<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85563_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis-aan-huis blad 'De Stad Buren', editie 20 oktober 2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang gemeente Buren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-10-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B-2004-62</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Buren;</al><lijst><li nr="1."><al>gelezen het voorstel van het college van 10 augustus 2004; nr. 6a,
                                inzake de invoering van de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang en artikel 149 van de
                                Gemeentewet;</al></li><li nr="3."><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de
                                voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming van de
                                gemeente in de kosten van kinderopvang bij verordening te
                                regelen;</al></li></lijst><al>Besluit:vast te stellen de volgende: Verordening Wet Kinderopvang</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>College: het college van burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wet: de Wet kinderopvang;</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vaststelling noodzaak kinderopvang op grond van sociaal-medische
                            indicatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23
                                van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit
                                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van
                                        de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                    geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellenindien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of;</al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                        kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verlening van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                tegemoetkomingjaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                                een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang (VWk)
                            gemeente Buren.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>algemeen en artikelsgewijs</titel></kop><al>&lt;vet&gt;Algemene toelichting&lt;/vet&gt;&lt;vet&gt;INLEIDING&lt;/vet&gt;Op 1
                    januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang beoogt
                    het ouders ofverzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Niet
                    alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang. Een aantal in de
                    wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente voor het betalen van
                    een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De vergoeding door de
                    gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de
                    term 'tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)'.Artikel 25 Wet kinderopvang
                    bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de
                    tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening,
                    de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. Deze verordening
                    geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht.De tegemoetkoming is een subsidie
                    in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten:
                    een aanspraak op financi&amp;#xEB;le middelen door een bestuursorgaan verstrekt
                    met het oog op een bepaalde activiteit van de aanvrager. Titel 4.2 van de Awb
                    die regels stelt over subsidies is van toepassing op de tegemoetkomingen. Dit
                    betekent dat op de verstrekking van tegemoet&amp;#xAC;komingen in de kosten van
                    kinderopvang door gemeenten drie regelingen van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al>De meeste gemeenten beschikken over een algemene subsidieverordening. De vraag
                    is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang en de
                    algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene
                    subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten van
                    kinderopvang.Deze modelverordening is zo opgezet dat deze geheel los staat van
                    de algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene subsidieverordening
                    niet van toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen. Het principe geldt
                    dan dat de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de algemene
                    regeling.&lt;vet&gt;HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE
                    TEGEMOETKOMINGEN&lt;/vet&gt;In deze modelverordening worden de hoofdlijnen van
                    het proces van verstrekking van de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd.
                    Daarbij zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de
                    uitvoeringslasten voor zowel de gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming
                    zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke
                    uitgaven die gemoeid zijn met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed
                    mogelijk beheersbaar zijn.&lt;vet&gt;Bepalingen om de beheersbaarheid van de
                    gemeentelijke uitgaven te bevorderen&lt;/vet&gt;De gemeentelijke tegemoetkoming
                    in de kosten van kinderopvang is een zogeheten 'open-einde regeling'. Dit
                    betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort tot de gemeentelijke
                    doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de gemeente.Om gemeenten in
                    staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de verstrekking van de
                    tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de modelverordening de volgende
                    bepalingen opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen
                            eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt
                            aan beperkingen gebonden. In de modelverordening wordt bepaald dat bij
                            deze groep ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren
                            kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                            mogelijk te maken.</al></li><li nr="b."><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                            gemeentelijketegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip
                            waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst
                            is genomen.</al></li><li nr="c."><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                            kinderopvang plaatsvindt.</al></li><li nr="d."><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                            Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die
                            de gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt.</al></li></lijst><al>&lt;vet&gt;Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar&lt;/vet&gt;Een
                    tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur &amp;#xE9;&amp;#xE9;n
                    kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door de
                    Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk jaar
                    opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen
                    waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming
                    beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    re&amp;#xEF;ntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum
                    waarop het kind naar de basisschool gaat of de basisschool
                    verlaat).&lt;vet&gt;Verstrekking van de tegemoetkoming in twee
                    stappen&lt;/vet&gt;De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee
                    stappen. Hiermee wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking
                    tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van
                    de tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een
                    bepaald bedrag. De aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de
                    beschikking wordt gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk
                    gebruik zal maken van kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen
                    houdt.Ondanks het voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een
                    rechtens afdwingbare aanspraak. De tweede stap is de beschikking tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming. In deze beschikking wordt vastgesteld in
                    hoeverre de ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het
                    uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de
                    tegemoet&amp;#xAC;koming wordt de tegemoetkoming definitief. Voordat de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de gemeente onderzoek doen naar de
                    rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren
                    en eventueel inlichtingen bijde houders van een kindcentrum of
                    gastouder&amp;#xAC;bureau op te vragen.&lt;vet&gt;AANWIJZEN VAN EIGEN
                    DOELGROEPEN&lt;/vet&gt;De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de
                    definities van gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen.
