<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR87797_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening gemeente Gilze en Rijen 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-02-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Gilze en Rijen, 16 februari 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening gemeente Gilze en Rijen 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 154 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>20 december 2010</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening gemeente Gilze en Rijen 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Gilze en
                            Rijen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Weg:</al><lijst><li nr="1."><al>de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan
                                            liggende en als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, die
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Openbaar water: alle wateren die – al dan niet met enige
                                    beperking – voor het publiek bevaarbaar of anderszins
                                    toegankelijk zijn.</al></li><li nr="c."><al>Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                    staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27,
                                    tweede lid, van de Wegenwet.</al></li><li nr="d."><al>Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap
                                    heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="e."><al>Voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a
                                    en onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                    1990, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                            voertuigen.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                                    werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.</al></li><li nr="g."><al>Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                                    gebezigd of tot woning bestemd.</al></li><li nr="h."><al>Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening 2010 gemeente Gilze en Rijen.</al></li><li nr="i."><al>Gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
                                    van de Woningwet.</al></li><li nr="j."><al>Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage
                                    II, behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.</al></li><li nr="k."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen.</al></li><li nr="l."><al>horecabedrijf behorende bij een paracommerciële instelling,
                                    stichting of vereniging: een rechtspersoon niet zijnde een
                                    naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
                                    aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van
                                    recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve,
                                    levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.</al></li><li nr="m."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.1A voor
                                zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste
                                lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht, artikel 2.1.5.2., artikel 2.1.5.3 of artikel
                                4.3.2.</al><al>Artikel 1.3 Indiening aanvraag </al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                        ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                        aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                        bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen
                                        vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid
                                        genoemde termijn worden verlengd voor ten hoogste acht
                                        weken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>2 Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.</al><al><vet>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                    ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                        ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of
                                        wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter
                                        bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                                        vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij
                                        gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                        termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.7 Termijnen</vet></al><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                                geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing
                                anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich
                                daartegen verzet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te
                                        ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding
                                        gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of
                                        dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is
                                        bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend
                                        bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of
                                        zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegde
                                        bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al><al>Paragraaf 2 Betoging</al><al><vet>Artikel 2.1.2.1 Optochten</vet></al><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, moet daarvan voor de openbare
                                        aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat de betoging
                                        zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven aan de
                                        burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4,
                                        eerste lid, hierover is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                        terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een
                                        zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt
                                        dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen
                                        dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag
                                        is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en
                                    een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het doel van de betoging;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                        van aanvang en van beëindiging;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                        een regelmatig verloop te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al><al>Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken</al><al>Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                                        gedrukte stukken of afbeeldingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan
                                                wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan
                                                wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend
                                                te maken op of aan door het college aangewezen wegen
                                                of gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken
                                                tot bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis
                                                verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of
                                                geschreven stukken en afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                                eerste lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg</al><al>Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</al><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.3</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><al>1 Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids
                                    op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
                                    gedeelten daarvan.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken
                                            tot bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het
                                            verbod.</al><al>Paragraaf 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</al><al><vet>Artikel 2.1.5.1 A: Vergunning voor het plaatsen van
                                                voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                                                publieke functie van de weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning
                                                  van het bevoegd gezag de weg of een weggedeelte
                                                  anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                                  functie daarvan.</al></li><li nr="2."><al>In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd
                                                  bestuursorgaan: het college, of voorzover het
                                                  betreft voor het publiek openstaande gebouwen en
                                                  daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174
                                                  van de Gemeentewet, de burgemeester, of voor zover
                                                  het betreft een activiteit als bedoeld in artikel
                                                  2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet
                                                  algemene bepalingen omgevingsrecht, het bevoegd
                                                  gezag.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan
                                                  worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt
                                                  aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
                                                  van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                  daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor
                                                  het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
                                                  </al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                  hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                  redelijke eisen van welstand; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking
                                                  van overlast voor gebruikers van de in de
                                                  nabijheid gelegen onroerende zaak. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>Artikel 2.1.5.1 B: afbakeningsbepalingen en
                                                  uitzonderingen</al></li><li nr="1."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige
                                                  artikel geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;
                                                  </al></li><li nr="b."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.1;
                                                  </al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel
                                                  5.2.3.2.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige
                                                  artikel geldt tevens niet voor voorwerpen of
                                                  stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                                  geopenbaard.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige
                                                  artikel geldt niet voorzover in het daarin
                                                  geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                  beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                                  wegenreglement. </al></li><li nr="4."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a,
                                                  van het vorige artikel geldt niet voorzover in het
                                                  daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                                  artikel 5 van de Wegenverkeerswet. </al></li><li nr="5."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder
                                                  b,van het vorige artikel geldt niet voor
                                                  bouwwerken; </al></li><li nr="6."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c,
                                                  van het vorige artikel geldt niet voorzover in het
                                                  geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                  milieubeheer. </al></li></lijst><al>Artikel 2.1.5.1C: vrij te stellen categorieën</al><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen
                                            waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel
                                            2.1.5.1 A niet geldt.</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 2.1.5.2 (Omgevings)vergunning voor het
                                                  aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                                  weg</al></li><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                                  vergunning een weg aan te leggen, de verharding
                                                  daarvan op te breken, in een weg te graven of te
                                                  spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                                  veranderen of anderszins verandering te brengen in
                                                  de wijze van aanleg van een weg. </al></li><li nr="2."><al>De vergunning wordt verleend </al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd
                                                  gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij
                                                  een bestemmingsplan, beheersverordening,
                                                  exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; </al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor
                                                  overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
                                                </al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het
                                                  daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                                  Wetboek van Strafrecht , de Wet beheer
                                                  rijkswaterstaatswerken , het Provinciaal
                                                  wegenreglement, de Waterschapskeur, de
                                                  Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                                  Telecommunicatieverordening. </al></li><li nr=""><al>Artikel 2.1.5.3 Maken, veranderen van een
                                                  uitweg</al></li><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het
                                                  bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben
                                                  van een uitweg</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                                  naar de weg. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan categorieën van uitwegen
                                                  aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid
                                                  niet geldt. </al></li><li nr="3."><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
                                                  worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>De bruikbaarheid van de weg</al></li><li nr="b."><al>Het veilig en doelmatig gebruik van de
                                                  weg</al></li><li nr="c."><al>De bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                                  de omgeving;</al></li><li nr="d."><al>De bescherming van groenvoorzieningen in de
                                                  gemeente. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor
                                                  zover in het daar geregelde onderwerp wordt
                                                  voorzien door de Wet beheer
                                                  rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het
                                                  Provinciaal wegenreglement Provincie. </al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 6 </cursief><cursief> Veiligheid op
                                                de weg</cursief></al><al>Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst
                                                  water op de weg te werpen, uit te storten of te
                                                  laten lopen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin
                                                  geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                                  427, aanhef en onder 4<sup>e</sup>,van het Wetboek
                                                  van Strafrecht of artikel 5 van de
                                                  Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die
                                                  winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten
                                                  behoeve van het vervoer van winkelwaren over de
                                                  weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van
                                                  het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in
