<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86631_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2011, 5</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, lid 1, en artikel 108, lid 2; IOAW, artikel 35, lid 1, en artikel 20, lid 2; IOAZ, artikel 35, lid 1, en artikel 20, lid 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-01-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB10.0102</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><al>a. IOAW Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr=""><al>b. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr=""><al>c. IOAW/IOAZ: de IOAW evenals de IOAZ, beiden voor zover
                                            zij op belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr=""><al>d. uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste
                                            lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr=""><al>e. uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing
                                            zijnde netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid
                                            IOAW/IOAZ;</al></li><li nr=""><al>f. maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op
                                            grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20,
                                            eerste lid IOAZ evenals het blijvend of tijdelijk
                                            (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van
                                            artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid
                                            IOAZ;</al></li><li nr=""><al>g. inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8
                                            IOAW/IOAZ;</al></li><li nr=""><al>h. benadelingbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het
                                            niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                            inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                            uitkering op grond van de IOAW/IOAZ; i. belanghebbende:
                                            hij die recht heeft op een uitkering op grond van de
                                            IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                            dienstbetrekking, evenals hij die recht heeft op een
                                            uitkering op grond van de IOAZ;</al><al>j. college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Den Helder</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het toepassen van een maatregel</titel></kop><al>1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een
                            verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van
                            hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders
                            dan de verplichting bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ
                            - schendt, wordt in overeenstemming met deze verordening een maatregel
                            opgelegd. </al><al>Er wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            IOAW/IOAZ zich tegenover het college zeer ernstig misdraagt.</al><al>2. Het eerste lid is tevens van toepassing op de belanghebbende die een
                            uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van
                            artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur</al><al>uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen
                            schendt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>1. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert.</al><al>2. Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de
                            maatregel een maand.</al><al>3. De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                            verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                            bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                            categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                            gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende
                            redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of
                                    geweigerd;</al></li><li nr="d."><al>het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd
                                    en, </al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaarvóór
                                            constatering van die gedraging door het college heeft
                                            plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. Een
                                            maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                            wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren
                                            nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Omstandigheden die
                                    rechtstreeks het gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te
                                    merken gedraging, zijn geen dringende redenen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen
                            van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                            uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                            uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>1. Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                            meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                            opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van
                            verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.</al><al>2. Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                            één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor
                            iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen
                            worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 4, eerste lid,
                            niet verantwoord is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende
                            zijn</al><al>nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV Werkplein of het niet tijdig laten verlengen
                                            van de registratie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste
                                    categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    derde categorie.</al><al/></li></lijst><al>2. In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college, indien
                            belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW en de
                            belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder a,
                            dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door eigen
                            toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, voor
                            onbepaalde duur een maatregel op ter hoogte van het door eigen toedoen
                            niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid. </al><al/><al>3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid en
                            het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in
                                    achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde
                                    duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen
                                    toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren
                                    en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
                                            678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
                                            de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                                            gevergd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
                                    verloren netto inkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste
                                    lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                    maanden bedraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college voor
                                    onbepaalde duureen maatregel op indien de
                                    belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW en
                                    hij weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen
                                    niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste
                                    lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                    maanden bedraagt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een
                                    maatregel op van vijf procent van de uitkeringsnorm, indien
                                    belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ
                                    niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                                    verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet
                                    binnen de door het college daartoe gestelde termijn te
                                    verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                                    volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing,
                                    tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
                                    plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de
                                    datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                    waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid
                                    tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van
                                    een uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                    benadelingbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel op de
                                    volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingbedrag tot € 2.000,00:
                                            10%van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00:
                                            20%van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingbedrag van € 4.000,00 tot € 8.000,00:
                                            40%van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingbedrag van € 8.000,00 of meer:
                                            100%van de uitkeringsnorm.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                            aanvang heeft genomen;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><al>b. zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het
                                    Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft
                                    getroffen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel
                                op van vijf procent van de uitkeringsnorm, indien het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13
                                IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                bedrag verstrekken van een uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel op
                            van veertig procent van de uitkeringsnorm, indien belanghebbende zich
                            zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            IOAW/IOAZ.</al><al>2. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                            indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan
                            met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale
                            geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de
                            datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing
                            in verband met ernstige misdragingen is gegeven.</al><al>3. In afwijking van artikel 4, derde lid bedraagt de maatregel 100% van
                            de uitkeringsnorm, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                            besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, is
                            opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken
                            gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                            gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een
                            maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6,
                            tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van vaststelling door de
                            raad en werkt terug tot 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ 2011</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de raadsvergadering van 17 januari 2011.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                    financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25%
                    drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een
                    financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari
                    2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van
                    toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden de financiële
                    middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig
                    gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op
                    grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere
                    verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.</al><al><cursief>Opmerking:</cursief></al><al><cursief>Niet gebundeld met het I-deel wordt de financiering van de kosten van
                        levensonderhoud van gevestigde,</cursief><cursief>oudere en beëindigende
                        zelfstandigen en van bedrijfskapitaal vanuit het Bbz 2004. Hiervoor blijft
                        aparte</cursief></al><al><cursief>financiering bestaan.</cursief></al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. De
                    huidige verordening voorziet daarbij in het afstemmingsbeleid voor de IOAW en
                    IOAZ. Dit beleid was geregeld bij AMvB. Deze landelijke regelingen, evenals de
                    nog bestaande boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen.
                    Op basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om per 1 juli
                    2010 in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien. In deze verordening
                    is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te komen tot een zo
                    veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid.
                    Daarbij zij opgemerkt dat in afwijking van de WWB, de IOAW en IOAZ in een aantal
                    situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te
                    weigeren. </al><al/><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                        omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al><cursief>Onder c. de IOAW/IOAZ</cursief></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu
                        een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering
                        en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke
                        afzonderlijke wet verwezen moet worden.</al><al><cursief>Onder e. uitkeringsnorm</cursief></al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem
                        in de IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren
                        dat verwijst naar een netto norm.</al><al><cursief>Onder f. maatregel</cursief></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                        weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt.
                        Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit
                        vlak.</al><al><cursief>Onder g. inkomen</cursief></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW
                        en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al><cursief>Onder i. belanghebbende</cursief></al><al>Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het
                        opleggen van een maatregel, volgens dat artikel, daar enkel gelden voor de
                        persoon die is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip
                        belanghebbende in die zin ingeperkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel
                        20, tweede lid IOAW.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Zoals al aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto norm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de
                        duur van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen
                        dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden
                        aangegeven dat deze voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier
                        een algemene uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Ten opzichte van de WWB-afstemmingsverordening is in deze bepaling geen
                        gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het
                        door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt
                        verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de
                        mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van
                        de uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een
                        apart hoofdstuk opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>In het tweede lid is uitwerking gegeven aan de binnen de IOAW geboden
                        mogelijkheid om ook bij het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                        geaccepteerde arbeid de uitkering (gedeeltelijk) te weigeren.</al><al>De alternatieve bepaling voorziet in de mogelijkheid tot het (gedeeltelijk)
                        weigeren van de uitkering voor onbepaalde tijd. Indien gekozen wordt voor
                        volledige weigering, kan de belanghebbende in wezen per direct aankloppen
                        voor een aanvulling in het kader van de WWB. Binnen het kader van de WWB zal
                        dan moeten worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft op WWB (in
                        afwijking van de IOAW en IOAZ kent de WWB een beperkte vermogensvrijlating
                        en een ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre het maatregelwaardige gedrag
                        ook binnen de WWB tot een verlaging zou hebben geleid. Wordt gekozen voor
                        een weigering voor onbepaalde tijd, dan zal het eerder op de weg van het
                        college liggen om de maatregel te heroverwegen, dan om bijstand te
                        verstrekken indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>en 13</titel></kop><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                        uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren
                        volledig uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>tot en met 17</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn identiek aan de bepalingen binnen de
                        WIJ-afstemmingverordening. Hier is gekozen voor overname van de bepalingen
                        in de WIJ-afstemmingverordening nu deze ten opzichte van de bepalingen in de
                        WWB-afstemmingsverordening beter zijn uitgewerkt als het gaat om de
                        afstemming bij zeer ernstige misdragingen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>