Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Buren

Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBuren
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingAfstemmingsverordening Wet werk en bijstand
CiteertitelAfstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Buren
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Met de inwerkingtreding van deze verordening worden de volgende nota's ingetrokken:

de Nota rechtmatige uitvoering, vastgesteld op 18 december 2001

de Nota maatregelen en boeten, vastgesteld op 18 december 2001

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-10-200409-07-2013Nieuwe regeling

29-06-2004

Huis-aan-huis blad 'De Stad Buren', editie 28 juli 2004

2004/45

Tekst van de regeling

Intitulé

Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

De raad van de gemeente Buren; 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 juni 2004;gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, artikel 8a en artikel 18 van de Wet werk en bijstand;  

Besluit:vast te stellen: de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

  • 1

    Wet: de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375).

  • 2

    Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet.

  • 3

    Bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet.

  • 4

    Bijstand: algemene en bijzondere bijstand.

  • 5

    Bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet.

  • 6

    Langdurigheidstoeslag: de toeslag bedoeld in artikel 5, onderdeel e, van de wet.

  • 7

    Verlaging: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet.

  • 8

    Voorziening: voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet: een instrument binnen een traject dat ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid weg te nemen.

  • 9

    Traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door het college aan hem opgelegd, geheel van activiteiten gericht op het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid.

  • 10

    Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

  • 11

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren.

Artikel 2 Het verlagen van de uitkering

  • 1

    Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening de bijstand verlaagd of de betaling van de bijstand opgeschort.

  • 2

    De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3 Berekeningsgrondslag

  • 1

    De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid kan de verlaging op basis van de bijstandsnorm worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, indien de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand

In het besluit tot de verlaging wordt in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de bijstandsnorm en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging.

Artikel 5 Afzien van verlaging van de bijstand

  • 1

    Het college ziet af van verlaging indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van 5 jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

  • 2

    Het college kan afzien van verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3

    Indien het college afziet van verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 6 De wijze van oplegging van de verlaging

  • 1

    De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand nadat het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen.

  • 2

    Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de uitkering inmiddels is beëindigd, dan wordt de verlaging alsnog gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte uitkering.

  • 3

    Indien de verlaging niet kan worden opgelegd met toepassing van lid 1 of lid 2 dan vindt bij een gedraging behorend tot categorie 3, zoals omschreven in artikel 8, onder b, realisatie plaats door verlaging van de bijstand indien de belanghebbende binnen een periode van zes maanden opnieuw bijstand gaat ontvangen.

Artikel 7 Samenloop van gedragingen

Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor de hoogste verlaging geldt.

Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 8 Categorieën

  • 1

    Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1

    Eerste categorie:

    • a.

      het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.

  • 2

    Tweede categorie:

    • a.

      het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

    • b.

      het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject.

  • 3

    Derde categorie:

    • a.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • b.

      het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • c.

      het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject.

Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging

Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde lid, wordt de verlaging vastgesteld op:

  • a.

    10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  • c.

    100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de derde categorie.

Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht

Artikel 10 Te laat verstrekken van inlichtingen

  • 1

    Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet nakomt door informatie, die van belang is voor de verlening van bijstand, niet tijdig te verstrekken, kan, met toepassing van artikel 54 van de wet, ingaande de eerste dag van het verzuim het recht op bijstand worden opgeschort.

  • 2

    Indien een belanghebbende de in het eerste lid genoemde verplichting herhaaldelijk niet tijdig nakomt, kan, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast worden van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen

  • 1

    Indien het herhaaldelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of langdurigheidstoeslag, kan, onverminderd artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast worden van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

  • 2

    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of langdurigheidstoeslag, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 3

    Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging bedoeld in het tweede lid op de volgende wijze vastgesteld:

    • a.

      10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 500,=;

    • b.

      25% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 500,= maar minder bedraagt dan € 2000,=;

    • c.

      50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 2000,= maar minder bedraagt dan € 4000,=;

    • d.

      100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 4000,=.

Artikel 12 Onverwijld

Bij toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet dient als onverwijld te worden verstaan: bij het eerste rechtmatigheidonderzoeksformulier of, indien dit niet van toepassing is, vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel de omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet zich heeft voorgedaan.

