<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86999_9</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiele organisatie van de gemeente Utrecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad van Utrecht, 2013, 52</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Utrecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-10-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel jaargang 2013, nr. 93</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financien</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling wordt vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR305664_1">Financiële verordening gemeente Utrecht, tiende wijziging</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiele organisatie van de gemeente Utrecht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede
                            voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële
                            organisatie van de gemeente Utrecht, waarin opgenomen de eerste tot en
                            met zesde wijziging (raadsbesluiten van 13 november 2003, 1 september
                            2005 en 12 januari, 7 december 2006, 26 maart 2009, 11 februari en 11
                            november 2010)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al/><al/><al><vet>VERORDENING </vet>op de uitgangspunten voor het financieel beleid,
                        alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële
                        organisatie van de gemeente Utrecht<vet>.</vet></al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 1 Definities</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="1."><al>dienst: organisatorische eenheid, onder leiding van een
                                dienstdirecteur, binnen de gemeentelijke organisatie die als zodanig
                                een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college heeft;
                            </al></li><li nr="2."><al>administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                                verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het
                                functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie
                                van de gemeente Utrecht en ten behoeve van de verantwoording die
                                daarover moet worden afgelegd; </al></li><li nr="3."><al>financiële administratie: het onderdeel van de administratie dat
                                omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen
                                betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de
                                organisatie van de gemeente Utrecht, teneinde te komen tot een goed
                                inzicht in: </al><lijst><li nr="1."><al>de financieel-economische positie; </al></li><li nr="2."><al>het financiële beheer; </al></li><li nr="3."><al>de uitvoering van de begroting; </al></li><li nr="4."><al>het afwikkelen van vorderingen en schulden; </al></li><li nr="5."><al>alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                        daarover. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>administratieve organisatie: het stelsel van organisatorische
                                maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden
                                van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke
                                informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke
                                leiding;</al></li><li nr="5."><al>financieel beheer: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op
                                het beheer van middelen en de uitoefening van rechten van de
                                gemeente Utrecht; </al></li><li nr="6."><al>rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met de relevante wet- en
                                regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen en relevante
                                uitvoeringsregelingen, als gevolg van verordeningen, en
                                raadsbesluiten; </al></li><li nr="7."><al>doelmatigheid: het streven om met een zo beperkt mogelijke inzet van
                                de beschikbare middelen het gewenste resultaat te bereiken; </al></li><li nr="8."><al>doeltreffendheid: de mate waarin een organisatie erin slaagt met de
                                geleverde prestaties de gestelde doelen of gewenste maatschappelijk
                                effecten te bereiken; </al></li><li nr="9."><al>begroting: begroting of programmabegroting, bestaande uit
                                beleidsbegroting (programmaplan en paragrafen) en financiële
                                begroting (staat van lasten en baten van de programma's en
                                financiële positie); </al></li><li nr="10."><al>productenraming: document voor het college, waarin een programma is
                                uitgesplitst in productgroepen of producten, ten behoeve van de
                                uitvoering van programma's en beheersing van de uitvoering. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Begroting en verantwoording</vet></al><al><vet><cursief>Kaderstellen</cursief></vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 2 Programmabegroting </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt in ieder geval bij de aanvang van de nieuwe
                                raadsperiode een programma-indeling vast. </al></li><li nr="2."><al>De raad stelt per programma, voor het betreffende begrotingsjaar,
                                vast: </al><lijst><li nr="1."><al>de beoogde maatschappelijke effecten; </al></li><li nr="2."><al>de wijze waarop ernaar gestreefd zal worden die effecten te
                                        bereiken en </al></li><li nr="3."><al>de baten en lasten. </al></li></lijst></li></lijst><al>Tevens geeft de raad per programma </al><lijst><li nr=""><al>voor de drie opvolgende jaren een globaal overzicht beoogde effecten
                                en baten en lasten in de toekomst. </al></li><li nr=""><al>de eventueel relevante beleidsmatige kaders waarbinnen het programma
                                uitgevoerd dient te worden </al></li><li nr=""><al>Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking tot
                                de beoogde maatschappelijke effecten en de wijze waarop ernaar
                                gestreefd zal worden die effecten te bereiken. </al></li><li nr=""><al>De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het derde lid, vast. </al></li><li nr=""><al>Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
                                gegevens over de maatschappelijke effecten, en de wijze waarop deze
                                gerealiseerd worden, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van
                                het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.
                            </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 3 Producten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college maakt een productenraming die aansluit bij de door de
                                raad vastgestelde programma-indeling en zendt deze productenraming
                                op verzoek van de raad ter informatie aan de raad. </al></li><li nr="2."><al>De toedeling van de producten aan de programma's staan voor de
                                raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijzigen.
                                Wijzigingen worden bij de begroting expliciet vermeld. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 4 Kaders begroting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt uiterlijk in week 24 de voorjaarsnota aan ter
                                vaststelling. De voorjaarsnota bevat voorstellen voor de kaders voor
                                het volgende begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren. In deze
                                nota worden de bevindingen betrokken uit de bestuursrapportage
                                bedoeld in artikel 7 en uit de jaarstukken bedoeld in artikel
                                8.</al></li><li nr="2."><al>De raad stelt de voorjaarsnota uiterlijk 14 juli vast, gelijktijdig
                                met de jaarstukken en de bestuursrapportage.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet><cursief>Uitvoering</cursief></vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 5 Uitvoering begroting </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de
                                begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt. </al></li><li nr="2."><al>Het college draagt ten aanzien van de productenraming er zorg voor
                                dat: </al><lijst><li nr="1."><al>de lasten en baten, door middel van kostentoerekening,
                                        eenduidig zijn toegewezen aan de producten van de
                                        productraming; </al></li><li nr="2."><al>de budgetten uit de productraming en kredieten voor
                                        investeringen passen binnen de kaders zoals geautoriseerd
                                        bij de vaststelling van de uiteenzetting van de financiële
                                        positie; </al></li><li nr="3."><al>de lasten van de producten niet dusdanig worden overschreden
                                        dat de realisatie van andere producten binnen hetzelfde
                                        programma onder druk komt. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college draagt er zorg voor dat de lasten van de programma's
                                zoals geautoriseerd in de (gewijzigde) begroting niet worden
                                overschreden. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet><cursief>Beheersing en Interne controle</cursief></vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 6 Interne controle </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de
                                rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor een adequate
                                administratieve organisatie en interne controle. Bij afwijkingen,
                                geconstateerd bij interne controles, neemt het college maatregelen
                                tot herstel. </al></li><li nr="2."><al>In de paragraaf bedrijfsvoering besteedt het college aandacht aan de
                                administratieve organisatie en de interne controlemaatregelen, en
                                legt hij verantwoording af over het gevoerde interne controlebeleid.
