<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR86068_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Tynaarlo 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-02-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer, 27-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Tynaarlo 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Monumentenverordening Gemeente Tynaarlo 2004 wordt ingetrokken</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Tynaarlo 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit nr. </al><al>Betreft: Erfgoedverordening Tynaarlo 2010 </al><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het collegeadvies Erfgoedverordening Tynaarlo 2010 van 14 september
                        2010;</al><al>overwegende dat hiermee de uitvoering van het huidige erfgoedbeleid weer
                        actueel is; </al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de
                        Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>vast te stellen de </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Erfgoedverordening Tynaarlo 2010</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>Beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>Monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>Gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: een in overeenstemming met
                                    de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    stads- of dorpsgezichtaangewezen groep van zaken of terreinen
                                    die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn
                                    onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep
                                    zich één of meer monumenten bevinden;</al></li><li nr="f."><al>Gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="g."><al>Landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="h."><al>Provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="i."><al>Archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="j."><al>Hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="k."><al>Middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="l."><al>Lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="m."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="n."><al>Programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="o."><al>Gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li><li nr="p."><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="q."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Tynaarlo</al></li><li nr="r."><al>Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet</al><al> algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li><li nr="s."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Drenthe.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>1.Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                            gemeentelijke monumentenlijst.</al><al>2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de
                            datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving
                            van het gemeentelijke monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel
                                4 van de monumentenverordening van de provincie Drenthe.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd
                                met de bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld
                                in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen
                                van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning
                                als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals
                                bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden
                                betreffende de uitvoering en de materiaaltoepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 4-voud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 6 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.
                                Indien de monumentencommissie niet binnen 6 weken gemotiveerd heeft
                                geadviseerd, neemt het college een besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld
                                            in artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            monument zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            vergunning geen begin met de</al><al> werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze
                                            werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van
                                            26 weken stilliggen. </al><al>2.Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden
                                            naar de monumentencommissie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMDE monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument
                                    aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen 6 weken na de datum van verzending van het afschrift.
                                    Indien de monumentencommissie niet binnen 6 weken gemotiveerd
                                    heeft geadviseerd, neemt het college een besluit.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan voorschrijven dat de aanvrager van een
                                    vergunning als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet
                                    verrichten, zoals bouwhistorisch onderzoek.</al></li><li nr="4."><al>Het college is verplicht de Rijksdienst voor het Cultureel
                                    Erfgoed om advies te vragen wanneer de monumentale waarden van
                                    een rijksmonument in het geding zijn. Het gaat om de volgende
                                    ingrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>(gedeeltelijke) afbraak;</al></li><li nr="b."><al>ingrijpende wijzigingen vergelijkbaar met gedeeltelijke
                                            afbraak;</al></li><li nr="c."><al>reconstructie;</al></li><li nr="d."><al>herbestemming: het wijzigen van de functie.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>In de gevallen, bedoeld in het vierde lid, adviseert de
                                    Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed schriftelijk over de
                                    aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending van het
                                    afschrift. Indien gedeputeerde staten advies uitbrengen, gebeurt
                                    dat schriftelijk binnen twee maanden na de datum van verzending
                                    van het afschrift. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk dorpsgezicht</titel></kop><al>1.Het college kan een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als beschermd
                            gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en het college kan een zodanige
                            aanwijzing wijzigen of intrekken. </al><al>2.Voordat het college over de aanwijzing, wijziging of intrekking een
                            besluit neemt, vraagt zij advies aan de monumentencommissie. </al><al>3.Op de voorbereiding van een besluit om aanwijzing als bedoeld in het
                            eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                            toepassing. </al><al>4.De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                            aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988. </al><al>5.De aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt geacht te
                            zijn ingetrokken indien het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt
                            aangewezen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 35 van de
                            Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de betrokken eigenaren de kennisgeving
                            van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
                            ontvangen tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 18 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het stads- of dorpsgezicht
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 19 en 20 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>1.Het college registreert het beschermd gemeentelijk stads- of
