<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR8564_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Heerlen 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerlen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerlen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Parkstad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Heerlen 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 108 en 147 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-04-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-05-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling (tevens intrekking Algemene plaatselijke verordening)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008/3947</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>APV-vergunningen en -ontheffingen voor horeca-inrichtingen, beleidslijn inzake.</al><al>Prostituanten, dwangsombeleid voor.</al><al>Gebiedsontzeggingen straatprostitutie-locatie Imstenraderweg te Heerlen eengrenzend gebied, gebruiksinstructie van burgemeester aan politie ex art 3.3.4.2, lid 2 APV.</al><al>Evenementen alsmede de vaststelling van de daarbij behorende facilitairing, indeling Heerlense.</al><al>Sluitingsuur van de nacht van maandag tot en met de nacht van donderdag op vrijdag met maximaal 1 uur voor gebeurtenissen van bijzondere aard, richtlijn incidentele ontheffingen.</al><al>Draaiorgel, beleid voor een vergunning/ontheffing voor het spelen met een.</al><al>Exploitatievergunningen smart-, head- en growshops, beleidsregels</al><al>Prostitutievergunningen als bedoeld in artikel 3.3.2.2 APV, nadere regels voor de verlening van.Wijziging sluitingstijd tippelzone van 01.00 uur naar 02.00 uur en nadere regels voor de verlening van prostitutievergunningen.</al><al>Gebiedsontzeggingen ex artikel 2.4.25 APV, gebruiksinstructie.</al><al>Feesttentenregeling 2009.</al><al>Softdrugsbeleid wijziging 2008.</al><al>Aanwijzingsbesluit gebied bedelarij</al><al>Beleidsregels buitenevenementen 2009 en principetoestemmingen feesttenten 2009</al><al>Indeling Heerlense evenementen in A/B/C categorieën en instelling termijnen van aanvragen t.b.v. Heerlense evenementen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Heerlen 2008
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Artikel 1.1 </al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Weg:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                        de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als
                                        zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li>
                  <li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                        toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                        speelweiden, bossen en andere natuurterreinen,
                                        ijsvlakten;</al></li>
                  <li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                        portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend
                                        tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en
                                        niet afsluitbaar zijn;</al></li>
                  <li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                        afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en
                                        galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij
                                        niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk
                                        recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="b."><al>Openbaar water:</al><al> alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het
                                publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al></li>
              <li nr="c."><al>Bebouwde kom:</al><al> de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen
                                hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de
                                Wegenwet.</al></li>
              <li nr="d."><al>Rechthebbende:</al><al> een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een
                                zakelijk of persoonlijk recht.</al></li>
              <li nr="e."><al>Voertuigen:</al><al> alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al, van
                                het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
                                uitzondering van:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li>
                  <li nr="2."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                        voertuigen;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="f."><al>Vaartuigen:</al><al> alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen,
                                alsmede woonschepen, glijboten en ponten.</al></li>
              <li nr="g."><al>College: het college van burgemeester en wethouders</al></li>
              <li nr="h."><al>Bouwwerk:</al><al> elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                                materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of
                                indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                                vindt in of op de grond.</al></li>
              <li nr="i."><al>Gebouw:</al><al> elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel
                                of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li>
              <li nr="j."><al>Vee:</al><al> dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II,
                                behorende bij artikel 55 van de Meststoffenwet.</al></li>
              <li nr="k."><al>Handelsreclame:</al><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee
                                kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al><al/></li>
            </lijst>
            <al>Artikel 1.2</al>
            <al>Beslistermijn</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 1.3</al>
            <al>Indiening aanvraag</al>
            <al>1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                        minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of
                        ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                        behandelen.</al>
            <al>2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen,
                        vergunningen of ontheffingen kan een andere dan de in het eerste lid
                        genoemde uiterste indieningstermijn termijn worden vastgesteld.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 1.4</al>
            <al>Voorschriften en beperkingen</al>
            <al>1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                        kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en
                        beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de
                        belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al>
            <al>2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is
                        verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na
                        te komen.</al>
            <al>3.Een vergunning of ontheffing dient aanwezig te zijn op de plaats waar de
                        handelingen worden verrricht waarvoor de vergunning of ontheffing verleend
                        is.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 1.5</al>
            <al>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al>
            <al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                        deze verordening anders is bepaald.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 1.6</al>
            <al>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al>
            <al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                                zijn verstrekt;</al></li>
              <li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt
                                gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                vergunning of ontheffing is vereist;</al></li>
              <li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                                beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li>
              <li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een
                                dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li>
              <li nr="e."><al>indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 1.7</al>
            <al>Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd</al>
            <al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor
                        onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of
                        de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 1.8</al>
            <al>Weigeringsgronden </al>
            <al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                        geweigerd in het belang van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li>
              <li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li>
              <li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li>
              <li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al><al/></li>
            </lijst>
            <al>HOOFDSTUK 2</al>
            <al>OPENBARE ORDE</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 1</al>
            <al>ORDE EN VEILIGHEID OP DE WEG</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 1</al>
            <al>Bestrijding van ongeregeldheden</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.1.1</al>
            <al>Samenscholing en ongeregeldheden</al>
            <al>1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op
                        te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                        wanordelijkheden.</al>
            <al>2.Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er
                        wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van
                        publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden
                        ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij
                        een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een
                        ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
                        aangewezen richting te verwijderen.</al>
            <al>3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of
                        weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang
                        van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn
                        afgezet.</al>
            <al>4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde
                        verbod.</al>
            <al>5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                        vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als
                        bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al>
            <al>Paragraaf 2 Optochten en betogingen</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.2.1</al>
            <al>Kennisgeving optocht</al>
            <al>Vervallen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.2.1a</al>
            <al>Verboden optocht</al>
            <al>Vervallen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.2.2</al>
            <al>Kennisgeving betogingen, samenkomsten en vergaderingen op openbare
                        plaatsen</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging,
                                een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging
                                of een vergadering te houden, moet daarvan voor de openbare
                                aankondiging ervan en ten minste 2 werkdagen voordat deze gehouden
                                zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met
                                inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is
                                bepaald.</al></li>
              <li nr="2."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een
                                zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip geacht
                                te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag,
                                zondag of algemeen erkende feestdag is.</al></li>
            </lijst>
            <al>3.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats en op een vooraf
                        bepaalbaar tijdstip een regelmatig terugkerende samenkomst tot het belijden
                        van godsdienst of levensovertuiging te houden moet daarvan, voor de openbare
                        aankondiging en ten minste 2 werkdagen voordat deze voor de eerste keer
                        gehouden zal worden na inwerkingtreding van dit artikel, eenmalig
                        schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen
                        hierna daaromtrent is bepaald.</al>
            <al>4.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1,
                        eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten
                        een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het
                        publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in
                        artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.2.3</al>
            <al>Afwijking termijn</al>
            <al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2,
                        eerste lid, genoemde termijn van twee werkdagen verkorten en een mondelinge
                        kennisgeving in behandeling nemen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.2.4</al>
            <al>Te verstrekken gegevens</al>
            <al>1.De kennisgeving bevat:</al>
            <al>a.naam en adres van degene die de samenkomst, vergadering of betoging
                        houdt;</al>
            <al>b.het doel van de samenkomst, vergadering of betoging;</al>
            <al>c.de datum waarop de samenkomst, vergadering of betoging wordt gehouden en
                        het tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al>
            <al>d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van
                        beëindiging;</al>
            <al>e.voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al>
            <al>f.maatregelen die degene die de samenkomst, vergadering of betoging houdt
                        zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.</al>
            <al>2.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                        tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 3</al>
            <al>Verspreiden van gedrukte stukken</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.3.1</al>
            <al>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen</al>
            <al>1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder
                        publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of
                        bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                        daarvan.</al>
            <al>2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en
                        uren.</al>
            <al>3.Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis
                        bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen, of voor stukken
                        met een ideële of levensbeschouwelijke inhoud.</al>
            <al>4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                        verbod.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.3.2</al>
            <al>Bevel politie</al>
            <al>1.Hij, die op of aan de weg gedrukte of geschreven stukken aan publiek al
                        dan niet tegen betaling aanbiedt, de kennisneming daarvan aanbeveelt of de
                        inhoud ervan bekend maakt, is verplicht aan de vordering van een
                        politie-ambtenaar, gedaan ter voorkoming of bestrijding van wanordelijkheden
                        of verkeersbelemmeringen, terstond te voldoen.</al>
            <al>2.Het bepaalde in lid 1 is van overeenkomstige toepassing op degene, die op
                        of aan de weg propaganda maakt met behulp van borden, doeken, voertuigen of
                        enig ander middel.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.3.3</al>
            <al>Reclamelopen</al>
            <al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college zich op de weg te
                        bevinden met reclameborden, reclamewagens dan wel met andere
                        reclamemiddelen, bedoeld voor onmiddellijke verspreiding.</al>
            <al>2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet in de gevallen waarin artikel 21
                        van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens van toepassing is.</al>
            <al>3.Onder reclame wordt in dit artikel verstaan: handelsreclame.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 4</al>
            <al>Vertoningen e.d. op de weg.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.4.1</al>
            <al>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</al>
            <al>Vervallen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.4.2</al>
            <al>Dienstverlening</al>
            <al>Vervallen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.4.3</al>
            <al>Straatartiest</al>
            <al>1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant,
                        straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door
                        de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al>
            <al>2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot in de openbare
                        kennisgeving aan te duiden dagen en uren.</al>
            <al>3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.4.4</al>
            <al>Spelen om geld op of aan de weg</al>
            <al>1.Het is verboden op of aan de weg op een voor het publiek toegankelijke
                        plaats, anders dan in een kermisinrichting waarvoor ingevolge deze
                        verordening vergunning is verleend, gelegenheid te geven tot of deel te
                        nemen aan enig spel met of om geld tegen geld inwisselbare voorwerpen.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 5</al>
            <al>Bruikbaarheid van de weg</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.5.1. </al>
            <al>Het plaatsen van op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de
                        weg.</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de
                                weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                publieke functie daarvan.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof
                                waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien het voorwerp of de stof:</al><al>a door de omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                bevestiging schade toebrengt aan de weg,</al><lijst>
                  <li nr="b."><al>gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan, of</al></li>
                  <li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud
                                        van de weg.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                        gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                        kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                        weg.</al></li>
                  <li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                        verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand.</al></li>
                  <li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast of
                                        hinder.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;</al></li>
                  <li nr="b."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde lid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in de
                                        Standplaatsenverordening;</al></li>
                  <li nr="d."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="5."><al>a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al><lijst>
                  <li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li>
                  <li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet
                                        voor bouwwerken.</al></li>
                  <li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het derde lid, onder c, geldt niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door de Wet Milieubeheer.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="6."><al>Indien het college niet binnen de in artikel 1.2 genoemde termijn op
                                de aanvraag heeft beslist wordt de vergunning geacht te zijn
                                verleend overeenkomstig de aanvraag.</al></li>
            </lijst>
            <al>7.Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor, eventueel
                        onder door hem te stellen voorschriften, het verbod in het eerste lid niet
                        geldt.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.5.2</al>
            <al>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</al>
            <al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen,
                        de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard
                        of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al>
            <al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                        artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle
                        niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het rijk,
                        de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar
                        publiekrechtelijke taak.</al>
            <al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het
                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                        de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Limburg,
                        de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                        Telecommunicatieverordening.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.5.3</al>
            <al>Maken en veranderen van een uitweg</al>
            <al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college:</al>
            <al>a.een uitweg te maken naar de weg;</al>
            <al>b.van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;</al>
            <al>c.verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</al>
            <al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                        artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al>
            <al>3.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd indien de
                        uitweg gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                        doelmatig en veilig gebruik daarvan of ter bescherming van het uiterlijk
