<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85706_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oost Gelre 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oost Gelre</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oost Gelre</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elna / Groenlose Gids 27-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oost Gelre 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>18-12-2012/17</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oost Gelre 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Oost Gelre;</al><al> gezien het voorstel van het college van de gemeente Oost Gelre van 10 maart
                        2008;</al><al> gelet op artikel 147 en 149 van de Gemeentewet;</al><al> overwegende dat het wenselijk is de APV te wijzigen na advies van de
                        politie en na vaststelling van het reclame- en kampeerbeleid;</al><al> besluit:</al><al> de 'algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oost Gelre 2008' vast te
                        stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><al> a. Weg:</al><al> 1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig
                            aangeduide parkeerterreinen;</al><al> 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                            speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                            aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al><al> 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                            gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in
                            gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al><al> 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                            stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de
                            afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene
                            die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al><al> b. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking -
                            voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al><al> c. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten
                            de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van
                            de Wegenwet.</al><al> d. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft
                            krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al><al> e. Voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en
                            onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
                            uitzondering van:</al><al> 1. treinen en trams;</al><al> 2. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al><al> f. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                            werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.</al><al> g. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                            gebezigd of tot woning bestemd.</al><al> h. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                            of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond.</al><al> i. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte,
                            geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al><al> j. Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II,
                            behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.</al><al> k. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                            diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                            dienen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al> 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                            vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag
                            ontvangen is. 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste
                            acht weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al> 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                            ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten
                            de aanvraag niet te behandelen. 2. Voor bepaalde, door het
                            bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het
                            eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste zestien
                            weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al> 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                            ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze
                            voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van
                            het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing
                            is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning
                            of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                            voorschriften en beperkingen na te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al> a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                            zijn verstrekt;</al><al> b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                            inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing,
                            moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door
                            het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                            ontheffing is vereist;</al><al> c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al> d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een
                            dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al><al> e. indien de houder dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al> 1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Eenieder, die op de
                                    weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden
                                    ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van
                                    publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er
                                    wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                    bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op
                                    een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                    weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden
                                    op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het
                                    bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter
                                    voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4. De burgemeester
                                    kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde
                                    verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.2</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen</titel></kop><al> 1. Het is verboden op of aan de openbare weg en daaraan gelegen
                                    voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen messen,
                                    knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen
                                    worden gebruikt al dan niet openlijk bij zich te dragen. 2. Het
                                    in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                    behorende tot de categorieën I, II en IV van de Wet wapens en
                                    munitie en voorzover de openbare orde niet in gevaar komt of kan
                                    komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.3</nr><titel>Orde verstoren</titel></kop><al>Het is verboden de orde te verstoren op of aan de openbare weg
                                    of daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke plaatsen en/
                                    of gebouwen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.4</nr><titel>Vechten</titel></kop><al> 1. Het is verboden op of aan de weg of daaraan gelegen voor het
                                    publiek toegankelijke plaatsen en/ of gebouwen te vechten. 2.
                                    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    gelegenheden waar vechtsporten op een sportieve manier worden
                                    beoefend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.5</nr><titel>Onbetamelijk gedrag</titel></kop><al>Het is verboden iemand in het openbaar uit te jouwen, na te
                                    schreeuwen, of met aanstoot gevende taal lastig te vallen of op
                                    andere wijze overlast aan te doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.6</nr><titel>Rumoer begraafplaats</titel></kop><al>Het is verboden op of nabij een begraafplaats nodeloos rumoer te
                                    maken of zich anderszins onbetamelijk te gedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.7</nr><titel>Zedelijkheid</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg of op een vanaf de weg af
                                    waarneembare plaats zich te bevinden in een houding, toestand of
                                    kleding, die uit het oogpunt van openbare zedelijkheid kennelijk
                                    kwetsend is of redelijkerwijze als zodanig kan worden
                                    geacht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.8</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al> 1. De burgemeester kan ter voorkoming dan wel ter bestrijding
                                    van ongeregeldheden een organisatie, instelling of bedrijf
                                    verplichten om toezichthouders respectievelijk portiers in te
                                    zetten. 2. De inzet van toezichthouders respectievelijk portiers
                                    dient te geschieden overeenkomstig het bepaalde in de Wet op de
                                    particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Optochten en betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><al> 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging
                                    ervan en ten minste 72 uur voordat de betoging zal worden
                                    gehouden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met
                                    inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is
                                    bepaald. 2. Indien het tijdstip van de schriftelijke
                                    kennisgeving door terugrekening valt op een vrijdag na 12.00
                                    uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag,
                                    wordt dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de
                                    voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende
                                    feestdag is. 3. Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats
                                    als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de
                                    Wet openbare manifestaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en
                                    een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al> 1. De kennisgeving bevat:</al><al> a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al> b. het doel van de betoging;</al><al> c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                    van aanvang en van beëindiging;</al><al> d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                    plaats van beëindiging;</al><al> e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al><al> f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                    een regelmatig verloop te bevorderen. 2. Degene die de
                                    kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                                    tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                        stukken of afbeeldingen</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al> (Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.3</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Gebruik van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of
                                    een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                    publieke functie daarvan. 2. Het verbod genoemd in lid 1 geldt
                                    niet voor het plaatsen van obstakels ten behoeve van
                                    (bouw)werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang
                                    zij feitelijke betekenis hebben, mits:</al><al> a. van het plaatsen ervan 2 weken van tevoren schriftelijk
                                    melding is gedaan aan het college op een hiervoor vastgesteld
                                    meldingsformulier;</al><al> b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                    melding van enig bezwaar heeft doen blijken. 3. Het college kan
                                    vrijstelling verlenen of een meldingsplicht invoeren voor door
                                    hem aan te wijzen categorieën obstakels. 4. Het in het eerste
                                    lid bepaalde is niet van toepassing op:</al><al> a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of
                                    hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor
                                    commerciële doeleinden worden gebruikt;</al><al> b. zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven het voor
                                    voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voorzover:</al><al> - elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte
                                    bevindt, en</al><al> - elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op
                                    meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte
                                    van de weg bevindt, en</al><al> - elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder
                                    dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;</al><al> c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                    kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of
                                    lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet
                                    verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het
                                    beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de
                                    voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg
                                    daarvan gereinigd is;</al><al> d. voertuigen;</al><al> e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard;</al><al> f. evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;</al><al> g. terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, zesde lid;</al><al> h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3. 5. Het is
                                    verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
                                    waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of
                                    vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade
                                    toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid
                                    van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    danwel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van de weg. 6. Voor de toepassing van het derde lid,
                                    onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 7. Een vergunning
                                    bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al><al> a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                    gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                    doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan
                                    vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al><al> b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                    verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                    welstand;</al><al> c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                    voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
                                    8. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de
                                    Wegenverkeerswet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                    Gelderse Wegenverordening.</al><al> b. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder c, geldt niet
                                    voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg
                                    aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                    graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                    veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                    aanleg van een weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid
                                    wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet
                                    1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare
                                    ontsluitingswegen van gebouwen. 3. Het in het eerste lid
                                    gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de
                                    provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van
                                    zijn/haar publiekrechtelijke taak. 4. Het in het eerste lid
                                    gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Gelderse
                                    Wegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><al> a. een uitweg te maken naar de weg;</al><al> b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                    uitweg;</al><al> c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
                                    2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat. 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><al> a. de bruikbaarheid van de weg;</al><al> b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al><al> c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                    omgeving;</al><al> d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4. Het
                                    bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994,
                                    de Waterschapskeur of de Gelderse Wegenverordening van
                                    toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al> 1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg
                                    te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2. Het in het
                                    eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 427, aanhef en
                                    onder 4, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                    hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                    uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of
                                    gevaar oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al> 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                    gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                    voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het in het
                                    eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 427, aanhef en
                                    onder 1 of 3 , van het Wetboek van Strafrecht van toepassing
                                    is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al> 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden
                                    dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende de door het college aangewezen periode. 2. Het
                                    is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.
                                    Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                    voorzover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3 van het
                                    Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4. Het in het eerste
                                    lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken
                                    plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte,
                                    erven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al> 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg. 2. Het in het eerste lid
                                    gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad,
                                    puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand
                                    dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af
                                    gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3. Voor de
                                    toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel
                                    1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het in het
                                    eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                    voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                    neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al> 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                    dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                    voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                    openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd
                                    of verwijderd. 2. Het college maakt van tevoren aan de
                                    rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend
                                    over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een
                                    voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.
                                    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de
                                    Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
                                    Privaatrecht van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al> 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                    weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                    bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas
                                    of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken,
                                    hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college
                                    kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                    verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse
                                    hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het in het eerste lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de
                                    hoogspanningslijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al> 1. Het is verboden:</al><al> a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al><al> b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het in het eerste lid
                                    bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale Vaarwegenverordening van toepassing is.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al> 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                publiek toegankelijke verrichting van vermaak, zowel in als buiten
                                een bouwwerk, met uitzondering van:</al><al> a. bioscoopvoorstellingen;</al><al> b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;</al><al> c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al> d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                gelegenheid geven tot dansen;</al><al> e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                openbare manifestaties;</al><al> f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3.1 van deze
                                verordening;</al><al> g. sportwedstrijden, die niet plaatsvinden op de weg. 2. Onder
                                evenement wordt mede verstaan:</al><al> a. een herdenkingsplechtigheid;</al><al> b. een braderie;</al><al> c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                2.1.2.2, op de weg;</al><al> d. een feest of wedstrijd op of aan de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                evenement te organiseren. 2. De vergunning kan worden geweigerd in
                                het belang van:</al><al> a. de openbare orde;</al><al> b. het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                goederen;</al><al> d. de zedelijkheid of gezondheid. 3. De burgemeester kan
                                vrijstelling verlenen of een meldingsplicht invoeren voor door hem
                                aan te wijzen categorieën evenementen. 4. Het verbod van het eerste
                                lid geldt niet voor de in het tweede lid, onder d, van artikel 2.2.1
                                voorziene gevallen, voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet
                                1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> 1. Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                    voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                    logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren
                                    of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
                                    Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een
                                    hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                    discotheek, buurthuis of clubhuis. 2. Onder horecabedrijf als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit
                                    bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. 3. Een
                                    terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten
                                    ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar
                                    sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                    vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                    directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. 4. Onder
                                    houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een
                                    horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel
                                    2.3.1.2 of 2.3.1.3. 5. Deze paragraaf verstaat niet onder
                                    bezoekers:</al><al> a. de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende
                                    bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                    zijlijn tot en met de derde graad;</al><al> b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                    artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen
                                    bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al><al> c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                    dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><al> 1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de
                                    vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of
                                    de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een
                                    geldend bestemmingsplan. 3. De burgemeester weigert de
                                    vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de houder geen
                                    verklaring omtrent gedrag als bedoeld in de artikel 28 van de
                                    Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens overlegt die
                                    uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de
                                    vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. 4. De
                                    burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet
                                    worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                    van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het
                                    horecabedrijf. 5. Bij de toepassing van de in het vierde lid
                                    genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het
                                    karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is
                                    gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de
                                    spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of
                                    bloot zal komen te staan door de exploitatie van het
                                    horecabedrijf. 6. Het eerste lid geldt niet voor een
                                    horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van
                                    de winkelactiviteit;</al><al> Voor zowel de winkel als het horecabedrijf gelden de
                                    sluitingstijden van de Winkeltijdenwet. 7. Voorts geldt het
                                    eerste lid niet voor:</al><al> een horecabedrijf in zorginstellingen;</al><al> een horecabedrijf in musea; 8. In afwijking van het bepaalde in
                                    artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een
                                    vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij
                                    het horecabedrijf behorende terrassen voorzover deze zich op de
                                    weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van
                                    het terras. 9. Onverminderd het gestelde in het vierde en vijfde
                                    lid kan de burgemeester de in het zesde lid bedoelde
                                    ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een
                                    horecabedrijf horende terrassen weigeren:</al><al> a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan
                                    wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                    doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al><al> b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 10. Het bepaalde in
                                    het zesde en zevende lid geldt niet voorzover de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement van
                                    toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Vrijstelling vergunningplicht</titel></kop><al> 1. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het gestelde
                                    in artikel 2.3.1.2 voor door hem aan te wijzen soorten
                                    horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in één of meer
                                    daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. 2. De exploitatie
                                    van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld in het
                                    eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat
                                    daardoor de woon en leefsituatie in de omgeving van het
                                    horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig worden beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al> 1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                    bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of
                                    te laten verblijven op</al><al> a. maandag tot en met vrijdag tussen 2:00 uur en 6:00 uur.</al><al> b. zaterdag en zondag tussen 4:00 en 6:00 uur.</al><al> Bij het bepaalde onder b geldt voorts dat het na 02.00 uur niet
                                    is toegestaan bezoekers toe te laten in een horecabedrijf en het
                                    na 03.00 uur niet is toegestaan alcoholhoudende dranken te
                                    verstrekken. Voor het horecabedrijf waar geen alcoholhoudende
                                    dranken ter plaatse wordt verstrekt geldt voorts dat het na
                                    03.00 uur niet is toegestaan bezoekers toe te laten. 2. De
                                    burgemeester is bevoegd om in bijzondere omstandigheden
                                    ontheffing te verlenen van het bepaalde in het eerste lid van
                                    dit artikel. De burgemeester kan aan de ontheffing voorschriften
                                    verbinden. 3. De burgemeester kan door middel van een
                                    vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor
                                    een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.
                                    4. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in lid 1 van dit
                                    artikel niet van toepassing is in één of meer door hem bij
                                    besluit aan te wijzen gedeelten van de gemeente. De burgemeester
                                    kan aan het besluit voorschriften verbinden. 5. Het in het
                                    eerste, tweede, derde en vierde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                    toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><al> 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of
                                    meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel
                                    2.3.1.4 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk
                                    sluiting bevelen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                    tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een
                                    op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te
                                    zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                    inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met
                                    2.3.1.5.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al> 1. De exploitant van een bestaand horecabedrijf dat voor 1
                                    januari 2005 reeds gevestigd was binnen het gebied dat tot 1
                                    januari 2005 tot de gemeente Groenlo of de gemeente Ruurlo
                                    behoorde, wordt geacht in het bezit te zijn van een vergunning
                                    als bedoeld in artikel 2.3.1.2, eerste lid, voor zover de
                                    exploitatie van dat bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet. 2. De
                                    burgemeester kan de exploitant van een bestaand horecabedrijf
                                    als bedoeld in lid 1 aanschrijven bepaalde voorzieningen te
                                    treffen of bepaalde voorschriften na te leven met het oog op de
                                    in artikel 2.3.1.2, vijfde lid, genoemde belangen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> In deze paragraaf wordt verstaan onder: 1. inrichting: elke al
                                    dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of
                                    bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                    gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; 2. houder: degene die
                                    een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding
                                    heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al> 1. De houder van een inrichting is verplicht een register, als
                                    bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te
                                    houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester
                                    vastgestelde model; 2. De houder van een inrichting is verplicht
                                    het nachtregister voor een termijn van minimaal 2 jaren te
                                    bewaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><al> 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is
                                    verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><al> a. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de
                                    Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al><al> b. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de
                                    vergunning:</al><al> a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon
                                    en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid.</al><al> b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is
                                    met een geldend bestemmingsplan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al> 1. In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al> a. Wet: de Wet op de kansspelen</al><al> b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a,
                                    van de Wet;</al><al> c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                    c, van de Wet;</al><al> d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder d, van de Wet;</al><al> e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn
                                    2 speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee
                                    kansspelautomaten. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn 2
                                    speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat
                                    kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al> 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is
                                verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning,
                                een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of
                                dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij
                                dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden gelden niet
                                voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens
                                dringende reden noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd van
                                de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te
                                verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al> 1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak
                                dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het
                                verbod geldt tevens voor degene die hiertoe opdracht verleent. 2.
                                Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak
                                dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><al> a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding
                                aan te plakken of op andere wijze aan te brengen;</al><al> b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding,
                                letter, cijfer of teken aan te brengen. 3. Het in het tweede lid
                                gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt
                                krachtens wettelijk voorschrift. 4. Het college kan aanplakborden
                                aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
                                5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan
                                nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
                                bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                meningsuitingen en bekendmakingen. 7. De houder van de in het tweede
                                lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
                                opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af
                                te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al> 1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar
                                water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet,
                                aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2.