                                                  de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of
                                                  langs de weg achtergelaten winkelwagentjes
                                                  terstond te verwijderen of te doen
                                                  verwijderen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet
                                                  voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                                  voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of
                                                voorwerp</vet></al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te
                                            brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het
                                            wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan
                                            op andere wijze hinder of gevaar oplevert.</al><al><vet>Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
                                            een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere
                                            afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening,
                                            te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><al>Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d.</al><al>1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                            gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen
                                            gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers
                                            opleveren.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                            het daarin geregelde onderwerp artikel 427, aanhef en
                                            onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al><vet>Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en
                                                natuurterreinen</vet></al><al>1.Het is verboden te roken in bossen, op heide- of
                                            veengronden of binnen een afstand van dertig meter
                                            daarvan gedurende de door het college aangewezen
                                            periode.</al><al>2 Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of
                                            binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover
                                            het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                            voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                            liggen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod
                                                  geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                                  onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef
                                                  en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="4"><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt
                                                  voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in
                                                  gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte,
                                                  erven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk
                                                voorwerp</vet></al><al>1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers
                                            of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei
                                            wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere
                                            scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen
                                            lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                            prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                            voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de
                                            uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte
                                            delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al><lijst><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                                  weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet
                                                  1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor
                                                  zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
                                                  toepassing is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen</vet></al><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een
                                            bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk
                                            beveiligd is tegen neervallen op de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8a</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg en daaraan gelegen voor het
                                        publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen,
                                        knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen
                                        kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                        behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en
                                        munitie en voor zover door het bij zich dragen van
                                        voorwerpen de openbare orde en veiligheid niet in gevaar
                                        komt of kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                    voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                    openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd
                                    of verwijderd.</al><al>2 Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld
                                    in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen
                                    aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al><al>3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet
                                    1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
                                    Privaatrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                            verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                            gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren.</al></li></lijst><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.12</nr><titel>Versperring brandkranen, uitritten e.d</titel></kop><al>.</al><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bioscoopvoorstellingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                    Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.2 en 2.3.3.1 van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een braderie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                    2.1.2.2., op de weg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor eendaagse
                                        evenementen, indien:</al></li><li nr=""><al>a.maximaal 100 personen tegelijkertijd aanwezig zijn of
                                        deelnemen;</al></li></lijst><al>b.het evenement een incidenteel karakter heeft (maximaal twee keer
                                per jaar);</al><al>c.geen versterkte muziek ten gehore wordt gebracht na 21.00 ’s
                                avonds;</al><al>d.het evenement gehouden wordt tussen 10.00 uur ’s ochtends en 24.00
                                uur ’s avonds;</al><al>e.bij gebruik van een tent maximaal 25 personen gelijktijdig in de
                                tent aanwezig zijn;</al><al>f.er geen straten afgesloten worden en ook niet anderszins een
                                belemmering wordt gevormd voor het verkeer en de hulpdiensten;</al><al>g.er geen alcoholische drank wordt
                                    <onderstreept>verkocht</onderstreept>;</al><al>h.omwonenden één week voor aanvang van het evenement schriftelijk
                                worden geïnformeerd.</al><al>i.er een organisator is;</al><al>j.de organisator de burgemeester tenminste 5 werkdagen voorafgaand
                                aan het evenement in kennis stelt met een door de burgemeester
                                vastgesteld meldingsformulier;</al><al>k.binnen 3 werkdagen na ontvangst van het meldingsformulier door de
                                burgemeester geen tegenbericht is verzonden.</al><al>3Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een feest,
                                muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het
                                geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de
                                Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3a</nr><titel>Evenementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                    wanordelijkheden te veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                    andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt op een
                                    zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid
                                    in gevaar komt of kan komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                    behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en
                                    munitie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                    ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de
                                    openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1.Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor
                                    het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig
                                    of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt
                                    verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe
                                    consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf
                                    worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension,
                                    café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of
                                    clubhuis.</al><al>2 Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                    aanhorigheden.</al><al>3.Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                    besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                    horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en
                                    waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                    spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                    verstrekt.</al><al>4 Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een
                                    horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel
                                    2.3.1.2 of 2.3.1.3.</al><lijst><li nr="5."><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:</al></li><li nr="a."><al>de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders
                                            wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn
                                            onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                            artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede
                                            personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het
                                            Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                            dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                            vergunning van de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                            burgemeester de vergunning indien de vestiging of
                                            exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een
                                            geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een
                                            winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                                            voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de
                                            winkelactiviteit. Voor zowel de winkel als het
                                            horecabedrijf gelden de sluitingstijden van de
                                            Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="4."><al>Voorts geldt het eerste lid niet voor:</al></li></lijst><al>a.een horecabedrijf in zorginstellingen;</al><al>b.een horecabedrijf in musea.</al><al>b.Artikel 2.3.1.2a Aanvraag vergunning</al><lijst><li nr="1."><al>Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in
                                            artikel 2.3.1.2 moet een aanvraag worden ingediend aan
                                            de hand van een door de burgemeester vast te stellen
                                            formulier.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt
                                            een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 3
                                            van de Drank- en Horecawet tevens gezien als een
                                            aanvraag in de zin van artikel 2.3.1.2.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht</vet></al><al>b.(vervallen)</al><al>b.<vet>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                            bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te
                                            laten of te laten verblijven op maandag tot en met
                                            vrijdag tussen 02.00 uur en 05.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                            bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te
                                            laten of te laten verblijven op zaterdag, zondag,
                                            carnavalsmaandag en –dinsdag, Koninginnedag en de dag na
                                            een officiële feestdag als bedoeld in het derde lid,
                                            tussen 03.00 uur en 05.00 uur, alsmede tussen 02.00 uur
                                            en 03.00 uur, met dien verstande dat het verbod voor de
                                            tijd tussen 02.00 uur en 03.00 uur niet geldt voor
                                            bezoekers die daarin reeds voor 02.00 uur aanwezig
                                            waren.</al></li><li nr="3."><al>Tweede Paasdag, Koninginnedag, hemelvaartsdag, tweede
                                            pinksterdag en eerste en tweede kerstdag worden voor de
                                            toepassing van het tweede lid aangemerkt als officiële
                                            feestdag.</al></li><li nr="4."><al>Bij de overgang van winter- naar zomertijd is het de
                                            houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers
                                            geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te
                                            laten verblijven tussen 03.00 uur en 05.00 uur, met dien
                                            verstande dat het verbod voor de tijd tussen 03.00 uur
                                            en 04.00 uur niet geldt voor bezoekers die daarin reeds
                                            voor 03.00 uur aanwezig waren.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van lid 1 tot en met 4, is het de houder
                                            van een horecabedrijf behorende bij een paracommerciële
                                            instelling, stichting of vereniging verboden dit voor
                                            bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te
                                            laten of te laten verblijven op maandag tot en met
                                            vrijdag tussen 24.00 en 05.00 uur en op zaterdag en
                                            zondag tussen 00.30 uur en 05.00 uur. </al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan door middel van een
                                            vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen
                                            voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe
                                            behorend terras.</al></li><li nr="7."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het
                                            eerste lid en vijfde lid gestelde verbod.</al></li><li nr="8."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor
                                            zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften
                                            van toepassing zijn.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                                        sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                            veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                            bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor
                                            een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de
                                            krachtens artikel 2.3.1.4 geldende sluitingstijden
                                            vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                            het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                            artikel 13b van de Opiumwet.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten
                                        horecabedrijf</vet></al><al>b.Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                    tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een
                                    op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te
                                    zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al><al>b.Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</al><al>b.Het is verboden in een horecabedrijf de orde te
                                    verstoren.</al><al>b.<vet>Artikel 2.3.1.8 Het college als bevoegd
