<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86601_4</dcterms:identifier><dcterms:title>38 Verordening op behandeling van klachten nummering veranderen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Geen bron</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>38 Verordening op behandeling van klachten nummering veranderen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2001-01-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2004-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>38 Verordening op behandeling van klachten</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bestuursorgaan:</vet></al><lijst><li nr="1"><al>de gemeenteraad;</al></li><li nr="2"><al>de commissies;</al></li><li nr="3"><al>het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="4"><al>de burgemeester;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al><vet>directeur:</vet> als bedoeld in artikel 1:1:1:1;</al></li><li nr="c"><al><vet>gedraging:</vet> het in een bepaalde aangelegenheid jegens een
                                natuurlijk persoon of rechtspersoon handelen of nalaten te handelen
                                door:</al><lijst><li nr="1"><al>een bestuursorgaan;</al></li><li nr="2"><al>de voorzitter of een lid van een bestuursorgaan;</al></li><li nr="3"><al>een ambtenaar van de gemeente Amstelveen, of een daarmee op
                                        grond van diens werkzaamheid gelijk te stellen persoon
                                        (inclusief arbeidscontractant) in de uitoefening van zijn
                                        functie, alsmede een gewezen ambtenaar;</al></li></lijst></li><li nr="d"><al><vet>hoofd:</vet> het afdelingshoofd;</al></li><li nr="e"><al><vet>klacht:</vet> een uiting van ongenoegen over de wijze waarop
                                een bestuursorgaan, de voorzitter of een lid van een bestuursorgaan,
                                of een ambtenaar van de gemeente Amstelveen zich in een bepaalde
                                aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon
                                heeft gedragen;</al></li><li nr="f"><al><vet>klachtbehandelaar:</vet> de persoon die op grond van artikel
                                38:0:0:6 een klacht in behandeling heeft genomen;</al></li><li nr="g"><al><vet>klager:</vet> een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een
                                klacht heeft gediend op grond van artikel 38:0:0:2;</al></li><li nr="h"><al><vet>Ombudscommissie:</vet> de commissie, als bedoeld in de
                                Verordening ombudscommissie van de gemeente Amstelveen;</al></li><li nr="i"><al><vet>rechterlijke instantie:</vet> personen of colleges, bij of
                                krachtens de wet geheel of ten dele met rechtspraak belast en te
                                dien aanzien van het openbaar bestuur onafhankelijk, voor zover het
                                deze rechtspraak betreft;</al></li><li nr="j"><al><vet>wettelijke geregelde administratiefrechtelijke
                                    voorziening:</vet> een wettelijk geregelde
                                administratiefrechtelijke voorziening als bedoeld in de Wet
                                Nationale ombudsman, met uitzondering van de klachtenregeling in
                                Hoofdstuk II van deze wet.</al></li></lijst><al> Een gedraging van een persoon, als bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder
                        c., onderdeel 3, wordt aangemerkt als een gedraging van het daarvoor
                        verantwoordelijke bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:2 Het recht om een klacht in te dienen</titel></kop><al> Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich
                        in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of
                        rechtspersoon heeft gedragen een klacht in te dienen bij dat
                        bestuursorgaan.</al><al> Een klacht dient zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één jaar nadat
                        de gedraging heeft plaatsgevonden, te worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:3 Indiening van een klacht</titel></kop><al> Een klacht moet schriftelijk worden ingediend bij het college van
                        burgemeester en wethouders.</al><al> Een klacht moet worden ondertekend en dient te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de klager;</al></li><li nr="b"><al>een omschrijving van de gedraging waarop de klacht betrekking heeft
                                en - voor zover mogelijk - wie zich aldus heeft gedragen en waar,
                                wanneer en jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="c"><al>de reden(en) waarom de klager bezwaar maakt tegen de gedraging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:4 Registratie van een klacht</titel></kop><al> Een klacht over een gedraging van een ambtenaar wordt op het niveau van
                        zijn directeur geregistreerd en voorgelegd aan de klachtbehandelaar als
                        bedoeld in artikel 38:0:0:6.</al><al> Een klacht over een gedraging van een directeur, de gemeentesecretaris,
                        (een lid van) de gemeenteraad, een commissie, het college van burgemeester
                        en wethouders of de burgemeester wordt op het niveau van de
                        gemeentesecretaris geregistreerd en voorgelegd aan de klachtbehandelaar als
                        bedoeld in artikel 38:0:0:6.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:5 Ontvangstbevestiging</titel></kop><al> De ontvangst van een klacht wordt terstond door de klachtbehandelaar,
                        namens het college van burgemeester en wethouders, schriftelijk aan de
                        klager bevestigd.</al><al> In de ontvangstbevestiging wordt medegedeeld wie de klacht zal behandelen
                        en hoe de verdere gang van zaken is.</al><al> Het bestuursorgaan en/of de perso(o)n(en) tegen wie de klacht zich richt,
                        krijgt de klacht, de daarbij meegezonden stukken en de ontvangstbevestiging
                        in afschrift toegezonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:6 Klachtbehandelaar</titel></kop><al>De behandeling van een klacht dient te geschieden door een persoon die niet
                        bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is
                        geweest</al><al> Een klacht wordt namens het college van burgemeester en wethouders
                        behandeld door:</al><lijst><li nr="a"><al>de directeur, indien het een gedraging van een onder hem
                                resorterende ambtenaar betreft;</al></li><li nr="b"><al>de gemeentesecretaris, indien het een gedraging van een directeur
                                betreft;</al></li><li nr="c"><al>de burgemeester, indien het een gedraging van de gemeentesecretaris
                                betreft;</al></li><li nr="d"><al>de burgemeester, indien het een gedraging van (een lid van) de
                                gemeenteraad, een commissie of het college van burgemeester en
                                wethouders betreft;</al></li><li nr="e"><al>de loco-burgemeester, indien het een gedraging van de burgemeester
                                betreft.</al></li></lijst><al> Een directeur kan de bevoegdheid tot het behandelen van een klacht
