<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86569_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang gemeente Roerdalen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter week 50 - 2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang gemeente Roerdalen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet kinderopvang</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang gemeente Roerdalen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>VERORDENING WET KINDEROPVANG</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:1. het college: het college van
                            burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen;2. de wet: de Wet
                            kinderopvang; </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN SOCIAAL-MEDISCHE
                            INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23
                                van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit
                                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van
                                        de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                    geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of</al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en burger-servicenummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en burger-servicenummer van de
                                        partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van
                                        de ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en burgerservice-nummer van het kind of
                                        de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college, bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet, de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het over-zicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                                een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn part-ner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: “Verordening Wet kinderopvang
                            gemeente Roerdalen 2009”.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr></kop><al><vet>Algemene toelichting</vet><vet>INLEIDING </vet>De Wet kinderopvang beoogt
                    het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Niet
                    alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang. Een aantal in de
                    wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente voor het betalen van
                    een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De vergoeding door de
                    gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de
                    term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)’. Artikel 25
                    Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de
                    verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. Deze
                    verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht.De tegemoetkoming is
                    een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
                    te weten: een aanspraak op financiële middelen door een bestuursorgaan
                    verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de aanvrager. Titel 4.2 van
                    de Awb die regels stelt over subsidies is van toepassing op de tegemoetkomingen.
                    Dit betekent dat op de verstrekking van tegemoetkomingen in de kosten van
                    kinderopvang door gemeenten drie regelingen van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al>Op deze verordening is de algemene subsidieverordening van de gemeente niet van
                    toepassing voor wat betreft de verstrekking van tegemoetkomingen, conform het
                    principe dat de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de algemene
                        regeling.<vet>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE
                        TEGEMOETKOMINGEN</vet>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het
                    proces van verstrekking van de financiële tegemoetkomingen door de gemeente
                    vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt
                    is dat de uitvoeringslasten voor zowel de gemeente als de aanvragers van de
                    tegemoetkoming zo beperkt mogelijk zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de
                    gemeentelijke verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar
                    zijn.Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                    bevorderenDe gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een
                    zogeheten ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op
                    grond van de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een
                    tegemoetkoming van de gemeente. Om de kosten beheersbaar te houden, zijn in de
                    verordening de volgende bepalingen opgenomen: - De omvang van de aanspraak op
                    een tegemoetkoming van ouders die geen eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang hoeven te betalen, wordt aan beperkingen gebonden. In de
                    verordening is bepaald dat bij deze groep ouders de tegemoetkoming wordt
                    verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat naar het oordeel van
                    het college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van
                    arbeid en zorg mogelijk te maken.- Er worden geen tegemoetkomingen met
                    terugwerkende kracht verstrekt. Een tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang
                    van het tijdstip waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                    ontvangst is genomen. - De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er
                    daadwerkelijk kinderopvang plaatsvindt. - De tegemoetkoming wordt uitbetaald in
                    maandelijkse voorschotten. Hierdoor blijft de omvang van eventuele
                    onverschuldigde betalingen die de gemeente van de ouders moet terugvorderen,
                    beperkt.Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaarEen tegemoetkoming
                    wordt in principe verstrekt voor de duur één kalenderjaar. Daarmee
                    wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door de Belastingsdienst worden
                    verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk jaar opnieuw moet worden
                    aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin bij de aanvraag
                    reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is tot een
                    bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een reïntegratietraject die in
                    het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het kind naar de basisschool
                    gaat of de basisschool verlaat).Verstrekking van de tegemoetkoming in twee
                    stappenDe verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen.
