<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85512_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Leerlingenvervoer, verordening Oud-Beijerland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oud-Beijerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oud-Beijerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel, 02-07-09</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Oud-Beijerland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-06-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-07-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>092009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Leerlingenvervoer, verordening Oud-Beijerland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oud-Beijerland,</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 19
                        mei 2009,</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                        expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs</al><al>besluit vast te stellen de volgende: Verordening leerlingenvervoer gemeente
                        Oud-Beijerland.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>school: </al></li><li nr="b."><al>ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling; </al></li><li nr="c."><al>leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a; </al></li><li nr="d."><al>gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder c, die door
                                    een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet,
                                    of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;
                                </al></li><li nr="e."><al>woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                                    verblijft; </al></li><li nr="f."><al>afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;
                                </al></li><li nr="g."><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer
                                    tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                                    schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap
                                    van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;
                                </al></li><li nr="h."><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                                    volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus,
                                    veerdienst of auto; </al></li><li nr="i."><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, treintaxi of bustaxi; </al></li><li nr="j."><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                                    fiets; </al></li><li nr="k."><al>reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van
                                    de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids,
                                    minus maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt
                                    tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids, een
                                    eventuele wachttijd, en de aankomst bij de woning; </al></li><li nr="l."><al>toegankelijke school: - voor wat betreft basisscholen en
                                    speciale scholen voor basisonderwijs: de basisschool van de
                                    verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                                    de openbare school of de speciale school voor basisonderwijs
                                    waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige
                                    of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; -
                                    voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en
                                    scholen voor voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop
                                    de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of
                                    levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de
                                    soort waarop de leerling is aangewezen;</al></li><li nr="m."><al>inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                                    (Stb. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van
                                    de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt
                                    gevraagd.</al></li><li nr="n."><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer; </al></li><li nr="o."><al>commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld
                                    door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1
                                    van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of
                                    de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld
                                    in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde
                                    instellingen, die hetzelfde expertisecentrum instandhouden.;
                                </al></li><li nr="p."><al>vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van
                                    de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de
                                    leerling en zo nodig diens begeleider, of bekostiging van de
                                    goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling
                                    en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast
                                    vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. </al></li><li nr="q."><al>permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs; </al></li><li nr="r."><al>samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in
                                    artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs; </al></li><li nr="s."><al>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 10 g van de Wet op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="t."><al>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                                    artikel 10h , derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="u."><al>ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van
                                    een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op
                                    de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een
                                    basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor
                                    voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd
                                    gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het
                                    speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs; </al></li><li nr="v."><al>commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 28 c van de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                                vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij
                                van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de leerling door een lichamelijke blessure niet in staat is
                                om op de voor hem gebruikelijke wijze de school te bezoeken, kan
                                eveneens aanspraak gemaakt worden op een vervoersvoorziening volgens
                                deze verordening, mits die blessure langer duurt dan drie
                                aaneengesloten maanden. Bij een aanvraag om een vervoersvoorziening
                                als bedoeld in de vorige volzin, dient een medische verklaring
                                bijgevoegd te worden waaruit blijkt dat de blessure het voor de
                                leerling onmogelijk maakt om gedurende een termijn langer dan drie
                                aaneengesloten maanden op de voor hem gebruikelijke wijze de school
                                te bezoeken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                                bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor
                                de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan
                                wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen,
                                van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
                                woning zijn gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging, met dien verstande dat de
                            tijdsduur, indien dit mogelijk is, voor meerdere jaren of de hele
                            schoolperiode wordt vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college advies in winnen bij onafhankelijke externe
                                deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor
                                        1 juni is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                        aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien
                                        verstande dat de datum waarop bekostiging wordt verstrekt
                                        niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door
                                        het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan
                                de ouders.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de
                            bekostiging betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van de (niet-gehandicapte) leerlingen
                            van scholen voor primair onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                                school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                            verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning
                            dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale
                                    school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de
                                    basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a.
                                    bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die
                                    school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen
                                    dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs,
                                    bedoeld onder a.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts
                                gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te
                                betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de
                                toelating van de leerling op een speciale school voor
                                basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem
                                toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                                begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en
                                door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt
                                aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, en</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                                    of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                    vervoer kan worden teruggebracht, of:</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken
                                    van het vervoer per fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college
                                aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van de leerlingen van scholen voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                                cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling
                            die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4
                            bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de
                            commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van
                            toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van
                            het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling
                            op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts
                            gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de
                            commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te
                            betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het
                                college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                                lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd,
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15, en</al><lijst><li nr="a."><al>de gehandicapte leerling, naar het oordeel van het college
                                        niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar
                                        vervoer gebruik te maken, of:</al></li><li nr="b."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:
                                    </al></li><li nr="c."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten
                                van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het geval de
                                afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                                toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15,
                                indien het college van oordeel is dat de leerling gehandicapt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals
                                bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>4</nr><titel>Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer
                                aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze Titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van
                                het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer,
                                gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling
                                bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
                                uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18,
                                eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>5</nr><titel>Eigen bijdrage en bekostiging naar financiële draagkracht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen
                                tezamen meer bedraagt dan euro 22.050,-, wordt slechts bekostiging
                                verstrekt voorzover de kosten van het vervoer van die leerling de
                                kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde
                                afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders
                                van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale
                                school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een
                                eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer
                                over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de
                                ouders meer bedraagt dan euro 22.050,-.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de
                                zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30 , eerste
                                lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs
                                zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer
                                of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bedrag van euro 22.050,-, genoemd in het eerste en tweede lid,
                                wordt met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de
                                wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen
                                werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 450,-. Het aangepaste
                                bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde
                                bedrag van euro 22.050,-.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt,
                                wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de
                                financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van
                                de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor
                                basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de
                                financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het
                                bedrag van de kosten van het vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en
                                zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen
                                van de ouders in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
                                Zij bedragen: </al><al>-invoegen tabel-</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van
                                1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 500,-.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden
                                met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op
                                het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1
                                januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een
                                veelvoud van euro 5,-.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>6</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van gehandicapte leerlingen van
                            scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college
                                bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt en die gehandicapt is. Ten aanzien van een
                                leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het
                                college artikel 9 in acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indien</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling, naar het oordeel van het college gehandicapt
                                        is. Ten aanzien van een leerling van een speciale school
                                        voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.
                                        Of:</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:
                                    </al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer
                                        met begeleiding, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging
                                        op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                        het bepaalde in het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Afwijkingen van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente
                            commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale
                            verwijzingscommissie of andere deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Weigeren toegang aangepast vervoer bij ordeverstoring</titel></kop><al>Het college kan een leerling, aan wie een vervoersvoorziening in de vorm
                            van aangepast vervoer is verstrekt, tijdelijk of voor de rest van het
                            schooljaar de toegang tot dit vervoer ontzeggen indien bij herhaling is
                            gebleken dat de leerling door agressief gedrag of anderszins de orde in
                            de bus verstoort of de veiligheid van inzittenden en bus in gevaar
                            brengt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening leerlingenvervoer gemeente Oud-Beijerland 2003 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor een leerling als bedoeld in Titel 6 voor wie in het schooljaar
                                2001/2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd
                                verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een
                                bruikleenauto of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend
                                met een leefvervoervoorziening, blijft, indien de ouders dat wensen,
                                zo nodig in afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een
                                gelijkwaardige voorziening van en naar de school die de leerling in
                                schooljaar 2001-2002 bezocht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
                                praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een
                                vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet
                                onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een
                                opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en
                                naar de school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001-2002
                                bezocht indien de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km
                                bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bepalingen in Titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in
                                het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand
                                aan het schooljaar 2002-2003 en daarop betrekking hebbende
                                geschillen, blijven de regelingen zoals luidend voorafgaand aan de
                                inwerkingtreding van deze verordening van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de datum van
                            uitgifte van De Schakel waarin zij is geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Oud-Beijerland.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raad van 29 juni 2009.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>E.G. Bunt K. Tigelaar </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Artikelsgewijze toelichting verordening leerlingenvervoer gemeente
                        Oud-Beijerland</titel></kop><al><vet>Artikel 1: Begripsomschrijving </vet>In artikel 1 van de verordening is een
                    aantal begrippen nader gedefinieerd, die regelmatig gebruikt worden in de
                    verordening.</al><al><vet>Ad a School </vet></al><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet>De Wet op het primair onderwijs
                    (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is getreden, voorziet in de
                    samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met leer- en
                    opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun
                    ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een wet. De scholen voor lom, mlk en
                    iobk heten onder de WPO ‘speciale scholen voor
                    basisonderwijs’.</al><al><vet>School voor voortgezet onderwijs </vet>Onder een school voor voortgezet
                    onderwijs als bedoeld in de WVO, vallen het voorbereidend wetenschappelijk
                    onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo)en het
                    voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en
                    leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken.</al><al><vet>Speciaal onderwijs (WEC) </vet>De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al
                    het overig speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor
                    doven, slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel
                    gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis,
                    langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare
                    kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten.</al><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al/><al>- Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig
                    gehandicapte kinderen met deze handicap; - Cluster 2: onderwijs aan dove
                    kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden
                    dan wel meervoudige gehandicapte kinderen met een van deze handicaps; - Cluster
                    3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke handicap,
                    lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps; - Cluster 4:
                    onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap,
                    zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan
                    pedologische instituten.</al><al><vet>Particuliere scholen </vet>Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar
                    rijksbekostigde als particuliere scholen bestaan, mits de particuliere school
                    een onderwijsrichting vertegenwoordigt en mits de particuliere school een
                    ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is. Momenteel zijn het
                    individuele leerplichtambtenaren die beslissen of een particuliere school
                    voldoende lijkt op bekostigde scholen. Op rijksniveau bestaat het voornemen dit
                    centraal te gaan bepalen. In 2007 is daarom een wetswijziging van de
                    Leerplichtwet in behandeling gegeven bij de Eerste en Tweede Kamer. De
                    wetswijziging beoogt onder andere aanscherping van de criteria waaraan
                    particuliere scholen moeten voldoen. De Raad van State heeft echter negatief
                    geoordeeld over dit wetsvoorstel en de minister en de staatssecretaris zijn om
                    opheldering gevraagd. Het is niet duidelijk of (en wanneer) het wetsvoorstel
                    doorgang zal vinden.</al><al><vet>Andere onderwijsvormen</vet> Het vervoer naar het middelbaar
                    beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het universitair onderwijs valt
                    onder geen enkele omstandigheid onder het leerlingenvervoer. Gehandicapte
                    leerlingen die een dergelijke opleiding volgen, kunnen zich tot het UWV wenden
                    voor een eventuele vergoeding.</al><al><vet>Hoogbegaafde leerling </vet>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het
                    reguliere onderwijsaanbod niet adequaat is en de leerling dientengevolge een
                    school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens
                    de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de
                    kosten van het leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een
                    school voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC
                    (uitspraak van 9 november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een
                    uitspraak van 23 april 1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).</al><al><vet>Besluit trekkende bevolking </vet>Het Besluit trekkende bevolking van de
                    WBO (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften voor scholen voor kinderen van wie de
                    ouders een trekkend bestaan leiden (zoals scholen voor kinderen van
                    kermisexploitanten, schippers of circusmedewerkers). De voorzieningen ten
                    behoeve van deze groepen zijn opgenomen in de WPO en de betreffende scholen
                    worden aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste overweging hiervoor is, dat de
                    desbetreffende kinderen in principe aangewezen zijn op het reguliere
                    basisonderwijs. Van overwegende orthopedagogische of didactische benadering is
                    geen sprake.</al><al>Dit betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen maken
                    op bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het vervoer
                    van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                    basisonderwijs (Titel 2 van de verordening).</al><al>Een belangrijke uitzondering vormen:</al><al/><al>- leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten
                    of van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende bevolking); - leerlingen die
                    ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen (Titel C Besluit trekkende
                    bevolking).</al><al>Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen niet voor
                    bekostiging van vervoer in aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van
                    deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de
                    materiele instandhouding van die scholen.</al><al><vet>Medische behandeling en zorg </vet>Gemeenten worden steeds vaker
                    geconfronteerd met aanvragen van ouders voor bekostiging van vervoer naar
                    instellingen waar kinderen dagbehandelingen (zorg) krijgen, al dan niet in
                    combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier in principe niet toe verplicht.
