<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86069_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bomenverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-02-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Middenvelder van 2 juni 1999</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bomenverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>1999-05-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1999-06-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regelinng</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Kapverordening, zoals deze is vastgesteld op 16 december 1993 door de gemeenteraad van Beilen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bomenverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede
                                    van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,30 meter hoogte
                                    boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de
                                    dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een
                                    herplant- of instandhoudingplicht kunnen voorschriften gesteld
                                    en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm
                                    dwarsdoorsnede op 1,30 meter boven maaiveld;</al></li><li nr="b."><al>houtopstand: een of meer bomen, hakhout, een houtwal, een
                                    grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een
                                    beplanting van bosplantsoen;</al></li><li nr="c."><al>hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld
                                    opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="d."><al>knotten/kandelaren: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen
                                    van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of
                                    leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;</al></li><li nr="e."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></li><li nr="g."><al>achtererf: het achter een woning gelegen gedeelte van het erf,
                                    te weten achter de achtergevel van de woning en het verlengde
                                    daarvan en tussen de zijdelingse perceelsgrenzen;</al></li><li nr="h."><al>landbouwgrond: gronden in gebruik voor de landbouw als bedoeld
                                    in artikel van de Landbouwwet;</al></li><li nr="i."><al>boomwaarde: het bedrag dat wordt gevonden door het product van
                                    de volgende factoren:</al><lijst><li nr="*"><al>de oppervlakte in cm2 van de dwarsdoorsnede op 1,30
                                            meter boven het maaiveld;</al></li><li nr="*"><al>de geïndexeerde eenheidsprijs per cm2;</al></li><li nr="*"><al>de standplaatswaarde;</al></li><li nr="*"><al>de conditiewaarde;</al></li><li nr="*"><al>de waarde van de plantwijze.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt onder vellen mede verstaan rooien, met
                            inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel
                            boven- als ondergronds die de dood of ernstige beschadiging of
                            ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2:</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                            houtopstand met een dwarsdoorsnede van de stam van ten minste 20
                            centimeter op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld, te vellen of te doen
                            vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden
                            buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>populieren en wilgen als wegbeplantingen en eenrijige
                                    beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn
                                    geknot;</al></li><li nr="b."><al>fruitbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar,
                                    bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in
                                    het bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                                    geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen
                                    een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid
                                    vormt en, ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are,
                                    ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale
                                    aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand die bij wijze van dunning wordt geveld;</al></li><li nr="b."><al>houtopstanden op het achtererf van een eengezinswoning binnen de
                                    bebouwde kom waarvan:</al><lijst><li nr="*"><al>het kadastraal perceel niet groter is dan 1.000 m2
                                            ;</al></li><li nr="*"><al>het kadastraal perceel slechts aan één zijde aan
                                            openbaar gebied grenst ;</al></li><li nr="*"><al>de houtopstand niet is aangewezen als monumentale boom
                                            ingevolge artikel 15 van deze verordening;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>houtopstand die moet worden geveld op grond van de
                                    Plantenziektenwet of op grond van een aanschrijving of last van
                                    burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in
                                    de artikelen 9 en 12 van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>wilgen, populieren, fijnsparren en andere coniferen;</al></li><li nr="e."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
                                    reguliere onderhoud;</al></li><li nr="f."><al>het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij
                                    daarvoor geschikte boomsoorten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3:</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet schriftelijk gemotiveerd en onder bijvoeging van een
                            situatieschets worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming
                            van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens
                            publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te
                            beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de teammanager van de Landelijke Service bij Regelingen (LASER)
                            van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan
                            burgemeester en wethouders een afschrift heeft toegezonden van de
                            ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwen
                            burgemeester en wethouders dit afschrift mede als een
                            vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>4:</nr><titel>Weigering ex lege</titel></kop><al>De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd, indien geen beslissing is
                        genomen binnen de wettelijke beslistermijn (acht weken).</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>5:</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren dan wel onder
                            voorschriften verlenen in het belang van onder meer:</al><lijst><li nr="*"><al>natuur- en milieuwaarden;</al></li><li nr="*"><al>landschappelijke waarden;</al></li><li nr="*"><al>cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="*"><al>waarden van stads- en dorpsschoon;</al></li><li nr="*"><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij het weigeren of onder
                            voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als
                            motivering hanteren. Zij verwijzen zoveel mogelijk naar gemeentelijke
                            bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake
                            is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>6:</nr><titel>Openbaarmaking</titel></kop><al>Indien een vergunning wordt verleend of geweigerd, wordt deze beslissing zo
                        spoedig mogelijk openbaar gemaakt in een lokaal dag- of nieuwsblad.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>7:</nr><titel>Standaardvoorwaarde van niet-gebruik</titel></kop><al>Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk
                        niet-gebruik tot het moment van definitief worden van vergunning oftewel tot
                        het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat
                                er bezwaar of beroep is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;</al></li><li nr="c."><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige
                                voorziening is gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>8:</nr><titel>Vervaltermijn vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De definitieve vergunning als bedoeld in het vorig artikel vervalt,
                            indien daarvan niet volledig) gebruik is gemaakt binnen een jaar na de
                            datum van het definitief worden van de vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het vorige lid genoemde termijn
                            verlengen indien het vellen van de houtopstand onderdeel uitmaakt van
                            een bouw- of herinrichtingsplan waarvan de uitvoering over meerdere
                            jaren gespreid is .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>9:</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                            voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door
                            burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.
                            Indien het gemeentelijk beleid of een bestemmings-. bomen-, groen-, of
                            landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol
                            omschrijft, wordt, zo veel mogelijk, een herplantplicht opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan
                            daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn
                            niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                            aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende
                            flora en fauna.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>10:</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                            afdeling van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en
                            wethouders is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan kunnen
                            burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                            waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere
                            hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
                            opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven
                            aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Wordt een
                            verplichting als bedoeld in dit lid opgelegd, dan kan daarbij tevens
                            worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn niet-geslaagde
                            beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                            afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd
                            kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de
                            grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit
                            andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is de
                            verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven
                            aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te
                            treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>11:</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>De gemeenteraad beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van
                        artikel 17, juncto artikel 13, vierde lid van de Boswet.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>12:</nr><titel>Afstand van de erfgrenslijn</titel></kop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld
                        op een meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>13:</nr><titel>Bestrijding van iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) (C.