Artikel 13 Overige bepalingen schending inlichtingenplicht

  • 1

    Indien de verlaging als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, als gevolg van beëindiging van de uitkering niet kan worden toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 6, eerste en tweede lid, wordt de bijstand welke belanghebbende heeft ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, door middel van herziening verminderd met het bedrag van de verlaging. Het bedrag dat voortvloeit uit de herziening wordt van belanghebbende teruggevorderd.

  • 2

    Wanneer het bruto bedrag dat ten onrechte door belanghebbende is ontvangen, ten gevolge van het schenden van de inlichtingenplicht, tezamen met het bedrag van de terugvordering zoals vermeld in het eerste lid, meer bedraagt dan het totaalbedrag dat aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, terwijl de uitkering is beëindigd, kan er slechts een verlaging toegepast worden tot het bedrag dat maximaal aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, na aftrek van de teveel ontvangen bijstand.

  • 3

    Indien de situatie als genoemd in het tweede lid ertoe leidt dat er geen verlaging meer mogelijk is, omdat de verstrekte bijstand volledig moet worden teruggevorderd, wordt de terugvordering van de bijstand verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten. De bijdrage in de kosten wordt forfaitair vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag.

  • 4

    De terugvordering als bedoeld in het eerste lid kan bij gebreke van tijdige betaling verhoogd worden met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.

Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot verlaging

Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1

    Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt, met uitzondering van hetgeen in lid 3 staat vermeld, een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.

  • 2

    Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld:

    • a.

      10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 maanden of korter;

    • b.

      50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 tot 6 maanden;

    • c.

      100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een periode van 6 maanden en langer.

  • 3

    In afwijking van lid 1 en lid 2 bedraagt de verlaging bij het onverantwoord interen van vermogen:

    • a.

      0% bij een benadelingsbedrag tussen € 0,= en € 1000,=;

    • b.

      20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 1000,= maar minder bedraagt dan € 2000,=;

    • c.

      50% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 2000,=.

Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen

Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast van minimaal 50% gedurende 1 maand.

Artikel 16 Nadere verplichtingen

Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.

Hoofdstuk 5 Handhaving

Artikel 17 Oneigenlijk gebruik en misbruik van bijstand

  • 1

    Het college biedt jaarlijks een Beleidsplan Handhaven aan de gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet werk en bijstand en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover aan de gemeenteraad.

  • 2

    Het in lid 1 genoemde Beleidsplan bevat in ieder geval de informatie met betrekking tot het beleid inzake terugvordering van te veel of ten onrechte betaalde bijstand, verhaal van bijstand op derden en het aantal aangeboden fraudezaken aan het Openbaar Ministerie.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 18 Inwerkingtreding

De afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Buren treedt in werking met ingang van 1 oktober 2004.

Artikel 19 Citeerartikel

Deze verordening kan worden aangehaald als: de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Buren.

Artikel 20 Intrekking Nota

Met de inwerkingtreding van deze verordening worden de volgende nota's ingetrokken:

  • 1.

    de Nota rechtmatige uitvoering, vastgesteld op 18 december 2001;

  • 2.

    de Nota maatregelen en boeten, vastgesteld op 18 december 2001.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 29 juni 2004De griffier, De voorzitter,G.van Droffelaar drs.K.C.Tammes