                        ondermandateren aan een afdelingshoofd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:7 Niet-ontvankelijkheid van een klacht</titel></kop><al>De klachtbehandelaar neemt een klacht niet in behandeling:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de aangelegenheid behoort tot het algemeen
                                gemeentebeleid;</al></li><li nr="b"><al>indien deze betrekking heeft op algemeen verbindende
                                voorschriften;</al></li><li nr="c"><al>indien en zolang ten aanzien van de gedraging voor de klager een
                                wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat
                                of heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt;</al></li><li nr="d"><al>indien en zolang ten aanzien van de gedraging een procedure bij een
                                rechterlijke instantie aanhangig is danwel beroep openstaat tegen de
                                uitspraak die in die procedure is gedaan danwel door een
                                rechterlijke instantie uitspraak is gedaan;</al></li><li nr="e"><al>indien op het moment van indiening van een klacht een jaar is
                                verstreken na de gedraging;</al></li><li nr="f"><al>indien een klacht niet voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel
                                38:0:0:3 en de klager de voor behandeling vereiste gegevens niet
                                binnen twee weken nadat hij op deze tekortkoming is gewezen, heeft
                                verstrekt;</al></li><li nr="g"><al>indien de klacht kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="h"><al>indien het belang van de klager of het gewicht van de gedraging
                                kennelijk onvoldoende is;</al></li><li nr="i"><al>indien de klager een ander is dan degene jegens wie de gedraging
                                heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j"><al>indien de klacht en/of de gedraging reeds eerder in het kader van
                                deze verordening is behandeld.</al></li></lijst><al> Indien de klachtbehandelaar op grond van het voorgaande lid een klacht niet
                        in behandeling neemt, stelt hij de klager en het bestuursorgaan en/of
                        perso(o)n(en) tegen wie de klacht zich richt, daarvan zo spoedig mogelijk
                        doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de klacht schriftelijk in
                        kennis, onder vermelding van de reden(en).</al><al> De klachtbehandelaar deelt aan de klager tevens schriftelijk mede, dat
                        indien deze niet tevreden is over de be- en afhandeling van de klacht, hij
                        zijn klacht kan voorleggen aan de Ombudscommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:8 Het houden van een hoorzitting</titel></kop><al> De klachtbehandelaar stelt de klager en het bestuursorgaan en/of de
                        perso(o)n(en) tegen wie de klacht zich richt, in de gelegenheid om te worden
                        gehoord, waarbij beiden in de gelegenheid worden gesteld om op elkaars
                        standpunten te reageren.</al><al> Van het horen van de klager kan worden afgezien, indien deze heeft
                        verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.</al><al>Van het horen wordt een verslag gemaakt.</al><al> De betrokkenen, als bedoeld in het eerste lid, kunnen zich ter behartiging
                        van hun belangen laten bijstaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:9 Beslotenheid van een hoorzitting</titel></kop><al>Het horen vindt plaats in beslotenheid, tenzij:</al><lijst><li nr="a"><al>een ambtenaar tegen wie de klacht zich richt gebruik wil maken van
                                zijn recht zich in het openbaar te verweren tegen uitlatingen in het
                                openbaar gedaan over hem in zijn hoedanigheid van ambtenaar,
                                daaronder begrepen uitlatingen over door hem uitgebrachte adviezen,
                                zoals bedoeld in artikel F 15 van het Algemeen
                                Ambtenarenreglement;</al></li><li nr="b"><al>de klager en/of zijn gemachtigde de klachtbehandelaar verzoekt om in
                                het openbaar te worden gehoord en deze overeenkomstig dat verzoek
                                besluit;</al></li><li nr="c"><al>het bestuursorgaan tegen wie de klacht zich richt de
                                klachtbehandelaar verzoekt om in het openbaar te worden gehoord en
                                deze overeenkomstig dat verzoek besluit;</al></li><li nr="d"><al>er naar het oordeel van de klachtbehandelaar gewichtige redenen
                                aanwezig zijn die zich tegen beslotenheid van de hoorzitting
                                verzetten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:10 Termini van afhandeling van een klacht</titel></kop><al> De klachtbehandelaar handelt, namens het college van burgemeester en
                        wethouders, een klacht binnen zes weken na de datum van ontvangst van de
                        klacht schriftelijk af.</al><al> De klachtbehandelaar kan de afhandeling voor ten hoogste vier weken
                        verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                        klager en het bestuursorgaan en/of de perso(o)n(en) tegen wie de klacht zich
                        richt.</al><al>De verplichting tot het verder behandelen van een klacht vervalt, indien de
                        klacht naar tevredenheid van de klager wordt afgehandeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:11 ln kennisstelling van het onderzoek</titel></kop><al> De klachtbehandelaar stelt de klager, het bestuursorgaan en/of
                        perso(o)n(en) tegen wie de klacht zich richt en het college van burgemeester
                        en wethouders schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van
                        het onderzoek naar en de beslissing op de klacht alsmede van de conclusies
                        die daar mogelijk aan zijn verbonden.</al><al> De klachtbehandelaar deelt aan de klager tevens schriftelijk mede, dat
                        indien deze niet tevreden is over de be- en afhandeling van de klacht, hij
                        zijn klacht kan voorleggen aan de Ombudscommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:12 Jaarverslag</titel></kop><al> Het college van burgemeester en wethouders brengt over het afgelopen
                        kalenderjaar verslag uit over het aantal klachten, de aard van deze
                        klachten, de wijze van be- en afhandeling ervan en de maatregelen die naar
                        aanleiding daarvan zijn getroffen.</al><al> Het jaarverslag wordt, zo nodig voorzien van beleidsmatige aanbevelingen,
                        ter advisering voorgelegd aan de commissie van advies voor bestuurlijke
                        aangelegenheden en de Ombudscommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:13 Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders beslist in de gevallen waarin
                        deze verordening niet voorziet. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:14 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op een nader door het college van
                        burgemeester en wethouders te bepalen datum.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:15 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel: “Verordening op de
                        behandeling van klachten”. </al></artikel><artikel><kop><titel>Toelichting Verordening op de behandeling van klachten.