                            dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst. </al><al>2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de
                            datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende
                            omschrijving van cultuurhistorische waarden van het beschermde stads- of
                            dorpsgezicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bestemmingsplan</titel></kop><al>1.De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk
                            stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                            op de ruimtelijke ordening (Wro). </al><al>2.Bij het voorstel tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk stads-
                            of dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende
                            bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste lid kunnen worden aangemerkt. </al><al>3.Voordat het college de gemeenteraad een voorstel doet voor
                            vaststelling van een bestemmingsplan in de zin van lid 1 vraagt het
                            college advies aan de monumentencommissie.</al><al>4.Het college zendt een afschrift van het genomen besluit aan de
                            monumentencommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>1.Het is verboden bouwwerken die gelegen zijn in een beschermd
                                    gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te
                                    vernielen. </al></li><li nr="2."><al>2.Het is verboden in een beschermd gemeentelijk stads- of
                                    dorpsgezicht zonder vergunning van het bevoegd gezag of in
                                    strijd met de bij zodanige vergunning gestelde
                                    voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>Bouwwerken te plaatsen, op te richten, geheel of gedeeltelijk af
                                    te breken of te </al><al>verplaatsen dan wel in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>Bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op
                                    een wijze waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of
                                    in gevaar gebracht;</al></li><li nr="c."><al>Onroerende zaken geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen
                                    straten, wegen, pleinen, wateren, bomen en erfafscheidingen te
                                    wijzigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken als gevolg van
                                    een aanschrijving van het college.</al></li><li nr="4."><al>Paragraaf 3.4.2 van Wet ruimtelijke ordening (Wro) is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 30 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        Provinciale Archeologische Monumentenkaart, de landelijke
                                        Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden of de
                                        gemeentelijke waardenkaart van de gemeente Tynaarlo, en
                                        waarbij die verstoring plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een gebied met lage archeologische
                                                verwachtingswaarde, niet zijnde een zone van
                                                provinciaal belang en op meer dan 50 meter buiten
                                                een bekende archeologische vindplaats of;</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met een middelhoge of hoge
                                                archeologische verwachtingswaarde en het te
                                                verstoren gebied kleiner is dan 500 m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met een aanduiding terrein van Hoge
                                                Archeologische Waarde vanwege de aanwezigheid van
                                                een historische dorpskern en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 100 m2.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet Algemene Bepalingen
                                        Omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke
                                        archeologische waardenkaart of de gemeentelijke
                                        beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de
                                        provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke
                                        Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><lijst><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li><li nr="·"><al> Alle aanwezige archeologische resten, rekening
                                                houden met het bepaalde in artikel 17, afdoende
                                                gedocumenteerd zijn</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>De verstoring plaatsvindt in het kader van een
                                        archeologische opgraving</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Tynaarlo onderzoek
                                    wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de
                                    zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd
                                    de overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                            bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels
                                            worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                            van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze
                                            verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te
                                            overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                    van eisen, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige,
                                    zoals omschreven in de Wet op de Archeologische
                                    Monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 21, tweede lid, onder e, en
                            artikel 22, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 21, tweede lid, onder d;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 21 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1; beleidsmedewerker monumenten of
                                        medewerker bouw- en woningtoezicht.</al></li><li nr="b."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2; regioarcheoloog of
                                        beleidsmedewerker monumenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Gemeente Tynaarlo 2004 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 27 ingetrokken
                                Monumentenverordening Gemeente Tynaarlo 2004 aangewezen en
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 27 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Gemeente
                            Tynaarlo 2010</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vries, 12 oktober 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>F.A. van Zuilen, voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>A. Algemene toelichting</titel></kop><al>De erfgoedverordening regelt de aanwijzing en vergunningverlening van
                            gemeentelijke monumenten in de gemeente. Hoewel de gemeente Tynaarlo tot
                            op heden geen gemeentelijke monumenten heeft aangewezen zijn de
                            artikelen met betrekking tot aanwijzing en instandhouding van
                            gemeentelijke monumenten opgenomen om de mogelijkheid van aanwijzen
                            beschikbaar te houden. In het kader van de Modernisering van de
                            Monumentenzorg zal een verschuiving van objectgerichte naar
                            gebiedsgerichte bescherming ingezet worden. In deze verordening zijn
                            artikelen opgenomen voor de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen als
                            beschermd stads- of dorpsgezicht. Daarnaast kunnen cultuurhistorische
                            waarden breed geïnventariseerd worden en een verdere uitwerking krijgen
                            in bestemmingsplannen. Daarmee wordt cultuurhistorisch erfgoed in brede
                            zin uitgangspunt bij en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen.
