<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86582_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Deelsubsidieverordening peuterspeelzalen 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2004, 52</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Deelsubsidieverordening peuterspeelzalen 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>152/OWS (2004)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>In afwijking van de inwerkingtreding van de regeling op 1 januari 2005, treedt artikel 12 op 1 januari 2006 in werking.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Deelsubsidieverordening peuterspeelzalen 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Reikwijdte en begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Deze verordening heeft betrekking op de peuterspeelzalen in Den Helder
                            die worden geëxploiteerd bij en krachtens het bepaalde in de Verordening
                            kwaliteit peuterspeelzalen 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Een peuterspeelzaal is een accommodatie met een programma-aanbod voor
                            kinderen vanaf de leeftijd van 2 jaar tot het moment waarop zij naar de
                            basisschool gaan. Het programma is gericht op het creëren van
                            ontmoetings-, speel- en ontwikkelingsmogelijkheden. De accommodatie en
                            het aangeboden programma voldoen aan de algemeen aanvaarde normen van
                            pedagogische kwaliteit, veiligheid en hygiëne, zoals die onder meer zijn
                            neergelegd in de Wet kinderopvang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Rechtspersonen die een of meer peuterspeelzalen exploiteren of gaan
                            exploiteren en aan wie daarvoor krachtens de Verordening kwaliteit
                            peuterspeelzalen 2005 vergunning is verleend, hierna te noemen: de
                            exploitant, kunnen bij het college een aanvraag indienen om in
                            aanmerking te komen voor een subsidie in de exploitatiekosten -
                            exploitatiesubsidie – van hun peuterspeelza(a)l(en). De
                            subsidieverlening geschiedt in overeenstemming met de bij en krachtens
                            deze verordening geldende bepalingen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Juridisch en procedureel kader</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Op het aanvragen, het verlenen, het vaststellen en het betalen van de
                            krachtens deze verordening te verlenen subsidies zijn de bepalingen van
                            de Algemene Subsidieverordening Den Helder 2003 van overeenkomstige
                            toepassing, tenzij anders is bepaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Subsidieverlening, voorwaarden en toetsingscriteria</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Het door de gemeenteraad bij de vaststelling van de gemeentebegroting
                            voor enig kalenderjaar voor de uitvoering van deze verordening
                            gevoteerde bedrag geldt als subsidieplafond. </al><al>Indien het gevoteerde bedrag niet toereikend is, dan kan het college
                            alle te verlenen subsidies zoveel evenredig verminderen als nodig is om
                            het na de vermindering nodige bedrag toereikend te doen zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Een aanvraag van subsidieverlening in de kosten van de exploitatie van
                            een peuterspeelzaal wordt alleen gehonoreerd indien aannemelijk is dat
                            door de honorering van het verzoek een bijdrage wordt geleverd aan het
                            waarborgen van de beschikbaarheid, de bereikbaarheid en de
                            betaalbaarheid van het peuterspeelzaalwerk<vet>, </vet>zoals het
                            bepaalde in de artikelen 7 en 8 daaraan invulling geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt de wijkindeling van de
                            gemeente Den Helder zoals is geregeld in de Verordening tot verdeling
                            van de gemeente Den Helder in wijken, met dien verstande dat Wijk 8
                            Julianadorp nog wordt verdeeld in “Julianadorp-Noord” en
                            “Julianadorp-Zuid” zoals is aangegeven op de bij deze verordening
                            behorende tekening (bijlage 1).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Per wijk worden niet meer dan de volgende aantallen peuterspeelzalen
                            gesubsidieerd:</al><al>Wijk 1 Centrum Oost 2</al><al>Wijk 2 Centrum West 2</al><al>Wijk 3 Nieuw Den Helder Oost 3</al><al>Wijk 4 Nieuw Den Helder West 1</al><al>Wijk 5 De Schooten 2</al><al>Wijk 6 Het Koegras -</al><al>Wijk 7 Duinzoom -</al><al>Wijk 8a Julianadorp Noord 3</al><al>Wijk 8b Julianadorp Zuid 1</al><al>Het maximum aantal per wijk te subsidiëren peuterspeelzalen wordt