                    Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van een school op de
                    schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het dus om een
                    onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving; zorginstellingen,
                    medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet toe gerekend. Volgt
                    een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan het zijn dat ouders een
                    (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente kunnen krijgen. Ook dan moet het
                    gaan om onderwijs in de zin van onderwijswetgeving, dus moet de instelling die
                    het onderwijs verzorgt een “school” zijn. Hierbij geldt dat
                    gemeenten vervoeren in aansluiting op het begin en einde van de schooldag
                    volgens de schoolgids (artikel 1, onderdeel f, van de verordening). Krijgen
                    kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn toch de
                    schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.</al><al/><al><vet>Ad b Ouders </vet>In de omschrijving van het begrip ‘ouders’
                    is het onderscheid dat in de WPO en de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht
                    niet overgenomen. De WPO verstaat onder ouders: ouders en voogden van kinderen.
                    De WEC verstaat ook de verzorgers daaronder. Op dit moment ligt er een
                    wetswijziging van de WPO bij de Raad van State dat dit onderscheid opheft: door
                    deze wijziging zullen ook verzorgers onder het begrip ‘ouders’ in
                    de zin van de WPO vallen.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het
                    begrip ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening.</al><al>Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de zin
                    van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager een
                    rechtspersoon is (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze formeel niet
                    onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van
                    instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het
                    dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In
                    voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden
                    opgenomen.</al><al/><al><vet>Ad c Leerling </vet>In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat
                    kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen
                    (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen worden
                    echter pas als zij de leeftijd van vier jaar hebben bereikt leerling in de zin
                    van de WPO (artikel 39, eerste lid, WPO). De ouders kunnen dan ook pas vanaf het
                    moment dat hun kind vier jaar is geworden eventueel aanspraak maken op
                    bekostiging van de vervoerkosten naar de basisschool of speciale school voor
                    basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is
                    geregeld in artikel 39 van de WEC.</al><al>Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een
                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige
                    leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen
                    aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak
                    maken op bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op een
                    school voor voortgezet onderwijs, en dus ‘leerling’ is van
                    zo’n school, er aanspraak kan bestaan op bekostiging op grond van titel 6
                    van de verordening.</al><al><vet>Illegale leerlingen </vet>Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons
                    land verblijvende leerlingen, is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook
                    ter wereld moeten worden toegerust om aan het maatschappelijke leven deel te
                    nemen, Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke
                    verplichtingen aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale
                    kinderen die voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht
                    hebben om dit af te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in
                    principe ook recht hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven
                    leerplichtige leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een
                    schoolleider kan dus niet als een opsporingsambtenaar worden ingezet.</al><al><vet>Asielzoekerskinderen</vet> Voor kinderen die in een Asielzoekerscentrum
                    (AZC) verblijven en naar school toe gaan, bestaat de Richtlijn schoolvervoer
                    asielzoekers. Deze richtlijn houdt in dat het AZC het vervoer betaalt van het
                    AZC naar de school. Dit betaalt het AZC uit de middelen die het via het Centraal
                    Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) ontvangt. Leerlingen die niet in een
                    asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de gemeentelijke regeling
                    leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in aanmerking komen voor het
                    leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school van de soort en de richting.</al><al><vet>Besluit trekkende bevolking </vet>Voor de begripsomschrijving
                    ‘leerling’ geldt, evenals voor de begripsomschrijving van
                    ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die een rijdende
                    school voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers dan wel een
                    ligplaatsschool voor varende kinderen bezoeken.</al><al><vet>Ad d Gehandicapte leerling </vet>Een leerling die door een lichamelijke,
                    verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de
                    zin van de verordening.</al><al><vet>Ad e Woning </vet>Onder ‘woning’ wordt in de verordening
                    verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Met
                    andere woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt. In dezen is
                    het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan
                    ingeschreven.</al><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun
                    officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek
                    I van het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in
                    een andere gemeente verblijft in deze andere gemeente (in het algemeen)
                    bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit
                    geldt overigens niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege
                    een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft).</al><al><vet>Tijdelijk verblijf </vet>Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de
                    leerling in een andere gemeente kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze
                    gemeente de vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit
                    vervoer laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande
                    gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan
                    brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname
                    aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken
                    later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het
                    begrip woning een structureel element.</al><al>In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat
                    een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken)
                    in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan
                    wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente
                    (A).</al><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven
                    verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school
                    blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar
                    school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard
                    (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.</al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente
                    verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in
                    de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt
                    aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen
                    verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria
                    bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke
                    gemeente.</al><al><vet>Dagcentrum: twee woningen </vet>Het uitgangspunt van de verordening
                    leerlingenvervoer is, dat slechts het vervoer van de woning naar de
                    onderwijsinstelling en vice versa wordt bekostigd. In het geval een leerling
                    vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die school, omwille
                    van een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum (bijvoorbeeld een
                    Boddaertcentrum) reist, is de gemeente derhalve niet verplicht het vervoer van
                    school naar het dagcentrum te bekostigen.</al><al>Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf
                    aangemerkt kan worden, kan een gemeente ervan uitgaan dat het kind twee woningen
                    in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het
                    dagcentrum en daarom toch besluiten tot bekostiging. Dit is een keuze van de
                    gemeente. Als de gemeente wel bekostigt, dan kan er vervoer van huis naar school
                    en van school naar het dagcentrum worden aangeboden. Het dagcentrum wordt dan
                    aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het dagcentrum naar huis valt dan
                    niet onder het leerlingenvervoer.</al><al><vet>Gescheiden ouders: twee woningen </vet>Een kind van gescheiden ouders kan
                    twee woningen hebben in de zin van de verordening. Waneer er bijvoorbeeld sprake
                    is van co-ouderschap, waarbij het kind evenveel bij de ene als de andere ouder
                    verblijft, kan gezegd worden dat er sprake is van twee hoofdverblijven. Om
                    aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders
                    afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een
                    aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Waar de
                    leerling staat ingeschreven doet niet terzake; doorslaggevend is de feitelijke
                    verblijfplaats van de leerling. De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag elk
                    aan de eigen verordening leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of
                    er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het
                    komt voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op
                    leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school is.</al><al><vet>Ad f Afstand </vet>De afstand dient consequent te worden gemeten. Het
                    verdient aanbeveling om altijd dezelfde en de meest actuele routeplanner te
                    hanteren en de ouders bij de aanvraag te informeren over de wijze waarop de
                    afstand wordt gemeten.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg
                    op zich zelf beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989,
                    R03.87.2599; zie Jur. 1.5). Het college mag niet volstaan met verwijzing naar
                    een minder veilige alternatieve route.</al><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het
                    afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                    begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de
                    afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995,
                    nr. R03.93.5575; zie jur.1.6 ).</al><al>De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in alle
                    gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer (uitspraak
                    van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie jur. 1.7).</al><al><vet>Ad g Vervoer </vet>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in
                    de verordening te worden opgenomen (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij
                    artikel 1, onderdeel l). Voorts is ter verduidelijking opgenomen dat het vervoer
                    alleen plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
                    aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van
                    bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen voor
                    het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om
                    het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de structurele
                    handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een
                    deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de
                    schooltijd vervoerd te worden.</al><al><vet>Ad h Openbaar vervoer </vet>Bij de definiëring van het begrip
                    ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals
                    deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer (wet van 12 maart
                    1987, Stb. 175). In deze Wet wordt onder ‘openbaar vervoer’
                    verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus,
                    of auto volgens een dienstregeling. De Wet personenvervoer definieert
                    ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar schema van
                    reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving ‘openbaar
                    vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al><vet>Ad k Reistijd </vet>Onder ‘reistijd’ wordt in de verordening
                    verstaan, de tijdspanne die ligt tussen het verlaten van het huis en de aanvang
                    van de schooldag, dan wel de tijdspanne die ligt tussen het einde van de
                    schooldag en de aankomst bij het huis. De praktijk leert dat leerlingen,
                    ongeacht of zij gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak zo’n
                    tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het ligt
                    voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. Dit betreft enkel de
                    wachttijd aan het begin van de schooldag. De eventuele wachttijd aan het einde
                    van de schooldag wordt wel meegerekend bij de totale reistijd.</al><al><vet>Schooltijden </vet>Vanaf I augustus 2006 hebben scholen in het primair en
                    het speciaal onderwijs meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de
                    schooltijden zelf in te vullen. Voor scholen die vallen onder de WPO of de WEC
                    geldt dat de leerlingen in de eerste twee schooljaren ten minste 3520 uren
                    onderwijs en in de laatste zes schooljaren tenminste 3760 uren onderwijs
                    ontvangen. Als voorwaarde is wel gesteld dat de onderwijsactiviteiten
                    evenwichtig over de dag verdeeld moeten worden. Voor scholen vallend onder de
                    WEC geldt daarnaast nog dat het onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten
                    minste 880 uren per schooljaar omvat en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten
                    minste 1000 uren per schooljaar. Het is mogelijk om voor alle groepen naast de
                    woensdagmiddag een tweede vrije middag in te voeren, of de verplichte lesuren in
                    vier dagen per week te verzorgen. Een school kan ook kiezen voor een zesdaagse
                    lesweek.</al><al>Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de
                    schoolgids die een school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de nieuwe
                    regelgeving gebruikmaakt en dat vastlegt in de schoolgids dan moet de gemeente
                    dit honoreren.</al><al><vet>Ad l Toegankelijke school </vet>De WPO kent het orgaan de permanente
                    commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO). Deze commissie beslist op
                    aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een speciale school
                    voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een
                    leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het
                    college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit
                    besluit uitgaan. Dit besluit is overigens een besluit in de zin van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb). In het kader van de operatie Weer samen naar school is
                    afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas
                    bij een basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de
                    toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is,
                    en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden
                    bekostigd.</al><al>De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot het
                    praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO).</al><al><vet>Ad m Inkomen </vet>Om te bepalen of op grond van artikel 23 een
                    drempelbedrag kan worden geheven, is het inkomen van ouders in het peiljaar
                    nodig. Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop
                    dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld.</al><al><vet>Ad n Opstapplaats </vet>Een van de mogelijkheden om het vervoer
                    efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van
                    centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden
                    vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur
                    opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te
                    begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.</al><al><vet>Reistijd naar opstapplaats </vet>In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr.
                    R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    het kennelijk redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de
                    leerling van het vervoer gebruik kan maken. De afdeling vindt de reistijd, die
                    in dit geval niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee
                    is echter nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd niet meer redelijk
                    acht.</al><al><vet>Veiligheid en begeleiding </vet>Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen
                    van opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij let op de af
                    te leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval
                    gedacht worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig
                    minuten, waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de
                    weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg
                    ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om
                    af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke
                    gevallen verwacht worden dat zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het
                    moment dat hun kinderen in het voertuig zijn gestapt. (Zie ABRS 24 augustus
                    1992, nr. R03.90.1504/83-105).</al><al><vet>Afstand </vet>Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de
                    vervoerkosten wordt ingediend, blijft de afstand tussen de woning en de school
                    relevant; het instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit
                    betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen
                    terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld,
                    recht hebben op bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de
                    resterende drie kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu
                    geldt onverkort intact; met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het
                    bereiken van de opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13,
                    onder a, en artikel 18, eerste lid onder b, van de verordening.</al><al><vet>Ad o Commissie voor de begeleiding</vet> De commissie voor de begeleiding
                    is in de plaats gekomen voor de commissie van onderzoek. De indicerende taken
                    van de CvO zijn overgegaan naar de regionale commissies van indicatiestelling
                    (Cvi). De taken omtrent toewijzing van (ambulante) begeleiding liggen bij de
                    commissie voor de begeleiding, verbonden aan een school.</al><al><vet>Ad p Vervoersvoorziening </vet>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer
                    zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling
                    ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Er dient een keuze
                    te worden gemaakt tussen één van de drie weergegeven mogelijkheden: 1.
                    een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk
                    geachte vervoerskosten van de leerling en zonodig diens begeleider, 2. de
                    verstrekking van een abonnement of strippenkaart voor de leerling en zo nodig
                    diens begeleider, of 3. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente
                    verzorgt of doet verzorgen.</al><al><vet>Ad q Permanente commissie leerlingenzorg </vet>De WPO kent de permanente
                    commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl over de toelating van een
                    leerling tot een speciale school voor basisonderwijs dienen door het college bij
                    de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden,
                    ingeval het college een negatieve beschikking geeft op de gevraagde voorziening.