                                        bestuursorgaan</vet></al><al>b.Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                    inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met
                                    2.3.1.5.</al><al>b.<cursief>Paragraaf 2</cursief><cursief> Toezicht op
                                        inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</cursief></al><al>b.<vet>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>b.In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                            mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                            kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>b.Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of
                                    het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie
                                    dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al><al>b.<vet>Artikel 2.3.2.3 Nachtregister</vet></al><al>b.De houder van een inrichting is verplicht een register, als
                                    bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te
                                    houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester
                                    vastgestelde model.</al><al>b.Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister</al><al>b.Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al><al>b.Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden</al><al>b.<vet>Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor
                                            het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig
                                            of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de
                                            mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen,
                                            waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen
                                            worden gewonnen of verloren. </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester
                                            een speelgelegenheid te exploiteren of te doen
                                            exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: </al></li><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of
                                            de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                            verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen
                                                  dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                                  speelgelegenheid of de openbare orde op
                                                  ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door
                                                  de exploitatie van de speelgelegenheid.</al></li><li nr="b."><al>Indien de exploitatie van een speelgelegenheid
                                                  in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
                                                </al></li></lijst></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten</vet></al><al>1.In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>b.a Wet: de Wet op de kansspelen</al><al>b.b speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a,
                                    van de Wet;</al><al>b.c kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                    c, van de Wet;</al><al>b.d hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder d, van de Wet;</al><al>b.e laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder e, van de Wet.</al><lijst><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                            toegestaan, waarvan maximaal twee
                                            kansspelautomaten.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                            toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in
                                            het geheel niet zijn toegestaan.</al></li></lijst><al>b.<cursief>Paragraaf 4 Toezicht op smartshops, headshops,
                                        growshops, belshops/ belwinkels en internetcafés.
                                    </cursief></al><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>b.In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>smartshop: een winkel waarin de hoofdactiviteit of één
                                            van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in
                                            psychotrope stoffen</al></li><li nr="b."><al>headshop: een winkel waarin de hoofdactiviteit of één
                                            van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in
                                            attributen die samenhangen met het gebruik van
                                            softdrugs, zoals pijpjes en vloeitjes</al></li><li nr="c."><al>growshop: een winkel waarin de hoofdactiviteit of één
                                            van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in
                                            kweekbenodigdheden, zoals meststoffen,
                                            bestrijdingsmiddelen, plantenvoeding, potgrond, lampen,
                                            ventilatiesystemen en waterpompen, bedoeld of kennelijk
                                            bedoeld voor de kweek van hennep, cannabis dan wel
                                            soortgelijke planten</al></li><li nr="d."><al>belshop of belwinkel: inrichting waarin de
                                            hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd
                                            door aan derden gelegenheid te bieden tot elektronisch
                                            berichtenverkeer, (internationaal) telefoonverkeer, dan
                                            wel aanverwante diensten</al></li><li nr="e."><al>internetcafé: inrichting waarin de hoofdactiviteit of
                                            één van de activiteiten wordt gevormd door aan derden
                                            gelegenheid te bieden tot elektronisch berichtenverkeer
                                            dan wel aanverwante diensten</al></li><li nr="f."><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte
                                            waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij
                                            bedrijfsmatig was of anders dan om niet handelingen
                                            en/of werkzaamheden worden verricht die zijn aan te
                                            merken als het exploiteren van een smartshop, headshop,
                                            growshop, belshop/ belwinkel of internetcafé;</al></li><li nr="g."><al>exploitant: degene die een inrichting exploiteert;</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.2 Nadere regels</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd een gebied aan te wijzen
                                            waarbinnen deze afdeling van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                            het maximale aantal inrichtingen, al dan niet
                                            categorisch, binnen het gebied.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.3 Vergunningplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder
                                            vergunning van de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met
                                            een door de burgemeester vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning wordt alleen aan natuurlijke personen
                                            verleend.</al></li><li nr="4."><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de
                                            exploitant, is persoonsgebonden en kan niet worden
                                            overgedragen.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.4 Weigeringsgronden</vet></al><al>b.De vergunning kan worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De exploitant de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft
                                            bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant binnen drie jaar voor de aanvraag een
                                            inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van
                                            (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde,
                                            dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet,
                                            gesloten is geweest;</al></li><li nr="c."><al>de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het
                                            geldende bestemmingsplan;</al></li><li nr="d."><al>de vestiging of exploitatie strijd oplevert met artikel
                                            2.3.4.2, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>naar het oordeel van de burgemeester moet worden
                                            aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving
                                            van de inrichting en/of de openbare orde op
                                            ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                                            aanwezigheid van de inrichting;</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                                        sluiting</vet></al><al>b.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of
                                    meer inrichtingen, tijdelijk andere dan de voor de betreffende
                                    inrichtingen geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijke
                                    sluiting bevelen.</al><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.6 Sluiting</vet></al><al>b.De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een
                                    bepaalde termijn, gesloten verklaren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant handelt in strijd met het bepaalde in de
                                            artikelen 2.3.4.3, eerste lid, of 2.3.4.4, tweede
                                            lid;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant handelt in strijd met de aan de vergunning
                                            verbonden voorschriften.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.7 Aanwezigheid in gesloten
                                    inrichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting
                                            ingevolge de reguliere sluitingstijden, of krachtens een
                                            op grond van artikel 2.3.4.6 dan wel 2.3.4.7 genomen
                                            besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn zich als
                                            bezoeker daarin te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is de exploitant verboden gedurende de tijd dat een
                                            inrichting ingevolge de reguliere sluitingstijden, of
                                            krachtens een op grond van artikel 2.3.4.6 dan wel
                                            2.3.4.7 genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te
                                            zijn, de inrichting voor bezoekers geopend te hebben of
                                            daarin één of meer bezoekers toe te laten of te laten
                                            verblijven.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.8 Intrekking vergunning</vet></al><al>b.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 wordt de vergunning
                                    ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de inrichting door een andere dan de
                                            in de vergunning genoemde exploitant wordt
                                            overgenomen;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant niet of niet langer voldoet aan de bij of
                                            krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b,
                                            en derde lid, van de Drank- en Horecawet aan
                                            leidinggevenden gestelde eisen.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 2.3.4.9 Overgangsbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de exploitant van een inrichting die op de datum van
                                            inwerkingtreding van dit artikel in bedrijf is, wordt
                                            geacht een tijdelijke vergunning voor die inrichting te
                                            zijn afgegeven voor de duur van twee maanden.</al></li><li nr="2."><al>Wordt door de exploitant van een inrichting als bedoeld
                                            in het eerste lid binnen een termijn van twee maanden na
                                            de inwerkingtreding ingevolge artikel 2.3.4.3 vereiste
                                            vergunning aangevraagd, dan wordt de tijdelijke
                                            vergunning als bedoeld in het eerste lid geacht te zijn
                                            verlengd tot het tijdstip waarop door het bevoegd orgaan
                                            op de aanvraag is beslist.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><paragraaf><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de
                                        Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek
                                        toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                        gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
                                        de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                        is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede
                                        lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een
                                            onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te
                                            bekrassen of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                            rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een
                                            onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al></li><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken of op andere wijze aan te
                                            brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van
                                            toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk
                                            voorschrift.</al></li></lijst><al>4 Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen
                                    van meningsuitingen en bekendmakingen.</al><lijst><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
                                            aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
                                            handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het
                                            aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die
                                            geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                            meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde
                                            schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
                                            opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond
                                            ter inzage af te geven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of
                                        openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                        aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof
                                        of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                        materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                        bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te
                                            vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels,
                                            touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap,
                                            voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich
                                            onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                            verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te
                                            verbreken, diefstal door middel van braak te
                                            vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                            voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde
                                            gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn
                                            gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid
                                            bedoelde handelingen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
                                            zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud
                                            zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken
                                            of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of
                                            paden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                        rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de
                                        zijkant van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet indien dat rijden door de
                                        omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin
                                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement
                                        Noord-Brabant van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                        beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                        toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                        afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                        straatmeubilair;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                        weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen
                                        onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van
                                        het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al><al>Artikel 2.4.7a Verplichte route</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de door de burgemeester aangewezen groepen
                                                van personen verboden op door hem aangewezen
                                                tijdstippen van een door hem aangewezen route af te
                                                wijken.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in
                                                het eerste lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik</vet></al><al><cursief>1.</cursief>Het is verboden op de weg, op
                                        een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek
                                        toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                        aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                        alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></li><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                                bedoeld in artikel 1 van de Drank- en
                                                Horecawet;</al></li><li nr="c."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als
                                                bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt
                                                krachtens artikel 35 van de Drank- en
                                                Horecawet.</al><al>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in
                                                gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of
                                                  poort op te houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een
                                                  raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten
                                                  of te liggen.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers
                                                  van flatgebouwen, appartementsgebouwen en
                                                  soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die
                                                  voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                                  zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                                  gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n
                                                  gebouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor
                                                  publiek toegankelijke ruimten</vet></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een
                                                voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op
                                                een voor het publiek toegankelijk portaal,
                                                winkelcentrum, telefooncel, wachtlokaal voor een
                                                openbaarvervoermiddel, parkeergarage,
                                                rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het
                                                publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan
                                                waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.</al><al>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</al><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een
                                                bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een
                                                raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
                                                gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk
                                                  verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of
                                                  dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets
                                                  op markt- en kermisterrein e.d.</vet></al><al>Het is verboden op de door het college of de
                                                burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met
                                                een fiets of bromfiets te bevinden op een door het
                                                college of de burgemeester aangewezen terrein waar
                                                een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                                plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits
                                                dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van
                                                het terrein.</al><al><vet>Artikel 2.4.13. Bespieden van
                                                personen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een
                                                  persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip
                                                  op te houden met de kennelijke bedoeling deze
                                                  persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                                  woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                                  bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een
                                                  verrekijker of enig ander optisch instrument een
                                                  zich in een gebouw, woonwagen of woonschip
                                                  bevindende persoon te bespieden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur</vet></al><al>(vervallen)</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                        te laten verblijven of te laten lopen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                        aangelijnd is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                        speelweide.of op een andere door het college aangewezen
                                        plaats;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een
                                        ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder
                                        duidelijk doet kennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd
                                        in het eerste lid, onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden
                                        niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich
                                        vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden
                                        en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of
                                        indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
                                        gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
                                        zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd is
                                        voor het verkeer van voetgangers;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                        speelweide;</al><al>c. op een andere door het college aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het gebod genoemd in
                                        het eerste lid, onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste
                                        lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of
                                        houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                        onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
                                            hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de
                                            weg of op het terrein van een ander:</al></li><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de
                                            eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die
                                            hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod
                                            in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                            vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                            nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                            bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                            acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het
                                            gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c,
                                            geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat
                                            de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar,
                                            niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of
                                            de buikwand.</al></li><li nr="3."><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder
                                            d, van de Regeling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
                                            een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                            langer is dan 1,50 meter.</al></li></lijst><al>4 Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve
                                    dieren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van
                                        de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde
                                        plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing
                                        van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden
                                        is daarbij aangeduide dieren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan
                                        de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide
                                        dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders
                                        dan met inachtneming van de door het college gestelde
                                        regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan
                                        door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                        gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
                                        tweede lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg
                                    liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden
                                    door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg
                                    niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>Duiven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat
                                        die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00
                                        uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt
                                        tussen 1 maart en 1 juni.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gesteld gebod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Provinciale ophokverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>Bijen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden:</al></li><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                            gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien
                                            op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven
                                            of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter
                                            hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag
                                            uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde
                                            verbod geldt niet voor zover de bijenhouder
                                            rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld
                                            in dat lid.</al></li></lijst><al>4 Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod
                                    geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.</al><al>5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al><al>5.Artikel 2.4.25 Bedelarij</al><al>5.Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of
                                    aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te
                                    bedelen om geld of andere zaken. </al><al>5.<vet>Artikel 2.4.26 Nachtverblijf op of aan de weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg, al dan niet in een
                                            voortuig, te overnachten, dan wel op of aan de weg een
                                            voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of
                                            ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit
                                            als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten
                                            dan wel gelegenheid daartoe te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde
                                            verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>5. <vet>Afdeling 5</vet><vet> Bepalingen ter bestrijding van
                                        heling van goederen</vet></al><al>5.<vet>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>5.In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                            algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                            eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen
                                            of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en
                                            ongeregelde goederen door de handelaar.</al></li></lijst><al>5.<vet>Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
                                        verkoopregister</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                            gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
                                            andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door
                                            of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin
                                            vermeldt hij onverwijld:</al></li><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen –
                                            voorzover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van
                                            het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van
                                            deze verplichtingen.</al></li></lijst><al>5.<vet>Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel
                                        437ter, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht</vet></al><al>5.De handelaar of een voor hem handelend persoon is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437
                                            ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
                                            burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                            schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen
                                            een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens
                                            schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van
                                            het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten
                                            behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van
                                            zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen
                                            drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een
                                            verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of
                                            de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn
                                            onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming
                                            is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en
                                            de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
                                            voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                            waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                            misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren
                                            is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de
                                            onder a bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te
                                            geven aan de burgemeester of een daartoe door de
                                            burgemeester aangewezen ambtenaar;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep
                                            of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                            handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                            functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval
                                            binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                            stellen.</al></li></lijst><al>5.<vet>Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                        goederen</vet></al><al>5.Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden
                                    enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen
                                    dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige
                                    wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed
                                    is op de herkenbaarheid van het goed. </al><al>5.<vet>Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te
                                            laten dat een handelaar of een voor hem handelend
