<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR88318_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Aansluitverordening 2010 waterschap Hunze en Aa's</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Dagblad van het Noorden, 15-01-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Aansluitverordening 2010 waterschap Hunze en Aa's</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 78, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>628</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Aansluitverordening 2010 waterschap Hunze en Aa's</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Aansluitverordening 2010</vet></al><al/><al>Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa's; </al><al>overwegende dat door het van kracht worden van de Waterwet en intrekking van
                        de Wet verontreiniging oppervlaktewateren de “Aansluitverordening 2002
                        waterschap Hunze en Aa’s” redactioneel niet meer correct is;</al><al>dat met het van kracht worden van de Waterwet alle indirecte lozingen,
                        waaronder de lozingen op een openbaar vuilwaterriool, zijn gereguleerd bij
                        of krachtens de Wet milieubeheer;</al><al>dat het in het openbaar vuilwaterriool ingezamelde afvalwater wordt geloosd
                        op zuiveringstechnische werken in beheer bij het waterschap Hunze en
                        Aa’s;</al><al>dat voor dergelijke lozingen op zuiveringstechnische werken in beginsel geen
                        vergunningplicht geldt op grond van de Waterwet;</al><al>dat in artikel 3.8 Waterwet is aangegeven dat waterschappen en gemeenten
                        zorg dragen voor de met het oog op een doelmatig en samenhangend waterbeheer
                        benodigde afstemming van taken en bevoegdheden waaronder het zelfstandige
                        beheer van inname, inzameling en zuivering van afvalwater;</al><al>dat het de voorkeur van het waterschap heeft om afstemming van taken en
                        bevoegdheden vorm te geven door afvalwaterakkoorden, zodat een
                        vergunningstelsel voor lozing van afvalwater op een zuiveringstechnisch werk
                        van het waterschap in principe kan vervallen;</al><al>dat het overleg met alle inliggende gemeenten over te sluiten
                        afvalwaterakkoorden nog moet worden opgestart, uitwerking maatwerk vereist
                        en derhalve de nodige tijd zal vragen;</al><al>dat afvalwaterakkoorden geen juridische status hebben en dus geen garantie
                        bieden op naleving;</al><al>dat het waterschap Hunze en Aa’s verantwoordelijk is voor de doelmatige
                        werking van de zuiveringstechnische werken en een goede kwaliteit van het
                        effluent;</al><al>dat het waterschap Hunze en Aa’s gehouden is datgene te doen om de
                        uitvoering van zijn taken mogelijk te maken;</al><al>dat de waterschappen om die reden op grond van artikel 78 Waterschapswet de
                        autonome bevoegdheid hebben om verordeningen vast te stellen, zoals een
                        aansluitverordening met daarin de mogelijkheid om via een vergunning
                        voorschriften te stellen voor het afvoeren van afvalwater op
                        zuiveringstechnische werken van het waterschap Hunze en Aa’s;</al><al>dat deze voorschriften voor de houder van de aansluitvergunning enerzijds
                        concrete verplichtingen behelzen en anderzijds een concreet
                        beoordelingskader beogen te scheppen indien de houder als bevoegd gezag
                        ingevolge de Wet milieubeheer op zijn beurt voorschriften stelt ter
                        regulering van indirecte lozingen;</al><al>dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid gewenst is een
                        aansluitverordening te hebben die kan dienst doen als vangnet voor situaties
                        waarin geen afvalwaterakkoord aanwezig is of wanneer een afvalwaterakkoord
                        niet of onvoldoende wordt nageleefd;</al><al>gelet op de artikelen 78 en 84 van de Waterschapswet en artikel 21.7 van de
                        Wet milieubeheer;</al><al/><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al/><al>vast te stellen de Aansluitverordening 2010 waterschap Hunze en Aa's.</al><al>Veendam, 22 december 2010</al><al>Het algemeen bestuur voornoemd,</al><al> Harm Küpers Alfred van Hall</al><al> ,secretaris-directeur ,voorzitter</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>dagelijks bestuur : het dagelijks bestuur van het
                            waterschap</al><al> waaraan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid
                            Waterwet</al><al> is toegekend en dat tevens het beheer voert over een zuiverings-</al><al> technisch werk.</al><al><vet>b.</vet> afvalwater: alle water en/of afvalstoffen waarvan de
                            houder zich</al><al>-met het oog op de verwijdering daarvan- ontdoet, voornemens is</al><al> zich te ontdoen of zich moet ontdoen.</al><al><vet>c.</vet> afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigende of
                            schadelijke</al><al> stoffen, in welke vorm ook, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid
                            Waterwet</al><al><vet>d. </vet>zuiveringstechnische werken: werken in beheer bij het
                            waterschap</al><al> die zijn ingericht en/of worden aangewend voor transport en/of</al><al> behandeling van afvalwater.</al><al><vet>e. </vet>openbaar riool: voorziening voor de inzameling en het
