<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88577_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang Schiedam 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-11-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeenteraad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang Schiedam 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-10-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-11-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14092004,VR2004/137</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wet kinderopvang</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang Schiedam 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Geconsolideerde tekst van de regeling</vet></al><al/><al>De raad van de Gemeente Schiedam;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 25 van de Wet
                        kinderopvang;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening
                        en de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten
                        van kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al> b e s l u i t:</al><al><vet>vast te stellen de Verordening Wet kinderopvang Schiedam
                        2004</vet></al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al><al>de wet: de Wet kinderopvang.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de
                                            partner en, indien dit een ander adres is dan het adres
                                            van de ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                            kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                            gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen
                                            waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren
                                            kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de
                                            aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt
                                            dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld
                                            in artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                                    Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort
                                tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop
                                    de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst
                                    is genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                    tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                    kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                    tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de
                                    tegemoetkoming voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                    kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een
                                    ouder als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of
                                    tweede lid, onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het
                                    aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs
                                    noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen
                                        de ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak
                                        waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt
                                        bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                    maandelijkse termijnen uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                    bevoorschotting.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                    periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na
                                    ontvangst van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier
                                weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het
                                    bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling
                                    van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                    vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college,
                                    binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle
                                    gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de
                                    aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
                                    van belang zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>HARDHEIDSCLAUSULE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                                bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt
                                tot bijzonder onredelijke gevolgen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet
                                treedt deze verordening in werking 3 dagen na de datum van
                                publicatie ervan in het Gemeenteblad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang
                                Schiedam 2004.</al><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schiedam in zijn
                                openbare vergadering van 25 okt. 2004</al><al>de griffier, de voorzitter,</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al><onderstreept>INLEIDING</onderstreept></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet
                            kinderopvang beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk
                            en zorg te combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op
                            de Wet kinderopvang. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een
                            beroep doen op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten
                            die zij maken voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een
                            deel van de kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de term ‘
                            tegemoetkoming kosten kinderopvang’. </al><al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
                            regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels
                            hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de
                            vaststelling van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering
                            aan deze wettelijke opdracht. </al><al><onderstreept>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE
                                TEGEMOETKOMINGEN</onderstreept></al><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van
                            verstrekking van de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd.
                            Daarbij zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is
                            dat de uitvoeringslasten zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede
                            uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn met de
                            verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn. </al><al><cursief>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven
                                te bevorderen</cursief></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een
                            zogeheten ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond
                            van de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een
                            tegemoetkoming van de gemeente. </al><al>Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de
                            verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de
                            verordening de volgende bepalingen opgenomen: </al><lijst><li nr="-"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die
                                    geen eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te
                                    betalen, wordt aan beperkingen gebonden. In de verordening wordt
                                    bepaald dat bij deze groep ouders de tegemoetkoming wordt
                                    verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat naar
                                    het oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs
                                    noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg mogelijk te
                                    maken.</al></li><li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht
                                    verstrekt. Een gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met
                                    ingang van het tijdstip waarop de aanvraag voor een
                                    tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is genomen.</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                                    kinderopvang plaatsvindt.</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                                    Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde
                                    betalingen die de gemeente van de ouders moet terugvorderen,
                                    beperkt.</al></li></lijst><al><cursief>Tegemoetkomingen voor de duur van een
                            kalenderjaar</cursief></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van één
                            kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen
                            door de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een
                            tegemoetkoming elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering
                            wordt gemaakt voor de gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is
                            dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde
                            periode (bijvoorbeeld de duur van een reïntegratietraject die in het
                            trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het kind naar de
                            basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al><al><cursief>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee
                            stappen</cursief></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen.
                            Hiermee wordt aangesloten bij de Algemene wet bestuursrecht. De eerste
                            stap is de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze
                            beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming een voorwaardelijke
                            aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De aanspraak is
                            voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven nog
                            niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                            kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                            voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                            afdwingbare aanspraak.</al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de
                            tegemoetkoming. In deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de
                            ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het
                            uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van
                            de tegemoetkoming wordt de tegemoetkoming definitief. Voordat de
                            tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de gemeente onderzoek doen naar de
                            rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                            controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum
                            of gastouderbureau op te vragen.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook
                            van toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet
                            gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al><vet>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</vet></al><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college
                            (artikel 26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de
                            gemeente waar de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang).