                            </al></li></lijst><al/><al/><al><vet><cursief>Rapportage en Verantwoording</cursief></vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 7 Tussentijdse rapportage en informatie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad door middel van een tussentijdse
                                rapportage over de bijsturingmogelijkheden op basis van de
                                realisatie van de eerste vijf maanden en een prognose voor het
                                gehele begrotingsjaar. </al></li><li nr="2."><al>De tussenrapportage wordt aan de raad aangeboden uiterlijk in week
                                40. </al></li><li nr="3."><al>De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de
                                programma-indeling van de begroting. </al></li><li nr="4."><al>De rapportage gaat in op afwijkingen, zowel wat betreft de lasten,
                                de geleverde goederen en diensten en indien daar aanleiding voor is
                                de maatschappelijke effecten: </al></li><li nr="5."><al>inkomsten uit de algemene uitkering; </al></li><li nr="6."><al>de renteontwikkeling op de kapitaalmarkt; </al></li><li nr="7."><al>resultaten uit grondexploitatie; </al></li><li nr="8."><al>realisatie op begrote subsidie-inkomsten.</al></li><li nr="9."><al>De raad stelt de bestuursrapportage uiterlijk 14 juli vast,
                                gelijktijdig met de voorjaarsnota en de jaarstukken.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 8 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de
                                programma's. In de verantwoording, die is opgebouwd uit een
                                beleidsmatig (programma- en paragraafverantwoording) en een
                                financieel deel (balans + staat van baten en lasten + toelichting),
                                geeft het college aan:</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt de jaarstukken (de verantwoording) uiterlijk in
                                week 24 volgend op het begrotingsjaar aan de raad aan.</al></li><li nr="3."><al>De raad stelt de jaarstukken uiterlijk 14 juli, gelijktijdig met de
                                voorjaarsnota en de bestuursrapportage, vast.</al></li><li nr="2."><al>wat is bereikt;</al></li><li nr="3."><al>hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting gestelde
                                doelen.</al></li><li nr="4."><al>op welke wijze dat bereikt is;</al></li><li nr="5."><al>wat de kosten zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>Financiële positie</vet></al><al><vet><cursief>Kaderstellen</cursief></vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 9 Financiële positie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt er zorg voor, dat besluiten van de raad in de
                                uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen zijn
                                opgenomen. </al></li><li nr="2."><al>Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen worden bij de
                                uiteenzetting van de financiële positie expliciet vermeld. </al></li><li nr="3."><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de financiële positie de
                                investeringsruimte per programma. </al></li><li nr="4."><al>Het college legt voor belangrijke investeringen een nader
                                inhoudelijk voorstel voor aan de raad. Bij de programmabegroting
                                wordt een limitatieve lijst van deze belangrijke investeringen door
                                de raad vastgesteld. Bij de bespreking van de nadere inhoudelijke
                                voorstellen ten aanzien van belangrijke investeringen kan de raad
                                wensen en bedenkingen aan het college meegeven. </al></li></lijst><al/><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 10 Waardering en afschrijving vaste activa</vet></al><al>1. Kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief worden
                        uitsluitend geactiveerd, indien het actief daadwerkelijk gerealiseerd
                        is.</al><al>2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de
                        exploitatie gebracht.</al><al>3. De materiele vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in artikel 35
                        van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, worden
                        lineair of annuïtair afgeschreven.</al><al>4. Annuïtair worden afgeschreven:</al><al>a. gebouwen en riolen in 40 jaar, met uitzondering van
                        niet-levensduurverlengende restauraties aan monumenten (in twintig
                        jaar);</al><al>b. verbouwingen, uitbreiding en inrichting van gebouwen, alsmede
                        voorzieningen in en aan gebouwen (meubilair, beveiligings-, verwarmings-, en
                        brandblusinstallaties) in tien jaar;</al><al>c. grootschalige ICT investeringen in hardware of software (bijvoorbeeld
                        grote applicaties/ gemeentebrede netwerken) in zeven á acht jaar;</al><al>5. Lineair worden afgeschreven:</al><al>a. parkeerterreinen in tien jaar;</al><al>b. voertuigen, afhankelijk van de aard in vijf tot vijftien jaar;</al><al>c. machines, apparatuur, installaties, inventaris in vijf tot tien
                        jaar;</al><al>d. software/hardware automatisering in drie tot vijf jaar;</al><al>e. grond-, weg- en waterbouwkundige werken, inrichting sportvelden in
                        vijftien jaar;</al><al>f. taxatiekosten WOZ in vier jaar;</al><al>g. kosten onderzoek en ontwikkeling in vijf jaar;</al><al>h. op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven;</al><al>i. overige materiële vaste activa, ondergrondse betonputten, in 20
                        jaar.</al><al>6. Het Besluit begroting en verantwoording maakt onderscheid tussen
                        investeringen met een maatschappelijk en investeringen met een economisch
                        nut. Investeringen met een maatschappelijk nut boven de EUR 5 miljoen worden
                        in vijftien jaar afgeschreven, terwijl kleinere investeringen met
                        maatschappelijk nut direct ten laste van het resultaat gebracht worden of zo
                        snel mogelijk afgeschreven.7. Voor de exacte afschrijvingstermijn per actief
                        binnen bovengestelde kaders dient het college van burgemeester en wethouders
                        een detailtabel vast te stellen, te onderhouden en toe te passen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 11 Reserves en voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt jaarlijks gelijktijdig met de in artikel 4
                                genoemde nota de (bijgestelde) nota reserves en voorzieningen aan.
                            </al></li><li nr="2."><al>De nota behandelt: </al><lijst><li nr="1."><al>de vorming en besteding van reserves; </al></li><li nr="2."><al>de vorming en besteding voorzieningen en </al></li><li nr="3."><al>de toerekening en verwerking van rente over de reserves en
                                        de voorzieningen, in relatie tot de nota weerstandsvermogen
                                        bedoeld in artikel 16. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De raad stelt deze nota gelijktijdig met de in artikel 4 genoemde
                                nota vast. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 12 Kostprijsberekening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en diensten
                                ten behoeve van tarieven van de gemeente Utrecht wordt een systeem
                                van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden
                                naast de directe kosten alleen die indirecte kosten betrokken, die
                                rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente verleende diensten.
                            </al></li><li nr="2."><al>Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan reserves
                                voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de
                                kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor rioolrechten,
                                reinigingsrechten en afvalstoffenheffing de compensabele BTW. </al></li><li nr="3."><al>De omslagrente voor de rentetoerekening van de kapitaallasten wordt
                                bepaald door het rentetotaal van de uitstaande leningen en de bij
                                begroting vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen vermogen
                                en voorzieningen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 13 Financieringsfunctie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt in een Treasurystatuut nadere regels omtrent: </al></li><li nr="2."><al>de doelstellingen, richtlijnen en limieten van de treasuryfunctie;
                            </al></li><li nr="3."><al>de (administratief) organisatorische randvoorwaarden van de
                                treasuryfunctie; </al></li><li nr="4."><al>de interne controle op het genoemde in het eerste lid onder b.