                    Zie tevens de toelichting bij onderdeel l.</al><al><vet>Ad r Samenwerkingsverband </vet>Op basis van de WPO moeten basisscholen en
                    speciale scholen voor basisonderwijs die samenwerken, een zodanige zorgstructuur
                    inrichten, dat voor elke leerling de benodigde zorg kan worden geboden. Artikel
                    18 van de WPO geeft een regeling voor de samenwerkingsverbanden.</al><al><vet>Ad s Regionale verwijzigingscommissie </vet>De regionale
                    verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO tot taak te
                    beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is.</al><al><vet>Ad t Opdc </vet>Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse
                    voorziening bedoeld om leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc kan ook
                    onderwijs gegeven worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school
                    voor voortgezet onderwijs.</al><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak maken op
                    vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer
                    naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en
                    gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in
                    aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al><vet>Ad u Ambulante begeleiding </vet>Een ambulante begeleider is verbonden aan
                    een school voor speciaal onderwijs en geeft ondersteuning aan gehandicapte
                    leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan
                    de ambulante begeleider van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs,
                    voor wie een aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de
                    vervoersbehoefte van die leerlingen.</al><al><vet>Ad v Commissie voor de indicatiestelling </vet>Elk kind dat wordt aangemeld
                    voor het speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De commissie voor de
                    indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke landelijke criteria
                    of een leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering en in welk
                    cluster de leerling wordt geplaatst.</al><al><vet>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                        vervoerskosten </vet>In de verordening worden de aanspraken van de ouders op
                    gehele of gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen
                    naar scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en
                    (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer zelf
                    laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten
                    in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken
                    Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                    vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen aan het vervoer
                    van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de verordening).</al><al>De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van
                    leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                    basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de
                    afstand tussen de woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of
                    nalatig zijn met betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen bijdrage,
                    leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien
                    gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het
                    vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken
                    kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop
                    mogelijke wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2,
                    tweede lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage
                    afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van
                    vervoer.</al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet
                    in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, vierde lid, van de
                    verordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze
                    verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de
                    gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze
                    verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al>In het vijfde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam
                    is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de
                    ouders/verzorgers.</al><al><vet>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
                    </vet>Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is
                    dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de
                    uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende
                    keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen
                    bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en
                    bijzonder onderwijs. In de verordening is dit verankerd in artikel 3.
                    Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand tussen de
                    woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als
                    dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de school die naar afstand het
                    dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                    (meest) begaanbare, veilige weg.</al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de
                    school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                    de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog
                    een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling
                    is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier
                    bedoelde soorten zijn schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en
                    artikel 5 van de WVO. Op grond van de WPO dient voor de speciale scholen voor
                    basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                    samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de
                    verordening.</al><al><vet>Scholen met wachtlijsten </vet>Het spreekt voor zich dat op een
                    toegankelijke school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling
                    moet zijn/worden toegelaten. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk
                    is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats
                    te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De
                    aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang
                    er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Indien de wachtlijst is
                    opgelost - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan
                    de bekostiging beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze
                    weer toegankelijk is geworden. Dit is ongeacht of de leerling vanaf dat moment
                    ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om
                    hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, echter in het kader van
                    het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding voor de
                    dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.</al><al>Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging
                    afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de
                    aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de
                    leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog
                    worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een
                    leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en
                    verder niet toegankelijk is.</al><al>De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende
                    dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is
                    dan aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk
                    geval dient bekostiging van vervoer te worden verstrekt, naar deze andere
                    (dichtstbijzijnde) school.</al><al><vet>Stagevervoer </vet>Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en
                    krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in
                    beginsel aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit is dan immers
                    aan te merken als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De
                    gemeente kan scholen er op attenderen dat stageplaatsing financiële
                    gevolgen kan hebben voor gemeenten. Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen in
                    de plaatsing van leerlingen door bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de
                    route van het leerlingenvervoer.</al><al><vet>Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’ </vet>Ten
                    aanzien van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd met
                    aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op dit
                    type kinderen. In 2001 heeft de rechter een uitspraak hieromtrent gedaan over
                    een zaak die speelde in Emmen. De gemeente Emmen wees een soortelijk verzoek af,
                    omdat er voldoende onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij gelegen zijn. Men
                    vond geen reden de hardheidsclausule toe te passen. Met de gemeente was de
                    rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat dichter
                    bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De rechter merkte op dat zelfs als
                    bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog niet meebrengt dat er
                    aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder weg gelegen
                    school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school voor de leerling
                    wèl geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.
                    De rechter vindt het dan wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te
                    geven welke dichterbij gelegen school geschikt is.</al><al><vet>Onderwijsrichting </vet>In de parlementaire behandeling van de Wet
                    gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de
                    richting van het onderwijs. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die
                    voor bekostiging in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor
                    de leerling voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    richting is, door middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr.
                    21) in de relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar
                    de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer
                    met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten
                    met zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die school
                    instemmen.</al><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt
                    die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van
                    de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft
                    tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de
                    woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan
                    besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer
                    aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat
                    van dat vervoer gebruik maakt.</al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning
                    van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper
                    zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders
                    vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor
                    een openbare school geldt hetzelfde.</al><al>Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel
                    jurisprudentie. Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over
                    het al dan niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het
                    zogenoemde ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is
                    dat het gaat om stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook
                    bijzonder onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te
                    merken.</al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs,
                    tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend
                    worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor
                    protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt)
                    onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen voor
                    reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB 15
                    december 1948, nr. 37; zie Jur. 5.2). Daarnaast kunnen in het christelijk
                    onderwijs, wat betreft het leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden
                    onderscheiden: gereformeerde schoolvereniging, scholen met den bijbel,
                    christelijk-nationaal, hervormd. In jurisprudentie worden ook de zogenoemde
                    evangelische scholen als een afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB
                    1998, 28).</al><al>Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken.
                    Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat ook zij
                    een eigen richting vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor Hindoeïstische
                    scholen.</al><al><vet>Interconfessioneel onderwijs </vet>Hieronder wordt verstaan onderwijs dat
                    is gebaseerd op verschillende geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen
                    zijn meestal ontstaan uit de fusie van een protestante en een katholieke school.
                    Gezien de statuten van deze scholen wordt dit type onderwijs niet als aparte
                    richting ten opzichte van andere confessionele scholen aangemerkt.</al><al><vet>‘Vrije scholen’ </vet>Deze scholen, die hun onderwijs stoelen
                    op de antroposofische wijsbegeerte en met name de filosofie van Rudolf Steiner,
                    kunnen geacht worden een bepaalde richting in het onderwijs te
                    vertegenwoordigen, aangezien het onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens-
                    en wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32; zie Jur. 5.3). De vrije school is
                    in Nederland bekend onder namen als Rudolf Steinerschool, Parcivalschool en de
                    Zonneschool.</al><al><vet>Overige scholen </vet>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt
                    gerekend een bepaalde onderwijskundige methode van een school. Hiermee worden
                    onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen en
                    Freinetscholen. Deze scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige
                    inrichting van de school en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    richting.</al><al>Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante signatuur
                    zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een
                    ‘reguliere’ katholieke basisschool en een katholieke
                    Montessorischool, etc. Relatief nieuw zijn de zogenaamde
                    ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn particuliere scholen die sinds 2000
                    opverschillende plaatsen in Nederland gestart zijn. In het algemeen worden deze
                    scholen erkend als ’scholen’ in de zin van de onderwijswetten. De
                    identiteit van de school lijkt meer geënt op de onderwijskundige
                    inrichting, dan een godsdienst of levensovertuiging. Er is geen jurisprudentie
                    bekend waaruit blijkt dat er sprake is van een afzonderlijke richting.</al><al><vet>Verklaring van bezwaar </vet>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de
                    verordening dienen ouders, indien een leerling een school voor basisonderwijs
                    bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de verordening, terwijl zich
                    dichterbij andere (openbare en bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk
                    te verklaren, dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs
                    dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen bijzondere
                    basisscholen.</al><al>Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het
                    bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de
                    onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds de
                    totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van
                    onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                    onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het
                    college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting
                    inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze
                    gedragslijn in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk
                    geval neemt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet
                    de richting van het onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders
                    heeft bepaald, in tegenstelling tot de door de ouders afgelegde verklaring
                    inzake hun bezwaar tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (ABRS,
                    10 april 1989, R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari 1992,
                    R03.89.0685/72-107; zie Jur. 5.7). Op het college rust in deze gevallen een
                    zware bewijslast. Aangetoond dient te worden dat de bezwaren van de ouders in
                    weerwil van de letter van hun verklaring kennelijk niet de richting van het
                    onderwijs betreffen. Zelfs indien ouders hun kinderen aanvankelijk naar een
                    openbare basisschool sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en
                    uiteindelijk wederom naar een openbare basisschool, geeft de Voorzitter van de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak de ouders het voordeel van de twijfel (ABRS, 24
                    maart 1988, R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders hun kind pas op
                    twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen gewenste richting sturen,
                    dient het college de verklaring van de ouders, dat zij tegen de overige
                    richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te respecteren, zeker
                    nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te jong achtten om de
                    afstand naar de gewenste school te overbruggen (ABRS, 17 februari 1989,
                    R03.89.0286/S5137-58; zie Jur. 5.6). Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde
                    gezin scholen van diverse richtingen bezoeken levert onvoldoende grond op voor
                    het oordeel dat de ouders hun keuze kennelijk niet met het oog op de richting
                    van het onderwijs hebben bepaald (ABRS, 9 december 1989, R03.87.2975/72-86; zie
                    Jur. 5.5).</al><al><vet>Speciaal onderwijs </vet>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs dat het bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij
                    gesitueerde scholen van de soort waarop de leerling is aangewezen.</al><al>In dit kader is van belang dat de Afdeling Bestuursrechtspraakheeft bevestigd
                    dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling
                    is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de
                    WEC) onderscheiden soorten (ABRS, 2 januari 1992, R03.88.4075 en
                    R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die soorten is geen nadere
                    onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen (...) scholen
                    (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond
                    - met name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij gelegen school van
                    de gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen
                    school, neemt de Afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school
                    feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te bezien of met
                    toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen school
                    dient te worden bekostigd.</al><al>Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering kunnen leerlingen die
                    geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor
                    het regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    gaan, titel 3 van de verordening, maken onverminderd aanspraak op
                    leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer moeilijk
                    opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
                    instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt dat
                    zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor
                    de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Artikel 4, vijfde lid WEC
                    bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft
                    afgegeven, wordt aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit
                    geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum
                    waar voornoemde commissie aan is verbonden.</al><al><vet>Voorbeeld 1 </vet>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op
                    zes kilometer afstand van de woning van de leerling.School B is een
                    protestants-christelijke basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de
                    woning van de leerling. Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de school die dichterbij gelegen is
                    (i.c. school B), verstrekt het college bekostiging voor het vervoer van de
                    leerling naar school A.</al><al><vet>Voorbeeld 2 </vet>Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder
                    basisonderwijs op drie kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat
                    de leerling naar een andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op
                    zes kilometer afstand van de woning. In dit geval verstrekt het college geen
                    bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand
                    (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of bekostiging
                    plaatsvindt naar de basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van de
                    door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al><vet>Voorbeeld 3 </vet>Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt)
                    school op zeven kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt
                    een nieuwe gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt
                    de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand.
