<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR87577_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening afstemming Wet werk en bijstand 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Graafsche Courant, 23 december 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening afstemming Wet werk en bijstand 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.nl">Wet werk en bijstand, art.8, lid 1 sub b, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-02-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Het betreft een nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de verordening afstemming Wet werk en bijstand van 22-06-2004</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening afstemming Wet werk en bijstand 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Grave</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 november 2009,
                        en</al><al>gelet op artikel 8, lid 1, sub b, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand; </al><al>en de Algemene wetbestuursrecht</al><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>Verordening afstemming Wet werk en bijstand 2009</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Werk
                                en Bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet:de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375); zoals die
                                        nadien wordt of is gewijzigd;</al></li><li nr="b."><al>verlaging:het verlagen van de bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid,
                                        van de wet;</al></li><li nr="c."><al>voorziening:voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste
                                        lid, onderdeel a, van de wet: een instrument binnen een
                                        traject dat ingezet wordt ombelemmeringen bij aanvaarding
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid weg te nemen;</al></li><li nr="d."><al>traject:een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel
                                        door het college aan hem opgelegd, geheel van activiteiten
                                        gericht op het verkrijgen en behouden van betaalde
                                        arbeid;</al></li><li nr="e."><al>college:het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente ;</al></li><li nr="f."><al>onverantwoord interen:een besteding aan algemeen
                                        noodzakelijke kosten van het bestaan, welke omgerekend per
                                        maand meer bedraagt dan 1,5 maal de relevante bijstandsnorm,
                                        zonodig aangevuld met een bedrag voor de
                                        ziektekostenverzekering en het niet subsidiabele
                                        huurdeel.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><al>Als de belanghebbende de uit de wet of de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (wet SUWI) voortvloeiende
                            verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich
                            jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                            verordening de bijstand verlaagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag
                                indien aan belanghebbende bijzondere bijstand of een
                                langdurigheidtoeslag wordt verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging gaat in met ingang van de eerst volgende kalendermaand
                                volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de bijstand, de bijzondere
                                bijstand of de langdurigheidtoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De duur van de verlaging bedraagt de termijnen die in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 vermeld staan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de belanghebbende, binnen 1 jaar nadat de verwijtbare
                                gedraging zich heeft voorgedaan, en dientengevolge een verlaging op
                                de uitkering is toegepast, wederom zijn verplichtingen verwijtbaar
                                niet nakomt, wordt de termijn, zoals gehanteerd bij deze verlaging,
                                met inachtneming van de hoofdstukken 2 tot en met 4,
                                verdubbeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedragingwaarvoor de
                            hoogste verlaging geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Medewerking en inlichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:a. het niet geregistreerd zijn als werkzoekende
                                    bij het UWV-Werkbedrijfb. het later terugkeren van vakantie dan
                                    ingevolge artikel 13, eerste lid, onder d, van de wet is
                                    toegestaan, indien er geen plicht tot arbeidsinschakeling
                                    is;</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                    belemmeren.b. het later terugkeren van vakantie dan ingevolge
                                    artikel 13, eerste lid, onder d, van de wet is toegestaan,
                                    indien er een plicht tot arbeidsinschakeling is;</al></li><li nr="3."><al>Derde categorie:a. het niet aanvaarden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid;b. het door eigen toedoen niet behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan wel andere bronnen van
                                    inkomsten;c. het in de periode voorafgaande aan de
                                    bijstandsverlening en/of de periode gedurende de
                                    bijstandsverlening niet naar vermogen trachten algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen;d. het niet of onvoldoende
                                    nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het
                                    college aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of
                                    onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                    tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige
                                    participatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met toepassing van artikel 6, wordt de verlaging vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand en
                                        maximaal 3 maanden bij gedragingen van de eerste
                                        categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand en
                                        maximaal 3 maanden bij gedragingen van de tweede
                                        categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand en
                                        maximaal 3 maanden bij gedragingen van de derde
                                        categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
                                ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
                                gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
                                verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet of niet behoorlijk nakomt, wat heeft geleid tot het
                                ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt
                                de verlaging als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het netto
                                        benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 500,=;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het netto
                                        benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan
                                        € 500,= maar minder bedraagt dan €
                                        10.000,=;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                        netto benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan
                                        € 10.000,=.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een belanghebbende herhaaldelijk de verplichting op grond van
                                artikel 17 van de wet niet of niet behoorlijk nakomt, wat niet heeft
                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                bijstand, wordt een verlaging toegepast van 20% van de bijstandsnorm
                                gedurende 1 maand.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een verlaging als bedoeld in lid 1 en lid 2 wordt afgestemd op de
                                ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
                                gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