                            Kanttekening hierbij is dat dit betekent dat waardevol erfgoed niet per
                            definitie beschermd is tegen sloop met als doel behoud zoals de
                            bescherming bij Monumentenwet. </al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de
                            verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                            monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke samenhang
                            tussen monumenten en archeologie, is de Erfgoedverordening aangevuld met
                            een archeologisch deel en heeft een vereenvoudiging van de
                            Erfgoedverordening in het kader van de regulering plaatsgevonden. </al><al>De erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
                            De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels.
                            Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                            gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. Ook zijn de
                            bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek
                            als uitgangspunt genomen.</al><al>De huidige wijziging van de Erfgoedverordening houdt verband met de
                            inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna
                            te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen:
                            Mor).</al><al/><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een
                            reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren
                            van een fysiek project. Hieronder valt ook de monumentenvergunning. De
                            omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld
                            en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één
                            procedure van rechtsbescherming. </al><al/><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester
                            en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden
                            verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te
                            nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt.
                            Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze
                            gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn
                            aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de
                            provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere
                            categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor
                            omschreven. </al><al/><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de erfgoedverordening integreert volledig in
                            de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat.
                            Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder
                            een omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen
                            monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                            wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
                            wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra
                            overweging voor het volledig integreren van de monumentenvergunning in
                            de omgevingsvergunning is dat de verlening van de monumentenvergunning
                            in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de bouwvergunning of
                            de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning
                            van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo
                            aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve integratie).
                            Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’ zijn, kan
                            op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                            waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek
                            project. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Hoofdstuk 1. Algemeen</al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al/><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar
                            archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan
                            het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of
                            meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken.
                            Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                            monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst
                            omdat ze ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te
                            plaatsen.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst
                            heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve
                            handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing
                            tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker
                            om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie
                            ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel
                            7<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten
                            bij de begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar
                            de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als
                            een onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de
                            Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor
                            rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. </al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002
                            kan elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester)
                            zelf zijn commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie
                            die adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door
                            de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan
                            het bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In
                            artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                            inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het
                            bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
                            activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo.
                            De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                            keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                            instellen van de monumentencommissie door het college moet door middel
                            van een apart collegebesluit. </al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                            Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                            monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren
                            over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is
                            voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet
                            1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan
                            moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de
                            monumentencommissie worden gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al><cursief>Sub o</cursief></al><al>De gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart kan een praktische
                            oplossing bieden in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan
                            is vastgesteld. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke
                            beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van
                            gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in de
                            bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al><cursief>Sub p</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                            burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                            hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting
                            wordt verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze
                            verordening. </al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven,
                            zodat deze geen nadere toelichting behoeven. Hoofdstuk 2. Aanwijzing
                            gemeentelijke monumenten</al><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                            toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het
                            college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                            aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al><al>Artikel 2. Het gebruik van een monument</al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de
                            eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze
                            gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het
                            object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf. </al><al>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                            gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                            handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing
                            worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                            opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk
                            gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De
                            aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                            immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het
                            monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat
                            betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                            monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie
                            art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art.