                    Het is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de
                    gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren
                    reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een
                    dergelijke overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten
                    naar de school op zeven kilometer afstand van de woning.</al><al>Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen
                    school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe
                    school bezoekt. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al><vet>Voorbeeld 4 </vet>Een leerling bezoekt een openbare school op drie
                    kilometer afstand van de woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een
                    andere wijk in dezelfde gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de
                    dichtstbijzijnde school voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu
                    op een afstand van acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op
                    bekostiging naar deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de
                    leerling toch op de verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke
                    overgangsperiode voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen - indien
                    daarmee het belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor
                    het resterende schooljaar. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij
                    gelegen school is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde
                    afstandsgrens.</al><al><vet>Voorbeeld 5 </vet>Een leerling bezoekt een protestants-christelijke
                    speciale school voor basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning
                    terwijl een rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een
                    protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk
                    op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de
                    vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke
                    school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs).</al><al>De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                    leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen
                    toegankelijke school.</al><al><vet>Voorbeeld 6 </vet>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen
                    kilometer afstand van de woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare
                    basisschool gehuisvest, terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder
                    basisonderwijs aanwezig zijn. Het college verstrekt bekostiging van de
                    vervoerskosten naar de school op zes kilometer afstand van de woning, indien de
                    ouders schriftelijk hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de
                    richting van deze dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes
                    kilometer afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school.</al><al><vet>Voorbeeld 7 </vet>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling
                    is een reformatorische basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een
                    reformatorische basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op
                    deze school godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit,
                    die niet tot uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school.
                    In dit geval bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de
                    school, gelegen op een afstand van acht kilometer.</al><al>Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer
                    afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al><vet>Voorbeeld 8 </vet>Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde
                    speciale school voor basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning
                    van de leerling, omdat de onderwijskundige methode van die school geschikter
                    blijkt voor de leerling dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op
                    de vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een
                    afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt
                    een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf
                    kilometer afstand.</al><al><vet>Voorbeeld 9 </vet>Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor
                    basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
                    leerling afkomstig is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij
                    de woning van de leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor
                    basisonderwijs is. Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het
                    samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de verordening).</al><al>Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
                    toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan
                    verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.</al><al><vet>Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging </vet>Vanuit het oogpunt van
                    lastenverlichting voor de burger is het wenselijk dat het aantal aanvragen zo
                    veel mogelijk wordt beperkt. In dat kader verdient het de aanbeveling om als
                    gemeente te bezien of het passend en mogelijk is om voor de gehele schoolperiode
                    de bekostiging toe te wijzen. Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering
                    optreedt in de situatie van de leerling en deze dus aan de geldende criteria
                    blijft voldoen, is het wenselijk te kiezen voor een verstrekking voor de gehele
                    schoolperiode.</al><al>Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de bekostiging direct door
                    te geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op
                    het feit dat ten onrechte genoten bekostiging kan worden teruggevorderd, dan wel
                    kan worden verrekend (zie ook artikel 6).</al><al>Indien er in de situatie van de leerling echter verbetering of verandering valt
                    te verwachten, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn
                    van één schooljaar (of een beperkt aantal schooljaren). Hierbij kan
                    worden gedacht aan de noodzaak van het passend vervoer: deze kan per jaar sterk
                    veranderen en dient dus jaarlijks opnieuw te worden bekeken.</al><al>Nota bene: De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient
                    de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de
                    bekostiging voor een langere periode verstrekt. Dit zou kunnen vervallen als de
                    gemeente op termijn bij de belastingdienst de inkomensgegevens kan
                    opvragen.</al><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de verordening
                    bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de
                    termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel
                    aangegeven te worden.</al><al>Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het
                    tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden
                    of:</al><al/><al>- de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt; - de bekostiging in
                    de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast
                    termijnbedrag achteraf geschiedt; - de bekostiging, in het geval er sprake is
                    van aangepast vervoer, rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.</al><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van
                    betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de verordening geen
                    expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen
                    kan hieraan invulling worden gegeven. Wel kan in dit verband opgemerkt worden
                    dat bekostiging op declaratiebasis, bijvoorbeeld door het overleggen van
                    strippenkaarten of maandabonnementen, de betrouwbaarste indicator is.</al><al><vet>Artikel 5 Aanvraagprocedure </vet>Indien ouders menen voor bekostiging in
                    aanmerking te komen, dienen zij hiertoe een aanvraag in bij het college. Van
                    gemeentezijde wordt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar
                    gesteld. Het is wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig mogelijk te maken. In dit
                    kader kan worden gedacht aan een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld
                    aanvraagformulier. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van gegevens van
                    voorgaande jaren, die reeds bekend zijn bij de gemeente. De aanvrager kan dan
                    volstaan met het controleren van vermelde gegevens, het doorgeven van de
                    noodzakelijke wijzigingen en het zetten van zijn handtekening. Hierdoor blijven
                    de administratieve lasten voor de burger beperkt.</al><al>In artikel 5 van de verordening zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de
                    aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de
                            aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te
                            worden;</al></li><li nr="2."><al>indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de
                            aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend.</al></li></lijst><al/><al><vet>Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar
                    </vet>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend
                    zijn dat een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat
                    bezoeken. Ook continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de
                    aanvang van het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen
                    bepaalt artikel 5, tweede lid, van de verordening dat de ouders, die in
                    aanmerking wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni
                    voorafgaande aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten
                    indienen.</al><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                    aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
                    gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de -
                    in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van
                    onderzoek.</al><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college
                    op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe
                    schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De
                    aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn
                    van de noodzakelijke bijlagen.</al><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te
                    verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. In
                    dit kader zij erop gewezen dat gemeenten met ingang van de jaarrekening 2004
                    geconfronteerd zijn met een rechtmatigheidoordeel van de accountant. Deze
                    beoordeelt of baten, lasten en balansmutaties in de jaarrekening in
                    overeenstemming met relevante wet- en regelgeving tot stand zijn gekomen.
                    Aanvragen die na 1 juni binnenkomen kunnen door de accountant als onrechtmatig
                    worden beoordeeld.</al><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening kan het voorkomen
                    dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de gemeente.
                    Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een vakantiepiek, indien
                    het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of andere deskundigen
                    uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke
                    gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen
                    (artikel 5, zesde lid, van de verordening). Uiterlijk een dag voor het
                    verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende
                    aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de
                    verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het
                    uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat
                    er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de
                    hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie
                    van onderzoek af te wachten. Dit is dan ook geregeld in artikel 16, derde
                    lid.</al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel
                    3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de verordening zijn
                    opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen
                    beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt
                    dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in
                    ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking
                    heeft gegeven.</al><al>Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier
                    weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2
                    van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het onderhavige geval
                    is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste
                    lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk
                    verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde
                    lid).</al><al><vet>Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht weken
                    </vet>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe
                    schooljaar om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de
                    meeste gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe
                    schooljaar af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar
                    ingediend voor 1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de
                    gecorrigeerde aanvraag ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is).</al><al>Wanneer de aanvraag onjuist of onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de
                    aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald
                    dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
                    ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vijfde
                    lid, van de verordening van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college
                    binnen acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat
                    ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met
                    ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag
                    plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het
                    schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van basisonderwijs
                    naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het jaar verhuist
                    en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6
                    maart 1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van een
                    verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders
                    wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag
                    van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk binnen een
                    week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de
                    nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente
                    niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de
                    mededeling van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de
                    aanvraag bij de nieuwe woongemeente te bekostigen.</al><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                    afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt
                    dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en
                    sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een
                    positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum
                    de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het
                    college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag
                    voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging
                    in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar
                    (artikel 5, zevende lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke start van
                    het schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De
                    bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk
                        plaatsvindt.<vet>Geen bekostiging met terugwerkende kracht </vet>Indien de
                    aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de
                    ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het
                    aanvraagformulier verzochte datum van ingang, echter niet voor de datum waarop
                    de aanvraag wordt gedaan (artikel 5, zevende lid, onder b) (de datum van
                    ontvangst). Het spreekt voor zich dat de gemeente haar burgers in algemene zin
                    dient te informeren omtrent eventuele rechten op bekostiging van
                    leerlingenvervoer. <vet>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag
                    </vet>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente
                    in het algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te
                    schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort
                    tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van
                    verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een
                    medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                    belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                    bewijsstukken.</al><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te
                    overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van
                    de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste
                    beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip
                    ‘juist’ redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is:
                    gegevens die van invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld
                    te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.</al><al>Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden,
                    stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de
                    gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te
                    bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt
                    hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de
                    aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op
                    grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan
                    de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt
                    genomen.</al><al>Indien voor de beoordeling van de aanvraag aangetoond moet worden tot welke
                    wijze van vervoer de leerling in staat is, heeft het college de mogelijkheid
                    advies in te winnen bij onafhankelijke externe deskundigen.</al><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1) wordt
                    duidelijk dat gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen
                    beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat
                    zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de
                    aanvrager is. De voorzitter overweegt het volgende: ‘Wij stellen voorop
                    dat, hoewel is gebleken dat het aanvraagformulier voor de in geding zijnde
                    reiskostenbekostiging onjuist dan wel onvolledig is ingevuld, de kennelijk
                    bedoeling van verzoeker, gezien de aanvragen van de voorafgaande jaren,
                    duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct
                    gedaan.’ Bij het in behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus
                    moeten letten op de kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit
                    aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is.</al><al><vet>Verdagen </vet>Het zesde lid van artikel 5 geeft het college de
                    mogelijkheid om de beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een
                    beslissing van een bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een
                    beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent onder andere dat het
                    bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te motiveren (artikel 4:16 van de
                    Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende bekend gemaakt dient te worden
                    (artikel 3:41 van de Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen </vet></al><al><vet>Lid 1 </vet>Artikel 6, eerste lid, van de verordening regelt dat ouders
                    verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe
                    invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen
                    dergelijke wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere:</al><al/><al>- wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het
                    openbaar vervoer; - wijziging in het woonadres van de leerling, door
                    bijvoorbeeld verhuizing; - wijziging van de gezinssamenstelling; - wijziging in
                    de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet begeleiden van
                    leerlingen; - wijziging van het adres van de school; - wijziging van de
                    schooltijden van de school; - wjziging van school (bijvoorbeeld van speciaal
                    onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); - toekenning van bekostiging op
                    grond van de Wet WIA , of op grond van andere wet en regelgeving.</al><al/><al><vet>Lid 2 </vet>Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college
                    de verstrekte bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw
                    bekostiging van de vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de verordening).
                    Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging heeft gebeurt dit uiteraard
                    niet. Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in principe
                    geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende
                    jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van
                    de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het
                    volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan
                    door de ouders onverwijld op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen
                    vaststelt die van invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders
                    ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen.</al><al><vet>Lid 4 </vet>Artikel 6, vierde lid, van de verordening biedt in dergelijke
                    situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen
                    of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook
                    in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de
                    bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing
                    dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling </vet>Aangezien in de verordening het
                    leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de volumebeperkende
                    middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in aanmerking te komen voor
                    vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een peildatum van de
                    leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in aanmerking komt voor
                    openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is geen peildatum
                    gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negen jaar
                    bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven, namelijk voor de
                    periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de periode dat de leerling de
                    leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze houdt nogal
                    wat extra administratieve werkzaamheden in.</al><al>In de verordening (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die geldt
                    voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus van het
                    betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke start van
                    het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van
                    een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de verordening het
                    gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling
                    halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor
                    het gehele schooljaar te worden afgegeven.</al><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                    leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder in
                    geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO, WEC of
                    WVO school volstaat.</al><al><vet>Artikel 8 Andere vergoedingen </vet>Indien kan worden aangetoond dat een
                    aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de
                    werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag
                    de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou
                    hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter
                    niet voor vergoedingen die worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande
                    kinderen in het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is
                    opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en
                    is niet puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden
                    afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer.</al><al><vet>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                        school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband </vet>Dit artikel is
                    een aanvulling op artikel 3 van de verordening. Voor alle onderwijssoorten geldt
                    de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de WPO bepaalt voor
                    speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer naar de
                    dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te worden bekostigd.