                            De aanvraag moet schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                            verstrekt moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. </al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                            aantal uren of dagdelen kinderopvang zal ook moeten worden aangevraagd.
                            Een verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de
                            omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder
                            moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel
                            28, derde lid, Wet kinderopvang en artikel 12, eerste lid). </al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte
                            of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang
                            gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor
                            een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder
                            over een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het
                            contract kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen.
                            Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen,
                            moet ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerste
                            lid, Wet kinderopvang).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of
                            een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder
                            behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de
                            ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente
                            over de gegevens beschikt: </al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de
                                    WWB, IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening
                                    gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                    werkzoekende geregistreerd bij het CWI én maakt gebruik van een
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma
                                    volgt;</al></li><li nr="-"><al>oudkomers vanaf het moment dat zij verplicht zijn een
                                    inburgeringstraject te volgen.</al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente
                            moeten verstrekken:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering</al><al>op grond van de Wet inkomensvoorziening</al><al>kunstenaars </al><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog</al><al>niet bereikt, volgt scholing of een opleiding</al><al>en ontvangt algemene bijstand op grond</al><al>van de WWB of kan zo’n uitkering ontvan-</al><al>gen</al><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven</al><al>bij een school of instelling als bedoeld in</al><al>paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoet-</al><al>koming onderwijsbijdragen of in de artikelen</al><al>2.8 tot en met 2.11 van de Wet Studiefinan-</al><al>ciering 2000</al><al>De ouder of diens partner ontvangt een</al><al>WW-uitkering en maakt gebruik van een</al><al>voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehan-</al><al>dicapt en maakt gebruik van een voorzie-</al><al>ning gericht op arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col2"><al> Indien de uitkering wordt verkregen in een </al><al> andere gemeente: naam van deze gemeente</al><al> Bewijs van inschrijving school of opleidings-
                                                instituut</al><al> Bewijs van inschrijving school of opleidings-
                                                instituut </al><al> Trajectplan van het UWV</al><al> Trajectplan van het UWV </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner
                            heeft, deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                            volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is reeds
                            neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de
                            aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een
                            tegemoetkoming. Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen,
                            maar ook voor aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van
                            een tegemoetkoming en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in
                            verband met uitbreiding van de omvang van de kinderopvang. In de
                            verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten hoogste acht weken
                            die eventueel met vier weken kan worden verlengd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal
                            gronden om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden
                            zijn van toepassing. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de
                            tegemoetkoming. Er zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de
                                    gemeente in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie
                                    zal de ouder op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds
                                    kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid
                                    bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er
                                    kinderopvang plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de
                            kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                            tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de
                            gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten
                            van artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt
                                    gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment
                            waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van
                            de tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                            verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                            terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst
                            is genomen. </al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van
                            toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren
                            kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het
                            moment dat de aanvraag daarvoor door het college in ontvangst is
                            genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                            Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat
                            de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende
                            jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een
                            aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen.
                            Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode
                            recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een
                            reïntegratietraject voor een bepaalde periode volgt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                            tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet
                            de omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria
                            die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze
                            recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen
                            aan het aantal uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt
                            verstrekt. Dit past in het systeem van de wet waarin de ouder zélf
                            bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met de
                            combinatie van arbeid en zorg. </al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de
                            kosten van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de
                            inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het
                            zogeheten ’Koa-kopje’, zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en
                            tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij deze ouders zet de
                            hoogte van de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat
                            in tegenstelling tot ouders die wél een (inkomensafhankelijke) eigen
                            bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte van
                            die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar kinderopvang. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in
                            de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming
                            enigszins beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij
                            de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen
                            hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid
                            die hij verricht te kunnen combineren met zorgtaken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag
                            van de tegemoetkoming wordt vastgesteld.In de beschikking moet
                            onder andere de wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden
                            vermeld (onderdeel f). Artikel 9 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt
                            in de vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat
                            in de beschikking de verplichtingen van de ouder worden opgenomen.