                        aanzien van de omgeving of ter bescherming van groenvoorzieningen in de
                        gemeente.</al>
            <al>4.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
                        of de Wegenverordening provincie Limburg.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 6</al>
            <al>Veiligheid van de weg</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.1</al>
            <al>Veroorzaken en voorkomen van gladheid</al>
            <al>1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen,
                        uit te storten of te laten lopen.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4, van
                        het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al>
            <al>3.De gebruiker, of indien er geen gebruiker is, de eigenaar van een gebouw
                        is verplicht het gedeelte van het feitelijk voor voetgangers bestemde
                        weggedeelte dat zich voor of langs het perceel, waarop dit gebouw is
                        gelegen, uitstrekt, zo spoedig mogelijk na sneeuwval ter breedte van een
                        meter sneeuwvrij te maken dan wel gladheid op dit weggedeelte te
                        bestrijden.</al>
            <al>4.Indien er meerdere rechthebbenden op het gebruik van enig bebouwd perceel
                        zijn, rust de in het eerste lid vermelde verplichting op de rechthebbende(n)
                        van het op of nagenoeg op de begane grond en het dichtst bij de weg gelegen
                        perceelsgedeelte.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.2</al>
            <al>Winkelwagentjes</al>
            <al>1.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt,
                        mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht
                        deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander
                        herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of
                        langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te
                        doen verwijderen.</al>
            <al>2.Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten
                        de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of,
                        indien het bedrijf is gelegen in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke
                        omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf
                        of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan
                        dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat
                        weggedeelte aansluitende parkeerplaats.</al>
            <al>3.Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd
                        daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.</al>
            <al>4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.3</al>
            <al>Hinderlijke beplanting of voorwerp </al>
            <al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                        zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                        daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.4</al>
            <al>Openen straatkolken e.d.</al>
            <al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk,
                        rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een
                        openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te
                        dekken.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.5</al>
            <al>Kelderingangen, koekoeken e.d.</al>
            <al>1.Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende
                        weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de
                        veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3,
                        van het Wetboek van Strafrecht.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.6</al>
            <al>Rookverbod in bossen en natuurgebieden</al>
            <al>1.Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden of binnen een
                        afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen
                        periode.</al>
            <al>2.Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand
                        van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende
                        of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                        liggen.</al>
            <al>3.Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                        zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het bepaalde in
                        artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al>
            <al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het
                        roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte,
                        erven.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.7</al>
            <al>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al>
            <al>1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers
                        bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad,
                        puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen
                        lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad,
                        schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand
                        dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen
                        van een afscheiding zijn aangebracht.</al>
            <al>3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen
                        artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al>
            <al>4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                        1994.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.8</al>
            <al>Vallende voorwerpen</al>
            <al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp
                        te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.9</al>
            <al>Voorzieningen voor verkeer, verlichting en openbare dienst</al>
            <al>1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan
                        dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college,
                        voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de
                        openbare verlichting of anderszins ten behoeve van de openbare dienst worden
                        aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al>
            <al>2.Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste
                        lid hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van
                        een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                        Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.9a</al>
            <al>Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer, verlichting, openbare dienst
                        en nutsvoorzieningen</al>
            <al>1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een
                        andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare
                        verlichting, nutsvoorzieningen of openbare dienst te verwijderen, te
                        wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te
                        belemmeren.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.10</al>
            <al>Objecten onder hoogspanningslijn</al>
            <al>1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor
                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                        voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te
                        merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.</al>
            <al>2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                        verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse
                        hoogspanningslijn dat toelaat.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van objecten
                        die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.1.6.11</al>
            <al>Veiligheid op het ijs</al>
            <al>1.Het is verboden:</al>
            <al>a.voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                        verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te
                        belemmeren of in gevaar te brengen;</al>
            <al>b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de
                        onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of
                        op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                        belemmeren.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 2</al>
            <al>TOEZICHT OP EVENEMENTEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.2.1</al>
            <al>Begripsomschrijving</al>
            <al>1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek
                        toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al>
            <al>a.bioscoopvoorstellingen;</al>
            <al>b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                        Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;</al>
            <al>c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al>
            <al>d.het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid
                        geven tot dansen;</al>
            <al>e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare
                        manifestaties;</al>
            <al>f.activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.3;</al>
            <al>g.kermisinrichtingen als bedoeld in afdeling 8.</al>
            <al>2.Onder evenement wordt mede verstaan:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li>
              <li nr="b."><al>een braderie;</al></li>
              <li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                2.1.2.2, op de weg;</al></li>
              <li nr="d."><al>een feest of wedstrijd aan de weg.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.2.2</al>
            <al>Evenement</al>
            <al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te
                        organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te
                        nemen.</al>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarvoor,
                                eventueel onder door hem te stellen voorschriften, het verbod in het
                                eerste lid niet geldt.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede lid,
                                onder d van artikel 2.2.1 voorziene gevallen, voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto
                                artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.2.3</al>
            <al>Ordeverstoring</al>
            <al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.2.4</al>
            <al>Verboden evenement</al>
            <al>Het is verboden een evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te
                        leiden of daaraan deel te nemen indien de voorschriften, die de burgemeester
                        krachtens artikel 2.2.2 heeft gegeven, niet nageleefd worden.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.2.5</al>
            <al>Beëindiging evenement</al>
            <al>1.Degene die een evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de
                        leiding heeft, is verplicht:</al>
            <al>a.dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester hiertoe een
                        bevel geeft;</al>
            <al>b.ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de burgemeester
                        is gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt;</al>
            <al>c.ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde toegang hebben
                        tot het evenement.</al>
            <al>2.Het is voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten
                        aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, onder a, gegeven
                        is.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 3</al>
            <al>INRICHTINGEN</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 1</al>
            <al>Toezicht op inrichtingen</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.1</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>1.In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al>
            <al>a.Inrichting:</al>
            <al>1.een inrichting waarin een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de
                        Drank- en Horecawet wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende open
                        aanhorigheden;</al>
            <al>2.elke voor het publiek toegankelijke lokaliteit, open plaats, tuin of
                        gedeelte daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee
                        gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel
                        als bedoeld in de Winkeltijdenwet (met uitzondering van afhaalcentra) worden
                        gebruikt, voor zover daar bij wijze van hoofdfunctie of overwegende
                        nevenfunctie gelegenheid wordt gegeven om al dan niet tegen betaling
                        enigerlei eetwaren voor directe consumptie en/of alcoholvrije dranken te
                        verkrijgen en/of verbruiken;</al>
            <al>3.een afhaalcentrum, zijnde een winkel waar voor gebruik elders dan ter
                        plaatse uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije dranken plegen te worden
                        verstrekt.</al>
            <al>b.Houder: degene die een inrichting exploiteert of daarin de feitelijke
                        leiding heeft.</al>
            <al>c.Terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van
                        het horecabedrijf aan de openbare weg waar sta- of zitgelegenheid kan worden
                        geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
                        voor directe consumptie kunnen worden bereidt of verstrekt.</al>
            <al>2.In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan:</al>
            <al>a.de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende bloed- en
                        aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde
                        graad;</al>
            <al>b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van
                        het Wetboek van Strafrecht;</al>
            <al>c.de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen
                        noodzakelijk is;</al>
            <al>d.het dienstdoend personeel.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.2</al>
            <al>Sluitingsuur</al>
            <al/>
            <al>1.Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste
                        lid onder a, sub 1, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en/of
                        aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen:</al>
            <al>-03.00 uur en 07.00 uur in de nacht van vrijdag op zaterdag tot en met de
                        nacht van zondag op maandag en</al>
            <al>-02.00 uur en 07.00 uur in de nacht van maandag op dinsdag tot en met de
                        nacht van donderdag op vrijdag.</al>
            <al>2.Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste
                        lid onder a, sub 2 en 3, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en/of
                        aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03.00 uur en
                        07.00 uur.</al>
            <al>3.De burgemeester is bevoegd van de in lid 1 en 2 vervatte verboden
                        ontheffing te verlenen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.3</al>
            <al>Toegang ambtenaren van politie</al>
            <al>De houder van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren
                        van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn
                        inrichting:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan
                                wel</al></li>
              <li nr="b."><al>gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en indien
                                die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar
                                bezoekers aanwezig zijn.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.4</al>
            <al>Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting</al>
            <al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                        zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te
                        zijner beoordeling, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.2
                        geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting van een of meer
                        inrichtingen bevelen.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.5</al>
            <al>Aanwezigheid in gesloten inrichting</al>
            <al>Het is bezoekers van een inrichting verboden gedurende de tijd die deze
                        inrichting krachtens artikel 2.3.1.2 of ingevolge een op grond van artikel
                        2.3.1.4 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te
                        bevinden.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.6</al>
            <al>Ordeverstoring</al>
            <al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.6a</al>
            <al>Terrasvergunning horeca</al>
            <al>1.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester
                        in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij
                        het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg
                        bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                        terras.</al>
            <al>2.De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van die
                        weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen
                        weigeren:</al>
            <al>a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert
                        voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                        daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                        onderhoud van de weg;</al>
            <al>b.indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de
                        omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al>
            <al>c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers
                        van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al>
            <al>3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in het
                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                        rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening provincie Limburg.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.7</al>
            <al>Drankverstrekking op terras</al>
            <al>Het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse is
                        toegestaan op die gedeelten van de openbare weg die zijn gelegen in de
                        onmiddellijke nabijheid van een inrichting, bedoeld in artikel 2.3.1.1 en
                        voor welke gedeelten een vergunning is verleend ingevolge artikel 2.1.5.1 of
                        2.3.1.6a tot het hebben van een terras, dan wel krachtens de Wet
                        milieubeheer is toegestaan.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.8</al>
            <al>Verbod drankverstrekking op terras</al>
            <al>Het is verboden:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>op het terras alcoholhoudende drank te verstrekken aan personen, die
                                geen gebruik maken van de op het terras aanwezige zitplaatsen;</al></li>
              <li nr="b."><al>op het terras alcoholhoudende drank te verstrekken gedurende de tijd
                                dat de inrichting ingevolge artikel 2.3.1.2 of krachtens de Wet
                                milieubeheer voor bezoekers gesloten dient te zijn.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.9</al>
            <al>Verlichting terras</al>
            <al>Het terras dient tijdens het gebruik als zodanig voldoende verlicht te
                        zijn.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.3.1.10 Aanbrengen afdruk toepasselijke bepalingen</al>
            <al>De houder van een inrichting is verplicht te zorgen dat daarin een door de
                        gemeente te verstrekken afdruk van de bepalingen van de artikelen 2.3.1.1,
                        2.3.1.2, 2.3.1.3, 2.3.1.4, 2.3.1.5 en 2.3.1.6 van deze verordening wordt
                        aangebracht op een voor het publiek duidelijk zichtbare en leesbare plaats. </al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 2</al>
            <al>Gereserveerd</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 4</al>
            <al>MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.1</al>
            <al>Betreden gesloten woning of lokaal</al>
            <al>1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten
                        woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of
                        dat lokaal behorend erf te betreden.</al>
            <al>2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning,
                        een voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                        behorend erf te betreden.</al>
            <lijst>
              <li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></li>
              <li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.2</al>
            <al>Plakken en kladden</al>
            <al>1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf
                        de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al>
            <al>2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op
                        de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar
                        is:</al>
            <al>a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te
                        plakken of te laten aanplakken, of op andere wijze aan te brengen of te
                        laten aanbrengen;</al>
            <al>b.met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter,
                        cijfer of teken aan te brengen of te laten aanbrengen.</al>
            <al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                        gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al>
            <al>4 Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                        meningsuitingen en bekendmakingen.</al>
            <al>5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken
                        voor het aanbrengen van handelsreclame.</al>