                    Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van
                    zijn soort te zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen
                    speciale school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel
                    mogelijk opvang binnen het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij
                    de regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor
                    leerlingenvervoer rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en
                    de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel
                    9 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op
                    grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt
                    als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van de verordening bij toepassing
                    van onderdeel b ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de
                    ouders.</al><al><vet>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg </vet>In de WPO wordt aan de
                    permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen om een besluit te
                    nemen over de toelating van een leerling tot een speciale school voor
                    basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het
                    samenwerkingsverband aan de pcl adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is
                    gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te
                    betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet
                    gebonden. Om de bestuurslast beperkt te houden is bepaald, dat het advies van de
                    pcl alleen moet worden betrokken, als het college een negatieve beschikking op
                    de gevraagde voorziening geeft.</al><al><vet>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                        fiets </vet>Artikel 11 van de verordening bepaalt dat de ouders van
                    leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                    basisonderwijs bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis
                    van de kosten van het openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de
                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
                    school meer dan zes kilometer bedraagt.</al><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt
                    verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan
                    niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al>In artikel 11 van de verordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders
                    aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij
                    geldt als uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer
                    dan wel de kosten van het vervoer per fiets’.</al><al><vet>Afstandscriterium </vet>De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de
                    gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op
                    grond van de afstand. In de verordening is deze afstand nader ingevuld door het
                    stellen van een kilometergrens. Als afstandscriterium wordt in de verordening
                    zes kilometer gehanteerd. In artikel 4, zevende lid, van de WPO is deze afstand
                    als bovengrens vastgelegd.</al><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft over
                    de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden. Als er
                    een klein verschil (minder dan enkele honderden meters) bestaat tussen de meting
                    van de afstand door de ouders en de gemeente, dan kan niet volstaan worden met
                    het meten van de afstand door een auto-dagteller. In dit geval dient een methode
                    gebruikt te worden waardoor de exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld
                    door middel van het gebruik van een geijkte teller, of een recente versie van
                    een routeplanner of navigatiesysteem.</al><al>Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand niet mag
                    worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s morgens) en
                    de terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in
                    de verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven
                    - of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de
                    rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de
                    terugreis - wordt verstrekt.</al><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de
                    wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4,
                    zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand
                    liggend onderscheid in afstand voor jongere en oudere kinderen is niet
                    mogelijk.</al><al><vet>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel </vet>Voor het vervoer van
                    leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast de
                    vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere
                    volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de
                    vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het
                    draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar speciale
                    scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven worden, maar
                    is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Zie verder de
                    toelichting bij artikel 23 en 24.</al><al><vet>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen </vet>Artikel 11 e.v.
                    en artikel 15 e.v. van de verordening bepalen dat het college bekostiging
                    verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning
                    van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school
                    voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                    speciaal voortgezet onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt
                    dan zes kilometer.</al><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de
                    vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in
                    de zin van de verordening leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd. Deze
                    vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name de
                    schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door deze operatie is
                    het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen omgevormd tot
                    nevenvestigingen.</al><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij
                    de regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding in het primair
                    onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste
                    lid van de verordening leerlingenvervoer. Als uitgangspunt geldt dan dat de
                    feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school kan worden
                    beschouwd in de zin van de verordening.</al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Nevenvestiging in het basisonderwijs.Een nevenvestiging wordt in termen
                            van de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op de plaats
                            waar voor de vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school
                            functioneerde. De eigen wettelijke positie van een nevenvestiging komt
                            onder andere tot uiting in een afzonderlijke normstelling voor de
                            instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de rijksbekostiging
                            van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de
                            hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een
                            afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden.Gelet op het
                            voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor
                            de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de verordening
                            te beschouwen. </al></li><li nr="2."><al>Dislocaties in het primair onderwijs. Een dislocatie kan, gelet op het
                            hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de
                            verordening worden beschouwd. </al></li><li nr="3."><al>Bekostiging. Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de
                            dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien
                            uiteraard aan de criteria van de verordening op het gebied van richting
                            en kilometergrens wordt voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de
                            hoofdvestiging als een nevenvestiging of dislocatie bedoeld.Hieruit
                            vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt
                            die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van
                            artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de verordening, het college
                            niet gehouden is bekostiging te verstrekken voor de kosten van het
                            leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de hoofdvestiging van de
                            school zich wel verder weg van de woning bevindt dan de
                            kilometergrens.Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de
                            kosten van leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen
                            onderwijslocatie van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is
                            die verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van
                            artikel 11 respectievelijk artikel 15, terwijl de hoofdvestiging binnen
                            deze kilometergrens is gelegen. </al></li><li nr="4."><al>Toegankelijkheid. De bekostigingsplicht van het college tot de
                            dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan van specifiek
                            belang zijn indien de leerling een school bezoekt met een nevenvestiging
                            of een dislocatie.Indien een school een nevenvestiging of dislocatie
                            heeft, kan het bevoegd gezag bij de inrichting van het onderwijs bepalen
                            dat de hoofdvestiging en de nevenvestiging/dislocatie niet elk een
                            volledig onderwijscurriculum verzorgen. Indien bijvoorbeeld de
                            dichtstbij gelegen locatie een dislocatie is waar slechts onderwijs voor
                            de onderbouw wordt verzorgd, is deze locatie voor een leerling uit de
                            bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder gelegen dislocatie of
                            hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als dichtstbijzijnde
                            onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden wordt
                            voldaan bekostigt het college het vervoer daarheen.</al></li></lijst><al><vet>Verbouwing van de school </vet>Indien een school verbouwd wordt en
                    leerlingen op een andere locatie opgevangen worden, dan is het niet automatisch
                    zo dat de gemeente alle leerlingen naar die locatie vervoert. Per leerling moet
                    de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont worden
                    toegepast. Voor leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel
                    6 van de verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw
                    kijken of er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer.</al><al>Voor leerlingen die niet in het leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag
                    worden ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt (onder
                    meer) gekeken of wordt voldaan aan de afstandsgrens en of het om de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting gaat. Maken
                    ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan moeten zij samen met de school
                    bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten worden opgevangen. Vaak regelen
                    scholen vervoer tussen de oude en nieuwe locatie.</al><al><vet>Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                        begeleider </vet>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling
                    niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan
                    geen andere ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen
                    begeleiden, is deze begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders. In
                    artikel 12 van de verordening is daaromtrent een regeling getroffen.</al><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><al>- dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet zijn
                    om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider in
                    aanmerking te komen; - dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders,
                    indien de leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling
                    gaat ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe zelfstandig
                    van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een incidenteel geval niet
                    zo, dan kan op grond van artikel 29 van de verordening een uitzondering hierop
                    gemaakt worden. In dit verband is artikel 7 van de verordening van belang.
                    Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het
                    hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al wordt de
                    leerling in de loop van het schooljaar negen jaar; - dat door de ouders
                    genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat is zelfstandig
                    van het openbaar vervoer gebruik te maken. </al><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:</al><al>- de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te
                    maken;</al><al>- de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen
                    moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd, te
                    jong hiervoor is;</al><al>- de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent
                    (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet mogelijk
                    is).</al><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te
                    worden door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het
                    openbaar vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een
                    aantal gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die
                    gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het
                    college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van
                    de leerling niet mogelijk is.</al><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang.
                    Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats
                    aan de ouders van de leerling. Indien een begeleider (al dan niet een ouder)
                    meer dan een leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er
                    sprake van de begeleiding van een leerling. Met andere woorden, indien
                    bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan
                    het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten
                    behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de
                    verordening bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                    een begeleider voor bekostiging in aanmerking komen.</al><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre
                    leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere)
                    leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin volgt,
                    geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder enige
                    begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig kind niet
                    kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen door
                    moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al><al><vet>Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer
                    </vet>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van
                    de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                    basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te
                    worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de verordening
                    vastgelegd.</al><al>In de gemeente Oud-Beijerland organiseert het college het aangepast vervoer
                    i.s.m. de overige gemeenten in de Hoeksche Waard. Het drempelbedrag en de
                    bijdrage op grond van de draagkracht zullen dan door de ouders aan het college
                    betaald moeten worden, in feite in ruil voor het aangeboden vervoer. Overigens
                    geldt met name voor aangepast vervoer dat regionale samenwerking met andere
                    gemeenten tot belangrijke besparingen kan leiden.</al><al><vet>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur
                    </vet>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan
                    anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder
                    van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.</al><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium
                    reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college
                    kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt
                    teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert).</al><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                    overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                    conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                    openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                    vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                    teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van
                    17 februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat bij de
                    reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden. Op
                    grond van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236/86538) alsmede van 10 december 1992
                    (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor de berekening van de reistijd per taxi
                    tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de exacte reistijd per
                    openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State van 6 oktober 1992 (S03.92.3174; zie Jur. 4.1) worden
                    vermeden door uit te gaan van de desbetreffende dienstregelingen.</al><al>In de verordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over een
                    maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039, R03.88.6089
                    en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op zichzelf in
                    strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk is, dat bij het
                    ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van de kosten
                    van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders
                    om voor hun kinderen een openbare dan wel een bijzondere school van de door hen
                    gewenste richting te kiezen, in onaanvaardbare mate onder druk kan komen te
                    staan van financiële hindernissen.</al><al>Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat indien de
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of onverkort aan de in
                    artikel 13, onder a, van de verordening weergegeven reistijd dient te worden
                    vastgehouden. De hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening biedt daartoe
                    uitdrukkelijk de mogelijkheid.</al><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de
                    heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd,
                    terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien
                    bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een snelbus is
                    ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang van de
                    school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In dergelijke gevallen
                    dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat betreft
                    de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op
                    basis van openbaar vervoer.</al><al>Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van vervoer
                    te overwegen. De leerling zou in zo’n geval gebruik kunnen maken van
                    aangepast vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een
                    centraal eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer
                    om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm van combinatievervoer kan zijn
                    dat de leerling eerst met de bus naar het station gaat en vervolgens de trein
                    neemt.</al><al>Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstapplaatsen
                    (zie artikel 1, onder n) kent.</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5) geeft de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met
                    betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de
                    leerlingen van huis naar een opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht.
                    Indien hiermee een reistijd is gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien
                    de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden
                    van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze
                    constructie in beginsel alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling.
                    Wanneer de leerling gelet op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer
                    van huis naar de opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders
                    zelf voor de begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in
                    de onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de
                    kilometergrens van vier kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid
                    vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de
                    afdeling.</al><al><vet>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt </vet>In een aantal gemeenten komt
                    het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat
                    leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van woning naar
                    school of vice versa. In principe kunnen de ouders dan aanspraak maken op
                    bekostiging op basis van aangepast vervoer. Hierbij kan het college de volgende
                    mogelijkheden overwegen:</al><al/><al>- is een combinatie van vervoer haalbaar; de vervoersonderneming kan verzocht
                    worden om wijzigingen aan te brengen in de dienstregeling of de mate van het
                    openbaar vervoer, waardoor deze vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van
                    en naar de school;</al><al>- het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af te
                    stemmen op de vervoertijden; contact kan worden opgenomen met de
                    rijksverkeersinspectie in het betreffende gebied; deze kan eventueel een
                    adviserende en bemiddelende rol spelen; - tevens kan nog bezien worden of het
                    mogelijk is andersoortig vervoer te organiseren tegen de kosten van openbaar
                    vervoer.</al><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                    uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de
                    kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de
                    gemeente verzorgde vervoer).</al><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de verordening het college de
                    mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de
                    fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de volgende overwegingen een
                    belangrijke rol:</al><al>- is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te gaan; - is de
                    route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te leggen. Is dat
                    het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook de toelichting op
                    artikel 12).</al><al>In de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in
                    de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt
                    verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer
                    ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van
                    openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van
                    de kosten van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de
                    reistijd die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang
                    is en het alternatief van aangepast vervoer niet.</al><al><vet>Begeleiding door ouders </vet>Begeleiding is primair een taak van de
                    ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen.