Toelichting 1 artikelsgewijs

<vet>Inleiding</vet>Rechten en plichten zijn twee kanten van &#xE9;&#xE9;n medaille. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer afhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.Onder de Wwb dient de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie aan belanghebbende mede te delen wat de opgelegde verplichtingen zijn en wat de directe gevolgen zijn voor de uitkering indien belanghebbende &#xE9;&#xE9;n of meer van deze verplichtingen niet nakomt. De in de vorige zin genoemde gevolgen, veelal een verlaging van de bijstand, worden door de gemeente zelf bepaald. Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb schrijft voor dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand en de langdurigheidstoeslag. In de Afstemmingsverordening Wwb zijn deze regels vastgelegd.Ten opzichte van het "oude" boete- en maatregelenbeleid zien we in de Afstemmingsverordening Wwb een aantal duidelijke veranderingen:Het niet voldoen aan de opgelegde arbeidsverplichtingen wordt stevig aangepakt. Dit is in de lijn van de wet: de belanghebbende dient alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien (werk voor bijstand). Dit in combinatie met de ervaring dat lichte sancties nauwelijks het gewenste effect bewerkstelligen, namelijk een verandering van houding en gedrag, heeft ertoe geleid dat vooral gedragingen welke een schending van de arbeidsplicht inhouden streng worden aangepakt.Ten aanzien van het schenden van de inlichtingenplicht waarbij de gemeente geen nadeel heeft ondervonden, is uit doelmatigheidsoverwegingen gekozen voor een versoepeling. Zoals uit de artikelen 10 en 11 blijkt wordt er pas een verlaging toegepast indien de belanghebbende herhaaldelijk de fout is ingegaan. Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat het vaak geringe "overtredingen" betreft, zoals het niet tijdig inleveren van de maandelijkse rechtmatigheidonderzoeksformulieren, waarbij de gemeente geen nadeel ondervindt en het direct verlagen van de uitkering weinig doelmatig is. Op het moment dat iemand frequent de fout ingaat, is het toepassen van een verlaging wel doelmatig, omdat dan een verandering van houding en/of gedrag bewerkstelligd dient te worden.In het navolgende wordt een artikelsgewijze toelichting gegeven bij de artikelen uit de Afstemmingsverordening Wwb.<vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving </vet>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wwb.In de verordening wordt het begrip 'belanghebbende' gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als 'degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken'. <vet>Artikel 2. Het verlagen van de uitkering</vet>De Wwb verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende verplichtingen:

  • a.

    Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).

  • b.

    De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen:&#xD8; de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en&#xD8; de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De re&#xEF;ntegratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.

  • c.

    De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

  • d.

    De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:&#xD8; het toestaan van huisbezoek;&#xD8; het meewerken aan een psychologisch onderzoek.Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'.

De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand (artikel 29, eerste lid Wet SUWI).2. In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm.In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden toegepast, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.Matiging van de verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:&#xD8; bijzondere financi&#xEB;le omstandigheden van de belanghebbende;sociale omstandigheden;&#xD8; bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel van verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.<vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet>

  • 1.

    In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.

  • 2.

    De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm die, indien noodzakelijk, wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op de lage jongerennorm ad &#x20AC; 199,83 (peildatum 01-01-2004) wordt toegepast, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.

  • 3.

    Deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een verlaging toepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag.De hoogte van het bedrag waarmee de bijzondere bijstand of de landurigheidstoeslag wordt verminderd, bedraagt het bedrag van de verlaging welke belanghebbende opgelegd zou krijgen wanneer hij een algemene bijstandsuitkering zou ontvangen. De verlaging van de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag bedraagt daarbij overigens nooit meer dan het bedrag dat belanghebbende aan bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag zou ontvangen.

<vet>Artikel 4. Het besluit tot verlaging van de bijstand</vet>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet voldoen aan een of meerdere op grond van de Wwb opgelegde verplichtingen, vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer de verlaging op een lopende uitkering wordt toegepast, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45 Wwb genomen. Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een besluit tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid Wwb). Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien. <vet>Artikel 5. Afzien van verlaging van de bijstand</vet>

  • a.

    Het afzien van een verlaging 'indien elke vorm van verwijtbaarheid' ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, Wwb. Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit ('lik op stuk') is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen verlagingen toepast bij gedragingen die langer dan &#xE9;&#xE9;n jaar geleden hebben plaatsgevonden.Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar.

  • b.

    Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie.

  • c.

    Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.

