<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR87533_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening afstemming van bijstand 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2007, 12</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, lid 1, en Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-07-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB07.0004</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt afstemmingsverordening 2004</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b,
                                van de wet;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 5, onderdeel d,
                                van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                                van de wet;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18
                                tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Den Helder, dan wel een medewerker, die, namens het college
                                belast is met de uitvoering van de wet;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                                betrokken;</al></li><li nr="i."><al>re-integratie-instrumenten: instrumenten die het college ter
                                beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als bedoeld in
                                artikel 7 van de wet;</al></li><li nr="j."><al> re-integratietraject: een plan, bestaande uit een geheel van
                                re-integratie-instrumenten, dat tot doel heeft om binnen een bepaald
                                tijdsbestek te komen tot arbeidsinschakeling of zelfstandige
                                maatschappelijke participatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan,
                                dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien
                                onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van
                                arbeid in dienstbetrekking, de inlichtingen- en
                                medewerkingverplichting als bedoeld in artikel 17 van de wet niet of
                                onvoldoende is nagekomen dan wel de verplichting als bedoeld in de
                                artikelen 28, tweede lid en 29, eerste lid van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (wet SUWI) niet binnen de
                                door het CWI daarvoor gestelde termijn is nagekomen of zich
                                tegenover het college zeer ernstig heeft misdragen, wordt in
                                overeenstemming met deze verordening een maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet worden
                        onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Eerste categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het niet, onvoldoende, of niet binnen een door het college
                                        gestelde termijn nakomen van</al><al> inlichtingen- en medewerkingplicht bedoeld in artikel 17
                                        van de wet, voor zover dit niet heeft</al><al> geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                        ontvangen van bijstand;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                        bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf</al><al> 3, van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><cursief>Tweede categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het niet, of onvoldoende, of niet binnen een door het
                                        college gestelde termijn nakomen van</al><al> inlichtingen- en medewerkingplicht als bedoeld in artikel
                                        17 van de wet, als dit heeft geleid tot het ten onrechte of
                                        tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand;</al></li><li nr="b."><al>het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij
                                        het CWI.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><cursief>Derde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                        gebruik maken van geboden re-integratie-instrumenten,
                                        waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan
                                        een</al><al>onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
                                        scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie, voor
                                        zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                        voortijdige beëindiging van het re-integratietraject.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><cursief>Vierde categorie</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                        dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                        gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen,
                                        waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan
                                        een</al><al>onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
                                        scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie, als
                                        dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                        voortijdige </al><al> beëindiging van het re-integratietraject;</al></li><li nr="d."><al>het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college en de
                                        in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Percentage van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de verlaging van de bijstand als bedoeld in
                                artikel 18, tweede lid, van de wet vast op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        vierde categorie;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan, in afwijking van het eerste lid, het percentage van
                                de verlaging hoger of lager vaststellen, rekening houdend met het
                                gestelde in artikel 2 tweede lid van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de</al><al> datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekend</al><al> gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen wordt
                                de maatregel opgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de duur van een kalendermaand, wanneer sprake is van
                                        een eerste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="b."><al>voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
                                        van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een
                                        hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste als </al><al> verwijtbaar aangemerkte gedraging.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van
                                dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de laatste
                                als verwijtbaar aangemerkte gedraging de bijstand voor onbepaalde