                            10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                            onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning
                            voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de
                            burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                            omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het
                            object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                            voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke
                            afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                            bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld
                            voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                            omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                            bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                            werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                            plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                            over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere
                            belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de
                            artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>B.Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat
                            belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers
                            meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al
                            op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als
                            gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4. Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat
                            in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 10 tot en met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                            betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure
                            tot gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd,
                            verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of
                            anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. </al><al>Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een
                            motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                            consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming
                            dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                            artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                            kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is
                            ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                            aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                            gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                            voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                            verordening.</al><al><vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de
                            vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden
                            over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de
                            termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                            minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                            monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze
                            kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te
                            laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun
                            overwegingen te betrekken. </al><al><vet>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                            afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het
                            monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                            belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook
                            te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b,
                            sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                            zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op
                            een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                            verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al
                            bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van
                            geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op
                            grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al><al><vet>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke
                            monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om
                            een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument
                            zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste
                            aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                            (aanwijzing).</al><al><vet>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                            4).</al><al><vet>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de monumentencommissie nodig. Monumenten op de
                            gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken
                            (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden
                            door het college van de monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                            intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te
                            eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag
                            dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de
                            lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                                zaken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis
                            met artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                            beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                            alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                            omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang
                            dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in
                            de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de
                            indieningvereisten voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In
                            paragraaf 5.2 van de Mor zijn specifieke indieningvereisten opgenomen
                            voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en
                            de locatie van de werkzaamheden bepalen welke indieningvereisten gelden.
                            Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van deze indieningvereisten
                            af te wijken. In het kader van de vermindering van administratieve
                            lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningvereisten bij de
                            vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                            overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college
                            om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van
                            het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid.
                            De Wabo ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over
                            het stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college
                            blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen
                            gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                            ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in
                            vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief
                            eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of
                            het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een
                            vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                            situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te
                            vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote
                            (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit
                            toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                            minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen)
                            kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het
                            kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de
                            bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te
                            staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit
                            artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een
                            medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met
                            de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de
                            hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object
                            niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten
                            teruggeplaatst. Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is
                            overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig.
                            Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                            bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook
                            niet geldt. </al><al/><al><vet>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                            digitaal als op papier worden ingediend. Bedrijven kunnen echter in
                            beginsel uitsluitend een aanvraag langs elektronische weg indienen. Voor
                            kleine bedrijven kan hiervoor een uitzondering worden gemaakt. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de
                            administratieve lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij
                            een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en
                            de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan
                            op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken.
                            Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of verklaringen van
                            geen bedenkingen.</al><al><vet>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                            omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                            voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging
                            ten opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was
                            op de voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                            voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond
                            van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning
                            betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere
                            activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van
                            de andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
                            op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor het hele project
                            de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt
                            van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is
                            van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de
                            uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor
                            gekozen om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen
                            van de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming en
                            sluit voor het overgrote deel aan bij titel 4.1 van de Awb. Indien de
                            verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling
                            van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid
                            de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen. Het
                            bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                            kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een
                            andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9
                            Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode
                            moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven
                            om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde
                            lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden
                            gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan
                            de (gemeentelijke) monumentencommissie. Voor het uitbrengen van advies
                            is een termijn van 4 weken opgenomen.</al><al>Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                            gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een
