<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR87096_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WIJ 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2010, 2</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WIJ 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, lid 1, en Wet investeren in jongeren, artikel 12, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB08.0172</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WIJ 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1 </nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet investeren in Jongeren;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28 lid 1 sub d
                                            van de wet;</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                            de gemeente Den Helder;</al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                            j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                                            woonschip, als bedoeld in artikel 3 lid 6 Wet Werk en
                                            Bijstand;</al></li><li nr="e."><al>woonkosten: 1. indien een huurwoning wordt bewoond, de
                                            per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1 sub d
                                            van de Wet op de huurtoeslag;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de
                                    in verband met het in eigendom hebben van de woning te
                                    betalen</al><al>zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                                    bedrag</al><al>voor onderhoud;</al><lijst><li nr="f."><al>toeslag: een verhoging van de norm als bedoeld in
                                            artikel 30 van de wet;</al></li><li nr="g."><al>norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                            jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                            verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                            college vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="h."><al>verzorgingsbehoevende:</al><al>degene die is aangewezen op verzorging ter voorkoming
                                            van opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor jongeren aan wie een uitkering kan worden verleend geldt
                                    een categorieaanduiding.</al><al>Deze categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren
                                    van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 27 jaar. In geval van
                                    gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien
                                    de gehuwden beiden 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar
                                    zijn.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2 </nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30 lid 1 van de wet bedraagt 20
                                    procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen
                                    ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30 lid 1 van de wet bedraagt 10
                                    procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meer
                                    anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het voorgaande wordt de toeslag als bedoeld in
                                    artikel 30 lid 1 van de wet voor een alleenstaande van 21 of 22
                                    jaar oud op grond van artikel 34 lid 1 afwijkend
                                    vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande van 21 jaar bedraagt de toeslag
                                            10 procent en voor een alleenstaande van 22 jaar 15
                                            procent in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                            heeft;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande van 21 en 22 jaar bedraagt de
                                            toeslag 5 procent in wiens woning één of meer anderen
                                            hun hoofdverblijf hebben.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt de
                                    verzorgingsbehoevende die door de jongere wordt verzorgd niet in
                                    aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                    hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3 </nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10
                                    procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer
                                    anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging wegens woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="1."><al>15 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor de jongere geen woonkosten zijn verbonden;</al></li><li nr="2."><al>15 procent van de gehuwdennorm indien géén woning door de
                                    jongere bewoond wordt;</al></li><li nr="3."><al>de verlaging als bedoelt in sub 1 en sub 2 van dit artikel vindt
                                    plaats op de toeslag.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4 </nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WIJ
                            2009.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de raadsvergadering van 14 december 2009.</ondertekening><ondertekening>ir. C.J. Vriesman, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Begripsomschrijving</tussenkop><al>Voor zover geen nadere definitie is gegeven aan een begrip welke wel wordt
                    gebruikt in deze verordening, wordt verwezen naar de definitie van het begrip
                    als omschreven in de wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><tussenkop>Categorieën</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De jongerennormen zijn in de wet, achtereenvolgend in de artikelen 26, 27 en 28,
                    onderverdeeld in de categorieën alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. In de verordening is er eveneens voor gekozen om deze categoriale
                    indeling te hanteren.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Ingevolge de wet bestaat er geen inkomensvoorziening voor jongeren van 16 en 17
                    jaar. Voor jongeren in de leeftijdscategorie 18 tot en met 20 jaar gelden de
                    normen als bedoeld in de wet. Ingevolge artikel 30 lid 1 van de wet kan het
                    college slechts de norm verhogen in de gevallen als bedoeld in artikel 26 sub b
                    en artikel 27 sub b. Deze verordening ziet derhalve enkel op jongeren in de
                    leeftijdscategorie 21 tot en met 26 jaar.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>Toeslagen</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van artikel 35 lid 2 sub a van de wet is de gemeenteraad verplicht om
                    te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of de alleenstaande ouders in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft.</al><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de norm verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de toeslag worden
                    alle extra algemeen noodzakelijke kosten bestaanskosten in aanmerking genomen
                    die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die