            <al>6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                        meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de
                        inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al>
            <al>7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is
                        verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond
                        ter inzage af te geven.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.3</al>
            <al>Vervoer plakgereedschap e.d.</al>
            <al>1.Het is verboden tussen 22.00 en 6.00 uur op de weg te vervoeren of bij
                        zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of
                        verfstof of verfgereedschap.</al>
            <al>2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
                        gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als
                        verboden in artikel 2.4.2.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.4</al>
            <al>Vervoer inbrekerswerktuigen</al>
            <al>1.Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij
                        zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander
                        gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de
                        toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te
                        openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken
                        of het maken van sporen te voorkomen.</al>
            <al>2.Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen,
                        voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in
                        het eerste lid bedoelde handelingen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.5</al>
            <al>Betreden van plantsoenen e.d.</al>
            <al>1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in
                        of op voor het publiek toegankelijke parken, wandelplaatsen, plantsoenen,
                        groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.</al>
            <al>2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                        verbod.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.6</al>
            <al>Rijden over bermen e.d.</al>
            <al>1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te
                        rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien dat
                        rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het
                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                        rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening provincie Limburg.</al>
            <al>4.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                        artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.7</al>
            <al>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</al>
            <al>1.Het is verboden:</al>
            <al>a.op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                        overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining
                        of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                        straatmeubilair;</al>
            <al>b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan
                        bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                        veroorzaakt wordt.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                        Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.8</al>
            <al>Hinderlijk drankgebruik</al>
            <al>1.Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken
                        flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben,
                        waarbij hinder wordt of kan worden veroorzaakt.</al>
            <al>2 Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college
                        aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen,
                        blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al>
            <al>3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor:</al>
            <al>a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van
                        de Drank- en Horecawet;</al>
            <al>b.de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor
                        een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.8a</al>
            <al>3.Glazen drinkgerei</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De houder van een horeca-inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1.2
                                is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn
                                inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de
                                inrichting brengen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het is verboden op de weg drinkgerei van glas of geopende flessen
                                van glas die kennelijk zijn bestemd voor het bewaren van drank bij
                                zich te hebben of met zich mee te voeren.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in
                                        artikel 2.3.1.6a;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35
                                        van de Drank- en Horecawet.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.9</al>
            <al>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</al>
            <al>1.Het is verboden:</al>
            <al>a.zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;</al>
            <al>b.zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                        gebouw te zitten of te liggen.</al>
            <al>2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                        appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die
                        voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
                        bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een
                        zodanig gebouw.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.9a</al>
            <al>Afdwingen van steun, hulp of bijstand</al>
            <al>Het is verboden op of aan de weg, aan de huizen en bij of in openbare
                        gebouwen post te vatten, zich aldaar op te houden of aldaar kinderen neer te
                        zetten of te leggen, een en ander met het kennelijk doel onderdak, steun,
                        hulp of sociale bijstand af te dwingen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.10</al>
            <al>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</al>
            <al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke
                        wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal,
                        telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage,
                        rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke
                        ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel
                        dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.11</al>
            <al>Neerzetten van fietsen e.d.</al>
            <al>1.Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of
                        te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
                        gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:</al>
            <al>a.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van
                        dat gebouw of dat portiek;</al>
            <al>b.daardoor die ingang versperd wordt.</al>
            <al>2.Het is verboden een fiets of een bromfiets, indien daardoor overlast
                        veroorzaakt wordt, op of aan de weg te plaatsen of te laten staan:</al>
            <al>a.op een langs enige bebouwing gelegen voetpad- of trottoir gedeelte;</al>
            <al>b.tegen gevels, beelden, monumenten, lantaarnpalen en overige straat- en
                        verkeersmeubilair, frasteringen, bomen of hekken.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.12</al>
            <al>2.Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.</al>
            <al>2.Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren
                        en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het
                        college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis,
                        uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt,
                        mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.13</al>
            <al>2.Bespieden van personen</al>
            <al>1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een
                        gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon
                        dan wel een zich in dit gebouw of deze woonwagen bevindende persoon, te
                        bespieden.</al>
            <al>2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch
                        instrument een zich in een gebouw of woonwagen bevindende persoon te
                        bespieden.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.14</al>
            <al>Bewakingsapparatuur</al>
            <al>Het is verboden om zonder toestemming bewakingsapparatuur te gebruiken
                        indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een ander gebouw,
                        vaartuig of besloten erf dan waar de bewakingsapparatuur staat
                        opgesteld.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.15</al>
            <al>Nodeloos alarmeren</al>
            <al>Vervallen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.16</al>
            <al>Alarminstallaties</al>
            <al>Vervallen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.17</al>
            <al>Loslopende honden</al>
            <al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                        verblijven of te laten lopen:</al>
            <al>a.op de weg zonder dat die hond zowel in bedwang als aangelijnd is;</al>
            <al>b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte
                        kinderspeelplaats, zandbak, sportcomplex, groenvoorzieningen of speelweide
                        of op een andere door het college aangewezen plaats;</al>
            <al>c.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander
                        identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen;</al>
            <al>2.Het college wijst de gebieden aan waar het los laten lopen van honden is
                        toegestaan.</al>
            <al>3.Het college kan ontheffing verlenen van de onder lid 1, sub a en b,
                        opgenomen verboden.</al>
            <al>4.Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich
                        vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als
                        zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van
                        een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.18</al>
            <al>Verontreiniging door honden</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat
                                die hond zich op openbaar terrein niet van uitwerpselen
                                ontdoet.</al></li>
              <li nr="2."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de
                                hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                verwijderd.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor de goot van de
                                rijweg naast een hoger gelegen trottoir en voor terreinen die door
                                het college zijn aangewezen als hondenuitlaatterrein.</al></li>
            </lijst>
            <al>4.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor zover de eigenaar of
                        houder van een hond zich vanwege zijn handicap laat begeleiden door een
                        blindengeleide- of hulphond, danwel rolstoelgebonden is.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.19</al>
            <al>Gevaarlijke honden</al>
            <al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                        verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een
                        ander:</al>
            <al>a.anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of de houder
                        heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een
                        aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al>
            <al>b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college
                        de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                        hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag
                        van die hond noodzakelijk vindt.</al>
            <al>2.In afwijking van artikel 2.4.17, eerste lid, aanhef en onder c, geldt voor
                        het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van
                        een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of
                        in de buikwand, die enerzijds de eigenaar of houder duidelijk doet kennen en
                        anderzijds de hond herkenbaar maakt als zijnde een gevaarlijk hond.</al>
            <al>3.In het eerste lid wordt verstaan onder:</al>
            <al>a.muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling
                        agressieve dieren.</al>
            <al>b.kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte,
                        gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.</al>
            <al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover in
                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve
                        dieren.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.20</al>
            <al>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al>
            <al>1.Het is de eigenaar of houder van een dier verboden dit dier te houden op
                        een voor de omgeving hinderlijke of voor de openbare gezondheid schadelijke
                        wijze, dan wel waar deze bij ontsnapping gevaar kan veroorzaken.</al>
            <al>2.Het college is bevoegd aanwijzingen te geven ten aanzien van het houden
                        van dieren ter voorkoming of opheffing van de hinder, de schade of het
                        gevaar, als bedoeld in het eerste lid.</al>
            <al>3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                        onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.21</al>
            <al>Wilde dieren</al>
            <al>Vervallen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.22</al>
            <al>Loslopend vee</al>
            <al>De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland
                        of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke
                        veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen
                        worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.23</al>
            <al>Duiven</al>
            <al>1.De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven
                        niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college
                        te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.</al>
            <al>2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld
                        gebod.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.24</al>
            <al>Bijen</al>
            <al>1.Het is verboden bijen te houden:</al>
            <al>a.binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar
                        overdag mensen verblijven;</al>
            <al>b.binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van
                        ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is
                        aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het
                        laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor
                        zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld
                        in dat lid.</al>
            <al>4 Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor
                        zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening
                        provincie Limburg.</al>
            <al>5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                        verlenen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.25</al>
            <al>Handhaving bij diverse vormen van overlast</al>
            <al>1.In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
                        overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                        leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of
                        veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan het college een gebied
                        aanwijzen waar door politie-ambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op
                        de weg of plaats, die deel uitmaakt van dit gebied, gedurende de uren
                        daarbij genoemd, het bevel kan worden gegeven zich onmiddellijk in een
                        bepaalde richting te verwijderen.</al>
            <al>2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan</al>
            <al>a.de burgemeester aan de persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel is
                        gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende
                        een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan
                        in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die
                        deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het
                        eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd;</al>
            <al>b.de burgemeester aan de persoon, aan wie eerder een verbod als bedoeld
                        onder a is opgelegd, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod
                        genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar
                        middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van
                        een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid,
                        gedurende de uren daarbij genoemd.</al>
            <al>3.De burgemeester beperkt het in het tweede lid, onder a en b genoemde
                        verbod of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de
                        persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</al>
            <al>4.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester
                        opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.4.26</al>
            <al>Bedelarij</al>
            <al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of
                        in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere
                        zaken.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 5</al>
            <al>BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.5.1</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                                maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het
                                Wetboek van Strafrecht;</al></li>
              <li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op
                                andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen
                                door de handelaar.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.5.2</al>
            <al>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</al>
            <al>1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of
                        ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een
                        doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en
                        daarin vermeldt hij onverwijld:</al>
            <al>a.het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;</al>
            <al>b.de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al>
            <al>c.een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat
                        mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al>
            <al>d.de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;</al>
            <al>e.de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.</al>
            <al>2.De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                        verplichtingen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.5.3</al>
            <al>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van
                        Strafrecht</al>
            <al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede
                                lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze
                                aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van
                                het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens
                                schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig
                                adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming
                                in gebruik genomen;</al></li>
              <li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen,
                                schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn
                                woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten
                                behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;</al></li>
              <li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de
                                onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt;</al></li>
              <li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan
                                redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is
                                of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld
                                kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;</al></li>
              <li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de
                                burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen
                                ambtenaar;</al></li>
              <li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte
                                te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer
                                uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch
                                in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                stellen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 2.5.4</al>
            <al>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</al>
            <al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door
                        opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn
                        berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij
                        deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.5.5 Handel in horeca</al>