                                duur verlagen, rekening houdend met het gestelde in artikel 2,
                                tweede lid, van deze verordening.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
                                langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
                                mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de </al><al> belanghebbende daartoe aanleiding geven.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald
                                dan wel in de toekomst worden opgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college heroverweegt de in artikel 5, derde en vierde lid van
                                deze verordening, bedoelde maatregel, of de verlaging die na een
                                eerdere heroverweging voor een periode langer dan drie maanden of
                                voor onbepaalde duur is voortgezet, binnen een termijn van ten
                                hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot verlaging of
                                voorzetting van de maatregel.</al></li><li nr="2."><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het
                                gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot</al><al> beëindiging of voortzetting van de maatregel.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de maatregel
                                het percentage van de verlaging verdubbelen, rekening houdend met
                                het gestelde in artikel 2, tweede lid van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien aan de belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="-"><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="-"><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de
                                bijstandsnorm;</al></li><li nr="-"><al>het bedrag waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd uitgaande van de
                                bijstandsnorm; en</al></li><li nr="-"><al>indien van toepassing: de reden om af te wijken van een
                                standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                        verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                        genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de
                        hoogte en de duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de
                        zwaarste maatregel is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing
                                indien:</al></li><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als</al><al>gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
                                maatregel wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt
                                niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                gedraging heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>het een eerste verwijtbare gedraging betreft die niet heeft geleid
                                tot het ten onrechte verlenen van of tot een te hoog bedrag aan
                                bijstand. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan afzien van de tenuitvoerlegging van een maatregel
                                indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Omstandigheden
                                die het rechtstreekse gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te
                                merken gedraging zijn geen dringende redenen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, ten behoeve van de uitvoering van deze verordening,
                                nadere regels vaststellen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                                bepalingen in deze verordening indien toepassing van de verordening
                                tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></li><li nr="3."><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2007 onder
                        intrekking van de Afstemmingsverordening vastgesteld op 9 juni 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening 2007.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de raadsvergadering van 31 januari 2007.</ondertekening><ondertekening>Mw. mr. W G.H. Faber, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De WWB kent één soort sanctie, namelijk het verlagen van de uitkering. De boete
                    als sanctiemiddel is verdwenen.</al><al>Uitgangspunten in deze verordening zijn dat het college op grond van artikel 18
                    WWB verplicht is een maatregel op te leggen bij het niet nakomen van de
                    verplichtingen zoals opgenomen in de verordening (en uitgewerkt in
                    beleidsregels) en dat maatwerk geleverd wordt bij de toepassing van de
                    maatregelen. </al><al>Het college moet in elke individuele situatie bepalen welke verplichtingen van
                    toepassing zijn en wat de verlaging is als die verplichtingen niet of niet
                    voldoende worden nagekomen. Het college dient daarbij de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en
                    middelen van de belanghebbenden. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt, ziet het college af van een verlaging van de uitkering. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de WWB. Tevens wordt in de verordening
                        “belanghebbende” gebruikt. Dit begrip is in artikel 1:2 van de Algemene wet
                        bestuursrecht gedefinieerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering zes soorten
                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan.</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingplicht.</al></li><li nr="5."><al>Aanvullende verplichtingen.</al></li><li nr="6."><al>De identificatieplicht.</al></li></lijst><al/><al>Ad 1. Voldoende besef van verantwoordelijkheid tonen voor de voorziening in
                        het bestaan.</al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                        de bijstandsaanvraag tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        wordt aangevraagd, het college bij de toekenning hiermee rekening dient te
                        houden en de bijstand afstemt op het betoonde besef. </al><al/><al>Ad 2. De plicht tot arbeidsinschakeling.</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling is neergelegd in artikel 9 WWB en bestaat
                        uit twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen en deze te aanvaarden en te behouden;</al></li><li nr="2."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                                verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                                verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden
                                van de belanghebbende. De re-integratieverordening van de gemeente
                                Den Helder vormt de juridische basis voor het opleggen van deze