                            eenmaal per 4 jaar op basis van de demografische gegevens over 0 -
                            4-jarigen opnieuw vastgesteld, voor het eerst per 1 januari 2009. Als
                            peildatum gelden de gegevens van 1 januari van het voorafgaande jaar,
                            voor het eerst die golden op 1 januari 2008.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Subsidie in de exploitatiekosten wordt alleen verleend indien:</al><lijst><li nr="1.a.1"><al> de peuterspeelzaal 6 of meer dagdelen per week geopend is voor ten
                            minste 3 groepen, bestaande uit ten minste 10 plaatsen per groep, dan
                            wel</al></li><li nr="1.a.2"><al> het gemiddelde aantal geplaatste kinderen in het kalenderjaar dat
                            voorafgaat aan het subsidiejaar minimaal 30 is geweest, en</al></li><li nr="1.b."><al> elk van de geplaatste kinderen twee of meer dagdelen per week het
                            speelzaalprogramma volgt, en </al></li><li nr="1.c."><al> het maximum aantal per wijk te subsidiëren peuterspeelzalen niet
                            wordt overschreden en</al></li><li nr="1.d"><al> het te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan 50 % van de
                            exploitatiebegroting van de exploitant.</al></li><li nr="2"><al> Kinderen die tot de doelgroep behoren zoals wordt bedoeld in artikel
                            10 en die gedurende 3 of meer dagdelen per week een programma van voor-
                            en vroegschoolse educatie volgen en kinderen die op advies en aanwijzing
                            van de in Den Helder opererende instelling voor jeugdgezondheidszorg 3
                            of meer dagdelen per week het speelzaalprogramma volgen, tellen dubbel
                            bij de berekening zoals wordt bedoeld in lid 1.a.2. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Grondslagen voor de subsidieberekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het subsidiebedrag dat per kalenderjaar en per peuterspeelzaal kan
                                worden toegekend is opgebouwd uit de volgende componenten:</al><lijst><li nr="a."><al>€ X per m² netto binnenruimte met een maximum van 48
                                        m²;</al></li><li nr="b."><al>€ Y per m² netto buitenruimte met een maximum van 64
                                        m²;</al></li><li nr="c."><al>€ Z per formatieplaats mits de functionaris(sen) aan de te
                                        stellen functie- en vakbekwaamheidseisen voldoet en conform
                                        de geldende CAO wordt gehonoreerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 april de in lid 1 bedoelde
                                bedragen X, Y en Z vast, zoals die in het daarop volgend jaar zullen
                                gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van artikel 9 berekende subsidie wordt verhoogd met een
                                waarderingssubsidie van € A indien de subsidieverlening betrekking
                                heeft op een peuterspeelzaal waarin de exploitant een programma van
                                voor- en vroegschoolse educatie aanbiedt dat is gericht op de
                                doelgroepkinderen zoals die benoemd zijn of benoemd zullen worden in
                                het kader van het door de gemeenteraad krachtens de Wet op de
                                gemeentelijke onderwijsachterstanden vastgestelde of vast te stellen
                                beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 april het in lid 1 bedoeld bedrag
                                A vast, zoals dat in het daarop volgende jaar zal gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De op grond van artikel 9 berekende subsidie wordt verhoogd met een
                            waarderingssubsidie van € B indien de subsidieverlening betrekking heeft
                            op een peuterspeelzaal in een wijk waar het aantal structureel te
                            subsidiëren peuterspeelzalen zoals genoemd in artikel 7, lid 2, nog niet
                            is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college stelt jaarlijks voor 1 april het in lid 1 bedoeld bedrag
                            B vast, zoals dat in het daarop volgende jaar zal gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ouder(s) of verzorger(s) van kinderen die geplaatst zijn in een
                                krachtens deze verordening gesubsidieerde peuterspeelzaal komen in
                                aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten die de exploitant
                                van de peuterspeelzaal in rekening brengt voor 2 dagdelen per week.