            <al>1.Het is de houder van een inrichting verboden toe te laten dat een
                        handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp
                        verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen
                        en veilingen.</al>
            <al>3.In dit artikel wordt verstaan onder:</al>
            <al>a.inrichting: de inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, lid 1, onder
                        a;</al>
            <al>b.houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, lid 1, onder b.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 6</al>
            <al>VUURWERK</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.6.1</al>
            <al>Begripsomschrijving</al>
            <al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al>
            <al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe
                        regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                        (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.6.2</al>
            <al>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen </al>
            <al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                        consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen, dan wel voor het ter
                        beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het
                        college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.6.3</al>
            <al>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</al>
            <al>1.Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in
                        het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen
                        plaats.</al>
            <al>2.Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor
                        publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of
                        overlast kan veroorzaken.</al>
            <al>3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in
                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                        onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al>
            <al>4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                        verbod.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 7</al>
            <al>GERESERVEERD</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 8</al>
            <al>KERMISINRICHTINGEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.8.1</al>
            <al>Definitie</al>
            <al>Onder kermisinrichtingen worden verstaan: draaimolens, schommels, kramen of
                        andere dergelijke inrichtingen voor vermaak, terwijl daaronder mede zijn
                        begrepen kisten, manden of kramen en dergelijke voor de verkoop van geringe
                        hoeveelheden eetwaren, rookartikelen, speelgoed of feestartikelen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.8.2</al>
            <al>Verbod openstelling</al>
            <al>1.Het is de eigenaar of houder van een kermisinrichting of zijn
                        plaatsvervanger verboden deze zonder vergunning van de burgemeester voor het
                        publiek open te stellen of opengesteld te hebben of daarin bezoekers toe te
                        laten, te ontvangen of te hebben.</al>
            <al>2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht met vergunning van de
                        burgemeester te handelen, hij die bij gelegenheid van de kermissen, bij
                        verpachting door of vanwege het college, op de door hen aan te wijzen
                        kermisterreinen is toegelaten.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.8.3</al>
            <al>Verbod inname van niet aangewezen plaats</al>
            <al>Het is verboden op terreinen, voor het houden van kermissen bestemd, met een
                        kermisinrichting een plaats in te nemen, die niet door of vanwege het
                        college is aangewezen, dan wel een plaats te blijven innemen, nadat de
                        ontruiming daarvan door of vanwege het college is gelast.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.8.4</al>
            <al>Sluiting</al>
            <al>De eigenaar of houder van een voor het publiek opengestelde kermisinrichting
                        of zijn plaatsvervanger, is bij het ontstaan van ongeregeldheden of ter
                        voorkoming van gevaar voor bezoekers in zijn inrichting, verplicht op bevel
                        van de politie terstond te sluiten en gesloten te houden, zolang de
                        burgemeester zulks nodig acht.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.8.5</al>
            <al>Bevelen politie</al>
            <al>1.Iedere bezoeker van een voor het publiek opengestelde kermisinrichting is
                        verplicht deze op bevel van de politie terstond te verlaten, indien de
                        kermisinrichting zonder vergunning van de burgemeester is opengesteld of de
                        vrije toegang tot de inrichting door de politie, de brandweer of de door het
                        college aan te wijzen ambtenaren van bouw- en woningtoezicht of van het
                        marktwezen is geweigerd, of door de politie het bevel tot sluiting als
                        bedoeld in artikel 2.8.4 gegeven is.</al>
            <al>2.Degene, die in een voor het publiek opengestelde kermisinrichting de orde
                        verstoort of de eerbaarheid schendt, is verplicht de inrichting op bevel van
                        de politie terstond te verlaten.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 9</al>
            <al>VEILIGHEIDSRISICOGEBIED</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.9.1</al>
            <al>Veiligheidsrisicogebied</al>
            <al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b Gemeentewet bij verstoring
                        van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige
                        vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin
                        gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven,
                        aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. </al>
            <al/>
            <al>AFDELING 10</al>
            <al>CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 2.10.1</al>
            <al>aanwijzing plaatsen</al>
            <al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet besluiten tot
                        plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het
                        toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare
                        manifestaties, alsmede op andere voor eenieder toegankelijke plaatsen, voor
                        zover deze als weg zijn aan te merken.</al>
            <al/>
            <al> HOOFDSTUK 3</al>
            <al>DRUGSHANDEL, HORECA-INRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSINRICHTINGEN,
                        SEKSWINKELS, ESCORTBEDRIJVEN, SMART-, HEAD- EN GROWSHOPS</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 1</al>
            <al>DRUGSHANDEL</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.1.1</al>
            <al>Overlast drugs</al>
            <al>1.Indien de eigenaar, beheerder, houder of gebruiker van een inrichting, een
                        perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte waarover hij de
                        beschikking heeft, gedoogt dat anderen daarin middelen als bedoeld in de
                        artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, zonder dat daartoe op grond van die wet
                        verloven zijn verstrekt, gebruiken, bereiden, bewerken, verwerken of
                        vervaardigen, kan de burgemeester voor zover het een publiek openstaand
                        gebouw betreft dan wel het college voor zover het een voer- of vaartuig of
                        een niet voor publiek openstaand gebouw betreft, indien zulks naar zijn
                        danwel hun oordeel in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid,
                        of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- en
                        leefklimaat in de naaste omgeving is vereist, de inrichting, het perceel of
                        perceelsgedeelte of die ruimte gesloten verklaren.</al>
            <al>2.De burgemeester kan voor zover het een voor publiek openstaand gebouw
                        betreft, dan wel het college voor zover het een voer- of vaartuig of een
                        niet voor publiek openstaand gebouw betreft de sluiting bevelen van een
                        inrichting als bedoeld in het eerste lid in het belang van de openbare orde,
                        volksgezondheid, of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting
                        van het woon- en leefklimaat. De sluiting wordt bekend gemaakt door het
                        aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of
                        toegangen van de inrichting, behoudens spoedeisende gevallen. De sluiting
                        treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht,
                        spoedeisende gevallen uitgezonderd.</al>
            <al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde
                        afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van
                        kracht is.</al>
            <al>4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting, een perceel
                        of perceelsgedeelte of enige andere ruimte waarover hij de beschikking heeft
                        als bedoeld in het eerste lid, verboden daarin bezoekers toe te laten,
                        daarin te laten verblijven of te laten betreden, zolang de sluiting van
                        kracht is.</al>
            <al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het tweede lid gesloten
                        inrichting, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte waarover hij
                        de beschikking heeft te bezoeken, te betreden of als bezoeker daarin te
                        verblijven.</al>
            <al>6.Het in lid 5 gestelde verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in
                        de inrichting, perceel of perceelsgedeelte of enige ander ruimte als bedoeld
                        in het eerste lid wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al>
            <al>7.De burgemeester dan wel het college is bevoegd van het in lid 5 genoemde
                        verbod ontheffing te verlenen.</al>
            <al>8.De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de burgemeester,
                        dan wel het college, worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten
                        en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar hun oordeel voldoende
                        garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die
                        tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.1.2</al>
            <al>Drugshandel op straat </al>
            <al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg
                        post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen
                        in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden,
                        met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van
                        de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te
                        leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin
                        te bemiddelen.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 2</al>
            <al>HORECA-INRICHTINGEN</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 1</al>
            <al>Algemene bepalingen</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.1.1</al>
            <al>Toepassingsbereik</al>
            <al>Indien en voor zover de bepalingen van deze afdeling afwijken van de overige
                        bepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening, blijven de overige
                        bepalingen buiten toepassing.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.1.2</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Horeca-inrichting:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>een inrichting waarin een horecabedrijf als bedoeld in
                                        artikel 3 van de Drank- en Horecawet wordt uitgeoefend,
                                        zomede de daarbij behorende open aanhorigheden;</al></li>
                  <li nr="2."><al>elke voor het publiek toegankelijke lokaliteit, open plaats,
                                        tuin of gedeelte daarvan, zomede de daarbij behorende
                                        terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die
                                        niet uitsluitend als woning of winkel als bedoeld in de
                                        Winkeltijdenwet (met uitzondering van afhaalcentra) worden
                                        gebruikt, voor zover daar bij wijze van hoofdfunctie of
                                        overwegende nevenfunctie gelegenheid wordt gegeven om al dan
                                        niet tegen betaling enigerlei eetwaren voor directe
                                        consumptie en/of alcoholvrije dranken te verkrijgen en/of
                                        verbruiken;</al></li>
                  <li nr="3."><al>een afhaalcentrum, zijnde een winkel waar voor gebruik
                                        elders dan ter plaatse uitsluitend eetwaren en/of
                                        alcoholvrije dranken plegen te worden verstrekt;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="b."><al>Ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening en
                                risico de horeca-inrichting wordt geëxploiteerd.</al></li>
              <li nr="c."><al>Leidinggevende: degene die de feitelijke leiding geeft aan de
                                exploitatie van een horeca-inrichting.</al></li>
              <li nr="d."><al>Bezoeker: een ieder die zich in de horeca-inrichting bevindt met
                                uitzondering van:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>de gezinsleden van de ondernemer(s) alsmede diens elders
                                        wonende bloedverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                        zijlijn tot en met de derde graad;</al></li>
                  <li nr="2."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li>
                  <li nr="3."><al>de personen wier aanwezigheid in de horeca-inrichting wegens
                                        dringende omstandigheden noodzakelijk is;</al></li>
                  <li nr="4."><al>het dienstdoend personeel;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="e."><al>Bevoegd orgaan: de burgemeester dan wel het college, ieder voor
                                zover het zijn/hun bevoegdheid betreft.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.1.3</al>
            <al>Vergunningplicht</al>
            <al>Het is verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van
                        het bevoegd orgaan.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.1.4</al>
            <al>Gelding en zichtbaarheid vergunning</al>
            <al>1.De in artikel 3.2.1.3 bedoelde vergunning geldt uitsluitend voor één of
                        meer in de vergunning vermelde ruimten.</al>
            <al>2.De in artikel 3.2.1.3 bedoelde vergunning dient te allen tijde in de
                        horeca-inrichting op een voor een ieder zichtbare plaats te zijn
                        opgehangen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.1.5</al>
            <al>Vrijstelling</al>
            <al>Het bevoegd orgaan kan bij openbare kennisgeving:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>bepalen dat het exploiteren van categorieën horeca-inrichtingen,
                                genoemd in artikel 3.2.1.2, onder a, al dan niet beperkt tot een
                                bepaald gebied, vrijgesteld is van de vergunningplicht;</al></li>
              <li nr="b."><al>nadere regels stellen aan de onder a genoemde vrijstelling.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.1.6</al>
            <al>Inlichtingenplicht</al>
            <al>Onverminderd het bepaalde in de Drank- en Horecawet is de ondernemer
                        verplicht om:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>binnen vier weken nadat zich een wijziging in de aard van de
                                onderneming, de ondernemingsvorm, de persoon van de ondernemer of
                                leidinggevende of een wijziging van de inrichting voordoet het
                                bevoegd orgaan hiervan schriftelijk in kennis te stellen;</al></li>
              <li nr="b."><al>binnen een door het bevoegd orgaan te stellen termijn op haar
                                verzoek schriftelijk de gegevens en bescheiden te verstrekken die op
                                de in het vorige lid genoemde onderwerpen betrekking hebben.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Paragraaf 2</al>
            <al>De vergunning</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.2.1</al>
            <al>Aanvraag vergunning</al>
            <al>1.Voor het verkrijgen van een vergunning moet een schriftelijke aanvraag bij
                        het bevoegd orgaan worden ingediend aan de hand van een door het bevoegd
                        orgaan vast te stellen aanvraagformulier.</al>
            <al>2.Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste</al>
            <al>a.opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de ondernemer(s) c.q.
                        diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) en de
                        leidinggevende(n);</al>
            <al>b.opgaaf gedaan van het adres en de aard van de horeca-inrichting;</al>
            <al>c.overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de horeca-inrichting, waarbij
                        is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de
                        horeca-inrichting;</al>
            <al>d.aangetoond dat aanvrager rechthebbende is ten aanzien van de
                        horeca-inrichting.</al>
            <al>3.Per horeca-inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in
                        behandeling worden genomen.</al>
            <al>4.De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer(s)
                        van de horeca-inrichting en is niet overdraagbaar.</al>
            <al>5.Uitsluitend de op de vergunning vermelde leidinggevende(n) mag/mogen zijn
                        belast met het geven van de feitelijke leiding in de horeca-inrichting.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.2.2</al>
            <al>Beslissing op de aanvraag</al>
            <al>1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 beslist het bevoegd orgaan op
                        de aanvraag voor een vergunning binnen dertien weken na de dag waarop de
                        aanvraag ontvangen is.</al>
            <al>2.Het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste dertien weken
                        verdagen. Van het besluit tot verdaging wordt voor de afloop van de in het
                        eerste lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de
                        aanvrager.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.2.3</al>
            <al>Weigeringsgronden</al>
            <al>Het bevoegd orgaan weigert de vergunning indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de horeca-inrichting het
                                woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze
                                nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van dit criterium wordt
                                door het bevoegd orgaan rekening gehouden met het karakter van de
                                straat en van de wijk waarin de horeca-inrichting is gelegen of zal
                                komen te liggen, alsmede met de aard van de horeca-inrichting.
                                Voorts betrekt het bevoegd orgaan in de beoordeling van de aanvraag
                                de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds bloot staat of
                                bloot zal komen te staan;</al></li>
              <li nr="b."><al>de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende
                                bestemmingsplan dan wel met een geldende leefmilieuverordening;</al></li>
              <li nr="c."><al>de horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als
                                bedoeld in artikel 3.2.3.2 van deze afdeling, tenzij een ontheffing
                                als bedoeld in artikel 3.2.3.3 is verleend;</al></li>
              <li nr="d."><al>de ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig
                                vertegenwoordigt(/en) een horeca-inrichting heeft/hebben
                                geëxploiteerd die evenwel op grond van (ernstige vrees voor)
                                verstoring van de openbare orde binnen drie jaar voor de aanvraag
                                gesloten is geweest;</al></li>
              <li nr="e."><al>er naar zijn oordeel sprake is van een concentratie van
                                horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor
                                aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat
                                cumulatief toeneemt;</al></li>
              <li nr="f."><al>de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van
                                bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de
                                ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare
                                orde-problemen tot gevolg heeft of tot gevolg kan hebben;</al></li>
              <li nr="g."><al>redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand
                                niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal
                                zijn;</al></li>
              <li nr="h."><al>leidinggevende(n) van de in artikel 3.2.1.2, onder A, sub 2 en 3
                                bedoelde horeca-inrichtingen de leeftijd van 18 jaar nog niet
                                heeft/hebben bereikt;</al></li>
              <li nr="i."><al>door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de
                                rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan
                                aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid sub a en b,
                                en derde lid van de Drank- en Horecawet worden gesteld;</al></li>
              <li nr="j."><al>het gebruik van de horeca-inrichting in strijd is met artikel 6.1.1.
