<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR87742_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-11-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.regelgeving.amsterdam.nl/centralestad/verordening_rechtspositie_raads-_en_commissieleden_2010/20111124">Gemeenteblad 2011, afd. 3A, nr. 191/782</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artt. 95 en 99</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-11-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-08-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>invoeging art. 10a (en toelichting)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad 2011, afd. 1, nr. 782</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 </titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57123_0_0_1_1_">In deze verordening wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                        Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van
                                        22 maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het
                                        Koninklijk Besluit van 22maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling
                                        van 20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23
                                        van het Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart
                                        1993, Stb. 144;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                        Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                        56;</al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad;</al></li><li nr="h."><al>duoraadslid: lid van een raadscommissie, niet zijnde een
                                        raadslid, wiens naam voorkomt op de kandidatenlijst van een
                                        groepering in het proces-verbaal van het hoofdstembureau tot
                                        het vaststellen van de uitkomst en bekendmaking van de
                                        stemming voor de verkiezing van leden van de raad van de
                                        gemeente Amsterdam;</al></li><li nr="i."><al>verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van
                                        6 oktober 1989, Stb.424;</al></li><li nr="j."><al>griffier: de raadsgriffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                        Gemeentewet;</al></li><li nr="k."><al>presidium: het presidium van de gemeenteraad van
                                        Amsterdam</al></li><li nr="l."><al>fractie: een in de raad vertegenwoordigd zijnde
                                        groepering;</al></li><li nr="m."><al>fractievoorzitter: de voorzitter van een fractie. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57124_0_0_1_1_">De vergoeding voor de werkzaamheden,
                                bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden, is gelijk aan het door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 9
                                vastgestelde maximum.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_2_2_"> De vergoeding voor aan de uitoefening
                                van het raadslidmaatschap verbonden kosten is gelijk aan het bedrag
                                voor gemeenteklasse 9, vermeld in tabel II van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_2_3_"> Ten aanzien van een raadslid van wie de
                                arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de
                                Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als
                                dienstbetrekking wordt aangemerkt, is in afwijking van het eerste
                                lid de onkostenvergoeding gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse
                                8, vermeld in tabel III van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_3_4_"> Degene die gedurende een gedeelte van
                                het kalenderjaar raadslid is geweest, ontvangt de vergoedingen,
                                bedoeld in de artikelen 2 en 3, naar evenredigheid van het aantal
                                dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_3_5_"> De betaling van de vergoedingen, bedoeld
                                in de artikelen 2 en 3, geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Toelage fractievoorzitters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_4_6_"> Naast de vergoedingen voor de
                                werkzaamheden ontvangen fractievoorzitters voor de duur van hun
                                voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van de
                                raadsvergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% van de
                                vergoeding op jaarbasis voor elk raadslid dat de fractie buiten de
                                fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste
                                6,4% van de vergoeding op jaarbasis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_4_7_"> De burgemeester stelt de duur van het
                                fractievoorzitterschap en het aantal leden per fractie vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Toelage lidmaatschap bijzondere raadscommissie.