                                en</al></li><li nr="5."><al>de uit het eerste lid onder a., b. en c. voortvloeiende
                                informatievoorziening voor de verschillende momenten in de
                                verantwoordingscyclus. </al></li><li nr="6."><al>Het gemeentelijk betalingsverkeer vindt uitsluitend plaats via
                                rekeningen bij door het college aangewezen bankinstellingen </al></li><li nr="7."><al>Het college stelt in een uitvoeringsbesluit Treasurybeheer nadere
                                regels omtrent: </al><lijst><li nr="1."><al>de verantwoordelijkheid en de werkwijze van de beheerder van
                                        het Financieringsfonds ten aanzien van de treasuryfunctie;
                                    </al></li><li nr="2."><al>het aantrekken van financiële middelen en het beleggen van
                                        overtollige financiële middelen door middel van
                                        mandaatverlening aan de afdeling Treasury en </al></li><li nr="3."><al>financial lease, betalingsverkeer intern/extern,
                                        saldobeheer, liquiditeitenbeheer, relatiebeheer,
                                        borgstellingen en garanderen van geldleningen ten behoeve
                                        van alle gemeentelijke diensten. </al></li></lijst></li><li nr="8."><al>Bij de begroting en in het jaarverslag wordt in een treasury
                                paragraaf ingegaan op het financieringsbeleid. Hierin komt ten
                                minste aan de orde: de kasgeldlimiet, de renterisiconorm, de omvang
                                en de samenstelling van het vreemd en eigen vermogen, de omvang en
                                samenstelling van de (materiële en financiële) activa, de
                                liquiditeitspositie en -planning en de meerjarige
                                financieringsbehoefte. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 14 Registratie bezittingen, activa en vermogen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorgt voor een actuele en volledige registratie
                                van bezittingen. In de registratie worden ook opgenomen
                                niet-geactiveerde kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde en
                                de niet- of nettogeactiveerde investeringen in de openbare ruimte.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de
                                ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente
                                systematisch worden gecontroleerd, met dien verstande dat de
                                waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de
                                (debiteuren-)vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen en
                                de (crediteuren-)schulden jaarlijks worden gecontroleerd en
                                registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de vier
                                jaar. </al></li><li nr="3."><al>Bij afwijkingen in de registratie van bezittingen neemt het college
                                maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. De resultaten van de
                                controle en eventuele plannen van verbetering worden ter
                                kennisgeving aan de raad aangeboden. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet><cursief>Paragrafen</cursief></vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 15 Lokale heffingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een
                                (bijgestelde) nota lokale heffingen aan. Deze nota behandelt in
                                ieder geval: </al></li><li nr="2."><al>De nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de
                                bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen
                                zijn vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel
                                overzicht is van de tarieven, heffingen, prijzen en kosten per
                                verstrekte dienst. De raad stelt de nota vast binnen twee maanden
                                nadat de nota is aangeboden. </al></li><li nr="3."><al>Voor het vaststellen van de hoogte van gemeentelijke tarieven,
                                heffingen en prijzen door de raad verstrekt het college aan de raad
                                per verordening de actueel geraamde hoeveelheden per door de
                                gemeente verstrekte dienst, waarover de tarieven, heffingen en
                                prijzen in rekening worden gebracht en per verordening het totaal
                                van de geraamde kosten van de erin genoemde door de gemeente
                                verstrekte diensten. </al></li><li nr="4."><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                lokale heffingen verslag van: de opbrengsten per lokale heffing; het
                                volume en bedrag aan kwijtscheldingen; de kostendekkendheid van de
                                rioolrechten en de afvalstoffenheffing; de (ontwikkeling van de)
                                lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudingen,
                                meerpersoonshuishoudingen en bedrijven. </al></li><li nr="2."><al>de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en
                                heffingen; </al></li><li nr="3."><al>de verdeling van de druk van de belastingen over de diverse
                                bevolkingsgroepen en belanghebbenden; </al></li><li nr="4."><al>de kostendekkendheid van de heffingen; </al></li><li nr="5."><al>de druk van de lokale belastingen en heffingen en </al></li><li nr="6."><al>het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 16 Weerstandsvermogen en risicomanagement</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een
                                (bijgestelde) nota weerstandsvermogen en risicomanagement aan. In
                                deze nota wordt ingegaan op het risicomanagement, het opvangen van
                                risico's door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen
                                of anderszins. In de nota wordt tevens het gewenste
                                weerstandscapaciteit bepaald. De raad stelt de nota vast binnen twee
                                maanden nadat de nota is aangeboden. </al></li><li nr="2."><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de risico's van materieel belang en
                                een inschatting van de kans dat deze risico's zich voordoen. Het
                                college </al></li><li nr="3."><al>brengt hierbij in elk geval de risico's in beeld en actualiseert de
                                risico's genoemd in de nota bedoeld in het eerste lid. </al></li><li nr="4."><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de weerstandscapaciteit en in
                                hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico's van
                                materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden
                                opgevangen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 17 Onderhoud kapitaalgoederen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota onderhoud
                                openbare ruimte aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar
                                groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast binnen twee maanden nadat de nota is aangeboden.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een nota
                                rioleringsplan aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding
                                van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast binnen twee maanden nadat de nota is aangeboden.
                            </al></li><li nr="3."><al>Het college biedt jaarlijks een (geactualiseerde) nota onderhoud
                                gebouwen aan ter behandeling en vaststelling door de raad. De nota
                                bevat de voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende
                                kosten aan de gemeentelijke gebouwen en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast binnen twee maanden nadat de nota is aangeboden.
                            </al></li><li nr="4."><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het
                                geplande onderhoud en het eventuele achterstallig onderhoud aan
                                openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair,
                                riolering, gebouwen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 18 Financiering </vet></al><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                        financiering </al><al>in ieder geval verslag van: </al><lijst><li nr="1."><al>de kasgeldlimiet; </al></li><li nr="2."><al>de renterisico norm; </al></li><li nr="3."><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende
                                drie jaar; </al></li><li nr="4."><al>de rentevisie en </al></li><li nr="5."><al>de rentekosten en renteopbrengsten verbonden aan de
                                financieringsfunctie. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 19 Bedrijfsvoering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota
                                bedrijfsvoering aan. In de nota wordt speciale aandacht geschonken
                                aan de relatie tussen het gemeentelijk apparaat en de inwoners van
                                de gemeente. </al></li><li nr="2."><al>In de bedrijfsvoeringparagraaf in de begroting wordt ingegaan op de
                                tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven. In de
                                bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag wordt gerapporteerd over
                                de bij de begroting bepaalde onderwerpen aangaande de
                                bedrijfsvoering alsmede over nieuwe ontwikkelingen. </al></li><li nr="3."><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringparagraaf van de
                                begroting en jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar
                                de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 213a
                                Gemeentewet, en de uitputting van de bijbehorende budgetten. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 20 Verbonden partijen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                verbonden partijen aan. De raad stelt de nota vast binnen twee
                                maanden nadat de nota is aangeboden. </al></li><li nr="2."><al>Van elk van de verbonden partijen wordt weergegeven het openbaar
                                belang, het eigen vermogen, de solvabiliteit, het financieel
                                resultaat en het financieel belang en de zeggenschap van de
                                gemeente. </al></li><li nr="3."><al>De nota bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande (het
                                aangaan van nieuwe) participaties met name de condities waaronder
                                het publiek belang is gediend met behartiging door verbonden
                                partijen, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de
                                verbonden partijen en de financiële voorwaarden. </al></li><li nr="4."><al>In de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden
                                partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het
                                beëindigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van
                                bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande
                                verbonden partijen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 21 Grondbeleid </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een (bijgestelde)
                                nota grondbeleid aan ter behandeling en vaststelling door de raad.