                                verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><al>Indien de verlaging als bedoeld in artikel 8, eerste lid, als gevolg van
                            beëindiging van de uitkering niet kan worden toegepast, wordt de
                            bijstand welke belanghebbende heeft ontvangen gedurende de periode dat
                            belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, door middel
                            van herziening verminderd met het bedrag van de verlaging. Het bedrag
                            dat voortvloeit uit de herziening wordt van belanghebbende
                            teruggevorderd. De terugvordering kan bij gebreke van tijdige betaling
                            verhoogd worden met de wettelijke rente en de op de invordering
                            betrekking hebbende kosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet wordt met
                                uitzondering van hetgeen in lid 3 staat vermeld, een verlaging
                                toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende
                                als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
                                wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode
                                        van 1 maand of korter;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode
                                        van 1 tot 3 maanden;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een periode
                                        van 3 maanden en langer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan is gelegen in de omstandigheid dat beroep
                                op bijstand wordt gedaan doordat de belanghebbende verwijtbaar niet
                                of niet meer over middelen beschikt, wordt in afwijking van lid 1 en
                                2 een verlaging toegepast van 50% gedurende het aantal maanden dat
                                eerder beroep op bijstand wordt gedaan dan wanneer de verwijtbare
                                gedraging niet had plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Een verlaging als bedoeld in het tweede lid en derde lid wordt
                                afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden
                                waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                            verlaging toegepast van 100% gedurende minimaal 1 maand tot maximaal 6
                            maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 50% van de
                            bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Afzien van verlaging van de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college ziet af van een verlaging indien;</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of;</al></li><li nr="b."><al>daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college afziet van verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na haar
                            bekendmaking.Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                            verordening Afstemming Wet Werk en bijstand, zoals vastgesteld op 22
                            juni 2004, ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Verordening afstemming
                            Wet Werk en Bijstand 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente Grave
                        van 17 december 2009.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op
                    een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van detoepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.Op grond van de Wet
                    Werk en Bijstand (Wwb) dient de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie
                    aan belanghebbende mede te delen wat de opgelegde verplichtingen zijn en wat de
                    directe gevolgen zijn voor de uitkering indien belanghebbende één of
                    meer van dezeverplichtingen niet nakomt. De in de vorige zin genoemde gevolgen,
                    veelal een verlaging van de bijstand, worden door de gemeente zelf bepaald.
                    Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB schrijft voor dat de gemeenteraad
                    bij verordening regels stelt met betrekking tot hetverlagen van de bijstand en
                    de langdurigheidstoeslag. In deze verordening zijn deze regels vastgelegd.Het
                    niet voldoen aan de opgelegde arbeidsverplichtingen wordt streng aangepakt. Dit
                    is in de lijn van de wet: de belanghebbende dient alles in het werk te stellen
                    om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien (werk
                    voor bijstand). Dit in combinatie met de ervaring dat lichte sancties nauwelijks
                    het gewenste effect bewerkstelligen, namelijk een verandering van houding en
                    gedrag, heeft ertoe geleid dat met name gedragingen welke een schending van de
                    arbeidsplicht inhouden streng worden aangepakt.Ten aanzien van het schenden van
                    de inlichtingenplicht waarbij de gemeente geen nadeel heeft ondervonden, is uit
                    doelmatigheidsoverwegingen gekozen voor een versoepeling. Zo wordt er pas een
                    verlaging toegepast indien de belanghebbende herhaaldelijk de fout is ingegaan.
                    Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat het vaak geringe
                    “overtredingen” betreft, zoals het niet tijdig inleveren van de
                    maandelijkse rechtmatigheidonderzoeks-formulieren,waarbij de gemeente geen
                    nadeel ondervindt en het direct verlagen van de uitkering weinig doelmatig is.
                    Op het moment dat iemand frequent de fout ingaat is het toepassen van een
                    verlaging wel doelmatig, omdat dan een verandering van houding en/of gedrag
                    bewerkstelligd dient te worden.<vet>Artikelsgewijze
                        toelichting</vet><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet><vet>Artikel 1
                        Begripsomschrijving</vet>De begrippen die in de verordening worden gebruikt
                    hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wwb. In de
                    verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
                    wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als
                    ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                        betrokken’.<vet>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</vet>De Wwb
                    verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering een aantal verplichtingen,
                    zoals het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                    in het bestaan (artikel 18, tweede lid) en de plicht tot arbeidsinschakeling
                    (artikel 9).Deze laatste bestaat uit twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="1."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="2."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht opondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>Voorts geldt een informatieplicht (artikel 17, eerste lid). De belanghebbende
                    dient aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te
                    doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                    zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                    bijstand.De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht om
                    desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
                    voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete
                    verplichtingen bestaan, zoals:- het toestaan van huisbezoek;- het meewerken aan
                    een psychologisch onderzoek.Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in
                    ieder geval een schending van de medewerkingplicht inhoudt: ‘het zich
                    jegens het college zeer ernstig misdragen’.De Wet SUWI legt ook
                    verplichtingen op aan belanghebbenden. Het betreft de verplichting om alle
                    gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV-Werkbedrijf te verstrekken die
                    nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI)
                    en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                    omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                    zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het
                    recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand (artikel 29, eerste lid
                    Wet SUWI).<vet>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</vet>In dit artikel is het
                    uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.