                            Algemeen.</titel></kop><al>Zorgvuldige klachtbehandeling dient zowel het belang van de burger als dat
                        van het gemeentebestuur. Voor de burger levert het de mogelijkheid op
                        genoegdoening (in welke vorm dan ook) te krijgen in verband met een onheuse
                        bejegening door de overheid. Voor de overheid is zorgvuldige
                        klachtbehandeling een vereiste dat voortvloeit uit de algemene beginselen
                        van behoorlijk bestuur en een kwestie van bestuurlijke betamelijkheid.</al><al>Het gemeentebestuur dient het uitgangspunt dat het gemeentebestuur een
                        dienende functie heeft en zich in zijn handelen niet primair door andere
                        overwegingen behoort te laten leiden, voortdurend in het oog te houden. Het
                        is tevens de taak van het bestuursorgaan om van buiten komende signalen die
                        erop duiden dat de dienende functie op enige wijze afbreuk wordt gedaan, op
                        hun merites te beoordelen en zo nodig corrigerend op te treden.</al><al>Zorgvuldig onderzoek van klachten binnen het bestuursorgaan heeft een
                        belangrijk leereffect. In het kader van het streven naar verbetering van de
                        kwaliteit van de overheidsdienstverlening en van het functioneren van de
                        openbare dienst in het algemeen, leveren klachten van burgers immers een
                        schat aan concrete en bruikbare informatie op. Het bestuur kan op basis van
                        ontvangen klachten aanleiding zien fouten te herstellen en misstanden binnen
                        de organisatie weg te nemen. Wanneer regelmatig op een bepaald punt kritiek
                        wordt uitgeoefend, behoort dit voor het gemeentebestuur aanleiding te zijn
                        zich daarop nader te bezinnen. Steeds sterker leeft voorts het besef, binnen
                        de overheid zowel als in het bedrijfsleven, dat een goede behandeling van
                        een klacht bijdraagt aan een betere relatie met de cliënt en aan de
                        kwaliteit van de dienstverlening. Zorgvuldige klachtbehandeling kan aldus
                        bijdragen aan herstel van het geschonden vertrouwen in het
                        gemeentebestuur.</al><al>Bij het opstellen van deze verordening is uitgegaan van het gegeven dat het
                        gemeentebestuur de zorg heeft voor een behoorlijke behandeling van klachten.
                        Er is gekozen voor een uniforme, overzichtelijke klachtenregeling met een
                        laagdrempelige toegankelijkheid en een adequate, zakelijke aanpak. Het komt
                        de overzichtelijkheid voor de burger ten goede dat er binnen de gemeente
                        sprake is van eenheid van klachtbehandeling en dat het voor de behandeling
                        van klachten geen verschil uitmaakt op welk organisatieonderdeel van de
                        gemeente de klacht betrekking heeft. Voor de praktische uitvoering is bij de
                        behandeling van klachten over ambtenaren gekozen voor be- en afhandeling op
                        het niveau van het eigen gemeentelijk organisatieonderdeel.</al><al>Alle bij de gemeente Amstelveen ingediende klachten worden in eerste
                        instantie behandeld op grond van deze verordening. Dit betekent dat alle
                        klachten die - onverhoopt - in eerste instantie terecht komen bij de
                        Ombudscommissie door die commissie moeten worden terug verwezen naar de
                        klachtbehandelaar die op grond van deze verordening bevoegd is om de klacht
                        te behandelen. Op grond van artikel 3.4 van de ontwerpverordening
                        Ombudscommissie van de gemeente Amstelveen, het zogenaamde
                        kenbaarheidvereiste, dienen klachten namelijk eerst kenbaar te worden
                        gemaakt bij het bestuursorgaan en/of peso(o)n(en) tegen wie de klacht zich
                        richt. Hij of zij dient in kennis te worden gesteld van de klacht en de
                        gelegenheid te krijgen om daarop zijn of haar zienswijze te geven. De wijze
                        waarop dit gebeurt, is geregeld in deze verordening. Met andere woorden: in
                        eerste instantie is de ontwerpverordening op de behandeling van klachten van
                        toepassing, pas in tweede instantie geldt de ontwerpverordening
                        Ombudscommissie van de gemeente Amstelveen.</al><al>Bij het ontwerpen van deze klachtenregeling is een evenwicht gezocht tussen
                        het bieden van voldoende waarborgen voor een zorgvuldige klachtbehandeling
                        enerzijds, en het voorkomen van nodeloze formalisering of bureaucratisering
                        anderzijds.</al><al>Er worden namelijk bij bestuursorganen regelmatig op eenvoudige en informele
                        wijze klachten ingediend die vaak ook het beste op informele wijze kunnen
                        worden afgehandeld. Indien op die manier een voor alle betrokkenen
                        bevredigend resultaat kan worden bereikt, is het niet wenselijk om daar
                        formaliteiten aan te stellen. Zo kan bij een mondeling ingediende klacht het
                        geven van opheldering of het aanbieden van verontschuldigingen vaak een
                        goede reactie zijn. Het komt de duidelijkheid van de burger ten goede komen
                        als hij wordt gewezen op de mogelijkheid van volledige behandeling van zijn
                        of haar klacht, indien hij of zij dat wenst. Indien een klacht zich niet
                        meer leent voor een informele afhandeling, of indien de klager daarmee niet
                        tevreden is gesteld, dan zal de formele klachtprocedure moeten worden
                        gevolgd, met alle waarborgen die deze de klager biedt.</al><al>Indien een klager zijn of haar klacht op een formele wijze behandeld wil
                        hebben, dient de klacht ten behoeve van de klachtprocedure op schrift te
                        worden gesteld. Desgewenst zal het ambtelijk apparaat de indiener van de
                        klacht ondersteunen bij het opstellen van het klachtschrift. De
                        klachtprocedure is met duidelijke waarborgen omgeven. Deze procedure is in
                        beginsel beperkt tot klachten die niet op een eenvoudiger en minder
                        geformaliseerde wijze kunnen worden opgelost. Het indienen van een klacht
                        kan wijzen op de behoefte de zaak wat diepgaander te onderzoeken. Het
                        voorgaande betekent echter niet dat een klacht niet op een snelle en
                        informele wijze kan worden opgelost. Bij klachten geldt steeds dat iedere
                        informele vorm van afdoening mogelijk is, mits dat geschiedt tot
                        tevredenheid van de klager. Bij binnenkomst van een klacht kan de
                        klachtbehandelaar direct telefonisch contact opnemen met de klager om alsnog
                        te trachten opheldering of genoegdoening te verschaffen. Indien de klager
                        daarmee tevreden blijkt, is de klacht afgehandeld en behoeft er geen enkele
                        procedurele stap meer te volgen. Ook in een wat verder stadium van de
                        procedure is het nog steeds mogelijk om tot een oplossing te komen, mits de
                        klager daarmee genoegen neemt. De formele weg behoeft dan vanaf dat moment
                        niet meer te worden gevolgd.</al><al>Het doel van deze klachtenregeling is:</al><lijst><li nr="-"><al>het recht doen aan het belang van de klager;</al></li><li nr="-"><al>het herstellen van het geschonden vertrouwen van de burger in het
                                gemeentebestuur;</al></li><li nr="-"><al>het systematisch verzamelen van klachten teneinde een beter inzicht