                                specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen dienen in het </al><al> besluit tot het verlenen van bijstand te worden neergelegd.</al></li></lijst><al/><al>Ad 3. De informatieplicht.</al><al>Artikel 17, eerste lid WWB bepaalt dat de belanghebbende aan het college op
                        verzoek of direct uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten of
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en/of het recht op
                        bijstand.</al><al/><al>Ad 4 De medewerkingplicht.</al><al>De plicht van belanghebbenden om desgevraagd het college de medewerking te
                        verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet is
                        neergelegd in artikel 17, tweede lid WWB. De medewerkingplicht bestaat uit
                        allerlei concrete verplichtingen zoals het toestaan van een huisbezoek of
                        het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid WWB noemt een gedraging die in ieder geval een
                        schending van de medewerkingplicht inhoudt: het zich tegenover het college
                        zeer ernstig misdragen<cursief>.</cursief></al><al>Hiertoe behoort ook agressief gedrag, zij het dat er in dat geval sprake
                        moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke
                        verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>In het gemeentelijke veiligheidsprotocol van de gemeente Den Helder is
                        agressief gedrag als volgt gedefinieerd: “voorvallen waarbij een medewerker
                        psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen, onder
                        omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het uitoefenen van de
                        functie of de taken van de afdeling”.</al><al/><al>Ad 5 Aanvullende verplichtingen </al><al>Naast de algemene voor iedere belanghebbende geldende
                        uitkeringsverplichtingen, kent de WWB de bevoegdheid aan het college toe om
                        aanvullende verplichtingen aan een belanghebbende op te leggen. Het betreft
                        verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel verband houden
                        met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand of strekken tot
                        vermindering of beëindiging van de bijstand, zoals het aanvragen van
                        kinderalimentatie, of dat bepaalde betalingen voor noodzakelijke kosten van
                        het bestaan rechtstreeks worden voldaan door het college, dan wel akkoord te
                        gaan met betaling van bijstand in natura (artikel 55 tot en met 57
                        WWB).</al><al>De wet Suwi legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden. Het betreft de
                        verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                        organisatie werk en inkomen (CWI) te verstrekken die nodig zijn voor de
                        beslissing door het college (artikel 28, tweede lid wet Suwi) en de
                        verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                        omstandigheden mee te delen aan het CWI, waarvan hem redelijkerwijs
                        duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                        bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand of de hoogte of de
                        duur van de bijstand. </al><al/><al>Ad 6 De identificatieplicht</al><al>Artikel 17, vierde lid WWB bepaalt dat een ieder desgevraagd verplicht is
                        aan het college informatie te verstrekken over zijn identiteit, voor zover
                        dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. </al><al>Bij de invoering van de WWB is het daardoor mogelijk geworden bij een nader
                        onderzoek, in het kader van handhaving, bij het betreden van de plaats waar
                        het onderzoek plaatsvindt te vragen naar identiteitsbewijzen. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>In de verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een
                        verplichting betekenen, standaard maatregelen vastgesteld in de vorm van een
                        vaste procentuele verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat het college de maatregel
                        dient af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                        en de mate van verwijtbaarheid. </al><al>Behoudens de in deze verordening opgenomen uitzonderingen, brengt deze
                        bepaling met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal
                        moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                        standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel
                        een verzwaring als een matiging betekenen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al><cursief>Eerste categorie</cursief></al><al>a. Deze bepaling doelt op relatief lichte schendingen van de algemene, uit
                        de wet voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingplicht, zoals het niet
                        tijdig inleveren van de inkomstenverklaring of het niet naar behoren
                        verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen zijn bij de
                        arbeidsinschakeling. Essentieel is dat het moet gaan om inlichtingen die,
                        als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen consequenties hebben voor (de
                        hoogte van) het recht op bijstand. Overigens kan het niet verstrekken van
                        bepaalde inlichtingen er natuurlijk wel toe leiden dat het recht niet kan
                        worden vastgesteld, bijvoorbeeld in de situatie waarin de belanghebbende ook
                        na het verstrijken van de hersteltermijn geen inkomstenverklaring inlevert
                        of niet verschijnt op een oproep voor een periodiek heronderzoek.</al><al>b. De aanvullende verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden
                        opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij aanvang van de bijstand als in een
                        later stadium, zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven.</al><al>Het gaat hier om de aanvullende verplichtingen als genoemd in de artikelen
                        55 tot en met 57 WWB, die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte
                        van het recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of
                        verband houden met de aard en het doel van de bijstand. Het kan hierbij </al><al>bijvoorbeeld gaan om de verplichting mee te werken aan een
                        schuldhulpverleningstraject of de verplichting een medische behandeling te
                        ondergaan.</al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al><cursief>Tweede categorie</cursief></al><al>a. De hier genoemde gedragingen zijn vergelijkbaar met die van de eerste
                        categorie onder a, maar met dit verschil dat het in deze categorie gaat om
