<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88488_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering gemeente Midden-Drenthe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-02-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten 6 juni 2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Midden-Drenthe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 147, 149 Gemeentewet, Wet inburgering.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-06-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2007-06-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering gemeente Midden-Drenthe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Midden-Drenthe;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                asielgerechtigden in ieder geval gebruik van de volgende
                                middelen:</al><lijst><li nr="-"><al>mondelinge informatie bij het (intake)gesprek bij de
                                        afdeling dienstverlening, samenlevingszaken;</al></li><li nr="-"><al>schriftelijke informatie via folders;</al></li><li nr="-"><al>persoonlijke informatie via brieven en beschikkingen;</al></li><li nr="-"><al>publicaties in huis aan huisbladen</al></li><li nr="-"><al>algemene informatie via de website van de gemeente
                                        Midden-Drenthe.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de twee jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij bij
                            voorrang een inburgeringsvoorziening kan aanbieden op basis van de
                            volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>De wettelijke verplichting: a. de houder van een
                                    verblijfsvergunning op grond van artikel 28 of 33 van de
                                    vreemdelingenwet 2000, b. geestelijk bedienaar is.</al></li><li nr="2."><al>Nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een uitkering
                                    ontvangen (artikel 19, eerste lid, onderdeel a).</al></li><li nr="3."><al>Oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk, algemene bijstand of
                                    uitkering hebben (artikel 19 eerste lid onder b).</al></li><li nr="4."><al>Het college kan jaarlijks, bij besluit, groepen
                                    inburgeringoplichtingen aanwijzen waaraan zij bij voorrang een
                                    inburgeringvoorziening aanbiedt. In het besluit worden de
                                    criteria benoemd op grond waarvan dit aanbod kan worden
                                    gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening kan, naast datgene dat in de wet is
                                geregeld, een of meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>Trajectbegeleiding</al></li><li nr="b."><al>het houden van jaarlijkse voortgangsgesprekken</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste tien termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Indien het
                                college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt
                                dat in de beschikking vastgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college legt de inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="·"><al>het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus;</al></li><li nr="·"><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="·"><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="·"><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="·"><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan.</al></li></lijst><al>Het college verplicht zich om:</al><al>·tijdens het traject inburgering waar bij geen sprake is van een
                            gecombineerd traject minimaal eens in de 12 maanden de voortgang te
                            controleren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en
                                verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening worden
                                verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen twee weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al
                                dan niet aanvaardt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen vier weken na ontvangst van deze mededeling het
                                besluit tot toekenning van de inburgeringsvoorziening,
                                overeenkomstig het gedane aanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening bevat in
                            ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling; en</al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt <cursief>ten hoogste</cursief> € 200
                                indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie
                                het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze
                                inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt <cursief>ten hoogste</cursief> € 400
                                indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking
                                verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde
                                inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de
                                wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt wordt er geen
                                bestuurlijke boete opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt € 250 indien de inburgeringsplichtige zich
                                binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                tweede lid, bedraagt € 500 indien de inburgeringsplichtige zich
                                binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 1000 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 of bij herhaling op grond van artikel 33 van de wet
                                vastgestelde termijn het inburgeringexamen heeft behaald. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni 2007</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Midden-Drenthe.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 31 mei 2007</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de plv. voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.Pit</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.Bos</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>De Wet inburgering (WI) treedt op 1 januari 2007 in werking en komt in de plaats
                    van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende
                    oudkomersregelingen. De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle
                    onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen
                    en mogen verblijven. </al><al>Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen
                    verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de inburgeringsverplichting is
                    voldaan wanneer het inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben
                    gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. Daarnaast
                    hebben gemeenten de taak aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt
                    inburgeringsplichtigen toe naar het inburgeringsexamen. Ook moeten gemeenten de
                    inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven. Het college moet een
                    bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet
                    houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. </al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen
                            aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen en over de rechten en
                            plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en
                            artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI).</al></li></lijst><al><vet>Regels over de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Artikel 8 WI bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over
                    de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen. Het gaat
                    dan om informatie over de rechten en plichten uit hoofde van de WI en informatie
                    over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die
                    voorzieningen. </al><al><vet>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                    inburgeringsvoorzieningen</vet></al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet extra
                    faciliteiten. Gemeenten krijgen de taak om voor deze groepen
                    inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Het gaat om de
                    volgende vier groepen inburgeringsplichtigen:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een uitkering ontvangen die
                            is aangewezen in het Besluit inburgering;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk, algemene bijstand of
                            uitkering hebben;</al></li><li nr="3."><al>asielgerechtigde nieuw- en oudkomers; </al></li><li nr="4."><al>nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar. </al></li></lijst><al>Aan inburgeringsplichtigen die behoren tot de eerste twee groepen (nieuw- en
                    oudkomers die een algemene bijstand of een nader aangeduide uitkering ontvangen
                    en oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben) kán het
                    college een inburgeringsvoorziening aanbieden (artikel 19, eerste lid, WI). Het
                    college is verplicht een inburgeringsvoorziening aan te bieden aan alle
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- en nieuwkomers) en aan nieuw- en
                    oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar (artikel 19, tweede lid,
                    WI). </al><al>Het aanbod behelst een inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het
                    inburgeringsexamen en het eenmaal gratis afleggen van dat examen. Voor
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening ook
                    uit maatschappelijke begeleiding.</al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan deze vier
                    groepen. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval
                    regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            WI).</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de
                            samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid,
                            onderdeel b, WI).</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder
                            geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het college en
                            de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI).