                                te krijgen in de behoeften van de burgers en de tekortkomingen van
                                de gemeentelijke organisatie;</al></li><li nr="-"><al>het beschermen van degene op wiens gedraging de klacht betrekking
                                heeft tegen ongegronde klachten;</al></li><li nr="-"><al>het controleren en evalueren van de door middel van
                                klachtbehandeling verkregen informatie om te komen tot verbetering
                                van de dienstverlening van de gemeente aan de burgers.</al></li></lijst><al>Deze verordening is opgesteld in overeenstemming met de Wet Nationale
                        ombudsman en de Algemene wet bestuursrecht. De bepalingen inzake
                        klachtbehandeling zoals verwoord in het Voorontwerp Algemene wet
                        bestuursrecht Vierde Tranche inzake Klachtrecht van de Commissie Scheltema,
                        die in de Algemene wet bestuursrecht worden opgenomen, zijn eveneens in deze
                        verordening verwerkt.</al><al>Door de in dit artikel opgenomen omschrijving van een aantal in de
                        verordening gehanteerde begrippen wordt in deze bepaling mede de reikwijdte
                        van de regeling bepaald.</al><al>Artikel 1.1 van de Algemene wet bestuursrecht verstaat onder een
                        bestuursorgaan een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht
                        is ingesteld, of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag
                        bekleed. Op grond van artikel 6 en de artikelen 82 - 94 van de Gemeentewet
                        vallen de gemeentelijke organen onder het begrip bestuursorgaan. De
                        reikwijdte van deze verordening is voor wat betreft commissies beperkt zich
                        tot de commissies van advies en de commissies, die belast zijn met het
                        voorbereiden van door de gemeenteraad, het college van burgemeester en
                        wethouders en de burgemeester te nemen beslissingen op beroep- en
                        bezwaarschriften. Een klacht over een commissie wordt toegerekend aan het
                        bestuursorgaan gemeenteraad.</al><al>Ten aanzien van commissies, waaraan bij delegatie of attributie bevoegdheden
                        van de raad, het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester
                        zijn toegekend, waarbij het nadrukkelijk de bedoeling is geweest
                        bestuurlijke bevoegdheden “op afstand te plaatsen”, ligt het niet in de rede
                        deze verordening op gedragingen van die commissies van toepassing te
                        achten.</al><al>Evenmin ligt het in de rede om klachten over gedragingen van het bestuur en
                        van medewerkers van private instellingen te behandelen onder de vigeur van
                        deze verordening. Er zou sprake kunnen zijn van een situatie met een
                        gedraging waarbij geoordeeld kan worden dat de gedraging is gedaan in de
                        uitoefening van een publieke gemeentelijke taak die aan de instelling is
                        gemandateerd. Toch is het gebrek aan een (rechtspositionele)
                        werkgever-werknemerrelatie met de gemeente aanleiding deze regeling in dit
                        soort gevallen niet van toepassing te laten zijn. Wel wordt er op
                        aangedrongen dat zowel de hierboven genoemde bestuurscommissie alsook de
                        private instellingen een soortgelijke verordening van overeenkomstige
                        toepassing zullen verklaren.</al><al>Bij de begripsomschrijving directeur is aangesloten bij de
                        Organisatieverordening Gemeente Amstelveen 1994, zoals is vastgesteld bij
                        raadsbesluit van 23 februari 1994.</al><al>Het begrip gedraging is zo ruim mogelijk omschreven. Een gedraging kan zowel
                        gericht zijn op het teweeg brengen van rechtsgevolgen als op feitelijke
                        gevolgen. Naar verwachting zullen de te behandelen klachten vooral
                        betrekking hebben op laatstbedoelde gedragingen, omdat voor op
                        rechtsgevolgen gerichte handelingen veelal een administratiefrechtelijke
                        voorziening openstaat. Zie daarvoor artikel 38:0:0:1. en artikel 38:0:0:7.
                        van deze verordening.</al><al>Bij de omschrijving van het begrip gedraging worden bestuursorganen, de
                        voorzitter en leden van deze organen, en ambtenaren vermeld. De bedoeling
                        daarvan is zoveel mogelijk aan te geven dat gedragingen van alle personen of
                        onderdelen van de gemeente in directe zin onderwerp kunnen zijn van een
                        klachtenprocedure. Aangezien er sprake is van een toenemende
                        “decentralisatie” van bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen de
                        gemeentelijke organisatie is gekozen voor een systeem waarbij in eerste
                        instantie een klachtenprocedure betrekking heeft op de “handelende”
                        bestuursorganen of personen van de gemeente en, door het bepaalde in het
                        tweede lid van deze bepaling, in tweede instantie op het gemeentelijk
                        bestuursorgaan, dat alleen in bestuurlijke zin de verantwoordelijkheid
                        draagt voor de gedraging. Een gedraging van een ambtenaar wordt doorgaans
                        toegerekend aan het college van burgemeester en wethouders, omdat een
                        ambtenaar in de regel onder de verantwoordelijkheid van dit bestuursorgaan
                        handelt. Ambtenaren die controleren op het betalen van heffingen
                        (parkeercontroleurs) en bijzondere opsporingsambtenaren zijn ambtenaren in
                        de zin van deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 22 van de Gemeentewet kunnen leden van het
                        gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging over
                        hetgeen zij hebben gezegd in de vergadering van de raad of aan de raad
                        schriftelijk hebben overgelegd niet in rechte worden vervolgd, aangesproken
                        dan wel verplicht worden getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 191,
                        eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarover kan
                        dus ook niet een klacht worden ingediend in het kader van deze
                        verordening.</al><al>Het begrip hoofd sluit aan bij het handboek Organisatiestructuur van de
                        gemeente Amstelveen, een uitgave van de directie personeel en organisatie,
                        afdeling personele organisatie van de bestuursdienst van mei 1997.</al><al>Het begrip klacht sluit aan bij de Wet Nationale Ombudsman en is ruim
                        omschreven, In de praktijk blijkt namelijk dat de wijze waarop een klacht
                        wordt ingediend nogal gevarieerd kan zijn. Klachten over door of namens de
                        gemeente (niet) verrichte feitelijke handelingen vallen niet onder het
                        begrip klacht. Het gaat daarbij namelijk om niet danwel onvoldoende
                        uitgevoerde gemeentelijke taken die betrekking hebben op de directe
                        leefomgeving van burgers, zoals kapotte lantaarnpalen, gaten in het wegdek,
                        en dergelijke. Dergelijke klachten vallen niet onder deze verordening. Alle
                        bij de gemeente Amstelveen ingediende klachten worden in eerste instantie
                        behandeld op grond van deze verordening. Dit betekent dat alle klachten die
                        - onverhoopt - in eerste instantie terecht komen bij de Ombudscommissie door
                        die commissie moeten worden terug verwezen naar de klachtbehandelaar die op