                        inlichtingen die direct van invloed zijn op het recht op bijstand. </al><al>Daarbij moet vooral gedacht worden aan gegevens over de woonsituatie of over
                        de hoogte van ontvangen inkomsten of middelen die tot het vermogen worden
                        gerekend, waarvan de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat
                        deze van invloed zijn op het recht op bijstand. Er kan in deze situaties
                        sprake zijn van fraude als de belanghebbende de bedoelde inlichtingen bewust
                        heeft verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de
                        inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager
                        vaststellen van het recht op bijstand of tot beëindiging van de
                        bijstand.</al><al>b. De WWB hecht een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling
                        (artikel 9 WWB). Om voor actieve bemiddeling door het CWI in aanmerking te
                        komen is registratie onontbeerlijk. Het is bovendien een eerste,
                        betrekkelijk eenvoudige stap op weg naar reïntegratie in het
                        arbeidsproces.</al><al>Het niet ingeschreven staan bij het CWI betekent onvermijdelijk een
                        vertraging van de re-integratie, in het bijzonder voor de doelgroep die
                        geacht wordt op eigen kracht naar reguliere arbeid uit te stromen. Juist
                        omdat registratie bij het CWI veelal onmisbaar is voor een succesvolle
                        reïntegratie, is deze gedraging ten opzichte van het Maatregelenbesluit in
                        een hogere categorie geplaatst.</al><al/><al><vet>lid 3</vet></al><al><cursief>Derde categorie</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                                direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op
                                bijstand, bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen schuld het recht op
                                een voorliggende voorziening verspeelt en daardoor (eerder) in
                                bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren. Van
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld
                                sprake als iemand door eigen toedoen het recht op WW verliest (door
                                niet tijdig na ontslag WW aan te vragen).</al><al>Met betrekking tot het op onverantwoorde wijze interen van vermogen
                                zijn door het college beleidsregels opgesteld.</al></li><li nr="b."><al>Deze gedraging heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                                belanghebbende is verplicht naar vermogen sollicitaties te
                                verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het naar
                                vermogen solliciteren, zal onder andere afhangen van het aanbod van
                                algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling van
                                mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen,
                                tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben
                                plaatsgevonden.</al></li><li nr="c."><al> Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                                belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                                levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee
                                te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                                re-integratie-instrumenten of om deel te nemen aan een concreet
                                aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of
                                zelfstandige maatschappelijk participatie. De arbeidsinschakeling
                                wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting
                                niet of onvoldoende nakomt, wat gevolgen kan hebben voor de duur van
                                de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende verlenen van
                                medewerking aan een traject zal immers leiden tot vertraging van dat
                                traject. De gedragingen in deze subcategorie hebben echter niet tot
                                gevolg dat het traject (definitief) geen doorgang vindt of moet
                                worden beëindigd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval
                                sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het
                                re-integratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van een
                                scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt
                                ten aanzien van een diagnostisch onderzoek.</al></li></lijst><al/><al><vet>lid 4</vet></al><al><cursief>Vierde categorie</cursief></al><al>a. In deze categorie gedragingen gaat het om verwijtbaar ontslag,
                        bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of werkweigering.
                        In deze gevallen wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering
                        geweigerd. Het college heeft een eigen onderzoeksplicht, zodat de
                        constatering van de (mate van) verwijtbaarheid van het UWV niet klakkeloos
                        overgenomen kan worden.</al><al>b. Deze gedraging heeft betrekking op het weigeren van een aangeboden
                        dienstverband. Het kan om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of
                        regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur.
                        Essentieel is dat de belanghebbende door de werkweigering afziet van een
                        concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit de bijstand te komen.</al><al>c. Het gaat hier om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de derde
                        categorie onder c, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging
                        heeft geleid tot het geen doorgang vinden of afbreken van een traject. In de
                        praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas plaatsvinden nadat de
                        belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee
                        te willen werken aan instrumenten gericht op een zo spoedig mogelijke
                        inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging,
                        bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van het
                        traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op
                        uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject is
                        inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende immers niet
                        mogelijk.</al><al>d. Met zich zeer ernstig misdragen, wordt vooral bedoeld agressief gedrag.