                        </al></li></lijst><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete </al><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke
                    boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden
                    opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                        gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en
                        de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed
                        te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet
                        inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                        informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                        bepaalt artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                        over de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen,
                        ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van
                        het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                        artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                        inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                        informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af aan de
                        raad. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                        worden vormgegeven. De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen zal
                        niet alleen beschikbaar zijn op het gemeentehuis maar ook op de dislocaties
                        en bij de ketenpartners die betrokken zijn bij de uitvoering van de wet. </al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval)
                        een aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                        inburgeringsplichtigen vorm te geven. Over de doelmatigheid en
                        doeltreffendheid van de informatieverstrekking zal eens per twee jaar worden
                        gerapporteerd.</al><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                        doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                        inburgeringsplichtigen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Artikel 19, eerste lid, WI bepaalt dat het college aan twee groepen
                        inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening kán aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>inburgeringsplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op
                                grond een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
                                socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen
                                ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben.</al></li></lijst><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                        criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan deze twee
                        groepen inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).
                        Dit artikel vorm de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt
                        het college opgedragen om vast te stellen aan welke groepen
                        inburgeringsplichtigen (binnen de twee doelgroepen van artikel 19, eerste
                        lid, WI) bij voorrang een inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden.
                        Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd binnen welke kaders het college
                        tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. </al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst bij voorrang een
                        inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden. Dit betekent dat het college de
                        ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een inburgeringsvoorziening aan te
                        bieden aan inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of groepen
                        die hij heeft aangewezen (maar wel behoren tot de doelgroepen, bedoeld in
                        artikel 19, eerste lid, WI). Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die
                        behoren tot de groep of groepen die het college heeft aangewezen aan deze
                        aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt
                        dit artikel dat het college aan de groepen die hij aanwijst een
                        inburgeringsvoorziening <cursief>kan</cursief> aanbieden. </al><al><cursief>Voorbeelden van criteria die in verordening kunnen worden
                            neergelegd en op basis waarvan het college de doelgroep(en) kan
                            aanwijzen, zijn: </cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>hebben van een opvoedingstaak;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt;
                                </cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>een wijkgerichte aanpak;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>een bepaalde inkomensgrens;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>bevordering van emancipatie van vrouwen.</cursief></al></li></lijst><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad
                        (artikel 169, tweede lid, Gemeentewet) zal het college zijn besluit aan
                        welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een aanbod zal worden
                        gedaan ter kennisname aan de raad aanbieden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                        vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening, met
                        in begrip van de totstandkoming en samenstelling van de
                        inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit
                        artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht
                        heeft voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een
                        op de persoon toegesneden inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                        inburgeringsvoorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid
                        van een inburgeringsvoorziening, zullen de volgende factoren door het
                        college worden meegenomen in de beoordeling:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                                Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                                vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht
                                aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van
                                kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                                bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                        wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                        mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke
                        bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                        opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is
                        wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor
                        een inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde
                        inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens
                        arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd
                            <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een
                        inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die
                        bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op grond van een andere
                        socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling
                            <onderstreept>én</onderstreept> die verplicht is om arbeid om arbeid te
                        verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Indien in deze
                        specifieke situatie geen reïntegratievoorziening wordt aangeboden, kan de
                        gemeente derhalve geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het college is
                        verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                        inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van
                        artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen dat
                        de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de reïntegratievoorziening.
                        Aangezien deze voorzieningen in het kader van de uitkeringsverstrekking op
                        grond van socialezekerheidswetten of –regelingen ook door andere partijen
                        dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het college afspraken moeten
                        maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of
                        –regeling: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                        eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                        onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                        aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in
                        ieder geval moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het
                        inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen (artikel
                        19, derde lid, WI). Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én
                        nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel
                        uit van de inburgeringsvoorziening (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft
                        de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de
                        inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan aanbieden, wordt
                        gedacht aan trajectbegeleiding of het periodiek houden van
                        voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. </al><al>Indien blijkt dat hieraan behoefte bestaat kan in een later stadium ook kan
                        worden gedacht aan een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm
                        van een maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                        verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. In de
                        trajectbegeleiding is het onderdeel maatschappelijke oriëntatie
                        opgenomen.</al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                        belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen inburgeringsvoorziening
                        krijgen aangeboden in combinatie met een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling. Bij voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen
                        dergelijke faciliteiten reeds een vast onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                        praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                        getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                        inburgeringsvoorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van
                        deze vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een belangrijke
                        rol vervullen. Hiervoor wordt de inburgeringsplichtige een portfolio
                        aangeboden waarin de vorderingen en behaalde resultaten kunnen worden
                        vastgelegd. Teven bevat deze informatie over de gemeente en de partners die
                        bij het inburgeringstraject een rol spelen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                        inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college
                        en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De
                        hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit
                        bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23,
                        tweede lid, WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de
                        inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal
                        termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij
                        inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het
                        college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college wil
                        overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de beschikking tot
                        toekenning van de inburgeringsvoorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                        college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                        houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                        geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze
                        van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt
                        dus niet in deze verordening geregeld. </al><al>De wet biedt geen mogelijkheid om af te zien van het opleggen van een eigen
                        bijdrage. Dit zou mogelijk de aanvaarding van een aanbod kunnen
                        belemmeren.</al><al> Om de drempel zoveel mogelijk weg te nemen wordt voorgesteld de eigen
                        bijdrage in maximaal 10 termijnen te laten betalen. Betaling ineens of in
                        minder termijnen is natuurlijk altijd mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt
                        dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten
                        van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is
                        vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de
                        verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen
                        in het kader van een inburgeringsvoorziening op te leggen. Het college legt
                        in de beschikking tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening deze
                        verplichtingen vast. </al><al>Tevens wordt hierin vastgelegd dat tenminste elke 12 maanden de voortgang
                        van het inburgeringstraject middels een voortgangsgesprek zal worden
                        beoordeeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen
                        dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang
                        omdat een zodanig aanbod de start is van een procedure die – als het goed is
                        – leidt tot een besluit tot het toekennen van een inburgerings-voorziening.