                            transport</al><al> van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de</al><al> Wet milieubeheer die wordt of is aangesloten op een zuiverings-</al><al> technisch werk.</al><al><vet>f. </vet>vervuilingseenheid (v.e.): Eén vervuilingseenheid
                            vertegenwoordigt met betrekking tot:</al><al> A . het zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram
                            zuurstof;</al><al>B . de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper,
                            lood, nikkel, zilver en zink: 1,00 kilogram;</al><al>C. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en
                            cadmium: 0,100 kilogram;</al><al>D . de gewichtshoeveelheden van de stof chloride: 650 kilogram;</al><al>E . de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat: 650 kilogram;</al><al>F . de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor: 20,0 kilogram.</al><al><vet>g. </vet>overdrachtspunt: fysiek punt in het rioolnetwerk waarbij
                            het afvalwater van houder overgaat in het zuiveringstechnisch werk van
                            het waterschap.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aansluitvergunning en Afvalwaterakkoord</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning een openbaar riool aan te sluiten op
                            een zuiveringstechnisch werk en/of afvalwater vanuit een openbaar riool
                            in dit werk te brengen.</al><al>2.Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
                            -hierna te noemenaansluitvergunning- verlenen, weigeren, wijzigen of
                            intrekken, in overeenstemming met de artikelen 6.22 en 6.23
                            Waterwet.</al><al>3.Aan de aansluitvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Deze
                            voorschriften kunnen uitsluitend strekken tot:</al><al>-bescherming van de zuiveringstechnische werken en verzekering van de
                            doelmatige werking daarvan.</al><al>-het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van
                            oppervlakte-waterlichamen waarin met behulp van het in het eerste lid
                            bedoelde zuiveringstechnische werk afvalwater wordt gebracht.</al><al>4.In de aansluitvergunning kan worden bepaald dat zij slechts geldt voor
                            een daarbij vast te stellen termijn.</al><al>5.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien met de
                            vergunninghouder een afvalwaterakkoord is overeengekomen en het
                            afvalwaterakkoord wordt nageleefd.</al><al>6.In een afvalwaterakkoord dienen tenminste de volgende onderwerpen te
                            worden geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>Doelmatig(e) inzameling, transport en zuivering van
                                    afvalwater</al></li><li nr="b."><al>Kwaliteitseisen afvalwater bij overnamepunt</al></li><li nr="c."><al>Voorkomen verontreiniging door diffuse bronnen</al></li><li nr="d."><al>Structureel onderhoud afvalwaterketen</al></li><li nr="e."><al>Situering rioolgemalen en overnamepunt(en) </al></li><li nr="f."><al>Structureel overleg</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Gegevensverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag tot verlening of wijziging van een
                                aansluitvergunning kan de aanvrager in ieder geval worden verplicht
                                de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische gegevens van het rioolstelsel, waaronder mede
                                        begrepen de verschillende aansluitpunten en een
                                        overzichtstekening van het rioleringsgebied;</al></li><li nr="b."><al>het aantal particuliere huishoudens per aansluitpunt dat is
                                        en zal worden aangesloten op de riolering;</al></li><li nr="c."><al>het aantal en de aard van de bedrijven per aansluitpunt die
                                        zijn en zullen worden aangesloten op het openbaar
                                        riool;</al></li><li nr="d."><al>een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheid
                                        afvalwater uitgedrukt in m3/h, gedifferentieerd naar
                                        hoeveelheden droogweerafvoer en regenweerafvoer</al><al>alsmede gegevens over de pompovercapaciteit uitgedrukt in
                                        m3/h;</al></li><li nr="e."><al>een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheden
                                        afvalstoffen per aansluitpunt, uitgedrukt in v.e. en
                                        gedifferentieerd naar inwoners en bedrijven;</al></li><li nr="f."><al>per aansluitpunt het aantal hectares verhard oppervlak
                                        waarvan het afvloeiend hemelwater wordt afgevoerd via het
                                        openbaar riool;</al></li><li nr="g."><al>gegevens over de in het kader van beheer en onderhoud van
                                        het rioolstelsel te ondernemen activiteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag om de aansluitvergunning maakt deel uit van de
                                vergunning, voorzover dat in de vergunning is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag alsmede de in het eerste lid bedoelde gegevens worden in
                                zevenvoud verstrekt.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al/><al>1.Op verzoek van het dagelijks bestuur verstrekt de houder van een
                            aansluitvergunning aan het dagelijks bestuur alle hem ter beschikking