                            </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_5_8_"> Aan het raadslid dat lid is van</al><lijst><li nr="a."><al>de vertrouwenscommissie voor de beoordeling van kandidaten
                                        voor de vacature van burgemeester, of </al></li><li nr="b."><al>een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde
                                        lid, van de Gemeentewet,</al><al>kan voor de duur van het lidmaatschap van de commissie of
                                        van de activiteiten per jaar een toelage worden toegekend,
                                        vastgesteld door het presidium, tot ten hoogste 5% van de
                                        raadsvergoeding op jaarbasis. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_5_9_"> De burgemeester stelt de duur van het
                                lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de activiteiten
                                vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_6_10_"> Aan het raadslid worden de ten behoeve
                                van de gemeente gemaakte kosten in verband met reizen buiten het
                                grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van
                                het gemeentebestuur vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_6_11_"> De in het eerste lid bedoelde
                                vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten, op basis van eerste
                                        klasse; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in artikel 4 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Verblijfkosten </titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57124_0_0_7_12_">De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte
                                verblijfskosten ter zake van reizen buiten het grondgebied van de
                                gemeente worden aan het raadslid vergoed overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling rechtspositie wethouders.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_8_13_"> De kosten van deelname van een raadslid
                                aan cursussen, congressen, seminars en symposia, inclusief reis- en
                                verblijfskosten, die in het gemeentelijk belang door of namens de
                                gemeente worden aangeboden of verzorgd, komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_8_14_"> Het raadslid dat wil deelnemen aan een
                                cursus, congres, seminar of symposium dat niet door of namens de
                                gemeente wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een
                                gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen
                                voor rekening van de gemeente als deelname van belang is in verband
                                met de vervulling van het raadslidmaatschap. Het presidium kan hier
                                voorwaarden aan verbinden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_8_15_"> Het presidium stelt jaarlijks het
                                bedrag vast dat door raadsleden uitgegeven kan worden aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_9_16_"> Aan het raadslid wordt voor de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap op aanvraag bij de
                                raadsgriffie een éénmalige bijdrage per raadsperiode verstrekt in de
                                aanschaf van een computer, met bijbehorende apparatuur (monitor,
                                printer en software voor kantoorautomatisering) of een belastbare
                                bijdrage verstrekt voor het gebruik van een volledig uit eigen
                                middelen aangeschafte computer met bijbehorende apparatuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_9_17_"> De hoogte van de bijdragen en
                                vergoedingen, genoemd in dit artikel, worden per raadsperiode door
                                het presidium vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_9_18_"> Aan de toekenning van de in lid 1 van
                                dit artikel genoemde bijdrage en de in lid 2 van dit artikel
                                genoemde vergoeding kunnen voorwaarden worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10A tablet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_10_19_"> Op aanvraag wordt het raadslid ten
                                laste van de gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                een tablet en software in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_10_20_"> Op aanvraag worden per fractie
                                maximaal 2 tablets en software in bruikleen ter beschikking gesteld
                                die benut kunnen worden voor de uitoefening van het
                                duoraadslidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_10_21_"> Het raadslid wordt in de gelegenheid
                                gesteld bij het einde van de raadsperiode of bij beëindiging van het
                                raadslidmaatschap de tablet te kopen tegen een prijs die afhankelijk
                                is van de boekwaarde van de tablet en het aantal maanden tussen het
                                aangaan van de bruikleenovereenkomst door het raadslid en de
                                beëindiging van het raadslidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_10_22_"> Het raadslid ondertekent voor de
                                bruikleen een bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_10_23_"> Het duoraadslid dat op grond van
                                artikel 10A, lid 2, een tablet ter beschikking gesteld krijgt,
                                ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_10_24_"> Aan het in bruikleen geven kunnen
                                voorwaarden worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Spaarloonregeling/levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_11_25_"> Het raadslid van wie de
                                arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de
                                Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als
                                dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan op aanvraag deelnemen aan de
                                voor het gemeentelijk personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_11_26_"> Het raadslid van wie de
                                arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de
                                Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als
                                dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan deelnemen aan de
                                levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de
                                loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_11_27_"> Deelname aan de spaarloonregeling is
                                niet mogelijk indien het raadslid gebruik maakt van de wettelijke
                                levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_11_28_"> Gelet op het bepaalde in artikel 99
                                van de Gemeentewet bestaat geen aanspraak op enige vergoeding van de
                                gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57124_0_0_12_29_">De vergoeding voor de werkzaamheden,
                                bedoeld in artikel 2, kan op verzoek van een raadslid worden
                                verlaagd in het geval hij een uitkering ontvangt in verband met
                                gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_13_30_"> In het geval een raadslid een
                                uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting op deze
                                uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het raadslidmaatschap
                                meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de
                                werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten
                                laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde
                                korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_13_31_"> In het geval dat een raadslid een
                                uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en
                                onderzoekspersoneel ontvangt en de na toepassing van artikel 6,
                                vierde lid, van dat besluit ontstane korting op deze uitkering ten
                                gevolge van het uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt
                                dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die
                                het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_14_32_"> De tegemoetkoming in de kosten van een
                                ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 11 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden bedraagt € 175 bruto
                                per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_14_33_"> In het geval een raadslid gedurende
                                een gedeelte van het kalenderjaar lid van de raad is geweest,
                                ontvangt hij de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar
                                evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is
                                geweest. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_14_34_"> De betaling van de tegemoetkoming,
                                bedoeld in het eerste lid, geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Voorziening overlijden</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57124_0_0_15_35_">Indien een raadslid overlijdt, hebben
                                zijn nagelaten betrekkingen aanspraak op een uitkering ten bedrage
                                van driemaal de maandelijkse vergoeding als bedoeld in artikel 2.