                        Onder “het college en de in zijn opdracht werkende ambtenaren en
                        medewerkers” wordt niet alleen de consulent verstaan, maar ook de medewerker
                        van de receptie, de telefonist en iedere andere medewerker die namens de
                        afdeling Werk, Inkomen en Zorg met de belanghebbende in contact treedt. </al><al> Onder agressief gedrag wordt verstaan: alle vormen van fysiek geweld, van
                        dreiging met geweld, van intimidatie, stalking, discriminatie naar geslacht,
                        geloof of ras, seksuele intimidatie, vernieling en het dragen van wapens of
                        gevaarlijke voorwerpen. Als er sprake is van agressief gedrag, moet
                        uitvoerig worden gerapporteerd over de exacte aard van het gedrag en de
                        omstandigheden waarin het zich heeft voorgedaan.</al><al>Voor de vaststelling van de ernst van de gedraging en de mate van
                        verwijtbaarheid (en daarmee dus ook voor de hoogte van het percentage van de
                        verlaging) vormen de omschrijvingen van agressief gedrag in het
                        gemeentelijke veiligheidsprotocol het uitgangspunt. In dit protocol worden
                        de diverse gedragingen omschreven en is een onderverdeling gemaakt naar
                        ernst van de gedragingen. Het verlagen van de bijstand wegens ernstig
                        wangedrag laat de bevoegdheid van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg om de
                        pleger gedurende een periode de toegang tot het gebouw te ontzeggen
                        onverlet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Percentage van de verlaging</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>Aan de categorieën is een bepaald wegingpercentage gekoppeld al naar gelang
                        de zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de
                        uiteindelijke vaststelling van de verlaging, waarbij te allen tijde de ernst
                        van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                        omstandigheden moeten worden meegewogen. Het laatste wordt nader uitgewerkt
                        in de toelichting bij het tweede lid. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>Met deze bepaling is beoogd de mogelijkheid te creëren de maatregel zoveel
                        mogelijk toe te snijden op het concrete geval, dus maatwerk leveren. Bij de
                        feitelijke vaststelling van de verlaging moet het college vanzelfsprekend
                        rekening houden met de individuele situatie van de belanghebbende, maar
                        daarnaast ook met de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
                        Zo kan een gedraging naar de zwaarte ervan aanleiding zijn voor een bepaald
                        verlagingspercentage, maar als de belanghebbende blijk heeft gegeven van
                        verder verwijtbaar gedrag af te zien zou het onevenredig hard kunnen zijn om
                        het volle percentage toe te passen. </al><al>Ook hebben de categorieën een zekere “bandbreedte”. Niet elke gedraging
                        binnen dezelfde categorie is even ernstig of heeft even grote gevolgen. Ook
                        dit aspect zal in de afweging moeten worden betrokken. In het bijzonder zal
                        daarbij moeten worden overwogen of de belanghebbende de gevolgen van zijn
                        gedrag redelijkerwijs had kunnen voorzien. </al><al>Vooral bij agressie is er sprake van een breed scala aan feitelijke
                        gedragingen, van relatief “onschuldig” (beledigen of schelden) tot zeer
                        ernstig (fysiek geweld). Deze gedragingen zijn in een concrete situatie ook
                        niet altijd even gemakkelijk van elkaar te onderscheiden en lopen, in geval
                        van escalatie, min of meer in elkaar over. Bij dit type verwijtbaar gedrag
                        zullen de ernst en de gevolgen (bijvoorbeeld geestelijk of lichamelijk
                        letsel) in de overweging of het maximale verlagingspercentage moet worden
                        opgelegd, moeten meewegen. Daarbij is ook van belang of de belanghebbende
                        zich voor de eerste maal schuldig maakt aan dergelijk gedrag of hiervoor al
                        eerder is gesanctioneerd (en dus op de hoogte kon zijn van de mogelijke
                        consequenties) en welke persoonlijke omstandigheden meespelen. Voorop staat
                        echter dat het in beginsel mogelijk moet zijn om bij ernstig wangedrag de
                        zwaarste sanctie op te leggen en dat vooral agressie niet getolereerd wordt.
