<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86776_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">8 december 2010 Woerdense Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=BRANDWEERWET 1985">Brandweerwet 1985, art. 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-12-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/31</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Er zijn overgangsbepalingen.</al><al>De Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 oktober 1993 is in de raadsvergadering van 26-09-2002 geldend verklaard voor het gehele grondgebied van de nieuwe gemeente Woerden.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Woerden, </al><al> gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 oktober 1993; </al><al> gelet op artikel 12 van de Brandweerwet 1985 (Stb. 87); </al><al> besluit; </al><al> vast te stellen de "Brandbeveiligingsverordening" </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepaling</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 1.1 Begripsomschriiving </al><al> Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                        begrensde plaats. </al><al> Artikel 1.2 Werkingssfeer </al><al> Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                        Woningwet en de Bouwverordening. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al> Paragraaf 1 Vergunning </al><al/><al> Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik inrichting </al><al> 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                        burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te houden,
                        waarin: </al><al> a. meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn; </al><al> b. bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2. bedoelde stoffen zullen worden
                        opgeslagen; </al><al> c. van meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                        nachtverblijf zal worden verschaft; </al><al> d. aan personen in het kader van de Wet op de Bejaardenoorden huisvesting
                        zal worden verschaft; </al><al> e. van meer dan vijf personen jonger dan twaalf jaar of aan meer dan vijf
                        personen lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                        worden verschaft. </al><al> 2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften
                        verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand,
                        het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij
                        brand. </al><al> 3. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                        grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
                        omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van
                        de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe
                        voorschriften verbinden en gestelde voorschriften wijzigen of intrekken. </al><al> Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning </al><al> Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde
                        wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                        gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn en
                        door het steIIen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kan
                        worden bereikt. </al><al> Artikel 2.1.3 Intrekken vergunning </al><al> 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken, indien: </al><al> a. blijkt dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige
                        gegevens hebben verleend; </al><al> b. blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een
                        voorschrift van de vergunning; </al><al> c. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het
                        onherroepelijk worden van de vergunning, dan wel de datum of periode waarop
                        of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is
                        verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden; </al><al> d. van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen
                        gebruik is gemaakt; </al><al> e. het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van
                        een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden,
                        gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning
                        en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften
                        dat belang voldoende te beschermen. </al><al> Artikel 2.1.4 Verplicht aanwezige bescheiden </al><al> In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning
                        betrekking heeft, moet de vergunning aanwezig zijn en moet deze op verzoek
                        van degene die is belast met de zorg voor de naleving van deze verordening
                        ter inzage worden gegeven. </al><al> Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar </al><al> Artikel 2.2.1 Gebruikseisen voor inrichtingen </al><al> 1. Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van gebruik
                        van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan
                        worden een brandveilig gebruik te zijn. </al><al> 2. Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                        gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                        overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de Bouwverordening. </al><al> 3. Onverminderd het gestelde in het tweede lid is het verboden een
                        inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip waarin
                        sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met
                        permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding van bewoners, te
                        gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de
                        van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de Bouwverordening. </al><al> 4. Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3
                        van bijlage 3 buiten toepassing verklaren. </al><al> Artikel 2.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben </al><al> 1. Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit
                        Brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104) alsmede artikel II van de Regeling
                        tot Wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij een inrichting aanwezig
                        te hebben. </al><al> 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: </al><al> a. het voorhanden hebben van huishoudelijke en al het andere
                        niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen,
                        indien dit de in bijlage 5 van de Bouwverordening aangegeven maximum
                        hoeveelheden niet overschrijdt; </al><al> b. het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een
                        inrichting waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel 2.1.1. is
                        verleend; </al><al> c. de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen of afleveren van
                        vloeibare brandstoffen, dat voldoet aan de eisen, gesteld bij of krachtens
                        de Verordening Opslag Gas, Huisbrand- en Stookolie; </al><al> d. de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor; </al><al> e. de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander
                        warmte-ontwikkelend toestel. </al><al> 3. Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder
                        a., worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een
                        vloeistof als bedoeld in dat lid, volledig meegerekend. </al><al> Artikel 2.2.3 Opslag en verwerking stoffen </al><al> Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit Brandveiligheid (Stcrt.