                                    Moreau);</al></li><li nr="b."><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus Scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                            oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding
                            van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de
                            rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is
                            aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen
                            termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad
                            te hebben of te vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het voorgaande lid genoemde verbod is niet van toepassing op
                            geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4
                            centimer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder 3
                            van dit lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving biedt
                            een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke
                            werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of
                            namens de gemeente kunnen worden verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>14:</nr><titel>Verhouding tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouder stemmen de procedures betreffende
                            kapvergunning en aanleg- en bouwvergunning in het ontwerpstadium op
                            elkaar af.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kap-, bouw- en aanlegvergunningen worden zoveel mogelijk per project
                            tegelijkertijd afgegeven. Een kapvergunning kan worden geweigerd op de
                            enkele grond dat de bouw- of aanlegplannen nog niet definitief
                            zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een kapvergunning kan worden geweigerd, nadat een bouw- of
                            aanlegvergunning is verleend indien de rechthebbende aanvrager van een
                            kapvergunning niet of niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid
                            heeft gemeld van een beeldbepalend of anderszins waardevolle houtopstand
                            aan burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>15:</nr><titel>Monumentale bomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente bezit een lijst met monumentale bomen en houtopstanden,
                            waarvoor in beginsel geen kapvergunning wordt afgegeven, tenzij sprake
                            is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand
                            of andere uitzonderlijke situaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde lijst kan drie categorieën van monumentale
                            bomen en houtopstanden bevatten, namelijk: -nationale, geregistreerde;
                            -lokale; -toekomstige.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De regelmatig bijgewerkte lijst met monumentale bomen omvat in ieder
                            geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats,
                            het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en
                            de reden van registratie van iedere houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente bezit een bijzondere onderhoudsplicht voor de eigen
                            monumentale houtopstand zoals een goed beheerder betaamt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente verleent aan de standplaatsen van monumentale bomen de
                            bestemming groeiplaats boom onder vermelding van de stam- en
                            kroonprojectie van deze bomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>16:</nr><titel>Bescherming bomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om houtopstanden, die openbaar eigendom zijn;.</al><lijst><li nr="*"><al>te beschadigen. te bekladden of te beplakken;.</al></li><li nr="*"><al>daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren ter
                                    uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een openbare
                            houtopstand aan te brengen of anderszinste bevestigen behoudens
                            vergunning van burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>17:</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting</titel></kop><al>De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere beplanting welke aan het
                        wegverkeer het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze
                        hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien of
                        op te binden of te verwijderen na aanschrijving door burgemeester en
                        wethouders binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>18:</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 5, eerste of
                            tweede lid, of in artikel 9, eerste of tweede lid, is gegeven,
                            onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 10 is
                            opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig
                            te handelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die handelt in strijd met artikel 2, eerste lid, dan wel een
                            voorschrift onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in het vorige
                            lid niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                            maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een
                            rechterlijke veroordeling op grond van dit artikelopenbaar gemaakt
                            worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de
                            boomwaarde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene, die handelt in strijd met het voorschrift als bedoeld in artikel
                            13 tweede, derde of vierde lid, of in artikel 16, eerste of tweede lid,
                            wordt bestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een
                            boete van de tweede categorie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de
                            mogelijkheid tot het instellen door burgemeester en wethouders van een
                            privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan
                            bomen of houtopstanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>19:</nr><titel>Toezicht.</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                        verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders
                        aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>20:</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De kapvergunningsaanvragen, die zijn ingediend voor de inwerkingtreding
                        volgens artikel 21 vallen onder de verordening die van kracht was
                        voorafgaande aan deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>21:</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening</al><al>Zij treedt in werking met ingang van de dag volgende op de afkondiging, met
                        ingang van welke datum de hierna genoemde verordening vervalt:</al><al>de Kapverordening vastgesteld op 16 december 1993 door de raad van de
                        gemeente Beilen die bij raadsbesluit d.d. 22 januari 1998 geldig is
                        verklaard voor het gehele gebied van de gemeente Middenveld.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 27 mei 1999,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de secretaris,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>R.Timmer</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>R.W. ter Avest</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Bomenverordening</titel></kop><al>Tenzij anders vermeld, gaat het om wijzigingen t.o.v. de Model-kapverordening
                    VNG (1986) en/of de Model-Algemene Plaatselijke Verordening (1994) </al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De aanwezigheid van bomen en houtopstanden is van groot belang voor de kwaliteit
                    en de beleving van het landschap en de woonomgeving. Ze bepalen het beeld van
                    een dorp of wijk voor de bewoners en de bezoekers. Bomen beschermen ons tegen
                    fel zonlicht door schaduwwerking en bieden luwte wanneer het waait. Daarnaast
                    zijn bomen van belang voor milieu en natuur. Ze zuiveren de lucht, beïnvloeden
                    het microklimaat en leveren voedsel, schuil- en nestmogelijkheden voor vogels en
                    insecten. Belangen kortom die individuele kwaliteiten overschrijden. Dit brengt
                    mee dat het wenselijk is aan bomen en houtopstanden een zekere bescherming te
                    geven.</al><al>In de praktijk geven bomen soms echter ook problemen zoals afval van bladeren,
                    bloesems en vruchten alsmede ongedierte, schaduw of hun omvang die na verloop
                    van jaren wordt bereikt. De planter van dergelijke bomen voorziet die problemen
                    bij aankoop of aanplant meestal niet zodat men de boom na verloop van jaren wil
                    weghalen.</al><al>Om de waarden en functies van bomen volledig tot hun recht te laten komen moeten
                    bomen op de juiste plaats staan.</al><al>Het lijkt wenselijk differentiatie aan te brengen in de beschermwaardigheid van
                    bomen. Bomen zijn vaak een onderdeel van een particuliere tuin. De overheid moet
                    in beginsel niet treden in de particuliere vrijheid van tuininrichting; daarvoor
                    bestaat pas reden wanneer het geduide algemene belang reëel aan de orde is. Een
                    genuanceerde regelgeving is daarom ook wenselijk.</al><tussenkop>Artikel 1: Begripsomschrijvingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Begrippen:</al></li><li nr="*"><al><vet>Boom</vet></al></li></lijst><al>Alhoewel in artikel 2 het kapverbod wordt ingesteld bij bomen met een
                    dwarsdoorsnede van ten minste 20 centimeter is er voor gekozen de definitie uit
                    de model-bomenverordening te</al><al>handhaven.</al><al>De definitie van het begrip boom is opgenomen vanwege de discussie over wat wel
                    en geen</al><al>boom is, vooral bij meerstammigheid, zeer jonge bomen en boomachtige struiken.
                    Gekozen is voor een precieze defenitie met eenvoudig te controleren voorwaarden,
                    opdat zo min mogelijk twijfel kan ontstaan. Mocht deze zich toch nog voordoen
                    dan zou de vakliteratuur (boomflora e.d.) doorslaggevend moeten zijn.</al><al>De minimaal 10 cm doorsnede is gekozen, omdat deze maat ook vaker gebruikt wordt
                    bij het bepalen van het al dan niet gemakkelijk verplaatsbaar zijn van bomen.
                    Vanzelfsprekend moet de minimumgrootte niet gelden voor aanplant in het kader
                    van een herplant- of instandhoudingplicht.</al><al>*<vet>Houtopstand</vet></al><al>In het algemeen vallen onder houtwallen alle lintvormige begroeiingen van enige
                    uitgestrektheid bestaande uit bomen en/of struiken. Houtwallen zijn duidelijk
                    omvangrijker dan heggen of hagen of de in het tweede lid van artikel 2 bedoelde
                    wegbeplantingen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.</al><al>Toegevoegd is de definitie van 'grotere (lint) begroeiing in de vorm van
                    heesters en struiken'.</al><al>Vanwege de grote ecologische waarde van dergelijke begroeiingen (bijv. een
                    meidoom- of mispelhaag) is bescherming hiervan een noodzaak. Er staat begroeiing
                    in plaats van beplanting om ook spontaan opgeslagen groen bescherming te bieden.
                    Wel geldt evenals voor de houtwal dat het om een 'grotere' begroeiing, dus 'van
                    enige omvang' moet gaan (vgl. toelichting op model-k.v. '86 van de VNG,
                    vervolgblz. IV.5.3). De lintvormigheid is minder van belang: ook bijv. een
                    grotere driehoek met heesters kan waardevol zijn door soort of ligging.