                    Deze criteria zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen.
                    Gemeenten hebben bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van de
                    tegemoetkoming dus geen beleidsvrijheid. Over de wijze waarop de aanspraak op-
                    en de hoogte van de tegemoetkoming moet worden vastgesteld worden gemeenten in
                    een later stadium apart ge&amp;#xEF;nformeerd zodra alle relevante
                    uitvoeringsregelingen bekend zijn.De gemeente kan er voor kiezen om naast de
                    doelgroepen die in de wet zijn benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die
                    aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.
                    Daarbij kan gedacht worden aan ouders die vrijwilligerswerk doen of ouders die
                    zich bezighouden met mantelzorg. Het verdient aanbeveling om de tegemoetkomingen
                    aan eigen doelgroepen in deze verordening te regelen en niet in een aparte
                    verordening. Dit voorkomt versnippering van regelgeving en bovendien worden de
                    procedurele bepalingen in deze verordening automatisch ook van toepassing op de
                    tegemoetkomingen die de gemeente aan eigen doelgroepen verstrekt.Als een
                    gemeente besluit eigen doelgroepen aan te wijzen, zal ze in de verordening een
                    aantal onderwerpen moeten regelen. Het toevoegen van eigen doelgroepen geschiedt
                    op basis van de autonome verordenende bevoegdheid van gemeenten die is
                    neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit betekent dat de aanhef van de
                    verordening de bevoegdheidsgrondslag moet worden uitgebreid. In de aanhef moet
                    de zinsnede 'gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang' worden aangevuld met
                    'en artikel 149 van de Gemeentewet'. Vanwege de vertraging in de behandeling van
                    het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer kan het daarnaast noodzakelijk
                    zijn om artikel 149 van de Gemeentewet in de aanhef als grondslag te vermelden.
                    Dit hangt o.m.samen met het moment waarop deze verordening in de gemeenteraad
                    behandeld wordt. Om deze reden is artikel 149 van de Gemeentewet in de
                    modelverordening standaard als grondslag opgenomen. Zie voor een nadere
                    toelichting de artikelsgewijze toelichting bij het
                    inwerkingtreding&amp;#xAC;artikel.Omdat de Wet kinderopvang niet van toepassing
                    is op de door de gemeente aangewezen doelgroepen, zal de omschrijving van de
                    doelgroep(en) in de verordening moeten geschieden.</al><al>Bovendien zal in de verordening de hoogte van de tegemoetkoming geregeld moeten
                    worden. Hiervoor moet het volgende worden geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>De wijze waarop de kosten van kinderopvang worden bepaald, inclusief een
                            maximumuurprijs (daarbij zou verwezen kunnen worden naar bepalingen in
                            artikel 7 Wet kinderopvang).</al></li><li nr="b."><al>Het deel van de kosten van kinderopvang waarvoor een tegemoetkoming
                            wordt verstrekt.</al></li><li nr="c."><al>Bovendien kan in de verordening worden geregeld dat er jaarlijks een
                            subsidieplafond wordt vastgesteld voor de verstrekkingen van
                            tegemoetkomingen aan de eigen doelgroepen. Zo'n subsidieplafond is niet
                            mogelijk voor de tegemoetkomingen die de gemeente verstrekt op basis van
                            de Wet kinderopvang, maar kan wel worden vastgesteld voor de
                            tegemoetkomingen die de gemeente verstrekt op grond van haar autonome
                            verordenende bevoegdheid. Met het vaststellen van een subsidieplafond
                            worden de aanspraken op een tegemoetkoming beperkt tot een bepaald
                            bedrag. Het vaststellen van een subsidieplafond verplicht de gemeente
                            een tegemoetkoming te weigeren als toekenning zou leiden tot
                            overschrijding van het plafond. Hierdoor wordt een open- einde regeling
                            voorkomen. Voor de goede orde: het vaststellen van een subsidieplafond
                            is een bevoegdheid, g&amp;#xE9;&amp;#xE9;n verplichting.</al></li></lijst><al>&lt;vet&gt;Artikelsgewijze toelichting&lt;/vet&gt;&lt;vet&gt;Artikel 1
                    Begripsbepalingen&lt;/vet&gt;De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet
                    kinderopvang zijn ook van toepassing op deze verordening .Alleen de in deze
                    artikelen niet gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.&lt;vet&gt;Artikel 2 Te
                    verstrekken gegevens&lt;/vet&gt;Een aanvraag voor de toekenning van een
                    sociaal-medische indicatie moet worden ingediend bij het college. In de
                    procedure gaat de aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie
                    vooraf aan de aanvraag voor een tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de
                    aanvragen vaak gelijktijdig worden ingediend. Ook de besluiten over de
                    toekenning van een sociaal-medische indicatie en de verlening van een
                    tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang kunnen in &amp;#xE9;&amp;#xE9;n
