<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85378_1</dcterms:identifier><dcterms:title>de verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Coevorden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Coevorden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">CoevordenHuisAanHuis 02-02-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad gemeente Coevorden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 155a, lid 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>voorstel seniorenconvent 22-11-2010, Rv. nr. 785</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>algemeen bestuur en organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20358</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      de verordening op het onderzoeksrecht van de raad
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al/>
          <al>No. 2010/785</al>
          <al/>
          <al>De raad van de gemeente Coevorden,</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van het Seniorenconvent van 22 november 2010,
                        bijlagenr. 785;</al>
          <al/>
          <al>gelet op de artikelen 155a tot en met 155f Gemeentewet;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>b e s l u i t:</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>vast te stellen:</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>
              <cursief>I. de Verordening op het onderzoeksrecht van de
                            raad</cursief>
            </vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid,
                                van de Gemeentewet;</al></li>
            <li nr="b."><al>onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a,
                                derde lid, van de Gemeentewet.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Instellen van het onderzoek/onderzoekscommissie</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een
                            onderzoek in te stellen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In de eerstvolgende raadsvergadering, volgend op het in het eerste lid
                            genoemde besluit, stelt de raad een onderzoekscommissie in, die bestaat
                            uit een oneven aantal leden, met een minimum van drie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De raad benoemt de leden en een genoegzaam aantal plaatsvervangende
                            leden aan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels
                            vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de
                            raad.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De raad benoemt uit zijn midden een voorzitter, tevens lid, van de
                            onderzoekscommissie. De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun
                            midden een plaatsvervangend voorzitter.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De voorzitter is belast met:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en zitting;</al></li>
              <li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li>
              <li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde
                                    regels;</al></li>
              <li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;</al></li>
              <li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li>
              <li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te
                                    horen;</al></li>
              <li nr="d."><al>een lid ontslag neemt.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie
                            zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Bij een
                            tussentijdse vacature neemt de plaatsvervanger van het desbetreffende
                            commissielid diens plaats in.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            plaatsvervangende leden</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor
                            plaats vindt of getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van
                            de eed of belofte.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de
                            Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking
                            aan het onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt
                            slechts op vrijwillige basis.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het
                            uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht
                            en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                            beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                            zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe
                            geen plicht tot medewerking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend
                            uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>De commissie van onderzoek besluit bij meerderheid van stemmen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7.</lidnr>
            <al>De verordening op de raadscommissies is op de onderzoekscommissie niet
                            van toepassing.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Ambtelijke bijstand</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                            medewerker van de griffie of een persoon die tijdelijk met de
                            ondersteuningwerkzaamhed wordt belast, tot commissiegriffier. De
                            commissiegriffier kan zich laten ondersteunen door andere
                            medewerkers.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De commissiegriffier is bij iedere zitting aanwezig.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt zijn plaats ingenomen door
                            een daartoe door de raad aangewezen vervanger.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>Indien de gevraagde bijstand niet door de griffier of een medewerker van
                            de griffie kan wordeen verleend, kan de griffier de secretaris verzoeken
                            een of meer ambtenaren aan te wijzen, die de gevraagde bijstand zo
                            spoedig mogelijk verlenen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Zittingen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            en brengt die ter openbare kennis.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                            deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en
                            deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige
                            medegedeeld.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Toehoorders en de pers</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                            de vergadering verstoren, te doen vertrekken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Geluid- en beeldregistraties</titel>
          </kop>
          <al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Verslaglegging zitting</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De commissiegriffier als bedoeld in artikel 6, eerste lid, draagt zorg
                            voor de verslaglegging van de zitting.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor
                            zover van belang.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het verslag houdt tenminste een zakelijke vermelding in van wat over en
                            weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                            commissiegriffier. Van minderheidsstandpunten wordt in het verslag
                            melding gemaakt.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Beraadslagingen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht en
                            indien minimaal de helft van het aantal leden aanwezig is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren. In
                            bijzondere situaties kan de onderzoekscommissie bij meerderheid van
                            stemmen besluiten om over te gaan tot openbare beraadslagingen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Afronding onderzoek</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie stelt betrokkenen in de gelegenheid om binnen een
                            door haar te stellen termijn, die tenminste tien werkdagen bedraagt, hun
                            zienswijze op het concept- onderzoeksrapport schriftelijk aan de
                            onderzoekscommissie kenbaar te maken. Betrokken zijn in ieder geval
                            diegenen wier taakuitoefening (mede) voorwerp van onderzoek is of is
                            geweest. De onderzoekscommissie bepaalt wie verder als betrokkenen
                            worden aangemerkt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar
                            bevindingen schriftelijk voorgelegd aan de raad.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Budget van de onderzoekscommissie</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De raad geeft bij de instelling van de onderzoekscommissie aan welke
                            budget de onderzoekscommissie voor haar werkzaamheden ter beschikking
                            heeft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De onderzoekscommissie is voor de besteding van het budget
                            verantwoording verschuldigd aan de raad.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt in werking een dag na bekendmaking.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>Verordening op het
                            onderzoeksrecht van de raad</vet></al>
          <al>