                    Toegevoegd is: 'een beplanting van bosplantsoen' om een beplanting van inheemse
                    of reguliere bomen en struiken in stedelijke omgeving te kunnen beschermen. Voor
                    de leesbaarheid is de woordvolgorde gewijzigd.</al><al>*<vet>Hakhout</vet></al><al>De definitie van hakhout blijft opgenomen, omdat nog steeds, zij het sporadisch,
                    dergelijk houthakgebruik voorkomt. Een dusdanig gebruik van bomen als deel van
                    het (bedrijfs-) huishouden betekent een verbondenheid met bomen die op zich een
                    te beschermen waarde vormt.</al><al>Nieuw is 'boomvormers', of: opnieuw uitgelopen boomstronken, die door hun aard
                    of omvang evenzeer bescherming kunnen behoeven als iedere andere boom.</al><al>*<vet>Knotten/kandelaberen</vet></al><al>De definitie van knotten/kandelaberen is op verzoek van vele gemeenten opgenomen
                    in de versie 1996. Deze begripsomschrijving is bedoeld ter afbakening van
                    illegaal en ondeskundig snoeien of terugzetten van daarvoor ongeschikte bomen.
                    Deze definitie vult nader de mogelijkheid aan om zonder kapvergunning onderhoud
                    te kunnen plegen aan daarvoor wel geschikte bomen als bepaald in artikel 2 lid 3
                    sub c van deze verordening. Ook voor de vakkundige begrenzing van het 'geknot'
                    als vermeld in artikel 2 lid 2 sub a is deze definitie nuttig.</al><al>*<vet>Boomwaarde</vet></al><al>Toegevoegd wordt de boomwaardebepaling aangezien een landelijke eenheid in
                    financiële benadering dringend gewenst is en deze methode de meest gebruikte
                    blijkt. Uit de zich snel ontwikkelende rechtspraak blijkt ook de rechter steeds
                    meer de boomwaarde (methode Raad) te erkennen, zowel voor gemeentelijke- als
                    voor particuliere bomen. Belangrijk blijkt in een concreet geval een goede
                    motivering en doelstelling van de gekozen waardebepalingsmethode.</al><al>In geval van grotere schadebedragen aan bomen (bijv. een bedrag vanaf ca. f
                    5000,- lijkt dan ook de tussenkomst van een onafl1ankelijk, beëdigd taxateur van
                    bomen en houtige gewassen zeer aan te bevelen. In de versie 1996 is tekstueel
                    volledigheid nagestreefd door toevoeging van 'volgende' voor 'factoren'.</al><al>1.De omschrijving van 'vellen' omvat ook 'het verrichten van handelingen die de
                    dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben'. Deze
                    omschrijving komt overeen met die in de wet (artikel1, tweede lid). Om
                    misverstanden uit te sluiten zijn toegevoegd 'verplanten' of 'ernstig
                    ontsieren'. De nadere omschrijving heeft alleen betrekking op (actieve)
                    handelingen en niet op het (passieve) nalaten van handelingen zoals bijvoorbeeld
                    het nalaten van onderhoud, het niet nemen van maatregelen om ernstig bedreigde
                    houtopstand veilig te stellen, het lijdelijk toezien dat houtopstand -al dan
                    niet door toedoen van anderen- te gronde gaat. Het leek te ver te gaan om een
                    dergelijk 'stilzitten' onder het begrip 'vellen' te brengen. Tegen ernstige
                    verwaarlozing kan echter wel worden opgetreden. In dit verband wordt verwezen
                    naar artikel 9 en de toelichting daarop. Toegevoegd is 'zowel boven- als
                    ondergronds' om ook op te kunnen treden tegen ernstige, ondergrondse
                    beschadiging bij bijv. de aanleg van kabels en leidingen. De expliciete,
                    ondergrondse bescherming lijkt nodig gezien de merkwaardige achterstelling van
                    het kappen van wortels tegenover het afsnijden van takken in artikel 5:44 lid 2
                    van het Burgerlijk Wetboek. Vgl. Bomennieuws 3/41992, blz. 66 e.v. Belangrijk is
                    in dit verband de uitspraak van de Hoge Raad van 15/12/1992 (ongepubliceerd/JBR)
                    in de zaak Slootjes. De Hoge Raad stelde dat ook het vakkundig, rigoureus
                    knotten tot een stam met uitsteeksels (het zgn. kandelaren of kandelaberen)
                    ernstig beschadigen in de zin van dit artikel kan zijn en dus
                    kapvergunningplichtig is.</al><tussenkop>Artikel 2: Kapverbod</tussenkop><al>Artikel 2 geeft de werkingssfeer van de regeling aan. De regeling geldt zowel
                    binnen als buiten de bebouwde kom.</al><al>De vraag of houtopstand binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen, is om vier
                    redenen van belang:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het gaat om bossen van een bosbouwonderneming, bedoeld in het
                            tweede lid onder e van artikel 2. Ligt houtopstand van een dergelijke
                            onderneming binnen de bebouwde kom –hetgeen waarschijnlijk zelden zal
                            voorkomen -dan is de regeling alleen van toepassing wanneer het gaat om
                            'kleine' bossen.</al></li><li nr="b."><al>Wanneer het provinciaal bestuur een verordening heeft vastgesteld, die
                            te vergelijken is met de Zeeuwse beplantingsverordening. ArtikeI 2,
                            eerste lid, van die verordening bepaalt onder meer dat het verboden is
                            een houtopstand te vellen zonder vergunning van gedeputeerde staten voor
                            zover het houtopstanden betreft gelegen buiten de bebouwde kom, dan wel
                            zonder vergunning van burgemeester en wethouders der betrokken gemeente
                            voor zover het houtopstanden betreft gelegen binnen de bebouwde
                            kom.</al></li><li nr="c."><al>Voor de toepassing van de Beschikking bosbijdragen (functiebeloning).
                            Deze beschikking geldt niet voor bossen of houtopstanden die zijn
                            gelegen binnen een bebouwde kom.</al></li><li nr="d."><al>Indien het gaat om het kappen van bomen in achtertuinen. Zie
                            uitzondering in derde lid.</al></li><li nr="1."><al>Lid 1 introduceert het vergunningenstelsel. Het vereiste van een
                            kapvergunning geldt voor bomen met een stamdoorsnede van ten minste 20
                            cm op een hoogte van 1,30 meter boven maaiveld. Bomen met een
                            stamdoorsnede van minder dan 20 cm kunnen vrij worden gekapt.</al></li><li nr="2."><al>Tweede lid, onderdelen a tot en met d (uitzonderingen krachtens de
                            Boswet) Lid 2 geeft een groep uitzonderingen op het in het eerste lid
                            gestelde verbod. De onder a tot en met d vervatte uitzonderingen vloeien
                            voort uit artikel 15, lid 2, van de wet, waarin de categorieën bomen of
                            houtopstanden worden genoemd, ter bewaring waarvan de gemeentelijke
                            wetgever geen regels mag stellen. Hiertoe behoren o.a. wegbeplantingen
                            en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover
                            bestaande uit populieren of wilgen- Bij wet van 8 december 1982, Stb.
                            706, is echter voor de hier bedoelde wilgen en populieren een
                            uitzondering gemaakt, doordat aan artikel 15, tweede lid, onder a, van
                            de Boswet is toegevoegd 'tenzij deze zijn geknot' . De gemeentelijke
                            wetgever heeft daarmee de mogelijkheid gekregen regelen te stellen ter
                            bewaring van knotwilgen en knotpopulieren die deel uitmaken van
                            wegbeplantingen of eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden.