                    met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert.</al><al>Het gaat hierbij niet alleen om de woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin)
                    maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben
                    omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij
                    de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
                    geconfronteerd kan vooral gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals
                    woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan diverse andere
                    kosten, zoals heffingen, belastingen, verzekering etc.</al><al>Bij de beoordeling of de jongere inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in
                    voorkomende gevallen niet bepalend of de kosten ook feitelijk met anderen worden
                    gedeeld, maar of het (gegeven de omstandigheden) redelijk is ervan uit te gaan
                    dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een
                    hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste
                    gebruikersruimte van bijstandsmiddelen ontstaan als de hoogte van de toeslag
                    ervan afhankelijk is of de medebewoner (hoewel deze er financieel toe in staat
                    is) ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten. Hiertoe wordt gesproken
                    van het ‘’kunnen delen’’ van de kosten. Met deze omschrijving wordt
                    uitdrukkelijk niet beoogt aan te geven dat van de jongere kan worden gevergd dat
                    deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast om zo met een lagere
                    bijstandsuitkering te kunnen volstaan. </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals gesteld,
                    de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0 procent en maximaal 20
                    procent van de gehuwdennorm. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te
                    komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden
                    gedeeld en dat er daarom terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De
                    toeslag maakt een integraal deel uit van de bijstandsuitkering.</al><al>De inlichtingenplicht, zoals opgenomen in artikel 44 van de wet, geldt dan ook
                    voor het toeslagendeel. De jongere zal dan ook door middel van het overleggen
                    van gegevens het recht moeten aantonen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten in uitgebreide zin kunnen worden
                    gedeeld. De kosten van onder andere huur, belastingen, verzekeringen, vastrecht,
                    nutsbedrijven en dergelijke, zijn voor personen die een woning delen lager omdat
                    deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Echter,
                    zolang er geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding kan er niet van
                    uit worden gegaan dat alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    daarom op zijn plaats. Uit het oogpunt van de gemeentelijke beleidsvrijheid
                    worden de schaalvoordelen derhalve berekend op 10 procent. Ingeval er op
                    enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten wordt de toeslag als
                    gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10 procent van het
                    minimumloon. Het <cursief>aantal</cursief> medebewoners heeft hier geen invloed
                    op.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Artikel 34 van de WIJ geeft het college de bevoegdheid om de toeslag als bedoeld
                    in artikel 30 van de WIJ voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vast
                    te stellen voor zover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het
                    minimumjeugdloon, de hoogte van de toeslag een belemmering kan vormen voor de
                    aanvaarding van arbeid. Daar het minimumjeugdloon voor een 21-jarige lager ligt
                    dan het minimumloonjeugdloon van een 22-jarige, is er voor gekozen evenredig
                    hieraan voor een 21-jarige een lagere toeslag vast te stellen dan voor een
                    22-jarige.</al><al>De toeslag bedraagt 5 procent voor zowel de 21-jarige als de 22-jarige in wiens
                    woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het kan niet wenselijk worden geacht om de jongere, die verzorgingstaken op zich
                    neemt ten behoeve van de zorgbehoevende medebewoner, te confronteren met een
                    lagere toeslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Verlaging gehuwden</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen elkaar. Indien in dezelfde
                    woning nog een ander zijn of haar hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de
                    mate waarin de kosten ook <cursief>daadwerkelijk</cursief> gedeeld worden niet
                    van belang. Dat is immers de verantwoordelijkheid van de jongere zelf.</al><al>Ongeacht het aantal andere personen dat in dezelfde woning zijn of haar
                    hoofdverblijf heeft, vindt er een verlaging plaats van 10 procent van de
                    gehuwdennorm.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Hier wordt verwezen naar de toelichting behorende bij artikel 3 lid 4 van deze
                    verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><tussenkop>Verlaging wegens woonsituatie</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Artikel 32 van de WIJ biedt het college de mogelijkheid om de toeslag als
                    bedoeld in artikel 30 van de WIJ lager vast te stellen voor zover de jongere
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de toeslag
                    voorziet als gevolg van zijn of haar woonsituatie, waaronder begrepen het niet
                    aanhouden van een woning.</al><al>Als aan een woning geen woonkosten zijn verbonden, is sprake van lagere
                    bestaanskosten. Het begrip woonkosten is nader gedefinieerd in artikel 1 lid 1
                    sub e van deze verordening. Het uitgangspunt voor verlaging van de toeslag is
                    het bedrag dat de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu
                    hanteert als minimumbedrag bij het toepassen van huurtoeslag (het zogenaamde
                    normbedrag voor de minimum inkomensklasse). Omgerekend naar een percentage
                    bedraagt deze verlaging afgerond 15 procent van de toeslag.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Indien door de jongere in het geheel geen woning wordt bewoond, wordt hij of zij
                    geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege
                    het ontbreken van alle woonkosten. Er is in deze verordening echter voor gekozen
                    om deze situatie vergelijkbaar te stellen met een jongere die een woning bewoond
                    waaraan geen woonkosten zijn verbonden. Een dakloze wordt immers doorgaans
                    geconfronteerd met hogere kosten van het op straat leven, zoals de kosten welke
                    zijn verbonden aan de nachtopvang. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De korting vindt plaats op de toeslag.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>