                    Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen
                    in te schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de
                    hardheidsclausule (artikel 29 van de verordening). Daarbij dient rekening te
                    worden gehouden met de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State over dit onderwerp.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5
                    februari 1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende ouders
                    aangepast vervoer eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten in de
                    begeleiding van hun kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij motiveren
                    deze onmogelijkheid naar het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak niet
                    voldoende. De afdeling spreekt hierover uit dat het aan de ouders is voldoende
                    aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is hun kind te begeleiden. In dit
                    concrete geval eist de afdeling, gezien de cursus die de moeder volgt,
                    lesroosters of andersoortige verklaringen waaruit de onmogelijkheid tot
                    begeleiden blijkt. Voorts dienen de ouders volgens de afdeling aan te tonen dat
                    hun kind niet (gedeeltelijk) door anderen kan worden begeleid.</al><al>De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                    december 1988 (R03.88.5983/S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van
                    ouders tegen de afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe
                    te staan gaat verder op deze zaak in. De ouders stellen dat het begeleiden van
                    hun zoon tot gevolg heeft dat zijn negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier
                    uur per dag, mede door haar afwijkende schooltijden, zonder opvang moet
                    doorbrengen. Opvang elders is volgens de ouders niet mogelijk. De afdeling
                    concludeert dat verzoeker voorshands niet overtuigend heeft aangetoond dat de
                    begeleiding van zijn zoon - bijvoorbeeld door in onderling overleg met de ouders
                    van medeleerlingen beurtelings de kinderen naar en van school brengen - niet op
                    een andere minder bezwaarlijke wijze zou kunnen plaatsvinden.</al><al>Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders
                    stellen dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote problemen stelt,
                    onder meer omdat een aantal van hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft,
                    die eveneens aandacht en verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar
                    uitspraak d.d. 25 april 1989 (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat
                    het voor appellanten onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat
                    gedurende de afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de
                    schoolkinderen door anderen op de jongere kinderen wordt gepast.</al><al>Uit de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding door
                    ouders blijkt het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op
                    aangepast vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder meer de
                    begeleiding van haar kind in het openbaar vervoer tot een onaanvaardbare
                    belasting van het gezin leidt, aangezien enerzijds haar tweede kind telkens mee
                    moet reizen bij gebrek aan een oppas en anderzijds de reistijd voor de
                    begeleider onaanvaardbaar lang is. De Voorzitter bepaalt dat, hoewel niet kan
                    worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar vervoer de begeleiding van het
                    kind veel tijd vergt, niet aangetoond is dat begeleiding van haar kind tot
                    ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Daarbij is in aanmerking genomen
                    dat de ouder van de gemeente bekostiging ten behoeve van begeleiding is
                    verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf hoeft te begeleiden, maar hem kan laten
                    begeleiden. Bovendien zou de ouder gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en
                    van school begeleidt haar tweede kind onder de hoede van een oppas kunnen
                    stellen.</al><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er
                    thuis kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn
                    van begeleiding door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in
                    dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten)
                    begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid
                    niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in
                    aanmerking komen voor bekostiging van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt
                    ten aanzien van de begeleiding van hun kinderen dan van ouders die niet voor die
                    bekostiging in aanmerking komen.</al><al>Een voorbeeld: ouder A woont op vijf kilometer van de school en ouder B op zeven
                    kilometer, de gemeente hanteert een afstandscriterium van zes kilometer. Beide
                    ouders hebben thuis een kind dat verzorging behoeft. Wanneer ouder B, die in
                    aanmerking komt voor leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind niet te kunnen
                    begeleiden in verband met de gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op
                    grond van het feit dat er sprake is van een verschil in afstand van twee
                    kilometer, van ouder A wel en van ouder B niet verwacht kan worden dat hij zijn
                    kind zelf begeleidt, dan wel een andere oplossing zoekt.</al><al><vet>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
                    </vet>Artikel 14 van de verordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging
                    van het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen
                    zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto,
                    bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.</al><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het
                    college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de
                    gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld geen
                    sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een aangepast
                    vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen reizen. Ook
                    kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling
                    van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per
                    fiets.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de
                    ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in
                    aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>voor aangepast vervoer.</al></li></lijst><al/><al><vet>Ad a Openbaar vervoer </vet></al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                    vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan
                    keert het college bekostiging uit op basis van het openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld: Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking
                    voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de
                    leerling zelf, met toestemming van het college. Het college dient nu na te gaan
                    wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de leerling gebruik zou
                    maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het college het meest
                    goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past het college het
                    eigen bijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar vervoer per kilometer
                    kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en is mede afhankelijk van
                    het Vervoersplan en de bepalingen omtrent de zone-indeling die gelden voor die
                    specifieke gemeente. Nadere informatie hierover bij de plaatselijke of regionale
                    vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk.</al><al><vet>Ad b Aangepast vervoer </vet></al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf
                    vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De kilometervergoeding is
                    gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling
                    binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot en met vijfde
                    lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de verordening
                    leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders
                    wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een kilometervergoeding
                    afgeleid van de Reisregeling binnenland. De kilometervergoeding betreft
                    enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het kind per auto vervoerd wordt,
                    in principe aanspraak bestaat op vier maal de afstand woning-school. Indien de
                    gemeente echter de volledige kilometervergoeding op basis van de Reisregeling
                    binnenland hanteert, maken ouders aanspraak op twee maal de afstand
                    woning-school (de reis van de leerling).</al><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling
                    ook tussen de middag wordt vervoerd.</al><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven,
                    mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van de te
                    vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</al><al>In artikel 14, derde lid, van de verordening is bepaald, dat ouders aanspraak
                    maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij meer dan 1
                    leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming hebben
                    gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe slechts aanspraak maken
                    op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. Indien ouders
                    bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje vervoeren, kunnen het college bij
                    wijze van uitzondering op grond van de hardheidsclausule een andere bekostiging
                    vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per
                    leerling.</al><al>Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk. Hierbij
                    zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die daarmee gepaard
                    gaan.</al><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de verordening dat het college
                    bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer, indien de
                    leerling gebruik maakt van het vervoer per fiets. Hiervan kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag
                            worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader
                            van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor
                            toestemming geeft.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                        fiets </vet>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen
                    voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                    bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van oordeel
                    is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord
                    te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere
                    wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk:</al><al>- openbaar vervoer onder begeleiding; - aangepast vervoer al dan niet verzorgd
                    door het college; - eigen vervoer; - een combinatie van bovenstaande
                    vervoersmogelijkheden.</al><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens
                    opgenomen, namelijk zes kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden
                    gehouden met het bepaalde in artikel 20 van de verordening. Dit artikel bepaalt
                    dat als de afstand naar de school minder bedraagt dan zes kilometer, toch
                    aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de handicap van de leerling dat
                    vereist.</al><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
                    basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van
                    de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer
                    bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of
                    een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de (brom)fiets).</al><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de
                    fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al
                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dient in overweging worden genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te leggen route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al><vet>Artikel 15a Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                        cluster 4</vet> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 16 Commissie voor de begeleiding </vet>Het college kan advies
                    inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de ambulante begeleider van
                    een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de gesteldheid van de leerling
                    waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies worden ingewonnen bij de
                    schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies geven.</al><al>Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als
                    adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens
                    subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende
                    school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op
                    de desbetreffende school. Het is in dat kader van belang dat het college een
                    gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts
                    is in de verordening gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te
                    raadplegen.</al><al>Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan
                    winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het
                    college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de
                    bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn
                    bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de
                    leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke.</al><al>In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke
                    commissie van advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere
                    gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies verkregen worden; de
                    commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een bepaalde school. De
                    eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van advies zullen
                    dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten worden.</al><al>Er kan ook worden gekozen voor advisering door een schoolartsendienst of
                    geneeskundige dienst. De kosten verbonden aan de adviezen van een
                    schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager zijn dan de
                    kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie. Deze kosten
                    zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen.</al><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld
                    ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen
                    op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de
                    (verkeers)politie. Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke
                    positie innemen.</al><al><vet>Advisering bij negatieve beschikking </vet>Om de bestuurslast beperkt te
                    houden, is bepaald dat alleen in het geval het college een negatieve beschikking
                    op de gevraagde voorziening geeft, het advies van genoemde commissies daarbij
                    moet worden betrokken. Indien het voor een gemeente duidelijk is dat het
                    aangevraagde vervoer voor de leerling passend is (bijvoorbeeld omdat het een
                    herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt),
                    behoeft het advies niet te worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling
                    onverlet dat het advies van genoemde commissies ook gevraagd kan worden indien
                    de gemeente dit wenselijk vindt.</al><al>Volgens de verordening vindt advisering plaats indien het college een negatieve
                    beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
                    om:</al><al/><al>- advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder begeleiding, gebruik
                    kan maken van het vervoer per fiets (artikel 15, tweede lid); - advisering aan
                    het college over de vraag of een leerling, die een school voor speciaal
                    onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar
                    vervoer in verband met zijn verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd,
                    waardoor vervoer onder begeleiding noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van
                    de verordening); - advisering aan het college over de vraag of een leerling die
                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn
                    verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook niet onder
                    begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast
                    vervoer noodzakelijk is (artikel 18, eerste lid, onder a, van de verordening); -
                    advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de
                    leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in de verordening
                    aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke
                    handicap, die school zonder aangepast vervoer te bereiken (artikel 20 van de
                    verordening); - advisering aan het college over de vraag of een leerling, die
                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van
                    de (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid, onder
                    c, van de verordening); - advisering aan het college indien het college wil
                    afwijken van de bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de
                    verordening.</al><al>In de verordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het gestel
                    van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies hebben
                    geen adviserende taak indien het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer
                            door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of
                            minder (artikel 18, onder b, van de verordening);</al></li><li nr="b."><al>de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder c, van de
                            verordening).</al></li></lijst><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het
                    college uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze
                    commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb. Dit
                    houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van
                    toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan de adviseur
                    een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt verwacht, en dat in of bij
                    het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur is die het advies heeft
                    uitgebracht.</al><al/><al><vet>Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                        een begeleider </vet>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15
                    van de verordening in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten
                    van openbaar vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet
                    zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de
                    ouders tevens in aanmerking voor bekostiging van de kosten van het openbaar
                    vervoer ten behoeve van een begeleider (artikel 17 van de verordening). Uit
                    artikel 17 blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet
                            bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school, en de afstand van de woning naar de school voor speciaal
                            onderwijs moet meer dan zes kilometer bedragen;</al></li><li nr="b."><al>de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de ouders genoegzaam
                            wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke
                            of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is
                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></li></lijst><al/><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn:</al><al>- indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding
                    noodzakelijk maakt;- indien de leerling gedurende de rit met het openbaar
                    vervoer een of meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten
                    en dit gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is; - indien de route
                    van het uitstappunt van de bus naar de school te gevaarlijke punten kent, en een
                    adequate oplossing van deze gevaarlijke punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld
                    verkeersbrigadiers etc.).</al><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de
                    desbetreffende bepaling voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen
                    voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast
                    bij de ouders ligt. Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te
                    overleggen. Indien het college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient
                    daarbij het advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen
                    (bijvoorbeeld specialist, pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het
                    advies betreft dan de vraag of de leerling, gezien zijn handicap dan wel
                    leeftijd, niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan
                    maken.</al><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de
                    regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander
                    familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis of een
                    klassenassistent de leerling begeleidt.</al><al>Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te worden
                    met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                    groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                    begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de verordening
                    van toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen tegelijk begeleidt,
                    komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor
                    bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op artikel 12).</al><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een
                    regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een
                    gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de
                    NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen
                    die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet
                    onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Het legitimatiebewijs is
                    wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al></li><li nr="b."><al>alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het
                            streekvervoer;</al></li><li nr="c."><al>alle metro- en tramlijnen.</al></li></lijst><al/><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met
                    de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder
                    begeleiding van de conducteur.</al><al><vet>Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer
                    </vet>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    geldt dat bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe
                    uitzondering is. Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast,
                    noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel 18
                    van de verordening zijn deze waarborgen verankerd.</al><al><vet>Onderdeel a De handicap van de leerling vereist aangepast vervoer
                    </vet>Indien de gehandicapte leerling niet in staat is, ook niet onder
                    begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het college de
                    kosten van het aangepast vervoer. Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd
                    wordt, bepaalt het college. Een belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze
                    kan het aangepast vervoer zo goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd
                    worden zonder de bereikbaarheid van de school in gevaar te brengen? In veel
                    gevallen zal het door het college georganiseerde vervoer het meest
                    efficiënt zijn.</al><al>Het college kan ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in
                    samenwerking met buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit
                    verschillende gemeenten gebruik kunnen maken van het door het college
                    georganiseerde vervoer.</al><al>Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route
                    verschillende opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een
                    ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap van de leerling
                    kan het college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt.</al><al><vet>Onderdeel b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur
                    </vet></al><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                    of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                    worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de
                    begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel
                    13 onder ad 1.</al><al><vet>Onderdeel c Openbaar vervoer ontbreekt </vet></al><al>Artikel 18, eerste lid, onder c, van de verordening geeft een derde mogelijkheid
                    om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer. Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het aangepast vervoer
                    bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen dat het
                    openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling daarvan geen gebruik
                    kan maken. Echter, voordat het college beslist dat bekostiging van het aangepast
                    vervoer verleend wordt, kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in de
                    toelichting op artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de
                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het
                    advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere
                    deskundigen daarover vragen.</al><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of
                    met behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder
                    aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA bij het UWV een
                    tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</al><al>De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van
                    een eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de
                    ouders (wat betreft het vervoer naar een school voor speciaal voortgezet
                    onderwijs).</al><al><vet>Medische begeleiding </vet>Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de
                    medische begeleiding in het leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van
                    de rechtbank Zwolle (Rechtbank Zwolle, 21 november 2007 Awb 06/1788, LJN:
                    BB8810). De gemeente stelde in het verweer dat vervoer iets anders is dan
                    (medische) zorgverlening. De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van de
                    wettelijke bepalingen. De medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis
                    in het zogenaamde 2e compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds
                    die datum de Zorgverzekeringswet -de AWBZ).</al><al>In het verleden is de gemeente wel verantwoordelijk gesteld voor medische
                    begeleiding (Uitspraak Raad van State van 8 oktober 1990; R03.90.3061/Sp. 179).