                            Het kapverbod geldt wel voor wilgen en populieren, niet zijnde
                            wegbeplantingen of eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden,
                            waarbij niet van belang is of deze wel of niet zijn geknot. Tweede lid,
                            onderdeel e (uitzondering voor bosbouwondernemingen) Onderdeel e geeft
                            in het eerste gedeelte een uitzondering, waartoe de wet eveneens
                            verplicht. Ingevolge artikel 15, lid 3, van de Boswet is de gemeenteraad
                            immers niet bevoegd regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere
                            houtopstánden die deel uitmaken van bosbouwondernemingen, die als
                            zodanig bij het Bosschap geregistreerd staan en gelegen zijn buiten de
                            bebouwde kom. Artikel 2 bevat niet de uitzondering die artikel 5, lid I,
                            van de Boswet voor het rijk in het leven roept. Genoemd artikel bepaalt
                            dat meldings- en herplantplicht niet van toepassing zijn, wanneer de
                            grond, waarop de velling zal worden verricht, nodig is voor de
                            uitvoering van een werk overeenkomstig een goedgekeurd bestemmingsplan,
                            bij voorbeeld het bouwen van woningen of de aanleg van wegen. De
                            modelbepalingen gelden ook in die gevallen, zij het dat toepassing zich
                            zal beperken tot situaties waarin door een kleine wijziging van de
                            plaatsing van het werk een belangrijke houtopstand aan een onnodige
                            opoffering kan ontkomen. In onderdeel e wordt niet gesproken van
                            houtopstand die 'gelegen is buiten de bebouwde kom'. Met het oog op het
                            bestaan van verscheidene bebouwde kommen in de gemeente worden -in
                            navolging van artikel 15, derde lid, van de Boswet -de woorden 'niet
                            gelegen zijn binnen een bebouwde kom' gebruikt- Wanneer gedeputeerde
                            staten ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet ontheffing van de
                            verplichting tot het vaststellen van bebouwde-komgrenzen hebben
                            verleend, kan de zinsnede 'en niet gelegen zijn binnen een bebouwde kom'
                            vervallen. In de versie 1996 is de toevoeging van versie 1994 die
                            luidde: 'houtopstanden, die op bosbouwkundige of bedrijfseconomische
                            wijze worden geëxploiteerd, indien het betreft: ' vervangen door:
                            'houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet'. Reden
                            van deze herziene toevoeging is een verschil van interpretatie over de
                            1994-tekst zoals bleek uit overleg met vertegenwoordigers van het
                            Ministerie L. N .V. en de V. N. G. .Gemeenten die progressief willen
                            interpreteren kunnen de 1994 tekst aanhouden. maar lopen het risico van
                            een andere opvatting in hoger beroep voor de Afdeling
                            Bestuursrechtspraak (die na advies van het Ministerie uitspraak doet).
                            Daarom is in de 1996-versie het door alle betrokkenen aanvaarde
                            compromis van 'buiten de bebouwde kom' opgenomen. De 1996-wijziging
                            impliceert dus dat bijvoorbeeld fruitbomen 'binnen de bebouwde kom in de
                            zin van de Boswet' wel kapvergunningplichtig zijn maar fruitbomen buiten
                            deze bebouwde kom vogelvrij zijn. Grens van deze bebouwde kom behoort
                            bekend te zijn binnen de gemeente en is overigens na te vragen op het
                            provinciehuis. Bij afwezigheid van deze grens (eigenlijk in strijd met
                            artikel 1, 1id 5 Boswet) valt zij samen met de buitengrens van de
                            gemeente. De 1994-tekst grijpt terug op de oorspronkelijke bedoeling van
                            de Boswet, namelijk dat er geen Kapvergunning nodig is voor
                            houtopstanden, die om commerciële redenen worden gehouden. Uit de
                            jurisprudentie lijkt de Kroon soms de commerciële strekking van dit
                            artikel te veronachtzamen in tegenstelling tot de parlementaire
                            discussie (vgl. blz. IV 5.6 e.v. toelichting model-k.v.'86). Bewust
                            wordt in deze formulering niet gesproken van 'om bosbouwkundige of
                            bedrijfseconomische motieven/redenen geëxploiteerd', omdat iemands
                            motieven en redenen moeilijk te bewijzen zijn. Het betreft hier immers
                            een strafbepaling, zodat die motieven/redenen bewezen moeten kunnen
                            worden aangezien een en ander deel uit kan maken van een te bewijzen
                            tenlastelegging. Eveneens is afgezien van 'houtopstanden, die deel
                            uitmaken van het vermogen van een op bosbouw-, hout- of fruitteelt
                            gerichte onderneming' .Deze laatste formulering lijkt toch te beperkt,
                            omdat bomen ook buiten een onderneming om geëxploiteerd kunnen worden.
                            Onder b. is vruchtbomen veranderd in fruitbomen, als een nadere
                            invulling van het afbakenend begrip vruchtbomen van artikel 11id 4 onder
                            e van de Boswet. Zoals de VNG-toelichting aangeeft, is hier ook bedoeld
                            fruitbomen en het uitzonderen van bomen van commerciële fruittelers.
                            Bijna iedere boom is immers letterlijk een vrucht(dragende) boom. Met
                            deze aanpassing is bedoeld een einde te maken aan de jurisprudentie,
                            waarin de rechter soms alle vruchtbomen vogelvrij verklaarde, dan wel
                            bijvoorbeeld notenbomen, als vruchtbomen in de zin van dit artikel
                            beschouwde (bijv. Kb. 24.10.'86, nr. 43, M &amp; R '87/8, blz. 297).
                            Onder a. zijn de populieren en wilgen vooraan gezet voor de
                            leesbaarheid, maar inhoudelijk staat er hetzelfde. Onder e is t.o. v. de
                            1994-tekst de oorspronkelijke tekst hersteld: 'geen grotere oppervlakte
                            dan 10 are ofwel' (vgl. art.2 lid 2 sub e met de VNG model-tekst art.
                            4.5.2. lid 2 sub f.).</al></li><li nr="3."><al>Dit zijn uitzonderingen op het vergunningvereiste die niet uit de Boswet
                            voortkomen: Ad a. Uitzondering voor dunning. Voor houtopstanden die bij
                            wijze van dunning worden gekapt is geen vergunning noodzakelijk. Opname
                            van deze bepaling sluit aan bij de praktijk van het reguliere onderhoud
                            van singels e.d. Ad b. Uitzondering voor achtertuinsituaties Voor het
                            kappen van bomen in niet te grote achtertuinen is geen vergunning nodig.