<vet>Artikel 6 De wijze van oplegging van de verlaging</vet>De in dit artikel genoemde wijzen van opleggen van de verlaging zijn genoemd in volgorde van voorkeuren van effectuering. Dit heeft tot gevolg dat indien de mogelijkheid van verlagen in de toekomst (inhouden op de uitkering) niet mogelijkheid blijkt te zijn gekozen kan worden voor herziening van de uitkering in het verleden over de periode waarin de verwijtbare gedraging is gepleegd.Met het nemen van een herzieningsbesluit bestaat grond voor terugvordering van de aldus teveel verstrekte bijstand.De eenvoudigste manier van effectuering is het verlagen van de uitkering voor de eerstkomende periode. Dit is opgenomen in lid 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand. Uitgegaan wordt dan van de voor die maand geldende bijstand. De gemeente hoeft dan niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het aldus teveel verstrekte bedrag terug te vorderen.Het voordeel van deze wijze van effectuering ten opzichte van herziening is dat er geen sprake is van een terugvordering.Het tweede lid regelt dat indien het verlagen van de uitkering voor de eerstkomende periode niet meer mogelijk is omdat de uitkering inmiddels be&#xEB;indigd is, het besluit tot verstrekking van de bijstand (naast de noodzakelijke herziening indien sprake is van teveel ontvangen bijstand ) wordt herzien onder toepassing van artikel 54, lid 3, van de wet, en wordt teruggevorderd. De gedraging wordt dan toegerekend naar de periode waarop deze betrekking heeft.Indien sprake is van schending van de informatieplicht en er is al sprake van herziening, bijvoorbeeld omdat de verzwegen inkomsten van dien aard zijn dat geen uitkering verstrekt had mogen worden, dan kan geen verlaging meer daarboven plaatsvinden.Indien verlaging naar de toekomst of naar het verleden niet tot de mogelijkheden behoort dan wordt de verlaging bij verwijtbare gedragingen van categorie 3, alsnog uitgevoerd indien belanghebbende binnen de in dit artikellid genoemde periode van 6 maanden opnieuw bijstandsrechten heeft. Dit is geregeld in lid 3In de Memorie van Toelichting op het algemene deel van de WWB wordt deze mogelijkheid expliciet opengehouden bij afwezigheden van de andere effectueringsmogelijkheden maar dan alleen bij de zogenaamde inlichtingenfraude. Deze gedragingen zijn in deze verordening ondergebracht in categorie 3. Het impliceert dat andere vormen van verwijtbare gedragingen zoals gerubriceerd in de categorie&#xEB;n 1,2 en 4 en de "buiten-categorie&#xEB;n" van gedragingen wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en agressief gedragingen niet via verlagingen van nieuwe rechten ge&#xEB;ffectueerd kunnen worden. Voor zover verlagingen van lopende uitkeringen of herzieningen van eerder recht niet tot de mogelijkheden behoren, zijn die verlagingen dan niet te effectueren.<vet>Artikel 7. Samenloop van gedragingen </vet>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Indien sprake is van meerdere gedragingen met als gevolg daarvan meerdere schendingen van de verplichtingen, dient voor het toepassen van de verlaging te worden uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging van toepassing is.<vet>Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</vet><vet>Artikel 8. Categorie&#xEB;n</vet>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in drie categorie&#xEB;n onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het gedachtegoed achter de Wwb: een klant dient zelf alles in het werk te stellen om aan het werk te komen dan wel te blijven.De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de Wwb, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele bijstandsgerechtigde.De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven.De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren.De tweede categorie, onderdeel b. Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om:&#xD8; mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde voorzieningen zoals vastgelegd in de Re&#xEF;ntegratieverordening Wet werk en bijstand;&#xD8; deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie.De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de duur van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject zal immers leiden tot vertraging van dat traject. De gedragingen bedoeld in deze subcategorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief) geen doorgang vindt of moet worden be&#xEB;indigd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het re&#xEF;ntegratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet co&#xF6;peratief opstelt ten aanzien van een diagnostisch onderzoek. De derde categorie, onderdeel a, betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur.De derde categorie, onderdeel b, betreft het door eigen toedoen (verwijtbaar) voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden. Hieronder wordt ook verstaan het niet correct uitoefenen van het beroep als zelfstandige.Bij de derde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van een traject. In de praktijk zal be&#xEB;indiging van een traject veelal pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen meewerken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot be&#xEB;indiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende immers niet mogelijk.<vet>Artikel 9. De hoogte en duur van de verlaging</vet>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorie&#xEB;n van gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.<vet>Hoofdstuk 3. Inlichtingenplicht</vet><vet>Artikel 10. Te laat verstrekken van inlichtingen</vet>

  • 1.

    Indien een cli&#xEB;nt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste 8 weken opschorten (artikel 54, eerste lid, Wwb). Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en geeft daarbij belanghebbende een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (artikel 54, tweede lid, Wwb). Artikel 54 betreft een bevoegdheid voor het college. Mede daardoor en vanuit doelmatigheidsoverwegingen wordt in het midden gelaten op welk moment de belanghebbende van de opschorting in kennis wordt gesteld.Wordt de gevraagde informatie vervolgens niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de bijstand stopzetten (het intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens w&#xE9;l binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand ongewijzigd voortgezet.