                            besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                            gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd
                            gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn
                            van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde
                            gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de
                            kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is
                            voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                            uitbrengen van een advies. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage
                            gelegd waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het
                            besluit treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en
                            wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een
                            bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale
                            beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in
                            dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een
                            omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform
                            de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve
                            vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn
                            van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid
                            en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met
                            ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de
                            termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien
                            bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Weigeringsgronden</vet></al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van
                            de toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                            toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het
                            kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van
                            monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het
                            belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen
                            (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel geeft
                            namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de
                            vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg
                            centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden
                            verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de
                            monumentenzorg. </al><al/><al><vet>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te
                            trekken. De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de
                            omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument
                            wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                            belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                            behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag mogelijkheden
                            hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Beschermde monumenten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning
                            voor beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en
                            afdeling 3.4 van de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
                            is van toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor
                            beschermde monumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                            monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk
                            de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van
                            de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de
                            omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats. Door dit
                            onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                            omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                            adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de
                            Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn
                            van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                            konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                            Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                            verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                            binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                            definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                            ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende
                            wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de
                            rijksdienst vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom
                            wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de
                            Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de
                            ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                            monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie,
                            sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de adviesplicht
                            van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies
                            van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                            monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en
                            deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin
                            de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in diens
                            advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de
                            bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift
                            van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid
                            vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering
                            overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS
                            al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet adviseren, zodat
                            de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                            aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                            ingeschakeld.</al><al><vet>HOOFDSTUK 5. GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</vet></al><al><vet>Artikel 16. De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk dorpsgezicht
                            </vet></al><al>De mogelijkheid gebieden aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht biedt
                            geen verplichtingen, maar betekent wel een beleidsinstrument tussen
                            objectgerichte monumentenlijsten en de gewone bestemmingsplannen. </al><al><vet>Artikel 17. Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming van toekomstige stads- en
                            dorpsgezichten zoals dat in dat in artikel 4 geregeld is voor
                            toekomstige monumenten.</al><al><vet>Artikel 18. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst
                            </vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De Een lijst geeft snel inzicht in welke zaken als
                            gemeentelijke monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat
                            betreft het laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij
                            artikel 3, eerste lid (aanwijzing). </al><al><vet>Artikel 19. Bestemmingsplan </vet></al><al>Als de gemeente de cultuurhistorische waarde van een gebied erkent en
                            wil beschermen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wordt deze
                            kwaliteit, in bestemmingsplanterminologie, een ruimtelijk
                            gebruiksdoeleind van de grond, waaraan bijzondere situeringskenmerken
                            kunnen worden verbonden, zoals zeer gedetailleerde
                            bebouwingsvoorschriften. Uitsluitend het vaststellen van een dergelijke
                            bestemmingsplannen, zonder aanwijzing van stads- of dorpsgezicht, is
                            ongewenst, aangezien in deze aanwijzing de legitimering gevonden wordt
                            op grond waarvan de extra plichten ( in vergelijking met andere
                            bestemmingsplannen) opgelegd worden. </al><al><vet>Artikel 20. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>B.Het sloopvergunningstelsel voor bouwwerken in dit artikel is opgenomen
                            naar analogie van de Monumentenwet 1988 en de Wro. De
                            sloopvergunningplicht ontstaat bij de aanwijzing van een gemeentelijk
                            stads- of dorpsgezicht. In het bestemmingsplan behoeven ter zake dus
                            geen voorzieningen meer te worden getroffen.</al><al>De van toepassing verklaarde artikelen van de Wro bevatten de
                            weigeringgronden voor een sloopvergunning (weigeren mag indien geen
                            bouwvergunning voor vervangend bouwwerk is aangevraagd) en de
                            procedurele voorschriften (onder meer aanhoudingsmogelijkheid totdat is
                            beslist betreffende de bouwvergunning voor vervangend bouwwerk).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Instandhouding van archeologische terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 21. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 1 september 2007
                            verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als
                            bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te
                            houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
                            Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta)
                            en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                            bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische
                            waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de
                            bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                            overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´
                            is.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden
                            vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige
                            bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van
                            artikel 16 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30
                            cm de bodem te verstoren. In de bepaling is nadrukkelijk geen standaard
                            diepte opgenomen, aangezien de lokale situatie zeer uiteen kan lopen. In
                            het buitengebied kan mogelijk volstaan met een diepte van 30 cm, waarbij
                            nog steeds voldoende bescherming kan worden geboden, terwijl een
                            dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse stadskern mogelijk al
                            bij 10 cm problemen kan hebben om archeologische waarden voldoende te
                            beschermen. Gemeenten moeten hier dus zelf een invulling aan geven.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal
                            uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing, indien de verstoring plaats vindt in
                            een archeologisch monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de
                            landelijk of een provinciale archeologische waardenkaart. Een gemeente
                            kan van deze kaarten gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt
                            over een gemeentelijke archeologische waardenkaart. Deze waardenkaarten
                            hanteren over het algemeen een driedeling wat betreft de mate waarin
                            archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze
                            archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een
                            aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte
                            archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een
                            verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het
                            aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk
                            kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende rekening
                            gehouden te worden met de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan
                            archeologische sporen kan worden aangetroffen. In ieder geval moet
                            binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie
                            verkregen kan worden over de aard, het karakter en de datering van de
                            (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen. De
                            monumentenwet 1988 introduceert in artikel 41a een standaardvrijstelling
                            van 100 m2, waar de gemeente in de vorm van maatwerk vanaf mag wijken.