                        grond van deze verordening bevoegd is om de klacht te behandelen. Op grond
                        van artikel 3.4 van de ontwerpverordening Ombudscommissie van de gemeente
                        Amstelveen, het zogenaamde kenbaarheidvereiste, dienen klachten namelijk
                        eerst kenbaar te worden gemaakt bij het bestuursorgaan en/of perso(o)n(en)
                        tegen wie de klacht zich richt. Hij of zij dient in kennis te worden gesteld
                        van de klacht en de gelegenheid te krijgen om daarop zijn of haar zienswijze
                        te geven. De wijze waarop dit gebeurt, is geregeld in deze verordening. Met
                        andere woorden: in eerste instantie is de ontwerpverordening op de
                        behandeling van klachten van toepassing, pas in tweede instantie geldt de
                        ontwerpverordening Ombudscommissie van de gemeente Amstelveen.</al><al>Met het begrip klachtbehandelaar wordt de persoon bedoeld die op grond van
                        artikel 38:0:0:6. van deze verordening een mondelinge of een schriftelijke
                        klacht in behandeling heeft genomen.</al><al>De omschrijving van het begrip klager sluit aan bij artikel 12, eerste lid,
                        van de Wet Nationale ombudsman.</al><al>Het begrip Ombudscommissie verwijst naar de gemeentelijke Ombudscommissie,
                        zoals bedoeld in de Verordening ombudscommissie van de gemeente
                        Amstelveen.</al><al>Het begrip rechterlijke instantie behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Het begrip wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening sluit
                        in beginsel aan bij de Wet Nationale Ombudsman. Een uitzondering wordt
                        gemaakt voor de klachtenregeling ingevolge de Wet Nationale Ombudsman zelf.
                        Een andere benadering zou bij toepassing van artikel 38:0:0:7 van deze
                        verordening de gemeentelijke klachtbehandelaar namelijk onbevoegd maken een
                        klacht in behandeling te nemen, omdat, na de competentie-uitbreiding van de
                        Nationale ombudsman naar de gemeenten toe, die nationale regeling zulks zou
                        uitsluiten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:2 Het recht om een klacht in te dienen</titel></kop><al>Dit artikel stelt voorop dat een ieder het recht heeft bij een
                        bestuursorgaan een klacht in te dienen over de wijze waarop dat orgaan zich
                        in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of
                        rechtspersoon heeft gedragen. De kring van klachtgerechtigden is volgens
                        deze bepaling ruim getrokken. “Een ieder” houdt op zichzelf vrijwel geen
                        beperking in, terwijl de gemaakte gedraging ook niet perse jegens de klager
                        hoeft te hebben plaatsgevonden. Voor deze benadering, waarbij niet zozeer de
                        persoon van de klager maar de ter discussie staande gedraging centraal
                        staat, is aangesloten bij het stelsel van de Wet Nationale Ombudsman.</al><al>De bevoegdheid om klachten in te dienen is, bezien vanuit de positie van de
                        klager, echter niet geheel onbeperkt. Blijkens dit artikel en de
                        begripsomschrijving van “gedraging”, zoals genoemd in artikel 38:0:0:1,
                        eerste lid, aanhef onder c, moet deze in ieder geval “een bepaalde
                        aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of rechtspersoon betreffen”.
                        Verder wordt een klacht niet in behandeling genomen, indien niet is voldaan
                        aan het bepaalde in artikel 38:0:0:7, eerste lid, van deze verordening.</al><al>Door dit stelsel zal er enerzijds toch sprake moeten zijn van enig
                        concretiseerbaar belang van de klager, terwijl de klachtbehandelaar
                        anderzijds de vrijheid wordt gelaten een relatie klager-gedraging, die in
                        een concreet geval op zichzelf wellicht niet zo direct is, geen belemmering
                        te laten zijn voor de afhandeling van een klacht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:3 Indiening van een klacht</titel></kop><al>In de praktijk zullen klachten op verschillende manieren en plaatsen worden
                        ingediend bij de gemeente. Ook de adressering zal verschillend zijn. Denk
                        aan een bestuursorgaan, de gemeentesecretaris, een dienst, een directie, een
                        hoofdafdeling of een afdeling. In artikel 38:0:0:3, eerste lid, is daarom
                        bepaald dat een klacht moet worden ingediend bij het college van
                        burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders is de
                        centrale ontvanger van klachten, omdat het college in de regel het voor
                        ambtenaren verantwoordelijke orgaan is en is belast met de voorbereiding en
                        uitvoering van de besluiten van de gemeenteraad. Een klacht moet voldoen aan
                        de in het tweede lid genoemde eisen van duidelijkheid, zoals de personalia
                        van de klager. Bovendien moet de klacht als object hebben een gedraging die
                        jegens de klager heeft plaatsgevonden. De klager dient - voor zover mogelijk
                        - in zijn klaagschrift te vermelden wie de gewraakte gedraging heeft
                        verricht. Voor het bestuursorgaan zelf zal dit veelal gemakkelijker zijn na
                        te gaan dan voor de klager, die veelal onbekend is met de namen van degenen
                        die met hem in contact zijn geweest. De genoemde eisen lijken in hoofdzaak
                        op die welke in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht aan bezwaar-
                        en beroepschriften en in artikel 12, derde lid, van de Wet Nationale
                        Ombudsman aan het bij de Nationale ombudsman in te dienen klaagschrift zijn
                        gesteld. Anoniem ingediende klachten behoeven in beginsel niet in
                        behandeling te worden genomen. Volgens een uitspraak van de Nationale
                        ombudsman lijdt dit beginsel uitzondering, indien de klager zwaarwegende
                        belangen heeft anoniem te blijven en de anonieme klager op een zodanige
                        wijze kenbaar en bereikbaar is, dat zijn klacht naar behoren kan worden
                        onderzocht (Nationale ombudsman, nummer 93/067, AB 1993, nummer. 207).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:4 Registratie van een klacht</titel></kop><al>Het is noodzakelijk dat klachten bij ontvangst als zodanig worden
                        geregistreerd en terecht komen bij de juiste klachtbehandelaar. Een klacht
                        over een gedraging van een ambtenaar wordt geregistreerd op het niveau van
                        zijn of haar directeur en dient te worden voorgelegd aan de op grond van
                        artikel 38:0:0:6 van deze verordening aangewezen klachtbehandelaar. Een
                        directeur is namens het college van burgemeester en wethouders
                        verantwoordelijk voor een goede be- en afhandeling van een klacht
                        overeenkomstig deze verordening. Een klacht over een gedraging van een
                        directeur, de gemeentesecretaris, de voorzitter of een lid van een
                        bestuursorgaan wordt geregistreerd op het niveau van de gemeentesecretaris
                        en dient te worden voorgelegd aan de op grond van artikel 38:0:0:6 van deze
                        verordening aangewezen klachtbehandelaar. De gemeentesecretaris is namens
                        het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor een goede
                        be- en afhandeling van een klacht overeenkomstig deze verordening.