                                Nagelaten betrekkingen zijn degenen met wie het raadslid een
                                huishouden vormde, en, bij gebreke daarvan, zijn minderjarige
                                wettige, natuurlijke, stief- of pleegkinderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Voorziening bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap
                                en bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_16_36_"> De artikelen 2 tot en met 4, 10 en 11
                                tot en met 14 blijven van toepassing op het raadslid aan wie
                                ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend
                                wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat
                                de onkostenvergoeding die dit raadslid op grond van artikel 3,
                                eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat
                                op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_16_37_"> De artikelen 1 tot en met 9 en 12 tot
                                en met 14 van deze verordening zijn van toepassing op raadsleden die
                                tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een raadslid dat
                                ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag heeft
                                verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_17_38_"> Een raadslid dat op grond van artikel
                                77 van de Gemeentewet meer dan 30 dagen onafgebroken het
                                voorzitterschap van de gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor die
                                waarneming een toeslag van 8% van de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van de waarneming.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57124_0_0_17_39_"> Het eerste lid is van overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel
                                3.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18 Vergoeding voor duoraadsleden voor
                                commissiewerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57125_0_0_1_1_"> Een lid van een raadscommissie, niet
                                zijnde een raadslid, kan voor zijn commissiewerkzaamheden van de
                                fractie waartoe hij behoort een vergoeding ontvangen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57125_0_0_1_2_"> Daarbij kan worden afgeweken van de in
                                de in bijlage IV behorende bij het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden genoemde bedragen, tot een maximum van 75% van de
                                vergoeding die raadsleden ontvangen voor hun werkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57125_0_0_2_3_"> Het presidium kan een delegatie uit de
                                gemeenteraad toestemming verlenen voor een reis naar het buitenland.
                                Het presidium kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57125_0_0_2_4_"> De in het eerste lid bedoelde reis wordt
                                door of vanwege de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H57125_0_0_2_5_"> De in redelijkheid gemaakte reis- en
                                verblijfkosten komen voor rekening van de gemeente.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Betaling van kosten</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57126_0_0_1_1_">Betaling van kosten op grond van deze
                                verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of </al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente;
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57126_0_0_2_2_"> Voor de vergoeding van de kosten,
                                bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10 wordt gebruik gemaakt van een
                                standaard declaratieformulier, indien deze kosten uit eigen middelen
                                vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57126_0_0_2_3_"> Het declaratieformulier wordt volledig
                                ingevuld en ondertekend. Het raadslid, onderscheidenlijk het
                                commissielid dient het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de
                                griffier in. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H57126_0_0_3_4_"> De vergoeding van kosten, bedoeld in
                                artikel 9 en 10 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van
                                de door het raadslid voor akkoord ondertekende factuur aan de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H57126_0_0_3_5_"> Verantwoording van deze wijze van
                                vergoeding vindt plaats door het standaardformulier volledig in te
                                vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H57126_0_0_3_6_"> Het raadslid dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 Intrekking oude regeling</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57127_0_0_1_1_">De Verordening vergoedingen raads- en
                                commissieleden 2003 wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57127_0_0_2_2_">Deze verordening treedt in werking één
                                dag na publicatie in afdeling 3A van het Gemeenteblad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H57127_0_0_3_3_">Deze verordening wordt aangehaald als:
                                Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2010.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al><vet>Wettelijke regelingen </vet></al><al>In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de
                            rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet worden
                            geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen het
                            Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                            rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal
                            voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende
                            onkostenvergoedingen, zijn in beide rechtspositiebesluiten overwegend
                            geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals
                            bijvoorbeeld een regeling voor de kinderopvang en de uitkering bij
                            aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze
                            voorzieningen te treffen.</al><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                            raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag hiervoor
                            is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                            Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de
                            raads- en commissieleden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan
                            ook, ten laste van de gemeente (artikel 99 van de Gemeentewet). </al><al>Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke
                            verordening aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de
                            vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend.