                                Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
                                gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                handelingen als verboden in artikel 2.4.2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><al> 1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren
                                of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders,
                                lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe
                                kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken,
                                diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van
                                sporen te voorkomen. 2. Het verbod is niet van toepassing indien de
                                genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt
                                of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde
                                handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al> 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de
                                daarin gelegen wegen of paden. 2. Het college kan ontheffing
                                verlenen van dit verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><al> 1. Het is verboden:</al><al> a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en
                                daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al><al> b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of
                                hinder wordt veroorzaakt. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod
                                geldt niet voorzover artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><al/><al> 1. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het
                                college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te vervoeren of te
                                nuttigen of aangebroken of gesloten flessen, blikjes en dergelijke
                                met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, wanneer daarmee wordt
                                beoogd op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen. 2. Het bepaalde
                                in het eerste lid geldt niet voor:</al><al> a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al><al> b. de in het door de burgemeester desbetreffende besluit aangewezen
                                evenemententerrein;</al><al> c. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en
                                Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><al> 1. Het is verboden:</al><al> a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                houden;</al><al> b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen
                                dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en
                                soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek
                                toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in
                                een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n
                                gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een
                                openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><al> a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al><al> b. daardoor die ingang versperd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al> 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2. Het
                                is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch
                                instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende
                                persoon te bespieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Nodeloos alarmeren </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al> (Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al> 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten lopen:</al><al> a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd
                                is;</al><al> b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere
                                door het college aangewezen plaats;</al><al> c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander
                                identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet
                                kennen;</al><al> d. buiten de bebouwde kom zonder deze hond onder geleide of direct
                                toezicht te houden. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het
                                verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. 3. De verboden
                                genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voorzover de
                                eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een
                                geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar
                                gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze
                                aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al> 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><al> a. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor
                                het verkeer van voetgangers;</al><al> b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al><al> c. op een andere door het college aangewezen plaats. 2. Het college
                                kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid,
                                onder a niet geldt. 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het
                                in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar
                                of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                onmiddellijk worden verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><al> 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                terrein van een ander:</al><al> a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of
                                de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van
                                die hond noodzakelijk vindt;</al><al> b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat
                                het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het
                                die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en
                                muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                vindt. 2. In afwijking van artikel 2.4.18, aanhef en onder c, geldt
                                voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien
                                moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar
                                identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3. In het eerste lid
                                wordt verstaan onder:</al><al> a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de
                                Regeling agressieve dieren;</al><al> b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50
                                meter. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><al> 1. Het college is bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde
                                plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van
                                overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij
                                aangeduide dieren:</al><al> a. aanwezig te hebben; dan wel</al><al> b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen
                                ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare
                                gezondheid gestelde regels; dan wel</al><al> c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing
                                is aangegeven of mede is aangegeven. 2. Het is verboden op een
                                krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid
                                dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel
                                aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter
                                aantal dan door het- college is aangegeven. 3. Het college kan de
                                rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens
                                het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing
                                verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4. Het in dit
                                artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel>Wilde dieren </titel></kop><al> (Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>Bijen</titel></kop><al> 1. Het is verboden bijen te houden:</al><al> a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen
                                waar overdag mensen verblijven;</al><al> b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het in het eerste
                                lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste
                                zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht
                                van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het
                                laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het
                                eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover
                                de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als
                                bedoeld in dat lid. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b,
                                gestelde verbod geldt niet voorzover de Gelderse Wegenverordening
                                van toepassing is. 5. Het college kan van het in het eerste lid
                                gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.25</nr><titel>Slapen op of aan de weg</titel></kop><al> 1. Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op
                                of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of
                                ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te
                                overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2. Burgemeester
                                en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde,
                                veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden,
                                onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast en
                                brandgevaar. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover
                                de Woonwagenwet of de Wet op de openluchtrecreatie van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.26</nr><titel>Bedelen</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.27</nr><titel>Overlast skaten en skateborden</titel></kop><al>Het is verboden te skaten of skateborden binnen een door het college
                                aangewezen gebied.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vuurwerk en Carbid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al> Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002,
                                houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><al> 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk
                                op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te
                                bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.
                                De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor
                                zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht
                                van toepassing is. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in
                                het eerste lid gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Carbidschieten</titel></kop><al> 1. Onder carbidschieten wordt verstaan:</al><al> het in een bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden
                                van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide
                                (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2.
                                Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten. 3. Het
                                verbod in het tweede lid geldt niet indien wordt voldaan aan de
                                volgende voorschriften: het carbidschieten vindt plaats op 31
                                december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur;</al><al> a. bij het carbidschieten wordt gebruik gemaakt van bussen met een
                                maximale inhoud van 40 liter;</al><al> b. het carbidschieten vindt plaats buiten de bebouwde kom op een
                                afstand van tenminste:</al><al> - 100 meter van woningen;</al><al> - 300 meter van gebouwen of andere voorzieningen waarin dieren
                                verblijven;</al><al> c. het vrijschootsveld bedraagt tenminste 100 meter en binnen dit
                                schootsveld bevindt zich geen publiek of andere personen en zijn
                                geen openbare wegen of paden gelegen;</al><al> d. degene die met carbid schiet neemt alle redelijkerwijs mogelijke
                                maatregelen om elk gevaar voor mens en dier te voorkomen. 4.
                                Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van het verbod in het
                                tweede lid verlenen. 5. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet
                                voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van
                                Strafrecht</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Drugshandel op straat </titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg met daaraan gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen
                                post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of
                                aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer
                                of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld
                                in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan
                                niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven,
                                daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Drugsgebruik </titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is de burgemeester bevoegd
                                om ter bescherming van de openbare orde gebieden aan te wijzen waar
                                het voorhanden hebben van, het gebruik van, het toedienen van of
                                voorbereidingen te verrichten voor het gebruik van (hard)drugs niet
                                is toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Beperken samenscholing bij drugshandel/ heling/
                                    drugsgebruik</titel></kop><al>Het is verboden deel uit te maken van een verzameling van meer dan 4
                                personen, waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de
                                verzameling verband houdt met een gebruik van of handel in drugs dan
                                wel heling.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al> (Niet opgenomen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Verblijfsontzegging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1</nr><titel>Verblijfsontzegging </titel></kop><al> De burgemeester kan degene van wie wordt verwacht dat hij, hetzij
                                alleen, hetzij in groepsverband, de openbare orde verstoort danwel
                                dreigt te verstoren door het plegen van strafbare feiten, door
                                baldadigheid of hinderlijk gedrag of anderszins personen lastigvalt
                                of schade toebrengt, uit het oogpunt van het handhaven van de
                                openbare orde het bevel geven zich verwijderd te houden van of uit
                                een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied,
                                gedurende de tijd, bij het bevel genoemd.</al><al> Het is verboden zich op een plaats of in een gebied te bevinden in
                                strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel.</al><al> Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voorzover de
                                persoon tot wie het bevel is gericht:</al><al> a. op de plaats of in het gebied blijkens opgave in het
                                persoonsregister van de gemeente woonachtig is;</al><al> b. aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam
                                is;</al><al> c. zich in een middel van openbaar vervoer bevindt;</al><al> d. anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang
                                heeft zich op die plaats of in het gebied op te houden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al> a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al> b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al> c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al> d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al> e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al> f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon
                                of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf
                                exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al> g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al> h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><al> 1. de exploitant;</al><al> 2. de beheerder;</al><al> 3. de prostituee;</al><al> 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al> 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                6.2;</al><al> 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al> Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere
                                regels vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><al> 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan. 2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning
                                wordt in ieder geval vermeld:</al><al> a. de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al> b. de persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al> c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><al> 1. De exploitant en de beheerder:</al><al> a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke
                                macht of de voogdij;</al><al> b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al> c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Naast de
                                gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder
                                niet:</al><al> a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                gesteld;</al><al> b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door
                                een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al><al> c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><al> 1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al> 2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis,
                                426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al> 3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al> 4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                de kansspelen;</al><al> 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;|</al><al> 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een
                                veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld:</al><al> a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al><al> b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
                                4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al> a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al> b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                datum van de intrekking van deze vergunning. 5. De exploitant of de
                                beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of
                                beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor
                                ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten,
                                of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is
                                ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt
                                treft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al> 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:</al><al> a. op maandag tot en met vrijdag tussen 1:00 uur en 6:00 uur;</al><al> b. op zaterdag en zondag tussen 2:00 en 6:00 uur. 2. Het bevoegd
                                orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                                1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden
                                vaststellen. 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden
                                zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting
                                krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel
                                3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4. Het in het eerste tot
                                en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover de op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><al> 1. Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><al> a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of
                                tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al> b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2. Onverminderd het
                                bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt
                                het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit
                                openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al> 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.