                        Registratie van een klacht geeft ondermeer informatie over de klager, de
                        aard van de klacht, de klachtbehandelaar en de termijn van be- en
                        afhandeling ervan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:5 Ontvangstbevestiging</titel></kop><al>Het is een vereiste van behoorlijke klachtbehandeling dat de
                        klachtbehandelaar namens het college van burgemeester en wethouders
                        schriftelijk de ontvangst van een klacht bevestigd. De rechtszekerheid wordt
                        daarmee gediend, mede omdat het tijdstip van de ontvangst van een klacht van
                        belang is voor de termijn van be- en afhandeling. De verplichting van
                        ontvangstbevestiging vloeit overigens ook voort uit de uitspraken van de
                        Nationale ombudsman, die voor ieder aan het bestuur gericht geschrift een
                        schriftelijke reactie verlangt. In artikel 6:14 van de Algemene wet
                        bestuursrecht is voor de ontvangst van bezwaar- en beroepschriften hetzelfde
                        voorschrift opgenomen. Bij de ontvangstbevestiging wordt tegelijkertijd
                        informatie verstrekt over de verdere gang van zaken tijdens de
                        klachtbehandeling. Voor de behandeling van een klacht, dus voor het
                        onderzoek (waarvan het horen een onderdeel kan uitmaken) en voor het
                        beantwoorden van de vraag welke conclusies daaruit getrokken moeten worden,
                        is bepaald dat daarmee niet belast mag worden degene die betrokken is
                        geweest bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft. Dit is één van
                        de vereisten waaraan volgens de Nationale ombudsman een zorgvuldige
                        klachtbehandeling moet voldoen. Deze bepaling ligt in de lijn van artikel
                        2:4 en 7:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Om te zorgen voor
                        distantie tussen de klachtbehandelaar en het bestuursorgaan en/of degene
                        over wie wordt geklaagd, is in artikel 2.4, tweede lid aangegeven door wie
                        in de gemeentelijke organisatie een klacht moet worden behandeld. In de
                        ambtelijke organisatie treedt een directeur en de gemeentesecretaris op als
                        klachtbehandelaar. Zij zijn namens het college van burgemeester en
                        wethouders verantwoordelijk voor een goede be- en afhandeling van klachten
                        overeenkomstig deze verordening. De bevoegdheid tot het behandelen van
                        klachten is hoog in de ambtelijke organisatie neergelegd, namelijk bij de
                        directeurent. Hiervoor is gekozen, om er voor zorg te dragen dat de
                        klachtbehandeling een overzichtelijke en met waarborgen omgeven procedure
                        blijft voor het betreffende organisatieonderdeel. De directeur van een
                        dienst is echter bevoegd om zijn of haar bevoegdheid onder te mandateren. Op
                        bestuurlijk niveau treedt de (loco-)burgemeester op als klachtbehandelaar.
                        Zij zijn namens het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk
                        voor een goede be- en afhandeling van klachten overeenkomstig deze
                        verordening. Het college van burgemeester en wethouders dient de be- en
                        afhandeling van een klacht aan de hiervoor genoemde personen te mandateren,
                        met uitzondering van de situatie waarbij een klacht betrekking heeft op de
                        klachtbehandelaar zelf.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:7 Niet-ontvankelijkheid van een klacht</titel></kop><al>De indiening van een klacht die voldoet aan de in artikel 38:0:0:3. van deze
                        verordening gestelde eisen, schept voor het bestuursorgaan een verplichting
                        tot het in behandeling nemen (onderzoeken) daarvan, behoudens in de gevallen
                        die in het eerste lid van artikel 38:0:0:7. limitatief zijn opgesomd. Het
                        bestuursorgaan neemt in deze gevallen een klacht niet in behandeling. Een
                        klacht wordt niet in behandeling genomen, indien de aangelegenheid behoort
                        tot het algemeen gemeentebeleid (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder
                        a) of betrekking heeft op algemeen verbindende voorschriften (artikel
                        38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder b). De in het eerste lid onder a en b
                        genoemde - van klachtbehandeling uitgezonderde - aangelegenheden betreffende
                        algemeen gemeentebeleid en algemeen verbindende voorschriften zijn typisch
                        aangelegenheden waaromtrent een politiek/bestuurlijke afweging is gemaakt
                        door de gemeenteraad. Eventuele bezwaren dienen in dat kader aan de orde te
                        komen. De uitzondering betreft echter alleen het beleid en de voorschriften
                        op zichzelf. De uitvoering daarvan kan in beginsel uiteraard wel aanleiding
                        geven tot indiening van een klacht, mits deze niet valt onder een andere
                        uitgezonderde categorie in deze bepaling. Zo zal de uitvoering van beleid en
                        algemeen verbindende voorschriften, in de vorm van een beschikking, veelal
                        onderwerp kunnen zijn van een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke
                        voorziening. Dat kan zowel een bijzondere administratiefrechtelijke
                        rechtsbeschermingmogelijkheid zijn als de algemene aanvullende mogelijkheid
                        ingevolge de Algemene wet bestuursrecht. Klachtenbehandeling is dan niet
                        mogelijk als de administratiefrechtelijke voorziening de gedraging (meestal
                        een besluit) betreft. Het is evenwel denkbaar dat de gewraakte gedraging
                        niet zozeer het in een administratieve procedure aangevallen besluit zelf
                        betreft, maar daar wel mee samenhangt. Een bepaalde proceshouding kan
                        bijvoorbeeld aanleiding zijn tot een wel ontvankelijke klacht. Een klacht
                        wordt niet in behandeling genomen, indien en zolang ten aanzien van de
                        gedraging voor de klager een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke
                        voorziening openstaat of heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft
                        gemaakt (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder c). Het begrip
                        “wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening” kan betrekking
                        hebben op een bijzondere administratiefrechtelijke
                        rechtsbeschermingmogelijkheid als op de algemene aanvullende mogelijkheid
                        ingevolge de Algemene wet bestuursrecht. Behandeling van een klacht is niet
                        mogelijk, indien de administratiefrechtelijke voorziening betrekking heeft
                        op de - in de klacht omschreven - gedraging. De gedraging is dan meestal een