                    beschikking worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht worden
                    genomen: eerst het besluit over de aanwezigheid van een sociaal-medische
                    indicatie en vervolgens het besluit over de verstrekking van een
                    tegemoetkoming.&lt;vet&gt;Artikel 3 Beslistermijn&lt;/vet&gt;Bij het bepalen van
                    de beslistermijn dient rekening te worden gehouden met de tijd die gemoeid is
                    met het uitbrengen van advies door een 'onafhankelijke organisatie die beschikt
                    over adequate deskundigheid' (artikel 23, derde lid, Wet kinderopvang).Om de
                    doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, verdient het aanbeveling dat
                    de gemeente 'harde' afspraken maakt de adviserende organisaties over de termijn
                    waarbinnen adviezen worden uitgebracht.&lt;vet&gt;Artikel 4 Inhoud van de
                    beschikking&lt;/vet&gt;Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1
                    van de Awb. Dit betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en
                    beroep kan worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                    sociaal medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven
                    hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over de
                    noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de aanvraag
                    voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het besluit de
                    geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze verplichting staat in het
                    vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. Het kan gaan om een geldigheidsduur
                    voor een beperkte termijn, maar ook om een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd.
                    In het indicatieadvies zal hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan.Het
                    college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit
                    advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan
                    afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte
                    advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de beschikking moeten
                    motiveren (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting geldt vooral voor het
                    geval waarin een positief advies wordt gegeven en het college een afwijzend
                    besluit neemt.&lt;vet&gt;Artikel 5 Weigeringsgronden&lt;/vet&gt;Dit artikel
                    bevat twee weigeringsgronden. De weigeringgrond onder a geeft aan dat een
                    gemeentelijketegemoetkoming op grond van een sociaal-medische indicatie een
                    vangnetvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een andere bepaling
                    in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten
                    van kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak.De weigeringgrond onder b
                    spreekt voor zich.&lt;vet&gt;Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de
                    aanvraag&lt;/vet&gt;De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het
                    college (artikel 26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de
                    gemeente waar de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De
                    aanvraag moet schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).Omdat een tegemoetkoming
                    voor de duur van een tegemoetkomingjaar wordt verstrekt (artikel 4.4) moet deze
                    elk jaar opnieuw worden aangevraagd.Om de lasten voor de aanvragers zo beperkt
                    mogelijk te houden, verdient het aanbeveling dat de gemeente het
                    aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan de ouders toestuurt, waarbij het
                    formulier reeds is ingevuld met de gegevens die bij de gemeente bekend zijn. De
                    ouders hoeven dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier aan te geven.Een
                    verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal uren
                    of dagdelenkinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de
                    tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang van de kinderopvang
                    hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk
                    mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang en
                    artikel 16, eerste lid).Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de
                    aanvraag een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                    kinderopvang gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag
                    voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder
                    over een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract
                    kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen.Het kindercentrum of
                    gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan in
                    een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet kinderopvang).Onderdeel e
                    van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een verwijzing naar
                    gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot een gemeentelijke
                    doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met een verwijzing naar