                                2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien
                                dat in de seksinrichting:</al><al> a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII
                                (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
                                (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en</al><al> b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                Vreemdelingenwet bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al> 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken:</al><al> a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                gebieden;</al><al> b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2.
                                Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3. Met het oog
                                op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen kan door
                                politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en
                                tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4. De
                                burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid,
                                genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is
                                gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich
                                gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                                vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in
                                het eerste lid. 5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid
                                genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke
                                omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6. Het is verboden
                                zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd
                                verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8 </nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><al> 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische
                                aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te
                                brengen:</al><al> a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt;</al><al> b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van
                                goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                Grondwet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al> 1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken
                                na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegd
                                bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken
                                verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al> 1. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                geweigerd indien:</al><al> a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                3.2.2 gestelde eisen;</al><al> b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al><al> c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met
                                artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of
                                krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                bepaalde. 2. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan
                                wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste
                                lid, kan worden geweigerd:</al><al> a. in het belang van de openbare orde;</al><al> b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van
                                de woon- en leefklimaat;</al><al> d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al><al> e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al><al> g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                prostituee.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al> 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen een week
                                na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant
                                daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al> 1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
                                onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een
                                week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis
                                aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend
                                door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op
                                aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning
                                overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde
                                in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van
                                overeenkomstige toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld
                                in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede
                                lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer;</al><al> b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het
                                Besluit;</al><al> c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al><al> d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één
                                of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al><al> e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden
                                is aan één of een klein aantal inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><al> 1. De artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor
                                door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
                                2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113 lid 1
                                van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar
                                aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
                                wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het
                                eerste lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt
                                in een of meer delen van de gemeente. 4. In een aanwijzing als
                                bedoeld in het eerste lid kan het college voorwaarden aan de
                                festiviteiten verbinden ter voorkoming of beperking van
                                geluidhinder. 5. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier
                                weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 6. Het
                                college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet
                                te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                                festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al> 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de artikelen 2.17,
                                2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder
                                van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is
                                een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden
                                ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 lid 1 van
                                het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting
                                ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college kan voorwaarden
                                verbinden aan de incidentele festiviteiten ter voorkoming of
                                beperking van geluidhinder. 4. Het college stelt een formulier vast
                                voor het doen van een kennisgeving als bedoeld in het eerste en
                                tweede lid. 5. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan
                                wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6. De kennisgeving
                                wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek
                                van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die
                                redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><al> 1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor
                                een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
                                3. Het verbod geldt niet, voor zover evenementen als bedoeld in
                                artikel 2.2.1, de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften,
                                de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het
                                Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement
                                verkeerstekens en verkeersregels 1990 of het Vuurwerkbesluit van
                                toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5a</nr><titel>(Geluid)hinder door dieren</titel></kop><al> 1. Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit
                                voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                veroorzaakt. 2. Het verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer
                                van toepassing is.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Lozing en riolering</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al> (Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al><al> b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de
                                stronk uitlopen;</al><al> c. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                houtopstand;</al><al> d. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al><al> e. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                Moreau);</al><al> f. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus. 2. In deze afdeling
                                wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van
                                verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of
                                ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge
                                kunnen hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college van
                                burgemeester en wethouders een houtopstand te vellen of te doen
                                vellen. 2. Het verbod geldt niet voor:</al><al> a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouw
                                gronden, beide voorzover bestaande uit niet-geknotte populieren of
                                wilgen;</al><al> b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al><al> c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als
                                kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                terreinen;</al><al> d. kweekgoed;</al><al> e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;</al><al> f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                                geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een
                                bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt
                                die:</al><al> ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al><al> ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                gerekend over het totale aantal rijen;</al><al> g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet
                                of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks
                                onverminderd het bepaalde in artikel 4.5.6.;</al><al> h. bomen met een dwarsdoorsnede kleiner dan 20 centimeter, op 1.30
                                meter hoogte</al><al> i. Houtopstand binnen de bebouwde kom die niet is opgenomen op de
                                door het college vastgestelde lijst van bijzondere houtopstanden als
                                bedoeld in lid 3 van dit artikel.</al><al> j. Houtopstand buiten de bebouwde kom die is gesitueerd binnen een
                                afstand van 20 meter van een bedrijfs- of burgerwoning en die niet
                                is opgenomen op de door het college vastgestelde lijst van
                                bijzondere houtopstanden als bedoeld in lid 3 van dit artikel. 3.