                                Een verzoek tot verlening van de tegemoetkoming wordt geacht te zijn
                                ingediend bij de aanmelding en plaatsing van het kind.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks vóór 1 december de tabel vast volgens
                                welke de hoogte van de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming
                                wordt bepaald en zoals die in het daarop volgende jaar zal gelden.
                                De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van het belastbaar
                                (gezins)inkomen. Het college kan de respectieve tegemoetkomingen
                                binden aan een maximum bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Namens het college stelt de exploitant op basis van de door het
                                college krachtens het vorige lid vastgestelde tabel de hoogte van de
                                tegemoetkoming vast. Wanneer de gegevens over het (gezins)inkomen
                                niet worden verstrekt, dan wordt de tegemoetkoming toegekend die
                                hoort bij de hoogste inkomenscategorie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De krachtens het derde lid vastgestelde tegemoetkoming geldt voor de
                                duur van de plaatsing van het kind, behoudens tussentijdse wijziging
                                naar aanleiding van door de ouder(s) of verzorger(s) bij de
                                exploitant kenbare gemaakte wijziging van het belastbare
                                (gezins)inkomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ouder(s) of verzorger(s) van een kind dat in een krachtens deze
                                verordening gesubsidieerde peuterspeelzaal is geplaatst en die het
                                niet met de op gronden van de leden 3 en 4 vastgestelde
                                tegemoetkoming eens zijn, kunnen tegen die vaststelling krachtens de
                                Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift bij het college
                                indienen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt door de exploitant vermeld op de periodiek
                                aan de ouder(s) of verzorger(s) te verzenden factuur onder de noemer
                                “bijdrage gemeente Den Helder: € . .,-“.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De door de exploitant krachtens lid zes op het door de ouder(s) of
                                verzorger(s) voor hun geplaatste kind te betalen tarief in mindering
                                gebrachte tegemoetkoming wordt door het college vergoed op basis van
                                door de exploitant per kwartaal in te dienen declaraties. Het
                                college kan besluiten op deze vergoedingen een voorschot aan de
                                exploitant te verstrekken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.2 en 4.3 van de Algemene
                            Subsidieverordening Den Helder 2003 overlegt de exploitant jaarlijks bij
                            zijn aanvraag van de beschikking tot subsidievaststelling de gegevens
                            die nodig zijn voor de vaststelling van de in artikelen 9 en 12 genoemde
                            subsidiecomponenten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overgangsrecht: subsidieverlening in 2005 en 2006</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor 2005 wordt op de voet van deze verordening geen subsidie
                                verstrekt, tenzij aan de exploitant over 2004 door de gemeente een
                                subsidie in de exploitatiekosten van zijn peuterspeelzaal is
                                verleend. Het voor 2005 te verstrekken subsidie is in dat geval niet
                                hoger dan het over 2004 vastgestelde subsidiebedrag, waarbij dat
                                bedrag niet eerder in de vergelijking wordt betrokken dan nadat dit
                                trendmatig is aangepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor 2006 wordt het op de voet van artikel 9 van deze verordening
                                berekende subsidiebedrag voor de helft verleend, tenzij aan de
                                exploitant ook over 2005 subsidie op de voet van deze verordening is
                                verleend. Het aan hem te verlenen subsidie over 2006 is in dat geval
                                gelijk aan het hoogste bedrag van:</al><lijst><li nr="a."><al>het op de voet van artikel 9 voor 2006 berekende subsidie,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>de over 2005 vastgestelde subsidie, waarbij dat bedrag niet
                                        eerder in de vergelijking wordt betrokken dan nadat dit
                                        trendmatig is aangepast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieverlening als gevolg van het tweede lid, gekoppeld aan de
                                inwerkingtreding van artikel 12, geschiedt in voorkomend geval onder
                                de toepassing van het bepaalde in artikel 5.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college publiceert eenmaal per vier jaar een verslag over de