                        1992, nr. 104) alsmede artikel II van de Regeling tot Wijziging (Stcrt.
                        1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgens de in bijlage 6 van de
                        Bouwverordening aangegeven wijze. </al><al> Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand </al><al/><al> Artikel 2.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen </al><al> De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                        bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden,
                        dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt. </al><al> Artikel 2.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen </al><al> Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te
                        hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de zichtbaarheid wordt
                        belemmerd van: </al><al> a. middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding
                        van brand; </al><al> b. middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en
                        dieren bij brand. </al><al> Artikel 2.3.4 Verrichten van werkzaamheden </al><al> Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-,
                        wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de
                        Regeling Bouwbesluit Brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104) alsmede artikel
                        II van de Regeling tot Wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) of gereedschappen
                        worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan
                        van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan
                        van brand. </al><al> Artikel 2.3.5 Verbod open vuur en roken </al><al> 1. Het is verboden te roken of vuur te hebben: </al><al> a. in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of meer van de stoffen
                        genoemd in de Regeling Bouwbesluit Brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104)
                        alsmede artikel II van de Regeling tot Wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188)
                        onder a. tot en met h.; </al><al> b. bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare
                        vloeistoffen en (of) gassen kunnen veroorzaken; </al><al> c. bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of
                        een brandbaar gas. </al><al> 2. Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en
                        wethouders ontheffing verlenen. </al><al> Artikel 2.3.6 Verboden handelingen met stoffen </al><al> 1. Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te doen
                        overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht is om dat gas of
                        gasmengsel te bevatten. </al><al> 2. Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in leidingen te
                        verwarmen. </al><al> 3. Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                        speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen bedoeld in
                        de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen opstijgen van en landen
                        op alsmede het inrichten van niet als luchtvaartterreinen aangewezen
                        terreinen (5tb. 1988, nr. 511). </al><al> 4. Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of gasmengsel
                        of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige wijze, dat daardoor
                        brand kan ontstaan. </al><al> 5. Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te vervoeren of weg
                        te gooien op zodanige wijze, dat daardoor brand ontstaat. </al><al> Artikel 2.3.7 Melden van brand en broei </al><al> leder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt. is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden. </al><al> Artikel 2.3.8 Bossen, heidevelden, venen </al><al> 1. De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een ander
                        terrein dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht - na een van
                        burgemeester en wethouders ontvangen aangetekende brief - de voorschriften
                        op te volgen, die burgemeester en wethouders in die brief geven tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand. </al><al> 2. Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan elke
                        aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor meer dan de helft
                        bestaat uit naaldhout. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 3.1 Toezicht OP de naleving </al><al> Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                        opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester en
                        wethouders aangewezen ambtenaren. </al><al> Artikel 3.2 Strafbepaling </al><al> Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                        gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
                        categorie. </al><al> Artikel 3.3 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning </al><al> 1. Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van de
                        Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 26 oktober
                        1993, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een
                        dergelijke aanvraag wordt afgedaan op grond van genoemde
                        Brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen. </al><al> 2. Een gebruiksvergunning ais bedoeld in artikel 26 van de
                        Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 26 oktober
                        1993, geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1., voorzover
                        deze niet krachtens overgangsrecht van de Bouwverordening geldt als
                        gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1. van de Bouwverordening. </al><al> Artikel 3.4 Slotbepaling </al><al> 1. Deze verordening treedt in werking op de 3e dag na die waarop zij is
                        afgekondigd. </al><al> 2. Deze verordening kan worden aangehaald als:
                        "Brandbeveiligingsverordening". </al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 oktober 1993, </ondertekening><ondertekening> de secretaris, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening> P.B. Burger drs. H.A. van Zwieten</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>