<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85531_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Parkeerverordening 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zakengids 25-9-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Parkeerverordening 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wegenverkeerswet 1994, artikel 2a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-09-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-07-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Regelgevingregister 2009, nr. 5.10; Gemeenteraad 16-09-2009, nr. 9</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit tot aanwijzen van gebieden en weggedeelten voor parkeren door vergunninghouders</al><al>Besluit tot stellen van nadere regels voor het aanvragen en verlenen van een parkeervergunning</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij raadsbesluit van 20 mei 2009 heeft de gemeenteraad besloten tot het vaststellen van de Parkeerverordening 2009. Deze regeling vervangt de Parkeerverordening 1993-I en is in werking getreden op 1 juli 2009. Deze versie bevat de tekst van de verordening, inclusief de wijzigingen i.v.m. het raadsbesluit van 16 september 2009.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-43846</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Parkeerverordening 2009 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. 6, afdeling SB</al><al>De raad van de gemeente Tiel</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        [datum en eventueel nummer];</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de
                        Wegenverkeerswet 1994;</al><al>gezien het advies van de commissie ruimte d.d.21 april 2009;</al><al>B E S L U I T:</al><al>Besluit onder intrekking van de bestaande verordening:</al><al>vast te stellen de volgende </al><al><vet>Parkeerverordening 2009 </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>I.</nr><titel>Definities en begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>RVV 1990: het Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens1990;</al></li><li nr="b."><al>motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV
                                    1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1
                                    onder ia van het RVV 1990;</al></li><li nr="c."><al>parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
                                    staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die
                                    nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
                                    uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen
                                    van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar
                                    verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen
                                    of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is
                                    verboden;</al></li><li nr="d."><al>centrum: het gaat hier om het totale gebied dat binnen de
                                    grachten van de gemeente Tiel ligt wordt begrensd door de
                                    stadsgracht, de Rechtbankstraat, de Nieuwe Tielseweg, de
                                    Waalstraat en de Havendijk, zoals aangegeven op bijgevoegde
                                    kaart (bijlage 1); </al></li><li nr="e."><al>houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven
                                    kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het
                                    krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van
                                    opgegeven kentekens;</al></li><li nr="f."><al>parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip
                                    van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke
                                    opvatting overige ns onder parkeerapparatuur wordt
                                    verstaan;</al></li><li nr="g."><al>parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor
                                    parkeerbelasting wordt geheven door middel van
                                    parkeerapparatuur;</al></li><li nr="h."><al>parkeerkaart: een door het college verleend bewijs van de
                                    vergunning;</al></li><li nr="i."><al>belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die</al><lijst><li nr="a."><al>is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit
                                            bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor
                                            zover deze plaats niet is uitgezonderd;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens
                                    welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe
                                    aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;</al></li><li nr="k."><al>vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan
                                    wie een vergunning is verleend;</al></li><li nr="l."><al>eerstelijnszorg: huisartsen, verloskundigen,
                                    thuiszorgorganisaties, tandartsen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II.</nr><titel>Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en
                            vergunningbewijzen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen
                            die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college
                            kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel
                            3, derde lid.</al><al>Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen
                            vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is
                            toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een
                                    vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen
                                    of parkeerapparatuurplaatsen als bedoeld in artikel 2.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen
                                    van een vergunning.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning kan worden verleend aan:</al><lijst><li nr="A."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont
                                            in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door
                                            vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen
                                            aanwezig zijn (categorie I bewonersvergunning);</al></li><li nr="B."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die
                                            gevestigd is in het centrum en een beroep of bedrijf
                                            uitoefent in het centrum waar mede door
                                            vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen
                                            aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van
                                            diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in
                                            dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie II
                                            bedrijfsvergunning); </al></li><li nr="C."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een
                                            beroep of bedrijf uitoefent in het centrum welke niet
                                            valt onder categorie genoemd onder b (categorie III
                                            Konijnenwalw).; </al></li><li nr="D."><al>Vervallen</al></li><li nr="E."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een
                                            beroep of bedrijf uitoefent medewerkers in de