                            staande informatie voorzover deze van belang kan worden geacht voor de
                            bescherming van de in artikel 2, derde lid, genoemde belangen.</al><al>2.Indien door de samenstelling en/of hoeveelheid van het afvalwater, dat
                            vanuit het openbaar riool in het zuiveringstechnisch werk wordt
                            gebracht, een verstoring van de doelmatige werking van het betreffende
                            zuiveringstechnische werk optreedt of dreigt op te treden en/of nadelige
                            gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam
                            ontstaan of dreigen te ontstaan, is de houder van de aansluitvergunning
                            verplicht op verzoek van het bestuursorgaan onverwijld de gegevens te
                            verstrekken die nodig zijn om de oorzaken hiervan te achterhalen.</al><al>3.In gevallen, als bedoeld in het tweede lid, kan het dagelijks bestuur
                            de houder van de aansluitvergunning in ieder geval opdracht geven opgave
                            te doen van hetzij direct hetzij indirect op het openbaar riool
                            aangesloten bedrijven en instellingen.</al><lijst><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde opgave kan de volgende gegevens
                                    betreffen:</al></li><li nr="a."><al>naam en adres van de bedrijven en instellingen.</al></li><li nr="b."><al>aard en omvang van elk bedrijf of instelling afzonderlijk.</al></li><li nr="c."><al>vermelding van de aard en samenstelling van het afvalwater en
                                    een raming van de jaarlijks te lozen hoeveelheden
                                    afvalstoffen.</al></li><li nr="d."><al>afschrift van reeds verleende vergunningen of ontheffingen
                                    krachtens de Wet milieubeheer dan wel afschrift van een melding
                                    als bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer voorzover
                                    deze (mede) betrekking hebben op het lozen van afvalwater
                                    op</al><al>het openbaar riool.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Doorvertalen van voorschriften</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 5</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2, derde lid, kunnen:</al></li><li nr="a."><al>ter verzekering van de nakoming van voorschriften, die in een
                                    vergunning op grond van artikel 6.1, eerste lid, Waterwet zijn
                                    gesteld voor het brengen van afvalwater vanuit het</al><al> zuiveringstechnische werk op een oppervlaktewaterlichaam;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de doelmatige werking van de
                                    zuiveringstechnische werken;</al></li><li nr="c."><al>met het oog op de realisering van de op het ontvangende
                                    oppervlaktewaterlichaam van toepassing zijnde
                                    kwaliteitsdoelstellingen;</al></li></lijst><al>in de aansluitvergunning voorschriften worden gesteld ten aanzien van
                            het brengen van afvalstoffen vanuit het openbaar riool op het
                            zuiveringstechnische werk. Deze voorschriften kunnen in ieder geval
                            betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="A."><al>het stellen van emissiegrenswaarden voor daarbij aan te wijzen
                                    stoffen;</al></li><li nr="B."><al>het stellen van signaleringswaarden voor daarbij aan te wijzen
                                    stoffen.</al></li><li nr="2."><al>Bij het stellen van voorschriften en nadere eisen krachtens de
                                    Wet milieubeheer houdt</al></li></lijst><al> de houder van de aansluitvergunning in ieder geval rekening met de
                            grenswaarden en de</al><al> signaleringswaarden, als bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>1.Indien bij het brengen van afvalwater vanuit het openbaar riool op het
                            zuiveringstechnisch werk een in de aansluitvergunning opgenomen
                            grenswaarde en/of signaleringswaarde als bedoeld in artikel 5, eerste
                            lid, stelselmatig wordt overschreden, doet het dagelijks bestuur hiervan
                            schriftelijk melding aan de houder van de</al><al> aansluitvergunning.</al><al>2.Indien door het dagelijks bestuur een melding, als bedoeld in het
                            eerste lid, is gedaan, kan aan de houder van de aansluitvergunning in
                            ieder geval de verplichting worden opgelegd om door middel van het
                            stellen van voorschriften en/of nadere eisen ten aanzien van nieuwe
                            aansluitingen en lozingen op het openbaar riool of ten aanzien van
                            wijziging van bestaande lozingen, een toename van de geconstateerde
                            overschrijding van de betreffende grenswaarde en/of signaleringswaarde
                            te voorkomen.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Onderzoeksverplichting</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>1.In gevallen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, kan aan de houder
                            van de aansluitvergunning de verplichting worden opgelegd om onderzoek
                            te verrichten naar de oorzaken van de overschrijdingen en naar de
