<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86425_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149, 154, 174</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet milieubeheer, art. 10.21, 10.23</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de kansspelen, art. 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Drank- en Horecawet, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wegenverkeerswet 1994</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-03-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-04-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR 33/2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>algemene plaatselijke verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De volgende artikelen zijn vervallen: Artikel 2.1.5, 2.1.11, 2.1.13, 5.2.1 lid 4, 2.7.2.</al><al>De volgend artikelen zijn toegevoegd: Artikel 1.7, 1.8, 2.3.2c, 2.3.3 lid 5, 4.5.2a, 4.6.1 t/m 4.6.3.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING SCHIEDAM</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><al>A Weg:</al><al>1.De weg, als bedoel in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994 alsmede de</al><al>daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al><al>2.de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke
                            pleinen en open</al><al>plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, natuurterreinen,
                            ijsvlakten en aanlegplaatsen</al><al>voor voertuigen;</al><al>3.de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen,
                            passages en galerijen,</al><al>welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang
                            geven en niet afsluitbaar</al><al>zijn;</al><al>4.andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                            stoepen, trappen, portieken,</al><al>gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd
                            dat zij niet door of vanwege</al><al>degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn
                            afgesloten.</al><al>B Openbaar water:</al><al>alle wateren die – al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            bevaarbaar of anderszins</al><al>toegankelijk zijn.</al><al>C Bebouwde kom:</al><al>de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
                            de grenzen</al><al>hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de
                            Wegenwet.</al><al>D Rechthebbende:</al><al>een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht.</al><al>E Voertuigen:</al><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al (aa el)
                            van het Reglement</al><al>verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="b."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li></lijst><al>F Vaartuigen:</al><al>alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede
                            woonschepen, glijboten</al><al>en ponten.</al><al>G Woonschepen:</al><al>schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning
                            bestemd.</al><al>H Bouwwerk:</al><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                            materiaal, welke op de plaats</al><al>van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is,
                            hetzij direct of indirect steun</al><al>vindt in of op de grond.</al><al>I Gebouw:</al><al>elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of
                            gedeeltelijk met wanden</al><al>omsloten ruimte vormt.</al><al>J Vee:</al><al>eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens.</al><al>K Pluimvee:</al><al>klein- en pluimvee, eenden en ganzen.</al><al>L Handelsreclame:</al><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een</al><al>commercieel belang te dienen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning
                            of ontheffing binnen</al><al>acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht
                                    weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover
                                    in deze verordening andere</al></li></lijst><al>beslistermijnen zijn vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2a</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><al>1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan drie</al><al>weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing
                            nodig heeft, kan het</al><al>bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                            vergunningen of ontheffingen</al><al>kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten
                            hoogste acht weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                            kunnen voorschriften</al><al>en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen
                            slechts strekken tot</al><al>bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                            vergunning of ontheffing is</al><al>vereist.</al><al>2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing
                            is verleend, is</al><al>verplicht de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen na te
                            komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of</al><al>krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Inzage vergunning, ontheffing of bewijs van kennisgeving</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken
                            of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het</al></li></lijst><al>verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat
                            intrekking of</al><al>wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                            waarvan de</al><al>vergunning of ontheffing is vereist;</al><al>c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of</al><al>worden nagekomen;</al><al>d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin</al><al>gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen
                            een redelijke termijn;</al><al>e.indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt
                            voor onbepaalde tijd,</al><al>tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van
                            de vergunning of</al><al>ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                            geweigerd in het</al><al>belang van :</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Bestrijding van ongeregeldheden</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al>1. Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven
                                naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen<vet>, </vet>te vechten of door
                                uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Een
                                ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot
                                toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een
                                daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of van een
                                toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
                                aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te
                                begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer
                                deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare
                                veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.
                                De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet
                                voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                manifestaties.</al><al><vet><cursief>Optochten en betogingen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht,
                                niet zijnde een betoging</al><al>als bedoeld in artikel 2.1.3, op de weg te doen plaatsvinden.</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning kan geweigerd worden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of
                                                goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het doen plaatsvinden van een optocht is van
                                        vergunningverplichting vrijgesteld voor door de</al></li></lijst><al>burgemeester nader omschreven optochten, mits deze optocht uiterlijk
                                twee weken vóór de datum</al><al>waarop deze plaatsvindt schriftelijk bij de burgemeester is gemeld.
                                De burgemeester kan bij het</al><al>omschrijven van een optocht waarvoor de vrijstelling van de
                                vergunningplicht geldt,</al><al>voorschriften verbinden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding
                                                als bedoeld in lid 3, een aangemeld</al></li></lijst></li></lijst><al>optocht verbieden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="5."><al>Het is verboden een optocht te doen
                                                plaatsvinden:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>die door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 4
                                        is verboden;</al></li><li nr="b."><al>indien in strijd wordt gehandeld met de in lid 3 bedoelde
                                        voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>indien aanwijzingen van politie, brandweer en
                                        toezichthouders, geven in het belang van de</al></li></lijst><al>openbare orde en veiligheid, niet stipt en onverwijld worden
                                opgevolgd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot
                                    belijden van</titel></kop><al><cursief>godsdienst of levensbeschouwing op openbare
                                    plaatsen.</cursief></al><al>1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                betoging, vergadering of</al><al>samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, als
                                bedoeld in de Wet openbare</al><al>manifestaties, te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging
                                ervan en tenminste 72 uur</al><al>voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de
                                burgemeester, met</al><al>inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.4, eerste lid, hierover is
                                bepaald.</al><al>2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid, juncto</al><al>tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats
                                die krachtens bestemming of</al><al>vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een
                                gebouw of besloten plaats als</al><al>bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.</al><al>3.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste
                                lid, genoemde termijn van</al><al>72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk
                                verklaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de kennisgeving wordt door de burgemeester een opgave
                                        verlangd van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging,
                                                vergadering of samenkomst tot belijden van</al></li></lijst></li></lijst><al>godsdienst of levensbeschouwing houdt;</al><al>b.het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden
                                van godsdienst of</al><al>levensbeschouwing;</al><al>c.de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot
                                belijden van godsdienst of</al><al>levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en
                                beëindiging;</al><lijst><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging, vergadering of
                                        samenkomst tot belijden van</al></li></lijst><al>godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig
                                verloop te bevorderen.</al><al>2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                waarin het tijdstip van de</al><al>kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde
                                voorschriften zijn vermeld.</al><al>3.Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende
                                betogingen, vergaderingen of</al><al>samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan,
                                voordat deze voor de</al><al>eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden
                                gegeven. De voorafgaande</al><al>leden zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet><cursief>Vertoning e.d. op de weg</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5a</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Straatartiest en straatmuzikant</titel></kop><al> 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest en
                                straatmuzikant op te treden op of aan door de burgemeester
                                aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2. De burgemeester kan de
                                werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De
                                burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod</al><al><vet><cursief>Bruikbaarheid van de weg</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Voorwerpen, of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan
                                overeenkomstig de</al><al>publieke functie daarvan, als:</al><al>a.het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert
                                voor de bruikbaarheid van</al><al>de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                belemmering kan vormen</al><al>voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al><al>b.het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan</al><al>redelijke eisen van welstand.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt
                                        niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen bedoeld in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                        zover in het daarin geregelde</al></li></lijst><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                artikel 5 van de</al><al>Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Winkeluitstallingen</titel></kop><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikelen 2.1.7 en de
                                Precarioverordening is het verboden</al><al>zonder vergunning van het college op, aan of boven de weg, in aan of
                                boven een openbaar water</al><al>dan wel op, aan of boven een andere – al dan niet met enige
                                beperking – voor publiek</al><al>toegankelijke plaats goederen uit te stallen of uitgestald te hebben
                                om deze te koop aan te bieden,</al><al>te verkopen of te verstrekken aan het publiek, dan wel in het kader
                                van de verkoop vanuit een</al><al>winkel reclameborden te plaatsen of geplaatst te hebben
                                (winkeluitstallingsvergunning).</al><al>2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd,
                                gewijzigd of worden</al><al>ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de brandveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersveiligheid of
                                        verkeersvrijheid;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                        van de gemeente;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van het voorkomen of het beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="f."><al>gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse.</al></li></lijst><al>3. a. Aan de vergunning kan het college voorschriften verbinden, die
                                betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte en omvang van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de constructie van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de situering van de uitstalling ten opzichte van de
                                        winkel.</al><lijst><li nr="b."><al>De vergunning heeft een geldigheidsduur van maximaal
                                                2 jaar na datum van afgifte.</al><lijst><li nr="4."><al>In afwijking van het gestelde onder het derde
                                                  lid, sub a, kan het college voor nader aan te</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>wijzen straten of pleinen of delen van straten of pleinen nadere
                                regels stellen, die betrekking</al><al>hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>oppervlakte en omvang van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de constructie van de uitstalling;</al></li><li nr="-"><al>de situering van de uitstalling ten opzichte van de
                                        winkel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.9</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te
                                leggen, de verharding</al><al>daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
                                breedte van de wegverharding te</al><al>veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al><al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare
                                ontsluitingswegen van</al><al>gebouwen.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het rijk, de provincie, de</al><al>gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar
                                publiekrechtelijke taak.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                het Wetboek van Strafrecht,</al><al>de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                wegenreglement, de</al><al>Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                Telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.9a</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een
                                uitweg te maken naar de</al><al>weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                weg.</al><al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat
                                artikel 1 van de</al><al>Wegenverkeerswet daaronder verstaat.</al><al>3.Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en
                                een foto van de bestaande</al><al>situatie overgelegd.</al><al>4.Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding
                                weten of het college aan de</al><al>gewenste uitweg voorschriften stelt of dat de gewenste uitweg in het
                                geheel niet kan worden</al><al>gerealiseerd.</al><lijst><li nr="5."><al>Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg
                                        indien door het realiseren ervan:</al><lijst><li nr="a."><al>gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor
                                                het wegverkeer ter plaatse;</al></li><li nr="b."><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
                                                onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te</al></li></lijst></li></lijst><al>worden gemaakt;</al><lijst><li nr="c."><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt
                                        te worden geschaad.</al><lijst><li nr="6."><al>Het college weigert slechts de aanleg van de uitweg
                                                als door de aanleg een voor het verkeer</al></li></lijst></li></lijst><al>gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het stellen van
                                voorschriften kan worden voorkomen.</al><al>7.Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na
                                ontvangst van de melding</al><al>op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of
                                weigering van de aanleg als</al><al>bedoeld in het zesde lid.</al><al>8.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
                                Waterschapskeur of het Provinciaal</al><al>wegenreglement.</al><al><vet><cursief>Veiligheid van de weg</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.10</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bedrijf, die ten behoeve van het winkelend
                                publiek winkelwagentjes</al><al>ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van
                                winkelwaren over de weg, is verplicht</al><al>deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander
                                herkenningsteken en de in de</al><al>omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                achtergelaten winkelwagentjes</al><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen.</al><al>2.Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden
                                buiten de onmiddellijke</al><al>omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien
                                het bedrijf gelegen is in een</al><al>winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat
                                winkelcentrum. Als onmiddellijke</al><al>omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of
                                het weggedeelte,</al><al>grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die
                                weg of dat weggedeelte</al><al>aansluitende parkeerplaats.</al><al>3.Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg
                                onbeheerd daarop achter te</al><al>laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.</al><al>4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.11</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerpen</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.12</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, fontein,</al><al>brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een
                                openbare nutsvoorziening, te</al><al>openen, onzichtbaar te maken, onbruikbaar te maken of af te
                                dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.13</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.14</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een
                                voorwerp te hebben dat niet</al><al>deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.15</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op
                                of aan dat bouwwerk,</al><al>vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college,
                                voorwerpen, borden of</al><al>voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare
                                verlichting worden</al><al>aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al><al>2.Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het
                                eerste lid zijn besluit</al><al>bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een
                                voorwerp, bord of voorziening</al><al>als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                Waterstaatswet 1900, de</al><al>Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.16</nr><titel>Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en
                                    verlichting</titel></kop><al>1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een</al><al>bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer
                                of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te
                                beschadigen, de werking ervan</al><al>te beletten of te belemmeren.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het</al><al>Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.17</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren
                                                of</al></li></lijst></li></lijst><al>het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar
                                te brengen;</al><al>b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                geplaatst op de onder a bedoelde</al><al>ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                andere wijze het gebruik</al><al>daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al><al>2.Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van
                                politie of van een</al><al>toezichthouder onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van
                                gevaar voor personen of</al><al>goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.18</nr><titel>Benzinepompen op of nabij de weg</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.19</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te
                                werpen, uit te storten of te laten</al><al>lopen.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel</al><al>427, aanhef en onder 4 , van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5