                                            eerstelijns zorg (categorie V);</al></li><li nr="F."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een
                                            tijdelijke vergunning voor één dag of voor één of
                                            meerdere weken aanvraagt (categorie VI tijdelijke
                                            vergunning);.</al></li><li nr="G."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een
                                            beroep of bedrijf uitoefent in of nabij het centrum
                                            (categorie VII Burg. Hasselmanplein)</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook
                                    verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die
                                    niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde
                                    vereisten.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum
                                    aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en
                                    per categorie vaststellen.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
                                    verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een
                                    goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.</al></li></lijst><al>Aan een vergunning voor categorie III kan het college voorschriften en
                            be perkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van
                            het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                            hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet
                            milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief
                            autogebruikw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor
                            een vergunning.</al><al>Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste
                            vier wekenverlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de
                            aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Een vergunning wordt voor onbepaalde tijd of voor ten hoogste 12 maanden
                            verleend.</al><al>De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de periode waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="b."><al>het gebied waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het
                                    motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.</al></li></lijst><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3 lid 3, onderdeel c. (categorie
                            III) kan meerdere kentekens bevatten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen
                                    beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de
                                    vergunning is verleend;w</al></li><li nr="c."><al>wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de
                                    omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de
                                    vergunning;</al></li><li nr="d."><al>wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen
                                    komt te vervallen;</al></li><li nr="e."><al>wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn
                                    betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;</al></li><li nr="f."><al>wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
                                    vergunning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="g."><al>wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="h."><al>om redenen van openbaar belang.</al></li></lijst><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3 lid 3 onderdeel e wordt door het
                            college ingetrokken wanneer geconstateerd wordt dat de vergunning
                            gebruikt wordt zonder dat sprake is van het verlenen van zorg. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III.</nr><titel>Verbodsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een
                                belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan
                                aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder vergunning (parkeerkaart);</al></li><li nr="b."><al>zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien
                                        van de voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning
                                        (parkeerkaart);</al></li><li nr="c."><al>in strijd met de aan de vergunning verbonden
                                        voorschriften.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere
                            middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op
                            de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te
                                plaatsen of te laten staan:</al><lijst><li nr="a."><al>op een parkeerapparatuurplaats;</al></li><li nr="b."><al>op een belanghebbendenplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op
                                zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te
                                laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt
                                belemmerd of verhinderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                lid van dit artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>IV.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
                            eerste categorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>V.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de door het college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2009 of een door
                                    het college bij openbaar besluit bekend te maken datum.</al></li><li nr="2."><al>Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    Parkeerverordening1993-I.w w</al></li><li nr="3."><al>Vergunningen die zijn verleend krachtens de Parkeerverordening
                                    1993-I worden geacht te zijn verleend krachtens deze
                                    verordening.</al></li><li nr="4."><al>Besluiten tot aanwijzen van gebieden en weggedeelten voor
                                    parkeren door vergunninghouders van het college die genomen zijn
                                    krachtens de Parkeerverordening 1993-I gelden als besluiten
                                    krachtens deze verordening.</al></li><li nr="5."><al>De inschrijvingen op de wachtlijst krachtens de
                                    Parkeerverordening 1993-I blijven gehandhaafd.</al></li><li nr="6."><al>Het bepaalde in artikel 3 lid 3 onder "g" treedt op een nader
                                    door het college bekend te maken tijdstip in werking.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van …. [datum]20 mei 2009,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>06 - parkeerverordening - 20 mei 2009</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Kaart parkeerverordening</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Tiel/i3833.pdf">Kaart parkeerverordening</extref></al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Parkeerbeleid is vanouds een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeer-
                    en vervoerbeleid. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van
                    de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Via
                    parkeerbeleid kunnen gemeenten de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte
                    reguleren en overlast voorkomen. Een goed instrument dat gemeenten kunnen
                    gebruiken voor de parkeerregulering is het invoeren van betaald parkeren en
                    parkeren door vergunninghouders (ook wel belanghebbendenparkeren) en autodatew.