                    Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief
                    gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.Lid 2 van dit
                    artikel maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een verlaging
                    toepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag. Er moet dan wel
                    een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op
                    bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag.<vet>Artikel 4 Ingangsdatum,
                        tijdvak en recidive</vet>In dit artikel is geregeld dat, behalve indien in
                    de verordening anders staat vermeld, een verlaging naar de toekomst toe wordt
                    toegepast. Dit wil zeggen dat de verlaging na constatering direct
                    geëffectueerd wordt zonder herziening van het recht.Wanneer een
                    uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald,
                    kan het praktisch zijn om de verlaging te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                    worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en
                    teruggevorderd.Voor de duur van de toe te passen verlaging wordt verwezen naar
                    de bepalingen van de hoofdstukken 2 t/m 4.Indien binnen één jaar na
                    een eerste verwijtbare gedraging opnieuw sprake is van een verwijtbare
                    gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur van de eerste (de direct voorafgaande) verlaging.
                    Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                    aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd.Voor het bepalen van de aanvang van
                    de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarin de
                    verlaging is medegedeeld, bekend is gemaakt.<vet>Artikel 5 Samenloop van
                        gedragingen</vet>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft
                    betrekking op verschillende gedragingen van een belanghebbende die (min of meer)
                    gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                    gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt.
                    Indien sprake is van meerdere gedragingen met als gevolg daarvan meerdere
                    schendingen van de verplichtingen, dient voor het toepassen van de verlaging te
                    worden uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging van toepassing
                        is.<vet>Hoofdstuk 2 Medewerking en inlichtingen</vet><vet>Artikel 6
                        Categorieën</vet>De gedragingen die verband houden met het geen of
                    onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid, worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is
                    de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt
                    ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet
                    verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met de
                    doelstelling van de Wwb: de belanghebbende dient zelf alles in het werk te
                    stellen om aan het werk te komen dan wel te aanvaarden. De concrete invulling
                    van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de
                    mogelijkheden van de individuele belanghebbende.<vet>Artikel 7 De hoogte en duur
                        van de verlaging</vet>Deze bepaling bevat de verlagingen voor de drie
                    categorieën van gedragingen waardoor de verplichting op grond van artikel 9
                    van de wet niet of onvoldoende is nagekomen. Bij het vaststellen van de hoogte
                    en duur van de verlaging zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van
                    belanghebbende. Voorts is de mogelijkheid opgenomen om de verlaging toe te
                    passen over een periode van 1 tot maximaal 3 maanden. Indien bijvoorbeeld blijkt
                    dat belanghebbende binnen een bepaalde periode bij verschillende werkgevers geen
                    algemeen geaccepteerde arbeid aanvaard heeft, dient de duur van de verlaging
                    langer te zijn dan 1 maand. Een andere situatie is die waarin de belanghebbende
                    voor langere duur niet als werkzoekende bij het UWV-Werkbedrijf ingeschreven
                    heeft gestaan. De duur van deverlaging kan dan gerelateerd worden aan de periode
                    waarin men niet ingeschreven heeft gestaan.<vet>Artikel 8 Verstrekken van
                        inlichtingen</vet>In lid 1 van dit artikel wordt de hoogte van de verlaging
                    geregeld als een belanghebbende de inlichtingenplicht (artikel 17 van de wet)
                    niet of niet behoorlijk nakomt en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot
                    een te hoog bedrag verlenen van bijstand.De verlaging wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van de
                    inlichtingenplicht ten onrechte of teveel aan de belanghebbende is betaald.In
                    lid 2 wordt de zogeheten “nulfraude” geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledig inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Bijvoorbeeld het bij herhaling te laat inleveren
                    van het rechtmatigheidsonderzoeksformulier of het niet opgeven van een
                    vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. Uit doelmatigheidsoverwegingen is
                    ervoor gekozen om niet al bij de eerste overtreding van de in dit lid bedoelde
                    verplichting over te gaan tot het verlagen van de bijstand. Blijkt iemand echter
                    herhaaldelijk de fout in te gaan, dan dient wel overgegaan te worden tot het
                    verlagen van de bijstand, om zodoende een verandering van houding en/of gedrag
                    te bewerkstelligen.De relatie met de strafrechtelijke sanctie.Voor gemeenten
                    geldt de verplichting om proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het
                    Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het benadelingbedrag hoger
                    is dan € 10.000,= (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het doen van
                    aangifte wegens fraude sluit het toepassen van een verlaging niet uit, ook niet
                    bij benadelingbedragen van boven de aangifterichtlijn. Beide sancties kunnen