                                In deze nota wordt aandacht besteed aan: </al><lijst><li nr="1."><al>de relatie met de programma's van de begroting; </al></li><li nr="2."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                        gemeente; </al></li><li nr="3."><al>aan te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;
                                    </al></li><li nr="4."><al>de voorraadverwerving en uitgifte van gronden en </al></li><li nr="5."><al>de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van
                                        erfpachtvergoedingen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De raad stelt de nota vast binnen twee maanden nadat de nota is
                                ingediend. </al></li><li nr="3."><al>In de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken wordt
                                ingegaan op de uitvoering van de nota grondbeleid, met name de
                                belangrijkste financiële ontwikkelingen zoals
                                verlies-/winstverwachtingen, de verwerving van gronden e.d. en de
                                relaties van het grondbeleid met de programma's. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Financiële organisatie en administratie</vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 22 Administratie </vet></al><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                        dienstbaar is voor: </al><lijst><li nr="1."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                gemeente als geheel en in de diensten; </al></li><li nr="2."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van
                                activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut,
                                voorraden, vorderingen en schulden, enzovoorts; </al></li><li nr="3."><al>het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het
                                maken van kostencalculaties; </al></li><li nr="4."><al>het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde
                                beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en
                                regelgeving; </al></li><li nr="5."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake
                                geldende wet- en regelgeving en </al></li><li nr="6."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 23 Financiële administratie </vet></al><al>Het college draagt er zorg voor dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de inrichting en de werking van de financiële administratie voldoet
                                aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
                                en andere relevante wet- en regelgeving; </al></li><li nr="2."><al>de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de provincie en
                                de Europese Unie, alsmede aan andere instellingen die specifieke
                                verantwoordingsverplichtingen opleggen aan gemeenten. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 24 Financiële organisatie</vet></al><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:</al><lijst><li nr="1."><al>de indeling van de gemeentelijke organisatie en de toewijzing van de
                                gemeentelijke taken aan de diensten </al></li><li nr="2."><al>de scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt
                                voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan
                                beleids- en beheersorganen is gewaarborgd; </al></li><li nr="3."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                investeringskredieten; </al></li><li nr="4."><al>de regels voor de opdrachtverlening en de verrekening van leveringen
                                tussen de diensten van de gemeente; </al></li><li nr="5."><al>de te maken afspraken met de diensten over de te leveren prestaties,
                                de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van
                                rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van
                                middelen en </al></li><li nr="6."><al>de regels voor de verlening van décharge over het gevoerde beheer
                                van de diensten. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 25 Aanbesteding en inkoop </vet></al><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne regels
                        (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken en diensten. De regels
                        waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de regels ter zake van
                        de Europese Unie.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 26 Subsidieverstrekking en steunverlening </vet></al><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne regels
                        (protocol) voor de toekenning van steunverlening aan ondernemingen en
                        subsidies. De regels waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met
                        de regels ter zake van de Europese Unie en de subsidieverordening van de
                        gemeente Utrecht. </al><al/><al/><al><vet>Slotbepalingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 27 Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze verordening treedt in werking per 15 november 2003, met dien verstande
                        dat de begroting, meerjarenraming, de jaarstukken, de uitvoeringsinformatie
                        en de informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen met
                        ingang van de begroting voor het begrotingsjaar 2004 voldoen aan de
                        bepalingen van deze verordening.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 28 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Financiële verordening gemeente
                        Utrecht. </al><al/><al/></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 1
                        september 2005.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Drs. A.A.H. Smits Mr. A.H. Brouwer-Korf</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Publicatie is geschied op 26 november 2003.</vet></al><al><vet>Deze verordening is in werking getreden op 15 november 2003.</vet></al><al><vet>BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2006, NR. 67</vet></al><al/><al><vet>Toelichting op de artikelen Financiële Verordening </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Definities</vet></al><al>Rechtmatigheid: De relevante wet- en regelgeving kan voor een gemeente
                    betrekking hebben op een zeer omvangrijk gebied. Raadsbesluiten en gemeentelijke
                    verordeningen behoren in ieder geval tot dat gebied. Dat geldt ook voor
                    uitvoeringsregelingen, die door het college ontworpen worden, volgens een
                    raadsverordening of -besluit. In het kader van de financiële verordening conform
                    artikel 212 Gemeentewet gaat het om de volgende uitvoeringsregelingen: </al><lijst><li nr=""><al>uitvoeringsbesluit Waarderings- en afschrijvingsbeleid (artikel 10
                            Financiële verordening) </al></li><li nr=""><al>uitvoeringsbesluit Treasurybeheer (artikel 13, derde lid Financiële
                            verordening) </al></li><li nr=""><al>uitvoeringsbesluit over de gemeentelijke organisatie (artikel 24
                            Financiële verordening) </al></li><li nr=""><al>uitvoeringsbesluit Inkoop en aanbesteden (artikel 25 Financiële
                            verordening) </al></li><li nr=""><al>uitvoeringsbesluit Subsidieverstrekking en steunverlening (artikel 26
                            Financiële verordening) </al></li></lijst><al>Van belang is om hier aan te geven dat in het kader van de accountantscontrole
                    (zie ook controleverordening, conform artikel 213 Gemeentewet) het begrip
                    rechtmatigheid versmalt is tot handelingen in relatie tot financieel beheer.
                    Handelingen en beslissingen van niet-financiële aard vallen buiten de scope van
                    de accountantscontrole, maar de accountant zal ten aanzien van deze handelingen
                    en beslissingen een oordeel geven over het interne systeem van risicoafwegingen. </al><al/><al>Productenraming: De productenraming/-realisatie geeft gedetailleerdere
                    informatie dan de programmabegroting en de jaarstukken. Op de eerste plaats is
                    de productenraming voor het college van belang om de uitvoering te beheersen.
                    Ook de raad zou behoefte kunnen hebben aan gedetailleerdere informatie van een
                    deel van de begroting of jaarstukken; de productenraming en -realisatie kan
                    worden gezien als naslagwerk voor de raad. De raad stelt echter de
                    productenraming of -realisatie niet vast. Volgens deze verordening zendt het
                    college de productenraming en -realisatie op verzoek ter informatie toe aan de
                    raad. </al><al>Op de tweede plaats vormt de producten raming en -realisatie de verbinding
                    tussen de begroting en jaarstukken enerzijds en de informatie voor derden
                    anderzijds (Europa, provincie, CBS). Omdat de productenraming en -realisatie van
                    belang is voor het college, een rol kan spelen bij toezicht, als naslagwerk voor
                    de raad kan dienen en voor het inzicht in de informatie voor deden relevant is,
                    is er voor gekozen de productenraming en -realisatie in het Bestuit Begroting en
                    verantwoording verplicht te stellen. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Programmabegroting </vet></al><al>Artikel 2 bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting waarin
                    de kaderstellende functie van de raad tot uiting komt. De raad legt op basis van
                    dit artikel een belangrijk deel van de infrastructuur van de begroting vast,
                    evenals de kengetallen waarop de raad wil sturen en controleren.</al><al/><al>In het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 was de indeling van de
                    begroting in functies verplicht voorgeschreven. In het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten is dat niet meer zo. De gemeente bepaalt
                    nu zelf het aantal en de inhoud van de programma's van de begroting en kan
                    daardoor de begrotingsopzet aanpassen aan de eigen politiek-bestuurlijke wensen.
                    Zo kan een gemeente programma's indelen naar doelgroepen of indelen volgens de
                    pijlers van het grote stedenbeleid. Omdat er een politiekbestuurlijke keuze ten
                    grondslag ligt aan de indeling van de programma’s, stelt de raad de indeling
                    vast. Meestal zal die vaststelling voor enkele jaren gelden, bijvoorbeeld voor
                    een gehele raadsperiode. Indien daartoe aanleiding is, kan de raad de indeling
                    wijzigen. </al><al/><al>Een programma is gebaseerd op de drie w-vragen: wat willen we bereiken, wat gaan
                    we daar voor doen en wat mag dat kosten? Vooral voor de eerste twee vragen
                    zullen in de praktijk indicatoren nodig zijn. Aan de hand van die indicatoren
                    kan de raad zijn kaderstellende functie vervullen. Ook dienen zij om de raad de
                    gelegenheid te bieden zijn controlerende functie in te vullen door de uitkomsten
                    en resultaten van de programma's te beoordelen. In het dualistisch bestel moet
                    de raad de w-vragen zelf beantwoorden; hij kan dat niet overlaten aan het
                    college en/of de ambtelijke organisatie. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 3 Producten</vet></al><al>De raad stelt de programmabegroting vast. Ter uitvoering van de begroting stelt
                    het college -zoals geregeld in het Besluit begroting en verantwoording- een
                    productraming op. Het college is vrij in het aantal producten en de indeling
                    daarvan. </al><al>De productraming is in de systematiek van het besluit geen onderdeel van de
                    begroting. De raad kan van oordeel zijn dat hij bij de programmabegroting en
                    verantwoording een overzicht wil hebben van welke producten er bij de
                    programma's horen. Dit wordt geregeld in het eerste lid. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 4 Kaders begroting</vet></al><al>De artikelen 2 en 3 betreffen vooral de infrastructuur van de begroting. Artikel
                    4 gaat over het meerjarige budgettaire kader. Dat vormt, zoals in de meeste
                    gemeenten gebruikelijk is, de grondslag voor de eigenlijke begroting. Gegeven
                    het grote belang van het budgetrecht van de raad, is het logisch dat de raad </al><al>expliciet een budgettair kader vaststelt. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 5 Uitvoering begroting</vet></al><al>In artikel 5 legt de raad het college een aantal eisen op die voor een goede
                    uitvoering van de begroting noodzakelijk zijn. In het eerste lid wordt bepaald
                    dat het college de rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van
                    de uitvoering dient te waarborgen.</al><al>Het tweede lid stelt eisen voor de onderwerpen die van belang zijn voor de
                    opstelling van de productraming. Het derde lid doet hetzelfde voor de uitvoering
                    van de programma's van de begroting. </al><al>In het duale stelsel geeft de raad geen nadere uitvoeringsregels om aan de
                    prestatie-eis te voldoen. Deze uitvoeringsregels zijn aan het college. Het
                    college legt deze regels vast in kadercirculaires. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 6 Interne controle </vet></al><al>De raad legt in dit artikel enkele basiscondities vast voor de interne controle.