                    die gegevens omdat de gemeente over de gegevens beschikt:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                            IOAW/IOAZ of Anw &amp;#xE9;n maakt gebruik van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het CWI maakt &amp;#xE9;n maakt gebruik van een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringprogramma volgt;</al></li><li nr="d."><al>het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken: </al><table summary=""><title/><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de
                                        Wet inkomensvoorziening kunstenaars</al></entry><entry><al>Indien de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente:
                                        naam van deze gemeente</al></entry></row><row><entry><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                        volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene
                                        bijstand op grond van de WWB of kan zo'n uitkering
                                        ontvangen</al></entry><entry><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al></entry></row><row><entry><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school
                                        of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de
                                        Wettegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8
                                        tot en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000 </al></entry><entry><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Trajectplan van het UWV</al></entry></row><row><entry><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en maakt
                                        gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al></entry><entry><al>Trajectplan van het UWV </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al> In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 26, derde
                    lid, Wet kinderopvang.&lt;vet&gt;Artikel 7 Het besluit tot verlenen van de
                    tegemoetkoming&lt;/vet&gt;De termijn waarbinnen het college een besluit moet
                    nemen over de aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een
                    tegemoetkoming. Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook
                    voor aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming
                    en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van
                    de omvang van de kinderopvang. In de modelverordening is gekozen voor een
                    beslistermijn van ten hoogste vier weken die eventueel met vier weken kan worden
                    verlengd.De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum
                    waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden
                    aangevraagd. Om er zeker van te zijn dat de tegemoet&amp;#xAC;koming na 1
                    januari kan worden voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken
                    v&amp;#xF3;&amp;#xF3;r 1 januari bij de gemeente moeten indienen.Het feit dat
                    het college een termijn van vier weken heeft om te beslissen over een aanvraag
                    voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het college deze termijn
                    ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er naar moeten streven de
                    behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name
                    aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door middel van
                    mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden
                    versneld.&lt;vet&gt;Artikel 8 Weigeringsgrond&lt;/vet&gt;De in artikel 22
                    vastgelegde doelgroepen zijn ouders die in een arbeidstoeleidingstraject zitten
                    en een uitkering ontvangen in het kader van:&amp;#x2022; De Wet werk en bijstand
                    (Wwb); &amp;#x2022; Wet inkomensvoorziening Kunstenaars (Wik); &amp;#x2022;
                    Algemene Nabestaanden Wet (ANW); &amp;#x2022; Wet inkomensvoorziening ouderen en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); &amp;#x2022; Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ); &amp;#x2022; Herintreders (met verdienende partner) met
                    een trajectplan (NUG-er = niet uitkeringsgerechtigde); &amp;#x2022; Nieuwkomers
                    die een inburgeringstraject volgen (WIN); &amp;#x2022; Oudkomers vanaf het
                    moment dat het verplicht is om een inburgeringstraject te volgen; &amp;#x2022;
                    Tienermoeders/studenten die een opleiding/studie volgen; &amp;#x2022;
                    Huishoudens waar sprake is van een sociaal-medische indicatie. Naast de
                    weigeringsgrond in het artikel 22 kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing.
                    Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidie&amp;#xAC;verlening kan worden geweigerd
                    indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surs&amp;#xE9;ance van betaling is
                            verleend of ten aanzien van hem deschuldsaneringsregeling natuurlijke
                            personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de
                            rechtbank is ingediend.</al></li></lijst><al>&lt;vet&gt;Artikel 9 Ingangsdatum van de tegemoetkoming&lt;/vet&gt;Dit artikel
                    bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er zijn twee
                    ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                            moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst
                    genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb.