                                van de Wegenverkeerswet</al><al>1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.20</nr><titel>Valschermspringen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder toestemming van het college uit een zich in
                                de lucht bevindend</al><al>luchtvaartuig te springen met een valscherm.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de</al><al>Wet Luchtverkeer, het Luchtverkeersreglement en de regeling
                                valschermspringen.</al><al><vet><cursief>Verboden slaapverblijf</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.21</nr><titel>(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in
                                    kampeermiddelen</titel></kop><al>Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te
                                slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent,
                                caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het
                                kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen
                                dan wel gelegenheid daartoe te bieden</al><al><vet><cursief>Melding voorvallen gevaarlijke
                                stoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.22</nr><titel>Melding voorvallen gevaarlijke stoffen</titel></kop><al>Een ieder die betrokken is bij, of uit eigen waarneming kennis
                                draagt van een voorval met stoffen,</al><al>bedoeld in de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, dat gevaar oplevert
                                voor de veiligheid van</al><al>personen of goederen, is verplicht dit onverwijld te melden aan de
                                politie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting</al><al>van vermaak, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                        gelegenheid geven tot dansen, dan</al></li></lijst><al>wel het organiseren van een verrichting van vermaak in een
                                inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1,</al><al>waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.2 is afgegeven,
                                mits deze verrichting van</al><al>vermaak behoort tot de bij deze vergunning toegestane vorm van
                                exploitatie;</al><lijst><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.2 en 5.2.7,
                                        alsmede paragraaf 2 van Hoofdstuk 3</al></li></lijst><al>van deze verordening.</al><al>2.Onder evenement wordt mede verstaan een
                                herdenkingsplechtigheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                evenement te organiseren en/of te houden. Het is verboden deel te
                                nemen aan een evenement waarvoor geen vergunning is verleend. Het is
                                voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement waarvoor
                                geen vergunning is verleend.</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen
                                                of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Al dan niet in verband met de bij de aanvraag verstrekte
                                        gegevens kan de burgemeester aan de vergunning voorschriften
                                        verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer
                                        betrekking kunnen hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>plaats en tijdstip, technische voorzieningen en de
                                                verdere inrichtingen;</al></li><li nr="-"><al>de beveiliging van personen of goederen;</al></li><li nr="-"><al>de voorkoming van ernstige hinder voor toeschouwers
                                                en derden op en rondom de locatie(s) waar het
                                                evenement plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>het belang van het verkeer;</al></li><li nr="-"><al>alsmede de verplichting voor organisatoren om in
                                                openbare aankondigingen van het evenement aan te
                                                geven hoe het evenement per openbaar vervoer kan
                                                worden bezocht.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Grootschalig evenement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>grootschalig evenement: een evenement als bedoeld in
                                                artikel 2.2.1, waarvan de aard of de</al></li></lijst></li></lijst><al>publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde en
                                veiligheid dusdanig</al><al>grootschalig is, dat daarin zonder nadere ordening niet kan worden
                                voorzien;</al><al>b.organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een grootschalig
                                evenement organiseert, dan</al><al>wel als eerstverantwoordelijke aan de organisatie leiding
                                geeft.</al><al>2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                grootschalig evenement te</al><al>organiseren en/of te houden. Het is verboden deel te nemen aan een
                                evenement waarvoor geen</al><al>vergunning is verleend. Het is voor publiek verboden aanwezig te
                                zijn bij een evenement</al><al>waarvoor geen vergunning is verleend.</al><al>3.Onverminderd het in artikel 2.2.2 bepaalde is de organisator van
                                een grootschalig evenement</al><al>verplicht in een zo vroeg mogelijk stadium, maar ten minste acht
                                weken voor de datum waarop</al><al>het grootschalige evenement zal plaatsvinden, een aanvraag om een
                                vergunning bij de</al><al>burgemeester in te dienen. De aanvraag kan op meerdere grootschalige
                                evenementen betrekking</al><al>hebben. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van deze termijn
                                ontheffing verlenen.</al><lijst><li nr="4."><al>De aanvraag vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaats waar het grootschalige evenement wordt
                                                gehouden;</al></li><li nr="b."><al>de datum en het tijdstip waarop het grootschalige
                                                evenement wordt gehouden;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van het verwachte aantal deelnemers en
                                                toeschouwers;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijke risico's voor verstoring van de
                                                openbare orde en veiligheid; en</al></li><li nr="e."><al>de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om
                                                wanordelijkheden zoveel mogelijk te</al></li></lijst></li></lijst><al>voorkomen.</al><al>Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de
                                aanvraag is gebleken, dienen</al><al>door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden
                                gemeld.</al><al>5.Al dan niet in verband met de bij de aanvraag verstrekte gegevens
                                kan de burgemeester aan de</al><al>vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het
                                grootschalige evenement, die onder</al><al>meer betrekking kunnen hebben op:</al><al>− plaats en tijdstip, technische voorzieningen en de verdere
                                inrichting;</al><al>− de beveiliging van personen of goederen;</al><al>− de voorkoming van ernstige hinder voor toeschouwers en derden op
                                en rondom de locatie(s)</al><al>waar het grootschalige evenement plaatsvindt;</al><al>− het belang van het verkeer;</al><al>− alsmede de verplichting voor organisatoren om in openbare
                                aankondigingen van het</al><al>evenement aan te geven hoe het evenement per openbaar vervoer kan
                                worden bezocht.</al><al>6.Het is verboden een grootschalig evenement aan te kondigen, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of</al><al>daaraan deel te nemen:</al><al>a.indien wordt afgeweken van de in de aanvraag, dan wel de naderhand
                                aan de burgemeester</al><al>verstrekte gegevens bedoeld in het vierde lid; en</al><al>b.indien wordt gehandeld in strijd met de krachtens het vijfde lid
                                door de burgemeester aan de</al><al>vergunning verbonden voorschriften.</al><al>7.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2, lid 2 weigert de
                                burgemeester de vergunning in</al><al>ieder geval indien naar zijn oordeel noch door het stellen van
                                voorschriften, noch door de zijdens</al><al>de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de
                                belangen genoemd in het</al><al>vijfde lid kan worden voorkomen, dan wel indien de ter handhaving
                                van openbare orde en</al><al>veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een zijns inziens
                                onevenredig beroep op de beschikbare</al><al>formatie doet.</al><al>8.De organisator van een grootschalig evenement of degene die
                                daarbij de feitelijke leiding heeft,</al><al>is verplicht:</al><al>a.het grootschalige evenement onverwijld te beëindigen indien
                                daartoe door of namens de</al><al>burgemeester een bevel gegeven wordt;</al><al>b.ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoelde bevel is gegeven,
                                geen publiek meer tot het</al><al>grootschalige evenement wordt toegelaten;</al><al>c.ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van ambtenaren van politie,
                                brandweer en</al><al>toezichthouders stipt en onverwijld worden opgevolgd.</al><al>9.Het is voor het publiek verboden aanwezig te zijn of te blijven
                                bij een grootschalig evenement</al><al>ten aanzien waarvan een bevel als bedoeld in het achtste lid, onder
                                a, is gegeven.</al><al>10.Het is verboden zich bij gelegenheid van een grootschalig
                                evenement - al dan niet op het</al><al>evenemententerrein - op of aan de openbare weg of op voor het
                                publiek toegankelijke plaatsen te</al><al>gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid
                                te verstoren of te bedreigen.</al><al>11.Het is verboden om bij gelegenheid van een grootschalig evenement
                                - al dan niet op het</al><al>evenemententerrein - op of aan de openbare weg of op voor het
                                publiek toegankelijke plaatsen</al><al>voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren
                                die kennelijk bestemd zijn om</al><al>de openbare orde of veiligheid te verstoren.</al><al>12.Een ieder is verplicht bij gelegenheid van een grootschalig
                                evenement alle aanwijzingen,</al><al>gegeven door de politie, brandweer en toezichthouders in het belang
                                van de openbare orde of</al><al>veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van
                                gemeen gevaar, terstond en stipt</al><al>op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Melding door exploitanten dan wel houders van een
                                    horecabedrijf en</titel></kop><al><cursief>verbod naar aanleiding van een melding</cursief></al><al>1.De exploitant en/of houder van een horecabedrijf zoals bedoeld in
                                artikel 2.3.1 onder A dient</al><al>voorafgaand aan elk kwartaal aan te geven, door middel van een
                                schriftelijke melding aan de</al><al>burgemeester, welke evenementen er in de inrichting in dat kwartaal
                                zullen gaan plaatsvinden.</al><al>2.De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding als bedoeld
                                in lid 1, een aangemeld</al><al>evenement verbieden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden een evenement te organiseren, aan te
                                                kondigen, toe te laten, daaraan deel te</al></li></lijst></li></lijst><al>nemen of bij een evenement aanwezig te zijn dat niet ingevolge lid 1
                                is aangemeld, dan wel dat</al><al>door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 2 is
                                verboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>vrijstelling vergunningverplichting</titel></kop><al>1.Het organiseren, houden of deelnemen aan een evenement als bedoeld
                                in artikel 2.2.1 is van</al><al>vergunningverplichting vrijgesteld voor door de burgemeester nader
                                omschreven evenementen,</al><al>mits dit evenement uiterlijk twee weken vóór de datum waarop het
                                evenement aanvangt</al><al>schriftelijk bij de burgemeester is gemeld. De burgemeester kan bij
                                het omschrijven van een</al><al>evenement waarvoor de vrijstelling van de vergunningplicht geldt,
                                voorschriften verbinden in het</al><al>belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding
                                                als bedoeld in lid 1, een aangemeld</al></li></lijst></li></lijst><al>evenement verbieden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden een evenement te organiseren, aan te
                                                kondigen, toe te laten, daaraan deel te</al></li></lijst></li></lijst><al>nemen of bij een evenement aanwezig te zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>dat door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 2
                                        is verboden;</al></li><li nr="b."><al>indien in strijd wordt gehandeld met de in lid 1 bedoelde
                                        voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>indien aanwijzingen van politie, brandweer en
                                        toezichthouders, geven in het belang van de</al></li></lijst><al>openbare orde en veiligheid, niet stipt en onverwijld worden
                                opgevolgd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Toezicht op horecabedrijven</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>A.horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig of in</al><al>een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of
                                dranken worden geschonken of</al><al>rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of
                                verstrekt. Onder een</al><al>horecabedrijf worden in ieder geval verstaan:een hotel, restaurant,
                                pension, café, cafetaria,</al><al>snackbar,discotheek, buurthuis, clubhuis, afhaalcentrum en
                                broodjeszaak.</al><al>B.Onder horecabedrijf als bedoeld onder A wordt mede verstaan een
                                bij dit bedrijf horend terras</al><al>en andere aangehorigheden.</al><lijst><li nr="C."><al>Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt,
                                        met uitzondering van:</al></li><li nr="a."><al>de levenspartner en kinderen van de exploitant van het
                                        horecabedrijf, alsmede diens elders</al></li></lijst><al>wonende bloed- en aanverwanten of die van zijn levenspartner;</al><al>b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                438 van het wetboek van</al><al>strafrecht;</al><al>c.de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens
                                dringende omstandigheden</al><al>vereist wordt;</al><al>d.Werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf c.q.
                                schoonmaakbedrijf, in verband</al><al>met (schoonmaak)werkzaamheden.</al><al>D.Exploitant van het horecabedrijf: de natuurlijke persoon of
                                personen aan wie een</al><al>exploitatievergunning is verleend en/of voor wiens rekening en
                                verantwoordelijkheid een</al><al>horecabedrijf wordt geëxploiteerd.</al><al>E.Houder van het horecabedrijf: degene die als zodanig in de
                                vergunning als bedoeld in artikel</al><al>2.3.2 lid 1 is vermeld en naast de exploitant optreedt als
                                leidinggevende.</al><al>F.Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een
                                horecabedrijf waar dranken of</al><al>spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt.</al><al>G.Horecaconcentratiegebied I: Horecaconcentratiegebied I zoals
                                aangewezen in het</al><al>(ontwerp)bestemmingsplan Binnenstad.</al><al>H.Binnenstad: het gebied omsloten door de Broersvest, de Koemarkt,
                                water van de Buitenhaven,</al><al>water van de Nieuwe Haven, water van de Noordvestgracht, het water
                                van de Schie, het</al><al>Overschieseplein, de Emmastraat, de Singel en het Emmaplein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><al>1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden zonder
                                vergunning van de</al><al>burgemeester een horecabedrijf als bedoeld in deze paragraaf te
                                exploiteren</al><al>(exploitatievergunning).</al><al>2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat
                                dat er geen sprake zal zijn</al><al>van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8,
                                tweede lid, kan door de</al><al>burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode
                                van ten hoogste een jaar</al><al>(voorlopige vergunning).</al><al>3.Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid
                                blijkt dat sprake is van het</al><al>bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, tweede
                                lid kunnen door de burgemeester</al><al>nadere voorschriften worden gesteld of kan de burgemeester de
                                voorlopige vergunning intrekken.</al><al>4.Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken,
                                deelt de burgemeester de</al><al>exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mede, dat de
                                voorlopige vergunning met ingang van</al><al>een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als
                                een vergunning, als bedoeld</al><al>in het eerste lid.</al><al>5.Bij het van kracht worden van een verleende nieuwe vergunning
                                vervalt de oude vergunning</al><al>van rechtswege.</al><al>6.Een exploitatievergunning vervalt van rechtswege zodra (één van)
                                de exploitant(en) niet meer</al><al>als zodanig functioneert of zodra de ondernemingsvorm wijzigt.</al><al>7.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- en leefklimaat voor</al><al>bepaalde categorieën horecabedrijven een beperkte geldigheidsduur
                                van de exploitatievergunning</al><al>vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2a</nr><titel>Eisen exploitant en houder(s) vergunningplichtig
                                    horecabedrijf</titel></kop><al>1.De exploitant (en) en de houder(s)moeten voor het verkrijgen van
                                een vergunning voldoen aan</al><al>de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid, onder a en b en
                                lid 3 van de Drank- en</al><al>Horecawet worden gesteld aan leidinggevenden.</al><al>2.de exploitant moet de leeftijd van 21 jaar en de houder(s) de
                                leeftijd van 18 jaar hebben</al><al>bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2b</nr><titel>Aanwezigheid exploitant(en) en houder(s) vergunningplichtig
                                    horecabedrijf</titel></kop><al>1.Het is verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben
                                zonder dat er een</al><al>exploitant of houder aanwezig is.</al><al>2.De exploitant moet regelmatig in het horecabedrijf aanwezig
                                zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2c</nr><titel>Verantwoordelijkheid exploitant(en) en houder(s)</titel></kop><al>1.De exploitant is verantwoordelijk voor het vertonen van algemeen
                                aanvaardbaar gedrag van de</al><al>bezoekers in en in de nabijheid van het horecabedrijf</al><al>2.Het gedrag van de bezoekers van het horecabedrijf dient de normale
                                situatie niet negatief te</al><al>beïnvloeden.</al><al>3.De exploitant en houder dienen gehoor te geven aan de aanwijzingen
                                van een toezichthouder</al><al>die krachtens zijn functie van zijn bevoegdheden gebruik maakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Vrijstelling vergunningplicht</titel></kop><al>Vrijgesteld van exploitatievergunningsplicht (behoudens uitbreiding
                                met of van een terras) zijn</al><al>horecabedrijven of-activiteiten in of behorend bij:</al><al>1.logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea,
                                verzorgings- en</al><al>verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover
                                deze uitsluitend in gebruik</al><al>zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering en dus zijn
                                gericht op personen die van de</al><al>hoofdfunctie gebruikmaken.</al><al>2.niet commerciële sport- en recreatieverenigingen en –stichtingen,
                                voor zover deze uitsluitend</al><al>in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen
                                van de betreffende vereniging of</al><al>stichting en dus zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de
                                betreffende discipline en</al><al>toeschouwers van wedstrijden en overige
                                verenigingsactiviteiten.</al><al>3.commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover deze uitsluitend
                                in gebruik zijn of dienen ter</al><al>ondersteuning van de bedrijfsvoering en dus zijn gericht op personen
                                die van de hoofdfunctie</al><al>gebruikmaken, waarbij geen alcoholhoudende dranken worden
                                geschonken.</al><al>4.winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet waarin het verkopen van
                                etenswaren en/of</al><al>drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering
                                behoort, alsmede</al><al>winkelondersteunende horecabedrijven met openingstijden tussen 07:00
                                uur en 22:00 uur, waarbij</al><al>geen alcoholhoudende dranken worden geschonken en een eventueel
                                bijbehorend terras direct aan</al><al>de voorgevel van het bedrijfspand is geplaatst en bestaat uit
                                maximaal 2 tafels (van 1m x 1m) en</al><al>4 stoelen/zitplaatsen, en het uiterlijk aanzien van het terras
                                voldoet aan geldende</al><al>welstandscriteria.</al><al>5.Het bepaalde in 2.3.2c is van overeenkomstige toepassing op de
                                exploitant/houder van de</al><al>horecabedrijven of -activiteiten als bedoeld in dit artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Vergunningaanvraag en verlening</titel></kop><al>1.De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en
                                bescheiden die bij</al><al>vergunningaanvraag en ontheffingaanvraag moeten worden
                                overgelegd.</al><lijst><li nr="2."><al>Per horecabedrijf wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk
                                        in behandeling genomen.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam
                                        gezet van de exploitant van het</al></li></lijst><al>horecabedrijf; de vergunning is niet overdraagbaar.</al><al>4.Een vergunning voor een horecabedrijf wordt alleen verleend aan
                                een natuurlijk persoon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop de
                                aanvraag compleet met</al><al>bijbehorende gegevens en bescheiden is ontvangen. De beslissing kan
                                eenmaal voor ten hoogste</al><al>twaalf weken worden verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Weigerings- en intrekkingsgronden</titel></kop><al>1. a. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                burgemeester de vergunning indien de</al><al>vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een
                                geldend bestemmingsplan of een</al><al>geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening.
