<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88326_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2007, 12</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8 en artikel 30, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB07.0005</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt de Toeslagenverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 9 juni 2004.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet
                                    nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                    werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                            verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                            verzorgingstehuis; </al></li><li nr="c."><al>belanghebbende(n) degene(n) wiens belang rechtstreeks
                                            bij een besluit is betrokken;</al></li><li nr="d."><al>minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in
                                            artikel 8 eerste lid van de Wet minimumloon en
                                            minimumvakantiebijslag verminderd met de daarover
                                            verschuldigde loonheffing en ziekenfondspremie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend geldt
                                    een categorieaanduiding. De categorieën worden aangeduid
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar. In
                                    geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    alleen indien beide echtgenoten of daarmee gelijkgestelden, 21
                                    jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar zijn.</al></li><li nr="3."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 van de wet laten de toepassing
                                    van artikel 18 eerste lid van de wet onverlet.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening voorziet niet in een verlaging ten aanzien van
                                    schoolverlaters zoals genoemd in artikel 28 van de wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet
                                    bedraagt 20% van het minimumloon voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet
                                    bedraagt 10% van het minimumloon voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                                    hoofdverblijf hebben.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van voorgaande wordt de toeslag voor een
                                    alleenstaande van 21 en 22 jaar op grond van artikel 29 van de
                                    wet afwijkend vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande van 21 jaar bedraagt de toeslag
                                            10% en voor de alleenstaande van 22 jaar 15% in wiens
                                            woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande van 21 én 22 jaar bedraagt de
                                            toeslag 5% in wiens woning één of meer anderen hun
                                            hoofdverblijf hebben;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
                                    niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
                                    zijn hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar
                                            met een inkomen lager dan of gelijk aan 50% van het
                                            minimumloon;</al></li><li nr="b."><al>kinderen van 18 jaar of ouder met studiefinanciering op
                                            grond van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="c."><al>kinderen van 18 jaar of ouder met een tegemoetkoming op
                                            grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                            schoolkosten;</al></li><li nr="d."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                            verzorgd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10%
                                    van het minimumloon die een woning delen met één of meer
                                    anderen.</al></li><li nr="2."><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging wegens woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>15% van het minimumloon indien een woning wordt bewoond waaraan
                                    voor de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten
                                    verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>15% van het minimumloon indien geen woning aangehouden
                                    wordt;</al></li><li nr="c."><al>de verlaging genoemd onder a en b vindt plaats op de
                                    toeslag.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                            2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze gewijzigde verordening treedt in werking met ingang van 1
                                    april 2007.</al></li><li nr="2."><al>De Toeslagenverordening vastgesteld op 9 juni 2004 wordt hierbij
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 januari 2007</ondertekening><ondertekening>Mw. mr. G.H. Faber, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>In artikel 8 lid 1 onder c juncto artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald. </al><al>In deze verordening is opgenomen het beleid met toeslagen op en verlagingen van
                    de bijstandsnorm voor de categorieën van belanghebbenden aan wie in de gemeente
                    Den Helder bijstand kan worden verleend. </al><al>In de WWB is niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de toeslag als de
                    norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de toeslag dient
                    plaats te vinden. De reden hiervan is gelegen in de financieringsstructuur van
                    de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Omdat
                    noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt
                    dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht toe te
                    geven, blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de
                    aangewezen volgorde. </al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Er is voor gekozen om de begrippen die zijn omschreven in de WWB of Awb,
                        niet afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval
                        van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de verordening
                        moet worden gewijzigd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de verordening een categoriaal karakter moet
                        hebben. Voor het gebruik van het begrip gehuwden is gekozen, omdat deze term
                        en de hoogte van de daarbij horende norm in de WWB zelf wordt gegeven in
                        artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                        minimumloon. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>De bijstandsnormen voor jongeren van 18 tot 21 jaar zijn wettelijk
                        vastgelegd in de WWB. Het college heeft niet de bevoegdheid deze normen te
                        verhogen met een gemeentelijke toeslag. Wanneer de jongere noodzakelijk
                        zelfstandig wonend is, is de norm ontoereikend voor de kosten van
                        levensonderhoud. In dat geval verstrekt de gemeente aanvullende bijzondere
                        bijstand, zoals is opgenomen in de verordening “Bijzondere bijstand
                        2007”.</al><al>Personen van 65 jaar en ouder ontvangen een hogere bijstandsuitkering dan
                        andere bijstandsgerechtigden, de zogenaamde ouderennorm. De ouderennorm kan
                        niet worden verhoogd met een toeslag of worden verlaagd. </al><al/><al><vet>lid 3</vet></al><al>Op grond van artikel 30 vierde lid van de wet kan het college, in afwijking
                        de bijstand anders vaststellen als dat gelet op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende noodzakelijk is. Om
                        hierover bij de uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te
                        laten bestaan is de individualiseringsplicht expliciet opgenomen. </al><al/><al><vet>lid 4</vet></al><al>Artikel 28 geeft het college de mogelijkheid om de normen voor
                        schoolverlaters die recentelijk de deelname aan onderwijs of
                        beroepsopleiding hebben beëindigd, tijdelijk te verlagen. Het college heeft
                        hiervoor niet gekozen. Dit dient echter wel in de verordening opgenomen te
                        worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>De hoogte van 20% van het minimumloon als hoogte van de toeslag voor de
                        alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 tweede lid onder a
                        van de wet. </al><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de
                        alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat
                        betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet
                        het geval is, wordt de bijstandsnorm verhoogd met een toeslag. Voor het
                        bepalen van de toeslag worden alle extra algemeen noodzakelijke
                        bestaanskosten in aanmerking genomen die de alleenstaande of de
                        alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een
                        gezamenlijke huishouding voert. </al><al>Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zijn)
                        maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben
                        omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen.