                        In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod
                        van een inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige op
                        schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres
                        waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze
                        kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het college de
                        inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                        uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met
                        het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot de
                        toekenning van de inburgeringsvoorziening (die eenzijdig door de gemeente
                        wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als
                        het aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige
                        het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                        meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                        mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                        inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente
                        meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet op
                        zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod
                        van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane
                        aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                        inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                        voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er
                        geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het
                        inburgeringsexamen moet hebben behaald. Het college zal in een dergelijke
                        situatie een handhavingsbeschikking nemen, dit is een besluit op grond van
                        artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de
                        inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf
                        jaar na aanvang van deze termijn). Het verdient de aanbeveling dat het
                        college deze handelwijze vastlegt in beleidsregels, zodat tevoren voor
                        betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de gevolgen zijn van het
                        weigeren van een aanbod voor een inburgeringsvoorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een
                        beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft
                        tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt
                        geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden
                        neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de daaraan
                        verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten
                        worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht
                        zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de
                        inburgeringsvoorziening (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is
                        alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk
                        zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de
                        beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                        hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, WI). In de
                        beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                        (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                        termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                        plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                        bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het
                        college een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet
                        het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de
                        termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22,
                        tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen vijf jaar ná deze datum moet de
                        betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan
                        zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van
                        start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                        bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de inburgeringsvoorziening
                        van start gaat). De precieze datum waarop de inburgeringsvoorziening van
                        start gaat, zal niet altijd bekend zijn op het moment dat deze wordt
                        toegekend. Bovendien past het vaststellen van een datum van aanvang van
                        handhaving van de inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop
                        met de inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het uitgangspunt van
                        de wet dat de betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in
                        beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen van het
                        inburgeringsexamen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                            overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                        bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen
                        kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende
                        overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De
                        gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan
                        ook lagere bedragen vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen
                        en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de
                        bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de
                        mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het
                        college daarbij ook zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder
                        de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid, WI). <cursief>Deze
                            bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                            bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is – de mate
                            van verwijtbaarheid - , gelet op de individuele omstandigheden van de
                            betrokken inburgeringsplichtige. </cursief></al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en
                        inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                        (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens
                        te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een
                        bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een maatregel op
                        grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of het opleggen van
                        een boete of maatregel op grond van een andere sociale zekerheidswet of –
                        regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor deze samenloop. In dit
                        artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén bestuurlijke boete
                        kan opleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                            overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                        overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                        mogelijk is. </al><al>Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening worden opgenomen
                        als in artikel 9, eerste en tweede lid, lagere maximum boetebedragen zijn
                        opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De verhoogde boetebedragen
                        ingeval van herhaling van de overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan
                        de maximumbedragen die in artikel 34 WI worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                        overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen, bijvoorbeeld
                        12 maanden. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                        bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in
                        het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                        verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen.
                        Dit is geregeld in het derde lid van artikel 10. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                        inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                        boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel
                        9, derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het
                        college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                        inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                        inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen
                        niet heeft behaald, maakt het derde lid van artikel 10 het mogelijk dat het
                        college een hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000
                        (artikel 34, onderdeel d, WI). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking
                        een nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de
                        inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                        inburgeringsexamen niet heeft behaald artikel 33, regelt het derde lid dat
                        het college wederom een hoge bestuurlijke boete kan opleggen. </al><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van
                        maximumbedragen het kader voor het college bij het vaststellen van de hoogte
                        van de bestuurlijke boetes in individuele gevallen. Het college zal binnen
                        deze kaders zelf een beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te bevelen dat
                        het college in beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit ziet: welke
                        boete wordt in beginsel opgelegd bij welke overtreding en met welk bedrag
                        wordt de boete in beginsel verhoogd als de betrokken inburgeringsplichtige
                        dezelfde overtreding nogmaals pleegt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>