                                doeltreffendheid en de praktische effecten van de op de voet van
                                deze verordening verleende subsidies. Het eerste verslag verschijnt
                                uiterlijk in het jaar 2008.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een samenvatting van het verslag wordt gepubliceerd in een of meer
                                in Den Helder verschijnende dag- of weekbladen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt
                            deze verordening in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van
                            artikel 12. Dit artikel treedt in werking op 1 januari 2006.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Deelsubsidieverordening
                            peuterspeelzalen 2005”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 december 2004</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Drs. J.M. Staatsen, voorzitter</ondertekening><ondertekening>W.F.H. van der Paard, griffier</ondertekening><ondertekening>Afgekondigd op 23 december 2004</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de Deelsubsidieverordening peuterspeelzalen
                    2005.</tussenkop><tussenkop>Inleiding.</tussenkop><al>De gemeenteraad stelde in zijn vergadering van 8 oktober 2003 de beleidsnotitie
                    “Peuter- en kinderopvang 2003” vast. Een onderdeel van deze beleidsnotitie
                    betreft het beleidsvoorstel om voor de subsidiering van de peuterspeelzalen een
                    toetsingskader te ontwikkelen. Dit werd nodig gevonden omdat de toekenning van
                    middelen voor peuterspeelzalen tot dan toe niet was terug te voeren op specifiek
                    geformuleerd beleid. Het toetsingskader is inmiddels ontwikkeld en is uitgewerkt
                    in de voorliggende Deelsubsidieverordening peuterspeelzalen 2005.</al><al>Bij de opstelling van de verordening is aansluiting gezocht bij de al bestaande
                    deelsubsidieverordeningen.</al><al>Er is naar gestreefd om de uitvoering van de verordening voor zowel de kring van
                    gerechtigden als voor de gemeente zo eenvoudig mogelijk te houden. In de
                    praktijk zal moeten blijken of dit gelukt is. De bepalingen zijn alle dienstig
                    aan het bereiken van de gemeentelijke doelen. Deze doelen zijn opgenomen in
                    artikel 6.</al><al/><tussenkop>Toelichting per hoofdstuk.</tussenkop><al>In <cursief>hoofdstuk 1</cursief> wordt vastgelegd waar de verordening
                    betrekking op heeft, wat onder peuterspeelzalen wordt verstaan en wie recht
                    kunnen hebben op een subsidie.</al><al><cursief>Hoofdstuk 2</cursief> legt een koppeling met de Algemene
                    Subsidieverordening Den Helder 2003.</al><al><cursief>Hoofdstuk 3</cursief> bevat inhoudelijk de belangrijkste bepalingen.
                    Hier staan de voorwaarden geformuleerd waaraan moet worden voldaan om subsidie
                    te kunnen krijgen. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan dan gaat de
                    slagboom open om toegang te geven tot <cursief>hoofdstuk 4</cursief>. Hierin
                    staan de componenten op basis waarvan de hoogte van de subsidie wordt bepaald.
                    Deze componenten vormen een stelsel van aanbodfinanciering. Steeds vaker stapt
                    de overheid echter over naar een stelsel van vraagfinanciering (de Wet
                    kinderopvang is daarvan een voorbeeld). Dit houdt in dat de ouder/verzorger
                    rechtstreeks een bijdrage ontvangt in de kosten die de aanbieder in rekening
                    brengt. Het nadeel van volledige vraagfinanciering is de volledige
                    afhankelijkheid van de exploitant van de ouders/verzorgers. De exploitatie van
                    peuterspeelzalen is te kwetsbaar om die geheel bloot te stellen aan
                    marktwerking. Daarom is in <cursief>hoofdstuk 4</cursief> een combinatie
                    gemaakt. Dit maakt de subsidieregeling robuuster en de uitkomst van de
                    subsidieberekening evenwichtiger. <cursief>Hoofdstuk 4</cursief> bevat ten
                    slotte twee bonusregelingen waarmee gewenste ontwikkelingen kunnen worden
                    gestimuleerd.</al><al>De inhoud van de overige hoofdstukken komt voor zover nodig bij de
                    artikelsgewijze toelichting ter sprake.</al><al/><tussenkop>Toelichting per artikel.</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.</tussenkop><al>Subsidie is alleen beschikbaar voorzover het de kosten betreft van in
                    exploitatie zijnde peuterspeelzalen die voldoen aan de Verordening kwaliteit
                    peuterspeelzalen 2005 en waarvoor een vergunning is verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 2.</tussenkop><al>Hierin wordt de peuterspeelzaal omschreven: een accommodatie waarin een op
                    ontmoeting, spel en ontwikkeling gericht programma wordt aangeboden aan kinderen
                    van 2 tot 4 jaar. De ‘algemeen aanvaarde normen’ verwijzen naar de Verordening
                    kwaliteit peuterspeelzalen 2005 waarin de vergunningvoorwaarden worden genoemd.