                    Hiermee wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het
                    verlenen van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de
                    tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een
                    bepaald bedrag. De aanspraak is voorwaar-delijk omdat op het moment dat de
                    beschikking wordt gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk
                    gebruik zal maken van kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen
                    houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een
                    rechtens afdwingbare aanspraak.De tweede stap is de beschikking tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming. In deze beschikking wordt vastgesteld in
                    hoeverre de ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het
                    uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de
                    tegemoetkoming wordt de tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming
                    wordt vastgesteld kan de gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de
                    tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren en eventueel
                    inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te
                    vragen.AANWIJZEN VAN EIGEN DOELGROEPENDe verordening bevat geen inhoudelijke
                    criteria over de definities van gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de
                    tegemoetkomingen. Deze criteria zijn allemaal rechtstreeks in de Wet
                    kinderopvang opgenomen. Gemeenten hebben bij de bepaling van deze doelgroepen en
                    de hoogte van de tegemoetkoming geen beleidsvrijheid. Over de wijze waarop de
                    aanspraak op- en de hoogte van de tegemoetkoming moet worden vastgesteld worden
                    gemeenten in een later stadium apart geïnformeerd zodra alle relevante
                    uitvoeringsregelingen bekend zijn.De gemeente kan er voor kiezen om naast de
                    doelgroepen die in de wet zijn benoemd aanvullend eigen doelgroepen aan te
                    wijzen die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang. Er is echter voor gekozen om géén aparte doelgroepen toe
                    te voegen.Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1 BegripsbepalingenDe
                    begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                    toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde
                    begrippen zijn aange-vuld.Artikel 2 Te verstrekken gegevens Een aanvraag voor de
                    toekenning van een sociaal-medische indicatie moet worden ingediend bij het
                    college. In de procedure gaat de aanvraag voor de toekenning van een
                    sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor een tegemoetkoming, maar
                    in de praktijk zullen de aanvragen vaak gelijktijdig worden ingediend. Ook de
                    besluiten over de toekenning van een sociaal-medische indicatie en de verlening
                    van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang kunnen in één
                    beschikking worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht worden
                    genomen: eerst het besluit over de aanwezigheid van een sociaal-medische
                    indicatie en vervolgens het besluit over de verstrekking van een
                    tegemoetkoming.Artikel 3 BeslistermijnBij het bepalen van de beslistermijn dient
                    rekening te worden gehouden met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van
                    advies door een ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate
                    deskundigheid’ (artikel 23, derde lid, Wet kinderopvang). Om de
                    doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, verdient het aanbeveling dat
                    de gemeente ‘harde’ afspraken maakt de adviserende organisaties
                    over de termijn waarbinnen adviezen worden uitgebracht.Artikel 4 Inhoud van de
                    beschikkingHet besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb.
                    Dit betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan
                    worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                    sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven
                    hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over de
                    noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de aanvraag
                    voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het besluit de
                    geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze verplichting staat in het
                    vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. Het kan gaan om een geldigheidsduur
                    voor een beperkte termijn, maar ook om een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd.
                    In het indicatieadvies zal hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan. Het
                    college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit
                    advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan
                    afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte
                    advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de beschikking moeten
                    motiveren (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting geldt vooral voor het
                    geval waarin een positief advies wordt gegeven en het college een afwijzend
                    besluit neemt.Artikel 5 WeigeringsgrondenDit artikel bevat twee
                    weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft aan dat een gemeentelijke
                    tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische indicatie een
                    vang-netvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een andere bepaling
                    in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten
                    van kinderopvang, kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak. De weigeringsgrond onder b
                    spreekt voor zich.Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de aanvraagDe
                    tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26 Wet
                    kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de ouder
                    woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet schriftelijk
                    gebeuren (artikel 4:1 Awb).Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een
                    tegemoetkomingsjaar wordt verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw
                    worden aangevraagd. Om de lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te
                    houden, verdient het aanbeveling dat de gemeente het aanvraagformulier voor een
                    vervolgaanvraag aan de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds is ingevuld
                    met de gegevens die bij de gemeente bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de
                    mutaties op het aanvraagformulier aan te geven. Een verhoging van de
                    tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal uren of dagdelen
                    kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de
                    tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang van de kinderopvang
                    hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk
                    mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang en
                    artikel 16, eerste lid). Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de
                    aanvraag een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                    kinderopvang gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag
                    voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder
                    over een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract
                    kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum
                    of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan
                    in een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet kinderopvang).Onderdeel
                    e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens (of een verwijzing
                    naar gegevens) worden gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot een
                    gemeentelijke doelgroep.In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met een
                    verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente reeds over de gegevens beschikt:
                    - de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB, IOAW/IOAZ
                    of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling;- de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is
                    als werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling;- de ouder is een nieuwkomer die een
                    inburgeringsprogramma volgt;- het college heeft de sociaal-medische indicatie
                    vastgesteld. In andere gevallen moeten de volgende gegevens aan de gemeente
                    worden verstrekt:De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                    inkomensvoorziening kunstenaarsDe ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet
                    bereikt, volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond
                    van de WWB of kan zo’n uitkering ontvan-genDe ouder of diens partner zijn
                    ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4
                    van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met
                    2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000De ouder of diens partner ontvangt een
                    WW-uitkering en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakelingDe ouder of diens partner is arbeidsgehandicapt en maakt
                    gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling Indien de uitkering
                    wordt verkregen in een andere gemeente: naam van deze gemeenteBewijs van
                    inschrijving school of op-leidingsinstituutBewijs van inschrijving school of
                    op-leidingsinstituutTrajectplan van het UWVTrajectplan van het UWVIn het derde
                    lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze partner de
                    aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in de verordening
                    opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet
                    kinderopvang.Artikel 4.1 Artikel 7 Het besluit tot verlenen van de
                    tegemoetkomingDe termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de
                    aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een
                    tegemoetkoming. Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook
                    voor aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming
                    en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van
                    de omvang van de kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een
                    beslistermijn van vier weken die eventueel met vier weken kan worden verlengd.