                            mogelijkheden om de overschrijdingen te voorkomen, te beperken of
                            ongedaan te maken.</al><al>2.In de aansluitvergunning kunnen met betrekking tot daarbij aan te
                            geven grenswaarden, signaleringswaarden en afvalstoffen voorschriften
                            worden gesteld ten aanzien van het onderzoek als bedoeld in het eerste
                            lid. Daarbij kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur nadere eisen
                            kan stellen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de termijn waarbinnen en de wijze waarop het onderzoek dient te
                                    worden uitgevoerd;</al></li><li nr="b."><al>de termijn waarbinnen en de wijze waarop de resultaten van het
                                    onderzoek aan het</al><al> dagelijks bestuur dienen te worden overgelegd.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de aansluitvergunning is verplicht op basis van de
                                    resultaten van het onderzoek maatregelen te treffen teneinde de
                                    overschrijdingen, als bedoeld in het eerste lid, ongedaan te
                                    maken, te beperken of te voorkomen. In de aansluitvergunning
                                    kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de wijze
                                    waarop en de termijn waarbinnen de bedoelde maatregelen dienen
                                    te worden uitgevoerd.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Voorbereidingsprocedure</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om verlening,
                            wijziging of intrekking van een aansluitvergunning is afdeling 3.4 van
                            de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Indien en voorzover blijkt dat een houder van een aansluitvergunning
                            door een wijziging of intrekking daarvan schade lijdt, die
                            redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen, zal
                            hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding worden toegekend.
                            Het besluit inzake de toekenning van een schadevergoeding wordt genomen
                            bij afzonderlijke beschikking.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Toezicht en strafbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>1.De door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaren belast met het
                            toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening
                            bepaalde zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun
                            taak noodzakelijk is, bevoegd om:</al><lijst><li nr="a."><al>het afvalwater dat in een openbaar riool wordt getransporteerd
                                    direct voorafgaande aan het brengen van dit afvalwater op een
                                    zuiveringstechnisch werk te meten alsmede monsters daarvan te
                                    nemen;</al></li><li nr="b."><al>zich te doen vergezellen door personen die door hen daartoe zijn
                                    aangewezen, alsmede de benodigde apparatuur mee te brengen.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de aansluitvergunning is verplicht aan de
                                    ambtenaren belast met toezicht, als bedoeld in het eerste lid,
                                    alle medewerking te verlenen die zij met het oog op de
                                    vervulling van hun taak behoeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>1.Overtreding van bij of krachtens deze verordening gestelde
                            voorschriften wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden
                            of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als
                            genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met
                            openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al><al>2.Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde
                            overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling
                            onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het
                            gestelde maximum worden opgelegd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Een aansluitvergunning, verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding
                            van deze verordening, wordt voor de toepassing van deze verordening
                            beschouwd als een aansluitvergunning in de zin van deze
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Deze aansluitverordening treedt in werking op 22 januari 2011 waarbij de
                            tot die datum geldende “Aansluitverordening 2002 waterschap Hunze en
                            Aa’s” komt te vervallen.</al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Aansluitverordening 2010
                            waterschap Hunze en Aa's".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Nota van toelichting</titel></kop><al><vet>Algemeen deel.</vet></al><al>Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet is het verboden zonder
                    vergunning stoffen, in welke vorm ook, in een oppervlaktewaterlichaam te
                    brengen. In het tweede lid van voornoemd artikel is aangegeven dat het eveneens
                    verboden is om zonder vergunning met behulp van een werk, niet zijn de een
                    openbaar vuilwaterriool, stoffen te brengen op een zuiveringstechnisch werk.