                                Hierbij wordt een bij het</al><al>horecabedrijf behorend terras buiten beschouwing gelaten.</al><al>b.De burgemeester weigert de vergunning, indien niet wordt</al><al>voldaan aan het bepaalde in artikel 2.3.2a eerste en tweede
                                lid.</al><al>2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren,
                                als naar zijn oordeel de</al><al>openbare orde gevaar loopt en/of de woon- of leefsituatie in de
                                omgeving van het horecabedrijf</al><al>door de aanwezigheid van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze
                                nadelig wordt beïnvloed.</al><al>3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde
                                weigeringsgrond houdt de burgemeester</al><al>rekening met:</al><al>a.het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf
                                is gelegen of zal komen te</al><al>liggen;</al><lijst><li nr="b."><al>de aard van het horecabedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                        blootstaat of bloot zal komen te staan</al></li></lijst><al>door de exploitatie van het horecabedrijf;</al><al>d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en houder(s) van
                                het horecabedrijf in deze of in</al><al>andere horecabedrijven.</al><al>4.De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde
                                tijd geheel of gedeeltelijk</al><al>intrekken of wijzigen:</al><al>a.indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens en</al><al>bescheiden is verleend;</al><al>b.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
                                horecabedrijf de bepalingen in deze</al><al>paragraaf, danwel de voorschriften, behorende bij de vergunning,
                                overtreedt;</al><al>c.indien aannemelijk is, dat de exploitant en/of (één van) de
                                houder(s) van het horecabedrijf</al><al>betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                activiteiten in of vanuit het</al><al>horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of
                                een bedreiging vormen voor</al><al>het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;</al><al>d.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
                                horecabedrijf toestaat dan wel</al><al>gedoogt, dat in zijn horecabedrijf strafbare en beboetbare feiten
                                worden gepleegd;</al><al>e.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
                                horecabedrijf zich schuldig maakt aan</al><al>discriminatie;</al><al>f.indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten
                                hebben voorgedaan, die de vrees</al><al>wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar
                                oplevert voor de openbare orde</al><al>en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de
                                omgeving van het horecabedrijf;</al><al>g.indien op grond van verandering van de omstandigheden of
                                inzichten, opgetreden na het</al><al>verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking
                                wordt gevorderd door de</al><al>belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.</al><lijst><li nr="h."><al>Indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel
                                        2.3.2 a en b gestelde eisen.</al><lijst><li nr="5."><al>De vergunning vervalt, indien de exploitatie van het
                                                horecabedrijf voor een periode van langer</al></li></lijst></li></lijst><al>dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is
                                van een gewijzigde</al><al>exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Sluiting van horecabedrijven</titel></kop><al>1.De burgemeester kan een horecabedrijf –al dan niet voor een
                                bepaalde duur- gesloten</al><al>verklaren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning;</al></li><li nr="b."><al>indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met
                                        de aan de vergunning verbonden</al></li></lijst><al>voorschriften, dan wel in strijd met de voorschriften genoemd in
                                artikel 2.3.2b en 2.3.8;</al><al>c.indien de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2.3.6,
                                vierde lid, genoemde situaties</al><al>waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.</al><al>2.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt
                                zodra een besluit tot sluiting</al><al>op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is
                                aangebracht.</al><al>3.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door de</al><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                plaatsvinden.</al><al>4.Het is de exploitant en/of de houder(s) van het horecabedrijf
                                verboden na het van kracht</al><al>worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot
                                het horecabedrijf toe te laten of</al><al>daarin te laten verblijven.</al><al>5.Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester
                                gesloten horecabedrijf als</al><al>bezoeker te verblijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8</nr><titel>Terrassen</titel></kop><al>1.Bij vergunningaanvragen voor een of meer bij het horecabedrijf
                                behorende terrassen</al><al>(behoudens terrassen kleiner dan 2 tafels en 4 stoelen, als genoemd
                                in 2.3.3), beslist de</al><al>burgemeester – gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse –
                                tevens over de</al><al>ingebruikneming van de openbare weg.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, kan de
                                burgemeester de in het eerste</al><al>lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren:</al><al>a.als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                                oplevert voor de</al><al>bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                daarvan;</al><al>b.als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig
                                beheer en onderhoud van de</al><al>weg;</al><al>c.als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de
                                openbare ruimte, inclusief de</al><al>bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.</al><al>3.Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of
                                eetwaren voor gebruik ter</al><al>plaatse te verstrekken:</al><al>a.buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het
                                bepaalde in het eerste lid is</al><al>toegestaan;</al><lijst><li nr="b."><al>aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras
                                        aanwezige zitplaatsen</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester stelt nadere regels vast ten aanzien
                                                van de ingebruikname van het terras.</al></li><li nr="5."><al>De houder van het horecabedrijf is verplicht te
                                                zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na</al></li></lijst></li></lijst><al>sluiting van het horecabedrijf, doch in ieder geval terstond op
                                eerste aanzegging van een</al><al>ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde
                                in dit artikel, in de nabijheid</al><al>van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor
                                zover kennelijk uit of van</al><al>dat terras afkomstig, worden verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.9</nr><titel>Openings- en sluitingstijden</titel></kop><al>1.Het is verboden om een horecabedrijf voor bezoekers geopend te
                                hebben of daarin bezoekers</al><al>toe te laten op andere tijdstippen dan van 07.00 uur tot 01.00 uur
                                op zondag tot en met donderdag,</al><al>en van 07:00 uur tot 02:00 uur op vrijdag en zaterdag en nationale
                                en algemeen erkende</al><al>feestdagen (behalve Goede Vrijdag).</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- en leefklimaat voor een</al><al>of meer horecabedrijven de in het eerste en derde lid genoemde
                                openingstijden –al dan niet</al><al>tijdelijk- beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden
                                vaststellen.</al><al>3.Het is verboden een terras, behorende bij een horecabedrijf, voor
                                bezoekers geopend te hebben</al><al>of daarop bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan de in de
                                onderstaande tabel genoemde:</al><al>Ligging horecabedrijf met terras Maximaal mogelijke openingstijden
                                Binnenstad 07.00 tot 01.00 uur</al><al>Gehele gemeente met uitzondering van de binnenstad 07.00 tot 22.00
                                uur</al><al>4.De burgemeester kan in de volgende gevallen ontheffing verlenen
                                van de in het eerste, tweede</al><al>en derde lid genoemde openings- en sluitingstijden:</al><al>a.aan horecabedrijven gelegen in horecaconcentratiegebieden I kan
                                ontheffing verleend worden</al><al>van de in het eerste en tweede lid genoemde sluitingstijden tot
                                maximaal 4.00 uur op maandag tot</al><al>en met zondag.</al><al>b.aan horecabedrijven die buiten de binnenstad zijn gelegen kan
                                ontheffing verleend worden van</al><al>de in het derde lid genoemde sluitingstijd van terrassen tot
                                maximaal 1.00 uur, indien naar het</al><al>oordeel van de burgemeester vast staat dat van de verruimde
                                openingstijden van het terras geen</al><al>hinder ondervonden kan worden.</al><al>c.op dagen die op grond van artikel 4.1.2 door het college zijn
                                aangewezen als collectieve</al><al>festiviteit, kunnen voor de gebieden waarvoor de aanwijzingen gelden
                                de volgende ontheffingen</al><al>van de sluitingstijden uit het eerste, tweede en derde lid verleend
                                worden:</al><al>binnenstad, zondag t/m donderdag: horecabedrijf: tot 02.00 uur,</al><al>binnenstad, vrijdag en zaterdag: horecabedrijf: tot 04.00 uur,</al><al>overig: vrijdag en zaterdag: horecabedrijf: tot 03.00 uur, terras:
                                tot 23.00 uur.</al><al>d.in aansluiting op lid 4 sub c kan op 1 januari en Koninginnedag
                                ontheffing tot 04.00 uur</al><al>worden verleend voor horecabedrijven binnen de gehele gemeente.</al><al>e.aan horecabedrijven in de binnenstad gedurende maximaal 5 dagen
                                per jaar in het geval van</al><al>een bijzondere gelegenheid om op vrijdag of zaterdag geopend te
                                blijven tot 04:00 uur of zondag</al><al>t/m donderdag tot 02:00 uur en aan horecabedrijven buiten de
                                binnenstad op vrijdag en zaterdag</al><al>tot 03:00 uur.</al><al>5.Het is verboden zich als bezoeker in een horecabedrijf te bevinden
                                op tijden waarop het</al><al>horecabedrijf voor het publiek gesloten moet zijn.</al><al>6.De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een
                                bijzondere omstandigheid (van</al><al>zeer tijdelijke aard), algemene ontheffing verlenen van de krachtens
                                dit artikel geldende</al><al>openings- en sluitingstijden voor een of meer bepaalde
                                horecabedrijven.</al><al>7.Een ontheffing wordt in ieder geval geweigerd als sprake is van
                                het bepaalde in artikel 2.3.6,</al><al>tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.10</nr><titel>Raamkaart</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.10a</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De beperking met betrekking tot de geldigheidsduur van 5 jaar van de
                                reeds verleende</al><al>vergunningen sinds 26 mei 2004 komt met ingang van de
                                inwerkingtreding van deze verordening</al><al>te vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.11</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in en om een horecabedrijf de orde te
                                verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.12</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1 geen
                                inrichting is in de zin van artikel 174</al><al>van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op
                                als bevoegd</al><al>bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.2, 2.3.3 en 2.3.9.</al><al><vet><cursief>Beperkte verstrekking sterke
                                drank</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.13</nr><titel>Beperking verstrekking sterke drank</titel></kop><al>1.Het is verboden anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter
                                plaatse te verstrekken in een</al><al>besloten ruimte:</al><al>a.waarin of in een gedeelte waarvan uitsluitend of in hoofdzaak
                                geringe etenswaren, zoals</al><al>belegde broodjes, patates frites en kroketten worden verkocht;</al><lijst><li nr="b."><al>waarin onderwijs wordt gegeven;</al></li><li nr="c."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in
                                        gebruik is bij jeugdsociëteiten</al></li></lijst><al>en/of sportorganisaties of –instellingen;</al><al>d.die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor
                                passagiers van een openbaar</al><al>vervoersbedrijf.</al><al>2.Van het verbod, gesteld in het eerste lid, kan de burgemeester
                                ontheffing verlenen.</al><al><vet><cursief>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                        nachtverblijf</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.14</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>A.inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                uitoefening van beroep of bedrijf, aan</al><al>personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft;</al><al>B.houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de
                                feitelijke leiding heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.15</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                houden van een inrichting staakt,</al><al>is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.16</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld
                                in artikel 438 van het Wetboek</al><al>van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de
                                burgemeester vastgestelde</al><al>model.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.17</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                kampeerder is verplicht onverwijld</al><al>aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of
                                haar naam, adres, woonplaats,</al><al>geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede
                                de dag van vertrek te</al><al>verstrekken.</al><al><vet><cursief>Voor publiek openstaande gebouwen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.18</nr><titel>Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                                    gebouwen</titel></kop><al>1.De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel
                                vereist, de gehele of</al><al>gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand
                                gebouw - niet zijnde een</al><al>inrichting als bedoeld in paragraaf 3.1 of hoofdstuk 3 - of een bij
                                dat gebouw behorend erf.</al><al>2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van
                                een afschrift van zijn</al><al>bevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek
                                openstaande gebouw of het bij dat</al><al>gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment
                                dat bedoeld afschrift is</al><al>aangebracht.</al><al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                bedoelde afschrift wordt</al><al>aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een gebouw of erf
                                als bedoeld in het eerste lid</al><al>verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten
                                verblijven, zolang de sluiting van kracht</al><al>is.</al><al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                gesloten gebouw of erf te</al><al>bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</al><al>6.Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde
                                lid niet verstaan de</al><al>personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande
                                gebouw of het bij dat</al><al>gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist
                                wordt.</al><al>7.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door de</al><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben
                                geleid, zal plaatsvinden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.0</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al>1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet</al><al>voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                behorend erf te betreden.</al><al>2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                woning, een niet voor</al><al>het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal
                                behorend erf, een voor publiek</al><al>toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3.Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning
                                of het lokaal wegens</al><al>dringende redenen noodzakelijk is.</al><al>4.De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid
                                bedoeld verbod ontheffing te</al><al>verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
                                vanaf de weg zichtbaar is</al><al>te bekrassen of te bekladden.</al><al>2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de weg of dat</al><al>gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><al>a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan
                                te plakken of op andere</al><al>wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al><al>b.met kalk, krijt of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter,
                                cijfer of teken aan te brengen of</al><al>te doen aanbrengen.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien gehandeld wordt krachtens</al><al>wettelijk voorschrift.</al><al>4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde plaatsen te
                                gebruiken voor het aanbrengen van</al><al>handelsreclame.</al><al>6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een</al><al>opsporingsambtenaar of toezichthouder op diens eerste vordering
                                terstond ter inzage af te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur en ’s morgens 6 uur op de
                                weg of openbaar water te</al><al>vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek,
                                kalk, teer, kleur- of verfstof,</al><al>verfspuitbus of verfgereedschap.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien de in dat lid bedoelde</al><al>materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd
                                voor handelingen als</al><al>verboden in artikel 2.4.1.</al><al><vet><cursief>Vervoer inbrekerswerktuigen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur en ’s morgens 6 uur op de
                                weg te vervoeren of bij</al><al>zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of
                                enig ander gereedschap, voorwerp</al><al>of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig toegang tot een
                                gebouw of erf te verschaffen,</al><al>onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                middel van braak te</al><al>vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien de in dat lid bedoelde</al><al>gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn
                                voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al><al><vet><cursief>Algemeen hinderlijk gedrag</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich
                                                anderszins te bevinden op een beeld,</al></li></lijst></li></lijst><al>monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                voertuig,tram, metro, hek,</al><al>heining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet
                                bestemd straatmeubilair;</al><al>b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                of aan gebruikers van nabij</al><al>de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt
                                wordt;</al><al>c.voor een ieder die daartoe niet bevoegd is, zich op de weg binnen
                                de voor een brug geplaatste</al><al>afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen zijn
                                of worden gesloten, dan wel</al><al>een afsluiting voor een brug te openen.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                artikel 424, 426 bis, 431 van het</al><al>Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4a</nr><titel>Verplichte route</titel></kop><al>1.Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen
                                verboden op door hem</al><al>aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te
                                wijken.</al><al>2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4b</nr><titel>Openlijk drankgebruik</titel></kop><al>1 Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te
                                nuttigen, indien dit gepaard gaat</al><al>met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en
                                leefklimaat aantasten of anderszins</al><al>overlast veroorzaken.</al><al>2 Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van een door
                                het college aangewezen</al><al>gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen,
                                blikjes en dergelijke met</al><al>alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><al>3 Het bepaalde in het tweede en in het vijfde lid geldt niet
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras en aanhorigheid dat behoort bij een
                                        horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.8;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
                                        a, waarvoor een ontheffing geldt</al></li></lijst><al>krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al><al>4 De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.2.2
                                of in een vergunning als</al><al>bedoeld in artikel 2.2.4. onder door hem te stellen voorwaarden
                                ontheffing verlenen van het in het</al><al>tweede lid of in het vijfde lid gestelde verbod.</al><al>5 Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van de
                                navolgende gebieden,</al><al>alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en
                                dergelijke met</al><al>alcoholhoudende drank bij zich te hebben:</al><al>a elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een bus- of
                                tramhaltepaal, metro- of</al><al>treinstation, of een taxistandplaats;</al><al>b schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de weg
                                waarop</al><al>kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken en trapvelden,
                                alsmede het gebied dat om een</al><al>dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand
                                van 50 meter van de buitenste</al><al>grenzen van dat object.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4c.</nr><titel>Messen en andere voorwerpen als (steek)wapen</titel></kop><al>1 Het is verboden op de weg, met inbegrip van daaraan gelegen, voor
                                publiek toegankelijke,</al><al>gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens en andere
                                voorwerpen die als</al><al>(steek)wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te
                                hebben.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens,
                                behorende tot de categorieën I, II,</al><al>III en IV van de Wet wapens en munitie, en niet voor voorwerpen, die
                                zodanig zijn ingepakt, dat</al><al>deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek, bordes,
                                                poort, nis of op een trap op te houden;</al></li><li nr="b."><al>zich in, op of tegen een raamkozijn of een drempel
                                                van een gebouw te bevinden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                        flatgebouwen, appartementsgebouwen en</al></li></lijst><al>soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek
                                toegankelijk zijn, verboden</al><al>zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                gebruik bestemde ruimte</al><al>van een zodanig gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5a</nr><titel>Hinderlijk gedrag op pleinen</titel></kop><al>1.Het is verboden:</al><al>a zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speeltuin op te
                                houden;</al><al>b zich zonder redelijk doel op andere door het college aangewezen
                                plaatsen en pleinen op te</al><al>houden. Het college kan bij deze aanwijzing nadere dagen en tijden
                                aangeven waarop het verbod</al><al>geldt.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5b</nr><titel>Overige hinderlijk gedrag</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg kerstbomen, autobanden en andere
                                voorwerpen of stoffen te</al><al>vervoeren en/of bij zich te dragen of anderszins voorhanden te
                                hebben, met het kennelijke</al><al>doel deze op de weg te verbranden.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden</al><al>in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel,
                                wachtlokaal voor een openbaar</al><al>vervoermiddel, parkeergarage, winkelcentrum, rijwielstalling of een
                                andere soortgelijke, voor het</al><al>publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel
                                te bezigen voor een ander</al><al>doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een</al><al>raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in
                                de ingang van een portiek</al><al>indien:</al><al>1.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat</al><al>portiek;</al><al>2.daardoor die ingang versperd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6b</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    evenemententerrein,</titel></kop><al><cursief>kermisterrein e.d.</cursief></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met</al><al>een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de
                                burgemeester aangewezen terrein</al><al>waar een markt, evenement, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid gehouden wordt die</al><al>publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het
                                terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of</al><al>woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan
                                wel een zich in dit</al><al>gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                bespieden.</al><al>2.Het is verboden met behulp van enig middel een persoon te
                                bespieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr></kop><al>vervallen</al><al><vet><cursief>Overlast door dieren</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten</al><al>lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                        aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte speelpleinen bij</al></li></lijst><al>scholen, kinderspeelplaats, speeltuinen, op trapveldjes zandbak of
                                speelweide of op een andere</al><al>door het college aangewezen plaats;</al><al>c.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander
                                identificatiemerk dat de</al><al>eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een
                                hond zich vanwege zijn</al><al>handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig
                                aantoonbaar</al><al>gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze
                                aantoonbaar gekwalificeerd</al><al>opleidt tot geleidehond.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor door het
                                college aangewezen</al><al>hondenlosloopgebieden en door of namens de Gemeente Schiedam
                                ingerichte uitlaatplaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al>1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                dat die hond zich op of aan</al><al>de weg niet van uitwerpselen ontdoet.</al><al>2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven</al><al>indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de
                                uitwerpselen onmiddellijk</al><al>worden verwijderd.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor door het
                                college aangewezen</al><al>hondenlosloopgebieden en door of namens de Gemeente Schiedam
                                ingerichte uitlaatplaatsen.</al><al>4.De eigenaar of houder van een hond is verplicht om, wanneer hij
                                zich met de hond op de weg</al><al>begeeft, middelen bij zich te dragen om uitwerpselen van de hond op
                                te ruimen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten</al><al>lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:</al><al>a.anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de
                                houder heeft</al><al>bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een
                                aanlijngebod in verband met</al><al>het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al><al>b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het
                                college aan de eigenaar of</al><al>de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                hinderlijk acht en een aanlijn en</al><al>muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                vindt.</al><al>2.In afwijking van artikel 2.4.9, aanhef en onder c, geldt voor het