                                van de Bouwverordening;</al></li>
              <li nr="k."><al>voor de horeca-inrichting geen melding is gedaan als bedoeld in
                                artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.2.4</al>
            <al>Voorschriften</al>
            <al>1.Het bevoegd orgaan kan aan een vergunning voorschriften verbinden.</al>
            <al>2.De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking
                        hebben op:</al>
            <al>a.de openings- en sluitingstijden van de horeca-inrichting;</al>
            <al>b.de verkoop van dranken en eetwaren via een loket of automaat vanuit of
                        buiten de besloten ruimte van de horeca-inrichting;</al>
            <al>c.de wijze waarop handelsreclame mag worden gevoerd;</al>
            <al>d.het aantal bezoekers dat gelijktijdig in de horeca-inrichting aanwezig mag
                        zijn;</al>
            <al>e.de aanwezigheid van de leidinggevende(n).</al>
            <al>3.Het bevoegd orgaan kan de aan een vergunning verbonden voorschriften
                        wijzigen dan wel nieuwe voorschriften aan de vergunning verbinden.</al>
            <al>4.Het is verboden te handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden
                        voorschriften.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.2.5</al>
            <al>Intrekkingsgronden</al>
            <al>1.Het bevoegd orgaan trekt de vergunning in, indien:</al>
            <al>a.ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zodanig
                        onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing
                        zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden
                        volledig bekend waren geweest;</al>
            <al>b.door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste
                        omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden
                        aangetast;</al>
            <al>c.zich in de betrokken horeca-inrichting feiten of omstandigheden hebben
                        voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de
                        vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde;</al>
            <al>d.niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 3.2.2.3, sub
                        i;</al>
            <al>e.de horeca-inrichting niet meer voldoet aan de inrichtingseisen, als
                        bedoeld in artikel 3.2.3.2 van deze afdeling, tenzij een ontheffing als
                        bedoeld in artikel 3.2.3.3 is verleend;</al>
            <al>f.binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de vergunning
                        geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht;</al>
            <al>g.de exploitatie van de horeca-inrichting voor een periode van langer dan
                        drie maanden is of wordt onderbroken, anders dan wegens overmacht;</al>
            <al>h.de vergunninghouder c.q. -houders hierom verzoekt c.q. verzoeken.</al>
            <al>2.Het bevoegd orgaan kan de vergunning intrekken, indien:</al>
            <al>a.naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning
                        verbonden voorschriften;</al>
            <al>b.er sprake is van een wijziging in de aard van de horeca-inrichting;</al>
            <al>c.naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze
                        afdeling;</al>
            <al>d.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden
                        na het verlenen van de vergunning moet worden aangenomen dat intrekking
                        wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                        vergunning is vereist.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.2.6</al>
            <al>Vervallen van de vergunning</al>
            <al>1.Een vergunning vervalt:</al>
            <al>a.wanneer voor dezelfde horeca-inrichting een nieuwe vergunning als bedoeld
                        in artikel 3.2.1.3 van kracht wordt;</al>
            <al>b.indien de enige vergunninghouder als zodanig niet meer aan het
                        rechtsverkeer kan deelnemen;</al>
            <al>c.indien één der vergunninghouders als zodanig niet meer aan het
                        rechtsverkeer kan deelnemen, tenzij binnen één maand na intreden van deze
                        toestand een nieuwe vergunning is aangevraagd.</al>
            <al/>
            <al/>
            <al>Paragraaf 3</al>
            <al>Inrichtingseisen</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.3.1</al>
            <al>Toepassingsbereik</al>
            <al>De bepalingen van de paragrafen 3 en 5 zijn niet van toepassing op de
                        horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 3.2.1.2, onder a, sub 1 en
                        3.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.3.2</al>
            <al>Inrichtingseisen</al>
            <al>De horeca-inrichting voldoet aan de eisen gesteld in artikel 1, lid 2 en de
                        artikelen 2 tot en met 7 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en
                        Horecawet.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.3.3</al>
            <al>Ontheffing inrichtingseisen</al>
            <al>1.Het bevoegd orgaan kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van de
                        in artikel 3.2.3.2 bedoelde eisen.</al>
            <al>2.Het bevoegd orgaan beslist binnen dertien weken nadat het verzoek om
                        ontheffing is ingekomen. Deze beslissing kan vervat zijn in zijn beschikking
                        op de aanvraag om vergunning.</al>
            <al>3.Het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste dertien weken
                        verdagen. Van het besluit tot verdaging wordt voor de afloop van de in het
                        tweede lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de
                        aanvrager.</al>
            <al>4.Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing
                        kan worden gewijzigd of ingetrokken.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 4</al>
            <al>Vervallen</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 5</al>
            <al>Gebruiksvoorschriften</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.5.1</al>
            <al>Staat van toiletten/toiletgelegenheden</al>
            <al>De leidinggevende(n) van een horeca-inrichting is/zijn verplicht er zorg
                        voor te dragen dat de in de horeca-inrichting aanwezige toiletten en
                        toiletgelegenheden bruikbaar zijn en in zindelijke staat verkeren.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.5.2</al>
            <al>Verlichtingssterkte</al>
            <al>Indien zich publiek in een lokaliteit bevindt, moet de gemiddelde
                        horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1,5 meter boven de vloer, over
                        de gehele oppervlakte van die lokaliteit ten minste 5 lux bedragen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.5.3</al>
            <al>Verlichtingssterkte in toiletten e.d.</al>
            <al>Indien zich publiek in een horeca-inrichting bevindt dienen de ruimten
                        waarin zich de toiletten bevinden, de directe toegang tot deze ruimten,
                        alsmede de entreeruimten voorzien te zijn van een zodanige verlichting dat
                        de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op ongeveer 2 meter
                        boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 10 lux bedraagt.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 6</al>
            <al>Dwangbepalingen</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2.6.1</al>
            <al>Sluiting</al>
            <al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1.1 van deze verordening kan het
                        bevoegde orgaan de sluiting al dan niet voor een bepaalde termijn van de
                        horeca-inrichting bevelen indien:</al>
            <al>a.de ondernemer(s) in strijd handelt/handelen met het bepaalde in artikel
                        3.2.1.3 van deze verordening;</al>
            <al>b.gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden
                        voorschriften;</al>
            <al>c.de exploitatie van een horeca-inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt
                        dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze
                        nadelig wordt beïnvloed dan wel de vrees bestaat voor een ernstige
                        aantasting van het woon- en leefklimaat. Tot dit bevel wordt, behoudens
                        spoedeisende gevallen, niet overgegaan alvorens de ondernemer(s)
                        schriftelijk is/zijn gewaarschuwd en in de gelegenheid is/zijn gesteld te
                        worden gehoord.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet.</al>
            <al>3.De sluiting wordt geacht openbaar bekend te zijn, zodra een afschrift van
                        het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of de toegangen van de
                        horeca-inrichting is aangebracht.</al>
            <al>4.Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot
                        de horeca-inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.</al>
            <al>5.Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden deze als
                        bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.</al>
            <al>6.De sluiting kan op verzoek van belanghebbende(n) door het bevoegd orgaan
                        worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden
                        hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig
                        zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben
                        geleid zal plaatsvinden.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 3</al>
            <al>STRAATPROSTITUTIE</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 1</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.1.1</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.</al></li>
              <li nr="b."><al>Straatprostitutie-locatie: een als zodanig door het college
                                aangewezen, en bij openbare kennisgeving bekend gemaakte weg of
                                gedeelte van een weg, niet zijnde een openbare weg in de zin van de
                                Wegenwet, gedurende de uren in die kennisgeving vastgesteld.</al></li>
              <li nr="c."><al>Prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.</al></li>
              <li nr="d."><al>Verslaafde prostitué(e): een prostitué(e) die bij Mondriaan
                                Zorggroep, divisie Verslavingszorg, is ingeschreven en van of via
                                dit bureau zorg of behandeling ontvangt.</al></li>
            </lijst>
            <al>Paragraaf 2</al>
            <al>Aanwijzing straatprostitutielocatie, prostitutieverbod en
                        prostitutievergunning</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.2.1</al>
            <al>Aanwijzing straatprostitutielocatie en prostitutieverbod</al>
            <al>1.Het college wijst een straatprostitutielocatie aan als bedoeld in artikel
                        3.3.1.1, sub. b.</al>
            <al>2.Het is verboden op of aan een weg of een gedeelte van een weg anders dan
                        op een straatprostitutielocatie als bedoeld in artikel 3.3.1.1, sub b,
                        gedurende de uren daarbij vastgesteld, door houding, woord, gebaar of op
                        andere wijze, handelingen te verrichten waarvan redelijkerwijs kan worden
                        aangenomen dat deze worden verricht om zich ter prostitutie aan te
                        bieden.</al>
            <al>3.Het is verboden op of aan een weg of een gedeelte van een weg anders dan
                        op een straatprostitutie-locatie als bedoeld in artikel 3.3.1.1, sub b,
                        gedurende de uren daarbij vastgesteld, door houding, woord, gebaar of op
                        andere wijze, handelingen te verrichten waarvan redelijkerwijs kan worden
                        aangenomen dat deze worden verricht om een ander tot prostitutie aan te
                        lokken of daartoe uit te nodigen.</al>
            <al>4.Het is verboden personen, van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
                        zij zich ter prostitutie aanbieden op de ingevolge het eerste lid, sub b
                        verboden plaatsen en tijdstippen, en personen die tot prostitutie uitnodigen
                        of aanlokken in de zin van het tweede lid, daarbij te ondersteunen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.2.2</al>
            <al>Prostitutievergunning</al>
            <al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college, door handelingen,
                        houding, woord, gebaar of op andere wijze, te trachten als prostitué(e) de
                        aandacht van passanten op zich te vestigen op een straatprostitutielocatie.
                        Om voor een vergunning in aanmerking te komen dient aanvrager meerderjarig
                        te zijn en te beschikken over een geldige verblijfstitel.</al>
            <al>2.Het maximale aantal door het college af te geven vergunningen als bedoeld
                        in het eerste lid bedraagt vijfentachtig.</al>
            <al>3.Het in het tweede lid bedoelde maximum wordt opgesplitst als volgt: -
                        maximaal tachtig vergunningen voor verslaafde prostitué(e)s; en - maximaal
                        vijf vergunningen voor niet-verslaafde prostitué(e)s.</al>
            <al>4.Het college kan nadere regels vaststellen aan de hand waarvan zij het
                        maximale aantal aan verslaafde prostitué(e)s te verlenen vergunningen op een
                        lager aantal kunnen vaststellen.</al>
            <al>5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning als bedoeld in
                        het eerste lid worden geweigerd:</al>
            <al>a.in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                        en leefklimaat;</al>
            <al>b.in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e)s.</al>
            <al>6.Het college kan aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                        voorschriften verbinden.</al>
            <al>7.Het college verleent een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                        telkenmale voor de periode van maximaal één jaar.</al>
            <al>8.Met het oog op de in het vijfde lid genoemde belangen of bij overtreding
                        van een aan de vergunning verbonden voorschrift als bedoeld in het zesde lid
                        kan het college een verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid
                        intrekken.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 3</al>
            <al>Verbod van hinderlijk gedrag en samenscholingsverbod</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.3.1</al>
            <al>Verbod van hinderlijk gedrag op een straatprostitutielocatie</al>
            <al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke
                        wijze op te houden op een straatprostitutielocatie dan wel deze te
                        verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze
                        locatie is bestemd. </al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.3.2</al>
            <al>Verbod van hinderlijk gedrag op een straatprostitutielocatie en de
                        aangrenzende openbare weg</al>
            <al>1.Het is verboden op een weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het
                        college aangewezen gebied als bedoeld in artikel 3.3.4.2, eerste lid,
                        gedurende de periode van 19.00 uur tot en met 02.00 uur, handelingen te
                        verrichten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks geschiedt
                        met het kennelijk doel het functioneren van een straatprostitutielocatie te
                        hinderen, zoals het post vatten op deze weg of plaats, het heen en weer
                        bewegen op deze weg of plaats, het zich bevinden in of op een voertuig op
                        deze weg of plaats, daarmee heen en weer of rond te rijden, daarmee
                        opzettelijk langzaam te rijden of te simuleren dat er een defect is aan dit
                        voertuig.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                        Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.3.3</al>
            <al>Samenscholingsverbod</al>
            <al>Het is verboden op een weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het
                        college aangewezen gebied als bedoeld in artikel 3.3.4.2, eerste lid,
                        gedurende de periode van 19.00 uur tot en met 02.00 uur, deel te nemen aan
                        een samenscholing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de
                        samenscholing geschiedt met het kennelijk doel het functioneren van een
                        straatprostitutielocatie te hinderen. </al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 4</al>
            <al>Handhaving en nadere regels</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.4.1</al>
            <al>Handhaving openbare weg</al>
            <al>Met het oog op de naleving van de in artikel 3.3.2.1 gestelde verboden kan
                        door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
                        bepaalde richting te verwijderen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.4.2</al>
            <al>Handhaving straatprostitutielocatie en de aangrenzende openbare weg</al>
            <al>1.Met het oog op de in artikel 3.3.2.2, vijfde lid, genoemde belangen of bij
                        overtreding van het bepaalde in de artikelen 3.3.2.2, eerste lid, 3.3.3.1,
                        3.3.3.2 en 3.3.3.3 kan het college een gebied aanwijzen waar door
                        politieambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op de weg of plaats, die
                        deel uitmaakt van dit gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel
                        kan worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                        verwijderen.</al>
            <al>2.Met het oog op de in artikel 3.3.2.2, vijfde lid, genoemde belangen of bij
                        overtreding van het bepaalde in de artikelen 3.3.2.2, eerste lid, 3.3.3.1,
                        3.3.3.2 en 3.3.3.3 kan:</al>
            <al>a.de burgemeester aan de persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel is
                        gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende
                        een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan
                        in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die
                        deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het