                    Lozing vanuit een openbaar vuilwaterriool op een zuiveringstechnisch werk is
                    derhalve niet in de Waterwet verboden. Als zuiveringstechnisch werk moet met
                    name gedacht worden aan een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) die doorgaans
                    door een waterschap wordt beheerd.</al><al>De beheerder van een rwzi heeft voor de lozing van het effluent op
                    oppervlaktewaterlichaam een vergunning nodig op grond van de Waterwet
                    (watervergunning). Een waterkwaliteitsbeheerder verbindt zodanige voorschriften
                    aan deze vergunning dat de op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam van
                    toepassing zijnde kwaliteitsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerd. </al><al>De beheerder van een rwzi is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het
                    effluent. Deze kwaliteit wordt primair bepaald door de samenstelling van het
                    influent en de werking van de rwzi (zuiveringsproces). De samenstelling van het
                    influent wordt uiteraard bepaald door de lozingen, die op het openbaar riool
                    plaatsvinden.</al><al>Regulering vindt voor een deel plaats op grond van de Waterwet. Voor een
                    deelevenwel zijn gemeenten en provincies als Wm gezag verantwoordelijk
                    voor deze lozingen. Het Wm gezag zal het toetsingskader van de Wm moeten
                    toepassen. Daarbij dient het Wm gezag de brongerichte eisen, zoals deze uit het
                    waterkwaliteitsbeleid voortvloeien, in de Wm vergunning op te nemen. Dit heeft
                    tot gevolg dat bijvoorbeeld de emissiegrenswaarden voor zwarte lijststoffen in
                    acht moeten worden genomen. Het Wm gezag zal tevens rekening moeten houden met
                    specifieke omstandigheden: de capaciteit en de technische gegevens van de rwzi
                    waarop de riolering is aangesloten en de functie van het oppervlaktewaterlichaam
                    waarop het effluent van de rwzi wordt geloosd.</al><al>Het belangenkader van de Wm (het belang van de bescherming van het milieu) omvat
                    mede het belang van de doelmatige verwijdering van afvalwater. Bij de
                    totstandkoming van de Wet afvalwater is nadrukkelijk gesteld dat slechts sprake
                    kan zijn van een doelmatige verwijdering van afvalwater, indien het afvalwater,
                    dat vanuit een gemeentelijke riolering op een rwzi wordt gebracht, qua
                    samenstelling en hoeveelheid voldoet aan de eisen, die in een aansluitvergunning
                    zijn gesteld.</al><al>De beheerder van een rwzi kan geen eisen meer stellen die één op één door de
                    gemeente moeten worden doorvertaald naar individuele aansluitingen op het riool.