                            Daarvoor is wel de goedkeuring van de minister van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijksrelaties (BZK) vereist. </al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><al>- de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 18);</al><al>- een vaste algemene onkostenvergoeding voor raadsleden (artikel
                            3);</al><al>- reis- en verblijfkosten van raads- en commissieleden (artikelen 7, 8,
                            18 en 19);</al><al>- beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            raadsleden (artikel 10) en faciliteiten in de vorm van deelname van
                            raadsleden aan cursussen, congressen e.d. (artikel 9);</al><al>- een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, zoals voor
                            raadsleden zoals de spaarloonregeling of levensloopregeling (artikel 11
                            t/m 14) en zwangerschap en bevalling of ziekte (artikel 16);</al><al>- de procedure van declareren (artikelen 20 t/m 22).</al><al><vet>De arbeidsverhouding van het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen
                            onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en
                            WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van
                            de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen
                            recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                            basisverzekering. Eigen voorzieningen zijn er op die onderdelen
                            getroffen in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en in
                            onderhavige verordening. Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente
                            is vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar
                            worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel
                            kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het
                            fictief werknemerschap (zie hieronder).</al><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting </vet></al><al><vet>Opting in regeling</vet></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                            gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de "opting
                            in regeling" genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                            ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In
                            een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                            Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                            gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de
                            gemeente de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. </al><al>Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is,
                            valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de
                            sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding
                            ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat
                            geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen
                            niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde
                            vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in
                            bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van
                            reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                            congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen
                            worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor
                            na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert.
                            Ook kan betrokkene deelnemen in de spaarloonregeling die er voor het
                            gemeentelijk personeel is. </al><al><vet>Fiscale standaardpositie</vet></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                            werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing.
                            Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de
                            gemaakte kosten daarop in mindering brengen. </al><al>Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in
                            het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk
                            gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                            kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet
                            heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                            toelichting op artikel 3).</al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te
                            opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen
                            hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal
                            per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                            (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant
                            terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. </al><al>Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de
                            zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode
                            voor de resterende periode.</al><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het
                            eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek
                            is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het
                            aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de
                            bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                            terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                            gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur
                            de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                            mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte
                            blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                            wijze van redeneren:</al><al>- welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al><al>- welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het
                            ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de
                            organisatie;</al><al>- kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al><al>- voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al><vet>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                            bedrijfsvoering</vet></al><al>- bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al><al>- zakelijk gebruik van dienstauto's; </al><al>- deelname aan cursussen en congressen e.d.</al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door het
                            raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                            worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                            vergoedingssfeer. </al><al><vet>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast
                                kunnen worden vergoed</vet></al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten,
                            blijft het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven het
                            raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is
                            voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al><vet>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet
                                onbelast kunnen worden vergoed </vet></al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                            kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op artikel 3 is aangegeven
                            om welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd, geldt
                            dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen
                            alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte
                            kosten fiscaal kunnen verrekenen, worden hun vergoedingen niet
                            gebruteerd toegekend.</al><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle
                            andere publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe
                            dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                            vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                            duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze
                            kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                            gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders
                            en over de eventueel verschuldigde belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                            zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van
                            de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                            financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen
                            kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                            beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal
                            belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van
                            functionele uitgaven, declaratie van vooruit betaalde kosten en het
                            gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten
                            heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en
                            communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening
                            van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                            ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het
                            onder meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in
                            aanmerking komen voor bespreking en zo nodig besluitvorming. In die
                            gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging
                            van zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende
                            administratieve procedures beschreven over de afwikkeling van
                            declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling van
                            verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie-
                            of meningsverschillen. </al><al><vet>Aartikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het
                            raadslid</vet></al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                            raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte
                            van de vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in
                            het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                            werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding
                            bepaald op het maximale bedrag. </al><al>De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de
                            minister vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op twee
                            manieren:</al><al>- de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al><al>- de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                            uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de
                            raadsvergoeding zijn.</al><al>- de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt
                            tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere
                            raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het
                            wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer
                            CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                            besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene zin is
                            aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                            bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><al><vet>Artikel 3 Vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het raadslidmaatschap
                            verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende
                            kostencomponenten:</al><al>- representatie</al><al>- vakliteratuur</al><al>- contributies, lidmaatschappen</al><al>- telefoonkosten</al><al>- bureaukosten, porti</al><al>- zakelijke giften</al><al>- bijdrage aan fractiekosten</al><al>- ontvangsten thuis</al><al>- excursies.</al><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc
                            en cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                            voorzieningen getroffen (zie de artikelen 9, 10 en 19). De
                            onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                            bijgesteld. </al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast
                            worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding
                            gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van
                            52%. Deze brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die niet
                            hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de
                            aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat
                            uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder
                            de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen,
                            blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal
                            alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                            bepaald. Wel is in het rechtspositiebesluit voor raads- en
                            commissieleden het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven.