                    Dit betekent dat een aanvraag:- schriftelijk moet worden ingediend;- moet zijn
                    ondertekend;- de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;- een
                    aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.De ingangsdatum van
                    de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de aanspraak op een
                    tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming vindt pas plaats
                    vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is genomen.
                    De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de
                    aanvraag in ontvangst is genomen.De ingangsdatum van verstrekking van de
                    tegemoetkoming is ook van toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het
                    aantal uren kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het
                    moment dat de aanvraag daarvoor door het college in ontvangst is
                    genomen.&lt;vet&gt; Artikel 10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verleend&lt;/vet&gt;De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel
                    kalenderjaar verleend. Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden
                    toegekend, geldt dat de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het
                    betreffende jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar v&amp;#xF3;&amp;#xF3;r 1
                    januari opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten
                    indienen.Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen.
                    Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht
                    heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een
                    re&amp;#xEF;ntegratietraject voor een bepaalde periode volgt. Door de periode
                    van verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het
                    re&amp;#xEF;ntegratietraject (of een andere vorm van arbeid), hoeft de ouder
                    geen actie te ondernemen om de verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten
                    of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te
                    vorderen.&lt;vet&gt;Artikel 11 Omvang van de kinderopvang&lt;/vet&gt;De Wet
                    kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming
                    van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die
                    aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een
                    gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming.De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder z&amp;#xE9;lf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in
                    verband met de combinatie van arbeid en zorg.Voor bepaalde gemeentelijke
                    doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang nihil. Voor deze
                    groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente
                    gecompenseerd (het zogeheten 'Koakopje', zie artikel 24, eerste lid, onderdeel
                    a, en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij deze ouders zet de hoogte
                    van de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat in
                    tegenstelling tot ouders die w&amp;#xE9;l een (inkomensafhankelijke) eigen
                    bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte van die
                    bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar kinderopvang.Om de kosten voor
                    de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de verordening opgenomen
                    die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt. Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om bij de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen,
                    per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft
                    om de arbeid die hij verricht te kunnen combineren met zorgtaken.Bij het bepalen
                    van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om arbeid en zorg
                    te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met omstandigheden als
                    een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een beperking die de
                    huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde ontwikkeling van het
                    kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie
                    op grond van artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft voor deze beoordeling geen
                    advies te worden aangevraagd.Het is aan te bevelen dat het college in
                    beleidsregels neerlegt hoe het wil omgaan met zijn bevoegdheid. Op deze wijze
                    wordt deze beoordeling zoveel mogelijk geobjectiveerd.&lt;vet&gt;Artikel 12
                    Inhoud van de beschikking&lt;/vet&gt;Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking
                    wordt aangeven hoe het bedrag van de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de
                    beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming
                    worden vermeld (onderdeel f).Artikel 13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt
                    in de vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de
                    beschikking de verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de
                    volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="a."><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor
                            de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te
                            verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                            periode;</al></li><li nr="b."><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met
                            derde lid, Wet kinderopvang ;</al></li></lijst><al>&lt;vet&gt;Artikel 13 De bevoorschotting van de tegemoetkoming&lt;/vet&gt;De
                    subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten. Dit
                    betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager recht
                    heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het gehele
                    tegemoetkomingjaar betreft).De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de
                    ouder. De ouder kan, al dan niet op verzoek van het kindercentrum of het
                    gastouderbureau, de gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat
                    kindercentrum of gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch
                    gezien niets aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het
                    bedrag gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau, er
                    blijft sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de
                    ouder.Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze vanbevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo'n
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.&lt;vet&gt;Artikel 14 Het
                    besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming&lt;/vet&gt;Op grond van artikel
                    4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus ook een tegemoetkoming)
                    ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in dat het college op eigen
                    initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen.De ouders zijn
                    wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                    tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke
                    kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een tegemoetkoming
                    voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de kosten uiterlijk
                    vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend. Het overzicht van
                    de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of
                    gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van maandoverzichten. Het
                    college heeft vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming vast te
                    stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de
                    rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren
                    en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                    gastouder&amp;#xAC;bureau op te vragen.In het besluit tot het vaststellen van de
                    tegemoetkoming wordt bepaald wat precies het bedrag is waar de ouder die de
                    tegemoetkoming heeft aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze die is
                    opgenomen in de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming geldt als het
                    uitgangspunt voor het vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat
                    in de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het
                    maximum aantal uren. In de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming
                    kan wel worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger
                    aantal.Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                    tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen.Lager vaststellen kan ook
                    betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van
                    artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de
                    subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: 'Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking
                    genomen'.&lt;vet&gt;Artikel 15 Verrekening met de voorschotten&lt;/vet&gt;Dit
                    artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel van
                    de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft uitgekeerd
                    dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde bedrag
                    terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet kinderopvang (zie
                    ook de toelichting bij artikel 16).&lt;vet&gt;Artikel 16
                    Inlichtingenplicht&lt;/vet&gt;Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde
                    bewoordingen ook in artikel 28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang.