                    Slechts de gemeente als houder van de aansluitvergunning is aanspreekbaar.</al><al>Opgemerkt zij nog dat een aanvraag om een aansluitvergunning de openbare
                    voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht moet
                    doorlopen, aangezien dit is voorgeschreven in artikel 6.16, eerste lid
                    Waterwet.</al><al>De waterschappen ontlenen de wettelijke basis voor het opstellen van een
                    aansluitverordening aan de artikelen 78 en 84 van de Waterschapswet en artikel
                    6.13 van de Waterwet.</al><al>De Tweede Kamer heeft naar aanleiding van het wetsvoorstel Waterwet geoordeeld
                    dat de waterschappen op grond van artikel 78 Waterschapswet de autonome
                    bevoegdheid hebben om een aansluitverordening op te stellen en een
                    aansluitvergunning te eisen van gemeenten. De Waterwet vormt geen beletsel voor
                    het systeem van aansluitvergunningen op grond van een aansluitverordening, zoals
                    dat is gebaseerd o[p artikel 78 van de Waterschapswet. Het is aan de
                    waterschappen om al dan niet gebruik te maken van dit instrument (Kamerstukken
                    Tweede Kamer 2007-2008, 30818, nr. 6).</al><al>Ten opzichte van de huidige aansluitverordening is het karakter van deze
                    verordening gewijzigd. De nieuwe verordening heeft primair een vangnetfunctie.
                    Het regelen van het aansluiten van de gemeentelijke riolering en het afvoeren
                    van gemeentelijk afvalwater op zuiveringstechnische werken van het waterschap
                    zal namelijk bij voorkeur geschieden door afvalwaterakkoorden te sluiten met
                    gemeenten. Deze lijn past in de afspraken die tussen de Vereniging van
                    Nederlandse Gemeenten en de Unie Van Waterschappen zijn gemaakt in het kader van
                    samenwerking in de afvalwaterketen. Zodra afvalwaterakkoorden zijn gesloten
                    vervalt automatisch de vergunningplicht op grond van deze verordening. </al><al>Gelet op het feit dat de aansluitverordening tevens onderwerpen regelt,
                    waaromtrent bepalingen zijn opgenomen in (onder meer) hoofdstuk 10 van de Wm, is
                    ook artikel 21.7 van de Wm in dit kader relevant.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting. </titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In dit artikel is een aantal begripsomschrijvingen opgenomen. Door de
                        verstrekkende invloed van de Wm op de Waterwet is het niet meer mogelijk om
                        louter en alleen de definitiebepalingen en systematiek van de Waterwet te
                        hanteren. De diverse begripsomschrijvingen zijn dan ook zowel aan de
                        Waterwet als aan de Wm ontleend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De tekst van lid 1 spreekt voor zich.</al><al>De bevoegdheid in lid 2 tot het wijzigen van een vergunning maakt een actief
                        vergunningenbeleid mogelijk. Een reden om de voorschriften aan te vullen of
                        te wijzigen kan liggen in een verandering van de inzichten of omstandigheden
                        na de verlening van de aansluitvergunning. Gedacht wordt aan aangescherpte
                        eisen in de watervergunning, ontwikkelingen op Europees niveau of andere
                        oorzaken die bij een behoorlijk en zorgvuldig kwalitatief
                        oppervlaktewaterlichaambeheer niet kunnen worden veronachtzaamd. De
                        bescherming van de zuiveringstechnische werken als vermeld in lid 3 omvat
                        met name de bescherming tegen de feitelijke aantasting van de
                        transportleidingen, gemalen en onderdelen van de rwzi zelf. Een bekend
                        voorbeeld vormt in dit verband de aantasting van de leidingen door te hoge
                        concentraties sulfaat in het afvalwater.</al><al>Het begrip 'doelmatige werking' moet ruim worden opgevat. Doelmatige werking
                        omvat niet slechts een optimaal, efficiënt zuiveringsproces in technische
                        zin. Onder dit criterium vallen ook aspecten als het voorkomen van stank en
                        hinder op de rwzi en het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van
                        zuiveringsslib.</al><al>Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het criterium tevens een zekere
                        bedrijfseconomische betekenis heeft: ook de doelmatige exploitatie van de
                        rwzi, dat wil zeggen de optimale werking en benutting van de aanwezige
                        capaciteit, wordt eronder begrepen.</al><al>In lid 4 is aangegeven dat een aansluitvergunning voor een bepaalde tijd kan
                        worden verleend. Het gaat hierbij om bijzondere situaties, waarbij
                        bijvoorbeeld nader onderzoek nodig is, planvorming meer tijd vraagt of