                        eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd;</al>
            <al>b.de burgemeester aan de persoon, aan wie eerder een verbod als bedoeld
                        onder a is opgelegd, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod
                        genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar
                        middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van
                        een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid,
                        gedurende de uren daarbij genoemd.</al>
            <al>3.De burgemeester beperkt het in het tweede lid, onder a en b genoemde
                        verbod of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de
                        persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</al>
            <al>4.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester
                        opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.3.4.3</al>
            <al>Nadere regels</al>
            <al>Met het oog op de in artikel 3.3.2.2, vijfde lid genoemde belangen kan het
                        college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere
                        regels vaststellen.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 4</al>
            <al>SEKSINRICHTING, SEKSWINKELS EN ESCORTBEDRIJVEN</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 1</al>
            <al>Algemene bepalingen; nadere regels</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.1.1</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li>
              <li nr="b."><al>prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li>
              <li nr="c."><al>inrichting: een seksinrichting en een escortbedrijf;</al></li>
              <li nr="d."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                                seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch
                                pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in
                                elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen
                                een erotische massagesalon en seksclub, een seksbioscoop,
                                seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al></li>
              <li nr="e."><al>escortbedrijf: een bedrijf gevoerd door een natuurlijke persoon,
                                groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een
                                omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een
                                andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li>
              <li nr="f."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht dan wel verhuurd;</al></li>
              <li nr="g."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen, of indien de
                                aanvraag is gedaan door een rechtspersoon, de in het
                                aanvraagformulier aangewezen tot vertegenwoordiging van die
                                rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, die een seksinrichting
                                of escortbedrijf exploiteert;</al></li>
              <li nr="h."><al>beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke
                                leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li>
              <li nr="i."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>de exploitant;</al></li>
                  <li nr="2."><al>de beheerder;</al></li>
                  <li nr="3."><al>de prostitué(e);</al></li>
                  <li nr="4."><al>het personeel dat in de inrichting werkzaam is;</al></li>
                  <li nr="5."><al>toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a;</al></li>
                  <li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.1.2</al>
            <al>Bevoegd bestuursorgaan</al>
            <al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college
                        of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                        behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                        burgemeester.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.1.3</al>
            <al>Nadere regels</al>
            <al>Het college kan ter bescherming van de in artikel 3.4.3.2 genoemde belangen
                        nadere regels vaststellen.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 2</al>
            <al>Vergunningplicht seksinrichtingen; sekswinkels; verbod raamprostitutie e.d. </al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.1</al>
            <al>Vergunningplicht</al>
            <al>1.Het is verboden een inrichting te exploiteren of te wijzigen zonder
                        vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.</al>
            <al>2.De aanvraag daartoe dient te geschieden door middel van een door het
                        bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier.</al>
            <al>3.In de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld en
                        bijgevoegd:</al>
            <al>a.de persoonsgegevens van de exploitant;</al>
            <al>b.de persoonsgegevens van de beheerder;</al>
            <al>c.de aard van de inrichting;</al>
            <al>d.de locatie van de inrichting;</al>
            <al>e.het aantal werkzame prostituees;</al>
            <al>f.een bewijs van inschrijving in het Handelsregister bij de Kamer van
                        Koophandel;</al>
            <al>g.een nauwkeurige plattegrondtekening van de inrichting, schaal tenminste
                        1:100, met vermelding van de oppervlakte van de verschillende ruimten in
                        m2;</al>
            <al>h.een verklaring en het rapport van de GGD-OZL dat de seksinrichting voldoet
                        aan de vereisten zoals gesteld in het Inspectie Hygiëne Protocol.</al>
            <al>4.De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant. Zij is
                        persoonsgebonden en kan niet worden overgedragen.</al>
            <al>5.Per inrichting wordt niet meer dan een aanvraag tegelijk in behandeling
                        genomen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.2</al>
            <al>Gedragseisen exploitant en beheerder</al>
            <al>1.De exploitant en de beheerder:</al>
            <al>a.staan niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de
                        voogdij;</al>
            <al>b.zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;</al>
            <al>c.en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al>
            <al>2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                        beheerder niet:</al>
            <al>a.met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een
                        psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het
                        Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al>
            <al>b.binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                        onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in
                        Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                        wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                        hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                        Strafvordering is toegelaten;</al>
            <al>c.binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken
                        onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van duizend
                        gulden of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste
                        lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens
                        overtreding van:</al>
            <al>1.bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet,
                        de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen;</al>
            <al>2.de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197a tot en met 197c, 240b, 242
                        tot en met 249, 250a (oud), 250, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis,
                        426 of 429quater en 453 van het Wetboek van strafrecht;</al>
            <al>3.de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of
                        juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al>
            <al>4.de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                        kansspelen;</al>
            <al>5.de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al>
            <al>6.de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al>
            <al>3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                        gesteld:</al>
            <al>a.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid
                        onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van
                        de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375
                        bedraagt;</al>
            <al>b.een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.</al>
            <al>4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al>
            <al>a.bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                        beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al>
            <al>b.bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de
                        intrekking van deze vergunning.</al>
            <al>5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                        exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor ten minste één
                        maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning
                        als bedoeld in artikel 3.4.2.1. is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat
                        hem ter zake geen verwijt treft.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.3</al>
            <al>Sluitingsuur</al>
            <al>1.Het is verboden een seksinrichting, met uitzondering van seksbioscopen en
                        seksautomatenhallen, voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers
                        toe te laten of te laten verblijven:</al>
            <al>a.op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur;</al>
            <al>b.op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur.</al>
            <al>2.Het is verboden een seksbioscoop of seksautomatenhal voor bezoekers
                        geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                        tussen 23.00 uur en 09.00 uur.</al>
            <al>3.In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd bestuursorgaan door middel
                        van een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een
                        afzonderlijke seksinrichting andere sluitingsuren vaststellen.</al>
            <al>4.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden
                        gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid,
                        dan wel krachtens artikel 3.4.2.4, gesloten dient te zijn.</al>
            <al>5.Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in
                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                        gebaseerde voorschriften.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.4</al>
            <al>Afwijking sluitingsuur; sluiting</al>
            <al>1.Met het oog op de in artikel 3.4.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in
                        geval van handelen of nalaten in strijd met de bepalingen in dit hoofdstuk,
                        de aan de vergunning verbonden voorschriften, of de nadere regels als
                        bedoeld in artikel 3.4.1.3, kan het bevoegd bestuursorgaan:</al>
            <al>a.tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.4.2.3, eerste of tweede lid,
                        geldende sluitingsuren vaststellen;</al>
            <al>b.van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet voor een bepaalde termijn
                        de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al>
            <al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                        bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid
                        bedoelde besluit openbaar bekend.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.4a</al>
            <al>Intrekking van de vergunning</al>
            <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het bevoegde bestuursorgaan de
                        vergunning intrekken met het oog op de in artikel 1.8 of artikel 3.4.3.2,
                        tweede lid, genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd
                        met de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden
                        voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 3.4.1.3.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.5</al>
            <al>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</al>
            <al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                        zonder dat de ingevolge artikel 3.4.2.1 op de vergunning vermelde exploitant
                        of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al>
            <al>2.De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien
                        dat in de inrichting:</al>
            <al>a.geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als
                        genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven
                        tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                        (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                        en in de Wet wapens en munitie;</al>
            <al>b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of
                        krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000
                        bepaalde.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.6</al>
            <al>Verbod raamprostitutie</al>
            <al>Het is aan personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij
                        zich op dat moment ter prostitutie aanbieden verboden zich binnenshuis
                        bevindende, door handelingen, houding, woord, gebaar, kledij of op enige
                        andere wijze de aandacht te trekken van iemand die zich op of aan de weg
                        bevindt.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.7</al>
            <al>Sekswinkels</al>
            <al>.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                        sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare
                        orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de
                        gemeente.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.2.8</al>
            <al>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch pornografische </al>
            <al>goederen, afbeeldingen en dergelijke</al>
            <al>1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop
                        goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                        wel afbeeldingen van erotisch pornografische aard openlijk ten toon te
                        stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al>
            <al>a.indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt
                        dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de
                        openbare orde of de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze
                        aantast;</al>
            <al>b.anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang
                        van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                        tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                        aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die
                        dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel
                        7, eerste lid van de Grondwet.</al>
            <al/>
            <al>Paragraaf 3</al>
            <al>Beslissingstermijnen en weigeringsgronden</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.3.1</al>
            <al>Beslissingstermijn</al>
            <al>1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist op de aanvraag voor een vergunning als
                        bedoeld in artikel 3.4.2.1, eerste lid, binnen dertien weken na de dag
                        waarop de aanvraag ontvangen is.</al>
            <al>2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn beslissing eenmaal voor ten hoogste
                        dertien weken verdagen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.3.2</al>
            <al>Weigeringsgronden</al>
            <al>1.De vergunning als bedoeld in artikel 3.4.2.1, eerste lid, wordt geweigerd
                        indien:</al>
            <al>a.de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.4.2.2
                        gestelde eisen;</al>
            <al>b.de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een
                        geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in
                        de zin van de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing;</al>
            <lijst>
              <li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam (zullen)
                                zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of
                                met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.</al><lijst>
                  <li nr="2."><al>
                      
                        
                      Onverminderd het bepaalde in artikel
                                        1.8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3.4.2.1, eerste
                                        lid, worden geweigerd:</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het
                                woon- en leefklimaat;</al></li>
              <li nr="b."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de in de inrichting
                                werkzame prostitué(e);</al></li>
              <li nr="c."><al>indien niet voldaan is aan het gestelde in de nadere regels als
                                bedoeld in artikel 3.4.1.3.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Paragraaf 4</al>
            <al>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer; vervallen vergunning</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.4.1</al>
            <al>Beëindiging exploitatie</al>
            <al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de
                        exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.4.2</al>
            <al>Wijziging beheer</al>
            <al>1.Indien de beheerder het beheer in de inrichting feitelijk heeft beëindigd
                        geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van
                        het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al>
            <al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder indien
                        het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
                        verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.
