<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86379_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">29 december 2010 Woerdense Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1 sub b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/48</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de "Maatregelenverordening 2004 gemeente Woerden".</al><al>Art. 19 bevat een overgangsbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente woerden, </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 augustus 2006; </al><al>gelet op artikel 8, lid 1, onderdeel b en artikel 18 van de Wet werk en
                        inkomen; </al><al>gezien het advies van de raadscommissie Zorg; </al><al>besluit; </al><al>vast te stellen "Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007" </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al><al>1. In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. zeer ernstige misdragingen: het door de belanghebbende op een dusdanige
                        wijze benaderen van het college, dan wel onder haar ressorterende personen
                        die belast zijn met de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB), dat
                        deze zich op een fysieke of psychische wijze dan wel een combinatie van
                        beiden bedreigd voelen. </al><al>b. agressieprotocol: het door de gemeente Woerden vastgestelde protocol ter
                        voorkoming en bestrijding van agressie. </al><al>c. fraude: het verwijtbaar informatie achterhouden, of verwijtbaar onjuiste
                        informatie verstrekken, met het doel een (hogere) uitkering te ontvangen
                        anders dan waarop men op grond van juiste en/of volledige informatie recht
                        zou hebben. </al><al>d. benadelingsbedrag: het door de gemeente ten onrechte uitbetaalde bedrag
                        aan bijstand verhoogd met de loonheffing en de premies volksverzekeringen
                        waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt op grond van de Wet op de
                        loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding bedoeld
                        in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. </al><al>2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                        worden omschreven, </al><al>hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB) en de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</al><al>1. Als belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef
                        van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel
                        de uit de wet of de artikel 28, lid 2 of 29, lid 1 van de Wet structuur
                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of
                        onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer
                        ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                        opgelegd. </al><al>2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                        waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                        omstandigheden waarin hij verkeert. </al><al>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</al><al>1. De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. </al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op
                        de bijzondere bijstand indien: </al><al>a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                        artikel 12 van de wet; of </al><al>b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op
                        bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. </al><al>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</al><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld:
                        de reden van de maatregel, de datum van aanvang van de maatregel, de duur
                        van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en,
                        indien van toepassing, de reden om af te wijken van de duur en hoogte van de
                        maatregel die volgt uit deze verordening. </al><al>Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel</al><al>1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: </al><al>a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of </al><al>b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door
                        het college heeft plaatsgevonden, met uitzondering van de gedraging die
                        schending van de inlichtingenplicht inhoudt; of </al><al>c. de gedraging, die een schending van de inlichtingenplicht inhoudt langer
                        dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden. </al><al>2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor
                        dringende redenen aanwezig zijn. </al><al>3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van
                        dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                        gedaan. </al><al>Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak</al><al>1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de volgende
                        eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                        opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij
                        wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. </al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht
                        worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. </al><al>3. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht
                        worden opgelegd, indien de inlichtingenplicht niet is nagekomen en de
                        bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. </al><al>4. Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor
                        een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na
                        drie maanden nadat het besluit bekend gemaakt is, heroverwogen. </al><al>5. Een opgelegde maatregel die niet kan worden uitgevoerd omdat de bijstand
                        van belanghebbende is beëindigd, herleeft indien belanghebbende binnen 12
                        maanden opnieuw een beroep doet op bijstand. </al><al>Artikel 7 Samenloop en recidive</al><al>1. Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig heeft gemaakt aan
                        verschillende verwijtbare gedragingen, wordt voor het bepalen van de hoogte
                        en de duur van de maatregel uitgegaan van cumulatie van de percentages welke
                        gelden voor de verschillende gedragingen, met een maximum van 100% van de
                        bijstandsnorm. </al><al>2. De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich
                        binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is
                        opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. Indien de
                        belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar
                        gedrag vertoont, wordt de hoogte en de duur van de maatregel individueel
                        vastgesteld. </al><al>3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt met een besluit waarmee een
                        maatregel is opgelegd, gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                        grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5, lid 2 van deze
                        verordening. </al><al>Artikel 8 Horen van belanghebbende</al><al>1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                        gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al><al>2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: </al><al>a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al><al>b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                        omstandigheden hebben voorgedaan; </al><al>c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of
                        van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de wet
                        werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van
                        de wet; </al><al>d. het college het horen niet nodig acht in het vaststellen van de ernst van
                        de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; </al><al>e. de maatregel wordt toegepast wegens zeer ernstige misdragingen als
                        bedoeld in artikel 15. </al><al>3. Het horen van de belanghebbende wordt niet achterwege gelaten indien de