                    Ook de in de Wet kinderopvang neergelegde kwaliteitsnormen zijn hier
                    kaderstellend.</al><tussenkop>Artikel 3.</tussenkop><al>De kring van subsidiegerechtigden is beperkt. Op dit moment (2004) zijn er vijf
                    exploitanten van tien vergunninghoudende peuterspeelzalen. Er zijn daarnaast nog
                    vier exploitanten van evenveel niet-vergunninghoudende crèches. Deze vier kunnen
                    worden beschouwd als potentieel subsidiegerechtigd. Ook is de verwachting
                    gerechtvaardigd dat in de (nabije) toekomst de organisaties/besturen van het
                    basisonderwijs als exploitant van peuterspeelzalen zullen willen optreden.</al><tussenkop>Artikel 5.</tussenkop><al>De subsidieverordening heeft geen “open einde”-karakter. Toch wordt via dit
                    artikel een subsidieplafond aangebracht omdat voorzienbaar is dat het
                    beschikbare budget in enig jaar ontoereikend zal kunnen zijn. Ook wordt vermeld
                    hoe het college zal handelen indien het plafond wordt bereikt (evenredige
                    vermindering).</al><tussenkop>Artikel 6.</tussenkop><al>Dit is inhoudelijk het belangrijkste artikel uit de verordening. In dit artikel
                    worden de (maatschappelijke) doelen genoemd waaraan de subsidievragende
                    exploitant een bijdrage moet leveren om voor subsidieverlening in aanmerking te
                    kunnen komen. De exploitant maakt aannemelijk dat hij aan de doelen een bijdrage
                    levert door te voldoen aan de kwantitatieve normen die zijn neergelegd in
                    artikel 8 en door uitvoering te geven aan artikel 12.</al><tussenkop>Artikel 7.</tussenkop><al>Het nut van subsidiering van nieuwe peuterspeelzalen eindigt op het moment dat
                    de gemeente een dekkend aanbod van peuterspeelzaalvoorzieningen heeft. De
                    beschikbaarheid en de bereikbaarheid (wijkvoorziening) moeten voldoende zijn
                    maar meer dan voldoende is niet nodig. Om die reden is in dit artikel het
                    maximum aantal per wijk te subsidiëren zalen genoemd. De aantallen zijn afgeleid
                    van de aantallen kinderen in de leeftijd van 2 – 4 jaar. Wijzigingen in die
                    aantallen voltrekken zich langzaam. Een herijking per vier jaar is voldoende om
                    significante demografische ontwikkelingen tijdig te volgen. </al><tussenkop>Artikel 8.</tussenkop><al>Onder letter a wordt een minimum omvang van de voorziening verlangd. Elke groep
                    komt normaliter 2 dagdelen naar de peuterspeelzaal, vandaar 3 groepen op 6
                    dagdelen. Er is tevens voorwaardelijk een ondergrens gesteld aan het aantal
                    peuters per groep en aan het gemiddelde aantal ingeschreven peuters.</al><al>In letter b is vastgelegd dat elke peuter ten minste twee keer per week het
                    programma volgt.</al><al>Letter c verwijst naar artikel 7 lid 2.</al><al>Letter d geeft een grens aan het te verlenen subsidie, namelijk 50 % van de
                    exploitatiebegroting. Anders geschreven: maximaal de helft van de
                    exploitatie-uitgaven kan worden gedekt uit subsidie zoals die wordt vastgesteld
                    op grond van de artikelen 9 en 12. </al><al>In lid 2 wordt voorzien in de toekenning van een wegingsfactor 2 aan kinderen