                    De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er
                    zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet,
                    zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken vóór 1 januari bij de
                    gemeente moeten indienen. Het feit dat het college een termijn van vier weken
                    heeft om te beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard
                    niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De
                    gemeente zal streven naar een zo kort mogelijke behandelingstermijn van
                    aanvragen, waarbij aanvragen waar spoed mee geboden is direct afgehandeld
                    worden. Door middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de
                    besluitvorming worden versneld.Artikel 8 WeigeringsgrondNaast de weigeringsgrond
                    in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de subsidieverlening te
                    weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing. Artikel 4:35 bepaalt
                    dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden be-staat
                    om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend
                            of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
                            van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de
                            rechtbank is ingediend.</al></li></lijst><al>Artikel 9 Ingangsdatum van de tegemoetkomingDit artikel bepaalt de ingangsdatum
                    van verstrekking van de tegemoetkoming. Er zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                            moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst
                    genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb.
                    Dit betekent dat een aanvraag:- schriftelijk moet worden ingediend;- moet zijn
                    ondertekend;- de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;- een
                    aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.De ingangsdatum van
                    de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de aanspraak op een
                    tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming vindt pas plaats
                    vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is genomen.
                    De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de
                    aanvraag in ontvangst is genomen. De ingangsdatum van verstrekking van de
                    tegemoetkoming is ook van toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het
                    aantal uren kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het
                    moment dat de aanvraag daarvoor door het college in ontvangst is genomen.Artikel
                    10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend De tegemoetkoming wordt
                    in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor aanvragen die in de loop
                    van een jaar worden toegekend, geldt dat de tegemoetkoming wordt verstrekt tot
                    31 december van het betreffende jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar
                    vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de
                    gemeente zal moeten indienen. Het college kan de tegemoetkoming voor een andere
                    periode vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een
                    bepaalde periode recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een
                    reïntegratietraject voor een bepaalde periode volgt. Door de periode van
                    verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het
                    reïntegratietraject (of een andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen
                    actie te ondernemen om de verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of
                    hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te
                    vorderen. Artikel 11 Omvang van de kinderopvang De Wet kinderopvang regelt
                    uitsluitend de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de gemeente voor
                    de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die aanspraak. Wanneer een
                    ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep
                    behoort, heeft deze recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen
                    beperkingen aan het aantal uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verstrekt. Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de
                    kosten van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke
                    eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten
                    ’Koa-kopje’, zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede
                    lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen
                    bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders
                    die wél een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang moeten betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen
                    in hun vraag naar kinderopvang. Om de kosten voor de gemeente te kunnen
                    beheersen, is een bepaling in de verordening opgenomen die de aanspraak op een
                    tegemoetkoming (enigszins) beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid
                    om bij de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen
                    hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij
                    verricht te kunnen combineren met zorgtaken. Bij het bepalen van de omvang van
                    de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om arbeid en zorg te combineren,
                    moet rekening worden gehouden met omstandigheden als een handicap of chronische
                    ziekte van de ouder(s) of een beperking die de huiselijke situatie meebrengt
                    voor de goede en gezonde ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot
                    kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet
                    kinderopvang, hoeft voor deze beoordeling geen advies te worden
                    aangevraagd.Artikel 12 Inhoud van de beschikkingOnderdeel e bepaalt dat in de
                    beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van de tegemoetkoming wordt
                    vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                    tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f). Artikel 13 bepaalt dat de
                    uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g
                    schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de ouder worden
                    opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden gedacht:- de
                    verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                    tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te verstrekken van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode; - de informatieplicht die
                    is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met derde lid, Wet kinderopvang
                    ;Artikel 13 De bevoorschotting van de tegemoetkomingDe subsidieverstrekking
                    vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten. Dit betekent dat het
                    totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager recht heeft, wordt
                    gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het gehele
                    tegemoetkomingsjaar betreft).De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de
                    ouder. De ouder kan, al dan niet op verzoek van het kindercentrum of het
                    gastouderbureau, de gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat
                    kindercentrum of gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch
                    gezien niets aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het
                    bedrag gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau, er
                    blijft sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de
                    ouder.Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo’n
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.Artikel 14 Het besluit tot
                    vaststelling van de tegemoetkomingOp grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb
                    kan het college een subsidie (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve
                    vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in dat het college op eigen initiatief
                    de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen.De ouders zijn
                    wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                    tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke
                    kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een tegemoetkoming
                    voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de kosten uiterlijk
                    vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend. Het overzicht van
                    de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of
                    gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van maandoverzichten. Het
                    college heeft vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming vast te
                    stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de
                    rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren
                    en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau
                    op te vragen.In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt
                    bepaald wat precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft
                    aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de
                    beschikking tot verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor
                    het vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt
                    vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot
                    verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren.