                                            persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft,
                                            verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al></li><li nr="2."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel
                                            2.3.1.1, eerste en tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                            lid.</al></li></lijst><al>5. <vet>Afdeling 6 </vet><vet> Vuurwerk</vet></al><al>5.Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen</al><al>5.In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk:</al><al>5. Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002,
                                    houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                    professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al><al>5.Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                    tijdens de verkoopdagen</al><al>5. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf
                                    is of zal worden gevestigd.</al><al>5.<vet>Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                        jaarwisseling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden vuurwerk te bezigen op een door het
                                            college in het belang van de voorkoming van gevaar,
                                            schade of overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor
                                            publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
                                            gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden
                                            niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                            voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het
                                            Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst><al>5.4 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al><al>5. <vet>Afdeling 7 Drugsoverlast</vet></al><al>5.<vet>Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat</vet></al><al>5.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of
                                    aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen
                                    en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of
                                    daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel
                                    om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of
                                    daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te
                                    leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te
                                    zijn of daarin te bemiddelen.</al><al>5.<vet>Artikel 2.7.2 Openlijk drugsgebruik op of aan de
                                        weg</vet></al><al>5.Het is verboden, op de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                    plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
                                    bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe
                                    te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten
                                    behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te
                                    hebben.</al><al>5. <vet>Afdeling 8</vet><vet> Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>5.<vet>Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding </vet></al><al>5.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de
                                    Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
                                    hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
                                    plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen art.
                                    2.1.1.1, art. 2.1.2.1, art. 2.1.5.1, art. 2.1.5.2, art. 2.1.6.4,
                                    art. 2.1.6.8, art. 2.1.6.8a, art. 2.1.6.11, art. 2.2.3a, art.
                                    2.4.7, art. 2.4.7a, art. 2.4.8, art. 2.4.9, art. 2.4.10, art.
                                    2.7.3, of art. 5.5.1. van de Algemene plaatselijke verordening
                                    van de gemeente Gilze en Rijen groepsgewijs niet naleven.</al><al>5. <vet>Afdeling 9</vet><vet>
                                    Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>5.<vet>Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>5.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de
                                    Gemeentewet bij verstoring van de </al><al>5.openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
                                    ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met
                                    inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                    gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                    veiligheidsrisicogebied.</al><al>5. <vet>Afdeling 10</vet></al><al>5.<vet>Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare
                                    plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                            Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s
                                            voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op
                                            een openbare plaats.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het
                                            eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder
                                            toegankelijke plaatsen:</al></li></lijst><al>5.<vet>Hoofdstuk 3 </vet><vet> Seksinrichtingen, sekswinkels,
                                        straatprostitutie e.d.</vet></al><al>5.Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen</al><al>5.<vet>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>5.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>prostitutie:</cursief> het zich beschikbaar
                                            stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met
                                            een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al><cursief>prostitué(e):</cursief> degene die zich
                                            beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele
                                            handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al><cursief>seksinrichting:</cursief> de voor het publiek
                                            toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of
                                            in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele
                                            handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                            erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                            seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                            seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
                                            parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                                            begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                            combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief>escortbedrijf:</cursief> de natuurlijke
                                            persoon, groep van personen of rechtspersoon die
                                            bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                            was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in
                                            de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al><cursief>sekswinkel: </cursief>de voor het publiek
                                            toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk
                                            goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                            particulieren plegen te worden verkocht of
                                            verhuurd;</al></li><li nr="f."><al><cursief>exploitant:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                            personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                            seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
                                            vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                            rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                            personen;</al></li><li nr="g."><al><cursief>beheerder:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                            personen die de onmiddellijke feitelijke leiding
                                            uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al><cursief>bezoeker:</cursief> degene die aanwezig is in
                                            een seksinrichting, met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                            6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                            wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>5.<vet>Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>5.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
                                        bestuursorgaan<cursief>:</cursief> het college of, voorzover
                                    het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                                    behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    de burgemeester.</al><al>5.<vet>Artikel 3.1.3 Nadere regels</vet></al><al>5.Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                    college over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk
                                    nadere regels vaststellen.</al><al>5.<cursief>Paragraaf 2</cursief><cursief> Seksinrichtingen,
                                        straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke</cursief></al><al>5.<vet>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                            exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het
                                            bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt
                                            in ieder geval vermeld:</al></li><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst><al>5.<vet>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en
                                    beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al></li><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de
                                            exploitant en de beheerder niet:</al></li><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                            Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                                            wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                            eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                            toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 453 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></li><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet
                                            arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en
                                            met 249, 250a (oud), 252, 273, 300 tot en met 303, 416,
                                            417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                            Strafrecht;</al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                            de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere
                                            beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                            gelijk gesteld:</al></li><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                            wordt:</al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf
                                            jaar geen exploitant of beheerder geweest van een
                                            seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een
                                            maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of
                                            waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste
                                            lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem
                                            terzake geen verwijt treft.</al><al>Artikel 3.2.3 Sluitingstijden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor
                                                  bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers
                                                  toe te laten of te laten verblijven:</al><al> op maandag tot en met zondag 02.00 uur en 05.00
                                                  uur;</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een
                                                  voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een
                                                  afzonderlijke seksinrichting andere
                                                  sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden
                                                  zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die
                                                  seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede
                                                  lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid,
                                                  gesloten dient te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde
                                                  geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer
                                                  gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking
                                                sluitingstijden;(tijdelijke) sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid,
                                                  genoemde belangen of in geval van strijdigheid met
                                                  de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
                                                  bestuursorgaan:</al></li><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3,
                                                  eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren
                                                  vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                                  tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                                  bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de
                                                  Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd
                                                  bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde
                                                  besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel
                                                  3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door
                                            exploitant en beheerder</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor
                                                  bezoekers geopend te hebben, zonder dat de
                                                  ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde
                                                  exploitant of beheerder in de seksinrichting
                                                  aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er
                                                  voortdurend op toe te zien dat in de
                                                  seksinrichting:</al></li><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                                  ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                                  (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling),
                                                  XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                                  Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de
                                                  Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen
                                                  in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                                  vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                                  bepaalde.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3.2.6 Straatprostitutie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding,
                                                  woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot
                                                  gebruikmaking van prostitutie te bewegen, uit te
                                                  nodigen dan wel aan te lokken:</al></li><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen
                                                  wegen of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college
                                                  vastgestelde tijden.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste
                                                  lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren
                                                  het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
                                                  bepaalde richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid,
                                                  genoemde belangen kan door politieambtenaren aan
                                                  personen die zich bevinden op de wegen en tijden
                                                  bedoeld in het eerste lid, het bevel worden
                                                  gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                                  te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel
                                                  3.3.2, tweede lid, genoemde belangen personen aan
                                                  wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als
                                                  bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden
                                                  zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                                  openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan
                                                  de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste
                                                  lid.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid
                                                  genoemde verbod indien dat in verband met de
                                                  persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                                  noodzakelijk is.</al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met
                                                  een door de burgemeester opgelegd verbod als
                                                  bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3.2.7 Sekswinkels</vet></al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                            daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college
                                            in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                            leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de
                                            gemeente.</al><al><vet>Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en
                                                aanbrengen van erotisch-pornografische goederen,
                                                afbeeldingen en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak
                                                  verboden daarin of daarop goederen, opschriften,
                                                  aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                                  wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                                  openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan
                                                  te brengen:</al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
                                                  rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                                  tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan,
                                                  de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                                  gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                                  bestuursorgaan in het belang van de openbare orde
                                                  of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet
                                                  van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of
                                                  aanbrengen van goederen, opschriften,
                                                  aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                                  wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                                  gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7,
                                                  eerste lid, van de Grondwet.</al></li></lijst></li></lijst><al>5. <vet>Paragraaf 3 </vet><vet> Beslissingstermijn;
                                        weigeringsgronden</vet></al><al>5.Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de
                                            aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste
                                            lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag
                                            ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten
                                            hoogste twaalf weken verdagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                        geweigerd indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        3.2.2 gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                        stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                        strijd met artikel 273a of f van het Wetboek van Strafrecht
                                        of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of
                                        de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel
                                        de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6,
                                        eerste lid, kan worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting
                                        van het woon- en leefklimaat;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                        prostituee.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                        vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                        seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                        beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                        exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede
                                        lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant
                                        daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het
                                        beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                        bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                        indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                        exploitant heeft besloten de verleende vergunning
                                        overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het
                                        bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is
                                        van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                        het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder
                                        zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede
                                        lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                        besloten.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit horeca-, sport- en
                                        recreatie-inrichtingen milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorschriften 1.1.1., 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de
                                        bijlage onder B van het Besluit gelden niet voor door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit
                                        geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te
                                        wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
                                        wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede
                                        lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt
                                        in een of meer van de volgende delen: Gilze, Rijen, Hulten,
                                        Molenschot</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                        eerste lid aanwijzen.</al><al>Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</al><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal vier
                                                incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
                                                waarbij de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en
                                                1.1.8 uit de bijlage onder B van het Besluit niet
                                                van toepassing zijn mits de houder van de inrichting
                                                ten minste vier weken voor de aanvang van de
                                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                                gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal vier
                                                incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
                                                waarbij het voorschrift 1.5.1 uit de Bijlage onder B
                                                van het Besluit niet van toepassing is mits de
                                                houder van de inrichting ten minste twee weken voor
                                                de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                                kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen
                                                van een kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn
                                                gedaan wanneer het formulier, volledig en naar
                                                waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats
                                                op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan
                                                wanneer het college op verzoek van de houder van een
                                                inrichting een incidentele festiviteit, die
                                                redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                                toestaat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1.4 Verboden incidentele
                                        festiviteiten</vet></al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren,
                                        toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen
                                        indien de burgemeester het organiseren van een incidentele
                                        festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de
                                        woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of
                                        openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. </al><al><vet>Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van
                                                de Wet milieubeheer toestellen of geluidsapparaten
                                                in werking te hebben of handelingen te verrichten op
                                                een zodanige wijze dat voor een omwonende of
                                                overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                                veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing
                                                verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet, voor zover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                                2.4.16, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het
                                                Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening
                                                Noord-Brabant.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1.7a Geluidhinder door bromfietsen
                                        e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich met een motorvoertuig of een
                                                bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een
                                                omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                                ontstaat.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                voor zover de Wet milieubeheer van toepassing
                                                is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1.7b Geluidhinder door vrachtauto’s
                                        </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in
                                                artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels
                                                en verkeerstekens op zodanige wijze te laden of te
                                                lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens
                                                voor de omgeving geluidhinder wordt
                                                veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde
                                                ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                voor zover de Wet milieubeheer van toepassing
                                                is.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 2: Bodem-, weg- en
                                            milieuverontreiniging</vet><vet>Artikel 4.2.1
                                            Straatvegen</vet></al><al> Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                        werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst
                                        aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig
                                        ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij
                                        aangeduide tijdsperiode. <vet>Artikel 4.2.2 Natuurlijke
                                            behoefte doen</vet></al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de
                                        weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor
                                        bestemde inrichting of plaats. <vet>Artikel 4.2.3 Toestand
                                            van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
                                            putten buiten gebouwen</vet></al><al> Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten
                                        buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die
                                        gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de
                                        gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of
                                        voor anderen. </al><al><vet>Afdeling 4</vet><vet> Maatregelen tegen ontsiering en
                                            stankoverlast</vet></al><al><vet>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                            afvalstoffen enz.</vet></al></li></lijst><al>1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of
                                meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen
                                op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met
                                inachtneming van de door hen gestelde regels:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                        voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; </al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                        gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen,
                                        indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt
                                        voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel
                                        doel;</al></li><li nr="d."><al> mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                        een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                        landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; </al></li></lijst><al>2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>3.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door
                                haar aangeduid voorwerp of stof:</al><al>a.op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben;</al><al>b.op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met
                                inachtneming van de door haar gestelde regels.</al><al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening of de Provinciale Verordening Noord-Brabant.</al><al>3.<vet>Artikel 4.4.1a Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                                </vet></al><al>1.Dit artikel verstaat onder: </al><al>a.meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de
                                Meststoffenwet; </al><al>b.emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is
                                aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende
                                bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e
                                gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de mest deze
                                gelijktijdig wordt ondergewerkt'; </al><al>c.grond: bouwland, maïsland en grasland. </al><al>2.Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is
                                het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te
                                doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de
                                volgende feest en gedenkdagen: nieuwjaarsdag, de eerste en tweede
                                Paasdag, de eerste en tweede Pinksterdag, Hemelvaartsdag, de eerste
                                en tweede Kerstdag, 5 mei en de dagen waarop de verjaardag van de
                                koningin en de burgemeester worden gevierd. </al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt
                                aangewend. </al><al>4.Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                gestelde verboden. </al><al>5.Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in
                                volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat
                                verkeren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak
                                handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift,
                                aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt
                                gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. <vet> Artikel
                                    4.4.3 Vergunningsplicht lichtreclame</vet></al><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                                onroerende zaak verlichte handelsreclame te maken of te voeren die
                                vanaf de weg zichtbaar is</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:</al><al>a.indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;</al><al>b.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al>c.De weigeringsgrond van het tweede lid onder a geldt niet voor
                                bouwwerken;</al><al>d.De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al><al>2. <vet>Afdeling 3</vet><vet> Het bewaren van
                                houtopstanden</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een diameter van
                                    minimaal 10 centimeter op 1.30 meter hoogte boven het maaiveld.