                            In artikel 3 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het
                            maximale bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager
                            bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het
                            door de minister vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks
                            per 1 januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor
                            is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de
                            verordening in algemene zin is aangegeven of de onkostenvergoeding
                            gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage
                            daarvan.</al><al><vet>Artikel 6 Toelage lidmaatschap bijzondere
                            raadscommissies</vet></al><al>Bij koninklijk besluit van 16 december 2009 hebben gemeenteraden de
                            mogelijkheid gekregen aan leden van</al><lijst><li nr="•"><al>de vertrouwenscommissie; </al></li><li nr="•"><al>de rekenkamercommissie; </al></li><li nr="•"><al>de onderzoekscommissie; </al></li></lijst><al>een toelage toe te kennen tot ten hoogste 5% van de raadsvergoeding op
                            jaarbasis.</al><al>Het is niet toegestaan aan raadsleden een vergoeding toe te kennen
                            wegens bijvoorbeeld het voorzitterschap van een raadscommissie als
                            bedoeld in artikel 82, 83 of 84 van de Gemeentewet of lidmaatschap van
                            het presidium. De nieuwe mogelijkheden zijn op 22 december 2009 in
                            werking getreden (Stb. 2009, 561). inwerkingtreding van dit artikel
                            vindt plaats met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009.</al><al>Toelichting:</al><al>Binnen de gemeente Amsterdam is er gekozen voor een rekenkamer er zal
                            dus geen commissie worden ingesteld met een rekenkamerfunctie. Dit zou
                            dubbel op zijn vandaar dat dit wegvalt in het artikel van de
                            verordening.</al><al>Voorts stelt de burgemeester de duur van het lidmaatschap van de
                            commissie of de activiteiten vast in zijn hoedanigheid als voorzitter
                            van de gemeenteraad.</al><al><vet>Artikel 7 Reiskosten raadsleden</vet></al><al>In dit artikel is voor raadsleden het recht op vergoeding van reiskosten
                            geregeld voor zover het betreft reizen buiten de gemeentegrens ter
                            uitvoering van een besluit van de raad. De grondslag hiervoor is te
                            vinden in artikel 97 van de Gemeentewet. Vergoed kunnen worden de kosten
                            van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een
                            kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt (in 2006: €
                            0,28 bij gebruik van de eigen auto). De vergoeding van de reiskosten met
                            het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19
                            onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het Handboek
                            loonheffingen 2006 wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per
                                kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen
                                voor parkeer- en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage
                                aan de auto, voor het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem,
                                voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of
                                voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                                tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                                eindheffing. </cursief></al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere
                            deel belast. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als
                            opbrengst moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de
                            geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden
                            opgevoerd.</al><al><vet>Artikel 8 Verblijfkosten raadsleden</vet></al><al>Dit artikel regelt de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag
                            hiervoor is te vinden in artikel 97 van de Gemeentewet. De vergoeding
                            kan aan het commissielid worden toegekend als hij een
                            commissievergadering bijwoont. Voor raads- en commissieleden kunnen
                            verblijfkosten ook worden vergoed ingeval van dienstreizen. Daarvoor
                            gelden dezelfde maxima als voor het rijkspersoneel. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikel 9 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                            gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente.