                    In de beschikking tot vaststelling van de tege-moetkoming kan wel worden
                    uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal.Als de
                    aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming op een
                    lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de
                    subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor
                    subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk
                    kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking
                    genomen’.Artikel 15 Verrekening met de voorschottenDit artikel regelt de
                    uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel van de tegemoetkoming.
                    Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft uitgekeerd dan waarop deze
                    recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde bedrag terugvorderen.
                    Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet kinderopvang (zie ook de
                    toelichting bij artikel 16).Artikel 16 Inlichtingenplicht Deze verplichtingen
                    staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 28, eerste tot en met
                    derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt deze verplichting hier
                    her-haald. Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor
                    houders van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt:
                    ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en
                    wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op
                    de tegemoetkoming van belang zijn’.Er kunnen twee vormen van schending
                    van de inlichtingenplicht worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                            doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader ingegaan.Intrekken
                    van de beschikking en terugvorderen van de tegemoetkomingIn de Awb is geregeld
                    op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de terminologie van de Wet
                    kinderopvang) kan worden ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee
                    situaties worden onderscheiden: a. de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet
                    is vastgesteld en b. de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.Ad
                    a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb)Zolang de
                    tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking tot
                    ver-lening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van de
                    tegemoetkoming wijzigen, indien:a. de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is
                    verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;b. de
                    ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                    verplich-tingen;c. de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige
                    gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                    een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de tegemoetkoming zou
                    hebben geleid;d. de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                    ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><al>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)Het college hoeft niet te
                    wachten met het treffen van een maatregel tot dat het besluit tot verlening van
                    de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het college kan al eerder
                    besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel
                    4:56 Awb kan het college de verplichting tot betaling van een voorschot
                    opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de ouder schriftelijk
                    kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze
                    opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking
                    of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het
                    ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al><al>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)Ook als de tegemoetkoming
                    is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen bevoegd de beschikking tot
                    het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken of ten nadele van de
                    ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de volgende
                    gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt.Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)Indien
                    de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming is
                    ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het reeds
                    betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In artikel 38 Wet kinderopvang
                    worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand (WWB) over de terugvordering van
                    bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard op het terugvorderen van een
                    tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt
                    teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt
                    verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal worden
                    teruggevorderd worden vermeld (artikel 60, eerste lid WWB).De bestuurlijke
                    boeteNaast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college
                    in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete
                    is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke boete is
                    een bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot
                    betaling van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder
                    (artikel 1, eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het betreffende bedrag
                    komt toe aan de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet kinderop-vang).Het college
                    kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn inlichtingenplicht
                    niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de volgende verplichtingen: -
                    het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en inlichtingen
                    van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de
                    tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel 28, eerste lid, Wet
                    kinderopvang);- het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door
                    het college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                    kinderopvang);- het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan
                    het college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling
                    van een lagere tege-moetkoming (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang).De
                    hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 72,
                    eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de hoogte
                    van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren. Artikel 72,
                    tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd
                    op de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder verweten
                    kan worden en de omstandigheden waarin die persoon verkeert. Van het opleggen
                    van een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt.In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen
                    het college géén bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in
                    de volgende situaties:- de overtreder is overleden;- de overtreder is wegens
                    dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete of er is hem een
                    kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze
                    gevallen kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;- er is vijf
                    jaren verstreken nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.De procedure van het
                    opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de artikelen 77 tot en met 84
                    van de Wet kinderopvang.Artikel 17 Inwerkingtreding Deze bepaling spreekt voor
                    zich.Artikel 18 Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>