                        maatregel wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9 Categorieën</al><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                        artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden
                        in de volgende categorieën: </al><al>1. eerste categorie: </al><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                        Centrale organisatie werk en inkomen of het niet of niet tijdig laten
                        verlengen van de registratie. </al><al>2. tweede categorie: </al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                        verkrijgen; </al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al><al>3. derde categorie: </al><al>a. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; </al><al>b. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden
                        voorziening als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b en artikel 10 lid 1 van
                        de wet, voorzover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                        voortijdige beëindiging van die voorziening; </al><al>4. vierde categorie: </al><al>a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al><al>b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al><al>c. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden
                        voorziening als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b en artikel 10 lid 1 van
                        de wet, voorzover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                        voortijdige beëindiging van die voorziening. </al><al>Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel</al><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2 lid 2 vastgesteld op: </al><al>1. 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
                        categorie; </al><al>2. 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de
                        tweede categorie; </al><al>3. 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                        categorie; </al><al>4. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de
                        vierde categorie. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet (tijdig) nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 11 Te laat verstrekken van gegevens</al><al>1. Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht niet is nagekomen door
                        informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de
                        voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde
                        termijn te verstrekken, maar wel binnen de hersteltermijn, als bedoeld in
                        artikel 54 lid 2 van de wet, wordt onverminderd artikel 2 lid 2 een
                        maatregel opgelegd van 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand. </al><al>2. Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan
                        worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                        waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
                        plaatsvindt binnen een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum
                        waarop eerder een belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al><al>Artikel 12 Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand</al><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet
                        heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                        bijstand, bedraagt de maatregel 5% van de bijstand gedurende een maand,
                        onverminderd artikel 2 lid 2. </al><al>2. Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan
                        worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                        waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
                        plaatsvindt binnen een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum
                        waarop eerder een belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al><al>3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verstrekken van
                        inlichtingen tevens verstaan het na afloop van de hersteltermijn, als
                        bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet, alsnog verstrekken van inlichtingen. </al><al>Artikel 13 Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                        gevolgen voor de bijstand</al><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                        heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                        bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                        benadelingsbedrag. </al><al>2. De maatregel wordt onverminderd artikel 2 lid 2 vastgesteld op: </al><al>a. 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag
                        tot </al><al>€ 1.000,00; </al><al>b. 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag
                        vanaf </al><al>€ 1.000,00 tot en € 2.000,00; </al><al>c. 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag
                        vanaf </al><al>€ 2.000,00 tot en met € 4.000,00; </al><al>d. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag
                        groter dan € 4.000,00. </al><al>3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verstrekken van
                        inlichtingen tevens verstaan het na afloop van de hersteltermijn, als
                        bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet, alsnog verstrekken van inlichtingen. </al><al>4. Indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 6.000,-
                        wordt geen maatregel opgelegd, maar aangifte gedaan bij het Openbaar
                        Ministerie. Bij een seponering door het Openbaar Ministerie dient alsnog een
                        maatregel te worden overwogen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>1. Gedragingen van de belanghebbende die niet vallen onder de artikelen 8
                        tot en met 12 van deze verordening, maar ook aangemerkt kunnen worden als
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, als bedoeld in artikel 18
                        lid 2 van de wet, leiden tot een maatregel. </al><al>2. Het college bepaalt welke gedragingen leiden tot een maatregel, alsmede
                        de hoogte en duur van de maatregel. </al><al>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen </al><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                        of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                        de uitvoering van de wet, wordt onverminderd artikel 2 lid 2 een maatregel
                        opgelegd van minimaal 25% van de bijstandsnorm gedurende een maand. </al><al>Artikel 16 Nadere verplichtingen</al><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                        artikel 55 tot en met 57 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende
                        mate worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20% van de
                        bijstandsnorm gedurende een maand. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 17 Citeertitel</al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Maatregelenverordening Wet werk
                        en bijstand 2007". </al><al>Artikel 18 Inwerkingtreding</al><al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. </al><al>2. De Maatregelenverordening 2004 gemeente Woerden wordt ingetrokken per 1
                        januari 2007. </al><al>Artikel 19 Overgangsbepaling</al><al>Indien de maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden vóór 1 januari
                        2007 gelden de bepalingen van deze verordening. De hoogte van de maatregel
                        wordt ten gunste van de belanghebbende gematigd tot hetgeen is bepaald in de
                        tot 1 januari 2007 van kracht zijnde verordening. </al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 september 2006, </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>W. Hooghiemstra mr. H.W. Schmidt </ondertekening><ondertekening>Advies raadscommissie Zorg d.d. 13 september 2006: </ondertekening><ondertekening>De commissie is positief over de verordening. De commissie heeft wel nog een