                            Zij zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                            onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of
                            vanwege de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en
                            cursussen, congressen e.d. waaraan het individuele raadslid in verband
                            met de vervulling van het raadslidmaatschap op eigen initiatief
                            deelneemt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld
                            (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                            kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In
                            het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de
                            aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een
                            zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de
                            vergoeding c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor
                            raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                            vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer
                            bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>Cursussen, congressen en opleidingen die door politieke partijen worden
                            aangeboden en een partijpolitieke inhoud hebben komen niet voor
                            vergoeding in aanmerking. </al><al>Cursussen die door politieke partijen worden aangeboden en algemene
                            vorming ten doel hebben komen wel voor vergoeding in aanmerking. Het
                            raadslid moet de inhoud van de cursus zelf aantonen. </al><al><vet>Artikel 10 Computer </vet></al><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap worden op aanvraag de
                            volgende computerfaciliteiten beschikbaar gesteld:</al><al>- een éénmalige tegemoetkoming voor de aanschaf van een computer met
                            randapparatuur (monitor, printer en software).</al><al>Voor de raadsperiode 2010 - 2014 wordt in het eerste geval 90% van de
                            aankoopsom tot een maximum van € 1.000 vergoed gedurende de periode van
                            11 maart 2010 tot 11 maart 2014. Daarna wordt dit percentage naar rato
                            per jaarlijks tijdvak verlaagd naar respectievelijk 67,5, 45 en 22,5%.
                            In de verordening is bepaald (lid 3 van artikel 8) dat de hoogte van de
                            bijdragen en de vergoedingen per raadsperiode door het presidium worden
                            vastgesteld. </al><al>Beheer, onderhoud, support en vervanging van de apparatuur zijn voor
                            eigen rekening en het raadslid is zelf verantwoordelijk voor de
                            waarborging van de privacy-gevoelige en vertrouwelijke data, waarmee in
                            het kader van de functie wordt gewerkt. De aan te schaffen computer c.a.
                            dient overigens om fiscale redenen voor 90% of meer zakelijk gebruikt te
                            worden, in casu voor de uitoefening van het raadslid-maatschap. In
                            verband hiermede is in de verordening bepaald (lid 3 van artikel 10) dat
                            de toekenning van de faciliteiten voorwaarden kunnen worden verbonden. </al><al>De leden 2 en 3 van dit artikel zijn als kader geformuleerd, zodat
                            volstaan kan worden met besluitvorming door het presidium wat betreft de
                            uitvoering.</al><al><vet>Artikel 10A tablet</vet></al><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap wordt op aanvraag een
                            tablet in bruikleen ter beschikking gesteld. Het betreft een tablet (3G
                            + WiFi) zonder abonnement. Wanneer raadsleden tijdens de
                            bruikleenperiode gebruik willen maken van de 3G internetconnectiviteit
                            van de tablet, dienen zij daartoe zelf een abonnement bij een provider
                            af te sluiten. Aan het einde van de raadsperiode dan wel bij
                            tussentijdse beëindiging van het raadslidmaatschap kan het raadslid de
                            tablet tegen betaling in eigendom verkrijgen. Het bedrag dat het
                            raadslid moet betalen is de aanschafprijs verminderd met de afschrijving
                            over de periode dat het raadslid gebruik heeft gemaakt van de tablet en
                            wordt als volgt berekend.</al><al>Het afschrijvingsbedrag bedraagt 1/24e - met een maximum van 24/24e -
                            van het aanschafbedrag vermenigvuldigd met het aantal maanden dat het
                            raadslid deel heeft uitgemaakt van de raad. Het afschrijvingsbedrag
                            wordt afgetrokken van de aanschafprijs van de tablet. Het aantal maanden
                            raadslidmaatschap wordt berekend tot en met de maand dat het
                            raadslidmaatschap wordt beëindigd en vanaf de datum van het aangaan van
                            de bruikleenovereenkomst.</al><al>Op aanvraag kunnen maximaal twee tablets per fractie in bruikleen ter
                            beschikking worden gesteld. Deze tablets kunnen worden gebruikt teneinde
                            duoraadsleden in de gelegenheid te stellen hun raadswerkzaamheden uit te
                            voeren.</al><al><vet>Artikel 11 Spaarloon/levensloop</vet></al><al>Het raadslid dat heeft geopteerd voor de loonbelasting kan op aanvraag
                            deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                            spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer het raadslid
                            gebruik maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet
                            toegestaan een levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te
                            verstrekken. De opbouw van de levensloopvoorziening mag uitsluitend ten
                            laste van de raadsvergoeding plaatsvinden. Aangezien raadsleden geen
                            verlof kennen, is het slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij
                            de beëindiging van het raadslidmaatschap wordt meegenomen naar een
                            volgende werkgever of dat uitbetaling ineens plaatsvindt. </al><al><vet>Artikel 12 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>In de motie-Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                            aangegeven dat de gemeenteraad en gemeenteraden een brede afspiegeling
                            van de bevolking dienen te vormen. Om deze reden moeten drempels om
                            raadslid of raadslid te worden of te blijven, worden weggenomen. In WAO
                            en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon inkomen uit
                            arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of intrekking
                            van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                            dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                            arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden.