                        uitvoering van werken is vertraagd.</al><al>In lid 5 staat de belangrijkste wijziging ten opzichte van de
                        Aansluitverordening 2002.</al><al>Geen aansluitvergunning is nodig als een afvalwaterakkoord is gesloten. Door
                        deze bepaling heeft deze verordening het karakter van vangnetfunctie
                        gekregen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>en 4</titel></kop><al>In de voorliggende tekst wordt in de eerste plaats onderscheid gemaakt
                        tussen de eisen inzake de bij de aanvraag te overleggen gegevens (art. 3) en
                        eventueel nadien - los van de vergunningaanvraag- op te leggen
                        informatieplichten (art. 4).</al><al>In de tweede plaats is in artikel 3, eerste lid, weliswaar niet limitatief
                        een aantal onderwerpen opgenomen, waarover gegevens kunnen worden geëist,
                        maar is tevens aan de vergunningverlener de bevoegdheid verleend om hiervan
                        af te wijken (de aanvrager <onderstreept>kan</onderstreept> worden
                        verplicht). De vergunningverlener houdt hierbij zoveel als mogelijk rekening
                        met BRP’s, GRP’s en de gemeentelijke planvormingscycli.</al><al>De gedachte hierachter is dat een waterschap in voorkomende gevallen reeds
                        beschikt over een deel van de gegevens die bij de beoordeling van de
                        aanvraag moeten worden betrokken. In dat geval kan de vergunningaanvrager
                        desgewenst worden toegestaan om slechts de resterende gegevens aan te
                        leveren. Een dergelijke benadering is mogelijk omdat in de verordening niet
                        de openbare procedures van de Awb van toepassing zijn verklaard. Ter inzage
                        legging van een (volledige) aanvrage is daarom niet vereist. Indien echter
                        een waterschap in afwijking van de verordening afdeling 3.4. of 3.5. van de
                        Awb van toepassing wenst te verklaren op de voorbereiding van een
                        aansluitvergunning, zal ten behoeve van derden een volledige, eventueel door
                        het waterschap te completeren aanvraag ter inzage moeten worden gelegd.</al><al>De gegevens die gemeenten op grond van artikel 4.22 Wm moeten verzamelen om
                        een gemeentelijk rioleringsplan op te kunnen stellen, kunnen mede als dienen
                        als basis voor de gegevens die bij de aanvraag om een aansluitvergunning
                        moeten worden overgelegd.</al><al>In het derde lid van artikel 3 is aangegeven dat een aanvraag om vergunning
                        in zevenvoud moet worden ingediend. Afhankelijk van de situatie kan hiervan
                        in overleg met de vergunningverlener worden afgeweken en kan worden volstaan
                        met een lager aantal.</al><al>Artikel 4, eerste lid voorziet in een algemene informatieverplichting.</al><al>Op grond van artikel 4, tweede lid kan het waterschap de gemeente
                        verplichten om onverwijld de gegevens te verstrekken die nodig zijn om
                        oorzaken te achterhalen van een ongewone samenstelling of hoeveelheid van
                        het aangeboden afvalwater. Let wel op de hiervoor vermelde voorwaarde.</al><al>De leden 3 en 4 bevatten een concrete uitwerking van de informatieplicht die
                        het waterschap kan opleggen. Opgemerkt moet worden dat de
                        gegevensverstrekking zich beperkt tot van belang zijnde informatie (zie ook
                        lid 1). Het zal met name veelal gaan om bedrijven met een
                        lozingsvergunning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Artikel 5, eerste lid, vormt in feite een nadere uitwerking van artikel 2,
                        derde lid.</al><al>De reikwijdte van de voorschriften wordt begrensd door het belangenkader van
                        de aansluitverordening. Uiteindelijk zullen voorschriften moeten kunnen
                        worden gerelateerd aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de inhoud van de watervergunning die voor de lozing van het effluent
                                van de zuiveringsinstallatie is verleend;</al></li><li nr="-"><al>de bescherming van de doelmatige werking van de zuiveringstechnische
                                werken;</al></li><li nr="-"><al>de geldende waterkwaliteitseisen voor het ontvangende
                                oppervlaktewaterlichaam.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>en 7</titel></kop><al>Artikel 6 ziet op de situatie dat het afvalwater op het zogenoemde
                        afgiftepunt niet voldoet aan de in de aansluitvergunning gestelde
                        eisen.</al><al>Mogelijk is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                        entreden informatieverplichtingen in werking.</al><al>Artikel 6 ziet specifiek op de situatie dat een gestelde grenswaarde of
                        signaleringswaarde van een bepaalde stof stelselmatig wordt overschreden.