                    Daarmee verkrijgt de raad de zekerheid dat het college aan de eisen genoemd in
                    met name artikel 5, eerste lid, zal kunnen voldoen. De verordening geeft in het
                    eerste lid aan het college de opdracht voor de inrichting van de financiële
                    organisatie verschillende maatregelen te treffen op het gebied van interne
                    controle, bijvoorbeeld een adequate functiescheiding. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 7 Tussentijdse rapportage en informatie </vet></al><al>Artikel 7, eerste tot en met vierde lid, formaliseert een belangrijk onderdeel
                    van de planning en control van de raad. De raad geeft namelijk aan de aard van
                    de informatie die het college standaard dient te verstrekken evenals de
                    reguliere frequentie. Op basis van deze informatie kan de raad de uitvoering van
                    de begroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is. </al><al>Artikel 7 regelt wanneer de raad tussentijds over de stand van zaken in het
                    lopende begrotingsjaar moet worden geïnformeerd.</al><al>In het derde lid van het artikel geeft de raad kaders voor de inrichting van de
                    tussenrapportages. In het vierde lid geeft de raad aan waarover hij in elk geval
                    in de tussenrapportages wil worden geïnformeerd. Om de gemeentelijke organisatie
                    niet op te zadelen met een rapportagecircus is het natuurlijk wel zaak, dat de
                    tussenrapportages niet te uitgebreid en overzichtelijk zijn. De stand van zaken
                    van, en prognose voor het lopende begrotingsjaar kunnen overigens naast de
                    jaarstukken van het afgelopen jaar mede een belangrijke basis zijn voor het
                    inzicht voor en het opstellen van de komende begroting. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 8 Jaarrekening </vet></al><al>Artikel 8 is het sluitstuk van de begrotingscyclus, de verantwoording over de
                    begrotingsuitvoering door het college, c.q. de controle van de raad daarop.
                    Basis daarvoor is de productrealisatie. In het eerste lid wordt daarvoor een
                    kwaliteitseis gesteld. Het tweede lid is de tegenpool van artikel 2, tweede lid. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 9 De financiële positie </vet></al><al>De raad geeft in dit artikel enkele belangrijke uitgangspunten aan die het
                    college voor de uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen
                    moet volgen. </al><al>Tevens wordt hier expliciet vastgelegd hoe de raad bij het vaststellen van de
                    financiële positie, de investeringskredieten autoriseert. De autorisatie van
                    deze kredieten zou anders als gevolg van het door gemeenten gehanteerde lasten
                    en batenstelsel buiten de boot vallen. Investeringen van gemeenten worden
                    voornamelijk geactiveerd en drukken zodoende in het jaar van aanschaf niet op de
                    onder de programma's verantwoorde lasten. </al><al>Het derde lid van het artikel bepaalt dat het college belangrijke investeringen
                    apart voorlegt aan de raad, daarmee kan de raad nog wensen en bedenkingen
                    inbrengen met betrekking tot deze belangrijke investeringen. Wat belangrijke
                    investeringen zijn wordt vooraf bepaald door de raad. Criteria kunnen daarbij
                    zijn: omvang van de investering, politieke gevoeligheid, verwachte
                    inspraakreacties, risico's, wijzigingen in de context, toekomstige
                    onderhoudskosten, etc. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 10 Waardering en afschrijving vaste activa </vet></al><al>De verordening moet volgens artikel 212 Gemeentewet in elk geval bevatten de
                    "regels voor waardering en afschrijving activa". Artikel 10 stelt de regels voor
                    de waardering en afschrijving van de vaste activa. De vaste activa worden
                    verplicht ingedeeld in immateriële vaste activa, materiele vaste activa en
                    financiële vaste activa. De immateriële vaste activa worden verdeeld in de
                    kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief en de kosten
                    verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio. </al><al>De materiele vaste activa worden onderverdeeld in materiele vaste activa met
                    economisch nut en materiele vaste activa met alleen maatschappelijk nut. Indien
                    er afgeweken wordt van de in artikel 10 beschreven regels, zal dat in de
                    jaarstukken apart toegelicht en voor besluitvorming voorgedragen worden. </al><al>Het eerste lid bepaalt, dat het saldo van agio en disagio en de kosten voor
                    onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief lineair worden afgeschreven in
                    vijf jaar. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat de kosten voor het afsluiten van geldleningen ineens
                    ten laste van het resultaat worden gebracht. </al><al>Het derde lid geeft de afschrijvingstermijnen van de materiele vaste activa met
                    economisch nut. De afschrijvingswijze van deze activa is lineair. De maat voor
                    de afschrijvingstermijnen is natuurlijk de economische levensduur. </al><al>Het vierde lid geeft aan dat vaste activa met alleen maatschappelijk nut bij
                    voorkeur ineens ten laste van de exploitatie worden gebracht. Deze investeringen
                    genereren geen inkomsten en brengen bij verkoop geen geld op. </al><al>Het vijfde lid bepaalt, dat activa met alleen maatschappelijk nut onder aftrek
                    van bijdragen van derden en bestemmingsreserves direct ten laste van de
                    exploitatie worden gebracht. Slechts bij uitzondering mogen dergelijke
                    investeringen met toestemming van de raad worden geactiveerd. Dit kan nodig zijn
                    ingeval een (aantal) zeer grote investering(en) in de openbare ruimte wordt
                    uitgevoerd. Bij een dergelijke (meerjarige) investering kan het zijn dat we de
                    begroting mogelijk niet sluitend krijgen. Dit is echter wel verplicht. Artikel
                    189 Gemeentewet bepaalt namelijk, dat de begroting in enig jaar in evenwicht is,
                    dan wel evenwicht in de eerstvolgende jaren tot stand wordt gebracht. In een
                    dergelijk geval kan activering van deze investeringen bij wijze van uitzondering
                    uitkomst bieden. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 11 Reserves en voorzieningen </vet></al><al>Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft de omvang van het eigen vermogen van
                    een gemeente. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de algemene
                    reserves en bestemmingsreserves. Hoe groot moet het eigen vermogen zijn om
                    risico's op te vangen en gaan we een investering financieren door
                    belastingverhoging of door het interen op het eigen vermogen, zijn financieel
                    beleidsmatige vragen die thuishoren bij de raad. De raad streeft ernaar slechts
                    een klein aantal verschillende reserves aan te houden. </al><al>Artikel 11 bepaalt, dat het college een nota over de reserves en voorzieningen
                    aanbiedt ter behandeling en vaststelling door de raad. In deze nota kan de raad
                    het kader vaststellen voor de omvang van de reserves . Kaders stellen voor
                    voorzieningen is veelal niet aan de orde, omdat voorzieningen een verplichtend
                    karakter kennen. Wel is het inzichtelijk in de nota in te aan op de
                    voorzieningen. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 12 Kostprijsberekening </vet></al><al>In artikel 12 is de grondslag voor de bepaling van heffingen en tarieven
                    neergelegd, zoals dat door artikel 212, tweede lid onder b Gemeentewet wordt
                    geëist. De grondslag voor de hoogte van heffingen en tarieven is namelijk
                    politieke besluitvorming door de raad op basis van de geraamde hoeveelheden en
                    de geraamde kostprijzen. Kostprijzen laten zich op vele manieren berekenen. In
                    dit artikel worden uitgangspunten voor de bepaling van de kostprijzen gegeven. </al><al>Artikel 12, eerste lid bepaalt, dat naast de direct aan een product toe te
                    rekenen kosten ook de indirecte kosten die rechtstreeks samenhangen met de