                            Hiermee wordt de burger vrijgelaten in de tuininrichting van zijn
                            achtertuin. Omdat houtopstanden naast en voor een woning een grote
                            bijdrage kunnen leveren aan het straatbeeld zijn deze niet vrijgesteld
                            van de vergunningplicht. Om dezelfde redenen blijft in tuinen van
                            hoekwoningen en woningen met tuinen die ook aan de achterzijde aan
                            openbaar gebied grenzen het vergunningvereiste van toepassing. Ad. c
                            Uitzondering op grond van Plantenziektenwet of bij aanschrijvingen Deze
                            uitzonderingen spreken voor zich. Ad d. Uitzondering voor specifieke
                            boomsoorten Uitgezonderd zijn een aantal boomsoorten waarvan is
                            beoordeeld dat deze die geen enkele bescherming behoeven. Ad e. hakhout
                            Zie toelichting bij artikel 1 Ad f. knotten/kandelaberen Niet
                            kapvergunningplichtig is het (vakkundig) knotten/kandataberen van
                            daarvoor geschikte knotbomen. Zie hierboven onder art. llid sub d voor
                            de definitie van knotten/kandelaberen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3: Aanvraag vergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Schriftelijke aanvraag voor de uitgebreide procedure is vanzelfsprekend
                            noodzaak. Een situatieschets, op te stellen door de aanvrager, blijkt in
                            de praktijk nodig aangezien men anders een tweede maal de kapvergunning
                            voor een andere houtopstand zou kunnen gebruiken. De woorden 'of
                            krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid' zijn in de bepaling opgenomen
                            in verband met gevallen waarin een overheidsorgaan, bij voorbeeld een
                            provinciaal bestuur of een waterschap, bij wijze van bestuursdwang bomen
                            wil vellen, die in strijd met een verordening of een waterschapskeur
                            geplant zijn. Deze bestuursdwang zal slechts uitgeoefend kunnen worden,
                            indien de gemeente een kapvergunning verleent. Het gemeentebestuur zou
                            echter geen vergunning kunnen verlenen, wanneer de vergunning slechts
                            door de zakelijk gerechtigde zou kunnen worden aangevraagd.</al></li><li nr="2."><al>Bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom kunnen zowel onder de
                            Boswet als onder de kapverordening vallen. Dit betekent dat in die
                            gevallen een voorgenomen velling moet worden gemeld aan Staatsbosbeheer
                            en dat vergunning moet worden gevraagd aan het gemeentebestuur. Artikel
                            3, tweede lid, stelt nu dat de wettelijk voorgeschreven kennisgeving aan
                            Staatsbosbeheer mede wordt Beschouwd als een vergunningsaanvraag. Deze
                            efficiënte werkwijze is mogelijk geworden, doordat de directeur van
                            Staatsbosbeheer van de bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving
                            een afschrift zendt aan het desbetreffende gemeentebestuur .Aangezien
                            dit afschrift alle gegevens bevat, die het gemeentebestuur voor de
                            beoordeling van de aanvraag nodig heeft, is een belangrijke
                            vereenvoudiging verkregen die voor de belanghebbende boseigenaar vele
                            van de bezwaren van het onderworpen zijn aan tweeërlei gezag wegneemt.
                            De directeur Bos- en Landschapsbouw heet tegenwoordig de teammanager van
                            de Landelijke Service bij Regelingen (LASER). Door de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb) hoeft geen artikel over de beslistermijn opgenomen
                            te zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4: Weigering ex lege</tussenkop><al>In tegenstelling tot de model-k. v .'86, die de vergunning ex lege als
                    uitgangspunt neemt en in de toelichting de weigering ex lege als mogelijkheid
                    noemt, hebben wij gemeend dat, indien er ondanks de acht wekentermijn van de Awb
                    geen beslissing is genomen, de houtopstand niet het loodje mag leggen ten
                    gevolge van traagheid of twijfel bij de gemeente. Bij twijfel houtopstand
                    bewaren lijkt aan te bevelen. Bovendien doet een weigering ex lege recht aan de
                    rechten van derden-belanghebbenden.</al><al>De consequentie van dit artikel is dat burgemeester en wethouders na
                    overschrijding van de termijn niet langer bevoegd zijn om alsnog op de aanvraag
                    te beschikken (de vergunning is immers geweigerd).</al><tussenkop>Artikel 5: Weigeringsgronden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In de aanhef staat 'onder andere' .De opsomming is dus niet limitatief
                            bedoeld; er kunnen dus nog meer en andere weigeringsgronden zijn. Een
                            enkele weigeringsgrond kan voldoende zijn om geen vergunning af te
                            geven. Meestal echter zullen er in het concrete geval wel meer redenen
                            of een combinatie van redenen te geven zijn. Opgenomen zijn onder meer
                            de volgende weigeringsgronden </al></li><li nr="*"><al>natuur- en milieuwaarden worden vooropgesteld overeenkomstig de huidige
                            opvatting, dat de visuele, esthetische opvattingen over natuur-,
                            landschaps- en dorps/stadsschoon (die dateren uit de jaren '20/'30 van
                            deze eeuw) minder van belang zijn dan de ecologische noodzaak tot
                            natuurbeleid. Ecologische waarden zijn in begrip 'natuur- en
                            milieuwaarden' begrepen. Met dit vooropstellen van natuur en milieu is
                            echter niet bedoeld een rangorde in de weigeringsgronden aan te brengen.
                            Dus een vergunning kan evenzeer alleen op grond van bijv. aantasting van
                            landschappelijke waarden geweigerd worden als op grond van bedreiging
                            van natuurwaarden;</al></li><li nr="*"><al>landschappelijke waarden is een meer eigentijdse benaming voor natuur-
                            en landschapsschoon;</al></li><li nr="*"><al>cultuurhistorische waarden zijn apart opgenomen, omdat een kleine of
                            reguliere boom op een bepaalde plaats het behouden waard kan zijn
                            vanwege de historische betekenis:</al></li><li nr="*"><al>waarden voor de recreatie en de leefbaarheid. Men kan hier bijvoorbeeld
                            denken aan bomen die algemeen gewaardeerd worden om hun schaduw.</al></li><li nr="2."><al>Ook is toegevoegd dat bij weigeren of onder voorschriften verlenen van
                            een vergunning de boomwaarde als motivering gehanteerd kan worden. Ook
                            hier geldt de bij artikel llid 3 besproken noodzaak van eenheid in
                            fInanciële benadering en de voorzichtige toepassing hiervan. Verwijzen
                            naar besternmings-, groen-, bomen-, of landschapsplan is natuurlijk
                            zinvol voor de eenheid en duidelijkheid in beleid. Het beschermen van
                            houtopstand die deel uitmaakt van de lokale of landelijke ecologische
                            hoofdstructuur is een voorbeeld van een consequente uitvoering van
                            beleidsvoornemens en sluit aan bij het begrip ecologische hoofdstructuur
                            van het Nationaal Natuurbeleidsplan.</al></li><li nr="3."><al>In acute probleemsituaties door houtopstanden; meestal dus gevaarzetting
                            voor zaken of personen door instabiliteit van bomen, moet er meteen
                            gehandeld kunnen worden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6: Openbaarmaking</tussenkop><al>Met de algemene zorgvuldigheid, die de Algemene wet bestuursrecht introduceert,
                    lijkt deze openbaarmaking verplicht te zijn (art.3: 40. Awb). Bovendien worden
                    zo derdebelanghebbenden in de gelegenheid gesteld eventueel bezweer en beroep
                    aan te tekenen.</al><al>De rechter lijkt steeds vaker van mening dat aan (evident) belanghebbenden een
                    afschrift van de kapvergunning moet worden toegestuurd bij wijze van
                    bekendmaking (art. 3:40 en 41 Awb).</al><tussenkop>Artikel 7: Standaardvoorwaarde van niet-gebruik</tussenkop><al>Dit artikel is om te vermijden dat de boom al feitelijk gekapt is voordat derden
                    kennis van de Kapvergunning hebben kunnen nemen. Aansluiting is gezocht met
                    formuleringen en systematiek uit de rechtspraak en de afstemming van de
                    bouwvergunning op de milieuvergunning (art. 52 Woningwet).</al><al>Gedacht kan worden aan een in de kapvergunning op te nemen bepaling, volgens
                    welke deze vergunning pas van kracht wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer tegen de beslissing tot verlening van deze vergunning geen
                            bezwaar is gemaakt als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, van de
                            Algemene wet bestuursrecht: na het einde van de in artikel 6:7 van die
                            wet genoemde termijn (zes weken);</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen de beslissing tot verlening van de vergunning bezwaar is
                            gemaakt als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet
                            bestuursrecht: niet voordat op het bezwaarschrift is beslist;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard: na het einde van
                            de in artikel 6:7, van de Awb genoemde termijn;</al></li><li nr="d."><al>wanneer gedurende die termijn verzocht wordt om toepassing van artikel
                            8:81 van de Awb niet voordat op dat verzoek is beslist.</al></li></lijst><al>Soortgelijke bepalingen zijn ook denkbaar, wanneer een kapvergunning wordt
                    verleend in verband met de realisatie van een bouwplan of in verband met de
                    aanleg van een weg. Zo kan voorkomen worden dat een boom al is gekapt, als de
                    bouw- of aanlegvergunning na beroep of bezwaar alsnog geweigerd wordt.</al><al>Zie de uitspraak van de afdeling rechtspraak van 9 december 1980, AB 1981, 169.