                    In deze uitspraak was het college gehouden de (salaris)kosten van een begeleider
                    in aangepast vervoer te bekostigen, met betrekking tot een leerling die constant
                    op de ondersteuning van een deskundige op het gebied van speciale medische
                    apparatuur was aangewezen. Dit betrof echter een zeer uitzonderlijk geval.</al><al><vet>Advisering </vet>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening
                    dient het college indien het de gevraagde voorziening niet of slechts
                    gedeeltelijk toekent het advies te vragen aan de commissie voor de begeleiding.
                    Deze zal dan moeten beoordelen of de leerling, gezien zijn lichamelijke,
                    zintuiglijke of verstandelijke handicap, niet in staat is - ook niet onder
                    begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan het college
                    het advies van andere deskundigen inwinnen.</al><al><vet>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer </vet>Met
                    name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan het
                    voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te laten
                    vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening zijn hiervoor nadere
                    voorschriften gegeven.</al><al><vet>a Openbaar vervoer </vet></al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren tegen
                    een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college noodzakelijk. Deze
                    toestemming is opgenomen in de verordening, omdat het college dient te bekijken
                    of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het geval, dan
                    kan het college desgewenst toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of
                    laten vervoeren. De bekostiging die hier dan tegenover staat is afhankelijk van
                    de bekostiging waarop de ouders in principe recht hebben.</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                    wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan bekostigt
                    het college de kosten van het openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld: Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar
                    vervoer naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement
                    zijn euro 500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming van het
                    college, zelf. De bekostiging is dan euro 500,- als ware er sprake van
                    bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer.</al><al><vet>b Aangepast vervoer </vet></al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of
                    laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per
                    kilometer.</al><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
                    verordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling
                    binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de
                    toelichting op artikel 14.</al><al>In artikel 19, derde lid, van de verordening is tevens bepaald dat, indien het
                    college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf te
                    vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een
                    kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders aanspraak maken op
                    bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</al><al>Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of
                    de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van
                    een fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding.</al><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
                    (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of andere
                    deskundigen worden ingewonnen.</al><al>Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                    bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de bevordering
                    van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per km
                    fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per kilometer
                    bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de Reisregeling
                    binnenland.</al><al><vet>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten </vet>Uitgangspunt van de verordening
                    is dat in principe voldaan dient te worden aan het gestelde criterium in artikel
                    15 van de verordening (afstandsgrens), dat is gebaseerd op artikel 4, zevende
                    lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de gemeenteraad kan bepalen dat geen
                    aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de woning en de
                    school. Echter, artikel 4, zevende lid, van de WEC bepaalt tevens dat
                    gehandicapte leerlingen, die op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                    aangewezen, op een passende wijze dienen te worden vervoerd. In een aantal
                    gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn handicap, ook over een
                    afstand van minder dan zes kilometer aangepast vervoer behoeft. Artikel 20 van
                    de verordening voorziet in een dergelijke voorziening.</al><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school
                    die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in
                    aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten. (Deze leerlingen vallen
                    dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch de enige
                    mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</al><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                    beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van
                    andere deskundigen te betrekken.</al><al>In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op aangepast
                    vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer. Deze
                    mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval van
                    overeenkomstige toepassing. Dit houdt ondermeer in dat het college toestemming
                    moet geven voor het eigen vervoer.</al><al><vet>Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer
                        aan de in de gemeente wonende ouders </vet>Artikel 21 van de verordening
                    bepaalt dat het college desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                    vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                    die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal
                    onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in twee
                    belangrijke onderdelen uiteen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten
                            van het weekeinde- en vakantievervoer.</al></li><li nr="2."><al>Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer,
                            indien het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin
                            noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs.</al></li></lijst><al/><al>Ad 1 Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging
                    van het weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door
                    het college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het
                    college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van
                    de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het
                    dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient
                    te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</al><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt
                    gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het
                    andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een
                    andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een
                    aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal
                    eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de week naar
                    huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier
                    immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in
                    voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel
                    29 van de verordening.</al><al>Ad 2 Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en
                    vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin
                    noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.
                    Woont de leerling niet meer bij zijn ouders om sociale of medische redenen (denk
                    aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt dit vervoer niet door de gemeente
                    vergoed in het kader van het leerlingenvervoer.</al><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of
                    pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college
                    geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de
                    leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het
                    ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet
                    wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale
                    redenen in een internaat of pleeggezin verblijft.</al><al>Voorbeeld: Een leerling is aangewezen op onderwijs voor dove kinderen. Vanuit de
                    ouderlijke woning is dit onderwijs niet bereikbaar met dagelijks vervoer.
                    Verblijf in een internaat of een pleeggezin in de buurt van een geschikte school
                    is daarom noodzakelijk. De ouders kunnen in de gemeente waar zij wonen een
                    aanvraag voor weekendvervoer indienen.</al><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
                    plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De
                    gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is
                    geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr.
                    R03.92.5415; zie Jur. 8.5).</al><al><vet>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet>Weekeinde- en
                    vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Met
                    andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of
                    vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin. Een
                    belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of een
                    pleeggezin verblijven - omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden - niet voor
                    bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer in aanmerking komen. Het
                    betreft hier een vijftal categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                            circusmedewerkers;</al></li><li nr="2."><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="3."><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="4."><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="5."><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                            circusmedewerkers.</al></li></lijst><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die in
                    internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van
                    bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de verordening nader is
                    geregeld.</al><al><vet>Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer </vet>Welke
                    wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven in
                    artikel 22. Dit artikel van de verordening bepaalt welke bekostiging maximaal
                    wordt verleend, namelijk ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en
                            terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de
                            schoolvakanties;</al></li><li nr="2."><al>de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders
                            en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze
                            vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling
                            bezoekt.</al></li></lijst><al/><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente
                    waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de verordening geeft aan dat de
                    bepalingen van Titel 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op
                    de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met
                    uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid,
                    onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de verordening. Zie verder de
                    toelichting bij deze artikelen.</al><al>Analoge toepassing van Titel 3 van de verordening betekent dat:</al><lijst><li nr="1."><al>bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria
                            van artikel 15 wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                            een begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve
                            van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op
                            zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd,
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken
                            (artikel 17, eerste lid). het college de kosten van het aangepast
                            vervoer bekostigt, indien:a. de leerling gelet op zijn verstandelijke,
                            zintuiglijke of lichamelijke handicap niet in staat is - ook niet onder
                            begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 18,
                            eerste lid, onder a); b. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling
                            naar het oordeel van het college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan
                            maken.(Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd
                            moeten worden, in principe geen gebruikgemaakt worden) (artikel 18,
                            eerste lid, onder c).Overigens geldt met name voor het weekeinde- en
                            vakantievervoer dat een combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk
                            is. Bijvoorbeeld een combinatie trein-taxi, etc. </al></li><li nr="3."><al>het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De
                            bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop
                            de ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).</al></li></lijst><al>De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening zijn uiteraard ook van
                    toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Drempelbedrag </vet>De WPO, WEC en WVO bieden gemeenten de keuze
                    een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. Het is dus niet verplicht.
                    In de verordening is wel gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft
                    bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de
                    (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer; de zogenaamde drempel. Het bedrag
                    wordt per leerling in rekening gebracht. Indien een leerling slechts een deel
                    van het schooljaar gebruik maakt van het leerlingenvervoer, wordt het
                    drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. .</al><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de
                    gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning
                    tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering
                    van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan
                    deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de verordening is de
                    kilometergrens voor alle onderwijssoorten op zes kilometer gesteld (artikel 11,
                    eerste lid, en artikel 15, eerste lid). Gemeenten zijn vrij een andere
                    kilometergrens vast te stellen, mits deze niet boven de 6 kilometer uitkomt. In
                    de wet is deze afstand als bovengrens vastgelegd.</al><al>Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van
                    de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een
                    fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op
                    basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de
                    afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen.
                    Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal
                    te reizen zones. Voor het kalenderjaar 2009 gaat het bij één zone om
                    een bedrag van €250,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met
                    één ster) en bij twee of drie zones om een bedrag van €417,50
                    (de kosten van een jeugdjaarkaart met 2 sterren). Bij de vaststelling van de
                    hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk
                    gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van
                    aangepast vervoer of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de
                    ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de
                    gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval dient te worden
                    uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route.</al><al>De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                    speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en waarvan de ouders een gezamenlijk
                    inkomen van meer dan € 22.050,- (geïndexeerd) hebben.</al><al>Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het
                    reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen
                    drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet
                    mag geen drempelbedrag gevraagd worden.</al><al>Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een
                    verschillende kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij
                    het drempelbedrag wel voor de ene maar niet voor de andere schoolsoorten in te
                    voeren.</al><al><vet>Toepassen hardheidsclausule of drempelbedrag maximaliseren </vet>Met name
                    wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het inkomen van
                    de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote
                    financiële belasting ontstaan. In de verordening is er voor gekozen om
                    dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde
                    drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in
                    rekening te brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de
                    verordening te bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer,
                    bijvoorbeeld maximaal twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het
                    mogelijk om de inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet
                    genoemde ondergrens van € 22.050,-.</al><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit
                    jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de
                    verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147;
                    zie Jur. 9.4) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de
                    ‘hardheidsclausule’ toe te passen op de verplichte eigen bijdrage
                    van destijds fl. 200,-. De belangrijkste overweging in de uitspraak van de
                    afdeling luidt als volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling biedt noch
                    artikel 24 van de verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de Interimwet
                    enig aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel 4,
                    dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt
                    tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling
                    (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte
                    gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel
                    21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze uitspraak betekent
                    dat de hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de verordening ook toegepast
                    kan worden om in bijzondere omstandigheden de ouders geen of slechts een deel
                    van het drempelbedrag te laten betalen.</al><al><vet>Fietsvergoeding </vet>Ten aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor
                    leerlingen die in aanmerking komen voor een fietsvergoeding het volgende. De
                    fietsvergoeding is in een aantal gevallen lager dan het door de ouders
                    verschuldigde drempelbedrag. Om te voorkomen dat leerlingen die zouden kunnen
                    fietsen daarvan om deze reden afzien, is het raadzaam in dergelijke gevallen op
                    grond van de hardheidsclausule geen of slechts een deel van het drempelbedrag in
                    rekening te brengen. Ook kan worden overwogen de fietsvergoeding te verhogen. In
                    dat geval geldt de hogere fietsvergoeding uiteraard niet alleen voor leerlingen
                    waarvoor een drempelbedrag verschuldigd is, maar voor alle leerlingen die
                    aanspraak maken op een fietsvergoeding.</al><al><vet>Het begrip ‘inkomen’ </vet>Onder inkomen moet worden
                    verstaan: het gecorrigeerd verzamelinkomen in de zin van de Wet op de
                    inkomstenbelasting 2001 in het peiljaar. Als peiljaar moet op grond van de wet
                    worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar
                    waarvoor bekostiging van de vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders kunnen op
                    verschillende manieren hun gecorrigeerd verzamelinkomen aantonen. Vanuit het
                    oogpunt van lastenvermindering voor de burger is het wenselijk de wijze te
                    kiezen die de minste lasten voor de aanvrager oplevert. Wanneer de benodigde
                    gegevens reeds bekend zijn bij de sociale dienst omdat er tevens een uitkering
                    wordt ontvangen, dient gebruik te worden gemaakt van deze informatie. Daarnaast
                    kan een gemeente gegevens verkrijgen van het Inlichtingenburo. Indien de
                    gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kan de aanvrager
                    een kopie van zijn belastingaanslag sturen om zijn inkomen aan te tonen.