                                Het college van burgemeester en wethouders stelt een lijst vast met
                                houtopstanden die beschikken over één van de in artikel 4.5.3a
                                genoemde waarden. Vergunningen voor het vellen of doen vellen van
                                houtopstanden die op deze lijst zijn opgenomen worden enkel verleend
                                wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. 4. De
                                uitzonderingen als genoemd in lid 2 sub i. en j. worden eerst van
                                kracht als de in lid 3 genoemde lijst van houtopstanden door het
                                college is vastgesteld. 5. Na vaststelling van de lijst als genoemd
                                in lid 3 van dit artikel kan het college ambtshalve of op verzoek
                                van een belanghebbende houtopstanden aan de lijst toevoegen of
                                houtopstanden van de lijst verwijderen. 6. Op het vaststellen en
                                wijzigen van de lijst genoemd in lid 3 is afdeling 3.4 van de
                                Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Afdeling 3.4 van de
                                Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op besluiten op
                                aanvraag inhoudende de weigering om een houtopstand op de lijst op
                                te nemen. 7. Indien door een uitspraak van een (bestuurs-)rechter de
                                lijst of onderdelen van de lijst als genoemd in lid 3 wordt of
                                worden vernietigd, blijft het verbod als genoemd in lid 1 van kracht
                                met betrekking tot de op het ontwerp lijst (als bedoeld in artikel
                                3:11 Awb) opgenomen houtopstanden, totdat een na de vernietiging te
                                nemen besluit met betrekking tot het ontwerp van de lijst
                                onherroepelijk is geworden. 8. Bij wijziging van de lijst op grond
                                van lid 5 wordt het verbod van lid 1 met betrekking tot de
                                desbetreffende houtopstand van kracht vanaf het moment dat het
                                ontwerp van het besluit conform artikel 3:13 Awb aan de
                                belanghebbende(n) is toegezonden. Het bepaalde in lid 7 is van
                                overeenkomstige toepassing op (ontwerp-) besluiten tot wijziging van
                                de vastgestelde lijst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2a</nr><titel>Afstanden tot grenslijn</titel></kop><al> 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 5:42 lid 2 van het
                                Burgerlijk Wetboek bedraagt de minimale afstand voor bomen 0,5 meter
                                te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom tot aan de
                                grenslijn en voor heesters en heggen 0 meter; 2. Het bepaalde in lid
                                1 van dit artikel is slechts van toepassing op bomen, heesters en
                                heggen die zijn geplaatst op gronden die eigendom zijn van de
                                gemeente danwel die in eigendom waren van de gemeente op het moment
                                dat de bomen werden geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al> 1. De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene
                                die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de
                                houtopstand te beschikken. 2. Wanneer de minister van LNV het
                                college een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging
                                als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het college dit
                                afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:</al><al> a. de natuurwaarde van de houtopstand;</al><al> b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al><al> c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al><al> d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al><al> e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al><al> f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.4</nr><titel>Vergunning ex lege</titel></kop><al>Niet opgenomen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><al> 1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.
                                Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan
                                daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                worden vervangen. 3. Een vergunning wordt verleend onder de
                                standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot het moment dat de
                                bezwaartermijn is verstreken. 4. Burgemeester en wethouders kunnen
                                in het kader van openbare orde en veiligheid bepalen dat het derde
                                lid van dit artikel niet van toepassing is</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.6</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><al> 1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college
                                is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het college aan
                                de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand
                                bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
                                voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten
                                overeenkomstig de door zijn te geven aanwijzingen binnen een door
                                hen te stellen termijn. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het
                                eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke
                                termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                beplanting moet worden vervangen. 3. Indien houtopstand waarop het
                                verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is,
                                ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de
                                zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt
                                dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
                                voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig
                                de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                weggenomen. 4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het
                                eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn
                                rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.5.2, artikel 4.5.5 of artikel 4.5.6, schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><al> 1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van
                                de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de
                                rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven,
                                verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen
                                termijn:</al><al> a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al><al> b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al><al> c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met
                                uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een
                                doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of
                                te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                verbod.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Bescherming van flora en fauna </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.1</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><al> 1. Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of
                                meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen
                                op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met
                                inachtneming van de door hem gestelde regels:</al><al> a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><al> b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al> c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien
                                het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al><al> d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; 2. In het
                                eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan
                                wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het is verboden
                                op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats
                                een door hem aangeduid voorwerp of stof:</al><al> a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel</al><al> b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met
                                inachtneming van de door hen gestelde regels. 4. Het in dit artikel
                                bepaalde geldt niet voor zover de Wet op de Ruimtelijke Ordening of
                                de Provinciale Verordening van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.1a</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>(Niet opgenomen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.2</nr><titel>Vergunningsplicht handelsreclame</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                                onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van
                                een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die
                                vanaf de weg zichtbaar is. 2. Het verbod geldt niet voor
                                onverlichte:</al><al> a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig
                                gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op
                                zichtbaarheid vanaf de weg;</al><al> b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken,
                                daartoe aangewezen door de overheid;</al><al> c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste
                                zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:</al><al> I. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of
                                verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij
                                feitelijke betekenis hebben;</al><al> II. het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende
                                zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;</al><al> d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het
                                ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze
                                opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering
                                zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                hebben;</al><al> e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht
                                ten dienste van dat vervoer. 3. Het verbod in het eerste lid geldt
                                niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke
                                aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:</al><al> a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is
                                gedaan aan het college;</al><al> b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;</al><al> c. deze opschriften of aankondigingen betrekking hebben op
                                evenementen en niet langer dan 31 dagen worden geplaatst. 4. Het is
                                verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld
                                in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar
                                te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken. 5.