                                bepaalde in het eerste lid</al><al>bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar,
                                niet- verwijderbaar</al><al>identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.</al><al>3.In het eerste lid wordt verstaan onder: a. kort aanlijnen:
                                aanlijnen van een hond met een lijn</al><al>met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is
                                dan 1,50 meter; b. muilkorf: een</al><al>muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling
                                agressieve dieren.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor
                                zover de Regeling agressieve</al><al>dieren van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><al>1.In de gevallen, waarin artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht
                                niet van toepassing is, is hij,</al><al>die een dier onder zijn hoede heeft, verplicht er voldoende zorg
                                voor te dragen, dat dit dier geen</al><al>gevaar voor of overlast aan personen kan opleveren en geen hinder of
                                schade kan toebrengen aan</al><al>een anders eigendom dan wel de openbare gezondheid.</al><al>2.Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer gedeelten van</al><al>de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter
                                voorkoming of opheffing van</al><al>overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij
                                aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hen ter voorkoming of</al></li></lijst><al>opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde
                                regels; dan wel</al><al>c.aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                aangegeven of mede is</al><al>aangegeven.</al><al>3.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats
                                een daarbij aangeduid dier</al><al>of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te
                                hebben anders dan met</al><al>inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                aanwezig te hebben tot een groter</al><al>aantal dan door het- college is aangegeven.</al><al>4.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                binnen een krachtens het</al><al>eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen
                                van het in het tweede lid</al><al>gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Loslopend vee of pluimvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een
                                weg gelegen weiland of</al><al>terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke
                                veekering, is verplicht ervoor te</al><al>zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of
                                pluimvee die weg niet kan</al><al>bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Ongedierte</titel></kop><al>1.De hoofdgebruiker of de eigenaar van een onroerende zaak of enig
                                gedeelte daarvan, gelegen</al><al>in een door het college aangewezen gedeelte van de gemeente, is
                                verplicht ter voorkoming van</al><al>schade door ongedierte aan eigendommen of gezondheid:</al><lijst><li nr="A."><al>overeenkomstig de door of namens het college gegeven
                                        voorschriften:</al></li><li nr="a."><al>verdelgingsmiddelen uit te leggen en uitgelegd te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>vangmiddelen te plaatsen en in stand te houden;</al></li><li nr="c."><al>eetbaar afval buiten gebouwen niet anders aanwezig te hebben
                                        dan op voor ongedierte</al></li></lijst><al>ontoegankelijke wijze;</al><al>B.maatregelen te gedogen die door het college zijn getroffen.</al><al><vet><cursief>Overige zaken m.b.t. openbare orde en
                                        veiligheid</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek
                                toegankelijk gebouw (winkels</al><al>daaronder begrepen) te bedelen om geld en andere zaken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>A.Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                                maatregel van bestuur op</al><al>grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                Strafrecht.</al><al>B.Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op
                                andere wijze overdragen van</al><al>alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><al>1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte
                                of ongeregelde goederen</al><al>die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en
                                een door of namens de</al><al>burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                        goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor
                                        zover dat mogelijk is – soort, merk</al></li></lijst><al>en nummer van het goed;</al><lijst><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                        het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                        verkregen.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen
                                                van deze verplichtingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van</titel></kop><al><cursief>Strafrecht</cursief></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al>a.wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede
                                lid, van het Wetboek van</al><al>Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                schriftelijk van in kennis</al><al>stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij
                                tevens schriftelijk opgave te</al><al>doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke
                                lokaliteit door hem ten behoeve van</al><al>zijn onderneming in gebruik genomen;</al><al>b.de onder a. bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                register(s) onverwijld doch in</al><al>ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van
                                een verandering van zijn</al><al>woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten
                                behoeve van zijn</al><al>onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;</al><al>c.aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                gevestigd een kenteken te</al><al>hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                zichtbaar voorkomt;</al><al>d.indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan
                                redelijkerwijs kan worden</al><al>vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende
                                verloren is gegaan, hiervan</al><al>onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde
                                functionaris;</al><al>e.zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de
                                burgemeester of een daartoe</al><al>door de burgemeester aangewezen ambtenaar;</al><al>f.wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                gewoonte te maken,</al><al>onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de
                                onder a bedoelde functionaris</al><al>hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen
                                schriftelijk in kennis te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen</al><al>goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is,
                                over te dragen of daarin enige</al><al>wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijf</titel></kop><al>1.Het is de exploitant en houder van een horecabedrijf als bedoeld
                                in artikel 2.3.1 verboden toe</al><al>te laten dat een persoon in die inrichting roerende zaken
                                verhandelt, zulks voor zover dit de</al><al>directe aanbieding en levering omvat.</al><lijst><li nr="2."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel
                                                2.3.1 onder A. en B.;</al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1 onder
                                                E.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Vuurwerk en carbid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Vervallen </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast aangewezen plaats.</al><lijst><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op
                                        een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien
                                        zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Bezigen van carbid</titel></kop><al>1. Het is verboden carbid op of aan de weg of op een voor publiek
                                toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of
                                overlast kan veroorzaken.</al><lijst><li nr="2."><al>De in het eerste gestelde verboden gelden niet voor zover in
                                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                        429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen</al><al>ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door
                                hem aangewezen plaats</al><al>indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1.1 eerste, tweede en
                                derde lid, 2.1.2 eerste lid,</al><al>2.1.7 eerste en derde lid, 2.1.9 eerste lid, 2.1.12, 2.1.13 eerste
                                lid, 2.1.16, 2.2.4 achtste, negende,</al><al>tiende, elfde en twaalfde lid, 2.4.4 eerste lid, 2.4.4a, 2.4.4b
                                eerste en vierde lid, 2.4.4c, 2.4.5,</al><al>2.4.5a, 2.4.5b, 2.4.6 en 2.7.3 eerste en tweede lid van de Algemene
                                Plaatselijke Verordening</al><al>groepsgewijs niet naleven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van
                                de Gemeentewet, bij</al><al>verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan
                                wel bij ernstige vrees</al><al>voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin
                                gelegen voor het publiek</al><al>openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied .</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>10</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1</nr><titel>Verblijfsontzegging</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                die zich gedraagt in strijd</al><al>met artikel 2.1.1, 2.4.4, 2.4.4b, 2.4.4c, 2.4.5, 2.4.5a, 2.4.5b,
                                2.4.6, 2.4.17, 3.1.7, 3.3.2, 3.3.3, of</al><al>3.3.5 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod
                                genoemd tijdvak van 24 uur te</al><al>bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
                                nabijheid waarvan de genoemde</al><al>gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging).</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                aan wie eerder een</al><al>verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van
                                wie binnen zes maanden na het</al><al>opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw
                                gedraagt in strijd met de in het</al><al>eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende
                                een in dat verbod</al><al>genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat
                                verbod aangewezen</al><al>plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen
                                hebben plaatsgehad.</al><al>3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                aan wie eerder een</al><al>verblijfsontzegging voor de duur van veertien dagen is opgelegd en
                                ten aanzien van wie binnen</al><al>zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat
                                hij zich opnieuw gedraagt</al><al>in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod
                                opleggen om zich gedurende een</al><al>in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te
                                bevinden op in dat verbod</al><al>aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde
                                gedragingen hebben</al><al>plaatsgehad.</al><al>4.De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde lid
                                genoemde verboden, indien dat</al><al>in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                noodzakelijk is.</al><al>5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Seksinrichtingen, Escortbedrijven, Straatprostitutie e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>A.<cursief>prostitutie</cursief>: het zich beschikbaar stellen tot
                                het verrichten van seksuele handelingen met een</al><al>ander tegen vergoeding;</al><al>B.<cursief>prostituee: </cursief>degene die zich beschikbaar stelt
                                tot het verrichten van seksuele handelingen met</al><al>een ander tegen vergoeding;</al><al>C.<cursief>seksinrichting: </cursief>de voor publiek toegankelijke,
                                besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een</al><al>omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden
                                verricht, of vertoningen van</al><al>erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval</al><al>verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
                                parenclub of een prostitutiebedrijf</al><al>waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>D.<cursief>escortbedrijf: </cursief>de natuurlijke persoon, groep
                                van personen of rechtspersonen die bedrijfsmatig</al><al>of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                die op een andere plaats dan in</al><al>de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>E.<cursief>exploitant: </cursief>de natuurlijke persoon of personen
                                of rechtspersoon of rechtspersonen die een</al><al>seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot
                                vertegenwoordiging van die</al><al>rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                personen;</al><al>F.<cursief>beheerder: </cursief>de natuurlijke persoon of personen
                                die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent</al><al>in een seksinrichting of escortbedrijf;</al><lijst><li nr="G."><al><cursief>bezoeker: </cursief>degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen</al></li></lijst></li></lijst><al>noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.1.10 genoemde belangen, kan het
                                college met betrekking tot de</al><al>uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                                vaststellen.</al><al><vet><cursief>Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie
                                        e.d.</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder</al><al>vergunning van de burgemeester.</al><al>2.In de aanvraag voor de vergunning wordt in ieder geval vermeld,
                                dan wel bij de aanvraag</al><al>wordt in ieder geval gevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>een plattegrond van de inrichting met een schaal van
                                        tenminste 1:100 waarop duidelijk het</al></li></lijst><al>aantal werkruimten is aangegeven;</al><lijst><li nr="e."><al>het aantal werkzame prostituees;</al></li><li nr="f."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                        middel van een situatietekening</al></li></lijst><al>met een schaal van tenminste 1:1000;</al><lijst><li nr="g."><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer
                                        van Koophandel;</al></li><li nr="h."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant (zelfstandig)
                                        gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte</al></li></lijst><al>bestemd voor de seksinrichting;</al><lijst><li nr="i."><al>de telefoonnummers waarmee het escortbedrijf de prostitutie
                                        aanbiedt.</al><lijst><li nr="3."><al>De in lid 2 van dit artikel gestelde eisen onder d
                                                en f gelden niet voor een escortbedrijf.</al></li><li nr="4."><al>Per seksinrichting of escortbedrijf wordt niet meer
                                                dan één aanvraag tegelijk in behandeling</al></li></lijst></li></lijst><al>genomen.</al><al>5.De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en op
                                naam gesteld van de</al><al>exploitant en de beheerders, de vergunning is niet
                                overdraagbaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.4</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                                ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht
                                                levensgedrag;</al></li><li nr="c."><al>en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                                bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                        of de beheerder in ieder geval niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                                Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst
                                                of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek
                                                van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                                veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
                                                van zes maanden of meer door de rechter in
                                                Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                                door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                                naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                                hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het
                                                Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                                rechterlijke uitspraken onherroepelijk</al></li></lijst></li></lijst><al>veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of
                                tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens
                                overtreding van:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                        de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                        Vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c t/m 137g, 140, 197a, 197b, 197c, 240b, 242
                                        t/m 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 t/m 303, 416, 417,
                                        417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                        Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jo
                                        artikel 8 of jo artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                        1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
                                        Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><lijst><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid
                                                wordt gelijk gesteld;</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als
                                                  bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het
                                                  Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid,
                                                  onder a van de Algemene Wet inzake
                                                  rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375
                                                  euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                                  voorwaardelijke straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                                wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning
                                                  teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de
                                                  aanvraag;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning
                                                  teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van
                                                  deze vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste
                                                vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van
                                                een inrichting die voor tenminste één maand door de
                                                burgemeester is gesloten, of waarvan de vergunning
                                                als bedoeld in artikel 3.1.3 is ingetrokken, tenzij
                                                aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt
                                                treft.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.5</nr><titel>Aanwezigheid van een toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend hebben,
                                zonder dat de ingevolge</al><al>artikel 3.1.3 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in
                                de seksinrichting aanwezig is.</al><lijst><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend
                                        op toe te zien dat in de inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                                ieder geval de feiten als genoemd in de titels</al></li></lijst></li></lijst><al>XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en
                                XXX (heling) van het</al><al>Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de
                                Wet wapens en minutie;</al><al>b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                bij of krachtens de Wet</al><al>arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al>3.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen jonger dan
                                18 jaar toegang te verlenen</al><al>tot de seksinrichting.</al><al>4.De exploitant en beheerder van een escortbedrijf treft maatregelen
                                ter waarborging van de</al><al>veiligheid van de prostituee en ter voorkoming van feiten genoemd in
                                het tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe</al><al>te staan of te laten verblijven tussen 01.00 en 07.00 uur en in het
                                weekeinde (vrijdagavond en</al><al>zaterdagavond) tussen 02.00 en 07.00 uur.</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- of leefklimaat voor een</al><al>bepaald gebied voor een of meer inrichtingen de in het eerste lid
                                genoemde sluitingstijden, al dan</al><al>niet tijdelijk, beperken, dan wel andere sluitingstijden
                                vaststellen.</al><al>3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd</al><al>dat die inrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens
                                artikel 3.1.13, gesloten dient te zijn.</al><al>4.Het in het eerste lid of het krachtens het tweede bepaalde geldt
                                niet voor zover krachtens het</al><al>bepaalde in de Wet milieubeheer aan de seksinrichting
                                sluitingstijden zijn voorgeschreven die op</al><al>een vroeger tijdstip zijn gelegen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.7</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot</al><al>prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken.</al><al>2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door</al><al>politieambtenaren of toezichthouders het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een</al><al>bepaalde richting te verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><cursief>goederen, afbeeldingen en dergelijke</cursief></al><al>1.In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het</al><al>betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                                erven als bedoeld in artikel</al><al>174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al><al>2.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen,</al><al>opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen van erotischpornografische</al><al>aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te
                                brengen:</al><al>a.indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekend gemaakt dat de wijze</al><al>van tentoonstellen, aanbieding of aanbrengen daarvan, de openbare
                                orde of de woon- en</al><al>leefomgeving in gevaar brengt;</al><al>b.anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare</al><al>orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of</al><al>aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                geschreven stukken dan wel</al><al>afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                gevoelens als bedoeld in artikel 7,</al><al>eerste lid van de Grondwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.8a</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt onder sekswinkel verstaan: de voor het
                                publiek toegankelijke,</al><al>besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                erotisch-pornografische aard aan particulieren</al><al>plegen te worden verkocht of verhuurd.</al><al>2.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te</al><al>exploiteren in het door het college in het belang van de openbare
                                orde of de woon-en</al><al>leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al><al><vet><cursief>Beslistermijn; weigeringsgronden; geldigheid
                                        vergunning</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.9</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.De burgemeester beslist op de aanvraag om vergunning als bedoeld
                                in artikel 3.1.3, eerste lid,</al><al>binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag met de bijbehorende
                                gegevens en bescheiden</al><al>is ontvangen.</al><al>2.De burgemeester kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste twaalf
                                weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.10</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                        burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3,
                                        eerste lid, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de inrichting in strijd is met
                                                een geldend bestemmingsplan of met een
                                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de
                                                zin van de Wet op de stads- en
                                                dorpsvernieuwing;</al></li><li nr="b."><al>indien de vestiging of exploitatie in strijd is met
                                                de grond van artikel 3.1.2 bij nadere regels
                                                gestelde inrichtings- en bedrijfsvoeringseisen;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen
                                                werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f
                                                van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of
                                                krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                                Vreemdelingenwet bepaalde;</al></li><li nr="d."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                                artikel 3.1.4 gestelde eisen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in artikel
                                        1.8, de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste
                                        lid,weigeren als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar
                                        loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de
                                        inrichting nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van
                                        deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening
                                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>het karakter van de straat en de wijk waarin de
                                                inrichting is gelegen of zal komen te liggen;</al></li><li nr="b."><al>de aard van de inrichting;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                                blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                                exploitatie van de inrichting.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                        bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, worden geweigerd in
                                        het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                        prostituee.</al></li></lijst><al><cursief>3.1.10a Intrekkingsgronden</cursief></al><al>De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd,
                                gedeeltelijk of geheel</al><al>intrekken, indien:</al><al>a.blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige
                                gegevens en bescheiden is</al><al>verleend;</al><al>b.de ingevolge artikel 3.1.3, tweede lid, onder a in de vergunning
                                vermelde exploitant niet</al><al>feitelijk de exploitatie voert;</al><al>c.de exploitant of beheerder bepalingen in deze paragraaf, de nadere
                                regels bedoeld in artikel</al><al>3.1.2 dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning,
                                overtreedt;</al><lijst><li nr="d."><al>in de seksinrichting een minderjarige prostituee wordt
                                        aangetroffen;</al></li><li nr="e."><al>in de seksinrichting een prostituee zonder een voor het
                                        verrichten van arbeid geldige</al></li></lijst><al>verblijfstitel wordt aangetroffen;</al><al>f.een escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een
                                minderjarige prostituee of een</al><al>prostituee zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                                verblijfstitel;</al><al>g.er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn
                                getroffen in het belang van de</al><al>veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in
                                de seksinrichting</al><al>werkzame personen, alsmede ter bescherming van de
                                volksgezondheid;</al><al>h.aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem
                                ernstige nalatigheid kan</al><al>worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die
                                een gevaar opleveren voor de</al><al>openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of