                    Veel grote en middelgrote gemeenten passen dit instrument reeds vele jaren toe. </al><al>In het verleden heeft de VNG drie varianten voor een model-Parkeerverordeningen
                    en drie varianten voor een model-Verordeningen Parkeerbelastingen
                    opgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>model voor fiscale afhandeling;</al></li><li nr="2."><al>model voor strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’</al></li><li nr="3."><al>model voor een gecombineerde fiscale en strafrechtelijke afhandeling via
                            de ‘Wet Mulder’.</al></li></lijst><al>Bij het model voor de <vet>fiscale afhandeling</vet> wordt de handhaving door de
                    gemeenten zelf gedaan door middel van het opleggen van een fiscale
                    naheffingsaanslag, wanneer iemand niet, niet geheel of niet tijdig aan zijn
                    betalingsverplichting via de aangewezen parkeerapparatuur heeft voldaan.</al><al>Bij de <vet>strafrechtelijke afhandeling </vet>via de ‘Wet Mulder’ wordt de
                    handhaving door de politie, bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) en het
                    openbaar ministerie gedaan. Bij de gecombineerde variant wordt de handhaving via
                    beide wegen uitgevoerd.</al><al>Voor zover de VNG weet wij weten hebben (nagenoeg) alle gemeenten die betaald
                    parkeren hebben ingevoerd gekozen voor de fiscale afhandeling (variant 1). Op
                    zich niet vreemd, omdat gemeenten op deze manier de handhaving van het betaald
                    parkeren zelf in de hand hebben. De kosten die gemeenten hiervoor moeten maken
                    kunnen voor een groot deel worden gedekt door de opbrengsten van de
                    naheffingsaanslag (anno 2008 max. € 4950 per naheffingsaanslag). De andere
                    varianten worden niet (of nauwelijks) toegepast. Dit is voor de VNG aanleiding
                    geweest om nog slechts één model-Parkeerverordening en één model-Verordening
                    Parkeerbelastingen op te stellen. Deze beide model-verordeningen sluiten
                    naadloos op elkaar aan. </al><al>In de model-Parkeerverordening wordt vooral aandacht besteed aan het verlenen
                    van parkeervergunningen en is een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het
                    zonder vergunning parkeren op een belanghebbendenplaats en het plaatsen van
                    andere voorwerpen op parkeerplaatsen die bestemd zijn voor betaald parkeren of
                    belanghebbendenparkeren. </al><al>De model-Verordening Parkeerbelastingen gaat vooral over (het ontstaan van) de
                    belastingplicht, de maatstaf en de wijze van de heffing, de betaling en de
                    naheffingsaanslag. </al><al/><tussenkop>Fiscalisering en belanghebbendenparkeren</tussenkop><al>Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en
                    verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij
                    deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester
                    en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd.
                    Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt
                    het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de
                    naheffingsaanslag doorgerekenddoorberekend. </al><al>Bij belanghebbendenparkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het
                    verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden
                    geparkeerd. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan
                    waar belanghebbendenparkeren wordt ingevoerd. Wanneer iemand zijn auto zonder
                    vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit
                    bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het
                    zonder vergunning parkeren is strafbaar gesteld in de model-Parkeerverordeningw
                    (art. 9) en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet
                    Mulder’ in aanmerking.</al><al>Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden
                    toch te fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook
                    parkeerapparatuur neer te zetten, nadat dit gebied door het college
                        <vet>ook</vet>w als betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan
                    sprake van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én
                    belanghebbendenparkeren. Wanneer iemand in zo’n gebied parkeert zonder
                    vergunning én zonder betaling van de parkeerbelasting, kan alsnog een
                    naheffingsaanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat op de parkeerplaatsen,
                    die voor belanghebbendenparkeren bestemd waren, ook andere parkeerders geduld
                    moeten worden. Om te voorkomen dat het belanghebbendengebied geheel door de
                    losse parkeerders wordt bezet, kan een hoog (dag)tarief worden gehanteerd
                    waardoor het parkeren door anderen dan vergunninghouders wordt ontmoedigd.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Aanhef</tussenkop><al>In de aanhef van de Parkeerverordening dienen de artikelen 149 Gemeentewet en 2a
                    Wegenverkeerswet 1994 opgenomen te worden. Op grond van het eerste artikel mogen
                    autonome verordeningen worden opgesteld en op grond van het tweede artikel
                    behouden gemeenten hun autonome regelgevende bevoegdheid ten aanzien van het
                    onderwerp waarin de Wegenverkeerswet voorz iet, voorzover die regels niet in
                    strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover
                    verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen. </al><al/><tussenkop>Afdeling I Definities en
                    begripsomschrijvingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>b. motorvoertuigen</tussenkop><al>Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden
                    geheven voor het parkeren met voertuigen. In de model-Parkeerverordening is
                    ervoor gekozen om de werking van deze verordening te beperken tot
                    motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 onder z van het RVV 1990 met
                    inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan:
                    ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met
                    trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails
                    te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia)
                    gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een
                    carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van
                    motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels
                    voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders
                    en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het
                    verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het
                    parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en
                    de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op
                    brommobielen.</al><tussenkop>c. parkeren</tussenkop><al>In de Parkeerverordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip
                    parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit
                    artikel 1 onder ac. van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat
                    het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is
                    op artikel 225 van de Gemeentewet.</al><tussenkop>d. houder</tussenkop><al>In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit
                    is gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken
                    moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren
                    zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich
                    verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen
                    goeddeels overeen. </al><al><cursief>j. autodate</cursief>wDe omschrijving van het begrip autodate is bewust
                    ruim gelaten, om ruimte te bieden aan verschillende vormen van autodate.