                    vervaardiging van het product, worden meegenomen voor de kostprijsbepaling. De
                    salariskosten van de burgemeester hoeven dus niet worden meegenomen voor de
                    kostprijsberekening van de rioolrechten. Het toe te rekenen deel van de overhead
                    van de gemeentelijke dienst waaronder het rioolbeheer valt moet dus wel worden
                    meegenomen in de kostprijsberekening. </al><al>Artikel 229b, tweede lid Gemeentewet stelt, dat bijdragen aan
                    bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de
                    betrokken activa voor bepaling van de geraamde kostprijs en dus voor de bepaling
                    van het tarief of de heffing mogen worden meegenomen. Veel gemeenten hanteren
                    daarnaast het mechanisme van rentetoerekening over de reserves en de
                    voorzieningen aan in gebruik zijnde kapitaalgoederen. Artikel 12, tweede lid van
                    de verordening bepaalt, dat deze beide kosten ook daadwerkelijk worden
                    meegenomen voor de berekening van de geraamde kostprijs. Indien is gekozen voor
                    het systeem van het toerekenen van bespaarde rente dan is het verplicht deze
                    rente als lasten mee te nemen in de kostprijs. </al><al>Op grond van het tweede lid moeten ook worden meegenomen de kosten compensabele
                    BTW voor rioolrechten, reinigingsrechten en afvalstoffenheffing. </al><al>De begroting en jaarstukken zijn exclusief de compensabele BTW. Voor dit soort
                    heffingen is echter in de wet bepaald dat ze wel meegenomen mogen worden in de
                    kostprijsberekening, omdat de gemeente deze kosten wel heeft, ook al wordt de
                    BTW gecompenseerd. </al><al>Het rentepercentage van de toerekening van kapitaallasten is van invloed op de
                    lasten, maar ook van invloed op de kostprijs. Indien men voor de bouw van een
                    school een lening heeft afgesloten, kan men er voor kiezen de rentelasten op de
                    kosten van het schoolgebouw te laten drukken. Dit wordt in de gemeentelijke
                    boekhouding bereikt door de zogenaamde renteomslagmethode. Het rentepercentage
                    dat wordt gehanteerd bij de omslagmethode, is van invloed op de kostprijs. Het
                    rentepercentage valt zodoende onder het budgetrecht van de raad. Daarnaast is
                    bij de renteomslag van de kapitaallasten toerekening van de bespaarde rente over
                    het eigen vermogen toegestaan. Artikel 12, derde lid legt het te hanteren
                    rentepercentage voor de omslagrente van de kapitaallasten vast. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 13 Financieringsfunctie </vet></al><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelenbeheer. Gezien de operationele kwetsbaarheid van deze functie bevat
                    artikel 212 het expliciete voorschrift dat de verordening een onderdeel over de
                    financieringsfunctie heeft. In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel
                    212, tweede lid onder c. Het gaat om de kaders voor het uitvoeren van de
                    financieringsfunctie. De uitvoering van de financieringsfunctie komt aan de orde
                    in de financieringsparagraaf in de begroting en de rekening zoals die in het
                    Besluit begroting en verantwoording is voorgeschreven. In dit artikel stelt de
                    raad dat hij de doelstellingen, richtlijnen en limieten die voor het college
                    gelden in een Treasurystatuut zal opnemen. Het derde lid van het artikel draagt
                    het college op het financieringsstatuut (treasurystatuut) uit te werken in een
                    uitvoeringsregeling die met name protocollen bevat voor de dagelijkse
                    uitvoering. Onderwerpen die in zo'n besluit aan de orde komen zullen met name
                    betreffen het derivatenbeheer (indien van toepassing), het kasbeheer, het
                    risicobeheer, de financiering en de administratieve organisatie. Onder het
                    risicobeheer vallen het renterisicobeheer, het kredietrisicobeheer, het
                    koersrisicobeheer, het interne liquiditeitsbeheer en het valutarisicobeheer
                    (indien van toepassing). </al><al/><al/><al><vet>Artikel 14 Registratie bezittingen en activa </vet></al><al>Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van
                    de gemeentelijke bezittingen onontbeerlijk. Om te garanderen dat de registratie
                    actueel en juist is, wordt in dit artikel het college opgedragen periodiek de
                    registratie te controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel te
                    treffen. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 15 Lokale heffingen </vet></al><al>Het nieuwe artikel 212 Gemeentewet eist in het tweede lid, onderdeel b, dat de
                    verordening 212 Gemeentewet minimaal de grondslagen bevat voor de berekening van
                    de door het gemeentebestuur in rekening te brengen tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b Gemeentewet en in rekening te brengen heffingen als
                    bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer. In de verordening is er voor gekozen
                    om als uitgangspunt van het financieel beleid de grondslagen voor de bepaling
                    van heffingen, tarieven en prijzen in het algemeen te verankeren. Zo zijn ook
                    opgenomen regels voor de bepaling van de lokale belastingen. </al><al>Het eerste lid van artikel 15 regelt, dat het college elk jaar vier jaar een
                    nota lokale heffingen aan de raad aanbiedt ter behandeling en vaststelling van
                    de lokale lasten. </al><al>Op grond van de vastgestelde nota moeten vervolgens de bijbehorende
                    belastingverordeningen worden aangepast en door de raad worden vastgesteld. De
                    nota bevat eveneens een overzicht van de overige verordeningen, waarin
                    heffingen, tarieven en prijzen zijn vastgelegd. Zo kan de raad op grond van de
                    nota ook de actualisatie van deze verordeningen agenderen. </al><al>Artikel 229b Gemeentewet en artikel 15.33 Wet milieubeheer stellen echter
                    randvoorwaarden aan de hoogte van de meeste tarieven en heffingen. Behalve
                    tarieven voor het geven van vermakelijkheden en belastingen mogen de tarieven en
                    heffingen niet het bedrag van de geraamde kostprijs te boven gaan. Voor het
                    vaststellen van de hoogte van de verschillende tarieven en heffingen heeft de
                    raad dus de geraamde kostprijs per tarief c.q. heffing nodig. </al><al>In afwijking van de voorgaande alinea is bij meer producten en diensten
                    opgenomen in één verordening het mogelijk dat een bepaald product hoger wordt
                    geprijsd dan de geraamde kostprijs zolang het totaal van de geraamde opbrengst
                    de totale kosten van de in de verordening genoemde producten en diensten niet
                    overschrijdt. Dit is het geval bij de leges, welke in de regel bijeen worden
                    gebracht in één legesverordening. </al><al>Voor inzicht in de hoogte van de baten in begrotingstechnische zin heeft de raad
                    ook informatie nodig over de geraamde afzet in hoeveelheid. Het derde lid
                    regelt, dat het college de geraamde kostprijs per verordening en de geraamde
                    hoeveelheden per product/dienst aan de raad verstrekt voor vaststelling van de
                    heffingen, tarieven en prijzen. </al><al>Het vierde lid regelt over welke feiten aangaande de lokale lasten de raad in
                    elk geval in de verplichte paragraaf lokale heffingen bij de begroting en
                    jaarstukken wordt geïnformeerd. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over de lokale lasten en heffingen. Het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten schrijft de minimumeisen voor die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld, namelijk: </al><lijst><li nr="1."><al>de geraamde inkomsten; </al></li><li nr="2."><al>het beleid ten aanzien van de lokale heffingen; </al></li><li nr="3."><al>een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen; </al></li><li nr="4."><al>een aanduiding van de lokale lastendruk; </al></li><li nr="5."><al>een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid. </al></li></lijst><al>Daarnaast kan men bijvoorbeeld opnemen: </al><lijst><li nr="1."><al>de kostendekkendheid van de rioolrechten, reinigingsheffing en