                    die als risicokind gedurende 3 dagdelen of meer meedoen aan een programma voor-
                    en vroegschoolse educatie of kinderen die op advies van het consultatiebureau 3
                    dagdelen of meer naar de peuterspeelzaal gaan. Een speelzaal met twee groepen en
                    met daarin een aantal van deze kinderen zou in de situatie kunnen komen dat de
                    ondergrens van 30 kinderen niet gehaald kan worden. Vandaar het dubbel
                    tellen.</al><tussenkop>Artikel 9.</tussenkop><al>Als aan de voorwaarden uit de vorige artikelen is voldaan, dan is de weg vrij
                    voor de berekening van het te verlenen subsidie. Er is gekozen voor een mix van
                    componenten waardoor er een evenwichtige subsidiering van de exploitatielasten
                    ontstaat.</al><al>Indien de exploitant ook het Plusprogramma aanbiedt, dan is het verlies aan
                    inkomsten uit ouderbijdragen te beschouwen als meerkosten die voor rekening
                    komen van het budget uit het Meerkansenbeleid 2003 – 2006 en opvolgende
                    beleidsplannen.</al><al>Het college stelt jaarlijks de bedragen X, Y en Z vast.</al><tussenkop>Artikelen 10 en 11.</tussenkop><al>Er is een bonus beschikbaar voor de exploitant die besluit om een of meer
                    groepen een VvE-programma aan te bieden. De structurele meerkosten van dit
                    VvE-programma worden betaald uit het budget dat beschikbaar is voor het
                    Meerkansenbeleid 2003 – 2006 en opvolgende beleidsplannen. De bonus is bedoeld
                    als extra stimulans.</al><al>Hetzelfde geldt voor de exploitant die een peuterspeelzaal start in een wijk
                    waarin nog onvoldoende peuterspeelzalen gevestigd zijn. Hij ontvangt een bonus
                    waarmee de waardering voor het initiatief wordt uitgedrukt.</al><al>Beide bonussen zijn gerangschikt onder de formele aanduiding
                    ‘waarderingssubsidie’ uit de Algemene Subsidieverordening Den Helder 2003. Dit
                    betekent dat ze eenmalig zijn en dat ze geen invloed hebben op het
                    exploitatietekort van de exploitant.</al><al>Het college stelt de hoogte van de bonussen jaarlijks vast. Bij de
                    inwerkingtreding van deze verordening zijn deze bedragen € 5.000,-.</al><tussenkop>Artikel 12.</tussenkop><al>De vorige artikelen bevatten componenten die tot het stelsel van
                    aanbodfinanciering behoren. In dit artikel wordt inhoud gegeven aan de
                    vraagfinanciering. De ouders of verzorgers komen in aanmerking voor een
                    tegemoetkoming in de kosten van de peuterspeelzaal. De tegemoetkoming wordt
                    verstrekt in de vorm van een korting op het factuurbedrag. </al><al>Via een inkomenstabel stelt de exploitant vast welk percentage van de kostprijs
                    de ouders als tegemoetkoming kunnen ontvangen. De exploitant ontvangt de
                    verleende kortingen in de vorm van subsidie van de gemeente terug.</al><al>Ondanks de eenduidigheid van de regeling kan het voorkomen dat de
                    ouder/verzorger het niet eens is met de door de exploitant op de factuur
                    vermelde tegemoetkoming. In die gevallen moet er een mogelijkheid zijn bezwaar
                    (bij de gemeente) in te dienen.</al><al>De tabel gaat uit van het belastbare gezinsinkomen en is gematigd progressief.