                                    In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de
                                    dikste stam.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen, dan wel
                                    een houtopstand zoals vermeld in bijlage A;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld opnieuw op de
                                    stronk uitlopen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten, Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1a</nr><titel>Beschermwaardige bomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente hanteert een lijst met beschermwaardige bomen die
                                    door het college wordt vastgesteld. Deze lijst ligt ten
                                    gemeentehuize ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De lijst met beschermwaardige bomen wordt iedere 5 jaar
                                    bijgewerkt en omvat in ieder geval een voor eenieder goed
                                    herkenbare omschrijving, de standplaats en de reden van
                                    registratie van deze houtopstanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op enigerlei wijze schade toe te brengen aan een
                                    beschermwaardige boom.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                    houtopstand te vellen of te doen vellen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>die staat in het gebied Grote Spie te Rijen, in het gebied Vijf
                                    Eiken te Rijen of in het buitengebied, zoals nader is aangegeven
                                    op bijlage B bij deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die is opgenomen in de 'lijst met beschermwaardige bomen van de
                                    gemeente Gilze en Rijen', zoals vermeld in artikel 4.5.1a;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die staat op gemeentegrond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vruchtbomen, die voor economische doeleinden worden gehouden en
                                    windschermen om boomgaarden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als
                                    kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                    terreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kweekgoed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>houtopstanden die bij wijze van dunning moeten worden geveld of
                                    waaraan regulier onderhoud wordt uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                                    geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een
                                    bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid
                                    vormt die:</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                    gerekend over het totale aantal rijen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de
                                    Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het
                                    college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.5.6.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden
                                    aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene
                                    die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens
                                    publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand
                                    te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het agentschap LASER van het Ministerie van Landbouw,
                                    Natuur en Voedselkwaliteit aan het bevoegd gezag een afschrift
                                    heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in
                                    artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit
                                    afschrift mede als een vergunningaanvraag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan in elk geval geweigerd worden op grond van:</al><lijst><li nr="1."><al>het voorkomen van de boom op de lijst van beschermwaardige
                                        bomen;</al></li><li nr="2."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="3."><al>de dendrologische waarde en zeldzaamheid van de
                                        houtopstand;</al></li><li nr="4."><al>het gegeven dat de houtopstand deel uitmaakt van de
                                        groenstructuur;</al></li><li nr="5."><al>de esthetische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="6."><al>de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="7."><al>de waarde voor recreatie en leefbaarheid van de
                                        houtopstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen
                                    moet worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens
                                    behoren het voorschrift dat van de vergunning eerst gebruik mag
                                    worden gemaakt na het ongebruikt verstrijken van de
                                    bezwarentermijn en indien gedurende deze termijn een verzoek om
                                    voorlopige voorziening is gedaan, nadat op dat verzoek is
                                    beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.6</nr><titel>Herplant- en instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen, als bedoeld
                                    in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze is tenietgegaan,
                                    kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                    waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door het
                                    bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd
                                    gezag te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                    in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig
                                    wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
                                    gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan
                                    wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te
                                    herbeplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven
                                    aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                    met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.5.2, artikel 4.5.5 of artikel 4.5.6 schade
                                lijdt of zal gaan lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek
                                een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor
                                    verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                                    iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door
                                    het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de
                                    aanschrijving vast te stellen termijn:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.9</nr><titel>Vervaltermijn vergunning</titel></kop><al>Een vergunning afgegeven op basis van de artikelen in deze afdeling
                                vervalt indien daarvan niet binnen maximaal 24 maanden na de dag van
                                afgifte gebruik is gemaakt.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al><al>b voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen, bromfietsen;</al></li></lijst><al>3 invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens 1990;</al><lijst><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                        rolstoelen;</al></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                        het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                        gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                        slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></li><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                        toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                        een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer
                                        voertuigen;</al><al> dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al></li></lijst><al>3 Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen,
                                        zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt
                                        voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                        eerste lid genoemde persoon.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2a</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                    weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel
                                    het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                        rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in
                                        een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer..</al></li></lijst><al>Artikel 5.1.5 Caravans e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan,
                                        camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander
                                        dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins
                                        uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                        gebezigd:</al></li><li nr="a."><al>langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de
                                        bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                        dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                        aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></li></lijst><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal
                                wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter binnen de bebouwde kom op de weg te parkeren.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al><al>3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                    te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden
                                        door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of
                                        plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                        groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                        uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                        overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                        terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                        bestemd.</al></li></lijst><al>3 Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen, snuffelmarkten en
                                kermissen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                        daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                        verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook
                                        worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij
                                        het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                        indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
                                        gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                                        liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li></lijst><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of
                                afleveren van goederen op of aan de weg, aan huis dan wel op een
                                andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen
                                plaats, dan wel diensten aan te bieden.</al><al>2.Onder venten wordt niet verstaan:</al><al>a.het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit
                                doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                Winkeltijdenwet;</al><al>b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in
                                artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4 van deze
                                verordening.</al><al>c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in artikel
                                5.2.3.1 van deze verordening.</al><al>2.<vet>Artikel 5.2.2.2 Ventverbod </vet></al><al>2. <vet>Artikel 5.2.2.2 Ventverbod </vet></al><al>Het is verboden te venten zonder vergunning van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.3</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5.2.2.3 geldt niet voor venten met
                                        gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                        worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
                                        de Grondwet.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in
                                        het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al></li><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                        daarvan, en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al><al>3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                        tweede lid.</al><al><vet>Artikel 5.2.3 Standplaatsen</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.3.1 Begripsomschrijving</vet></al></li></lijst><al>1.In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek
                                toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden,
                                verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van
                                goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke
                                middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al><al>2.Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al>d.vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel
                                160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;</al><al>e.vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;</al><al>f.vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                5.2.4.</al><al>2.<vet>Artikel 5.2.3.2 Standplaatsvergunning en
                                    weigeringsgronden</vet></al><al>2. <vet>Artikel 5.2.3.2 Standplaatsvergunning en
                                    weigeringsgronden</vet></al><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats
                                in te nemen of te hebben.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden
                                geweigerd</al><al>a.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;</al><al>b.vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</al><al>2.<vet>Artikel 5.2.3.3 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>2. <vet>Artikel 5.2.3.3 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>2. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen <vet> Artikel 5.2.3.4.