                    Volledigheidshalve wordt deze verplichting hier herhaald.Het vierde lid van
                    artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van een kindercentrum of
                    gastouderbureau. Deze bepaling luidt: 'De houder verstrekt desgevraagd aan het
                    college van burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de
                    aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn'.Er kunnen twee
                    vormen van schending van de inlichtingenplicht worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="b."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                            doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader
                    ingegaan.&lt;vet&gt;Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                    tegemoetkoming&lt;/vet&gt;In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie
                    (een tegemoetkoming in de terminologie van de Wetkinderopvang) kan worden
                    ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al></li></lijst><al>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb)Zolang de
                    tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking tot
                    verlening van detegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van de
                    tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                            geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                            tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                            ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij deintrekking of wijziging anders is
                    bepaald.&lt;vet&gt;Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56
                    Awb)&lt;/vet&gt;Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een
                    maatregel tot dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken
                    of gewijzigd. Het college kan al eerder besluiten de betaling van de
                    tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de
                    verplichting tot betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag
                    waarop het college aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige
                    vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met
                    de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt
                    of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken
                    zijn verstreken.Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of
                    wijzigen van de beschikking tot subsidievaststelling(artikel 4:49 Abw)Ook als de
                    tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen bevoegd de
                    beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken of ten
                    nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd,indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop
                    zij is bekendgemaakt.&lt;vet&gt;Terugvordering (artikel 38 Wet
                    kinderopvang)&lt;/vet&gt;Indien de beschikking tot het verlenen of het
                    vaststellen van de tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is
                    gewijzigd, kan de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen.
                    In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand
                    (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing
                    verklaard op het terugvorderen van eentegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld
                    dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                    tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                    terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                    (artikel 60, eerste lid WWB).&lt;vet&gt;De bestuurlijke boete&lt;/vet&gt;Naast
                    het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college in bepaalde
                    gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete is geregeld
                    in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een
                    bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling
                    van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder (artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang).Het betreffende bedrag komt toe aan
                    de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang).Het college kan een
                    bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn inlichtingenplicht niet
                    nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                            inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                            hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel
                            28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                            college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                            kinderopvang);</al></li><li nr="c."><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                            college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                            vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid, Wet
                            kinderopvang).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal &amp;#x20AC; 2269 (artikel
                    72, eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de
                    hoogte van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren.