                        Zoals al is aangegeven in de toelichting op artikel 3, vierde lid onder d,
                        dienen de omschrijvingen in het gemeentelijke veiligheidsprotocol als
                        uitgangspunt voor de vaststelling van het feitelijke percentage. </al><al>In het algemeen geldt dat een eerste verwijtbare gedraging met betrekkelijk
                        geringe gevolgen voor de inschakeling in de arbeid of voor (de hoogte van)
                        het recht op bijstand, afhankelijk van de ernst en verwijtbaarheid, soms kan
                        leiden tot de vaststelling van een lager percentage, terwijl echter een
                        gedraging met relatief ernstige gevolgen een hoger percentage tot gevolg kan
                        hebben. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren, te
                        weten: met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                        uitkering of door middel van verlaging van de bijstandsnorm in de
                        eerstvolgende maand(en). Het verlagen van de uitkering die in de toekomst
                        wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode omdat in dat geval niet
                        overgegaan hoeft te worden tot herziening en terugvordering van de bijstand.
                        Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met
                        ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de
                        voor die maand geldende bijstandsnorm. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>Voornamelijk met betrekking tot de duur van de verlaging zijn door het
                        college beleidsregels opgesteld die specifiek betrekking hebben op de
                        onverantwoorde wijze interen van vermogen. Deze “categorie” van
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan vormt daarom een uitzondering voor wat betreft de duur van de
                        maatregel. </al><al>Het derde lid regelt de duur van de verlaging bij een eerste gedraging (sub
                        a) en bij recidive binnen twaalf maanden (sub b). Een eerste gedraging kan
                        hoogstens leiden tot een verlaging voor de duur van een kalendermaand, een
                        tweede gedraging tot maximaal twee kalendermaanden. Bepalend voor recidive
                        is de datum waarop de eerste gedraging als verwijtbaar is aangemerkt en de
                        belanghebbende hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, dus de
                        verzenddatum van de beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging. </al><al/><al><vet>lid 3</vet></al><al>Het vierde lid regelt de duur van de verlaging bij volharding. Van
                        volharding is in beginsel sprake bij een derde en volgende gedraging van
                        gelijke of hogere categorie, binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare
                        gedraging. Omdat een verlaging voor onbepaalde duur relatief grote gevolgen
                        heeft voor de belanghebbende, geldt hier bij uitstek het vereiste van een
                        zorgvuldige belangenafweging. Overigens blijft het mogelijk om ook bij
                        volharding opnieuw een verlaging voor bepaalde duur (tot maximaal drie
                        maanden) op te leggen. In de meeste gevallen zal echter de verlaging voor
                        onbepaalde duur moeten worden opgelegd en zal de belanghebbende bij de in
                        artikel 6 derde lid van deze verordening bedoelde heroverweging aannemelijk
                        moeten maken van verder verwijtbaar gedrag af te zien. Hierbij kan
                        bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet nakomen van de sollicitatieplicht.