                    samen gaan. Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met
                    de verlaging zoals deze door de gemeente is toegepast. Anderzijds ligt het niet
                    voor de hand om over te gaan tot een verlaging, als het OM inmiddels een sanctie
                    heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van
                    sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van
                    één enkele overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale
                    raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken
                    tegen ‘dubbele bestraffing’.<vet>Artikel 9 Overige bepalingen
                        schending inlichtingenplicht</vet>In dit artikel wordt geregeld dat op het
                    moment dat fraude geconstateerd wordt op het moment dat de bijstand
                    beëindigd is, de bijstand gedurende de fraudeperiode toch kan worden
                    verlaagd. Deze verlaging leidt tot herziening van uitkering en
                        terugvordering<vet>Hoofdstuk 3 Overige gedragingen die leiden tot een
                        verlagingArtikel 10 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet>De
                    verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden.Bij de
                    vaststelling van de hoogte en duur van de verlaging dient beoordeeld te worden
                    hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. Een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:- een
                    onverantwoorde besteding van vermogen;- geen of te late aanvraag doen voor een
                    voorliggende voorziening;- het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                    alimentatievordering.Het betreft overigens géén limitatieve opsomming
                    van alle gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid.Bij het onverantwoord interen van vermogen (lid 3) is er
                    voor gekozen om de duur van de verlaging te koppelen aan de duur van de periode
                    dat eerder een beroep gedaan wordt op bijstand. Ook hier wordt evenwel de
                    verlaging afgestemd op de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de
                    omstandigheden van de belanghebbende.<vet>Artikel 11 Zeer ernstige
                        misdragingen</vet>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’
                    kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet
                    zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                    alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Er kan alleen een verlaging
                    toegepast worden indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en
                    (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op
                    een uitkering. In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich
                    jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen
                    (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                    aanleiding kan zijn voor een verlaging. Een verlaging is dus niet mogelijk als
                    een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de Wwb (bijvoorbeeld een
                    reïntegratiebedrijf). Het is in dat geval wel mogelijk om een verlaging toe
                    te passen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling.Bij het vaststellen van de hoogte en duur van de
                    verlaging in de situatie dat de belanghebbende zich ernstig heeft misdragen,
                    wordt ook gekeken naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en
                    de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Wat betreft het vaststellen
                    van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in
                    een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:- zaakgericht fysiek
                    geweld (vernielingen);- verbaal geweld (schelden);- discriminatie;- intimidatie
                    (uitoefenen van psychische druk, stalking, dragen of tonen van wapens);- alle
                    vormen van (mensgericht) fysiek geweld;- combinatie van agressievormen.Voor het
                    bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de
                    omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is het
                    relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. Het
                    toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                        politie.<vet>Artikel 12 Nadere verplichtingen</vet>In artikel 55 van de wet
                    wordt de mogelijkheid geboden om naast de in Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen
                    verplichtingen aan belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen
                    die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging
                    van de bijstand.De verplichting om zich onder medische behandeling te stellen,
                    is expliciet opgenomen in het artikel. Een ander voorbeeld is de verplichting om
                    zich als woningzoekende in te schrijven indien er woonkostentoeslag wordt
                    verstrekt voor een te hoge huur.<vet>Hoofdstuk 4 SlotbepalingenArtikel 13 Afzien
                        van verlaging van de bijstand</vet>Van een verlaging wordt afgezien indien
                    elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dit is geregeld in artikel 18, tweede
                    lid, Wwb. Te denken valt daarbij aan situaties waarbij de belanghebbende door
                    overmacht niet in staat is geweest een of meer afspraken volledig na te komen.
                    Dringende redenen om af te zien van verlaging zijn enkel die situaties waarin
                    sprake is van gevaar voor verlies van leven, verwonding of verwaarlozing van
                    belanghebbende en/of zijn gezinsleden, gevaar voor mishandeling door
                    belanghebbende van zijn gezinsleden en verlies van de woning. Het hebben van
                    schulden is evenwel geen dringende reden om van verlaging van de bijstand af te
                    zien. Het afzien van een verlaging in geval van dringende redenen wordt
                    vastgesteld in een besluit en schriftelijk meegedeeld aan belanghebbende.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>