                    Tenslotte kunnen ouders een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst,
                    waarop het gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld.</al><al>In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd
                    verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van het
                    tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging wordt
                    gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                    desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een
                    later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in het peiljaar bekend is,
                    kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                    wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de
                    dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten
                    de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                    schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al>De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2006 (dus
                    ten behoeve van het schooljaar 2008-2009) vastgesteld op € 22.050,-, wat
                    betreft het innen van het drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast
                    aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen
                    werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar
                    en afgerond op een veelvoud van € 450,-.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de verordening. Door het kiezen van
                    een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet
                    voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.</al><al>Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de
                    regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering
                    2000 (WSF), als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de
                    verordening opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 29 van de
                    verordening om een beleidsbevoegdheid van het college. Voorgaand artikel vormt
                    slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende
                    artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan
                    zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te
                    kiezen.</al><al><vet>Pleegouders </vet>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin
                    van de verordening worden aangemerkt (zie de toelichting bij artikel 1,
                    onderdeel b). Zij kunnen dus (als zij voldoen aan de voorwaarden) een
                    tegemoetkoming in de vervoerskosten krijgen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van
                    de Raad van State (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773; zie Jur.
                    2.3) acht het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, zij ook de
                    financiële verplichtingen op zich nemen die uit de eventuele honorering van
                    een aanvraag tot bekostiging van vervoerkosten naar school voortvloeien. De
                    gemeente kan pleegouders dus een eigen bijdrage in rekening brengen. (Uiteraard
                    hebben gemeenten de vrijheid om op dit punt gebruik te maken van de
                    hardheidsclausule in artikel 29.)</al><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een
                    justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij
                    de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.</al><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het
                    algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de
                    gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor
                    het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de
                    Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot
                    bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het
                    drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven
                    de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar
                    financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij
                    deze kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de
                    leerling.</al><al>Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder worden aangemerkt. Zij kunnen
                    tevens een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden
                    vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de
                    inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op natuurlijke personen.)</al><al><vet>Invordering drempelbedrag </vet>Ten aanzien van de invordering van het
                    drempelbedrag is het navolgende van belang:</al><al>- In artikel 2, tweede lid, van de verordening is onder meer bepaald:
                    ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin
                    bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.’Indien het
                    college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die
                    daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te maken.
                    Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de aanspraak. - Indien het college
                    dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke stellen en de (kanton)rechter
                    verzoeken uit te spreken dat de ouders het drempelbedrag dienen te betalen.
                    Vervolgens kan met inschakeling van een deurwaarder de bijdrage worden
                    geïnd. Aangezien deze procedure nogal omslachtig en duur is kan het, als er
                    sprake is van aangepast vervoer, raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders
                    blijven echter op grond van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het
                    schoolbezoek van hun kind. De praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer
                    effectief is.</al><al/><al><vet>Overgangsrecht </vet>Inmiddels zijn er geen scholen voor speciaal
                    voortgezet onderwijs meer. Wel komt het voor dat leerlingen van voortgezet
                    onderwijs die eerst naar dit type onderwijs gingen op grond van de
                    overgangsregeling genoemd in artikel 32, tweede lid, aanspraak maken op
                    leerlingenvervoer. Op hen is artikel 23 onverkort van toepassing.</al><al>Het drempelbedrag kan niet in rekening worden gebracht aan ouders van
                    sbo-leerlingen voor wie de gemeente in het schooljaar 2001-2002 bekostiging van
                    het Gak (tegenwoordig: UWV) op basis van de Wet Rea ontving. Dit blijft gelden
                    gedurende de periode dat de leerling dezelfde school bezoekt.</al><al><vet>Artikel 24 Financiële draagkracht </vet>De artikel 4 van de WPO biedt
                    gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen een school voor
                    basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig kilometer van de
                    woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te vragen in
                    de kosten van het vervoer. Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin
                    geheven (in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening
                    wordt gebracht) en kan dus alleen bij het reguliere basisonderwijs worden
                    gevraagd.</al><al>In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken
                    wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke
                    ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als
                    van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze
                    die aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de verordening. Door het kiezen van
                    een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet
                    voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.</al><al><vet>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                        begeleiding </vet>In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte
                    leerlingen in het regulier primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet
                    zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen
                    komen voor leerlingenvervoer. Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen
                    afstandscriterium. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die verbonden is
                    aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over
                    passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een
                    leerling geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van
                    de schooldirecteur of andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD
                    arts).</al><al>Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 6
                    vallen geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 9- recht hebben op vervoer naar de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Dit is
                    geregeld in lid 1 van artikel 25.</al><al><vet>Structurele handicap </vet>Indien in de verordening gesproken wordt van een
                    handicap, wordt een structurele handicap bedoeld.</al><al>Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of
                    een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij
                    een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken
                    vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een
                    beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan
                    een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de
                    noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op
                    vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van drie maanden aan, voordat er
                    eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op basis van de destijds
                    geldende Wet Rea. De gemeente houdt deze termijn van 3 maanden aan. Zie ook
                    artikel 2, derde lid van de verordening.</al><al/><al>- tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                    leerlingenvervoer - tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de
                    gemeente bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis
                    van titel 6.</al><al/><al><vet>Overgangsrecht </vet>Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een
                    vervoersvoorziening kregen naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs,
                    praktijkonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen op basis
                    van de overgangsregeling (zie artikel 32) aanspraak blijven maken op die
                    voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken.</al><al><vet>Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer </vet>Ten
                    aanzien van gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar vervoer
                    kunnen reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar vervoer in
                    de regio ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op artikel 13 ad 2.
                    Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig met het openbaar
                    vervoer kunnen reizen, maken aanspraak op aangepast vervoer indien het openbaar
                    vervoer in de regio ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in staat om onder
                    begeleiding met het openbaar vervoer te reizen, omdat het niet aanwezig is. De
                    gemeente heeft echter wel de plicht om passend vervoer teverzorgen in
                    zo’n geval, dus aangepast vervoer. Daarom is in artikel 26 opgenomen dat
                    indien de leerling op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met
                    begeleiding, terwijl openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling
                    aanspraak op aangepast vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op artikel
                    25.</al><al><vet>Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer </vet>Zie
                    de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide toelichting
                    te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de bekostiging
                    gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis van de
                    verordening voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent dit
                    ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 25)
                    ofwel aangepast vervoer (artikel 26).</al><al><vet>Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet
                    </vet>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van
                    het leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het
                    leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen
                    voordoen, waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt onder andere
                    aan:</al><al/><al>- varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar
                    vervoer); - begeleiding tijdens groepsvervoer; - gemeenschappelijke afspraken
                    met andere gemeenten; - varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening niet voorziet, is in
                    artikel 28 van de verordening bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in
                    redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te
                    zijn dat in de geest van de wet en de verordening gehandeld wordt.</al><al>Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen
                    beheer gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is
                    dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft.
                    Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden
                    dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven.</al><al><vet>Artikel 29 Afwijken van bepalingen </vet>Dit artikel bepaalt dat het
                    college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste
                    van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit houdt in dat
                    het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de
                    verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van
                    de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de
                    WEC.</al><al>Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn indien:</al><al/><al>- een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking komt,
                    toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap -
                    begeleid moet worden; - leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik
                    moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor
                    niet in aanmerking komen; - sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de
                    ouders en het college een daarop geënte bekostiging wil betalen; - sprake
                    is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke dan wel onhoudbare
                    praktische situatie op de dichtstbij gelegen toegankelijke school. Indien
                    daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders - kan bekostiging
                    volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen toegankelijke school
                    (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 1992,
                    R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 6 oktober 1992, R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur.
                    9.1).</al><al/><al>In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van
                    de hardheidsclausule te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard,
                            die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de
                            bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De
                            toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten
                            en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld
                            medische, pedagogische en sociale factoren (Afdeling Bestuursrechtspraak
                            van de Raad van State van 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41; zie
                            Jur. 9.3). </al></li><li nr="b."><al>Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de
                            verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag
                            van artikel 23 (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                            april 1990 R03.87.7147/58-43; zie Jur. 9.4).</al></li></lijst><al/><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
                    precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met
                    op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking
                    hebbende argumenten.</al><al>Tevens wordt in artikel 29 van de verordening bepaald dat het college zo nodig
                    het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale
                    verwijzingscommissie (RVC) of andere deskundigen vraagt.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2006 een verzoek
                    afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een verderaf
                    gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de leerling daar de
                    noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen, waarop hij anders twee jaar moet
                    wachten. Het betreffende college vond dat bekostiging van vervoer bedoeld is
                    voor schoolbezoek en niet voor medische behandeling (LJN AZ9034). Artikel 1 van
                    de verordening leerlingenvervoer definieert het begrip ‘vervoer’
                    als ‘vervoer van en naar school’. Uit de hardheidsclausule blijkt
                    echter onvoldoende of een vergoeding alléén voor schoolbezoek ten
                    behoeve van onderwijs is bedoeld. De clausule kan beperkt worden door
                    beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te stellen. Hierin kan opgenomen
                    worden dat de bevoegdheid tot toekenning van vervoerskosten beperkt blijft tot
                    schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze beperking kan eventueel ook in
                    de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.</al><al><vet>Artikel 30 Weigeren toegang aangepast vervoer bij ordeverstoring </vet>Dit
                    artikel bepaalt dat het college de leerling die bij herhaling de orde verstoort
                    in het aangepast vervoer deze leerling tijdelijk of voor de rest van het
                    schooljaar de toegang tot het vervoer kan weigeren.</al><al><vet>Artikel 31 Intrekking oude regeling </vet>In artikel 31 wordt geen tijdstip
                    vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De
                    datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening
                    in werking treedt.</al><al><vet>Artikel 32 Overgangsregeling </vet>In het eerste lid wordt gesproken over
                    een bruikleenauto of leefvervoervoorziening. Deze voorzieningen zijn aan te
                    vragen bij en worden verstrekt door het UWV en niet de gemeente.</al><al>Met een ‘gelijkwaardige voorziening’ wordt bedoeld, dat leerlingen
                    die in het schooljaar 2001-2002 op basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet
                    in het schooljaar 2002-2003 van de gemeente bekostiging openbaar vervoer of
                    openbaar vervoer met begeleiding mogen krijgen. Ook zal het vervoer in een busje
                    door de wetgever niet worden opgevat als gelijkwaardig aan taxivervoer. Wel
                    mogen gemeenten in gevallen waar dat praktisch mogelijk is, individuele
                    taxiritten met elkaar combineren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn als twee
                    leerlingen elk een individuele taxivoorziening naar dezelfde school ontvangen en
                    de twee ritten, zonder dat de leerlingen daar aantoonbaar nadeel van
                    ondervinden, kunnen worden gecombineerd.</al><al>Tevens zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden naar een school
                    die niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de betreffende
                    leerling. In de Wet Rea werd dit criterium namelijk niet gehanteerd.</al><al>In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar een opdc.
                    Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1, onderdeel t.</al><al>De aanspraak op leerlingenvervoer op grond van lid 2 komt te vervallen indien de
                    leerling binnen de afstandsgrens komt te wonen.</al><al>De gemeente kan leerlingen die op basis van de overgangsregeling (artikel 32,
                    lid 2) een vervoersvergoeding krijgen naar een school voor praktijkonderwijs of
                    leerwegondersteunend onderwijs, een drempelbedrag of een draagkrachtafhankelijke
                    bijdrage opleggen. Daarom in dit artikel een verwijzing naar titel 5
                    ‘Eigen bijdrage en bekostiging naar financiële draagkracht’
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>