                            Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht te verstrekken van de feitelijke kosten van
                                    kinderopvang over deze periode;</al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot
                                    en met derde lid, Wet kinderopvang.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                            voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                            waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen
                            (indien de aanvraag het gehele tegemoetkomingsjaar betreft). </al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al
                            dan niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de
                            gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum
                            of gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien
                            niets aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het
                            bedrag gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau,
                            er blijft sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan
                            de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften
                            te stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo
                            kan het college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op
                            basis van een factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het
                            college zou zo’n voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan
                            of een ouder daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie
                            (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve
                            vaststellen houdt in dat het college op eigen initiatief de
                            tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het
                            vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de
                            periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                            overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te
                            verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend,
                            dient het overzicht van de kosten uiterlijk vier weken na 31 december
                            bij het college te worden ingediend. Het overzicht van de kosten kan
                            zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of
                            gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van maandoverzichten.
                            Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming
                            vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar
                            de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                            controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum
                            of gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald
                            wat precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft
                            aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de
                            beschikking tot verlening van de tegemoetkoming geldt als het
                            uitgangspunt voor het vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent
                            dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het aantal uren
                            kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                            is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de beschikking tot
                            vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van een
                            lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                            tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan
                            ook betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op
                            grond van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te
                            betalen deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger
                            bedrag heeft uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het
                            te veel betaalde bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in
                            artikel 38 Wet kinderopvang (zie ook de toelichting bij artikel12).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in
                            artikel 28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang.
                            Volledigheidshalve wordt deze verplichting hier herhaald. </al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders
                            van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De
                            houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en
                            wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een
                            ouder op de tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                            onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                    geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot
                                    gemeentelijke doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                            onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan
                            het college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van
                            de tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                            terugvorderen. Ook is mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke
                            boete aan de betreffende ouder op te leggen. Hieronder wordt op de twee
                            maatregelen nader ingegaan.</al><al><cursief>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                                tegemoetkoming</cursief></al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming
                            in de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en
                            teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: a.
                            de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de
                            situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of
                                wijzigen van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                                (artikel 4:48
                            </cursief><cursief>Awb</cursief><cursief>)</cursief></al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                            beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele
                            van de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of
                                    niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                    verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige
                                    gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                    volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                    verlening van de tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                                    ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                            subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                            bepaald.</al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56
                                </cursief><cursief>Awb</cursief><cursief>)</cursief></al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot
                            dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of
                            gewijzigd. Het college kan al eerder besluiten de betaling van de
                            tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het
                            college de verplichting tot betaling van een voorschot opschorten met
                            ingang van de dag waarop het college aan de ouder schriftelijk kennis
                            geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking
                            tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze
                            opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de
                            intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de
                            kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn
                            verstreken.</al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of
                                wijzigen van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49
                                </cursief><cursief>Abw</cursief><cursief>)</cursief></al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde
                            gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de
                            tegemoetkoming in te trekken of ten nadele van de ontvanger van de
                            tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de volgende gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college
                                    bij de vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op
                                    de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager
                                    dan overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn
                                    vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de
                                    ontvanger van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te
                                    weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van
                                    de tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                    verbonden verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele
                            van de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken
                            sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt. </al><al><cursief>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</cursief></al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                            tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd,
                            kan de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In
                            artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en
                            bijstand (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige
                            toepassing verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit
                            betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden
                            verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het
                            besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal worden
                            teruggevorderd worden vermeld (artikel 60, eerste lid WWB). </al><al><cursief>De bestuurlijke boete</cursief></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het
                            college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De
                            bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang.
                            Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een
                            onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht
                            is op bestraffing van de overtreder (artikel 1, eerste lid, onderdeel t,
                            Wet kinderopvang). Het betreffende bedrag komt toe aan de gemeente
                            (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                            inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de
                            volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                                    inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en
                                    de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn
                                    (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door
                                    het college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede
                                    lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan
                                    het college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot
                                    de vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde
                                    lid, Wet kinderopvang).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete is geregeld in artikel 72, eerste
                            lid, onderdeel c, Wet kinderopvang. Bij het vaststellen van de hoogte
                            van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren.
                            Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de
                            boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin de
                            overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin die
                            persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in
                            elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                            bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende
                            situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                    bestuurlijke boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een
                                    bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                    college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in
                            de artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als
                            strikte toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het
                            afwijken van de bepalingen kunnen de rechten van belanghebbende op basis
                            van deze verordening niet worden aangetast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Omdat het in werking treden van de verordening geen uitstel kan leiden,
                            is besloten om met toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke
                            referendumwet de inwerkingtreding van de verordening niet te laten
                            voorafgaan door de door die wet vereiste termijn van 6 weken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>