                        Het is aan de belanghebbende om door middel van bewijsstukken aan te tonen
                        dat hij inmiddels weer volledig aan de sollicitatieplicht voldoet. </al><al/><al><vet>lid 4</vet></al><al>Met deze bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om ook een
                        eerste of tweede gedraging de verlaging voor een langere periode op te
                        leggen als de situatie daartoe aanleiding geeft. Ook hier geldt het beginsel
                        dat in een concreet geval maatwerk mogelijk moet zijn. Hierbij moet vooral
                        gedacht worden aan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (anders
                        dan onverantwoord interen op vermogen) waardoor de belanghebbende eerder in
                        bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren, bijvoorbeeld door het
                        nemen van ontslag of door het afbreken van een traject waardoor de kansen op
                        uitstroom ernstig bemoeilijkt wordt. In dergelijke gevallen moet het
                        mogelijk zijn om, rekening houdend met de betrekkelijk ernstige gevolgen van
                        de gedraging, al bij een eerste of tweede gedraging deze voor langere of
                        voor onbepaalde duur op te leggen. </al><al/><al><vet>lid 5</vet></al><al>Hierin is opgenomen de bepaling voor het geval de bijstand al beëindigd is,
                        maar nog niet is uitbetaald aan de belanghebbende. Er is dan sprake van
                        terugwerkende kracht. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om de
                        maatregel in de toekomst op te leggen als belanghebbende weer een beroep
                        doet op de bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>Artikel 18, derde lid WWB schrijft voor dat het college een maatregel moet
                        heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging kan
                        achterwege blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie
                        maanden is opgelegd. </al><al>Binnen drie maanden na de beschikking tot verlaging voor onbepaalde duur
                        moet het college beginnen met het onderzoek in het kader van de
                        heroverweging. Dit onderzoek kan in sommige gevallen schriftelijk
                        plaatsvinden, afhankelijk van de aard van de verplichting of gedraging. Zo
                        kan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het al dan niet nakomen van de
                        sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van schriftelijke
                        bewijzen waaruit blijkt dat de belanghebbende inmiddels aan de
                        sollicitatieplicht is gaan voldoen. In andere gevallen kan het noodzakelijk
                        zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de belanghebbende de gevraagde
                        gegevens niet overlegt of geen gehoor geeft aan oproepen, dan vindt de
                        heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens wat veelal tot
                        voortzetting van de verlaging zal leiden. De heroverweging resulteert in een
                        beschikking. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>Het resultaat van de heroverweging kan tweeledig zijn. Beëindiging van de
                        maatregel na drie maanden vindt plaats als de belanghebbende laat blijken
                        zich inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare gedraging
                        waarvoor de maatregel was opgelegd dan wel aannemelijk maakt dat hij zich
                        voortaan aan de opgelegde verplichtingen zal houden. </al><al>Van voortzetting zal sprake zijn als de belanghebbende zich ook ten tijde
                        van de heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt.
                        De voortzetting kan, afhankelijk van omstandigheden, mate van
                        verwijtbaarheid en ernst van de gedraging, plaatsvinden voor bepaalde of
                        onbepaalde duur. Bij voortzetting voor onbepaalde duur moet binnen uiterlijk
                        drie maanden opnieuw heroverweging plaatsvinden. Heroverweging kan overigens
                        leiden tot voortzetting met vaststelling van een lager percentage als de
                        belanghebbende blijk geeft zijn gedrag enigszins, maar onvoldoende, te
                        hebben verbeterd. </al><al/><al><vet>lid 3</vet></al><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de
                        maatregel te verdubbelen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld de
                        weigerachtigheid om mee te werken aan een traject. Als hiervoor een
                        verlaging is opgelegd en de belanghebbende blijft medewerking weigeren, ook
                        na een tweede maatregel voor twee maanden en na een derde voor onbepaalde
                        duur, dan kan bij de voortzetting het percentage worden verdubbeld.
                        Verlaging van het percentage is mogelijk indien de belanghebbende blijk
                        heeft gegeven zijn gedrag enigszins, maar onvoldoende te hebben verbeterd.
                        Ook hierbij staat een zorgvuldige belangenafweging voorop. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb).</al><al>In het kader van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel (zoals
                        geformuleerd in artikel 3:2 en 3:4 Awb) wordt in het eerste lid het horen
                        van de belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd, in beginsel
                        voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de hoorplicht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                        over de bijstandsnorm. Mogelijk ten overvloede wordt hierbij nogmaals
                        gesteld dat onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                        inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                        noodzakelijk wordt aangevuld door middel van bijzondere bijstand in de
                        kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op die lage
                        jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                        opzichte van de 21-jarigen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                        plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende
                        uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene
                        bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen. Wordt een maatregel met
                        terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van de
                        bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid WWB). Tegen beide besluiten
                        kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. </al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                        vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan in het
                        bijzonder het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder
                        andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                        voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaats vinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                        gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                        meebrengt. </al><al>Indien sprake is van schendingen van meerdere verplichtingen door één
                        gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel uitgegaan te worden
                        van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afzien van opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>lid 1</vet></al><al>De WWB bepaalt dat het college moet afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al/><al><vet>lid 2</vet></al><al>Deze bepaling regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de mogelijkheid
                        om bij een eerste verwijtbare gedraging met een waarschuwing te volstaan.