                                Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                geweigerd:</al><al> a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al><al> b. in het belang van de verkeersveiligheid;</al><al> c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al> 6.</al><al> a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale
                                landschapsverordening;</al><al> b. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor
                                bouwwerken;</al><al> c. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet
                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                Wet milieubeheer. 7. Burgemeester en wethouders kunnen categorieën
                                van handelsreclame aanwijzen waarvoor het verbod uit lid 1 van dit
                                artikel niet van toepassing is.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al/><al> In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. Kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto of toercaravan.
                                b. Vrij kamperen: vrij kamperen is het kamperen op ieder ander
                                terrein dan een regulier of kleinschalig kampeerterrein zonder
                                ontheffing van burgemeester en wethouders. c. Regulier
                                kampeerterrein: ieder kampeerterrein waar plaats wordt geboden aan
                                meer dan 25 kampeermiddelen voor meer dan 10 dagen per jaar, voor
                                zover positief bestemd in een in werking getreden bestemmingsplan,
                                dan wel waarvoor vrijstelling op grond van de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening / ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening is
                                verleend. d. Kleinschalig kampeerterrein: ieder kampeerterrein waar
                                plaats wordt geboden aan maximaal 25 kampeermiddelen en maximaal 150
                                kampeerders voor meer dan 10 dagen per jaar, voor zover positief
                                bestemd in een in werking getreden bestemmingsplan of
                                wijzigingsplan, dan wel waarvoor vrijstelling op grond van de Wet op
                                de Ruimtelijke Ordening / ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke
                                ordening is verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8.2</nr><titel>Vrij kamperen </titel></kop><al> 1. Het is verboden om vrij te kamperen. 2. Burgemeester en
                                wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 1 genoemde
                                verbod en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter
                                voorkoming en beperking van hinder, overlast en gevaar. 3.
                                Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar het in lid
                                1 genoemde verbod, al dan niet onder door het college te stellen
                                voorschriften, niet van toepassing is. 4. Het in lid 1 genoemde
                                verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen,
                                niet zijnde bedrijfsmatig, gebruik voor korte perioden door de
                                rechthebbende op diens eigen terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8.2</nr><titel>Kleinschalig kampeerterrein</titel></kop><al>Het is verboden te kamperen op een kleinschalig kampeerterrein in de
                                periode van 31 oktober tot en met 15 maart en gedurende deze periode
                                kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8.4</nr><titel>Kleinschalig of regulier kampeerterrein</titel></kop><al> 1. Burgemeester en wethouders kunnen aan de exploitant van een
                                kleinschalig of regulier kampeerterrein eisen stellen met betrekking
                                tot de exploitatie en inrichting van het desbetreffende
                                kampeerterrein. De eisen kunnen onder andere betrekking hebben op
                                landschappelijke inpassing van het terrein, de aard en omvang van de
                                aanwezige sanitaire voorzieningen en de aard en omvang van de
                                aanwezige kampeermiddelen. 2. De exploitant is verplicht de
                                krachtens lid 1 gestelde eisen na te komen.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van
                                de Wegenverkeerswet 1994; b. voertuigen: alle voertuigen met
                                uitzondering van:</al><al> 1. treinen en trams;</al><al> 2. fietsen, bromfietsen;</al><al> 3. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels
                                en verkeerstekens 1990;</al><al> 4. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                rolstoelen; c. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig,
                                anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het
                                onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al> 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen,
                                te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al> a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter
                                met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al><al> b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2. Onder
                                verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:</al><al> a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al><al> b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                tegen betaling. 3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid
                                worden niet gerekend:</al><al> a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                werkzaamheden;</al><al> b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                eerste lid genoemde persoon. 4. Het college kan van het in het
                                eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2a</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al> 1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te
                                koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing
                                van dit verbod verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><al> 1. Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                hebben. 2. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een
                                kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 3. Het in het eerste lid
                                gestelde verbod geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><al> 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig
                                dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor
                                andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al><al> a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn
                                oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente;</al><al> b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste
                                lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Provinciale caravan- en
                                tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement of de provinciale
                                landschapsverordening van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al> 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om
                                daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van dit verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al> 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar
                                dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een
                                door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot
                                18.00 uur. 4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid
                                gestelde verboden ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al> 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke
                                wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                aangedaan. 2. Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is
                                voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
                                de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al> 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of
                                terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Dit
                                verbod geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al> 1. Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of
                                een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit
                                verbod is niet van toepassing:</al><al> a. op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al><al> b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering
                                van werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al><al> c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. 3. Het
                                college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al> 1. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming
                                of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
                                openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.