                    Aan een kapvergunning die was verleend in verband met de aanleg van een weg, was
                    de voorwaarde verbonden dat van de vergunning pas gebruik mocht worden gemaakt,
                    indien en zodra de Raad van State met de beoogde wegaanleg zou instemmen. De
                    afdeling vond deze voorwaarde in het belang van natuur- en landschapsschoon,
                    welke belangen de Kapverordening beoogt te dienen.</al><tussenkop>Artikel 8: Vervaltermijnvergunning</tussenkop><al>Dit artikel blijkt nodig te zijn om misbruik van (zeer) oude kapvergunningen
                    tegen te gaan. Bomen groeien immers verder. In de 1996-versie is de 2e zin van
                    de 1994-tekst vervallen en vervangen door toevoeging van het woordje 'volledig'
                    in de eerste zin waardoor de strekking gelijk blijft.</al><tussenkop>Artikel 9: Bijzondere vergunningsvoorschriften</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Nieuw is het 'zo vaak mogelijk' verwijzen naar de diverse groene
                            plannen. Toegevoegd in 1996-versie in de tweede zin: 'het gemeentelijke
                            beleid'. Artikel 9 stelt de mogelijkheid om een herplantplicht aan een
                            vergunning te verbinden vast. In het algemeen mag hij die een vergunning
                            mag weigeren, daaraan ook voorschriften verbinden. Mede gezien het feit
                            dat dit voorschrift ingrijpend kan zijn, is het wenselijk ter zake een
                            uitdrukkelijke bepaling op te nemen. Deze herplantplicht heeft een
                            andere strekking dan de herplantplicht krachtens de Boswet. Daar is zij
                            gericht op het behoud van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders
                            mogelijk is); bij de gemeente geschiedt een eventuele beplanting om
                            redenen van milieubeheer en zal zij vaak zoveel mogelijk ter plaatse
                            moeten gebeuren. De wet geeft voor herbeplanten een termijn van drie
                            jaar . De gemeente behoeft deze termijn niet aan te houden. Behalve een
                            termijn kunnen burgemeester en wethouders ook aanwijzingen geven met
                            betrekking tot de herplantplicht. Denkbaar is dat een andere boomsoort
                            wordt voorgeschreven (bijvoorbeeld iepen die beter bestand zijn tegen
                            iepziekte). Bij vervanging van een grote boom kan worden gedacht aan
                            herplant van een boom van vergelijkbare grootte of aanplant van meer dan
                            één boompje.</al></li><li nr="2."><al>Ook het tweede lid zou, strikt genomen, kunnen worden gemist. Immers,
                            mislukt een beplanting aangebracht krachtens het eerste lid, dan is er
                            sprake van het teniet gaan van beplanting. Ingevolge artikel 10, eerste
                            lid, kan dan een verplichting tot herbeplant worden opgelegd. Het kan
                            echter gewenst zijn ter versnelling van het herstel de eventuele
                            vervangingsverplichting gelijktijdig met de herplantplicht op te
                            leggen.</al></li><li nr="3."><al>Dit lid is toegevoegd uit natuurbeschermingsoogpunt voor bijzondere
                            flora en fauna in en rond een houtopstand. De procedure rond
                            kapvergunningaanvragen lijkt de goede mogelijkheid en een juist moment
                            om burgers meer natuurbewust te maken. Enkele gemeenten noemen reeds als
                            voorschrift, of aanbeveling bij de vergunning: niet vellen in het
                            broedseizoen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10: Herplant-/instandhoudingsplicht</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>Eerste lid (zelfstandige
                            herplantplicht)</cursief>Wanneer een herplantplicht alleen
                            maar als vergunningsvoorschrift zou kunnen worden gesteld, dan zou dat
                            betekenen dat iemand aan de oplegging van een herplantplicht kan
                            ontkomen door zonder vergunning te vellen. De in artikel 10, eerste lid,
                            opgenomen bepaling maakt het mogelijk in zulke gevallen een zelfstandige
                            herplantverplichting te scheppen. In het eerste lid is toegevoegd 'dan
                            wel op andere wijze is teniet gegaan'. Burgemeester en wethouders kunnen
                            dus ook een verplichting tot herplantplicht opleggen, als houtopstand is
                            teniet gegaan door verwaarlozing of door een calamiteit. Oplegging van
                            een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar, als houtopstand is
                            teniet gegaan door een velling ingevolge de Plantenziektenwet of een
                            velling in het kader van een instandhoudingplicht krachtens artikel 10,
                            derde lid, dan wel op grond van (andere) bepalingen van de APV", bij
                            voorbeeld in verband met de verkeersveiligheid. Gebleken is dat voor het
                            uitvoeren van de herplantplicht soms ook de medewerking van anderen dan
                            de zakelijk gerechtigde noodzakelijk is. Daarom is aansluiting gezocht
                            bij de omschrijving van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet:
                            aanschrijvingen kunnen worden gericht tot de eigenaar of tot degene die
                            uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is' .Deze
                            toevoeging is ook van belang voor gemeenten waar zich kroondomeinen
                            bevinden. De herplantplicht kan dan worden opgelegd aan degene die
                            'krachtens enig duurzaam persoonlijk recht' tot het treffen van
                            voorzieningen bevoegd is. Ook in de Boswet komt een herplantplicht voor.