                            Voor raads- en commissieleden kan dit ertoe leiden dat een geringe
                            verhoging van het inkomen door een raads- of commissievergoeding een
                            grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling.
                            Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raads- of
                            commissiezetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden.
                            Op grond van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen
                            gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel
                            12 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid
                            een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te
                            voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van
                            de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al><vet>Artikel 13 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment
                            dat iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt,
                            nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het
                            aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit
                            werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke
                            bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij
                            niet relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de
                            WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV voor het
                            raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                            WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er
                            een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te
                            compenseren. Dat is geregeld in artikel 13 van de verordening</al><al><vet>Artikelen 14, 15 en 16</vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting. </al><al><vet>Artikel 17 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</vet></al><al>In artikel 75 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van
                            de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester
                            wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan
                            ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap
                            belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden is in artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een
                            onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid
                            over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de
                            vergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste
                            onkostenvergoeding.</al><al><vet>Artikel 18 Vergoeding voor duoraadsleden</vet></al><al>In dit artikel is de vergoeding voor commissieleden die geen raadsleden
                            zijn (zogenaamde duoraadsleden, zie artikel 4 van de Verordening op de
                            raadscommissies) geregeld. Bij de fracties bestond de wens om géén
                            vacatievergoeding in te stellen, maar een normale vergoeding. Dit omdat
                            duo-raadsleden als vrijwel volledige raadsleden worden beschouwd. Het
                            lidmaatschap van een duoraadslid omvat veel meer dan alleen het bijwonen
                            van commissievergaderingen. Het is vergelijkbaar met het werk van een
                            raadslid. Het enige verschil is de raadsvergadering, waar duoraadsleden
                            niet aan deel kunnen nemen. Hierdoor kan de vergoeding die in tabel IV
                            van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden niet geacht worden
                            in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van de taak en de
                            omvang van de te verrichten arbeid. Dit is voor de raad aanleiding
                            geweest toepassing te geven aan de in artikel 15 van het
                            Rechtspositiebesluit geboden mogelijkheid om af te wijken van de in
                            artikel 18 van deze verordening genoemde bedragen. </al><al>Omdat verschillende fracties verschillende vergoedingen wensen te
                            betalen zal het presidium hier een adviserende taak op zich nemen. De
                            fracties bepalen zelf of, en zo ja, hoeveel duoraadsleden ze willen
                            inzetten (met een maximum van vier per fractie). De vergoedingen voor
                            duoraadsleden worden dan ook door de verschillende stichtingen
                            fractieondersteuningen betaald en niet door de raadsgriffie, zoals bij
                            raadsleden gebeurt. </al><al><vet>Artikelen 19 en 20</vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting. </al><al><vet>Artikelen 21 en 22 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 20 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. In artikelen
                            21 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan
                            de orde is en welke procedurevoorschriften in acht genomen moeten
                            worden.</al><al><vet>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</vet></al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><al>- reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al><al>- reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al><al><vet>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</vet></al><al>Rekeningen kunnen rechtstreeks bij de gemeente in rekening worden
                            gebracht in de volgende gevallen:</al><al>- deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                            raadsleden.</al><al><vet>Artikelen 23 t/m 25 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>