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun
                    functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden
                    omtrent de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er
                    een zodanig sluitende financiële en administratieve organisatie is ingericht dat
                    er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de
                    uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                    opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over
                    de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling
                    van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen.</al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</vet>In het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden voor
                    hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding wordt
                    bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit het
                    maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In artikel 2
                    is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De gemeenteraad
                    kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister vastgestelde
                    maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren:- de raad stelt de
                    raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een percentage tussen 80 en 100
                    van het door de minister vastgestelde maximum;- de raad stelt vast dat een deel
                    van de raadsvergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag maximaal
                    20% van de raadsvergoeding zijn.- de raad stelt een combinatie van bovenstaande
                    mogelijkheden vast.Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden
                    gemaakt tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere
                    raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de
                    verordening in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of eenpercentage daarvan. Raadsleden die
                    een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken hun
                    raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagerearbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid moet
                    bij verordeningworden toegestaan en is opgenomen in artikel 10 van deze
                    verordening.</al><al><vet>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding</vet>Hierin is de vaste
                    vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan het
                    raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van de
                    volgende kostencomponenten:- representatie- vakliteratuur- contributies,
                    lidmaatschappen- telefoonkosten- bureaukosten, porti- zakelijke giften- bijdrage
                    aan fractiekosten- ontvangsten thuis- excursies.</al><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor is vanaf dat tijdstip de mogelijkheid gekomen
                    om specifieke voorzieningen te treffen. De onkostenvergoeding is in verband
                    hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld. De vaste kostenvergoeding kan
                    sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden verstrekt. Om netto het bedrag
                    van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen
                    het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft echter geen betrekking op
                    raadsleden die niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen
                    blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat
                    uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de
                    brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de
                    raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden
                    belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 13 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de
                    onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald, dat
                    echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                    maximum.Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks
                    per 1 januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in
                    de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene
                    zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                    bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al><vet>Artikel 5, 6 en 23 reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</vet>De
                    Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente eenvergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van deGemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- enverblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een
                    beslissingvan het gemeentebestuur. Aan commissieleden kan krachtens artikel 96,
                    eerste lid, van de Gemeentewet echter wel een vergoeding worden gegeven de reis-
                    en verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente.</al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                    Reisregeling binnenland ende Reisregeling buitenland zoals die voor de sector
                    Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voorwethouders de ‘Regeling
                    rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling
                    rechtspositieburgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen zijn
                    in principe dezelfde als in degenoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de
                    minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties heeft door deze specifieke
                    regelingen voor politieke ambtsdragers de mogelijkheidmeer op het ambt
                    toegespitste vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen
                    voorburgemeesters en wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de
                    rijksregeling. Devergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                    verblijfkosten is niet nader ingevuld.Daarmee is dit een lokale aangelegenheid
                    die kan worden vastgelegd in een voor de wethouders doorhet college en voor de
                    raadsleden door de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij
                    eventueelaansluiting gezocht kan worden bij de rijksregelingen. Het is aan te
                    bevelen de lokaleuitvoeringsregelingen op elkaar af te stemmen.</al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                    vergoedingsregeling isopgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
                    aansluiting gezocht bij de vergoedingsregelingvoor wethouders, die, zoals
                    gezegd, overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregelingbinnenland. Daardoor
                    wordt het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt.De
                    vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is ook
                    voor raads- encommissieleden een lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd
                    in een door de raad vast testellen uitvoeringsregeling, waarbij aansluiting
                    gezocht kan worden bij de uitvoeringsregeling voor dewethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.Vergoed kunnen worden de kosten van
                    openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddeleneen kilometervergoeding
                    zoals die voor het rijkspersoneel geldt De vergoeding van de reiskosten methet
                    openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast,
                    ongeacht hetgebruikte vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007 wordt
                    over de kilometervergoedingopgemerkt:Vergoedingen voor reiskosten die u naast de
                    € 0,19 per kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen
                    voor parkeer- en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto,
                    voor het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                    wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen
                    voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen
                    onder de eindheffing. Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor
                    dat hogere deel belast.</al><al><vet>Artikelen 7, 18 en 25 Cursus, congres, seminar of symposium</vet>Zoals
                    hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht en
                    komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in verband
                    hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is gemaakt tussen
                    cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het gemeentelijk
                    belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het individuele
                    raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op eigen
                    initiatief deelneemt. Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de
                    gemeente worden gebracht. Om die redden wordt in het tweede lid het algemeen
                    belang van de cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende
                    voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en
                    een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                    aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                    ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikelen 8 en 26 Computer</vet>Voor de uitoefening van het
                    raadslidmaatschap of het lidmidschap van een commissielid wordt op aanvraag om
                    niet een computer met bijbehorende apparatuur en software in bruikleen
                    beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is bestemd om aan
                    de computer te worden gekoppeld om informatie uit te wisselen. Voorbeelden
                    hiervan zijn een modem, een printer. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                    bruikleenovereenkomst die het raadslid en de wethouder met de gemeente sluit.