                    Anderzijds dient autodate te worden onderscheiden van andere, met name reguliere
                    vormen van autoverhuur, hetgeen uiteraard niet betekent dat reguliere
                    autoverhuurbedrijven geen autodate kunnen aanbieden. Deze 'reguliere' vormen van
                    autoverhuur vallen niet onder autodate, omdat het daarbij niet gaat om herhaald
                    gezamenlijk gebruik op grond van een overeenkomst. Bij autodate worden
                    overeenkomsten gesloten tussen meerdere deelnemers en een aanbieder op grond
                    waarvan deelnemers meerdere malen een auto kunnen gebruiken. Bij reguliere
                    autohuur wordt in beginsel per huurperiode een overeenkomst gesloten.</al><al/><tussenkop>Afdeling II Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen
                    en vergunningbewijzen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een
                    vergunning op belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of
                    krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden,
                    plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van
                    de Verordening Parkeerbelastingen. Uit praktische overwegingen is de
                    aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd.</al><al>De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor
                    gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is. </al><al>Voor het aanwijzen van een autodateplaats wis de aanwezigheid van parkeerdruk
                    niet perse noodzakelijk. Het motief van het aanwijzen van zo’n autodateplaats is
                    veel meer gelegen in het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte
                    overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de
                    Wet milieubeheer (zie artikel 2, tweede lid WVW 1994).Autodate levert een
                    bijdrage aan een selectiever autogebruik en daarmee aan het verbeteren van de
                    luchtkwaliteit en het verminderen van de geluidsoverlast door het verkeer. Het
                    reserveren van een autodateplaats in een gebied zonder parkeerdruk is nodig om
                    autodate als werkbaar alternatief voor de eigen auto te kunnen aanbieden.
