<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86622_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2009, 14</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1, en artikel 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-03-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB09.0026</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening langdurigheidstoeslag 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>College: het college van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="b."><al>De wet: de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="c."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li><li nr="d."><al>WSF 2000: Wet Studiefinanciering.</al></li><li nr="e."><al>Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                    peildatum.</al></li><li nr="f."><al>Peildatum: de datum waartegen de langdurigheidstoeslag wordt
                                    aangevraagd.</al></li><li nr="g."><al>Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet,
                                    waarbij voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op
                                    bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’.
                                    Een bijstandsuitkering wordt in afwijking van artikel 32 van de
                                    wet voor beoordeling van het recht op een langdurigheidstoeslag
                                    als inkomen aangemerkt</al></li><li nr="h."><al>Gehuwdennorm: de norm van artikel 21 aanhef en onderdeel c van
                                    de wet.</al></li><li nr="i."><al>Uitkeringsgerechtigde: persoon bedoeld in artikel 1 onder o van
                                    de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></li><li nr="j."><al>Zelfstandige: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de
                                    voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen
                                    bedrijf of zelfstandig beroep en voldoet aan het gestelde in
                                    artikel 1 onderdeel b Besluit bijstandsverlening
                                    zelfstandigen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Recht op langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Langdurig, laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van
                                het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende
                                de referteperiode het inkomen niet uitkomt boven 100 procent van de
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de
                                belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan
                                wel een studie volgt als genoemd in de</al><al> WSF 2000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden €486,00;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder €436,00 en</al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande € 341,00.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de
                                    peildatum bepalend.</al></li><li nr="3."><al>Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van
                                    het recht op langdurig heidstoeslag ingevolge artikel 13 lid 1
                                    van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                    een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                    alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1
                                    januari aangepast met een percentage dat overeenkomt met het
                                    procentuele verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van
                                    dat jaar en de gehuwdennorm van het daar aan voorafgaande
                                    jaar.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan aangehaald worden als: Verordening
                            langdurigheidstoeslag 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De Verordening treedt in werking met ingang van de dag van de
                            vaststelling en werkt terug tot 1 januari 2009.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 maart 2009.</ondertekening><ondertekening>W.F. Bellinga, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel d WWB dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een
                    langdurigheidstoeslag. Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op
                    de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt
                    gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen, zoals dat in artikel 36 lid 1
                    WWB worden gebruikt.</al><al>In deze verordening is gekozen voor invulling die rekening houdt met de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de in de huidige regeling en
                    uitvoeringspraktijk gesignaleerde tekortkomingen. Voorts is gekozen voor een
                    invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedevaleffecten voorkomen.</al><al/><al><cursief>Artikelsgewijs</cursief></al><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Begrippen die in de WWB voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis
                    als in de wet. Voor een aantal begrippen, die niet in de WWB zelf staan is een
                    definitie gegeven in deze verordening.</al><al>Met de invulling van het begrip peildatum als datum waartegen is aangevraagd
                    wordt aangesloten bij de jurisprudentie van de CRvB, dat het niet gaat om de
                    datum waarop is aangevraagd (zie CRvB 22-07-2008, nr. 0712304 WWB). De aanvraag
                    wordt daarom steeds geacht te zijn gedaan tegen de eerst mogelijke datum na
                    afloop van een referteperiode.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de WWB afwijkende definitie
                    opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht heeft gegeven om in de
                    verordening regels op te nemen over het begrip ‘langdurig, laag inkomen’, is de
                    gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36 lid 1 WWB
                    nader te omschrijven. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de
                    bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde)
                    invulling van het begrip inkomen in artikel 36 lid 1 WWB, maar wordt de
                    wettechnische imperfectie weggenomen.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Een referteperiode van 5 jaar, zoals artikel 36 WWB (tekst tot 1januari 2009)
                    voorschreef wordt als te lang ervaren. Nadat belanghebbenden 3 jaar op een
                    minimum inkomen zijn aangewezen is er over het algemeen niet veel
                    reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn van drie jaar
                    aangehouden. Dit sluit ook aan bij de impliciet door de wetgever gegeven
                    termijn. De minimumleeftijd is immers door de wetgever teruggebracht van 23 naar
                    21 jaar. Een belanghebbende is (normaal gesproken) vanaf zijn 18e voor de WWB
                    een zelfstandig rechtssubject.</al><al>Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat
                    gemiddeld niet hoger is dan 100% van de bijstandsnorm. Marginale
                    overschrijdingen van deze 100%-grens dienen genegeerd te worden (zie CRvB
                    19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a.).</al><al>Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe
                    kennen bij een inkomen boven bijstandsniveau. Van deze bevoegdheid wordt om twee
                    redenen geen gebruik gemaakt.</al><al>-Ten eerste omdat dit ongewenste armoedevaleffecten in zich heeft. Weliswaar
                    doen de armoedevaleffecten zich ook voor bij de grens van 100% van de
                    bijstandsnorm, maar zullen belanghebbenden die uitstromen doorgaans een hoger
                    inkomen ontvangen, dat het verlies</al><al>van de langdurigheidstoeslag feitelijk minder wordt gevoeld. Bij een hogere
                    Inkomensgrens bestaat er een risico dat belanghebbenden als het ware blijven
                    steken bij een inkomen tot bijvoorbeeld 120% van de bijstandsnorm. Als
                    alternatief voor de grens van 100% zou overigens ook de door de wetgever
                    gesuggereerde differentiatie in hoogte van de langdurigheidstoeslag gekozen
                    kunnen worden.</al><al>-Ten tweede omdat het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een
                    inkomen van bijvoorbeeld 110% van de bijstand niet valt te rijmen met de
                    wettelijke uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar of ouder. Zij zijn immers
                    uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al
                    voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar.
                    Het verschil is echter maar ongeveer 5 tot 9 % (precieze percentage is
                    afhankelijk van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of
                    gehuwde is). Het hanteren van een grens van 110% zou daarom maken dat de
                    uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op
                    leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van Internationaal
                    Verdrag betreffende Burgerrechten en Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is
                    dus beperkt tot een grens van maximaal ongeveer 105 % van de bijstandsnorm. Door
                    uitte gaan van een maximaal inkomen van 100% wordt al voldoende gebruik gemaakt
                    van deze ruimte.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag is gebaseerd op de huidige hoogte. Om
                    niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de
                    langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds de vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.</al><al>In het derde lid wordt een regeling overeenkomstig artikel 24 WWB gegeven voor
                    situaties waarin bij gehuwden één van beide partners is uitgesloten van het
                    recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 13 lid 1 WWB. De WWB voorziet
                    immers niet in een afwijzingsgrond voor de rechthebbende echtgenoot, terwijl
                    echter het toekennen van het bedrag voor gehuwden in dergelijke situaties ook
                    niet opportuun is.</al><al>NB: Dit derde lid ziet enkel op de situatie dat er bij een echtgenoot sprake is
                    van een uitsluitingsgrond op grond van artikel 13 lid 1 WWB. Indien één van
                    beide gehuwden niet in aanmerking komt voor het recht op langdurigheidstoeslag
                    wegens het niet voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 36 WWB of in
                    deze verordening, hebben beide echtgenoten geen recht op langdurigheidstoeslag.
                    Het recht op langdurigheidstoeslag komt gehuwden immers gezamenlijk toe. Zij
                    moeten daarom ook allebei, zowel afzonderlijk als gezamenlijk aan de voorwaarden
                    voldoen.</al><tussenkop>Slotbepalingen</tussenkop><al>Toelichting niet noodzakelijk.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>