                                Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                verkeren, op de weg te laten staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.12</nr><titel>Verbod parkeren van voertuigen op weggedeelten</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                plaatsen of te laten staan op een weggedeelte waarvan door het
                                bevoegde bestuursorgaan is bekend gemaakt dat dit niet is toegestaan
                                op de in die bekendmaking genoemde dagen en tijden. Hierbij moet in
                                ieder geval gedacht worden aan evenementen en weekmarkten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden. 2. Onder een inzameling van geld of
                                goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen,
                                waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel
                                bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat
                                de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                bestemd. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4. Het college
                                kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen
                                van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die
                                gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><al><vet>Begripsomschrijving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                        uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                        verkopen of afleveren van goederen op of aan de weg, aan
                                        huis dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke en
                                        in de open lucht gelegen plaats, dan wel diensten aan te
                                        bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                        degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                        bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop
                                        aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in
                                        het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in
                                        artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                        snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4 van deze
                                        verordening.</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren
                                        van goederen als bedoeld in het eerste lid op een
                                        standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.1 van deze
                                        verordening.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Ventverbod</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare
                                        orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar
                                        komt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag
                                        t/m zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod
                                        geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door artikel 5 van het Wegenverkeerswet.</al></li></lijst><al><vet>Vrijheid van meningsuiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5.2.2.2 geldt niet voor venten
                                        met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en
                                        gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, van de Grondwet.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de vrijheid
                                        van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken
                                        door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                        daarvan, en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan
                                        ontheffing verlenen van het verbod van het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de
                                weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet
                                met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht
                                gelegen plaats:</al><al> a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een
                                standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van
                                de handel goederen te koop aan te bieden dan wel diensten aan te
                                bieden;</al><al> b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om
                                deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan
                                publiek. 2. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te
                                staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats
                                wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als
                                bedoeld in het eerste lid. 3. Het in het eerste lid, onder b,
                                gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van
                                gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden
                                geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
                                4. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op
                                de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks
                                gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement
                                als bedoeld in artikel 2.2.1, of voor het organiseren van een markt
                                als bedoeld in artikel 5.2.4. 5. Het in het eerste lid gestelde
                                verbod geldt niet voorzover de Wet milieubeheer, de Woningwet, de
                                Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Gelderse Wegenverordening
                                van toepassing is. 6. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan
                                worden geweigerd:</al><al> a. in het belang van de openbare orde;</al><al> b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                de omgeving;</al><al> d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door
                                het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor
                                de consument ter plaatse in gevaar komt;</al><al> f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan. 7. Het
                                college houdt de beslissing op een aanvraag voor een
                                standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een
                                Wet-milieubeheerplichtige activiteit betreft en indien geen
                                toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop
                                de beslissing over de Wet-milieubeheervergunningaanvraag is
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al><al> a. in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het
                                publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of
                                toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden
                                verhandeld;</al><al> b. toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat
                                in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek
                                toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander
                                dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan
                                publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken. 2. Het verbod
                                geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan
                                wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester kan vrijstelling
                                verlenen of een meldingsplicht invoeren voor door hem aan te wijzen
                                categorieën markten. 4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                kan worden geweigerd:</al><al> a. in het belang van de openbare orde;</al><al> b. in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde
                                markt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><al> 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter
                                voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een
                                motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe
                                aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor
                                het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen
                                voor het gebruik van deze terreinen:</al><al> a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al><al> c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.
                                Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan
                                wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.
                                Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer
                                of het Besluit geluidproductie sportmotoren van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><al> 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in
                                artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                of met een fiets of een paard. 2. Het college kan terreinen
                                aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van
                                toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het
                                gebruik van deze terreinen:</al><al> a. in het belang van het voorkomen van overlast;</al><al> b. in het belang van de bescherming van natuur- of
                                milieuwaarden;</al><al> c. in het belang van de veiligheid van het publiek. 3. Het in het
                                eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van
                                motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                paarden:</al><al> a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van
                                Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;</al><al> b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al> c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al> d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                bedoeld;</al><al> e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                de onder d bedoelde personen. 4. Het in het eerste lid gestelde
                                verbod geldt voorts niet:</al><al> a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al><al> b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen
                                als 'toestel'. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                eerste lid gestelde verbod.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><al> 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins
                                vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het verbod geldt niet
                                voorzover het betreft:</al><al> a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al><al> b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                afvalstoffen worden verbrand;</al><al> c. vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar,
                                overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3. Het college kan van
                                dit verbod ontheffing verlenen. 4. De ontheffing kan worden
                                geweigerd:</al><al> a. in het belang van de openbare orde;</al><al> b. ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al><al> c. ter bescherming van de flora en de fauna. 5. Het college kan
                                besluiten om de werking van reeds verleende ontheffingen als bedoeld
                                in lid 3 van dit artikel op te schorten in het belang van de
                                openbare orde en/of ter bescherming van de woon- en leefomgeving
                                en/of ter bescherming van de flora en fauna. 6. Het verbod geldt
                                niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht
                                of de Provinciale milieuverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><al> 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><al> a. verharde delen van de weg;</al><al> b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen; 2. Het
                                college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt
                                verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid
                                asverstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de
                                nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste
                                lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                crematoriumterreinen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens het bepaalde in de artikelen van
                            deze verordening en de krachtens artikel 1.4 gegeven voorschriften en
                            beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden
                            of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft
                            met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al> 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                            deze verordening zijn belast de buitengewone opsporingsambtenaren en de
                            ambtenaren van de politie. 2. Voorts zijn met het toezicht op de
                            naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de
                            bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen
                            personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                            bekendmaking. 2. De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Groenlo
                            2007 of APV, gewijzigd op 25 september 2007, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al> 1. Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                            verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en
                            voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                            betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij
                            niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende één jaar na de
                            inwerkingtreding van deze verordening van kracht. 2. Voorschriften en
                            beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4,
                            tweede lid, blijven - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke
                            deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze
                            verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken -
                            nog gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van
                            kracht. 3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                            verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook
                            genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede
                            lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                            verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de
                            overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. 4. Op
                            een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of
                            ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of
                            beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld
                            in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende
                            beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld
                            in artikel 6.4, tweede lid. 5. In afwijking van het in het eerste lid
                            bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van
                            kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een,
                            krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of
                            verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten
                            minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn
                            bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend. 6. Gebods- of
                            verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is
                            krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als
                            bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing:</al><al> a. gedurende 8 weken na het in werking treden van deze
                            verordening;</al><al> b. ook na de onder a bepaalde termijn, voorzover degene die de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag
                            heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. 7.
                            De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                            heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening
                            genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en
                            voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd
                            ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn
                            vervallen of ingetrokken. 8. In afwijking van het bepaalde in de leden 1
                            en 2 van dit artikel blijven vergunningen en ontheffingen – hoe ook
                            genaamd – en voorschriften en beperkingen verleend en opgelegd krachtens
                            verordeningen als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, voor zover zij
                            zijn verleend en opgelegd voor onbepaalde tijd, onverkort van
                            kracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            gemeente Oost Gelre 2008 of APV.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 22 april 2008</ondertekening><ondertekening> De raad van de gemeente Oost Gelre,</ondertekening><ondertekening> de raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening> mw. drs. M.A.H. Heffels</ondertekening><ondertekening> de voorzitter,</ondertekening><ondertekening> mr. drs. H.W.M. Heijman</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>