                        besluit. De klacht wordt niet behandeld, in het geval de klager geen gebruik
                        heeft gemaakt van de ten aanzien van de gedraging openstaande
                        administratiefrechtelijke voorziening. Bij de toepassing van sub c zal
                        nauwkeurig de gemaakte gedraging moeten worden getraceerd, teneinde te
                        kunnen bepalen of deze op zichzelf onderwerp kan zijn van een wettelijk
                        geregelde administratiefrechtelijke voorziening. Deze bepaling sluit aan bij
                        artikel 14, aanhef, onder f, van de Wet Nationale Ombudsman. Een klacht
                        wordt niet in behandeling genomen, indien en zolang ten aanzien van de
                        gedraging een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is of
                        beroep openstaat tegen een uitspraak die in die procedure is gedaan dan wel
                        door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan (artikel 38:0:0:7,
                        eerste lid, aanhef onder d). Bij uitzondering sub d gaat het om een bij een
                        rechterlijke instantie aanhangige procedure of de mogelijkheid van beroep
                        tegen de in die procedure gedane rechterlijke uitspraak danwel een
                        rechterlijke uitspraak omtrent de gedraging, anders dan op grond van een
                        wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening. Bijvoorbeeld een
                        vordering wegens onrechtmatige daad ex artikel 162, Boek 6 Burgerlijk
                        Wetboek bij de civiele rechter of een strafproces bij de strafrechter. Een
                        klacht wordt niet in behandeling genomen, indien op het moment van de
                        indiening een jaar is verstreken na de gedraging (artikel 38:0:0:7, eerste
                        lid, aanhef onder e). De reden voor het stellen van deze termijn is onder
                        meer gelegen in het feit dat een onderzoek naar feiten die lange tijd
                        geleden hebben plaatsgevonden, lastiger is uit te voeren dan naar meer
                        recente gebeurtenissen. Van de klager mag daarom ook worden verwacht dat hij
                        niet te lang wacht met het indienen van zijn klacht. Deze bepaling is in
                        lijn met artikel 12 van de Wet Nationale ombudsman. Aan de één jaartermijn
                        houdt de Nationale ombudsman als regel strikt de hand. Als een gedraging pas
                        later merkbaar effect heeft, kan afwijking van de één jaartermijn echter in
                        de rede liggen. Van de burger wordt dan wel zo spoedig mogelijk actie
                        verwacht. Een klacht die niet voldoet aan de in artikel 38:0:0:3 van deze
                        verordening gestelde eisen wordt niet in behandeling genomen, indien de
                        klager niet binnen twee weken nadat hij daarop is gewezen, alsnog de voor
                        behandeling vereiste gegevens heeft verstrekt. De klager wordt eerst in de
                        gelegenheid gesteld eventuele tekortkomingen te herstellen, voordat wordt
                        besloten tot het niet behandelen van de schriftelijke klacht (artikel
                        38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder f). Deze bepaling sluit aan bij artikel
                        14, aanhef, onder a, van de Wet Nationale Ombudsman. Een klacht wordt niet
                        in behandeling genomen, indien de klacht kennelijk ongegrond is (artikel
                        38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder g) of het belang van de klager of het
                        gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is (artikel 38:0:0:7, eerste
                        lid, aanhef onder h). De term ‘kennelijk” in de uitzonderingen duidt er op
                        dat er sprake moet zijn van een evidente situatie. Het moet volstrekt
                        duidelijk zijn dat de klacht of dat het belang van de klager dan wel het
                        gewicht van de gedraging ongegrond respectievelijk onvoldoende is. Deze
                        bepaling sluit aan bij artikel 14, aanhef, onder b, van de Wet Nationale
                        Ombudsman. Een klacht wordt niet in behandeling genomen, indien de klager
                        een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden
                        (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder i). Als uitgangspunt geldt
                        artikel 38:0:0:2 van deze verordening, waarin de kring van
                        klachtgerechtigden ruim is getrokken. Desondanks is een klacht
                        niet-ontvankelijk, indien de klager een ander is dan degene jegens wie de
                        gedraging heeft plaatsgevonden. Een en ander is afhankelijk van de concrete
                        situatie en de mate waarin er - volgens de klachtbehandelaar - sprake is van
                        een enig concretiseerbaar belang van de klager. Het ligt in het algemeen
                        niet in de rede in een geval waarin wordt geklaagd over een gedraging die
                        reeds eerder overeenkomstig deze verordening is onderzocht, nogmaals tot een
                        onderzoek over te gaan. Daarom is bepaald dat in een dergelijk geval
                        behandeling achterwege kan blijven. In deze uitzondering is het ne bis in
                        idem-beginsel vastgelegd (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder
                        j).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:8 Het houden van een hoorzitting</titel></kop><al>Artikel 38:0:0:8 van deze verordening bevat het beginsel van hoor en
                        wederhoor. De hoorplicht vormt een essentieel onderdeel van de
                        klachtprocedure. Het horen is om meerdere redenen van belang. Niet iedereen
                        is even goed in staat zijn gedachten schriftelijk te formuleren. Daarom moet
                        de gelegenheid worden geboden dat de klager zijn mening bij het
                        bestuursorgaan naar voren brengt. Het horen kan er ook toe dienen om nadere
                        informatie ter beschikking te krijgen. Door het horen van beide partijen
                        bestaat de gelegenheid om een oplossing te zoeken voor de problemen die ten
                        grondslag liggen aan de klacht. Een belangrijke doelstelling van de
                        klachtprocedure is het herstel van het geschonden vertrouwen van de klager
                        in het gemeentebestuur. Door uitwisseling van informatie en wederzijdse
                        inzichten kan het vertrouwen van de klager in het gemeentebestuur worden
                        versterkt, ook als hij geen gelijk krijgt. Toepassing van het uitgangspunt
                        van hoor en wederhoor dient voorts de waarheidsvinding. De klager en degene
                        op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, dienen beiden in de
                        gelegenheid te worden gesteld op elkaars standpunten te kunnen reageren. Aan
                        het bestuursorgaan is overgelaten om te beoordelen of het gewenst is de
                        klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, in elkaars
                        aanwezigheid te laten horen. Gelet op het belang van het horen zal slechts