                        Uitgangspunt blijft echter dat verwijtbaar gedrag in beginsel een verlaging
                        van de bijstand tot gevolg heeft. Als wordt overwogen om met een
                        waarschuwing te volstaan, moet dit uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Een
                        waarschuwing bij een eerste gedraging is dus geen automatisme. Het zal in
                        vrijwel alle gevallen gaan om relatief onbeduidendegedragingen met geen voor
                        het recht op, of de hoogte van de bijstand directe gevolgen (zoals het laten
                        verlopen van inschrijving CWI met enkele dagen e.d.) en / of van een geringe
                        mate van verwijtbaarheid. De feitelijke gedraging moet wel worden omschreven
                        in een waarschuwingsbeschikking en telt gewoon mee bij recidive. </al><al>Bij iedere categorie gedragingen kan, met inachtneming van het bovenstaande,
                        in beginsel met een waarschuwing worden volstaan. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit, het zogenaamde lik-op-stuk, is het nodig dat een maatregel
                        spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt opgelegd. Om deze
                        reden is dan ook geregeld dat er geen maatregelen worden opgelegd voor
                        gedragingen die langer dan één jaar hebben plaatsgevonden. Om de verwijtbare
                        gedraging toch niet als onopgemerkt voorbij te laten gaan wordt volstaan met
                        een schriftelijke waarschuwing. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Een termijn
                        van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude)
                        en gelet op het feit dat het college tijd nodig heeft om de omvang van de
                        fraude (het benadelingbedrag) vast te stellen. </al><al/><al><vet>lid 3</vet></al><al>Soms kunnen er zwaarwegende argumenten zijn om van de tenuitvoerlegging van
                        een overigens gerechtvaardigde maatregel af te zien. Het betreft dan
                        argumenten die met de reden van de verlaging niets van doen hebben. Deze
                        zijn immers bij de vaststelling van de hoogte en de duur van de maatregel al
                        meegewogen. </al><al>Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarin sprake is van een zodanige
                        samenloop van omstandigheden dat deze, als de maatregel wel zou worden
                        uitgevoerd, tot gevolg hebben dat de belanghebbende als gevolg van de
                        verlaging in een ernstige financiële noodsituatie komt, waardoor
                        bijvoorbeeld onmiddellijke huisuitzetting dreigt of een pas begonnen
                        schuldsaneringstraject wordt gefrustreerd. Het moet zoals aangegeven gaan om
                        een noodsituatie die het gevolg is van de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende. Het ontstaan van een betalings- of huurachterstand of een
                        tijdelijke opschorting van een schuldsanering is op zichzelf geen reden om
                        van het opleggen van een maatregel af te zien. Evenmin kan het enkele feit
                        dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging tijdelijk een inkomen
                        lager dan de beslagvrije voet ontvangt voldoende reden zijn om van de
                        tenuitvoerlegging van een maatregel af te zien. </al><al>De financiële noodsituatie mag ook niet het gevolg zijn van de verwijtbare
                        gedraging. Als iemand door verwijtbaar ontslag in ernstige financiële nood
                        komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van de oplegging van een
                        maatregel af te zien. De omstandigheden zijn immers het gevolg van het
                        verwijtbare gedrag. </al><al>Afzien van de uitvoering van een verlaging kan ook plaatsvinden als er
                        sprake is van een verlaging wegens herhaald verwijtbaar gedrag. Bij elke
                        nieuwe maatregel of heroverweging moet dus opnieuw worden beoordeeld of zich
                        dringende redenen voordoen. </al><al/><al><vet>lid 4</vet></al><al>In de beschikking worden wel hoogte en duur van de maatregel vastgesteld en
                        wordt meegedeeld om welke dringende redenen van tenuitvoerlegging wordt
                        afgezien. De maatregel telt bij de vaststelling van eventuele recidive en
                        volharding dus gewoon mee. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>