                    Voorkomen moet worden dat de gebruiker van een date-auto eerst de gehele buurt
                    moet gaan afzoeken naar de plek waar de date-auto door de vorige gebruiker is
                    geparkeerd. Het welslagen van autodatesystemen is in grote mate afhankelijk van
                    de mate waarin de aanbieder een dienst kan aanbieden die hetzelfde
                    gebruikersgemak kent als 'de (eigen) auto voor de deur'.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor
                    belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels
                    stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de
                    parkeervergunning. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van
                    indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning. In het kader
                    van het voorkomen van onnodige administratieve lasten voor burgers en bedrijven
                    adviseert de VNG ren wij u geen gegevens te vragen die reeds binnen uwonze
                    organisatie bekend zijn of die u wij eenvoudig en vaak goedkoper zelf kuntnen
                    opvragen. De VNG Wij denkent hierbij dan aan het opvragen van bedrijfs gegevens
                    bij de Kamers van Koophandel voor het afgeven van een parkeervergunning aan een
                    bedrijf.</al><al>Ook kan het college regels stellen voor personen of bedrijven die nog niet in
                    het vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen. Zij zouden alvast op een eventuele wachtlijst voor
                    een parkeervergunning kunnen worden gezet. Wel zullen zij voldoende hard moeten
                    kunnen maken dat zij ook daadwerkelijk in het betreffende gebied gaan wonen of
                    zich daar gaan vestigen met een bedrijf. Denk hierbij een koopcontract of
                    huurcontract.</al><al>Voorbeeldformulieren voor het aanvragen van een parkeervergunning kunt u vinden
                    op de web-site van EGEM:  . wIn het derde lid worden
                    verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in aanmerking kunnen komen
                    voor een parkeervergunning. In de model-verordening zijn drie categorieën
                    opgenomen: bewoners, bedrijven en autodate. De gemeente Tiel heeft ervoor
                    gekozen U kunt het aantal categorieën eventueel uit te breiden. met
                    bijvoorbeeld: bezoekers, huisartsen, incidentele vergunningen ed.</al><al>Parkeervergunningen voor autodate worden veelal verleend aan bedrijven die zich
                    bezighouden met het aanbieden van date-auto’s. Deze vergunningen zijn geldig de
                    voor specifiek aangewezen autodateplaatsen. Daarnaast kunnen dit soort
                    vergunningen ook worden verleend aan natuurlijke personen of aan een maatschap
                    ten behoeve van particuliere autodate. De Vereniging voor Gedeeld Autogebruik
                    heeft een standaard-maatschapovereenkomst voor particuliere autodate: zie Een
                    parkeervergunning voor autodate kan ook worden verleend voor een subcategorie.
                    Als bijvoorbeeld in één straat meerdere aanbieders van autodate standplaatsen
                    hebben, kunnen vergunningen worden verleend voor categorie III (autodate) in
                    zone A (wijk X), subcategorie 2 (plaatsen voor aanbieder Z). Hiermee kan worden
                    voorkomen dat een auto van bedrijfsmatige aanbieder Y wordt geparkeerd op
                    plaatsen gereserveerd voor een auto van aanbieder Z.</al><al>Door in de parkeerverordening te verwijzen naar categorieën en deze middels een
                    onderbord ook bij de parkeerplaats zelf te vermelden, is het de betrokken
                    vergunninghouders ook bekend waar zij kunnen parkeren. Voor een uitgebreider
                    behandeling van de parkeerbebording verwijzen wij naar de CROW-uitgave
                    'Richtlijn parkeerbebording' (publicatie 134, 1999).In het vierde lid is een
                    soort hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere gevallen kan het college ook
                    een (tijdelijke) parkeervergunning verlenen aan de eigenaar of houder van een
                    motorvoertuig die niet voldoet aan één van de vereisten die in het derde lid
                    zijn opgenomen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de eerder genoemde
                    personen of bedrijven die nog niet in het vergunningenhoudersgebied wonen of
                    gevestigd zijn, maar die dat wel binnen afzienbare tijd gaan doen.</al><al>Om te voorkomen dat er voor een bepaald gebied teveel parkeervergunningen worden
                    uitgegeven, is het verstandig om direct bij de invoering van een
                    belanghebbendengebied het maximum aantal uit te geven vergunningen wte bepalen.