                        Het bepaalde in artikel 3.4.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van
                        overeenkomstige toepassing.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.4.3</al>
            <al>Vervallen vergunning</al>
            <al>De vergunning vervalt:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>zodra de ingevolge artikel 3.4.2.1 op de vergunning vermelde
                                exploitant, de exploitatie van de inrichting feitelijk heeft
                                beëindigd;</al></li>
              <li nr="b."><al>indien er een wijziging heeft plaatsgevonden in de persoon van de
                                exploitant;</al></li>
              <li nr="c."><al>indien er een wijziging van bouwkundige aard in de inrichting heeft
                                plaatsgevonden;</al></li>
              <li nr="d."><al>indien de inrichting naar een andere locatie wordt verplaatst.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Paragraaf 5</al>
            <al>Overgangsbepaling</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.4.5.1</al>
            <al>Overgangsbepaling</al>
            <al>1.Op het exploiteren van een bestaande inrichting is het gestelde in artikel
                        3.4.2.1, eerste lid, niet van toepassing:</al>
            <al>a.gedurende 8 weken na het in werking treden daarvan;</al>
            <al>b.na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen
                        deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.4.2.1,
                        eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd
                        bestuursorgaan een besluit is genomen.</al>
            <al>2.Gedurende de periode als bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd
                        bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.4.3.2, tweede lid, juncto
                        artikel 1.8 genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van
                        in die aanschrijving vermelde voorzieningen.</al>
            <al>3.In afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.3.2, eerste lid onder a is,
                        voor zover het betreft de eerste vergunningsaanvraag van een op het moment
                        van inwerkingtreding van deze verordening feitelijk in exploitatie zijnde
                        inrichting, het gestelde in artikel 3.2.2 tweede lid, onder c, met
                        betrekking tot de Wet arbeid vreemdelingen niet van toepassing tenzij ten
                        aanzien van de vergunningsaanvrager binnen twee jaar voor inwerkingtreding
                        van deze verordening een proces-verbaal ter zake een overtreding van de Wet
                        arbeid vreemdelingen is opgemaakt.</al>
            <al>4.Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel
                        3.4.2.1, eerste lid van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in
                        artikel 3.4.3.2, aanhef, eerste lid, onder b niet van toepassing.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 5</al>
            <al>SMART-, HEAD- EN GROWSHOPS</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.1</al>
            <al>Toepassingsbereik</al>
            <al>Indien en voor zover de bepalingen van deze afdeling afwijken van de overige
                        bepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening, blijven de overige
                        bepalingen buiten toepassing.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.2</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                                        anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden
                                        verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan
                                        het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer
                                        wordt aangeduid als een smart-, head- of growshop;</al></li>
                  <li nr="b."><al>ondernemer: de natuurlijke persoon voor wiens rekening en
                                        risico een inrichting wordt geëxploiteerd;</al></li>
                  <li nr="c."><al>leidinggevende: degene die de feitelijke leiding geeft aan
                                        de exploitatie van een inrichting.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>In deze paragraaf wordt onder bezoeker niet verstaan:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de gezinsleden van de ondernemer alsmede diens elders
                                        wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt,
                                        in de zijlijn tot en met de derde graad;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is;</al></li>
                  <li nr="d."><al>het dienstdoend personeel.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.3</al>
            <al>Vergunningplicht</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van
                                de burgemeester.</al></li>
              <li nr="2."><al>De ondernemer vraagt de vergunning aan met een door de burgemeester
                                vastgesteld formulier.</al></li>
              <li nr="3."><al>De vergunning is niet overdraagbaar.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.4</al>
            <al>Afnemend maximum</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De burgemeester stelt een maximum aantal vergunningen vast.</al></li>
              <li nr="2."><al>Als de burgemeester een vergunning intrekt, neemt het in het eerste
                                lid bedoelde maximum met hetzelfde aantal af, tenzij de intrekking
                                verband houdt met verplaatsing van een inrichting.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.5</al>
            <al>Beslistermijn</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 beslist de burgemeester
                                op de aanvraag voor een vergunning binnen dertien weken na de dag
                                waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li>
              <li nr="2."><al>De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste dertien weken
                                verdagen. Van het besluit tot verdaging wordt voor de afloop van de
                                in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan
                                aan de aanvrager.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.6 </al>
            <al>Weigeringsgronden</al>
            <al>De burgemeester weigert de vergunning indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het in artikel 3.5.4 bedoelde maximum aantal vergunningen is
                                bereikt.</al></li>
              <li nr="b."><al>de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende
                                bestemmingsplan dan wel met een geldende leefmilieuverordening;</al></li>
              <li nr="c."><al>het gebruik van de inrichting in strijd is met artikel 6.1.1 van de
                                Bouwverordening;</al></li>
              <li nr="d."><al>de inrichting gevestigd is in de nabijheid van een school of
                                jongerencentrum;</al></li>
              <li nr="e."><al>de inrichting gevestigd is in de nabijheid van bedrijven of winkels
                                met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de
                                verschillende bezoekersgroepen openbare orde-problemen tot gevolg
                                heeft of tot gevolg kan hebben;</al></li>
              <li nr="f."><al>er naar zijn oordeel sprake is van een concentratie van inrichtingen
                                in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de
                                openbare orde of het woon- en leefklimaat cumula-tief toeneemt;</al></li>
              <li nr="g."><al>naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting het woon-
                                en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig
                                wordt beïnvloed;</al></li>
              <li nr="h."><al>ondernemer(s) of leidinggevende(n) de leeftijd van 18 jaar nog niet
                                heeft/hebben bereikt;</al></li>
              <li nr="i."><al>ondernemer(s) of leidinggevende(n) niet voldoet/voldoen aan de eisen
                                die bij of krachtens artikel 8, tweede lid sub a en b, en derde lid
                                van de Drank- en Horecawet worden gesteld;</al></li>
              <li nr="j."><al>ondernemer(s) of leidinggevende(n) een inrichting als bedoeld in
                                artikel 3.2.1.2, 3.4.1.1 of 3.5.2 heeft/hebben geëxploiteerd die
                                evenwel op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de
                                openbare orde binnen drie jaar voor de aanvraag gesloten is
                                geweest;</al></li>
              <li nr="k."><al>redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand
                                niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal
                                zijn;</al></li>
              <li nr="l."><al>sprake is van een geval en onder de voorwaarden als bedoeld in
                                artikel 3 van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het
                                Openbaar Bestuur.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.7</al>
            <al>Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de openbare
                                veiligheid of de volksgezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer
                                inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens de Winkeltijdenwet
                                geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting
                                bevelen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van
                                de Opiumwet van toepassing is.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.8</al>
            <al>Verbod aanwezigheid in gesloten inrichting</al>
            <al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting voor bezoekers gesloten
                        dient te zijn, deze inrichting voor bezoekers geopend te hebben, daarin of
                        aldaar een of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven, of zich
                        als bezoeker daarin of aldaar te bevinden.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.5.9</al>
            <al>Toegang ambtenaren van politie</al>
            <al>De exploitant is verplicht ervoor zorg te dragen dat ambtenaren van politie
                        vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn
                        inrichting:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is dan
                                wel</al></li>
              <li nr="b."><al>gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, indien
                                die ambtenaren van politie het vermoeden uiten dat daarin of aldaar
                                bezoekers aanwezig zijn.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al> HOOFDSTUK 4</al>
            <al>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK
                        AANZIEN VAN DE GEMEENTE </al>
            <al/>
            <al>AFDELING 1</al>
            <al>GELUID- EN LICHTHINDER</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.1</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer;</al></li>
              <li nr="b."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;</al></li>
              <li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar, ondernemer,
                                leidinggevende of anderszins een inrichting drijft;</al></li>
              <li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of
                                een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li>
              <li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                                aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li>
              <li nr="f."><al>overmatige hinder: er is sprake van overmatige hinder indien meer
                                dan 20 dB(A) (muziek)geluid wordt geproduceerd boven de vigerende
                                geluidsnorm van de betreffende inrichting c.q. festiviteit.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.2</al>
            <al>Aanwijzing collectieve festiviteiten</al>
            <al>1.De artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het
                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                        de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Wel dient de houder van de
                        inrichting voor een dergelijke festiviteiten maatregelen te treffen ter
                        voorkoming van overmatige hinder.</al>
            <al>2.Artikel 4.113 van het Besluit geldt niet voor door het college per
                        kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij
                        aan te wijzen dagen of dagdelen.</al>
            <al>3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en het tweede lid, kan het
                        college bepalen dat de aanwijzing geldt in één of meerdere delen van de
                        gemeente.</al>
            <lijst>
              <li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin
                                van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li>
              <li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was een festiviteit terstond als collectieve
                                festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.3</al>
            <al>Kennisgeving incidentele festiviteiten</al>
            <al>1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per
                        kalenderjaar te houden waarbij de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                        Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van een inrichting ten
                        minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan
                        in kennis heeft gesteld.</al>
            <al>2.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per
                        kalenderjaar te houden waarbij artikel 4.113 van het Besluit niet van
                        toepassing zijn mits de houder van een inrichting ten minste vijf werkdagen
                        voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                        gesteld.</al>
            <al>3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als
                        bedoeld in het eerste en tweede lid. Op dit kennisgevingsformulier dient
                        door of namens de houder van de inrichting te worden aangegeven welke
                        maatregelen ter voorkoming van overmatige hinder worden getroffen.</al>
            <al>4.De kennisgeving wordt geacht eerst te zijn gedaan wanneer het in het derde
                        lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                        ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al>
            <al>5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op
                        verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die
                        redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.4</al>
            <al>Verboden incidentele festiviteiten</al>
            <al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten,
                        feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                4.1.3 is gedaan;</al></li>
              <li nr="b."><al>gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die in de kennisgeving
                                als bedoeld in artikel 4.1.3 zijn verstrekt;</al></li>
              <li nr="c."><al>de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen
                                redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te
                                voorkomen;</al></li>
              <li nr="d."><al>de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft, hetzij op grond van het overschrijden van het
                                maximum van twaalf incidentele festiviteiten, hetzij wanneer naar
                                zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden
                                beïnvloed.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.5</al>
            <al>Overige geluidhinder</al>
            <al>1.Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
                        handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of
                        overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al>
            <al>2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al>
            <al>3.Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien
                        door artikel 2.4.16, de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de
                        Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van
                        Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeerstekens en verkeersregels
                        1990 of het Vuurwerkbesluit.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.5a</al>
            <al>(Geluid)hinder in de open lucht</al>
            <al>1.Het is verboden in de open lucht een geluidsapparaat, een
                        (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op en zodanige
                        wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                        wordt veroorzaakt.</al>
            <al>2.Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing
                        verlenen.</al>
            <al>3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in
                        het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde
                        bij dat besluit aangewezen categorieën van geluidsapparaten,
                        (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de
                        door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking
                        van (geluid)hinder.</al>
            <al>4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: -
                        het maximale geluidsniveau; - de situering van de geluidsbronnen; - de
                        frequentie en tijden van gebruik.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.5b</al>
            <al>(Geluid)hinder door dieren</al>
            <al>Degene die zorg heeft over een dier, moet voorkomen dat dit voor de
                        omwonenden of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.1.5c</al>
            <al>(Geluid)hinder door bromfietsen e.d.</al>
            <al>Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te
                        gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving
                        (geluid)hinder ontstaat.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 2</al>
            <al>Gereserveerd</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 3</al>
            <al>Gereserveerd</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 4</al>
            <al>BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.4.1</al>
            <al>Straatvegen</al>
            <al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van
                        de gemeentelijke of een door de gemeente ingeschakelde reinigingsdienst
                        aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                        laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.4.2</al>
            <al>Natuurlijke behoefte doen</al>
            <al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke
                        behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.4.3</al>
            <al>Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten
                        buiten gebouwen</al>
            <al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
                        mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de
                        veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de
                        gebouwen of voor anderen.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 5</al>
            <al>Gereserveerd</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 6</al>
            <al>BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.6.1</al>
            <al>Bescherming groenvoorzieningen</al>
            <al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de
                        gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken
                        verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of
                        heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.6.2</al>
            <al>Beschermde planten; hout sprokkelen</al>
            <al>1.Het college is bevoegd:</al>
            <al>a.plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur-,
                        landschaps- of dorps-/ stadsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen of
                        planten te plukken of bij zich te hebben;</al>
            <al>b.bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van
                        milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te
                        hebben.</al>
            <al>2.Het is verboden op een, door het college, krachtens het eerste lid,
                        aangewezen plaats:</al>
            <al>a.de daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken, bij zich te hebben;
                        dan wel</al>
            <al>b.hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.</al>
            <al>3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet:</al>
            <al>a.ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse
                        verkregen dan wel elders afkomstige bloemen of planten of hout;</al>
            <al>b.indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader
                        van normale onderhoudswerkzaamheden;</al>
            <al>c.voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                        Natuurbeschermingswet.</al>
            <al>4.Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet:</al>
            <al>a.ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop de Kapverordening
                        niet van toepassing is;</al>
            <al>b.ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening
                        van het Bosschap.</al>
            <al>5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                        verbod.</al>
            <al>6.Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en
                        verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood
                        hout.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 7</al>
            <al>MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.7.1</al>
            <al>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</al>
            <al>1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in
                        de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                        belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                        opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                        gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader
                        aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                        hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels:</al>
            <al>a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of
                        vaartuigen of onderdelen daarvan;</al>
            <al>b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al>
            <al>c.caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk
                        voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of
                        aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor
                        een commercieel doel;</al>
            <al>d.mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                        verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten,
                        afbraakmaterialen en oude metalen.</al>
            <al>2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan
                        wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al>
            <al>3.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid
                        aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof:</al>
            <al>a.op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel</al>
            <al>b.op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming
                        van de door het college gestelde regels.</al>
            <al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het geregelde
                        onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                        Provinciale milieuverordening Limburg.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.7.1a</al>
            <al>Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen</al>
            <al>1.Dit artikel verstaat onder:</al>
            <al>a.dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van
                        de Meststoffenwet;</al>
            <al>b.emissiearm aanwenden: gebruiken van dierlijke meststoffen op de wijze die
                        is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage
                        II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet
                        worden: 'tijdens het uitrijden van de dierlijke mest deze gelijktijdig wordt
                        ondergewerkt';</al>
            <al>c.grond: bouwland, maïsland en grasland.</al>
            <al>2.Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het
                        verboden op gronden dierlijke meststoffen uit te rijden, op te brengen, te
                        doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op algemeen
                        erkende feest- en gedenkdagen.</al>
            <al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de
                        dierlijke mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.</al>
            <al>4.Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde
                        verboden.</al>
            <al>5.Vervoer van dierlijke meststof als dunne mest dient te geschieden in
                        volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat
                        verkeren.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.7.2</al>
            <al>Vergunningsplicht handelsreclame</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden om zonder vergunning van het college op of aan een
                                onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van
                                een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die
                                vanaf de weg zichtbaar is.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig
                                        gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht
                                        zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;</al></li>
                  <li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken,
                                        daartoe aangewezen door de overheid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de
                                        langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben
                                        op:</al><lijst>
                      <li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter
                                                verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende
                                                zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                                hebben;</al></li>
                      <li nr="-"><al>het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de
                                                onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die
                                                zaak is bestemd;</al></li>
                    </lijst></li>
                  <li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                        uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die
                                        bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken
                                        zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij
                                        of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor
                                        zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></li>
                  <li nr="e."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                        dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn
                                        aangebracht ten dienste van dat vervoer.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van