                                leefklimaat;</al><al>i.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
                                inrichting, dan wel toestaat of gedoogt</al><al>dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd;</al><al>j.zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening van het
                                anderszins feiten hebben</al><al>voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de
                                seksinrichting of het escortbedrijf</al><al>gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor
                                het woon- en leefklimaat in</al><al>de omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al>k.op grond van verandering van omstandigheden of inzichten,
                                opgetreden na het verlenen van</al><al>een vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt
                                gevorderd door de belangen ter</al><al>bescherming waarvan de vergunning is vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.11</nr><titel>Geldigheid vergunning</titel></kop><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3 heeft een
                                geldigheidsduur van één jaar.</al><al><vet><cursief>Sluitingsgronden</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.12</nr><titel>Sluiting van de seksinrichting</titel></kop><al>1.De burgemeester kan een seksinrichting, al dan niet voor een
                                bepaalde duur, gesloten</al><al>verklaren, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning;</al></li><li nr="b."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan
                                        de vergunning verbonden</al></li></lijst><al>voorschriften;</al><al>c.de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 1.6 genoemde
                                situaties waarin intrekking</al><al>van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.</al><al>2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van
                                een afschrift van het</al><al>bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De
                                sluiting treedt in werking op</al><al>het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</al><al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                bedoelde afschrift wordt</al><al>aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>4.Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting, verboden
                                daarin bezoekers toe te</al><al>laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                gesloten seksinrichting te</al><al>bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</al><al>6.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door de</al><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                plaatsvinden.</al><al><vet><cursief>Beëindiging exploitatie; wijziging
                                    beheer</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.13</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1.De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de
                                seksinrichting of het</al><al>escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2.Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                exploitatie, geeft de exploitant</al><al>daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.14</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1.3, tweede lid,
                                onder b, het beheer in de</al><al>seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant
                                daarvan binnen een week na de</al><al>feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de
                                burgemeester.</al><al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien de</al><al>burgemeester op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
                                verleende vergunning</al><al>overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Kansspelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1a</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al>1.Begripsomschrijvingen</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="B."><al>speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000 (Stb.2000,
                                        223);</al></li><li nr="C."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a
                                        van de Wet;</al></li><li nr="D."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                        c van de Wet;</al></li><li nr="E."><al>hoogdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d
                                        van de Wet;</al></li><li nr="F."><al>laagdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e
                                        van de Wet;</al></li><li nr="G."><al>aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel
                                        30b van de Wet.</al></li><li nr="H."><al>ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                        speelautomatenhal,een</al></li></lijst><al>hoogdrempelige inrichting of een laagdrempelige inrichting
                                exploiteert en de wettelijke</al><al>vertegenwoordiger van die rechtspersoon;</al><al>I.een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een
                                spel door middel van</al><al>speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid,
                                onder c, van de wet;</al><al>J.beheerder: degene die belast is met het dagelijks toezicht en de
                                onmiddellijke leiding in de</al><al>speelautomatenhal is belast;</al><al>K.exploitant: degene die ingevolge de vergunning, verleend door de
                                Minister van Economische</al><al>Zaken, bedoeld in artikel 30H van de wet, speelautomaten
                                exploiteert.</al><lijst><li nr="2."><al>Opstelplaatsenbeleid</al><lijst><li nr="a."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten
                                                toegestaan, waarvan maximaal twee</al></li></lijst></li></lijst><al>kansspelautomaten;</al><al>b.In laagdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan,
                                met dien verstande dat</al><al>kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1b</nr><titel>Aanwezigheidsvergunning, tenaamstelling,
                                    niet-overdraagbaarheid</titel></kop><al>1.De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam worden gesteld
                                van de ondernemer en</al><al>is niet overdraagbaar.</al><al>2.In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de inrichting
                                waar de speelautomaten</al><al>worden geplaatst, vermeld.</al><al>3.De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve
                                van de plaatsing van</al><al>speelautomaten die in eigendom toebehoren aan personen die in het
                                bezit zijn van een</al><al>exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de wet en die
                                voorzien zijn van een</al><al>merkteken als bedoeld in artikel 30r van de wet.</al><al>4.De naam van de exploitant van de speelautomaten wordt in de
                                aanwezigheidsvergunning</al><al>vermeld. Bij wijziging dient zulks onverwijld te worden gemeld,
                                waarna de</al><al>aanwezigheidsvergunning wordt aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1c</nr><titel>Overname</titel></kop><al>Indien de inrichting waarvoor de aanwezigheidsvergunning is
                                verleend, wordt overgenomen door</al><al>een nieuwe ondernemer, vervalt de aan de vorige ondernemer
                                verleende</al><al>aanwezigheidsvergunning van rechtswege.</al><al><vet><cursief>Speelautomatenhallen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Vergunningplicht speelautomatenhal</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelautomatenhal te vestigen of</al><al>te exploiteren.</al><al>2.De burgemeester is bevoegd maximaal 1 speelautomatenhalvergunning
                                te verlenen voor een</al><al>speelautomatenhal.</al><al>3.De burgemeester kan uitsluitend een vergunning voor een
                                speelautomatenhal verlenen voor het</al><al>deel van de gemeente dat op de bij deze verordening behorende kaart
                                is aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ondernemer dient de vergunning aan te vragen onder
                                        overlegging van:</al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige beschrijving van de inrichting
                                                waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan,</al></li></lijst></li></lijst><al>alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de
                                speelautomatenhal en in</al><al>welk aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden
                                opgesteld;</al><lijst><li nr="b."><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en
                                        Fabrieken;</al></li><li nr="c."><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de
                                        ruimte te beschikken;</al></li><li nr="d."><al>een verklaring omtrent gedrag van de ondernemer en de
                                        beheerder van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="e."><al>bewijsstukken als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het
                                        Speelautomatenbesluit (kennis</al></li></lijst><al>gokverslaving).</al><al>2.De burgemeester kan nadere regels vaststellen omtrent de inhoud,
                                de inrichting, vorm en wijze</al><al>van indiening van de aanvraag.</al><al>3.De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de
                                ondernemer en is niet</al><al>overdraagbaar.</al><al>4.In de vergunning wordt de naam van de beheerder(s) vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij
                                de aanvraag met</al><al>bijbehorende bescheiden heeft ontvangen. De beslissing kan eenmaal
                                voor ten hoogste twaalf</al><al>weken worden verdaagd.</al><al>2.Van zijn daartoe strekkend besluit doet hij voor het verstrijken
                                van de in het eerste lid</al><al>genoemde termijn schriftelijk mededeling aan de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Wijziging beheerder</titel></kop><al>1.Indien een overeenkomstig artikel 3.2.3, vierde lid, in de
                                vergunning vermelde beheerder de</al><al>hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de ondernemer dit
                                onverwijld te melden aan de</al><al>burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>De vergunning komt te vervallen indien:</al><al>1.Een ondernemer komt te overlijden danwel indien een ondernemer de
                                exploitatie van zijn</al><al>speelautomatenhal beëindigt.</al><al>2.Gedurende 6 maanden geen exploitatie heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><al>De door de burgemeester aan de vergunning te verbinden voorschriften
                                hebben in elk geval</al><al>betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de sluitingstijden van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="b."><al>het toezicht in de speelautomatenhal;</al></li><li nr="c."><al>het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal
                                        spelers bij volledige bezetting van</al></li></lijst><al>de speelautomaten;</al><lijst><li nr="d."><al>de exploitatie van de hal.</al></li><li nr="e."><al>het oppervlak van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="f."><al>informatie inzake gokverslaving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><al>De vergunning wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                        speelautomatenhallen is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de
                                        openbare weg voor het publiek</al></li></lijst><al>toegankelijk is;</al><lijst><li nr="c."><al>de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                        (hebben) bereikt;</al></li><li nr="d."><al>de ondernemer of de beheerder van de speelautomatenhal niet
                                        voldoet aan de eisen gesteld in</al></li></lijst><al>artikel 4 van het Speelautomatenbesluit;</al><al>e.door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van
                                de burgemeester de</al><al>woon- en leefsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de
                                winkelstraat/winkelbuurt</al><al>nadelig wordt beïnvloed;</al><al>f.de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd
                                oplevert met het geldende</al><al>bestemmingsplan, dan wel met een stadsvernieuwingsplan of
                                leefmilieuverordening in de zin van</al><al>de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.9</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><al>De burgemeester kan de vergunning intrekken:</al><al>a.indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens en</al><al>bescheiden is verleend;</al><al>b.indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de
                                vergunning is afgegeven zodanig</al><al>zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel
                                3.2.8, onder e;</al><lijst><li nr="c."><al>indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning
                                        verbonden voorschriften;</al></li><li nr="d."><al>indien aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder(s)
                                        betrokken is, of hem ernstige</al></li></lijst><al>nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de
                                speelautomatenhal, die een</al><al>gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen van
                                het woon- of leefklimaat</al><al>in de omgeving van de speelautomatenhal;</al><al>e.indien de ondernemer of beheerder(s) strafbare feiten pleegt in de
                                inrichting, dan wel toestaat</al><al>of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
                                gepleegd;</al><al>f.indien de ondernemer of de beheerder(s) zich schuldig maakt aan
                                discriminatie naar ras,</al><al>geslacht of seksuele geaardheid;</al><al>g.indien zich in de speelautomatenhal anderszins feiten hebben
                                voorgedaan, die de vrees</al><al>wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal ernstig
                                gevaar oplevert voor de</al><al>openbare orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.10</nr><titel>Geldigheidsduur vergunning</titel></kop><al>Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel
                                3.2.2, eerste lid, heeft een</al><al>geldigheidsduur van twee jaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.11</nr><titel>Gokken op de openbare weg</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of
                                geldwaarde te spelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.12</nr><titel>Sluiting overlastgevende gokpanden</titel></kop><al>1.Indien de rechthebbende op of de beheerder van een inrichting een
                                perceel of perceelsgedeelte</al><al>of enige andere ruimte waarover hij de beschikking heeft, toestaat
                                of gedoogt, dat daarin een</al><al>kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de Wet op de kansspelen
                                van toepassing is en</al><al>waarvoor op grond van die wet geen vergunning is verleend, kan de
                                burgemeester, indien zulks</al><al>naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter
                                voorkoming of beperking van overlast</al><al>of aantasting van het woon- en leefklimaat is vereist, de sluiting
                                van die inrichting, dat perceel of</al><al>perceelsgedeelte of die ruimte bevelen.</al><al>2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van
                                een afschrift van zijn</al><al>bevel op of nabij de toegang of toegangen van de inrichting, het
                                perceel of perceelsgedeelte of de</al><al>ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld
                                afschrift is aangebracht.</al><al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                bedoelde afschrift wordt</al><al>aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht
                                is.</al><al>4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting, een
                                perceel of perceelsgedeelte</al><al>of enige andere ruimte als bedoeld in het eerste lid verboden daarin
                                bezoekers toe te laten of</al><al>daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.</al><al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                gesloten inrichting, perceel of</al><al>perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker
                                daarin te verblijven.</al><lijst><li nr="6."><al>Onder bezoekers wordt voor de toepassing van het vierde en
                                        vijfde lid niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de levenspartner en kinderen van de rechthebbende of
                                                beheerder, alsmede zijn elders wonende</al></li></lijst></li></lijst><al>bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner in de rechte
                                lijn onbeperkt, in de zijlijn tot</al><al>en met de derde graad;</al><al>b.de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting, het perceel of
                                perceelsgedeelte of de</al><al>ruimte wegens dringende redenen strikt noodzakelijk is.</al><al>7.De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de
                                burgemeester worden opgeheven</al><al>wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe
                                aanleiding geven en naar zijn</al><al>oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de
                                feiten of gedragingen die tot</al><al>sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Drugs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Sluiting overlastgevende drugspanden e.d.</titel></kop><al>Van rechtswege vervallen</al><al><vet><cursief>Overige drugsoverlast</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Verkoop van drugs</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de openbare weg met de</al><al>daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te
                                vatten of zich daar heen en weer te</al><al>bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig
                                te bevinden of daarmee</al><al>heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen
                                als bedoeld in de artikelen 2</al><al>en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen
                                betaling af te leveren, aan te</al><al>bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te
                                bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.3</nr><titel>Verzamelingen van personen in verband met drugs</titel></kop><al>1.Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer dan
                                vier personen deel te</al><al>nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het
                                openlijk gebruik van of de</al><al>handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
                                Opiumwet.</al><al>2.Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in
                                het eerste lid bedoeld, is</al><al>verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van
                                politie of een toezichthouder zijn</al><al>weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te
                                verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.4</nr></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.5</nr><titel>Openlijk gebruik</titel></kop><al>Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor</al><al>publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2
                                en 3 van de Opiumwet te</al><al>gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te
                                verrichten of ten behoeve van dat</al><al>gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.6</nr><titel>Weggooien van spuiten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
                                naalden, reservoirs, zuigers e.d.</al><al>of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in
                                afvalbakken achter te</al><al>laten, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks
                                geschiedt om afstand van het</al><al>voorwerp te doen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON</titel></kop><structuurtekst><al><vet>EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="B."><al>Inrichting: een inrichting type A of type B als bedoeld in
                                        het Besluit en waarop artikel 2.3.1,</al></li></lijst><al>2.3.2 en 2.3.3 van toepassing zijn;</al><al>C.Houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een</al><al>inrichting drijft;</al><al>D.Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of
                                een klein aantal inrichtingen is</al><al>verbonden;</al><al>E.Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                                aan één of een klein aantal</al><al>inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><al>1.De voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet
                                voor ten hoogste twaalf door</al><al>het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                gedurende de daarbij aan te</al><al>wijzen dagen of dagdelen.</al><al>2.Het voorschrift 4.113 eerste lid van het Besluit geldt niet voor
                                ten hoogste twaalf door het</al><al>college per kalenderjaar aan te wijzen dagen of dagdelen.</al><al>3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan
                                het college bepalen dat de</al><al>aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.</al><al>4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                begin van een nieuw</al><al>kalenderjaar bekend.</al><al>5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was een</al><al>festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                eerste lid aanwijzen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>kennisgeving incidentele activiteiten</titel></kop><al>1.Het is een inrichting toegestaan maximaal tien incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te</al><al>houden waarbij de voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                niet van toepassing zijn, mits</al><al>de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang
                                van de festiviteit het college</al><al>daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>2.Het is een inrichting toegestaan maximaal tien incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te</al><al>houden waarbij het voorschrift 4.113 eerste lid van het Besluit niet
                                van toepassing is, mits de</al><al>houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van
                                de festiviteit het college</al><al>daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de
                                kennisgeving als bedoeld in het eerste</al><al>en tweede lid.</al><al>4.De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het
                                in het derde lid bedoelde</al><al>formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd
                                op de plaats op dat formulier</al><al>vermeld.</al><al>5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                college op verzoek van de</al><al>houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die
                                redelijkerwijs niet te voorzien was,</al><al>toestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verboden incidentele activiteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele activiteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan</al><al>deel te nemen, indien de burgemeester het organiseren van een
                                incidentele activiteit verboden</al><al>heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de
                                omgeving van de inrichting of</al><al>openbare orde op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><al>1.Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                hebben of handelingen te</al><al>verrichten of te laten verrichten, waardoor voor een omwonende of
                                overigens voor de omgeving</al><al>geluidhinder wordt veroorzaakt.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde
                                        ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>In het eerste lid bepaalde geldt niet, voor zover de Wet
                                        milieubeheer gebaseerd voorschriften,</al></li></lijst><al>de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht,
                                de Luchtvaartwet, het</al><al>Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het
                                Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke</al><al>stoffen van toepassing zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan dan wel mede verstaan:</al><lijst><li nr="A."><al>wet: Wet milieubeheer;</al></li><li nr="B."><al>inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen
                                        van afvalstoffen die binnen de</al></li></lijst><al>gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen
                                en innemen daarvan;</al><al>C.ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen
                                aan een inzamelende</al><al>persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in
                                daartoe door of vanwege de</al><al>inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of
                                -voorzieningen of op een daartoe</al><al>aangewezen plaats;</al><al>D.inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd
                                hulp- of bewaarmiddel,</al><al>bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of
                                big bag, ten behoeve van</al><al>één huishouden;</al><al>E.inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen
                                bestemd(e) bewaarmiddel of -</al><al>plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of
                                brengdepot, ten behoeve van</al><al>meerdere huishoudens;</al><al>F.inzameldienst: de krachtens artikel 4.2.7, eerste lid, aangewezen
                                inzameldienst, belast met de</al><al>inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;</al><al>G.andere inzamelaars: de krachtens artikel 4.2.7, tweede lid,
                                aangewezen personen en instanties,</al><al>belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke
                                afvalstoffen;</al><lijst><li nr="H."><al>inzamelvergunning: de vergunning zoals bedoeld in artikel
                                        4.2.11;</al></li><li nr="I."><al>gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente
                                        feitelijk gebruik maakt van een perceel</al></li></lijst><al>ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.22 van de Wet milieubeheer
                                een verplichting tot het</al><al>inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;</al><al>J.straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang
                                en gewicht, zoals proppen,</al><al>papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes,
                                verpakkingsmateriaal,</al><al>etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een
                                perceel;</al><al>K.wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                                met inbegrip van de</al><al>daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende
                                paden en bermen of zijkanten;</al><al>L.motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs
                                spoorstaven te worden</al><al>voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of
                                aan het voertuig zelf</al><al>aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van
                                elders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of
                                ontheffing binnen 8 weken na de</al><al>dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><al>2.Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken
                                verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie</al><al>weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of
                                ontheffing nodig heeft, kan het</al><al>college besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2.Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, vergunningen of
                                ontheffingen kan de in het</al><al>eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht
                                weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften</al><al>en beperkingen worden verbonden in het belang van de bescherming van
                                het milieu.</al><al>2.De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht de daaraan
                                verbonden voorschriften</al><al>en beperkingen na te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                                krachtens verordening anders is</al><al>bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van de vergunning of
                                    ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het</al></li></lijst><al>verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat
                                intrekking of wijziging</al><al>moet worden gevorderd in het belang van de bescherming van het
                                milieu;</al><al>c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften
                                en beperkingen niet zijn of</al><al>worden nagekomen;</al><al>d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                binnen een daarin</al><al>gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn
                                binnen een redelijke termijn;</al><al>e.indien de houder dit verzoekt.</al><al><vet><cursief>Inzameling van huishoudelijke
                                    afvalstoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.7</nr><titel>Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars</titel></kop><al>1.Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en de
                                in deze verordening bedoelde</al><al>“inzameling van huishoudelijke afvalstoffen” wordt aangewezen: N.V.