  • 2.

    Uit doelmatigheidsoverwegingen is ervoor gekozen om niet al bij de eerste overtreding van de in dit artikel bedoelde verplichting over te gaan tot het verlagen van de bijstand. Blijkt iemand echter herhaaldelijk de fout in te gaan, dan is het wel gepast om de mogelijkheid te bieden om over te gaan tot het verlagen van de bijstand, om zodoende een verandering van houding en/of gedrag te bewerkstelligen. Dit lid regelt de hoogte van deze verlaging.

<vet>Artikel 11. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen </vet>

  • 1.

    In dit artikel wordt de zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Bijvoorbeeld het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. Ook hier wordt er uit doelmatigheidsoverwegingen voor gekozen om niet bij de eerste gedraging als bedoeld in dit artikel over te gaan tot het verlagen van de bijstand, maar om deze mogelijkheid pas te bieden bij het bij herhaling vertonen van dit gedrag.Bij de eerste gedraging als bedoeld in dit artikel dient door een medewerker van de gemeente de belanghebbende wel schriftelijk gewezen te worden op deze gedraging en op de mogelijke gevolgen van het nogmaals vertonen van dergelijk gedrag.

  • 2.

    De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de Wwb wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand of langdurigheidstoeslag dat als gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.

  • 3.

    In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld.

De relatie met de strafrechtelijke sanctieOnder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan &#x20AC; 6.000,= (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de Wwb de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de inlichtingenplicht) een verlaging moeten toepassen. Het doen van aangifte wegens fraude sluit het toepassen van een verlaging niet uit, ook niet bij benadelingsbedragen van boven de aangifterichtlijn (momenteel &#x20AC; 6.000,=). Beide sancties kunnen samen gaan. Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de verlaging zoals deze door de gemeente is toegepast. Dit is het principe van 'anrechnung'. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot een verlaging, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het 'una via' beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van &#xE9;&#xE9;n enkele overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen 'dubbele bestraffing'.<vet>Artikel 12. Onverwijld</vet>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.<vet>Artikel 13. Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</vet>

  • 1.

    In dit lid wordt geregeld dat op het moment dat fraude geconstateerd wordt op het moment dat de bijstand be&#xEB;indigd is, de bijstand gedurende de fraudeperiode toch kan worden verlaagd. Deze verlaging leidt tot herziening van uitkering en terugvordering.

  • 2.

    Het totaalbedrag van de terugvordering van de fraude &#xE9;n de verlaging achteraf kan niet meer bedragen dan het bedrag dat belanghebbende gedurende de fraudeperiode aan bijstand heeft ontvangen.

  • 3.

    In de memorie van toelichting op artikel 58 van de Wwb staat beschreven dat het college kan besluiten om een terugvordering te verhogen met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten, indien de bijstand als gevolg van fraude volledig wordt teruggevorderd zodat de mogelijkheid ontbreekt van een verlaging van de bijstand. Dit lid regelt dat in deze situaties de bijdrage in de kosten forfaitair wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag.

  • 4.

    Het gestelde in het vierde lid is conform artikel 58 lid 4 van de wet.

<vet>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</vet><vet>Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet>

  • 1.

    De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden.Bij de vaststelling van de hoogte van de verlaging dient beoordeeld te worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals: &#xD8; een onverantwoorde besteding van vermogen;&#xD8; geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;&#xD8; het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering.Het is niet mogelijk om een limitatieve opsomming te geven van alle gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

  • 2.

    Het tweede lid regelt de hoogte van de verlaging bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

  • 3.

    Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen om het benadelingsbedrag, zijnde het bedrag dat belanghebbende onverantwoord ingeteerd heeft waardoor hij eerder een beroep dient te doen op de bijstand, als basis te laten dienen voor de verlaging.

<vet>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen</vet>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding kan zijn voor een verlaging. Een verlaging is dus niet mogelijk als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de Wwb (bijvoorbeeld een re&#xEF;ntegratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een verlaging toe te passen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (zie artikel 8 van deze verordening). Bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:

  • a.

    verbaal geweld (schelden);

  • b.

    discriminatie;

  • c.

    intimidatie (uitoefenen van psychische druk);

  • d.

    zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);

  • e.

    mensgericht fysiek geweld;

  • f.

    combinatie van agressievormen.

Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering of voorschot). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college past een verlaging toe, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte, via de werkgever, aangifte kan doen bij de politie. <vet>Artikel 16. Nadere verplichtingen</vet>In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om naast de in Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel be&#xEB;indiging van de bijstand. De verplichting om zich onder medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het artikel. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur. <vet>Hoofdstuk 5. Handhaving</vet><vet>Artikel 17. De verordening op grond van artikel 8a Wwb</vet>Door een amendement van de heer Weekers, Tweede Kamerlid voor de VVD, is artikel 8a in de WWBopgenomen. Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad in het kader van het financi&#xEB;le beheer bijverordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede vanmisbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.In de toelichting van het amendement staat dat op grond van artikel 212 Gemeentewet degemeenteraad een verordening moet vaststellen voor de uitgangspunten voor het financi&#xEB;le beleiden voor het financi&#xEB;le beheer. Daarmee dient te worden gewaarborgd dat aan de eisen vanrechtmatigheid wordt voldaan. In dat kader kan ook aandacht besteed worden aan de bestrijding vanmisbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen.Een goed financieel beheer bij de uitvoering van de Wwb brengt met zich dat daarbij ook voortdurend aandacht bestaat voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik.Artikel 8a houdt in dat de gemeenteraad in een verordening regels stelt over misbruik en oneigenlijkgebruik. De gemeenteraad kan aansluiten bij de verordening maatregelen en hoeft in dat geval g&#xE9;&#xE9;naparte fraudeverordening op te stellen. In de Afstemmingsverordening is daarom dit artikel opgenomen.Het in dit artikel bedoelde Beleidsplan handhaven heeft betrekking op de wijze waarop oneigenlijk gebruik en misbruik van bijstand wordt bestreden en de middelen die hiervoor worden ingezet. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college de belanghebbenden informeert over de rechten en plichten, welke verbonden zijn aan de verlening van bijstand. In het plan wordt eveneens aangegeven op welke wijze de controle bij de aanvraag en de handelwijze bij inconsistenties in de aanvraag is vorm gegeven, alsmede het mogelijk gebruik van risicoprofielen bij de beoordeling van de aanvraag.Inzake de in te zetten middelen waarop oneigenlijk gebruik en misbruik van bijstand wordt bestreden valt te denken aan de koppeling van de bestanden met de Belastingdienst en het Inlichtingenbureau.Daarnaast vindt mogelijk de inzet van risicoprofielen plaats. De klanten die passen binnen een risicoprofiel kunnen op basis hiervan geselecteerd worden ten behoeve van een bestandskoppeling.In de Wet werk en bijstand is bepaald dat het college van de gemeente de kosten van bijstand kanterugvorderen als de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Feitelijk wijzigt erniets ten opzichte van de Algemene bijstandswet, met dien verstande dat de wettelijke verplichting inde Abw nu een bevoegdheid is geworden.Het huidige terugvorderingbeleid blijft gehandhaafd en wordt geregeld in een aparte beleidsnotitie.Hetzelfde geldt voor verhaal van de kosten op bijstand. Dit was in de Abw opgenomen als eenverplichting en is in de Wwb een bevoegdheid geworden. De kosten van bijstand worden verhaald opdegene die zijn onderhoudsplicht niet is nagekomen. Deze bevoegdheid geldt overigens tot het vankracht worden van de nieuwe alimentatiewetgeving. De toepassing van overig verhaal (schenkingen,nalatenschappen en ouders van 18 t/m 20-jarigen aan wie in aanvulling op de norm bijstand wordtverleend) blijft in voorkomende gevallen een bevoegdheid.In de Nota rechtmatige toekenning bijstand enz. was al aangegeven op welke wijze en met welke instrumenten het oneigenlijke gebruik en misbruik van bijstand in deze gemeente wordt bestreden. De ontwikkelingen op het terrein van fraudebestrijding en de toename van de technologische mogelijkheden en innovatie vragen de constante aandacht.In die zin biedt het Beleidsplan Handhaven bij uitstek de mogelijkheid om de gemeenteraad ten volle te informeren.<vet>Hoofdstuk 6. Slotbepalingen</vet><vet>Artikel 18. Inwerkingtreding</vet>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.<vet>Artikel 19. Citeerartikel</vet>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.<vet>Artikel 20. Intrekking nota.</vet>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.