                        aantal vragen die vóór de raadsvergadering worden beantwoord. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Artikelsgewijze toelichting </al><al>Inleiding </al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                        uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                        onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling
                        van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                        uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook
                        van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Onder de WWB dient de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie aan
                        belanghebbende mede te delen wat de opgelegde verplichtingen zijn en wat de
                        directe gevolgen zijn voor de uitkering indien belanghebbende één of meer
                        van deze verplichtingen niet nakomt. De in de vorige zin genoemde gevolgen,
                        veelal een verlaging van de bijstand, worden door de gemeente zelf bepaald.
                        Artikel 8 lid 1 onderdeel b van de WWB schrijft voor dat de gemeenteraad bij
                        verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand. In
                        de Maatregelenverordening WWB zijn deze regels vastgelegd. </al><al>In artikel 18 WWB is bepaald in welke gevallen de gemeente tot verlaging
                        overgaat. </al><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                        bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                        benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                        verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                        recht moet worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                        omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een
                        directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van
                        uitkeringsgerechtigden: het recht op bijstand is altijd verbonden aan de
                        verplichtingen die aan de bijstandsverlening zijn verbonden. Dit betekent
                        dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van
                        de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                        belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                        worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een
                        bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                        wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar
                        van een verplichting. </al><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                        verplichtingen zal worden aangeduid als het opleggen van een maatregel.
                        Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet
                        Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende
                        karakter ervan benadrukt. </al><al>Op grond van artikel 18 lid 2 WWB kan de bijstand (dat wil zeggen: algemene
                        bijstand en bijzondere bijstand) worden verlaagd. </al><al>In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden
                        opgelegd over de bijstandsnorm inclusief toeslagen en verlagingen. De
                        uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21
                        jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die wordt
                        aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand voor de kosten van
                        levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt
                        opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep
                        21-jarigen en ouder. Ook kan in incidentele gevallen een maatregel opgelegd
                        worden over de bijzondere bijstand. Dit kan alleen als er een verband
                        bestaat tussen de gedraging van de belanghebbende en zijn recht op
                        bijzondere bijstand. </al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Er is voor gekozen om
                        begrippen die al zijn omschreven in de Wet werk en bijstand (WWB) of de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet afzonderlijk te definiëren in deze
                        verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                        begrippen in de WWB en de Awb ook deze verordening moet worden gewijzigd. </al><al>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</al><al>Lid 1</al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen: </al><al>1. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening in het bestaan (artikel 18 lid 2). </al><al>2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                        twee soorten verplichtingen: </al><al>- de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                        deze te aanvaarden; en </al><al>- de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening
                        gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. </al><al>3. De informatieplicht (artikel 17 lid 1). Op een uitkeringsgerechtigde rust
                        de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                        mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                        redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                        arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. </al><al>4. De medewerkingsplicht (artikel 17 lid 2). Dit is de plicht van
                        uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen
                        die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                        medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><al>- het toestaan van huisbezoek; </al><al>- het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                        betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de
                        Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de
                        beslissing door het college (artikel 28 lid 2 Wet SUWI) en de verplichting
                        om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden
                        mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan
                        redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het
                        recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand of de hoogte
                        of de duur van de bijstand. </al><al>Lid 2</al><al>In de verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een
                        verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een
                        vaste procentuele verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: een op te leggen maatregel
                        moet worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                        en de mate van verwijtbaarheid. Dat wil zeggen dat bij elke op te leggen
                        maatregel zal moeten worden nagegaan of, gelet op de ernst van de gedraging,
                        de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                        betrokken uitkeringsgerechtigde, afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><al>- Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>- Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>- Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. </al><al>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</al><al>Lid 1</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                        over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke
                        norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                        vakantietoeslag. </al><al>Lid 2</al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die
                        indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                        bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op
                        de lage jongerennorm zou worden opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen en ouder. </al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                        gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand, doch wel
                        voorzover de verwijtbare gedraging tot het verlenen van een hoger bedrag aan
                        bijzondere bijstand heeft geleid. </al><al>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door middel van een besluit.