                                Irado, van Heekstraat 15,</al><al>3125 BN te Schiedam.</al><al>2.Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars
                                aanwijzen die zijn belast met het</al><al>afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke
                                afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.8</nr><titel>Afzonderlijke inzameling</titel></kop><al>Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende
                                categorieën huishoudelijke</al><al>afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:</al><lijst><li nr="a."><al>groente-, fruit- en tuinafval</al></li><li nr="b."><al>klein chemisch afval;</al></li><li nr="c."><al>glas;</al></li><li nr="d."><al>oud papier en karton;</al></li><li nr="e."><al>textiel;</al></li><li nr="f."><al>wit- en bruingoed;</al></li><li nr="g."><al>bouw- en sloopafval;</al></li><li nr="h."><al>verduurzaamd hout;</al></li><li nr="i."><al>grof tuinafval;</al></li><li nr="j."><al>grof huishoudelijk afval;</al></li><li nr="k."><al>huishoudelijk restafval;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.9</nr><titel>Inzamelmiddelen en -voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De inzameling kan plaatsvinden via:</al><lijst><li nr="a."><al>een inzamelmiddel voor de gebruiker van een
                                                perceel;</al></li><li nr="b."><al>een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een
                                                aantal percelen;</al></li><li nr="c."><al>een inzamelvoorziening op wijkniveau;</al></li><li nr="d."><al>een brengdepot op lokaal of regionaal niveau.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van
                                        gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of</al></li></lijst><al>via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde
                                categorie huishoudelijke</al><al>afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel
                                plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.10</nr><titel>Frequentie van inzamelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Huishoudelijk restafval wordt tenminste eenmaal per week bij
                                        elk perceel ingezameld.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid wordt huishoudelijk
                                        restafval bij hoogbouw en gestapelde</al></li></lijst><al>laagbouw tenminste eenmaal per week nabij elk perceel
                                ingezameld.</al><al>3.Groente-, fruit- en tuinafval wordt tenminste eenmaal per week
                                afzonderlijk bij elk perceel</al><al>ingezameld.</al><al>4.In afwijking van het derde lid wordt groente-, fruit- en tuinafval
                                bij woonruimten zonder tuin</al><al>eenmaal per week afzonderlijk nabij elk perceel ingezameld.</al><al>5.Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de
                                overige categorieën</al><al>huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk in aangewezen delen van
                                de gemeente bij elk perceel</al><al>worden ingezameld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.11</nr><titel>Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens
                                    vergunning</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder inzamelvergunning van het college
                                huishoudelijke afvalstoffen in te</al><al>zamelen.</al><al>2.De inzamelvergunning kan worden geweigerd in het belang van een
                                doelmatig beheer van</al><al>huishoudelijke afvalstoffen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor de inzameldienst of andere
                                        inzamelaars.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het
                                        kader van</al></li></lijst><al>producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur
                                een inzamelplicht hebben</al><al>gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.</al><al><vet><cursief>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                        afvalstoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.12</nr><titel>Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen aan</titel></kop><al><cursief>anderen</cursief></al><al>1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te
                                bieden aan een ander dan de</al><al>inzameldienst, andere inzamelaars en aan de houders van een
                                inzamelvergunning.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader
                                van</al><al>producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur
                                een inzamelplicht hebben</al><al>gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.13</nr><titel>Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen door</titel></kop><al><cursief>anderen dan de gebruikers van percelen</cursief></al><al>1.Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om
                                huishoudelijke afvalstoffen ter</al><al>inzameling aan te bieden aan de inzameldienst of de andere
                                inzamelaars.</al><al>2.Het college kan besluiten dat het aan anderen dan gebruikers van
                                percelen verboden is om</al><al>huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de
                                houder van een</al><al>inzamelvergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.14</nr><titel>Afzonderlijk ter inzameling aanbieden</titel></kop><al>1.De navolgende afvalstoffen dienen gescheiden aan de inzameldienst
                                te worden aangeboden:</al><al>a<vet>. </vet>groente-, fruit- en tuinafval;</al><lijst><li nr="b."><al>klein chemisch afval;</al></li><li nr="c."><al>glas;</al></li><li nr="d."><al>oud papier en karton;</al></li><li nr="e."><al>textiel;</al></li><li nr="f."><al>wit- en bruingoed;</al></li><li nr="g."><al>bouw- en sloopafval;</al></li><li nr="h."><al>verduurzaamd hout;</al></li><li nr="i."><al>grof tuinafval;</al></li><li nr="j."><al>asbest en asbesthoudend afval;</al></li><li nr="k."><al>grof huishoudelijk afval;</al></li><li nr="l."><al>huishoudelijk restafval;</al><lijst><li nr="2."><al>Als inzameldienst, waaraan de in het eerste lid
                                                bedoelde categorieën van huishoudelijke</al></li></lijst></li></lijst><al>afvalstoffen moeten worden aangeboden wordt aangewezen: N.V. Irado,
                                van Heekstraat 15, 3125</al><al>BN te Schiedam.</al><al>3.Het is verboden de aangewezen categorieën huishoudelijke
                                afvalstoffen aan te bieden aan</al><al>anderen dan de krachtens het tweede lid aangewezen
                                inzameldienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.14a</nr><titel>Ongeadreseerd reclamedrukwerk</titel></kop><al>Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of te
                                laten bezorgen bij een</al><al>woning, bedrijf of woonschip, indien de bewoner ervan of gebruiker
                                ervan duidelijk kenbaar</al><al>heeft gemaakt (op een door het college vastgestelde wijze) geen
                                prijs te stellen op het ontvangen</al><al>van ongeadresseerd reclamedrukwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.15</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                                    een</titel></kop><al><cursief>inzamelmiddel voor de gebruiker van een
                                perceel</cursief></al><al>1.Het is voor de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie
                                krachtens artikel 4.2.9, tweede</al><al>lid, voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen een
                                inzamelmiddel is aangewezen of</al><al>van gemeentewege is verstrekt, verboden de betreffende afvalstoffen
                                anders aan te bieden dan via</al><al>het daartoe aangewezen of verstrekte inzamelmiddel.</al><al>2.Het is voor de gebruiker van een perceel verboden andere
                                categorieën huishoudelijke</al><al>afvalstoffen via een inzamelmiddel aan te bieden, dan de categorie
                                waarvoor dit inzamelmiddel</al><al>krachtens artikel 4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent de plaatsen en wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen</al><al>via een inzamelmiddel ter inzameling moeten worden aangeboden.</al><al>4.Het college kan regels stellen met betrekking tot het maximale
                                gewicht van de afvalstoffen per</al><al>inzamelmiddel en het maximale aantal inzamelmiddelen dat per keer
                                kan worden aangeboden.</al><al>5.Indien van gemeentewege een inzamelmiddel aan de gebruiker van een
                                perceel is verstrekt</al><al>kan het college regels stellen omtrent de voorwaarden waaronder het
                                inzamelmiddel is verstrekt,</al><al>het gebruik en het reinigen daarvan.</al><al>6.Indien het inzamelmiddel niet van gemeentewege is verstrekt, kan
                                het college eisen stellen aan</al><al>het te gebruiken inzamelmiddel.</al><al>7.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter
                                inzameling aan te bieden dan</al><al>krachtens dit artikel is bepaald.</al><al>8.Het is verboden voor anderen dan de gebruiker van een perceel ten
                                behoeve van wie krachtens</al><al>artikel 4.2.9, tweede lid, een inzamelmiddel is verstrekt of
                                aangewezen, hun afvalstoffen ter</al><al>inzameling aan te bieden via dit inzamelmiddel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.16</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                                    een</titel></kop><al><cursief>inzamelvoorziening ten behoeve van een groep
                                    percelen</cursief></al><al>1.Het is de gebruiker van een perceel voor wie krachtens artikel
                                4.2.9, tweede lid, mede ten</al><al>behoeve van zijn perceel een inzamelvoorziening voor een bepaalde
                                categorie huishoudelijke</al><al>afvalstoffen is aangewezen, verboden de betreffende afvalstoffen
                                anders aan te bieden dan via de</al><al>betreffende inzamelvoorziening.</al><al>2.Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via
                                een inzamelvoorziening</al><al>voor een aantal percelen aan te bieden, dan de categorie waarvoor
                                deze inzamelvoorziening</al><al>krachtens artikel 4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>3.Het college kan regels stellen ten aanzien van de wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen via</al><al>een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen moet
                                worden aangeboden.</al><al>4.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze aan te
                                bieden via een</al><al>inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen dan krachtens
                                het derde lid is bepaald.</al><al>5.Het is verboden voor anderen dan de gebruikers van percelen voor
                                wie krachtens artikel 4.2.9,</al><al>tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, huishoudelijke
                                afvalstoffen aan te bieden via</al><al>deze inzamelvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.17</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                    via</titel></kop><al><cursief>inzamelvoorzieningen op wijkniveau</cursief></al><al>1.Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via
                                een inzamelvoorziening op</al><al>wijkniveau aan te bieden dan de categorie waarvoor de
                                inzamelvoorziening krachtens artikel</al><al>4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>2.Het college kan regels stellen omtrent de wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen ter</al><al>inzameling kunnen worden aangeboden via een inzamelvoorziening op
                                wijkniveau.</al><al>3.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via
                                een inzamelvoorziening op</al><al>wijkniveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het tweede lid
                                is bepaald.</al><al>4.Het verbod in artikel 4.2.15, zevende lid, en artikel 4.2.16,
                                vierde lid, geldt niet voor het</al><al>aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen
                                op wijkniveau</al><al>overeenkomstig dit artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.18</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                                    een brengdepot op</titel></kop><al><cursief>lokaal of regionaal niveau</cursief></al><al>1.Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via
                                een brengdepot op lokaal</al><al>of regionaal niveau aan te bieden dan de categorieën waarvoor het
                                brengdepot krachtens artikel</al><al>4.2.9, tweede lid, is bestemd.</al><al>2.Het college kan regels stellen omtrent de wijze waarop
                                huishoudelijke afvalstoffen ter</al><al>inzameling kunnen worden aangeboden bij het brengdepot op lokaal of
                                regionaal niveau.</al><al>3.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via
                                een brengdepot op lokaal of</al><al>regionaal niveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het
                                derde lid is bepaald.</al><al>4.Het verbod in artikel 4.2.15, zevende lid, en artikel 4.2.16,
                                vierde lid, geldt niet voor het</al><al>aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op
                                lokaal of regionaal niveau</al><al>overeenkomstig dit artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.19</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                    zonder inzamelmiddel</titel></kop><al>1.Het college kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen
                                die zonder inzamelmiddel</al><al>als bedoeld in artikel 4.2.9 van deze verordening ter inzameling
                                kunnen worden aangeboden.</al><al>2.Het college kan regels stellen over de wijze waarop deze
                                categorieën huishoudelijke</al><al>afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.</al><al>3.Het college kan regels stellen over het maximale gewicht, de
                                afmetingen en het volume</al><al>waarop deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling
                                moeten worden aangeboden.</al><al>4.Het is verboden deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen op
                                andere wijze ter inzameling</al><al>aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.20</nr><titel>Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden</titel></kop><al>1.Het college stelt de regels vast omtrent de dagen, tijden, wijze
                                en plaatsen waarop categorieën</al><al>huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden
                                aangeboden.</al><al>2.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te
                                bieden in strijd met deze</al><al>regels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.21</nr><titel>Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van
                                    huishoudelijke</titel></kop><al><cursief>afvalstoffen</cursief></al><al>In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald kan het
                                college regels stellen omtrent het in</al><al>bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                afvalstoffen aan de</al><al>inzameldienst of andere inzamelaars.</al><al><vet><cursief>Inzameling van
                                bedrijfsafvalstoffen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.22</nr><titel>Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst</titel></kop><al>Het college kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door
                                de inzameldienst worden</al><al>ingezameld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.23</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de
                                    inzameldienst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de
                                        inzameldienst.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 4.2.22
                                        aangewezen categorieën</al></li></lijst><al>bedrijfsafvalstoffen, voor zover degene die gebruik maakt van de
                                inzameling door de</al><al>inzameldienst met deze inzameldienst hiertoe een overeenkomst heeft
                                gesloten.</al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en
                                plaatsen waarop de</al><al>krachtens artikel 4.2.22 aangewezen bedrijfsafvalstoffen aan de
                                inzameldienst ter inzameling</al><al>kunnen worden aangeboden.</al><al>4.Het is verboden de krachtens artikel 4.2.22 aangewezen
                                bedrijfsafvalstoffen ter inzameling</al><al>aan te bieden in strijd met deze regels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.24</nr><titel>Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een
                                    ander dan de</titel></kop><al><cursief>inzameldienst</cursief></al><al>1.Het college kan regels stellen voor het ter inzameling aanbieden
                                van bedrijfsafvalstoffen aan</al><al>een ander dan de inzameldienst.</al><al>2.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden
                                in strijd met deze regels.</al><al><vet><cursief>Zwerfafval</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.25</nr><titel>Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging</titel></kop><al>1.Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde
                                plaats en buiten een inrichting</al><al>in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op
                                of in de bodem te brengen,</al><al>te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op
                                een wijze die aanleiding kan</al><al>geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het overeenkomstig deze verordening ter inzameling
                                                aanbieden van huishoudelijke</al></li></lijst></li></lijst><al>afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;</al><lijst><li nr="b."><al>het thuiscomposteren van groente-, fruit- en tuinafval;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of
                                        worden gebracht als onvermijdelijk</al></li></lijst><al>gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel
                                het verrichten van andere</al><al>werkzaamheden op of aan de weg.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                bodembescherming of het</al><al>Bouwstoffenbesluit voorziet in de beoogde bescherming van het
                                milieu.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.26</nr><titel>Achterlaten van straatafval</titel></kop><al>1.Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten
                                zonder gebruik te maken van</al><al>de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven
                                bakken, manden of soortgelijke</al><al>voorwerpen.</al><al>2.Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te
                                laten in daartoe van</al><al>gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken,
                                manden of soortgelijke</al><al>voorwerpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.27</nr><titel>Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande
                                    afvalstoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter inzameling
                                gereed staan te</al><al>doorzoeken en te verspreiden.</al><al>2.Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen, die ter
                                inzameling gereed staan, te</al><al>stoten, te schoppen of deze omver te werpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.28</nr><titel>Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><al>De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren
                                worden verkocht die ter</al><al>plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:</al><al>a.een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de
                                inrichting op een duidelijk</al><al>zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan
                                achterlaten;</al><al>b.zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp
                                van een zodanige constructie</al><al>is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die
                                afvalbak, -mand of voorwerp steeds</al><al>tijdig wordt geledigd;</al><al>c.zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de
                                inrichting, doch in ieder geval</al><al>terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de
                                toezicht op de naleving van dit</al><al>artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval,
                                voor zover kennelijk uit of van die</al><al>inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.29</nr><titel>Wegwerpen van reclamebiljetten of ander
                                    promotiemateriaal</titel></kop><al>Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of dergelijke of
                                ander promotiemateriaal onder</al><al>het publiek verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan
                                terstond op te ruimen of te laten</al><al>opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op
                                de weg of een andere voor</al><al>het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden
                                weggeworpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.30</nr><titel>Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige
                                    werkzaamheden</titel></kop><al>1.Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te
                                laden, te lossen of te vervoeren</al><al>of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd
                                of het milieu nadelig kan</al><al>worden beïnvloed.</al><al>2.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen,
                                stoffen of voorwerpen deze weg</al><al>wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene
                                die genoemde</al><al>werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze
                                weg te reinigen of te laten</al><al>reinigen: a. direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien
                                de verontreiniging gevaar voor</al><al>de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek
                                oplevert;</al><al>3.Direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de
                                verontreiniging gevaar voor de</al><al>veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek
                                oplevert;</al><al>4.Direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de
                                verontreiniging geen gevaar voor de</al><al>veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek
                                oplevert;</al><al>5.Indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct
                                na beëindiging van de</al><al>werkzaamheden.</al><al><vet><cursief>Overige onderwerpen die de verordening
                                        aangaan</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.31</nr><titel>Verbod opslag van afvalstoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats
                                in de open lucht en buiten</al><al>een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan of
                                opgeslagen te hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter
                                        inzameling aanbieden van</al></li></lijst><al>huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars
                                of aan houders van een</al><al>inzamelvergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.32</nr><titel>Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden</titel></kop><al>Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van
                                een autowrak, dat afkomstig</al><al>is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen,
                                genoemd in artikel 6 van het</al><al>Besluit Beheer Autowrakken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de</al><al>gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig
                                te parkeren of enig ander</al><al>voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide
                                tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen
                                    en putten</titel></kop><al><cursief>buiten gebouwen</cursief></al><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet</al><al>bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid,
                                nadeel voor de gezondheid of</al><al>hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden/natuurbescherming</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Bewaren van houtopstanden</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
                                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer
                                                bomen;</al></li><li nr="b."><al>dunning: velling, die uitsluitend als een
                                                verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei
                                                van</al></li></lijst></li></lijst><al>de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;</al><al>c.bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                ingevolge artikel 1, vijfde lid,</al><al>van de Boswet, zijnde de grens van de gemeente;</al><lijst><li nr="d."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
                                        de stronk uitlopen;</al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                        Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn.</al></li></lijst><al>Ceratocystis ulmi (Buism. C. Moreau);</al><al>f.iepespintkever: het insekt, in elk ontwikkelingsstadium behorende
                                tot de soorten Scolytus</al><al>scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus
                                pymaeus.</al><al>2.Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder vellen mede
                                verstaan rooien, met inbegrip</al><al>van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood
                                of ernstige beschadiging</al><al>of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te
                                vellen of te doen vellen</al><al>(kapvergunning).</al><lijst><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of
                                                langs landbouwgronden, beide voor zover</al></li></lijst></li></lijst><al>bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al><lijst><li nr="b."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="d."><al>houtopstanden, voor zover deze op een hoogte van 1,30 meter
                                        boven de grond een doorsnede</al></li></lijst><al>hebben van 15 cm of minder;</al><al>e.fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als
                                kerstbomen en geteeld op</al><al>daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;</al><lijst><li nr="f."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                        geveld;</al></li><li nr="g."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                        Bosschap geregistreerde</al></li></lijst><al>bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij
                                de houtopstand een</al><al>zelfstandige eenheid vormt die:</al><lijst><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                        gerekend over het totale aantal</al></li></lijst><al>rijen;</al><al>h.houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet
                                of krachtens een</al><al>aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4.4.7.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Aanvraag kapvergunning</titel></kop><al>1.De vergunning moet, onder bijvoeging van een situatieschets,
                                worden aangevraagd door of</al><al>namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk
                                recht of krachtens</al><al>publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te
                                beschikken.</al><al>2.Wanneer de directeur Bos- en Landschapsbouw van het Ministerie van
                                Landbouw,</al><al>Natuurbeheer en Visserij van het college een afschrift heeft
                                toegezonden van de</al><al>ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
                                beschouwt het</al><al>college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.4</nr><titel>Vergunning ex lege</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet
                                    worden herbeplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan worden verleend onder de voorwaarde van
                                    feitelijk niet-gebruik tot het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de bezwaar of beroepstermijn voor derden is verstreken
                                            zonder dat er bezwaar of beroep is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>op het bezwaarschrift is beslist, in het geval tegen de
                                            beslissing tot verlening van de vergunning bezwaar is
                                            gemaakt als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, van de
                                            Algemene wet bestuursrecht:</al></li><li nr="c."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                            voorziening;</al></li><li nr="d."><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot
                                            voorlopige voorziening is gedaan;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.6</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.4.2, artikel</al><al>4.4.5 of artikel 4.4.7, schade lijdt of zal lijden, die
                                redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste</al><al>behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is
                                verzekerd, kent het college hem op</al><al>zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                                toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.7</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><al>1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toepassing is,</al><al>zonder vergunning van het college is geveld dan wel op andere wijze
                                tenietgegaan, kan het</al><al>college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
                                houtopstand bevond dan wel aan</al><al>degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen
                                bevoegd is, de verplichting</al><al>opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door zijn te geven
                                aanwijzingen binnen een door</al><al>hen te stellen termijn.</al><al>58</al><al>2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan
                                kan daarbij worden bepaald</al><al>binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet
                                geslaagde beplanting moet</al><al>worden vervangen.</al><al>3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toepassing is,</al><al>ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de
                                zakelijk gerechtigde</al><al>van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                die uit anderen hoofde tot</al><al>het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
                                om overeenkomstig de door</al><al>hem te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                voorzieningen te treffen,</al><al>waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al><al>4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                met derde lid is opgelegd,</al><al>alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><al>1.Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het
                                oordeel van het college</al><al>gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor
                                vermeerdering van de</al><al>iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het
                                college is aangeschreven,</al><al>verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                        of zodanig te behandelen dat</al></li></lijst><al>verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</al><al>2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                van geheel ontschorst</al><al>iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm,
                                voorhanden of in voorraad te</al><al>hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                verbod.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen,
                                    mest,</titel></kop><al><cursief>ingekuilde landbouwproducten e.d.</cursief></al><al>1.Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het</al><al>belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                opheffing van overlast dan</al><al>wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                een of meer van de</al><al>volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te
                                slaan, te plaatsen of aanwezig te</al><al>hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                regels:</al><al>a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
                                of vaartuigen of</al><al>onderdelen daarvan;</al><lijst><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                        gewoonlijk voor recreatieve</al></li></lijst><al>doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                hebben daarvan geschiedt</al><al>voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel
                                doel;</al><al>d.mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling ingekuild gras,</al><al>loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afval,
                                afbraakmaterialen en oude metalen.</al><al>2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                verstaan wordt in artikel 1 van</al><al>de Wegenverkeerswet.</al><al>3.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid
                                aangewezen plaats een door</al><al>hen aangeduid voorwerp of stof:</al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan
                                        met inachtneming van de door hen</al></li></lijst><al>gestelde regels.</al><al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                Milieubeheer, de Wet op de</al><al>Ruimtelijke Ordening of de Verordening Bescherming Landschap en
                                Natuur Zuid-Holland of de</al><al>Grondwaterbeschermingsverordening Zuid-Holland van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zonder vergunning van het college op of
                                        aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren
                                        met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                        welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het
                                                inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet
                                                kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de
                                                weg;</al></li><li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                                zaken, daartoe aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50m² en
                                                de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking
                                                hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter
                                                  verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende
                                                  zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                                  hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in
                                                  of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of
                                                  waarvoor die zaak is bestemd;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard
                                                van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen
                                                van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van
                                                het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften
                                                zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                                uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang
                                                zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                                zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien
                                                deze zijn aangebracht ten dienste van dat
                                                vervoer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                                        aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang
                                        zij feitelijke betekenis hebben, mits deze opschriften of
                                        aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende
                                        zaak aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
                                        afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de
                                        veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige
                                        hinder voor de omgeving te veroorzaken.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij
                                                in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li></lijst><al>6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale
                                Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland; </al><al>b.De weigerings grond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2a</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                                onroerende zaak verlichte</al><al>handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar
                                is.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                bedoeld in het eerste lid</al><al>worden geweigerd:</al><al>a.indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan de</al><al>redelijke eisen van welstand;</al><al>b.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van een in de</al><al>nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al>3. a. De weigeringsgrond van het tweede lid onder a geldt niet voor
                                bouwwerken;</al><al>b.De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet voor
                                zover in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanschrijving</titel></kop><al>Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in
                                het tweede lid van artikel</al><al>4.5.2, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame,
                                de veiligheid van het verkeer</al><al>in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt
                                veroorzaakt, is het college</al><al>bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de
                                onroerende zaak aan te</al><al>60</al><al>schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter
                                beperking of ter opheffing van</al><al>gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht,
                                of diens rechtsopvolger, is</al><al>verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan:</al><al>Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin
                                van artikel 40 van de</al><al>Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt
                                wordt of kan worden gebruikt</al><al>voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><al>1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen of</al><al>geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het
                                bestemmingsplan is bestemd</al><al>of mede bestemd.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                eigen gebruik door de</al><al>rechthebbende op een terrein.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                        eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing
                                        worden geweigerd in het belang</al></li></lijst><al>van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.3</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van
                                        artikel 4.6.2 eerste lid, niet geldt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang
                                        van de gronden, genoemd in artikel</al></li></lijst><al>4.6.2. vierde lid.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>DE GEMEENTE SCHIEDAM</vet></al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b
                                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>gehandicaptenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                                voertuigen, rolstoelen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en</al></li></lijst><al>gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers
                                of voor het onmiddellijk</al><al>laden of lossen van goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al>1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te</al><al>stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen,
                                verboden:</al><al>a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren</al><al>binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt
                                een dezer voertuigen, dan wel;</al><lijst><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt
                                                mede verstaan:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al><lijst><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden
                                                niet gerekend:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>voertuigen waarin herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                        verricht die in totaal niet</al></li></lijst><al>meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor
                                en gebruikt wordt voor deze</al><al>werkzaamheden;</al><lijst><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                        eerste lid genoemde persoon.</al><lijst><li nr="4."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde
                                                verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                weggedeelten een voertuig te</al><al>parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                                verhandelen.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen</al><al>gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op zeven
                                achtereenvolgende dagen op de</al><al>weg te parkeren.</al><al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect
                                voertuig mede begrepen een niet</al><al>van een kenteken voorzien voertuig, voor zover voor het rijden met
                                het betrokken voertuig het</al><al>voeren van zodanig kenteken wettelijk verplicht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                        rijtechnisch in onvoldoende staat van</al></li></lijst><al>onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                verkeert.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing</al><al>is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                magazijnwagen,</al><al>aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                recreatie dan wel anderszins</al><al>uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                gebezigd:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                        plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                        dit naar zijn oordeel schadelijk is</al></li></lijst><al>voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                aanhef en onder a, gestelde</al><al>verbod.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                Provinciale caravan- en</al><al>tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement of de provinciale
                                landschapsverordening van</al><al>toepassing is.</al><al>4.Het in artikel 7, lid 1, van de Parkeerverordening Gemeente
                                Schiedam 2003 gestelde verbod</al><al>geldt niet voor een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                magazijnwagen,</al><al>aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                recreatie dan wel anderszins</al><al>uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                gebezigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                van handelsreclame op de</al><al>weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te
                                maken.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6</al><al>meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door
                                het college aangewezen</al><al>plaats, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het
                                uiterlijk aanzien van de</al><al>gemeente.</al><al>2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6</al><al>meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit
                                parkeren naar hun oordeel</al><al>buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag,</al><al>dagelijks van 8.00 uur tot 18.00 uur.</al><al>4.Het college kan van in de het eerste en tweede lid gestelde
                                verboden ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6</al><al>meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren
                                bij een voor bewoning of</al><al>ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat
                                daardoor het uitzicht van</al><al>bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt
                                belemmerd of hun</al><al>anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd
                                die nodig is voor en gebruikt</al><al>wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid
                                van het voertuig ter</al><al>plaatse noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                te parkeren waar bewoners</al><al>of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder
                                of overlast kunnen</al><al>ondervinden.</al><al>2.Dit verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>1.Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                het belang van het uiterlijk</al><al>aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                dan wel ter voorkoming van</al><al>schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                bromfietsen onbeheerd buiten de</al><al>daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al><al>2.Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en</al><al>in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten
                                staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.12</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                dan wel deze te doen of te laten</al><al>staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde
                                beplanting of groenstrook.</al><lijst><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder
                                                a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                                uitvoering van werkzaamheden door of</al></li></lijst></li></lijst><al>vanwege de overheid;</al><al>3.op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen die mede of</al><al>uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten en standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Collecteren en inzamelingen</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of</al><al>goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden
                                (collecte-vergunning).</al><al>2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van</al><al>goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte
                                stukken, dan wel bij het</al><al>aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
                                daarbij te kennen wordt gegeven</al><al>of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor
                                een liefdadig of ideëel doel is</al><al>bestemd.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                inzameling die in besloten kring</al><al>gehouden wordt.</al><al><vet><cursief>Venten</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                uitoefening van de ambulante handel</al><al>te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op of aan de
                                weg, aan huis dan wel op</al><al>een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht
                                gelegen plaats, dan wel diensten</al><al>aan te bieden.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                                degene die dit doet ter exploitatie van</al></li></lijst></li></lijst><al>zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al>b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op</al><al>jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder
                                h, van de Gemeentewet of op</al><al>snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.7 van deze
                                verordening.</al><al>c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op een</al><al>standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.1 van deze
                                verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.2</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.3</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>1.Het verbod van artikel 5.2.2.2. geldt niet voor venten met
                                gedrukte of geschreven stukken</al><al>waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                artikel 7, eerste lid, van de</al><al>Grondwet.</al><al>2.Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                eerste lid beperken door een</al><al>verbod te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                        daarvan, en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod
                                                van het tweede lid.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><cursief>Standplaatsen</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op of aan de</al><al>weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de
                                openlucht gelegen plaats te koop</al><al>aanbieden, verkopen, verstrekken of afleveren van goederen of het
                                anderszins aanbieden van</al><al>goederen of diensten, als dan niet gebruikmakend van fysieke
                                middelen, zoals een kraam, een</al><al>wagen of een tafel.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld
                                                in artikel 160, eerste lid onder h. van de</al></li></lijst></li></lijst><al>Gemeentewet;</al><lijst><li nr="-"><al>vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                        2.2.1;</al></li><li nr="-"><al>vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                        5.2.4.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.2</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan</al></li></lijst></li></lijst><al>eisen van redelijke welstand</al><lijst><li nr="b."><al>vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de brandveiligheid;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.3</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van</al><al>het college standplaats wordt of is ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.4</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><al>1.Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover
                                in het daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
                                of het Provinciaal</al><al>wegenreglement.</al><al>2.De weigeringsgrond milieu geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Wet milieubeheer;</al><al>3.de weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, onder b, geldt
                                niet voor bouwwerken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.5</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan,
                                indien de aanvraag een</al><al>activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in
                                artikel 8.1 van de Wet</al><al>milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven
                                aan het tweede lid, tot de</al><al>dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning als bedoeld