                    Het model van die overeenkomst wordt door het college vastgesteld. De grondslag
                    voor deze faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor wethouders
                    en raads- en commissieleden.</al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze geheel
                    of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. Er wordt van uitgegaan dat
                    wethouders en raadsleden de computer niet geheel of nagenoeg geheel zakelijk
                    zullen gebruiken. Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                    terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan gekoppelde
                    tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er gedurende de
                    afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de gemeente beschikbaar gestelde
                    computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de waarde in het economisch
                    verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de
                    waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 30% van de
                    aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat i.v.m. het beschikbaar stellen
                    van de computer belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is overigens belast.
                    Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste
                    en vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal
                    kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. De gemeente bepaalt
                    zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor worden uitgegaan van de
                    aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter beschikking stelt.</al><al>Een andere methode die toegepast kan worden is de volgen, waarbij wordt
                    uitgegaan van eenbruikleen-pc en toebehoren ad € 1.500,- Deze is voor
                    belanghebbende bij wie loonbelasting wordtingehouden toepasbaar omdat het
                    inhoudingspercentage bekend is. Voor de fiscaal zelfstandigen zalofwel het
                    percentage door betrokkene vrijwillig moeten worden aangereikt dan wel dat voor
                    diebelanghebbenden één en hetzelfde percentage wordt toegepast zonder rekening
                    te houden met defeitelijke situatie van betrokkene.De vergoeding wordt berekend
                    aan de hand van de formule: L x T/(100-T), waarin:L = het ter zake van de
                    voorziening tot het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting
                    1964 behorende bedrag;T = het hoogste van de in de tarieftabel van artikel 20a,
                    eerste lid, van de Wet op de loonbelasting1964 opgenomen percentages."</al><al>Cijfermatig uitgewerkt ziet dit er als volgt uit:Fiscale bijtelling voor een ter
                    beschikking gestelde computer is 500.Tarief 52% = € 260. Resulteert netto in (€
                    500 – € 260 =) € 240.Compensatie:L500 x T52% / (100 – T52) = € 541 brutobruto €
                    541 = netto (€ 541 – 52% =) € 260.Recapitulatie :Totaal brutoloon € 500 + € 541
                    = € 1041Totaal netto € 240 + € 260 = € 500Het is ook mogelijk om een vergoeding
                    te geven voor de aanschaf of het gebruik van een eigencomputer. Een compensatie
                    voor belastingheffing is dan echter niet toegestaan. De gemeente bepaaltzelf de
                    hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor worden uitgegaan van de
                    aanschafwaardevan de computer die de gemeente ter beschikking stelt.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd</al><al><vet>Artikel 9 en 20 Spaarloon/levensloop</vet>Raadsleden die gekozen hebben
                    voor het fictieve werknemerschap en wethouders kunnendeelnemen aan de
                    spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling. Een combinatie van beide
                    isniet toegestaan. Evenmin het mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken.