                        Bij de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
                        geconfronteerd kan vooral gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen,
                        zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan diverse
                        andere kosten, zoals heffingen, belastingen, verzekeringen etc.</al><al>Bij de beoordeling of belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft
                        is in voorkomende gevallen niet bepalend of de kosten ook feitelijk met
                        anderen worden gedeeld, maar of het (gegeven de omstandigheden) redelijk is
                        ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de
                        situatie dat een hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een
                        ongewenste gebruikersruimte van bijstandsmiddelen ontstaan als de hoogte van
                        de toeslag ervan afhankelijk is of de medebewoner (hoewel deze ertoe
                        financieel in staat is) ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten.
                        Hiertoe wordt gesproken van het “kunnen delen” van de kosten. Met deze
                        omschrijving wordt uitdrukkelijk <cursief>niet</cursief> beoogt aan te geven
                        dat van de belanghebbende kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn
                        woonsituatie aanpast om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen
                        volstaan. </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals
                        gesteld, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en
                        maximaal 20% van het netto minimumloon. Degene die voor een toeslag in
                        aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van
                        kosten die kunnen worden gedeeld en dat er daarom terecht aanspraak op een
                        toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de
                        bijstandsuitkering uit. </al><al>De inlichtingenplicht, zoals opgenomen in artikel 17 van de wet, geldt dan
                        ook voor het toeslagendeel. Belanghebbende zal dan ook door middel van het
                        overleggen van gegevens het recht moeten aantonen. </al><al/><al><vet>id 2</vet></al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                        schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten in uitgebreide zin kunnen
                        worden gedeeld. De kosten van onder andere huur, belastingen, verzekeringen,
                        vastrecht nutsbedrijven en dergelijke, zijn voor personen die een woning
                        delen lager omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden
                        gebracht. Deze schaalvoordelen worden berekend op 10%. </al><al>Ingeval er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten
                        wordt de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op
                        10% van het netto minimumloon. </al><al>Dit is ook van toepassing als meerdere personen in een
                        hulpverleningsinstelling e.d. woonachtig zijn.</al><al/><al><vet>lid 3</vet></al><al>Artikel 29 van de wet geeft het college de bevoegdheid de toeslagen
                        afwijkend vast te stellen. Zonder afwijkende toeslag is het verschil met het
                        minimumloon niet of beperkt aanwezig en dat geeft een te geringe stimulans
                        om werk te aanvaarden. Reden om voor 21 en 22 jarigen een afwijkende toeslag
                        te hanteren,</al><al/><al><vet>lid 4</vet></al><al>In het vierde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                        begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                        aannemelijk is dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden,
                        niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben.</al><al>Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan
                        de alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan
                        worden vastgesteld of de onderdelen a, b of c van toepassing zijn. </al><al>In onderdeel d van het vierde lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden
                        eveneens niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun
                        hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om
                        belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere
                        toeslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al><vet>lid 1 </vet></al><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide
                        echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar.
                        Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden.
                        Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet
                        van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. </al><al>Ongeacht het aantal andere personen dat in de woning zijn hoofdverblijf
                        heeft, vindt er een verlaging van 10% van de bijstandsnorm plaats. Dit omdat
                        het in de praktijk dan ook vaak gaat om een grotere en duurdere woning bij
                        meer bewoners van een woning. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>Hier wordt verwezen naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 vierde
                        lid van deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging wegens woonsituatie</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                        verlagen voor zover belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                        het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is
                        aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB.</al><al>In deze verordening wordt niet langer het begrip “woonkosten” gehanteerd,
                        maar “kosten van huur of hypotheeklasten”. Het uitgangspunt voor de
                        verlaging is het bedrag dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
                        Ordening en Milieu hanteert als minimumbedrag bij het toepassen van
                        huurtoeslag (het zogenaamde normbedrag voor de minimum inkomensklasse).
                        Omgerekend naar een percentage van de uitkering bedraagt deze verlaging,
                        afgerond, 15% van het minimumloon. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>In het tweede lid wordt de verlaging geregeld ingeval er door de
                        belanghebbende in het geheel geen woning wordt bewoond, daar hij wordt
                        geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben
                        vanwege het ontbreken van alle woonlasten (in brede zin).</al><al>Gekozen is om deze situatie toch vergelijkbaar te stellen met een
                        belanghebbende die geen huur of hypotheeklasten heeft, daar een dakloze
                        geconfronteerd wordt met de hogere kosten van het op straat leven, zoals de
                        kosten van nachtopvang. De hoogte van de verlaging krachtens dit artikel
                        heeft geen invloed op de wijze waarop de bijstand verleend moet worden.
                        Indien bijstand verleend wordt aan daklozen, kan het college gebruik maken
                        van zijn bevoegdheid om een budgetteringsplicht op te leggen dan wel de
                        bijstand in natura (in de vorm van opvang) te verlenen. </al><al/><al><vet>lid 3</vet></al><al>De korting vindt plaats op de toeslag.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>