                            De in lid 2 genoemde vrijstellingen sluiten aan bij het archeologisch
                            beleid van de provincie Drenthe en vormen zo de invulling van dit
                            maatwerk door de gemeente Tynaarlo. </al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date
                            is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat
                            geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende
                            archeologische waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem
                            aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal ontheffingsmogelijkheden genoemd die
                            voorheen in de Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel
                            2.12 Wabo. Het gaat hier om het oude projectbesluit, de oude
                            binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de oude
                            buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro)
                            Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen. Wel
                            geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat
                            bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                            archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de
                            aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                            overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein
                            in voldoende mate is vastgesteld. </al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in
                            onderdeel c. Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt
                            vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek project.
                            Er is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten
                            vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van
                            overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van het rapport
                            door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt
                            overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet
                            1988 in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van
                            Malta.</al><al>Onderdeel f ziet op het voorkomen van een juridisch onhoudbare situatie
                            (archeologisch onderzoek mag pas nadat is aangetoond dat er geen resten
                            beschadigd zullen worden) en schept tevens desgewenst mogelijkheden voor
                            archeologisch onderzoek op puur wetenschappelijke gronden (bij voorbeeld
                            in het kader van een universitair onderzoeksprogramma).</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van
                            dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen
                            aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                            archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                            ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk
                            aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een
                            archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden
                            worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Opgravingen en begeleiding</vet></al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                            functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische
                            onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in
                            haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide
                            regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk
                            grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst,
                            dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog
                            steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al in de
                            Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat
                            een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een
                            rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn
                            terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de
                            eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                            geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                            programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor
                            het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder
                            a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van
                            aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven
                            in het programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook
                            hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de
                            realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het
                            tweede lid van artikel 16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de
                            werking van de Wabo te laten vallen. </al><al/><al><vet>Artikel 23. Procedure</vet></al><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder
                            e en artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt
                            vergunningstelsel en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden
                            is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11,
                            12, 13 en 14, welke zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing
                            worden verklaard. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
                            artikelsgewijze toelichting bij deze artikelen. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Overige bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 24. Tegemoetkoming in schade</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                            Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is
                            (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient
                            echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                            schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                            rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer
                            van toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de
                            memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg
                            is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                            voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal
                            zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’
                            is. In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling,
                            waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het
                            bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient
                            toe te kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige
                            model-erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven
                            voor het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van
                            afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter
                            alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te maken van
                            de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze procedure. </al><al/><al><vet>Artikel 25. Strafbepaling</vet></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing
                            op de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van
                            artikel 10, derde lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede
                            lid, onder e. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten
                            (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met
                            de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.</al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de
                            raad om op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen
                            andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                            geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
                            rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht
                            zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                            strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari
                            2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is
                            de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in
                            genoemde categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met
                            artikel 11 (verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af
                            te breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie €
                            74.000,- (januari 2008). </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte
                            van de strafmaat voor Rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                            werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie
                            of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                            regels voor de hand liggend.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                            Het aanwijzen van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het
                            college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de
                            vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5
                            van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de
                            bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en
                            individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel
                            5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van
                            het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de
                            aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan
                            plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen
                            voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
                            noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats
                            te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                            bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen
                            erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen).
                            Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel
                            niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141
                            Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien
                            artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                            verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid
                            toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 27. Intrekken oude regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat
                            niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen.
                            Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege
                            worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling
                            ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 28. Overgangsrecht</vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                            bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd
                            duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling
                            gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging
                            van bestaande rechten is daarom in deze verordening een
                            overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval
                            de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunning verlening
                            (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                            gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                            aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In
                            het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden
                            van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                            verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 29. Inwerkingtreding</vet></al><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                            verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                            Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                            Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor
                            inwerkingtreding.</al><al/><al><vet>A</vet><vet>rtikel 30. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>