                        Tegen dit besluit kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden
                        aangetekend. </al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                        worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het motiveringsvereiste. Het
                        motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                        een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al><al>Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel</al><al>Lid 1</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18 lid 2 WWB. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen
                        oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat de cliënt niet te lang in
                        onzekerheid wordt gehouden of de gemeente overgaat tot het opleggen van een
                        maatregel. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Voor wat betreft de duur van deze termijn is aansluiting gezocht bij
                        de in artikel 14e van de (oude) Abw genoemde termijn betreffende het
                        opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Deze
                        termijn was in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat, uit het oogpunt
                        der rechtszekerheid, de mogelijkheid tot het opleggen van een boete niet
                        eindeloos kan bestaan. </al><al>Lid 2</al><al>In dit lid is geregeld dat kan worden afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. </al><al>De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                        maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de
                        belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                        "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de
                        hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd
                        zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en
                        kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al><al>Lid 3</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive. </al><al>Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak</al><al>Lid 1</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                        uitkering; of </al><al>2. door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag met ingang van de
                        eerstvolgende kalendermaand nadat het besluit kenbaar is gemaakt. </al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode, omdat dan niet hoeft te worden overgegaan tot
                        herziening van de bijstand en het terugvorderen van het te veel aan bijstand
                        betaalde bedrag. Om deze reden is in het eerste lid vastgelegd dat de
                        maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand,
                        die volgt op de kalendermaand waarin het besluit is bekend gemaakt. Voor de
                        berekening van de hoogte van de maatregel moet worden uitgegaan van de voor
                        die maand geldende bijstandsnorm. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. </al><al>Lid 3</al><al>Indien een uitkering is beëindigd kan geen maatregel in de toekomst worden
                        opgelegd. Het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht is slechts
                        mogelijk, als er sprake is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en
                        is vastgesteld, dat er ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand
                        is verleend. </al><al>Het te veel betaalde bedrag aan bijstand moet van de uitkeringsgerechtigde
                        worden teruggevorderd. De bijstand moet dan wel eerst worden herzien. Niet
                        alleen voor wat betreft de ten onrechte verstrekte uitkering, maar ook voor
                        wat betreft de met terugwerkende kracht toe te passen maatregel. </al><al>Lid 4</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd kan worden opgelegd.
                        Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 18 lid 3 WWB. Het is ter beoordeling aan het college
                        wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie
                        maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeven niet
                        opnieuw alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht te
                        worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                        beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                        gecontinueerd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de
                        omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar ook of de betreffende
                        persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. </al><al>Lid 5</al><al>Indien een maatregel is opgelegd, maar die wegens beëindiging van de
                        bijstand niet meer kan worden uitgevoerd, herleeft indien de belanghebbende
                        binnen 12 maanden na datum besluit tot opleggen van de maatregel terugkomt
                        in de bijstand. Een termijn van 12 maanden is een redelijke termijn. Datum
                        besluit tot oplegging maatregel blijft uiteraard bepalend voor de
                        beantwoording van de vraag of er bij een volgende maatregel al dan niet
                        sprake is van recidive. </al><al>Artikel 7 Samenloop en recidive</al><al>Lid 1</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van de bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. Indien er sprake is van verschillende gedragingen