                                in artikel 8.1 van de Wet</al><al>Milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Vergunninghouder/Overschrijven standplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke
                                        handelingsbekwame personen.</al></li><li nr="2."><al>Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één
                                        vergunning verleend.</al></li><li nr="3."><al>In geval van overlijden of aangetoonde blijvende
                                        arbeidsongeschiktheid van een</al></li></lijst><al>vergunninghouder kan het college de vergunning voor de resterende
                                geldigheidsduur op verzoek</al><al>overschrijven op de naam van de achterblijvende echtgenoot, de
                                geregistreerde partner of een</al><al>kind van de vergunninghouder.</al><al>4.Een verzoek als bedoeld in het derde lid van dit artikel geschiedt
                                binnen zes weken na het</al><al>overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende
                                arbeidsongeschiktheid van de</al><al>vergunninghouder is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Standplaatsvrije gebieden</titel></kop><al>1.Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor geen vergunning wordt
                                verleend.</al><al>67</al><al>2.Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde gebieden kan het
                                college ontheffing verlenen</al><al>voor het innemen van een standplaats met een verplaatsbare
                                verkoopinrichting voor de verkoop</al><al>van de navolgende (seizoensgebonden) producten in de volgende
                                perioden:</al><lijst><li nr="a."><al>ijs 1 maart tot en met 31 oktober (inrichting maximaal 10
                                        m²);</al></li><li nr="b."><al>haring 1 mei tot en met 1 augustus (inrichting maximaal 10
                                        m²);</al></li><li nr="c."><al>oliebollen 15 oktober tot en met 1 januari;</al></li><li nr="d."><al>kerstbomen 6 december tot en met 24 december;</al></li><li nr="e."><al>bloemen gehele jaar (alleen op zaterdag) (inrichting
                                        maximaal 10 m²);</al></li><li nr="f."><al>kortlopende standplaatsen met een incidenteel karakter voor
                                        de promotie van een product of</al></li></lijst><al>dienst (inrichting maximaal 10 m²).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.6</nr><titel>Inneming en ontruiming standplaats</titel></kop><al>De vergunninghouder mag de standplaats uiterlijk een uur voor
                                aanvang van de verkooptijd</al><al>innemen en dient de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen
                                een uur nadat de verkoop</al><al>dient te zijn beëindigd. Voor standplaatsen voor de verkoop van
                                oliebollen en kerstbomen kan het</al><al>college, onder nader te stellen voorwaarden, van deze eis ontheffing
                                verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.7</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg danwel in of op een - al dan niet
                                                met enige beperking - voor het publiek</al></li></lijst></li></lijst><al>toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te
                                laten, waar ter plaatse aanwezige</al><al>goederen worden verhandeld;</al><al>b.toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat op
                                of aan de weg danwel in of op</al><al>een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk
                                gebouw of plaats met een</al><al>kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of
                                is ingenomen om goederen</al><al>aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en
                                voortdurend dan wel nagenoeg</al><al>geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                Winkeltijdenwet.</al><al>3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden
                                geweigerd in het belang</al><al>van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Gebruik van openbaar water</titel></kop><al>1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                een voorwerp, niet zijnde</al><al>een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien dit</al><al>door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                bevestiging gevaar oplevert voor de</al><al>bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig
                                gebruik daarvan, dan wel</al><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het
                                openbaar water.</al><al>2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                voorwerp met een</al><al>permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet
                                daarvan uiterlijk twee weken</al><al>tevoren een melding aan het college.</al><al>3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van
                                de melder, en een</al><al>beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</al><al>4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                                geregelde onderwerpen wordt</al><al>voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet,
                                het</al><al>Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Pronvinciale</al><al>vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                gebaseerde</al><al>Telecommunicatieverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</titel></kop><al>1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de toestand van</al><al>bij de gemeente in beheer zijnde openbaar water, havens, dijken,
                                wallen, kaden, trekpaden,</al><al>beschoeiingen, oeverbegroeiïng bruggen, zetten, duikers, pompen,
                                waterleidingen, gordingen,</al><al>aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 350
                                Wetboek van Strafrecht van</al><al>toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water</al><al>aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor
                                dadelijk gebruik</al><al>ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3a</nr><titel>Zwemmen</titel></kop><al>Het is verboden in het openbaar water te zwemmen of te baden, op de
                                plaatsen door het college</al><al>aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al>1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                                water ophoudt, verboden</al><al>zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder
                                of gevaar kan ondervinden.</al><al>Het is verboden te klimmen, zich daarop te begeven of zich te
                                bevinden op bolders, aanlegpalen,</al><al>duikers, pompen, bakens, sluizen en dergelijke
                                waterstaatswerken.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                Scheepvaartverkeerswet,</al><al>Binnenvaartpolitiereglement, de wet beheer rijkswaterstaatswerken en
                                de Vaarwegenverordening</al><al>Zuid-Holland van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in openbaar water,</al><al>daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te
                                bevinden.</al><al>2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                vaartuig, liggend in of aan een</al><al>openbaar water, los te maken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten</titel></kop><al><cursief>inrichtingen of anderszins vuur te stoken</cursief></al><al>1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de</al><al>Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te
                                hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                                geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat
                                                geen gevaar, overlast of hinder voor de</al></li></lijst></li></lijst><al>omgeving oplevert.</al><al>3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Onverminderd
                                het bepaalde in artikel 1.8</al><al>kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en
                                fauna.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek
                                van strafrecht of de</al><al>Provinciale milieuverordening.</al><al>5.Het college kan perioden, tijden of gebieden aanwijzen wanneer of
                                waar het gestelde in het</al><al>tweede lid, onder c, verboden is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als</al><al>bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of
                                nabestaande(n) gewenste</al><al>plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiïng is verboden buiten een permanent
                                        daartoe bestemd terrein.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                        voor de asbus op grond van</al></li></lijst><al>bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het
                                eerste lid, behoudens de</al><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>1.Overtreding van de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen
                            en artikel 1.3 gegeven</al><al>voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of</al><al>geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
                            openbaarmaking van de</al><al>rechterlijke uitspraak:</al><al>artikel 2.1.1 (samenscholing en ongeregeldheden)</al><al>lid 1 (samenscholing);</al><al>lid 2 (weg vervolgen op bevel politie of toezichthouder;</al><al>lid 3 (begeven op afgezette terreinen enz);</al><al>artikel 2.1.2 (optochten);</al><al>artikel 2.1.7 (voorwerpen e.d. op, aan of boven de weg)</al><al>lid 1 (gebruik weg anders dan bestemming zonder vergunning);</al><al>lid 3 (voorwerpen die schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren
                            enz);</al><al>artikel 2.1.8 (winkeluitstallingen);</al><al>artikel 2.1.9 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al><al>artikel 2.1.9a (maken en veranderen uitweg);</al><al>artikel 2.1.10 (winkelwagentjes)</al><al>lid 1 (herkenningsteken op winkelwagens en deze onmiddellijk verwijderen
                            uit omgeving);</al><al>lid 2 (op weg begeven met winkelwagen);</al><al>lid 3 (achterlaten winkelwagen);</al><al>artikel 2.1.12 (openen straatkolken e.d.);</al><al>artikel 2.1.14 (vallende voorwerpen);</al><al>artikel 2.1.15 (voorzieningen voor verkeer en verlichting);</al><al>artikel 2.1.16 (Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en
                            verlichting);</al><al>artikel 2.1.17 (veiligheid op het ijs)</al><al>lid 1 (beschadigen enz, verplaatsen bakens);</al><al>lid 2 (verlaten van het ijs);</al><al>artikel 2.1.19 (Veroorzaken van gladheid);</al><al>artikel 2.1.20 (valschermspringen);</al><al>artikel 2.1.21 (verboden slaapverblijf);</al><al>artikel 2.1.22 (melding voorvallen gevaarlijke stoffen);</al><al>artikel 2.2.2 (evenement);</al><al>artikel 2.2.3 (ordeverstoring bij evenement);</al><al>artikel 2.2.4 (grootschalig evenement)</al><al>lid 2 (houden grootschalig evenement zonder vergunning en aanwezig zijn
                            bij evenement</al><al>waarvoor geen vergunning is verleend);</al><al>lid 6 (verbod grootschalig evenement aan te kondigen, eraan deel te
                            nemen enz, in strijd</al><al>met aanvraag of vergunning);</al><al>lid 8 (beëindigen grootschalig evenement, geen publiek meer toelaten en
                            opvolgen aanwijzingen);</al><al>lid 9 (aanwezig zijn bij grootschalig evenement waarvoor bevel tot
                            beëindiging is gegeven);</al><al>lid 10 (gedragen met doel orde te verstoren bij grootschalig
                            evenement);</al><al>lid 11 (bij zich hebben van stoffen en voorwerpen om orde te verstoren
                            bij grootschalig evenement);</al><al>lid 12 (opvolgen aanwijzingen politie (door ieder));</al><al>artikel 2.2.5 lid 3 (organiseren en aanwezig zijn verboden
                            evenement);</al><al>artikel 2.2.6 lid 3 (organiseren, aanwezig zijn enz. evenement);</al><al>artikel 2.3.2 (exploitatievergunning horecabedrijven);</al><al>artikel 2.3.2b (aanwezigheid exploitant of houder);</al><al>artikel 2.3.7 (sluiting van horecabedrijven)</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers gesloten horecabedrijf);</al><al>lid 5 ( verblijf als bezoeker in een gesloten horecabedrijf);</al><al>artikel 2.3.8 (terrassen)</al><al>lid 3 (verwijderen terras op verzoek);</al><al>lid 4 (verstrekken drank en etenswaren vanaf terras);</al><al>lid 5 (verwijderen achtergebleven voorwerpen en stoffen);</al><al>artikel 2.3.9 (openings- en sluitingstijden)</al><al>lid 1-5 (geopend zijn en toelaten bezoekers buiten openingstijden);</al><al>lid 6 (als bezoeker aanwezig zijn buiten openingstijden);</al><al>artikel 2.3.11 (ordeverstoring in een horecabedrijf);</al><al>artikel 2.3.13 (beperking verstrekking sterke drank);</al><al>artikel 2.3.16 (nachtregister);</al><al>artikel 2.3.17 (verschaffing gegevens nachtregister);</al><al>artikel 2.3.18 (Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                            gebouwen)</al><al>lid 3 (toelaten aanbrengen sluitingsbevel);</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers gesloten gebouw of erf);</al><al>lid 5 (bezoeken van gesloten gebouw of erf);</al><al>artikel 2.4.0 (betreden gesloten woning of lokaal);</al><al>artikel 2.4.1 (plakken en kladden);</al><al>artikel 2.4.3 (vervoer inbrekerswerktuigen);</al><al>artikel 2.4.4 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);</al><al>artikel 2.4.4a (verplichte route);</al><al>artikel 2.4.4b (openlijk drankgebruik);</al><al>artikel 2.4.4c (messen en andere voorwerpen als (steek)wapen);</al><al>artikel 2.4.5 (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen);</al><al>artikel 2.4.5a (hinderlijk gedrag op pleinen);</al><al>artikel 2.4.5b (overig hinderlijk gedrag);</al><al>artikel 2.4.6 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten);</al><al>artikel 2.4.7 (bespieden van personen);</al><al>artikel 2.4.9 (loslopende honden);</al><al>artikel 2.4.11 (verontreiniging door honden);</al><al>artikel 2.4.12 (gevaarlijke honden);</al><al>artikel 2.4.13 (houden van hinderlijke of schadelijke dieren);</al><al>artikel 2.4.15 (loslopend vee of pluimvee);</al><al>artikel 2.4.16 (ongedierte);</al><al>artikel 2.4.17 (bedelarij);</al><al>artikel 2.5.5 (handel in horecabedrijven);</al><al>artikel 2.7.2 (ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                            de verkoopdagen);</al><al>artikel 2.7.3 (bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                            jaarwisseling);</al><al>artikel 2.7.4 (bezigen van carbid);</al><al>artikel 2.10.1 (verblijfsontzegging);</al><al>artikel 3.1.2 (overtreden door college vastgestelde nadere regels);</al><al>artikel 3.1.3 (vergunningplicht);</al><al>artikel 3.1.5 (aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            beheerder);</al><al>artikel 3.1.6 (sluitingstijden)</al><al>lid 1 (geopend zijn buiten openingstijden);</al><al>lid 3 (aanwezig zijn als bezoeker buiten openingstijden);</al><al>artikel 3.1.7 (straatprostitutie);</al><al>artikel 3.1.8 (tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotisch-pornografische goederen,</al><al>afbeeldingen e.d.);</al><al>artikel 3.1.8a (sekswinkels);</al><al>artikel 3.1.12 (sluiting van de seksinrichting)</al><al>lid 3 (toelaten aanbrengen sluitingsbevel);</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers gesloten seksinrichting);</al><al>lid 5 (bezoeken gesloten seksinrichting);</al><al>artikel 3.1.13 (kennisgeving beëindiging exploitatie);</al><al>artikel 3.1.14 (kennisgeving wijziging beheer);</al><al>artikel 3.2.2 (vergunningplicht speelautomatenhal);</al><al>artikel 3.2.5 (melding wijziging beheerder speelautomatenhal);</al><al>artikel 3.2.11 (gokken op de openbare weg);</al><al>artikel 3.2.12 (sluiting overlastgevende gokpanden)</al><al>lid 3 (toelaten aanbrengen sluitingsbevel);</al><al>lid 4 (toelaten bezoekers tijdens sluiting);</al><al>lid 5 (bezoeken gesloten gokpand);</al><al>artikel 3.3.2 (verkoop van drugs);</al><al>artikel 3.3.3 (verzameling personen in verband met drugs);</al><al>artikel 3.3.5 (openlijk druggebruik);</al><al>artikel 3.3.6 (weggooien van spuiten e.d.);</al><al>artikel 4.1.4 (verboden incidentele festiviteiten)</al><al>artikel 4.1.5 (geluidhinder);</al><al>artikel 4.3.8 (toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare
                            riolen en putten buiten gebouwen);</al><al>artikel 4.4.2 (kapverbod);</al><al>artikel 4.4.5 (herplantplicht als
                                vergunningsvoorschrift)<cursief>;</cursief></al><al>artikel 4.4.7 (herplant-/instandhoudingsplicht);</al><al>artikel 4.4.8 (bestrijding iepeziekte);</al><al>artikel 4.5.1 (opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans,
                            afvalstoffen, mest, ingekuilde</al><al>landbouwproducten e.d.);</al><al>artikel 4.5.2 (ontsierende, hinderlijke, gevaarlijke reclame’s
                            e.d.);</al><al>artikel 4.5.3 (aanschrijving);</al><al>artikel 5.1.2 (parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.);</al><al>artikel 5.1.3 (te koop aanbieden van voertuigen);</al><al>artikel 5.1.4 (defecte voertuigen);</al><al>artikel 5.1.5 (voertuigwrakken);</al><al>artikel 5.1.6 (caravans e.d.);</al><al>artikel 5.1.7 (parkeren van reclamevoertuigen);</al><al>artikel 5.1.8 (parkeren van grote voertuigen);</al><al>artikel 5.1.9 (parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen);</al><al>artikel 5.1.10 (parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                            stoffen);</al><al>artikel 5.1.11 (overlast van fiets of bromfiets);</al><al>artikel 5.1.12 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen);</al><al>artikel 5.2.1 (inzameling van geld of goed);</al><al>artikel 5.2.2 (venten e.d.);</al><al>artikel 5.2.3 (standplaatsen)</al><al>lid 1 (verkoop vanuit standplaats zonder vergunning );</al><al>lid 2 (toestaan standplaats op perceel);</al><al>artikel 5.2.6 (inneming en ontruiming standplaats);</al><al>artikel 5.2.7 (snuffelmarkten e.d.);</al><al>artikel 5.3.1 (gebruik openbaar water);</al><al>artikel 5.3.2 (beschadigen van waterstaatswerken en oevers);</al><al>artikel 5.3.3 (reddingsmiddelen);</al><al>artikel 5.3.3a (zwemmen);</al><al>artikel 5.5.1 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                            anderszins vuur te stoken);</al><al>artikel 5.6.2 (asverstrooiing).</al><al>2.Overtreding van de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen
                            gegeven voorschriften</al><al>en beperkingen wordt gestraft met geldboete van de eerste
                            categorie:</al><al>artikel 2.1.6 (straatartiest);</al><al>artikel 2.3.10 (raamkaart);</al><al>artikel 2.3.15 (kennisgeving exploitatie nachtverblijf);</al><al>artikel 2.4.2 (vervoer plakgereedschap e.d.);</al><al>artikel 2.4.6a (neerzetten van fietsen e.d.);</al><al>artikel 2.4.6b (Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                            evenemententerrein, kermisterrein e.d.);</al><al>artikel 4.3.5 (straatvegen);</al><al>artikel 4.3.6 (natuurlijke behoefte doen);</al><al>artikel 5.3.4 (veiligheid op het water);</al><al>artikel 5.3.5 (overlast aan vaartuigen).</al><al>3.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.5.2, 2.5.3 en 2.5.4
                            (heling) wordt gestraft</al><al>overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het
                            Wetboek van Strafrecht.</al><al>4.Gedragingen in strijd met de volgende artikelen van paragraaf 2 van
                            hoofdstuk 4</al><al>(afvalstoffen)kunnen worden aangeduid als een strafbaar feit in de zin
                            van artikel 1a, onder 3º Wed:</al><al>artikel 4.2.4 (nakomen voorschriften en beperkingen);</al><al>artikel 4.2.11 (inzamelverbod behoudens vergunning);</al><al>artikel 4.2.12 (aanbieden aan degene die inzamelt met vergunning);</al><al>artikel 4.2.13 (verbod op het ter inzameling aanbieden van
                            huishoudelijke afvalstoffen door</al><al>anderen dan de gebruikers van percelen);</al><al>artikel 4.2.14 (aangewezen categorieën huishoudelijke afvalstoffen
                            aanbieden aan anderen dan</al><al>de krachtens het tweede lid aangewezen inzameldienst);</al><al>artikel 4.2.14a (ongeadresseerd reclamedrukwerk);</al><al>artikel 4.2.15 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via een inzamelmiddel</al><al>voor de gebruiker van een perceel);</al><al>artikel 4.2.16 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via een</al><al>inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen);</al><al>artikel 4.2.17 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via</al><al>inzamelvoorzieningen op wijkniveau);</al><al>artikel 4.2.18 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            via een brengdepot op</al><al>lokaal of regionaal niveau);</al><al>artikel 4.2.19 (ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                            zonder inzamelmiddel);</al><al>artikel 4.2.20 (dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden);</al><al>artikel 4.2.21 (opvolgen nadere regels);</al><al>artikel 4.2.23 (ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de
                            inzameldienst);</al><al>artikel 4.2.24 (ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan
                            een ander dan de inzameldienst);</al><al>artikel 4.2.25 (voorkomen van diffuse milieuverontreiniging (o.a.
                            zwerfafval));</al><al>artikel 4.2.26 (achterlaten van straatafval en andere
                            afvalstoffen);</al><al>artikel 4.2.27 (voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed
                            staande afvalstoffen);</al><al>artikel 4.2.28 (afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet-
                            en drinkwaren);</al><al>artikel 4.2.29 (wegwerpen van reclamebiljetten of ander
                            promotiemateriaal);</al><al>artikel 4.2.30 (zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige
                            werkzaamheden);</al><al>artikel 4.2.31 (verbod opslag van afvalstoffen);</al><al>artikel 4.2.32 (afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening, zijn belast de medewerkers toezicht en handhaving
                                A en B, en coördinatoren toezicht en handhaving, werkzaam bij de
                                afdeling Veiligheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden van woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij</al><al>of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot
                            handhaving van de</al><al>openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de
                            gezondheid van personen, zijn</al><al>bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                            bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na
                            die van de maand van</al><al>bekendmaking via de gemeentepagina.</al><al>2.De Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam, in werking getreden op
                            1 januari 1996,</al><al>nadien gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop de
                            Algemene Plaatselijke</al><al>Verordening Schiedam 2010 in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>1 Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                            verordeningen bedoeld</al><al>in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of
                            verbod waarop de</al><al>vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze
                            verordening en voor zover zij niet</al><al>eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 5 jaren na de
                            inwerkingtreding van deze</al><al>verordening van kracht een en ander onverminderd het bepaalde in artikel
                            2.3.10b.</al><al>2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld
                            in artikel 6.4,</al><al>tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke
                            deze voorschriften en</al><al>bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor
                            zover zij niet eerder zijn</al><al>vervallen of ingetrokken - nog gedurende 5 jaren na de inwerkingtreding
                            van deze verordening</al><al>van kracht een en ander onverminderd het bepaalde in artikel
                            2.3.10b.</al><al>3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om een</al><al>vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een
                            verordening bedoeld in artikel</al><al>6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding
                            van deze verordening nog</al><al>niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige
                            bepaling van de onderhavige</al><al>verordening toegepast.</al><al>4.Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning
                            of ontheffing,</al><al>bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld
                            in het tweede lid dat voor</al><al>of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen
                            binnen de voordien geldende</al><al>beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld
                            in artikel 6.4, tweede</al><al>lid.</al><al>5.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning
                            of ontheffing - hoe ook</al><al>genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag
                            voor een, krachtens een in</al><al>deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                            vergunning of</al><al>ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van
                            de in het eerste lid</al><al>genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al><al>6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                            vereist is krachtens</al><al>deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in
                            artikel 6.4, tweede lid,</al><al>zijn niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende acht weken na het in werking treden van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die de
                                    vergunning of ontheffing nodig</al></li></lijst><al>heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat
                            onherroepelijk op deze aanvraag</al><al>is beslist.</al><al>7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                            heeft geen gevolgen voor</al><al>de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels,
                            beleidsregels en</al><al>aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de
                            aanwijzingsbesluiten zijn</al><al>gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet
                            eerder zijn vervallen of</al><al>ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Algemene Plaatselijke Verordening
                            Schiedam 2010” of</al><al>als “APV Schiedam 2010”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>