                            Artikel 3 van de Boswet verplicht de eigenaar van grond, waarop een
                            houtopstand anders dan bij wijze van dunning is geveld of op andere
                            wijze teniet gegaan, tot herbeplanting. Het koninklijk besluit van 20
                            juni 1962, Stb. 220, geeft daarvoor nadere regels . De herplantplicht
                            die in artikel 10 is neergelegd, verschilt van de herplantplicht van de
                            Boswet. De in artikel 10 bedoelde herplantplicht geldt niet zonder meer,
                            maar pas wanneer burgemeester en wethouders daartoe besluiten. De
                            herplantplicht van de Boswet bestaat uit kracht van de Boswet zelf. De
                            herplantplicht heeft in de modelbepalingen bovendien een andere
                            strekking dan in de Boswet: in de wet is zij gericht op het behoud van
                            het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk is), terwijl
                            herbeplanting krachtens de modelbepalingen geschiedt om redenen van
                            rnilieubeheer en daardoor vaak zoveel mogelijk ter plaatse moet
                            gebeuren. Hieruit volgt dat een herplantplicht slechts opgelegd kan
                            worden, wanneer hieruit een herstel van geschonden milieuwaarden kan
                            voortkomen. Onder bepaalde omstandigheden kan degene, die het kapverbod
                            van de gemeente heeft overtreden, onderworpen zijn aan de herplantplicht
                            van de Boswet. In de oorspronkelijke model-kapverordening (1962) werd
                            bepaald dat een herplantplicht op basis van deze verordening slechts kan
                            worden opgelegd 'voor zover deze verplichting niet reeds voortvloeit uit
                            artikel 3 van de Boswet' . Deze beperking is geschrapt. Zou deze
                            beperking namelijk niet geschrapt worden, dan zou de herplantplicht op
                            grond van artikel 10 wijken voor de herplantplicht op grond van artikel
                            3 van de Boswet. Aan de laatstbedoelde herplantplicht ligt echter -zoals
                            gezegd -een ander motief ten grondslag. Uit de zogenaamde motieftheorie
                            volgt, dat de gemeenten met het opleggen van een zelfstandige
                            herplantplicht, onafhankelijk van die van de Boswet, niet hun
                            verordenende bevoegdheid overschrijden.</al></li><li nr="*"><al>Het tweede lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                            redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal
                            teniet gaan. De gemeente zou in dat geval kunnen wachten totdat de
                            houtopstand geheel teniet is gegaan om dan vervolgens op grond van het
                            eerste lid van artikel 10 een herplantplicht op te leggen. Het kan
                            echter voorkomen dat de strekking van de (model-)verordening beter
                            gediend is met het behoud van bestaande bomen dan met de vervanging
                            daarvan. Met name valt hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn
                            immers niet of slechts met grote kosten te vervangen, en wat
                            bijvoorbeeld schoonheid, luchtzuiverende kwaliteit, nestelgelegenheid
                            betreft, wegen zij op tegen een veelheid van jonge boompjes. Krachtens
                            het derde lid van artikel 10 kan de zakelijk gerechtigde worden
                            verplicht tot het in stand houden van dergelijke bomen. Deze
                            verplichting kan inhouden het ongedaan maken of voorkomen, voor zover
                            mogelijk van (dreigende) ernstige beschadiging of aantasting ten gevolge
                            van weersomstandigheden, ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het
                            weghalen van bosstrooisel, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen
                            van terreinverhardingen, het storten van afval, enz. Op bouwterreinen is
                            bijvoorbeeld het volgende van belang:</al></li><li nr="*"><al>Verkeer, machines, keten, materiaalopslag en het verbranden van afval
                            onder de kroon kunnen een boom ernstig beschadigen of in gevaar
                            brengen.</al></li><li nr="*"><al>Een hek, dat op tijd is geplaatst, houdt allerlei oorzaken van
                            beschadiging onder de kroon vandaan. Het hek moet ongeveer even ruim om
                            de boom staan als de kroon breed is.</al></li><li nr="*"><al>Het leggen van rijplaten gaat verdichting van de grond tegen.</al></li><li nr="*"><al>Afgraven van de bovenste decimeters van de grond ontneemt de boom het
                            meeste voedsel en ook een groot deel van de fijne wortels.</al></li><li nr="*"><al>Ophogen van de grond, vooral met klei, kan bomen doen verstikken-</al></li><li nr="*"><al>Bestraten of verharden onder de boom leidt tot een tekort aan lucht en
                            vocht, vooral bij gebruik van beton of asfalt. Eventueel kan worden
                            gewerkt met de minder schadelijke 'groensteen'.</al></li><li nr="*"><al>Een boom is geen paal. Kabelstroppen om stam of takken of het
                            vastspijkeren van latten geven grote wonden.</al></li><li nr="*"><al>Beschadigingen en wonden moeten op tijd worden behandeld. Inrotting
                            wordt voorkomen door plekken glad af te werken en met balsem te
                            bedekken-</al></li></lijst><al>De verplichting tot instandhouding behoeft niet te betekenen dat van een
                    boomgroep alle bomen moeten blijven staan. Om besmetting met ziekten te
                    voorkomen kan zo nodig de verplichting worden opgelegd bepaalde bomen te kappen
                    en van het terrein te verwijderen. Bij een sterk verouderd bomenbestand kan het
                    aanbeveling verdienen het bestand te kappen onder het opleggen van een
                    herplantplicht.</al><al>De instandhoudingverplichting krachtens artikel 10 mag uiteraard niet leiden tot
                    strijd met verplichtingen krachtens hogere regelingen, zoals bij voorbeeld de
                    Plantenziektenwet.</al><tussenkop>Artikel 11 : Schadevergoeding</tussenkop><al>Deze door de Boswet mogelijk gemaakte schadeloosstelling wegens vellen van
                    houtopstand is door de rechter (Kroon), voor zover ons bekend, zelden of nooit
                    toegekend en lijkt voor een theoretisch geval gedacht (VgI. KB 29.8.'80,11,
                    A.B.'80, 619 en KB 18.4.'84,46 A.B.'84, 444). Helaas schrijft de formele wet
                    (Boswet) nog steeds opname van dit schijnbaar overbodige artikel voor .</al><tussenkop>Artikel 12: Afstand van de erfgrenslijn</tussenkop><al>De nieuwe leden een en twee van artikel 42 Boek 5 van het (nieuw) Burgerlijk
                    Wetboek geven weliswaar het bekende rooirecht voor bomen binnen twee meter en
                    heesters en hagen binnen een halve meter van de erfgrenslijn. Maar in artikel
                    5:421id 2 is in afwijking van het oude B. W .toegevoegd: 'tenzij ingevolge een
                    verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten'
                    .Daarom is in deze verordening dit nieuwe artikel toegevoegd dat de
                    erfgrensafstand aanzienlijk verkleind.</al><al>De gekozen afstand van I meter sluit aan bij de praktijk waarbij de gemeente in
                    bermen bij de aanplant van nieuwe bomen ten minste 1 meter uit de erfscheiding
                    blijft. Met 'nihil ' voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze
                    van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te maken. Vele bomen
                    en heesters zullen door deze afstandverkleining beter beschermd misschien wel
                    gespaard worden. De juridische mogelijkheden voor burenruzies zijn hiermee
                    enigszins verminderd. De buur kan vorderen beplantingen (bomen), die nog geen 20
                    jaar dichter dan 1 meter vanaf de erfgrenslijn geplant zijn, te laten
                    rooien.</al><tussenkop>Artikel 13: Bestrijding iepziekte</tussenkop><al>Dit artikel is nieuw toegevoegd, hoewel reeds soortgelijke artikelen in den
                    lande van kracht zijn; meestal met 'ontschorsen' in plaats van 'ontbasten'. Een
                    bast is echter meer materie dan enkel de schors en noodzakelijk is het
                    verwijderen van de gehele bast. Onder artikel 2 lid 3 is al kort toegelicht dat
                    dit iepziekte-artikel nodig is geworden nu het Besluit bestrijding iepziekte is
                    opgeheven en de Minister de gemeenten zelf de bevoegdheid heeft gelaten om tegen
                    deze ziekte op te treden. Optreden is dringend gewenst om de iepen in ons land
                    te behouden (vgl. de situatie in Engeland).</al><al>In het vierde lid is een bijzondere bestuursdwangbevoegdheid, in aanvulling op
                    de algemene gemeentelijke bestuursdwangbevoegdheid, opgenomen, vanwege de ernst
                    van de zaak en noodzaak snel te kunnen handelen, met name voor de afdeling Wegen
                    en Groen.</al><tussenkop>Artikel 14: Verhouding tussen kap-, bouw- en aanlegvergunning</tussenkop><al>Naar aanleiding van vele praktijkproblemen in de afstemming tussen deze
                    verschillende verordeningen is dit artikel ontworpen.</al><lijst><li nr="1."><al>Juist in het ontwerpstadium kunnen bouw- en aanlegplannen nog worden
                            gewijzigd en aangepast aan voorhanden en te behouden beplantingen. Een
                            standaardinventarisatie van aanwezige beplantingen als vast onderdeel
                            van iedere bouw- of aanleg-aanvraag is raadzaam.</al></li><li nr="2."><al>Door het tegelijkertijd afgeven van kap- en bouwvergunning wordt
                            vermeden dat de gemeente zich zelf in moeilijke situaties manoeuvreert,
                            bijvoorbeeld het redelijkerwijze niet meer of slechts gedeeltelijk
                            aanvullend kunnen zijn van een kapvergunning op de reeds afgegeven
                            bouwvergunning. Het komt voor dat gemeenten 'groene' voorwaarden in hun
                            bouwvergunning stellen (hoewel ons dit juridisch dubieus lijkt aangezien
                            dergelijke behoud-/herplantvoorwaarden bij de kapvergunning behoren).