                                Afbakeningsbepalingen</vet></al><al>1.Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover
                                in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al><al>2.De weigeringsgrond overlast geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer;</al><al>3.De weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, onder b, geldt
                                niet voor bouwwerken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.5</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al> Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan,
                                indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een
                                vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is
                                vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het tweede
                                lid, tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning
                                als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al></li><li nr="a."><al>in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het
                                        publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te
                                        organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige
                                        goederen worden verhandeld;</al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven,
                                        dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor
                                        publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een
                                        tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is
                                        ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen
                                        of te verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en
                                        voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in
                                        gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                        Winkeltijdenwet.</al></li></lijst><al>3 Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een
                                krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of
                                    vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                    oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor
                                    het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                    vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Woonschepen</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een woonschip verboden deze te doen of te
                                laten verblijven elders dan </al><al>op een daartoe door het college aangewezen plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale
                                    Vaarwegenverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover het in daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    Vaarwegenverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.8</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
                                        een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich
                                        daarop of daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                            maken<cursief>.</cursief></al><al>Artikel 5.3.9 Veiligheid op een waterplas</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de bestuurder, eigenaar of houder van een
                                                motorvaartuig verboden dit te plaatsen, geplaatst te
                                                houden of hiermee te varen op een door het college
                                                aangewezen waterplas.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om te zwemmen of te baden dan wel
                                                anders de watersport uit te oefenen op een door het
                                                college aangewezen waterplas waar dit naar oordeel
                                                van het college onveilig is.</al></li><li nr="3."><al>Onder motorvaartuig wordt verstaan een vaartuig dat
                                                is bestemd om te worden voortbewogen uitsluitend of
                                                mede door mechanische kracht op of aan het vaartuig
                                                zelf aanwezig.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor vaartuigen die
                                                worden gebruikt voor baggerwerkzaamheden en voor
                                                vaartuigen die worden gebruikt voor de openbare
                                                dienst.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het
                                                eerste en tweede lid gestelde verboden.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 4</vet><vet> Crossterreinen en gemotoriseerd
                                            en ruiterverkeer in natuurgebieden</vet></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Crossterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde,
                                                met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1,
                                                onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel
                                                1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en
                                                verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter
                                                voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                                proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan
                                                deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een
                                                bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig
                                                te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het
                                                verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                                regels stellen voor het gebruik van deze
                                                terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                                aanzien van de omgeving en ter bescherming van
                                                andere milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers
                                                van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
                                                ritten of van het publiek.</al></li></lijst><al>3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat.</al><al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer of het Besluit geluidproductie
                                        sportmotoren.</al><al><vet>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in
                                        natuurgebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                                natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor
                                                recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden
                                                of zich te bevinden met een motorvoertuig als
                                                bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets
                                                als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een
                                                fiets of een paard.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in
                                                het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing
                                                is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van
                                                het gebruik van deze terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                                milieuwaarden;</al></li></lijst><al>c in het belang van de veiligheid van het publiek.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor
                                        fietsers of berijders van paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                                hulpverlening en van andere krachtens artikel 29,
                                                eerste lid, Reglement verkeersregels en
                                                verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en
                                                Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud
                                                of exploitatie van de door het college aangewezen
                                                plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die
                                                krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                                uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters
                                                van percelen gelegen binnen de door het college
                                                aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                                verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts
                                                niet:</al></li><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                                b, van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de provinciale
                                                verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen
                                                stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die
                                                bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als
                                                ‘toestel’.</al></li></lijst><al>5 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al><al><vet>Afdeling 5</vet><vet> Verbod vuur te stoken</vet></al><al>Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                        inrichtingen of anderszins vuur te stoken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te
                                                verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet
                                                milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te
                                                stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al></li></lijst><al>g.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                        dergelijke;</al><al>h.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                        afvalstoffen worden verbrand;</al><al>i.vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen
                                        gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></li></lijst><al>3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al><al>4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden
                                geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al><al>5.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek
                                van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers, e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.1</nr><titel>Gedoogplicht aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van het college, straatnaamborden, daarbij
                                    behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en
                                    wijkaanduidingen, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de
                                    rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van haar voornemen
                                    over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van
                                    straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder
                                    begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.2</nr><titel>Verwijdering e.d. aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5.7.1,
                                    eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen
                                    of onleesbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek
                                    van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende
                                    op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college
                                    vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm
                                    wenst aan te brengen. Het college kan terzake nadere regels
                                    stellen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel daarbij</al><al>gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van
                            ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de </al><al>bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen
                            personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij bekend is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Gilze en Rijen
                                van 31 maart 2003 wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend
                                    krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                                    blijven – indien en voor zover het gebod of verbod waarop de
                                    vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze
                                    verordening – en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                    ingetrokken- nog gedurende drie jaren na de inwerkingtreding van
                                    de verordening van kracht.</al></li><li nr="2."><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                    bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven – indien en voor
                                    zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en
                                    bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en
                                    voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                    gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening
                                    van kracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe
                                    ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel
                                    6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van
                                    inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag
                                    is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de
                                    onderhavige verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                    vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                    voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of
                                    na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen
                                    binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met
                                    toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                    lid.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                    vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                    onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens
                                    een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod
                                    vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten
                                    minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde
                                    termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></li><li nr="6."><al>Gebods of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of
                                    ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet
                                    voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                    lid, zijn niet van toepassing:</al></li></lijst><al>a.gedurende 16 weken na het in werking treden van deze verordening; </al><al>b.ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag
                            heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. </al><al>7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                            heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening
                            genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en
                            voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd
                            ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn
                            vervallen of ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            voor de Gemeente Gilze en Rijen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>