                        van het horen kunnen worden afgezien, indien de klager heeft verklaard geen
                        gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Daarmee wordt
                        aangesloten bij artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet
                        bestuursrecht. De klager kan schriftelijk en/of mondeling, waaronder ook
                        telefonisch wordt verstaan, laten weten, dat hij afziet van zijn recht te
                        worden gehoord. Artikel 38:0:0:8, derde lid van deze verordening is
                        gelijkluidend aan artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Uit een
                        oogpunt van een goede feitelijke weergave van de omstandigheden waaronder de
                        bestreden gedraging heeft plaatsgevonden en ten behoeve van een correcte
                        weergave van hetgeen de klacht precies omvat, is het noodzakelijk dat het
                        verhandelde tijdens het horen schriftelijk wordt vastgelegd. Voorts is
                        schriftelijke vastlegging van belang voor de rapportage over de bevindingen
                        van het bestuursorgaan en ten behoeve van de vorming van het dossier voor
                        een eventuele verdere procedure in een later stadium. Op welke wijze aan de
                        plicht tot verslaglegging vorm wordt gegeven, wordt aan het bestuursorgaan
                        overgelaten. Dat zal met name afhangen van de vraag of tijdens het horen
                        nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen, die nog niet in de
                        schriftelijke stukken aan de orde zijn geweest.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:9 Beslotenheid van een hoorzitting</titel></kop><al>Als uitgangspunt geldt dat het horen in beslotenheid plaats vindt. Hiervoor
                        is gekozen om de privacy van de klager en de persoon op wiens gedraging de
                        klacht betrekking heeft, te beschermen. Bovendien is er op het moment dat
                        artikel 38:0:0:8 van deze verordening door de klachtbehandelaar wordt
                        toegepast, sprake van een lopend onderzoek naar de gedraging van een persoon
                        en heeft de klachtbehandelaar nog geen definitief oordeel gevormd over de
                        (on)behoorlijkheid van de betreffende gedraging. Daarnaast bestaat het
                        gevaar dat horen in het openbaar drempelverhogend werken voor degene die een
                        klacht wil indienen. Van het hiervoor genoemde uitgangspunt kan in vier
                        gevallen worden afgeweken. Op grond van artikel F 15 van het Algemeen
                        Ambtenarenreglement heeft een ambtenaar tegen wie een klacht zich richt het
                        recht zich in het openbaar te verweren tegen uitlatingen in het openbaar
                        gedaan over hem in zijn hoedanigheid van ambtenaar, daaronder begrepen
                        uitlatingen over door hem uitgebrachte adviezen. Dit recht is vastgelegd in
                        artikel 38:0:0:9, sub a van deze verordening. Op grond van artikel 38:0:0:9,
                        sub b en c van deze verordening kunnen de klager en/of zijn gemachtigde en
                        het bestuursorgaan tegen wie de klacht zich richt de klachtbehandelaar
                        verzoeken om in het openbaar te worden gehoord. De klachtbehandelaar dient
                        op zo’n verzoek een beslissing te nemen. In artikel 38:0:0:9, sub d van deze
                        verordening is ten slotte de mogelijkheid voor de klachtbehandelaar
                        neergelegd om in het openbaar te horen, indien er gewichtige redenen
                        aanwezig zijn die zich tegen beslotenheid van de hoorzitting verzetten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:10 Termini van afhandeling van een klacht</titel></kop><al>In artikel 38:0:0:10 wordt geregeld binnen welke termijnen een klacht moet
                        worden afgehandeld. Klagers moeten immers de zekerheid hebben dat hun klacht
                        vlot wordt afgehandeld. Het registreren en bevestigen van een klacht, het
                        houden van een hoorzitting, het onderzoeken van en het beslissen op de
                        klacht dient binnen een termijn van zes weken plaats te vinden, behoudens
                        verdaging voor ten hoogste vier weken. Het bestuursorgaan blijft, wanneer
                        het de termijn voor afhandeling heeft overschreden, verplicht de klacht
                        verder te behandelen. Voor bijzondere gevallen, bijvoorbeeld in
                        gecompliceerde zaken, is voorzien in een verdaging van ten hoogste vier
                        weken onder de verplichting daarvan schriftelijk mededeling te doen. Het
                        tijdstip van ontvangst van een klacht is voor de termijn bepalend, ook al
                        zou de klacht nog enige tijd bij het bestuursorgaan zijn blijven
                        liggen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:11 In kennisstelling van onderzoek naar, beslissing op
                            en conclusie(s) naar aanleiding van een klacht</titel></kop><al>De klachtbehandelaar stelt de klager, het bestuursorgaan en/of degene op
                        wiens gedraging de klacht betrekking heeft en het college van burgemeester
                        en wethouders schriftelijk op de hoogte van de bevindingen van zijn
                        onderzoek, de beslissing op de klacht en de conclusies die daar mogelijk aan
                        verbonden zijn. Indien een klager niet tevreden is over de be- en
                        afhandeling van de klacht, kan hij zijn klacht voorleggen aan de
                        Ombudscommissie van de gemeente Amstelveen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:12 Jaarverslag</titel></kop><al>In het kader van het streven naar verbetering van de kwaliteit van de
                        dienstverlening van de overheid naar de burgers leveren klachten van burgers
                        een schat aan concrete en bruikbare informatie op. Het college van
                        burgemeester en wethouders kan op basis daarvan aanleiding zien fouten te
                        herstellen en misstanden binnen de gemeentelijke organisatie weg te nemen.
                        Wanneer regelmatig op een bepaald punt kritiek wordt uitgeoefend, behoort
                        dit voor het college aanleiding te zijn zich daarop nader te bezinnen. Het
                        jaarverslag bevat relevante informatie over de be- en afhandeling van
                        klachten. Zo nodig voorzien van beleidsmatige aanbevelingen, wordt het
                        jaarverslag ter advisering voorgelegd aan de commissie van advies voor
                        bestuurlijke aangelegenheden en de Ombudscommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:13 Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders beslist in de gevallen waarover
                        in deze verordening niets is geregeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38:0:0:14 Inwerkingtreding</titel></kop><al>De inwerkingtreding van deze verordening vindt plaats op een door het
                        college van burgemeester en wethouders bepaalde datum.</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>