                        waarvoor in een zelfde periode een maatregel opgelegd zou kunnen worden, kan
                        voor deze verschillende gedragingen tegelijkertijd een maatregel worden
                        opgelegd. Dit betekent dus dat de afzonderlijke maatregelen in dat geval
                        worden opgeteld. Natuurlijk blijft de hoofdregel, neergelegd in artikel 2
                        lid 2, van toepassing: een op te leggen maatregel moet worden afgestemd op
                        de ernst van de gedraging, de omstandigheden en de mate van verwijtbaarheid. </al><al>Lid 2 en 3</al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de maatregel. </al><al>Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die
                        aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien wegens dringende redenen
                        is afgezien van het opleggen van een maatregel. Voor het bepalen van de
                        aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                        waarmee de maatregel is opgelegd is verzonden. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts een keer worden
                        toegepast. Indien de belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging
                        wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                        maatregel individueel moeten worden vastgesteld. </al><al>Artikel 8 Horen van belanghebbende</al><al>Lid 1 </al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). In dit
                        artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                        toegepast in beginsel voorgeschreven. Altijd horen bij een maatregel van
                        100%. </al><al>Met horen wordt niet bedoeld een formele hoorprocedure. De belanghebbende
                        moet op enigerlei wijze in de gelegenheid zijn gesteld zijn/haar visie met
                        betrekking tot de geconstateerde gedraging te geven. Dit moet uit de
                        rapportage blijken. </al><al>Lid 2 en 3</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a. en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb. </al><al>Let op: altijd horen bij een maatregel van 100%. </al><al>Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</al><al>Artikel 9 Categorieën</al><al>De gedragingen die schending inhouden van één van de verplichtingen, die
                        gelden op grond van artikel 9 WWB, worden in vier categorieën onderscheiden.
                        Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidende criterium. Een
                        gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                        gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. </al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet
                        omschreven dan in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz van 19 juni 1996,
                        Stb. 360. De reden hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling tot de Abw,
                        volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                        arbeidsinschakeling. </al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende
                        in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te blijven. </al><al>De tweede categorie wordt onderscheiden in twee subcategorieën: </al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                        verkrijgen. </al><al>Deze gedraging betreft schending van de verplichting tot het hebben van een
                        actieve houding op de arbeidsmarkt in ruime zin. Voorbeelden hiervan zijn
                        het te weinig solliciteren, het stellen van een onredelijke salariseis
                        tijdens een sollicitatiegesprek en het hebben van een negatieve houding
                        tijdens een sollicitatiegesprek. Ook het geval dat de belanghebbende te laat
                        terugkeert van vakantie is een gedraging als hier bedoeld. De belanghebbende
                        onttrekt zich dan namelijk aan de arbeidsmarkt en doet niet wat in zijn
                        vermogen ligt om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. </al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. </al><al>Voorbeeld hiervan zijn het weigeren mee te werken aan een toets in verband
                        met het bepalen of een bepaalde opleiding geschikt is voor de belanghebbende
                        en het weigeren mee te werken aan een medisch-arbeidskundig onderzoek naar
                        de mate van arbeidsgeschiktheid. </al><al>Ook de derde categorie wordt onderscheiden in twee subcategorieën: </al><al>a. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. Dit kunnen er veel
                        zijn. Het kan bijvoorbeeld gaan om niet verantwoorde eisen die de
                        belanghebbende stelt ten aanzien van het aanvaarden van werk, maar ook om
                        gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Negatieve
                        gedragingen kunnen onder andere blijken hoe de belanghebbende zich tijdens
                        een sollicitatiegesprek opstelt. </al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een door het college
                        aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor zover dit niet
                        heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van die
                        voorziening. </al><al>c. Hierbij moet met name gedacht worden aan schending van verplichtingen die
                        aan belanghebbende zijn opgelegd in het kader van een reïntegratietraject.