                                kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis
                                hebben, mits:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving
                                        is gedaan aan het college;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                        kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;</al></li>
                  <li nr="c."><al>deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen
                                        weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                        verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li>
                  <li nr="b."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende
                                        zaak.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="5."><al>a. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor
                                bouwwerken.</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <onderstreept> b.</onderstreept> De
                        weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor zover in het
                         daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                        milieubeheer.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.7.3</al>
            <al>Eisen aan niet-vergunningplichtige handelsreclame</al>
            <al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld
                        in artikel 4.7.2, tweede lid, de veiligheid van het verkeer in gevaar te
                        brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.7.4</al>
            <al>Verkoopautomaten</al>
            <al>Het is de rechthebbende op enig terrein verboden, zonder vergunning van het
                        college , op een op dit terrein gelegen plaats, welke vanaf de weg of een
                        voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is, een verkoopautomaat te
                        plaatsen of te hebben.</al>
            <al/>
            <al>HOOFDSTUK 5</al>
            <al>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 1</al>
            <al>PARKEEREXCESSEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.1</al>
            <al>Begripsomschrijvingen</al>
            <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
            <al>a.weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de
                        Wegenverkeerswet 1994;</al>
            <al>b voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li>
              <li nr="2."><al>fietsen, bromfietsen;</al><al> 3 invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens 1990;</al></li>
              <li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                rolstoelen;</al><lijst>
                  <li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                        het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.2</al>
            <al>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al>
            <al>1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van
                        maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
                        verhandelen, verboden:</al>
            <al>a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg
                        te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt
                        een dezer voertuigen; dan wel</al>
            <al>b.de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al>
            <al>2.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:</al>
            <al>a.het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al>
            <al>b.het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                        betaling.</al>
            <al>3.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:</al>
            <al>a.voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die
                        in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is
                        voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al>
            <al>b.voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid
                        genoemde persoon.</al>
            <al>4.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                        verlenen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.2a</al>
            <al>Te koop aanbieden van voertuigen</al>
            <al>1.Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een
                        voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                        verhandelen.</al>
            <al>2.Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.3</al>
            <al>Defecte voertuigen</al>
            <al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te
                        verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                        achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.4</al>
            <al>Voertuigwrakken</al>
            <al>1.Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.</al>
            <al>2.Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in
                        onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                        toestand verkeert.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.5</al>
            <al>Caravans e.d.</al>
            <al>1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                        magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor
                        de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan
                        verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al>
            <al>a.langer dan op vijf achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te
                        hebben;</al>
            <al>b.op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn
                        oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al>
            <al>2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en
                        onder a, gestelde verbod.</al>
            <al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening provincie
                        Limburg.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.6</al>
            <al>Parkeren van reclamevoertuigen</al>
            <al>1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                        handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee
                        handelsreclame te maken.</al>
            <al>2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                        verlenen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.7</al>
            <al>Parkeren van grote voertuigen</al>
            <al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte
                        heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te
                        parkeren.</al>
            <al>2.Het college wijst plaatsen aan waarvoor het in het eerste lid genoemde
                        verbod niet geldt.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die
                        nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden,
                        waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.8</al>
            <al>Gereserveerd</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.9</al>
            <al>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</al>
            <al>1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te
                        parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen
                        daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al>
            <al>2.Dit verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien
                        door de Wet milieubeheer.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.10</al>
            <al>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al>
            <al>1.Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel
                        deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                        gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al>
            <al>2.Dit verbod is niet van toepassing:</al>
            <al>a.op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al>
            <al>b.op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van
                        werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al>
            <al>c.op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die
                        mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al>
            <al>3 Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.1.11</al>
            <al>Overlast van fiets of bromfiets</al>
            <al>1.Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                        belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                        opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare
                        gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor
                        bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al>
            <al>2.Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende
                        staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te
                        laten staan.</al>
            <al/>
            <al/>
            <al>AFDELING 2</al>
            <al>COLLECTEREN, VENTEN, STANDPLAATSEN EN SNUFFELMARKTEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.1</al>
            <al>Inzameling van geld of goed</al>
            <al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling
                        van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te
                        bieden.</al>
            <al>2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het
                        aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden
                        gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of
                        goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt
                        dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                        bestemd.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die
                        in besloten kring gehouden wordt.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.2.1</al>
            <al>Begripsomschrijving</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening
                                van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                goederen op of aan de weg, aan huis dan wel op een andere voor het
                                publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats, dan wel
                                diensten aan te bieden.</al></li>
              <li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene
                                        die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als
                                        bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                        Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                        5.2.4 van deze verordening.</al></li>
                  <li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        als bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld
                                        in artikel 5.2.3.1 van deze verordening.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.2.2</al>
            <al>Ventverbod</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar komt.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het is verboden te venten op zondag en maandag tot en met zaterdag
                                tussen 22.00 en 06.00 uur.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel 5 van het Wegenverkeerswet.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.3.1</al>
            <al>Begripsomschrijving standplaats</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek
                                toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden,
                                verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van
                                goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke
                                middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></li>
              <li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in
                                        artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                        2.2.1;</al></li>
                  <li nr="c."><al>vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                        5.2.4.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.3.2</al>
            <al>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in
                                te nemen of te hebben.</al></li>
              <li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden
                                geweigerd</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband
                                        met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke
                                        welstand;</al></li>
                  <li nr="b."><al>vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.3.3</al>
            <al>Toestemming rechthebbende</al>
            <al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop
                        zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.3.4. </al>
            <al>Afbakeningsbepalingen</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                Standplaatsenverordening, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of
                                het Provinciaal wegenreglement.</al></li>
              <li nr="2."><al>De weigeringsgrond van artikel 1.8, onder d, geldt niet voor zover
                                in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer;</al></li>
              <li nr="3."><al>De weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, onder a, geldt
                                niet voor bouwwerken.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.3.5 </al>
            <al>Aanhoudingsplicht</al>
            <al>Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan, indien de
                        aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld
                        in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing
                        kan worden gegeven aan artikel 5.2.3.2, tweede lid, tot de dag waarop is
                        beslist op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de
                        Wet milieubeheer.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.2.4</al>
            <al>Snuffelmarkten e.d.</al>
            <al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al>
            <al>a.in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                        toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar
                        ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;</al>
            <al>b.toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op
                        een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of
                        plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats
                        wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of
                        te verstrekken.</al>
            <al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten die
                        uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in
                        gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al>
            <al>3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het
                        belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 3</al>
            <al>OPENBAAR WATER</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.3.1</al>
            <al>Reddingsmiddelen</al>
            <al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij
                        het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel
                        voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 4</al>
            <al>CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.4.1</al>
            <al>Crossterreinen</al>
            <al>1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig
                        als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een (brom)fiets als bedoeld in
                        artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                        1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een
                        trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                        nemen, dan wel een motorvoertuig of een (brom)fiets met het kennelijke doel
                        daartoe aanwezig te hebben.</al>
            <al>2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                        gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten
                        aanzien van het gebruik van deze terreinen:</al>
            <al>a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al>
            <al>b.in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving
                        en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al>
            <al>c.in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid
                        bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.</al>
            <al>3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                        artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al>
            <al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het geregelde
                        onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                        geluidproduktie sportmotoren.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.4.2</al>
            <al>Beperking verkeer in natuurgebieden</al>
            <al>1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken,
                        plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of
                        zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z,
                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                        in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of
                        met een fiets of een paard.</al>
            <al>2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                        gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten
                        aanzien van het gebruik van deze terreinen:</al>
            <al>a.in het belang van het voorkomen van overlast;</al>
            <al>b.in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al>
            <al>2. c in het belang van de veiligheid van het publiek.</al>
            <al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van
                        motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                        paarden:</al>
            <al>a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van
                        andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en
                        verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                        hulpverleningsdiensten;</al>
            <al>b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de
                        door het college aangewezen plaatsen;</al>
            <al>c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
                        voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al>
            <al>d.van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen
                        binnen de door het college aangewezen plaatsen;</al>
            <al>e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder
                        d bedoelde personen.</al>
            <al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al>
            <al>a.op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                        Wegenverkeerswet 1994;</al>
            <al>b.binnen de in bijlage 6 van de Provinciale milieuverordening Limburg
                        aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of
                        krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.</al>
            <al>5 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                        verbod.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 5</al>
            <al>VERBOD VUUR TE STOKEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.5.1</al>
            <al>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te
                        stoken</al>
            <al>1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                        inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></li>
              <li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden
                                geweigerd ter bescherming van de flora en de
                                    fauna<cursief>.</cursief></al></li>
              <li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder
                                1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                milieuverordening.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>AFDELING 6</al>
            <al>VERSTROOIING VAN AS</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.6.1</al>
            <al>Begripsomschrijving</al>
            <al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het
                        verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de
                        overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe
                        bestemd terrein.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.6.2</al>
            <al>Verboden plaatsen</al>
            <al>1.Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al>
            <al>a.verharde delen van de weg;</al>
            <al>b.gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al>
            <al>2.Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt
                        verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                        plaatsvindt.</al>
            <al>3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de
                        asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het
                        verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                        crematoriumterreinen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.6.3</al>
            <al>Hinder of overlast</al>
            <al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast
                        wordt veroorzaakt voor derden.</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 7</al>
            <al>Gereserveerd</al>
            <al/>
            <al>AFDELING 8</al>
            <al>OVERIGE BEPALINGEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.8.1</al>
            <al>Liggen of slapen op of aan de weg</al>
            <al>1.Het is verboden op of aan de weg:</al>
            <al>a.tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen;</al>
            <al>b.tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat een
                        ambtenaar van politie, of een door/namens het college aangewezen
                        toezichthouder in het belang van de openbare orde, veiligheid of
                        zedelijkheid is aangezegd dat dit moet worden beëindigd;</al>
            <al>2.In bijzondere gevallen kan het college plaatsen aanwijzen, waarop
                        gedurende bepaalde uren het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet
                        van toepassing is.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 5.8.2</al>
            <al>Sproei- en wasverbod</al>
            <al>1.Het is verboden water uit de waterleiding te gebruiken voor het sproeien
                        van tuinen en voor het wassen van auto's gedurende door het college te
                        bepalen tijdvakken.</al>
            <al>2.Bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde tijdvakken zal ten minste
                        een dag voor de aanvang daarvan op de gebruikelijke wijze plaatsvinden.</al>
            <al/>
            <al>HOOFDSTUK 6</al>
            <al>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</al>
            <al/>
            <al>Artikel 6.1</al>
            <al>Strafbepaling</al>
            <al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                        gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                        tweede categorie en kan bovendien</al>
            <al>worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 6.2</al>
            <al>Toezichthouders</al>
            <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                        verordening zijn belast de bij besluit van het college of de burgemeester
                        aangewezen personen.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 6.3</al>
            <al>Binnentreden woningen</al>
            <al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een
                        overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften
                        welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of
                        bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot
                        het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 6.4</al>
            <al>Inwerkingtreding</al>
            <al>1.Deze verordening treedt in werking op de dag, volgend op de dag na
                        bekendmaking.</al>
            <al>2.De Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Heerlen, vastgesteld
                        op 6 maart 2007, wordt ingetrokken.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 6.5</al>
            <al>Overgangsbepaling</al>
            <al>1.Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de
                        verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor
                        zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking
                        heeft, ook vervat is in deze verordening - van kracht tot de termijn,
                        waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden
                        ingetrokken.</al>
            <al>2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in
                        artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen
                        ingevolge welke deze verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze
                        verordening - van kracht tot de termijn, waarvoor zij zijn opgelegd, is
                        verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al>
            <al>3.Vergunningen en ontheffingen, bedoeld in het eerste lid en verplichtingen
                        bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen en
                        verplichtingen in de zin van deze verordening te zijn.</al>
            <al>4.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                        aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de verordening bedoeld
                        in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van
                        inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist,
                        wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                        toegepast.</al>
            <al>5.Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of
                        ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking
                        bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel
                        6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn,
                        wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4,
                        tweede lid.</al>
            <al>6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist
                        is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als
                        bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing:</al>
            <al>a.gedurende 12 weken na het in werking treden van deze verordening;</al>
            <al>b.ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning
                        of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend,
                        totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</al>
            <al>7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft
                        geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen
                        nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover
                        de rechtsgrond waarop de nadere regels, beleidsregels en
                        aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en
                        voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.</al>
            <al/>
            <al>Artikel 6.6</al>
            <al>Citeertitel</al>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                        voor de gemeente Heerlen.</al>
            <al/>
            <al>Aldus besloten tijdens de vergadering van de raad der gemeente Heerlen van
                        29 april 2008.</al>
            <al>griffier, voorzitter,</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>