                            Dit is een weergave van de vaste rechtspraak op dit gebied dat er niet
                            vroegtijdig gekapt mag worden als plannen nog niet definitief zijn.
                            Definitief in zowel juridische als financiële zin. Vg1. bijvoorbeeld:
                            Vz, ARRS 12 maart 1993. AB 324 (Madurodam). Vz. ARRS 3 sept. 1993. AB
                            1994. 179 of Vz. ARRS 28 aug. 1990. Gst. 1990.1 40.</al></li><li nr="3."><al>Indien blijkt dat de aanwezigheid van waardevolle houtopstanden bewust
                            of opzettelijk verzwegen is, kan dit artikel zeker toepassing vinden.
                            Men lette evenwel op de gemeentelijke plicht een besluit zorgvuldig voor
                            te bereiden (art. 3.2 Awb).</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 15: Monumentale bomen</tussenkop><al>Een artikel om gemeenten een paar algemene richtlijnen te geven waaraan een
                    lokale monumentale bomenlijst.minimaal moet voldoen. Belangrijk is om de
                    eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en het kadastraal perceelsnummer te
                    kennen.</al><al>Toegevoegd bij de versie 1996 is lid 5 om in het bestemmingsplan de bescherming
                    van monumentale bomen een extra basis te geven.</al><tussenkop>Artikel 16: Bescherming bomen</tussenkop><al>Omdat bij de versie 1996 naar een hoge mate van volledigheid en duidelijkheid is
                    gestreefd, is dit artikel expliciet opgenomen. Strikt gesproken valt een deel
                    van deze strafrechtelijke boombescherming ook onder het VNG-model: artikelen
                    4.6.1. en 4.6.2. Strafmaatbepaling conform systematiek</al><al>in artikel 18 lid 3 van dit model.</al><tussenkop>Artikel 17: Uitzicht belemmerende beplanting</tussenkop><al>Zie opmerking over volledigheid in vorige artikel. Ook hier moet worden verwezen
                    naar de (gedeeltelijke) overlapping met art. 2.1.6.3. van het VNG-model. Let op
                    het verschil in tekst tussen beiden (bomenverordening noemt bewust niet:
                    'knotten' en 'opruimen van bomen').</al><tussenkop>STRAF- EN SLOTBEPALINGEN</tussenkop><al>Het apart bijeenzetten van de strafbepalingen levert meer overzichtelijkheid
                    op.</al><tussenkop>Artikel 18: Strafbepaling</tussenkop><al><vet>Toegevoegd</vet> is lid 4 van anikei 6 van het VNG-model (strafbepaling
                    voor de herplant/ instandhoudingsplicht) .</al><lijst><li nr="1."><al>De boetecategorie blijft van de tweede categorie in verband met de
                            artikelen 154 Gemeentewet. Ten overvloede moet misschien opgemerkt dat
                            bij rechtspersonen een hogere boetecategorie kan gelden. Verder blijken
                            meerdaderschap en/of medeplichtigheid regelmatig voor te komen.
                            Toegevoegd is expliciet de mogelijkheid tot openbaarmaking als extra
                            straf, omdat vaak niet zulke hoge boetes (kunnen) worden opgelegd, omdat
                            (meestal) de rechter de straf oplegt in overeenstemming met de ernst van
                            het feit de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoonlijke
                            omstandigheden van de dader, zoals daarvan tijdens de terechtzitting is
                            gebleken. De boomwaarde is dan ook genoemd als een van de vele factoren
                            die meewegen, maar wel expliciet om het financiële te laten meewegen. In
                            dit verband moet opgemerkt dat alle geïnterviewde gemeenten mededeelden
                            bij opzettelijke, illegale kap van de volle boomwaarde van de gevelde
                            bomen uit te gaan.</al></li><li nr="2."><al>Toegevoegd nieuw lid in verband met nieuw artikel 16 (in
                            1996-versie).</al></li><li nr="3."><al>Toegevoegd nieuw lid 4 (in 1996-versie) ter loskoppeling van straf- en
                            privaatrecht. Bedoeld is deze instructienorm om de mogelijkheid van een
                            privaatrechtelijk optreden van een gemeente als schadelijdend
                            boomeigenaar/beheerder niet op voorhand te frustreren door een verwijt
                            dat er strafrechtelijk wordt opgetreden. Formeel staat immers het
                            strafrechtelijk perspectief ('Iaakbaarheid') los van het
                            privaatrechtelijk perspectief van geleden schade door de boomeigenaar.
                            Niettemin is de Officier van Justitie onafhankelijk in zijn beslissing
                            om wel of niet tot vervolging over te gaan, in de praktijk vaak de
                            (eventuele) schadeclaim van de gemeente afwegend.</al></li></lijst><tussenkop>Artikelen 19, 20 en 21</tussenkop><al>Voor de volledigheid opgenomen standaardbepalingen.</al><tussenkop>Artikel 20 (overgangsbepaling) is nieuw.</tussenkop><al>Tot slot moet er (nogmaals) op gewezen worden dat bomen of andere houtopstanden
                    vaak elders in de A.P.V. of gemeentelijke verordeningen genoemd worden. In deze
                    gevallen vervult de houtopstand meestal een bijrol en staat een ander doel
                    centraal, met name:</al><lijst><li nr="*"><al>de verkeersveiligheid; verplichting tot snoeien, vellen, opbinden, enz.
                            van bomen en heesters vanwege belemmering van het uitzicht, de doorgang
                            e.d. voor weggebruikers, Model-A.P. V. .art. 2.1.6.4 (vgl. deze
                            verordening art. 17).</al></li><li nr="*"><al>de bescherming van kabels en leidingen; verbod om bomen te planten (niet
                            in Model-A.P.V ., wel bijvoorbeeld A.P. V. Gemeente Rotterdam),</al></li><li nr="*"><al>bescherming flora en fauna/groenvoorzieningen; verbod schade toe te
                            brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel om bloemen te
                            plukken, Model-A.P.V. art. 4.6.1. (vgl. deze verordening art. 16).</al></li></lijst><al>Dit laatste artikel is wel voor lichte boomschade van belang, maar de ernstige
                    boomschade valt onder artikel 2 in samenhang met artikel 1 lid 2 of onder
                    artikel 10 lid lof lid 3 van de modelbomenverordening 1996. Desgewenst kan
                    ernstige schade onder artikel 6: 162 van het Burgerlijk Wetboek vallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>