                        Ook gedragingen die zich voordoen tijdens de werkstage vallen hieronder. De
                        gedraging valt alleen onder deze categorie indien de bewuste gedraging niet
                        tot gevolg heeft gehad dat de voorziening geen doorgang heeft gevonden of is
                        beëindigd. Indien dit wel het geval is geweest, dan dient er een maatregel
                        van de vierde categorie te worden opgelegd. </al><al>De vierde categorie is onderverdeeld in drie subcategorieën: </al><al>a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>Deze gedraging duidt op de situatie dat geen gebruik wordt gemaakt van de
                        mogelijkheid om algemeen geaccepteerde arbeid, al dan niet in deeltijd, te
                        aanvaarden teneinde de bijstands-afhankelijkheid geheel of gedeeltelijk te
                        beëindigen. </al><al>b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking. </al><al>Onder deze gedraging wordt gerekend de situatie waarin op verwijtbare wijze
                        door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag dan wel tijdens de
                        bijstandsverlening – als het gaat om deeltijdwerk – betaalde arbeid niet
                        behouden wordt. Een voorbeeld hiervan is het herhaaldelijk te laat
                        verschijnen op het werk, waardoor de dienstbetrekking uiteindelijk wordt
                        ontbonden door de kantonrechter of de arbeidsovereenkomst niet wordt
                        verlengd. </al><al>c. de voorziening gericht op arbeidsinschakeling vindt in het geheel geen
                        doorgang of komt voortijdig tot een einde. Voorbeelden hiervan zijn het
                        verwijtbaar door toedoen van de belanghebbende eindigen van het
                        reïntegratietraject en het weigeren van een werkstage. </al><al>Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel </al><al>Deze bepaling bevat de normering voor de vier categorieën van gedragingen
                        die van doen hebben met verplichtingen van belanghebbenden die gelden op
                        grond van artikel 9 WWB. In de hoogte van de normering wordt de ernst van de
                        gedraging tot uitdrukking gebracht. </al><al>Hoofdstuk 3 Niet (tijdig) nakomen van de inlichtingenplicht</al><al>Artikel 11 Te laat verstrekken van gegevens</al><al>Lid 1</al><al>Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde
                        gegevens of gevorderde bewijsstukken niet binnen de door het college
                        gestelde termijn heeft verstrekt, kan het college het recht op bijstand
                        opschorten (artikel 54 lid 1 van de wet). Het college geeft vervolgens op
                        grond van artikel 54 lid 2 van de wet een hersteltermijn waarbinnen de
                        belanghebbende het verzuim kan herstellen door alsnog de gegevens of
                        bewijsstukken te verstrekken. Indien de belanghebbende de gegevens of
                        bewijsstukken binnen deze termijn verstrekt, dan wordt een maatregel van 5%
                        opgelegd op grond van dit artikel van deze verordening. Indien de gegevens
                        of bewijsstukken buiten deze termijn worden verstrekt, wordt een maatregel
                        opgelegd op grond van artikel 12 of 13. </al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft de mogelijkheid om in plaats van een maatregel een
                        waarschuwing te geven. </al><al>De waarschuwing wordt schriftelijk afgegeven. De waarschuwing is een
                        schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een
                        publiekrechtelijke rechtshandeling, waartegen de belanghebbende ingevolge de
                        Awb in bezwaar en vervolgens in beroep kan gaan. </al><al>Artikel 12 Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand </al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten “nulfraude” geregeld: het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat dit heeft geleid tot het
                        ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. </al><al>Een voorbeeld van nulfraude is het niet opgeven van een vermogensbestanddeel
                        waarbij de waarde van het bestanddeel niet tot gevolg heeft dat de voor de
                        belanghebbende(n) geldende vermogensgrens wordt overschreden. </al><al>Lid 2</al><al>Zie de toelichting bij artikel 10, lid 2. </al><al>Lid 3</al><al>Dit lid is toegevoegd om er geen misverstanden over te laten ontstaan dat er
                        in de situatie dat na afloop van de hersteltermijn de gevraagde gegevens
                        alsnog aan het college worden verstrekt, er ook sprake is van het niet
                        verstrekken van inlichting. Niet relevant voor de toepassing van dit lid is
                        of het besluit tot toekenning van bijstand na afloop van de hersteltermijn
                        al dan niet is ingetrokken op grond van artikel 54 lid 4 van de wet. </al><al>Artikel 13 Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                        gevolgen voor de bijstand</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel is bedoeld om een maatregel op te leggen als schending van de
                        inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                        bedrag verlenen van bijstand. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                        benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is het bedrag als bedoeld in
                        artikel 58 lid 4 van de wet. Dat is het bedrag waarmee de gemeente wordt
                        benadeeld als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                        heeft geleid tot het ten onrechte of tot het een te hoog bedrag verlenen van
                        bijstand. Loonbelasting, premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie,
                        voorzover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de
                        belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zijn
                        daardoor naast de netto teveel betaalde bijstand onderdeel van het
                        benadelingsbedrag. </al><al>Lid 2 </al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht is afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan
                        bijstand dat als gevolg van de schending van deze verplichting ten onrechte
                        of te veel aan de belanghebbende is verleend. </al><al>Lid 3</al><al>Zie de toelichting bij artikel 12, lid 3. </al><al>Lid 4</al><al>Onder het boeteregime van de Abw bestond de verplichting voor gemeenten om
                        proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                        indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan €
                        6.000,= (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat
                        deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de
                        WWB de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het
                        niet nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel op moeten leggen. De
                        centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld
                        uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’. Het ligt daarom niet voor de hand
                        om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een
                        sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties
                        op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele
                        overheidsorgaan) verzet zich daar tegen. </al><al>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen</al><al>Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>Lid 1</al><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaanskosten dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                        iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                        voorkomen. Gebeurt dit niet of in onvoldoende mate dan is er veelal sprake
                        van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                        in het bestaan. Indien de belanghebbende er blijk van heeft gegeven zich
                        daarvan onvoldoende bewust te zijn, wordt ingevolge dit artikel een
                        maatregel opgelegd. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken, zoals: </al><al>- een onverantwoorde besteding van vermogen; </al><al>- geen of een te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening. </al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent bijvoorbeeld dat, wanneer iemand in de periode
                        voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een grote erfenis in korte tijd op
                        heeft uitgegeven, waardoor hij niet langer beschikt over voldoende middelen
                        om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een
                        bijstandsuitkering moet aanvragen, het college hiermee rekening houdt door
                        het opleggen van een maatregel. </al><al>Lid 2 </al><al>Omdat het niet mogelijk is een limitatieve opsomming te geven van alle
                        gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid geeft het tweede lid het college de mogelijkheid om de
                        hoogte van de maatregel af te stemmen op de ernst van de gedraging, de mate
                        van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. </al><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen kan de volgende richtlijn worden
                        gehanteerd: </al><al>a. 10 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de
                        bijstandsverlening tot 3 maanden eerder moet worden verleend dan bij een
                        verantwoorde intering het geval zou zijn geweest; </al><al>b. 20 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de
                        bijstandsverlening 3 tot 6 maanden eerder moet worden verleend dan bij een
                        verantwoorde intering het geval zou zijn geweest; </al><al>c. 50 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de
                        bijstandsverlening meer dan 6 maanden eerder moet worden verleend dan bij
                        een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest. </al><al>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, </al><al>zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het
                        normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt
                        beschouwd. Het college kan alleen een maatregel opleggen indien er een
                        verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen
                        bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                        artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van WWB. In artikel 18 lid 2 wordt gesproken over ‘het zich
                        jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                        agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                        aanleiding is voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel
                        worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een
                        medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de
                        WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Bij het vaststellen van de
                        maatregel in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft
                        misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate
                        van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden: </al><al>- verbaal geweld (schelden); </al><al>- discriminatie; </al><al>- intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al><al>- zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al><al>- mensgericht fysiek geweld; </al><al>- combinatie van agressievormen. </al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In
                        dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                        onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid
                        met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                        verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld. </al><al>Artikel 16 Nadere verplichtingen</al><al>In artikel 55 tot en met 57 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om
                        naast de in Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan
                        belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot
                        arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. </al><al>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</al><al>Artikel 17 Citeertitel</al><al>In de uitvoeringspraktijk wordt veelal niet gesproken over de
                        “afstemmingsverordening”, maar over de “maatregelenverordening”. Men spreekt
                        ook over het opleggen van een maatregel. Daarom is gekozen voor
                        laatstgenoemde benaming. </al><al>Artikel 18 Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al><al>Artikel 19 Overgangsbepaling</al><al>Deze verordening kent ten aanzien van bepaalde gedragingen welke ook onder
                        de “oude” verordening van vóór 1 januari 2007 voor een maatregel in
                        aanmerking kwamen mogelijk een hoger maatregelpercentage. Uit het oogpunt
                        van rechtszekerheid voor de belanghebbende wordt voor een gedraging van vóór
                        1 januari 2007 het lagere “oude” maatregelpercentage toegepast, ofwel het
                        maatregelpercentage genoemd in deze verordening wordt tot dat lagere niveau
                        gematigd. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>