                    Het gaat hier niet omeen rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale
                    faciliteit voor werknemers.Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in
                    verlof, omdat raadsleden noch wethouders in hunpolitieke functie verlof kennen.
                    Het saldo valt bij beëindiging van het ambt vrij en kan wordenmeegenomen naar
                    een andere levensloopregeling.</al><al><vet>Artikel 9a en 20a Fietsregeling</vet>Raadsleden die gekozen hebben voor het
                    fictieve werknemerschap en wethouders kunnendeelnemen aan de fietsregeling. Het
                    gaat hier niet om een rechtspositionele aangelegenheid maar omeen fiscale
                    faciliteit voor werknemers. Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te
                    verstrekken.Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering
                    ten hoogste het bedrag dat inartikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                    2001 is vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                        arbeidsongeschiktheid</vet>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29
                    800 VII, nr. 21) is aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de
                    bevolking dient te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden
                    of te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat
                    indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                    verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit
                    omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                    arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor
                    raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door
                    een raads- vergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte van de
                    wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                    anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van
                    een raadszetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op
                    grond van het artikle12 van Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen
                    gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 10 van
                    de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere
                    vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                    anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al><vet>Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet>Artikel 20 van
                    de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat iemand een
                    werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe werkzaamheden
                    aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in de nieuwe
                    functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
                    kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe
                    betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt
                    gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV
                    voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                    WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er een
                    negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren.</al><al><vet>Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                        gemeenteraad</vet>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het
                    voorzitterschap van de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad
                    kan ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten.
                    In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in
                    artikel 12 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van
                    meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht
                    heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de
                    vaste onkostenvergoeding.</al><al><vet>Artikel 13 Ziektekostenvoorziening</vet>Ongeacht of een raadslid gekozen
                    heeft voor het fictieve werknemerschap of de status van fiscaalzelfstandige moet
                    over de raads- en onkostenvergoeding een inkomensafhankelijke bijdrage
                    wordenbetaald van 4,4%.Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve
                    werknemerschap wordt deze door de gemeenteingehouden; zelfstandigen betalen deze
                    via de inkomstenbelasting. Na afloop van het belastingjaarzal aan de hand van de
                    vaststelling van het maximum inkomen waarover de bijdrage wordt geheven(dus alle
                    belastbare inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden
                    vastgesteldof te veel is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat door de
                    Belastingdienst wordenterugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen van 4,4%.Met
                    terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel 11 van
                    hetRechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld.Dit moet bij verordening worden bepaald. Deze
                    tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG totstand gekomen op verzoek van
                    een groot aantal gemeenten als reactie op de inhouding van
                    deinkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding vermindert. De
                    tegemoetkomingkan worden gezien als een compensatie hiervoor.</al><al><vet>Artikel 13a Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                        bevalling of ziekte</vet>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens
                    zwangerschap en bevalling dan wel wegenslangdurige ziekte. De regeling daarvan
                    is opgenomen in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslidtijdelijk ontslagen
                    wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de
                    vervanger.Er is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het
                    tijdelijk ontslag, de tijdelijkebenoeming en de vaste periode van vervanging is
                    het niet nodig dat tussen beiden een afspraak wordtgemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van16 weken
                    het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging nog
                    even voortte laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een
                    tijdelijk ontslag. Bij inwilliging vandat verzoek, is opnieuw sprake van een
                    periode van 16 weken.In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de
                    voorwaarden opgenomen waaraan moetworden voldaan voor een vervanging, de datum
                    van ingang en beëindiging van de vervanging. Deverklaring van een verloskundige
                    dan wel behandelend arts is bepalend voor de aanvang van devervanging. De
                    benoeming van de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van
                    heteinde van het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor
                    korter zijn dan 16 weken. Naafloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig
                    verzoek of besluit de oude situatie hersteld. Datgeldt zowel voor de hervatting
                    van het raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijkraadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al><vet>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke reiskosten</vet>Voor
                    wethouders is in artikel 14 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                    gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding in 2007 € 0,14 per
                    afgelegde kilometer.</al><al>Ingevolge artikel 15 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2007 € 0,28 per
                    afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan
                    € 0,19, belast.</al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend
                    van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                    Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het
                    Handboek loonheffingen 2007 (§ 18.5.3)wordt over de kilometervergoeding
                    opgemerkt:Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                    betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                    tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen
                    van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik
                    van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-,
                    veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                    eindheffing.</al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen. Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte
                    reiskostenvergoeding voor dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk
                    vastgestelde belastingvrije vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een
                    verstrekte lagere vergoeding dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in
                    mindering mag worden gebracht. Die salderingsmogelijkheid moet wel in een
                    formele vergoedingsregeling zijn vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16,
                    tweede lid. Indien voor het gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt
                    wordt daarbij aangesloten. Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt in
                    iedergeval de salderingsregeling voor het rijkspersoneel. In het volgende
                    voorbeeld wordt toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het salderen en de
                    berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van
                    reiskostenvergoedingen.</al><al>VoorbeeldBetrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240, bestaande uit:- een vergoeding voor
                    10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400 en- een vergoeding voor 3.000
                    kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = € 840.Als er geen salderingsregeling
                    is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak het bovenmatig bedrag van de
                    vergoeding voor de dienstreizen in de heffing betrekken (in totaal 3.000 km x €
                    0,09 = € 270). Als er wel een salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige
                    deze heffing uitstellen (dit is niet verplicht). Saldering leidt dan tot het
                    volgende resultaat: totale reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal
                    aantal kilometers 13.000 = gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per
                    kilometer. Na saldering blijft de vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de
                    totale reisvergoeding onbelast blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’
                    gedeelte van € 0,09 van de dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal
                    3.000 km x € 0,09 = € 270) mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste
                    maand van het nieuwe kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon
                    opnemen: € 270. Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden
                    gesaldeerd. Kilometers die betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer
                    waarvoor een vergoeding in geld is ontvangen, alsmede kilometers die als
                    meerijder zijn afgelegd zonder dat sprake is van vervoer vanwege de werkgever en
                    zonder dat de betrokkene daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens
                    bij de saldering worden betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing
                    over het bovenmatig deel dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld.
                    Afrekening met de fiscus op basis van saldering kan na afloop van een bepaald
                    loontijdvak, maar dient uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het
                    nieuwe kalenderjaar. Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half
                    kalenderjaar of heel kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet
                    definitief is toegekend. In verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in
                    eerste instantie bij wijze van voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de
                    loonheffing over het bovenmatig deel van de in een gekozen periode uitbetaalde
                    reiskostenvergoedingen dient te worden uitgegaan van alle daadwerkelijk
                    afgelegde dienstkilometers, vermeerderd met de daadwerkelijk afgelegde
                    woon/werkkilometers.</al><al><vet>Artikelen 17 Buitenlandse dienstreis</vet>Bij buitenlandse dienstreizen in
                    het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder de in redelijkheid gemaakte
                    werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed. De tarieven in het voor het
                    rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de
                    eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat
                    het om expliciete besluitvorming in het college over buitenlandse reizen en over
                    uitnodigingen daartoe op kosten van derden. Maar ook om bijvoorbeeld de rekening
                    en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als financieel), het meereizen van
                    de partner en het combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of
                    aansluitende) privé-reis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van de gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikel 19 Mobiele telefoon</vet>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de
                    vergoedingen of verstrekkingen van een mobiele telefoongeheel onbelast als het
                    zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt.In de vaste onkostenvergoeding is een
                    component telefoonkosten opgenomen. Voordeeltijdwethouders is dat 12% van de
                    onkostenvergoeding en voor voltijd wethouders 9%. Bij hetverstrekken van een
                    mobiele telefoon kan sprake zijn van overbedeling. De component
                    telefoonkostenkan om die reden verminderd worden. Anderzijds is ook bij
                    wethouders sprake van gebruik van deprivé telefoon voor zakelijke doeleinden.