                    Bij de inwerkingtreding van deze verordening is de tabel als volgt:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="31*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Belastbaar gezinsinkomen per maand in €</al></entry><entry colname="col2"><al>Tegemoetkoming 1<sup>e</sup> kind per maand in % van de
                                        prijs</al></entry><entry colname="col3"><al>Tegemoetkoming 2<sup>e</sup> en volgende kind per maand in %
                                        van de prijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tot 1.669</al></entry><entry colname="col2"><al>70</al></entry><entry colname="col3"><al>80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.670 – 2.361</al></entry><entry colname="col2"><al>55</al></entry><entry colname="col3"><al>70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.362 – 2.936</al></entry><entry colname="col2"><al>40</al></entry><entry colname="col3"><al>60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.937 – 3.605</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry><entry colname="col3"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.606 – 4.358</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.359 en hoger</al></entry><entry colname="col2"><al>00</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikel 13.</tussenkop><al>De subsidievaststelling is geregeld in de Algemene Subsidieverordening Den
                    Helder 2003. In dit artikel is vastgelegd dat de subsidieontvanger extra
                    gegevens levert op grond waarvan de in artikel 9 en 12 onderscheiden
                    subsidiecomponenten kunnen worden vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 14.</tussenkop><al>Deze verordening maakt een einde aan de situatie dat slechts enkele
                    vergunninghoudende exploitanten een subsidie vragen en ontvangen en anderen
                    niet. Het is verwachtbaar dat onder de werking van deze verordening ook anderen
                    een beroep op subsidieverlening zullen doen. Het beschikbare budget voor deze
                    taak wordt echter op voorhand niet groter. Dit betekent dat er pondspondsgewijze
                    verdeeld zal moeten worden.</al><al>Via dit artikel 14 wordt de positie van de exploitanten die op historische
                    gronden subsidie ontvangen gerespecteerd en beschermd gedurende het eerste
                    kalenderjaar dat de verordening geldig is. Een volledig kalenderjaar komt
                    overeen met de “redelijke” termijn, zoals wordt bedoeld in artikel 4:51 van de
                    Algemene wet bestuursrecht.</al><al> Artikel 4:51</al><lijst><li nr="1."><al>Indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende
                            jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde
                            voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering
                            van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat
                            veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen
                            voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten,
                            slechts met inachtneming van een redelijke termijn.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend
                            sinds de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop
                            aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de
                            subsidie</al><al> voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in
                            afwijking van artikel 4:25, tweede lid.)</al></li></lijst><al>De nieuwkomers ontvangen in het eerste jaar geen subsidie. Pondspondsgewijze
                    verdeling is niet aan de orde.</al><al>In het tweede jaar ontvangen de nieuwkomers 50 % van het te verlenen subsidie.
                    Ook in dit tweede jaar wordt de positie van de ‘oude’ exploitanten gerespecteerd
                    en beschermd. Echter, omdat ook de eventuele nieuwkomers een subsidie ontvangen
                    zal er, indien het beschikbare budget niet toeneemt, met toepassing van artikel
                    5 over alle te verlenen subsidies een evenredige vermindering moeten
                    plaatsvinden.</al><al>In het derde jaar bestaat er geen onderscheid meer tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’
                    vergunninghoudende exploitanten.</al><tussenkop>Artikel 15.</tussenkop><al>In de Algemene wet bestuursrecht is vastgelegd dat wettelijke voorschriften over
                    subsidieverlening, zoals deze verordening, een evaluatieplicht moeten opnemen.
                    De gekozen frequentie (eens per 4 jaar) en de wijze van bekendmaking zijn
                    gebruikelijk.</al><tussenkop>Artikel 16.</tussenkop><al>De beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2005 is haalbaar mits gebruik wordt
                    gemaakt van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet. Hierdoor is de termijn
                    van zes weken tussen het raadsbesluit en de datum van inwerkingtreding niet van
                    toepassing.</al><al>Artikel 12 kan, vanwege het in artikel 14 vastgelegde overgangsrecht jegens
                    bestaande subsidierelaties, niet eerder dan in 2006 van kracht worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>