                    Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete
                    wordt afgestemd op deernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de
                    ouder verweten kan worden en de omstandighedenwaarin die persoon verkeert. Van
                    het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke
                    vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.In de Wet kinderopvang is geregeld in welke
                    gevallen het college g&amp;#xE9;&amp;#xE9;n bestuurlijke boete mag opleggen. Dit
                    is het geval in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="b."><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke
                            boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete
                            zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte doen bij
                            het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="c."><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                            plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                    artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang.&lt;vet&gt;Artikel 17
                    Inwerkingtreding&lt;/vet&gt;Door vertraging in het wetgevingstraject is de
                    oorspronkelijke planning van het implementatietraject door gemeenten met name in
                    2004 onder steeds groeiende tijdsdruk komen te staan. Ten tijde van publicatie
                    van deze modelverordening was nog niet zeker per wanneer artikel 25 van de Wet
                    kinderopvang in werking zou treden. Dit artikel is van belang omdat het de
                    juridische grondslag vormt waarop deze verordening is gebaseerd.In de
                    oorspronkelijke planning van het wetgevings- en implementatietraject was er
                    vanuit gegaan dat gemeenten in de eerste helft van 2004, dus
                    v&amp;#xF3;&amp;#xF3;r het zomerreces van de gemeenteraad, hun verordening
                    zouden kunnen vaststellen. De juridische basis voor deze verordening kon dan
                    artikel 25 van de Wet kinderopvang zijn. Tevens zouden gemeenten voldoende tijd
                    hebben voor eventuele inspraaktrajecten (afhankelijk van de lokaal geldende
                    inspraakverordening) voorafgaand aan vaststelling, en de termijn van 6 weken na
                    vaststelling van de verordening die de Tijdelijke referendumwet vereist voor
                    inwerkingtreding. Nu het niet zeker is of de Eerste Kamer nog
                    v&amp;#xF3;&amp;#xF3;r het zomerreces de wet zal behandelen en aannemen is er
                    aanleiding om maatregelen te nemenom tijdige invoering van de Wet kinderopvang
                    mogelijk te maken. Daarbij dient een belangenafweging gemaakt te worden tussen
                    enerzijds een zorgvuldige besluitvormingsprocedure, die burgers voldoende tijd
                    en gelegenheid geeft om te reageren op de voorgenomen regelgeving, en anderzijds
                    het belang van de burgers en ook de gemeente om na inwerkingtreding van de
                    verordening voldoende tijd en gelegenheid te hebben om aan de verplichtingen die
                    de verordening hen oplegt te voldoen en gebruik te maken van de aanspraken die
                    de verordening de burger biedt. Naar de mening van de VNG zou deze
                    belangenafweging ertoe moeten leiden dat gemeenten de volgende drie maatregelen
                    neemt om tijdige inwerkingtreding van de verordening te bewerkstelligen:</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de lokaal geldende inspraakverordening die mogelijkheid biedt
                            afzien van het bieden van gelegenheid tot inspraak. Het is ook mogelijk
                            dat in een gemeente conform de modelinspraakverordening van de VNG
                            (artikel 2, lid 3 onder e en f) geen inspraak vereist is.</al></li><li nr="2."><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet (Trw) de
                            inwerkingtreding van de verordening niet laten voorafgaan door de door
                            die wet vereiste termijn van 6 weken. Dit omdat het inwerkingtreden van
                            de verordening geen uitstel kan leiden.</al></li><li nr="3."><al>In de aanhef van de verordening naast artikel 25 van de Wet kinderopvang
                            ook artikel 149 van de Gemeentewet als grondslag voor de verordening
                            opnemen. Op deze wijze wordt voorkomen dat de verordening niet in
                            werking kan treden omdat artikel 25 Wk nog niet in werking is getreden
                            op het moment dat de gemeenteraad de verordening vaststelt. Burgers
                            kunnen dan toch tijdig aanvragen indienen, waardoor gemeenten in staat
                            zijn om tijdig besluiten te nemen op deze aanvragen. Het risico voor
                            gemeenten bij deze handelwijze is beperkt, omdat de materiele normen
                            voor de aanspraken op een tegemoetkoming in de wet kinderopvang zijn
                            vastgelegd. Mocht de wet door de Eerste Kamer worden verworpen of de
                            artikelen 22, 23 of 24 niet tijdig in werking treden dan kan de gemeente
                            dergelijke aanvragen afwijzen omdat er geen recht bestaat op een
                            tegemoetkoming. In het eerste geval zal wellicht ook intrekking van de
                            gehele verordening aan de orde zijn.</al></li></lijst><al>Indien artikel 25 van de wet kinderopvang reeds in werking is getreden op het
                    moment dat de gemeenteraad een besluit neemt over de verordening kan in principe
                    artikel 149 van de gemeentewet uit de aanhef worden weggelaten. Dit laatste is
                    weer niet het geval wanneer de gemeente eigen doelgroepen in de verordening
                    heeftgedefinieerd (zie het algemene deel van deze
                    toelichting).&lt;vet&gt;Artikel 18&lt;/vet&gt;Deze bepaling spreekt voor
                    zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>