                    Hierbij kan ook onderscheid worden gemaakt naar de verschillende categorieën
                    parkeervergunningen, waarbij het in de praktijk vooral zal gaan om het aantal
                    bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Hoewel een parkeervergunning geen
                    absoluut recht geeft op een parkeerplaats in een aangewezen
                    belanghebbendengebied, moet de vergunninghouder er wel op kunnen vertrouwen dat
                    hij zijn auto doorgaans kwijt kan in dat gebied. Wanneer het maximum aantal uit
                    te geven parkeervergunningen is bereikt, kan het college de parkeervergunning
                    weigeren en de betreffende persoon of het betreffende bedrijf op een wachtlijst
                    plaatsen.</al><al>Op grond van het zesde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden
                    met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de
                    tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden
                    verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders overal
                    elders in de gemeente gratis kunnen parkeren.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een
                    beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om voor de
                    aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf
                    opgenomen. In de verordening is een beslistermijn van vier weken opgenomen, die
                    eenmaal met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Normaal gesproken moet
                    een parkeervergunning binnen vier weken kunnen worden verstrekt. Mocht dit in
                    een enkel geval onverhoopt niet lukken, dan kan deze termijn worden verlengd met
                    vier weken.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De termijnen waarvoor de parkeervergunningen worden verleend, verschillen sterk
                    van gemeente tot gemeente. Het varieert van vergunningen voor onbepaalde tijd
                    tot vergunningen voor een periode van 1 jaar. De tekst is moet oop dit punt
                    worden aangepast aan de in de gemeente gangbare praktijk.</al><al>Het is mogelijk om een parkeer vergunning voor onbepaalde tijd ofwel tot
                    wederopzegging te verlenen. Het voordeel hiervan is dat er minder
                    administratieve lasten bij de burger en het bedrijfsleven komen te liggen, omdat
                    zij niet steeds opnieuw een nieuwe vergunning behoeven aan te vragen. Ook de
                    administratieve lasten van het gemeentelijke apparaat komen hierdoor lager te
                    liggen dan bij tussentijdse verlenging. Een mogelijk nadeel is dat eenmaal
                    uitgegeven vergunningen alleen ingetrokken of gewijzigd kunnen worden op grond
                    van de in de verordening genoemde criteria. De intrekkings- en wijzigingsgronden
                    in artikel 6 zijn echter zodanig ruim geformuleerd, dat inspelen op gewijzigde
                    omstandigheden ook dan mogelijk is.Wanneer gekozen wordt voor een
                    parkeervergunning voor onbepaalde tijd is het verstandig om wél jaarlijks – na
                    betaling van de parkeerbelasting – een nieuw vergunningbewijs te verstrekken.
                    Dit vergunningbewijs moet achter de voorruit worden bevestigd, zodat de
                    parkeercontroleurs eenvoudig kunnen zien dat er nog steeds sprake is van een
                    geldige parkeervergunning.Om de controle op de naleving van het
                    belanghebbendenparkeren efficiënt te laten verlopen, moet zo min mogelijk
                    informatie op de vergunning worden vermeld. Een overmaat aan informatie
                    bemoeilijkt de waarneming voor de controleurs (veel lezen, kleine letters
                    etcetera). Wanneer er toch behoefte bestaat aan meer informatie, zou deze op de
                    achterzijde van de vergunning vermeld kunnen worden. Ook is het denkbaar de
                    vergunning vouwbaar uit te voeren of een bijlage te verstrekken. Om fraude te
                    bemoeilijken (het maken van bij voorbeeld een fotokopie) is het denkbaar de
                    vergunning in meer kleuren uit te voeren. In dat geval moet gelet worden op de
                    kleurechtheid van de inkt en/of het papier.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een
                    parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven
                    dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of
                    een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een
                    van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief
                    bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Zoals in de algemene toelichting aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag
                    worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied
                    ‘sec’. De fiscale aanpak va n het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet
                    op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij
                    parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling
                    worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet
                    Mulder’ in aanmerking komt.</al><al>Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én
                    belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer
                    iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de
                    parkeerapparatuur.</al><al>Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige)
                    vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het
                    fiscale regime gehanteerd worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet
                    gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot
                    fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.</al><al>Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het
                    fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald,
                    is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die
                    verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een
                    naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder
                    een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een
                    bijvulverbod is derhalve onder een fiscaal regime niet mogelijk.</al><al/><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen,
                    op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke
                    voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en
                    doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen
                    die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook,
                    ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden
                    opgenomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun
                    verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                    tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak
                    kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.</al><al>Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de
                    zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van
                    maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken
                    van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij
                    parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de
                    Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.</al><al/><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo
                    volgt uit artikel 5:11 Awb. Deze personen kunnen (deels) categoraal en (deels)
                    individueel worden aangewezen. Voor een uitgebreide toelichting op deze
                    bepalingen verwijzen wij naar de toelichting op in de model Algemene
                    Plaatselijke Verordening (APV) van de VNG.</al><al/><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Gezien de nauwe samenhang die er bestaat tussen de Parkeerverordening en de
                    Verordening Parkeerbelastingen, dienen deze gelijktijdig in werking te treden.
                    Bovendien moeten op dat ogenblik de oude verordeningen worden ingetrokken.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>