                    Voor dit doel ontvangen burgemeesters maandelijks brutoeen bedrag van € 25,-.
                    Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component telefoonkosten wordtgekort,
                    deze korting tot een bedrag van € 25,- per maand van de bruto
                    onkostenvergoedingachterwege te laten.</al><al><vet>Artikel 20 Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet>Een wethouder is een
                    werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de spaarloonregeling dan wel
                    de levensloopregeling. Wanneer de wethouder gebruik maakt van de gemeentelijke
                    levensloopregeling is het niet toegestaan een levensloopbijdrage ten laste van
                    de gemeente te verstrekken. De opbouw van de levensloopvoorziening mag
                    uitsluitend ten laste van de wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien wethouders
                    geen verlof kennen, is het slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij de
                    beëindiging van het wethouderschap wordt meegenomen naar een volgende werkgever
                    of dat uitbetaling ineens plaatsvindt.</al><al><vet>Artikel 21 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet>Sinds de
                    dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de gemeenteraad
                    tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet in de
                    gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te gaan
                    wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 21 is geregeld
                    dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al><vet>Artikel 22 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</vet>In
                    dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient.De hoogte van het presentiegeld wordt bij
                    gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari het maximum vast zoals dat is
                    herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid.In artikel 22, eerste
                    lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te bepalen op het door de
                    minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager bedrag vaststellen.Het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de mogelijkheid
                    om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger
                    bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde maximumbedrag.
                    Dat is geregeld in artikel 22, vierde lid, van de verordening. Er kan gekozen
                    worden voor een procentuele verhoging, maar het is ook mogelijk om het bedrag
                    uit een hogere gemeenteklasse te kiezen.</al><al><vet>Artikelen 30 t/m 32 Citeertitel en inwerkingtreding</vet>Gekozen is voor
                    inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde bepalingen tot en
                    met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad. In de meeste gemeenten echter zijn
                    de wethouders pas later benoemd. Ter voorkoming van overgangsbepalingen voor de
                    oude wethouders is gekozen voor intrekking van de oude verordening. Deze
                    intrekking vindt echter pas plaats op het moment van het van kracht worden van
                    de nieuwe verordening. De oude bepalingen hebben daardoor nog steeds werking
                    gehad tot en met het moment van aftreden van de wethouders uit het oude
                    college.</al><al>Bij de inwerkingtreding kan er voor worden gekozen deze bepalingen terugwerkende
                    kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad werd beëdigd
                    respectievelijk de nieuwe wethouders zijn benoemd en beëdigd. Aangezien in de
                    meeste gemeenten de beëdiging van de nieuwe raad en de nieuwe wethouder niet in
                    dezelfde raadsvergadering heeft plaatsgevonden, is gekozen voor een driedeling:-
                    inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden met terugwerkende kracht tot
                    en met 16 maart 2006;- inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met
                    terugwerkende kracht tot en met de dag van hun beëdiging. Voor deze formulering
                    is gekozen zodat voor de aftredende wethouders die op dezelfde dag van
                    rechtswege zijn ontslagen als hun opvolgers de benoeming hebben aangenomen, de
                    oude bepalingen van kracht blijven;- om dezelfde reden is een splitsing gemaakt
                    voor de inwerkingtreding van hoofdstuk V over de procedure van declaratie.-
                    Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                    verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De nieuwe
                    verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de bepalingen
                    over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit de vorige verordening
                    zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van de terugwerkende
                    kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag voor artikel 27a uit
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden (Stb. 2006, 8).</al><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die gehanteerde
                    benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>