                        Stelselmatig betekent dat sprake is van een vast patroon. Dat patroon kan
                        ontstaan op basis van vaste tijdstippen maar ook op basis van gelijke
                        omstandigheden. Als voorbeelden kunnen worden genoemd: iedere dag om acht
                        uur, altijd in januari, steeds in het oogstseizoen, iedere maand twee maal,
                        bij windkracht 6 of meer, bij vorst, bij hevige regenval, bij temperaturen
                        boven 25° C e.d. Is sprake van stelselmatige overschrijding, dan is het
                        waterschap gehouden de houder van de aansluitvergunning hiervan schriftelijk
                        melding te doen. Deze melding kan vervolgens leiden tot twee verplichtingen
                        voor de betreffende gemeente:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeente kan ingevolge artikel 6, tweede lid worden verplicht om
                                een toename van de geconstateerde overschrijding als gevolg van
                                nieuwe lozingen op het openbaar riool te voorkomen;</al></li><li nr="2."><al>de gemeente kan ingevolge artikel 7 worden verplicht om onderzoek te
                                verrichten naar oorzaken van de overschrijdingen en naar de
                                mogelijkheden om de overschrijdingen ongedaan te maken.</al></li></lijst><al>In de aansluitvergunning of krachtens de aansluitvergunning kan het
                        waterschap terzake tevens nadere voorschriften uitvaardigen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag tot verlening of
                        wijziging van een aansluitvergunning alsmede van een beschikking tot
                        ambtshalve verlening, wijziging of intrekking zijn de bepalingen van
                        dwingend recht van hoofdstukken 3 en 4 van de Awb van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Analoog aan het bepaalde in artikel 7.11 van de Waterwet voorziet artikel 9
                        in de mogelijkheid schadevergoeding toe te kennen aan de houder van de
                        aansluitvergunning indien deze als gevolg van een ambtshalve wijziging of
                        intrekking van de aansluitvergunning schade lijdt die redelijkerwijs niet of
                        niet geheel te zijner laste behoort te komen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Artikel 10 bevat een opsomming van bevoegdheden die aan een toezichthoudende
                        ambtenaar van de waterkwaliteitsbeheerder worden toegekend bij het uitvoeren
                        van toezicht op de naleving van bij of krachtens de aansluitverordening
                        gestelde voorschriften. De bevoegdheden zijn enerzijds beperkt van omvang.
                        Anderzijds is een beperking aangebracht ten aanzien van de plaatsen waarop
                        de bevoegdheden mogen worden uitgeoefend. Zo is meting en bemonstering
                        slechts voorzien op die gedeelten van het openbaar riool die gelegen zijn
                        voor het afgiftepunt via welke het afvalwater op een zuiveringstechnisch
                        werk wordt gebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>In artikel 81 van de Waterschapswet is bepaald welke maximum straf op
                        overtreding van een waterschapsverordening kan worden gesteld. Aangenomen
                        wordt dat de strafrechtelijke handhaving van bij of krachtens de
                        aansluitverordening gestelde voorschriften minder voor de hand zal liggen.
                        Voor het geval dit in voorkomende gevallen toch opportuun is, is een
                        strafbepaling in artikel 11 opgenomen. </al><al>Uiteraard is het bestuur van het waterschap bevoegd om bestuurlijke
                        en/ofbestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten in te zetten in geval
                        van overtreding van voorschriften.</al><al>Bestuursdwang (art 61 van de Waterschapswet en artikel 5.22 Awb) en
                        dwangsom- oplegging (art. 5:32 Awb ) vormen in dit kader de belangrijkste
                        instrumenten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>De inhoud van artikel 12 spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>