                            afvalstoffenheffing; </al></li><li nr="2."><al>de lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudens,
                            meerpersoonshuishoudens en bedrijven; </al></li><li nr="3."><al>het aantal en het bedrag aan kwijtscheldingen; </al></li><li nr="4."><al>de waardeontwikkeling van onroerende zaken in de gemeente. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 16 Weerstandsvermogen </vet></al><al>Een gemeente loopt risico’s. Deze risico's zijn van uiteenlopende aard. Tegen
                    een deel van deze risico's kan een gemeente zich verzekeren, of er moeten
                    voorzieningen worden gevormd, of ze kunnen anderszins worden opgevangen. Voor
                    een deel van de risico's is dit echter niet het geval. Daarnaast kiezen
                    gemeenten er soms voor om voor bepaalde verzekerbare risico's eigen risicodrager
                    te worden door zich bewust niet voor deze risico's te verzekeren. De niet
                    verzekerde risico's hebben, als ze zich voordoen, (grote) financiële
                    consequenties. Het is dus zaak voor een gemeente, dat ze zich bewust is van de
                    risico's die ze loopt, en ze beheerst. Het uitsluiten van risico's is echter
                    niet mogelijk. Waar gewerkt wordt vallen spaanders. Niet verzekerde risico's die
                    zich voordoen, moet de gemeente opgevangen met het eigen vermogen, door
                    belastingverhoging of door beleidsmatige ombuigingen op de begroting. </al><al>Het eerste lid van artikel 16 eist dat het college eens in de vier jaar een nota
                    aan de raad aanbiedt, waarin het college uiteenzet hoe hij omgaat met de
                    inventarisatie en beheersing van risico's. Dit zijn bijvoorbeeld regels over
                    welke bezittingen van de gemeente moeten worden verzekerd en welke procedures
                    hiervoor gelden. Een ander voorbeeld van een regel voor de beheersing van
                    risico's is, dat er jaarlijks een rentevisie wordt gemaakt, waarmee de gemeente
                    het renterisico op haar leningportefeuille op een aanvaardbaar niveau houdt.
                    Ieder college kan zelf invulling geven hoever hij met deze regels wil gaan. Ten
                    tweede moet het college in deze nota de risico's kwantificeren en aan de hand
                    ervan het gewenste weerstandscapaciteit bepalen. </al><al>Het tweede lid regelt over welke risico's en hun financiële consequenties de
                    raad in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de
                    jaarstukken moet worden geïnformeerd. Het "Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten" verplicht een aantal zaken op te nemen in de paragraaf,
                    namelijk: </al><lijst><li nr="1."><al>een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; </al></li><li nr="2."><al>een inventarisatie van de risico's; </al></li><li nr="3."><al>het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's; </al></li></lijst><al>Voor de speciale aandacht in de verordening kan men denken aan een opsomming van
                    de risico's zoals: </al><lijst><li nr="1."><al>tegenvallende renteontwikkeling op de kapitaalmarkt; </al></li><li nr="2."><al>tegenvallende resultaten uit grondexploitatie; </al></li><li nr="3."><al>tegenvallende realisatie op begrote subsidieverwachtingen; </al></li><li nr="4."><al>lopende en te verwachten claims van derden; </al></li><li nr="5."><al>nog niet getaxeerde kosten van (vermoedde) milieuverontreiniging; </al></li><li nr="6."><al>overschrijding openeinde regelingen en subsidies; </al></li><li nr="7."><al>dreigend faillissement van verbonden partijen; </al></li><li nr="8."><al>dreigend faillissement van derden bij wie borgstellingen, garanties,
                            leningen of vorderingen uitstaan. </al></li></lijst><al>In het onderhavige artikel is er voor gekozen om de beleidslijnen uit te zetten
                    in een nota. De betreffende, volgens het Besluit begroting en verantwoording
                    voorgeschreven paragraaf informeert dan vooral de uitvoering en toepassing van
                    de nota. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 17 Onderhoud kapitaalgoederen </vet></al><al>In artikel 17 stelt de raad regels voor de begrotings- en
                    verantwoordingsinformatie aan de raad over het onderhoud aan kapitaalgoederen.
                    De verantwoordingsinformatie wordt gesplitst. Het eerste tot en met het vierde
                    lid regelen, dat er nota's aan de raad worden aangeboden over het onderhoud aan
                    de verschillende categorieën kapitaalgoederen. Hierin kan op de stand van zaken
                    worden ingegaan en kan de raad de kaders voor het toekomstig beleid
                    uiteenzetten. </al><al>Voor het aanbieden van de nota onderhoud gemeentelijke gebouwen is een
                    actualisatietermijn opgenomen van een jaar. Voor de andere nota's is in de
                    verordening een termijn opgenomen van vier jaar. De omvang van dat onderhoud
                    heeft een meer statisch karakter. </al><al>Artikel 17, vierde lid, regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer
                    van het onderhoud van kapitaalgoederen de raad in de verplichte paragraaf
                    onderhoud kapitaalgoederen bij de begroting en jaarstukken in elk geval
                    geïnformeerd wordt. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over het onderhoud kapitaalgoederen. Het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten schrijft enige feiten voor, die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld. Namelijk het beleidskader, de daaruit
                    voortvloeiende financiële consequenties en de vertaling daarvan in de begroting
                    van het onderhoud wegen, het onderhoud riolering, het onderhoud water, het
                    onderhoud groen en het onderhoud gebouwen. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 18 Financiering </vet></al><al>De basis voor dit artikel is gelegen in artikel 14. Artikel 18 regelt over welke
                    feiten inzake het financieel beheer van de financieringsfunctie de raad in elk
                    geval in de verplichte paragraaf financiering bij de begroting en jaarstukken
                    wordt geïnformeerd. De raad kan aangeven om over meerdere zaken geïnformeerd te
                    willen worden zoals de samenstelling en omvang van het vreemde vermogen en van
                    de uitzettingen en de liquiditeitspositie. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 19 Bedrijfsvoering </vet></al><al>Het domein van de ambtelijke organisatie is de verantwoordelijkheid van het
                    college. Beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door het
                    college. In het eerste lid van artikel 19 van de verordening over het financieel
                    middelenbeheer van de bedrijfsvoering wordt een nota over de bedrijfsvoering ter
                    kennisgeving aan de raad overlegd. </al><al>Het tweede lid regelt verder over welke feiten aangaande het financieel beheer
                    van de bedrijfsvoering de raad in de verplichte paragraaf bedrijfsvoering
                    geïnformeerd wordt. Volgens dit artikel kan de raad invulling geven aan zijn
                    eigen informatiebehoefte over de middelen en de bedrijfsvoering. Deze
                    informatiebehoefte dient vooraf kenbaar gemaakt te worden aan het college. Het
                    college doet daartoe bij de voorjaarsnota een voorstel omtrent de onderwerpen
                    waarover het mogelijk relevant is, de raad te informeren. De raad kan daar
                    natuurlijk wijzigingen op aanbrengen. Het tijdstip van de bespreking van de
                    voorjaarsnota in de raad geeft het college de mogelijkheid om gedurende het
                    begrotingsjaar de betreffende gegevens zo efficiënt mogelijk te (doen)
                    verzamelen. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 20 Verbonden partijen </vet></al><al>Artikel 20 stelt regels voor de verantwoordingsinformatie over de verbonden
                    partijen. De verantwoordingsinformatie wordt gesplitst. Het eerste lid regelt,
                    dat er een nota verbonden partijen aan de raad wordt aangeboden, waarin op de
                    stand van zaken van de verbonden partijen wordt ingegaan en de raad </al><al>de kaders voor het toekomstig beleid uiteen kan zetten. Deze nota wordt minimaal
                    eens in de vier jaar dus minimaal één keer per raadsperiode door het college aan
                    de raad aangeboden. De raad kan de nota altijd tussentijds agenderen. </al><al>Artikel 20, tweede lid regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer
                    van verbonden partijen de raad in elk geval in de verplichte paragraaf verbonden
                    partijen bij de begroting en jaarstukken geïnformeerd wil worden. </al><al>Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen informatiebehoefte over de
                    verbonden partijen. Wel schrijft het Besluit begroting en verantwoording enige
                    feiten verplicht voor die in de paragraaf moeten worden vermeld, namelijk: </al><lijst><li nr="1."><al>de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de
                            doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting; </al></li><li nr="2."><al>de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen. </al></li></lijst><al>Daar de begroting, jaarstukken en nota's openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening vereiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het voornemen om een financieel
                    belang af te stoten, hetgeen in bepaalde situaties de onderhandelingspositie van
                    de gemeente aantast. Deze gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op
                    in de begroting, jaarstukken en openbare nota's. Ingevolge het Besluit begroting
                    en verantwoording dient een lijst van verbonden partijen te worden bijgehouden. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 21 Grondbeleid </vet></al><al>Een belangrijke taak van een gemeente is het daadwerkelijk ingrijpen in de
                    ruimtelijke ordening van een gemeente door zelf vastgoedlocaties te (laten)
                    ontwikkelen. De uitgangspunten van het financieel beleid ten aanzien van het
                    grondbeleid horen bij de raad thuis. Artikel 21, eerste lid, regelt, dat het
                    college eenmaal per raadsperiode een nota grondbeleid aan de raad aanbiedt ter
                    behandeling en vaststelling. In deze nota kan de raad de kaders vaststellen voor
                    het toekomstig grondbeleid. De raad kan de nota altijd tussentijds agenderen. </al><al>Het tweede lid van artikel 21 schrijft de feiten voor aangaande het grondbeleid
                    waarover de raad in elk geval in de verplichte paragraaf grondbeleid bij de
                    begroting en jaarstukken moet worden geïnformeerd. Hier kan de raad invulling
                    geven aan zijn eigen informatiebehoefte over het grondbeleid. Dit naast de
                    verplichtingen die het Besluit begroting en verantwoording voorschrijft. Het
                    besluit schrijft voor: </al><al>een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de doelstellingen
                    van de programma's die zijn opgenomen in de begroting; </al><lijst><li nr="1."><al>een aanduiding van de wijze waarop de gemeente het grondbeleid uitvoert;
                        </al></li><li nr="2."><al>een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale
                            grondexploitatie;</al></li><li nr="3."><al>een onderbouwing van de geraamde winstneming; </al></li><li nr="4."><al>de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie
                            tot de risico's van de grondzaken. </al></li></lijst><al>Daarnaast kan men denken aan: </al><lijst><li nr="1."><al>huidige vastgoedpositie </al></li><li nr="2."><al>de aan- en verkoop van vastgoed </al></li><li nr="3."><al>de deelname in PPS-constructies </al></li><li nr="4."><al>de geraamde kosten en opbrengsten per in ontwikkeling genomen project
                        </al></li><li nr="5."><al>in erfpacht uitgegeven gronden </al></li><li nr="6."><al>inkomsten erfpacht en bijstelling erfpachtvergoedingen </al></li></lijst><al>Daar de begroting, jaarstukken en nota's openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening geëiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het opnemen van de financiële
                    onderhandelingsruimte in de begroting voor de aankoop van een stuk grond.
                    Dergelijke informatie tast de onderhandelingspositie van de gemeente aan. Zulke
                    gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de begroting,
                    jaarstukken en openbare nota's. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 22 Administratie </vet></al><al>In artikel 22 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van
                    de gemeente. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden
                    vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze
                    verordening regelt niet -inherent aan het dualisme- de regels en activiteiten
                    die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college. Deze
                    zal deze zaken wel in een besluit moeten vastleggen voor de aansturing van de
                    ambtelijke organisatie. Een en ander geldt ook voor artikel 23, 24 en 25. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 23 Financiële administratie </vet></al><al>Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie. </al><al>Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de
                    verantwoordingsinformatie van gemeenten. In het Besluit begroting en
                    verantwoording zijn onder andere waarderingsgrondslagen, balansindeling en
                    verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. </al><al>Vanuit de financiële administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de
                    financiële verantwoordingsinformatie aan de raad, maar ook aan gedeputeerde
                    staten, in hun rol als toezichthouder, het rijk, de Europese Unie etc. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 24 Financiële organisatie </vet></al><al>In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële
                    organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de
                    ambtelijke organisatie invulling moet geven. De uitgangspunten vormen kaders
                    voor het college, waaraan hij zich moet houden. </al><al>In de onderdelen a en b worden eisen gesteld aan de toedeling van taken aan
                    organisatieonderdelen van de gemeente en de toewijzing van functies aan
                    functionarissen. In de onderdelen c t/m f worden eisen gesteld aan de
                    budgettoedeling en de verantwoording daarover. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 25 Aanbesteding en inkoop </vet></al><al>De inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken zijn
                    belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect kunnen
                    hebben. Het hanteren van een protocol is naast de betreffende administratieve
                    aspecten tevens te zien als een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid
                    kan worden beperkt en er wordt jegens derden rechtszekerheid gecreëerd. Artikel
                    26 legt aan het college de zorg op om regels op te stellen voor de aanbesteding
                    van werken en inkoop van goederen en diensten. De regelgeving van de Europese
                    Unie dient daarbij nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan
                    de accountant bij zijn controle van de jaarstukken nagaan of de interne regels
                    (en de Europese regelgeving) zijn nageleefd, het is een onderdeel van de
                    rechtmatigheidtoets. De accountant beoordeelt hiervoor eveneens het systeem van
                    interne regels. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 26 Subsidieverstrekking en steunverlening </vet></al><al>Een ander kwetsbare activiteit van gemeenten is de subsidieverlening en
                    steunverlening aan ondernemingen. Ook hiervoor is het hanteren van een protocol
                    te zien als een vorm van risicobeheersing. Daarnaast is op delen van deze
                    activiteit de Europese regelgeving inzake staatssteun van toepassing. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 27 Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van het oude artikel
                    212 Gemeentewet opgestelde verordening. De wetgever heeft bepaald, dat de nieuwe
                    verordening artikel 212 Gemeentewet bij alle gemeenten op het begrotingsjaar
                    2004 van toepassing moet zijn. De oude verordening blijft nog van kracht op de
                    begroting en jaarrekening van 2003. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>