            <vet>gemeente Coevorden. </vet>
          </al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 december 2010.</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>, voorzitter.</ondertekening>
        <ondertekening>, griffier.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Artikelsgewijze toelichting op de modelverordening op het onderzoeksrecht van de raad </titel>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
          <al/>
          <al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a
                        tot en met 155f van de Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenhang
                        met de artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere
                        regels met betrekking tot dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een
                        exclusief recht van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede lid, van de
                        Gemeentewet niet overdraagbaar is.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Instellen van het onderzoek</titel>
          </kop>
          <al>Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden
                        van de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het
                        door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Met betrekking tot
                        voorstellen is het bepaalde omtrent het initiatiefvoorstel in artikel 36
                        Reglement van orde van toepassing.</al>
          <al/>
          <al>Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft, dient in de eerstvolgende
                        raadsvergadering besloten te worden omtrent het aantal leden dat in de
                        onderzoekscommissie plaats zal nemen en welke leden dat zijn
                        (samenstelling). De Gemeentewet bepaalt hieromtrent in artikel 155a, derde
                        en vierde lid, dat de onderzoekscommissie uit ten minste drie (raads)leden
                        bestaat en dat de raad bij de samenstelling zorgdraagt voor een evenwichtige
                        vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat
                        het denkbaar is dat hieromtrent nader overleg tussen raadsfracties nodig is,
                        is dit besluitmoment verschoven naar een volgende raadsvergadering na het
                        besluit tot het instellen van een onderzoek. Omdat de onderzoekscommissie
                        ingevolge artikel 5 van deze modelverordening besluit met meerderheid van
                        stemmen verdient het aanbeveling om een oneven aantal leden te benoemen. Op
                        deze wijze kan het staken van stemmen worden voorkomen.Het derde lid
                        voorziet in de benoeming van plaatsvervangende leden. Het aantal
                        plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de
                        onderzoekscommissie..Het vierde lid bepaalt dat er bij de instelling van de
                        onderzoekscommissie wordt bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan
                        de raad rapporteert. Voorstelbaar zou zijn dat hier bepaald wordt dat de
                        voorzitter in elke raadsvergadering een kort verslag doet omtrent de
                        vorderingen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel>
          </kop>
          <al>Gekozen is voor de benoeming door de raad van een voorzitter uit zijn
                        midden. De onderzoekscommissie benoemt zelf een plaatsvervangend
                        voorzitter.De voorzitter maakt tevens deel uit van de onderzoekscommissie en
                        is derhalve niet slechts (technisch) voorzitter.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel>
          </kop>
          <al>In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de
                        bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden
                        geschorst door het aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts
                        mag bestaan uit leden van de raad brengt dat met zich mee dat bij het
                        aantreden van een nieuwe raad de samenstelling van de onderzoekscommissie
                        wel zal moeten worden aangepast. Indien een individueel lid van de
                        onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad eindigt derhalve tevens
                        zijn lidmaatschap van eerder genoemde commissie. </al>
          <al>Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de
                        onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens, indien
                        dit wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds
                        opheffen.</al>
          <al>Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit een
                        van haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet
                        bepaalt namelijk dat een getuige of deskundige die door de
                        onderzoekscommissie wordt gehoord, niet tevens lid is van de
                        onderzoekscommissie. </al>
          <al/>
          <al>Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de plaatsvervangende
                        leden.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel>
          </kop>
          <al>De onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet
                        reeds een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de
                        Gemeentewet dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen
                        uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat
                        het tengevolge hiervan niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere
                        niet onder ede te horen is in artikel 5, eerste lid, van deze verordening
                        bepaald dat de onderzoekscommissie hieromtrent een besluit neemt alvorens de
                        eerste getuige of deskundige gehoord is.</al>
          <al/>
          <al>Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep van personen die
                        verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen
                        kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten
                        deze groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet
                        verplicht om een verklaring onder ede af te leggen. Indien een
                        onderzoekscommissie derhalve bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen
                        onder ede gehoord worden, zijn deze personen hiervan uitgezonderd.</al>
          <al>Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook
                        informele (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen,
                        bijvoorbeeld om vast te stellen of horen ter zitting nuttig is. </al>
          <al>Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan
                        deskundigheid, opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f
                        Gemeentewet dient het college de door de raad geraamde kosten voor een
                        onderzoek in een bepaald jaar op te nemen in de ontwerpbegroting.
                        Voorstelbaar is dat hier tevens een post wordt opgenomen met betrekking tot
                        deze (mogelijke) inschakeling van externen. Tot het aangaan van eventuele
                        overeenkomsten met derden ter ondersteuning van de onderzoekscommissie moet
                        het college beslissen, tenzij het college besluit deze bevoegdheid te
                        mandateren aan de onderzoekscommissie danwel de griffier.</al>
          <al/>
          <al>De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid, Gemeentewet,
                        de haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien
                        tenminste drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de
                        bevoegdheden die op basis van deze verordening bestaan is gekozen voor
                        hetzelfde regime. </al>
          <al>Daarnaast zegt het zesde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een
                        meerderheid van stemmen. Om deze reden wordt ook aanbevolen een oneven
                        aantal leden te benoemen. </al>
          <al>De verordening op de raadscommissies is hier buiten toepassing verklaard
                        omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek
                        niet toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken
                        als spreekrecht voor burgers enz.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Ambtelijke bijstand</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens
                        tot een onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met
                        betrekking tot deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels
                        opgenomen te worden over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend
                        aan de onderzoekscommissie. </al>
          <al>Artikel 6 van deze verordening voorziet in de benoeming van een
                        commissiegriffier, die medewerker van de griffie is. Gelet op de beperkte
                        formatie van de griffie, is het echter ook mogelijk gemaakt om of een
                        medewerker uit de reguliere organisatie of een extern ingehuurd persoon
                        tijdelijk bij de griffie in te schakelen. Tevens is geregeld dat de
                        commissiegriffier zich kan laten ondersteunen en dat bij instelling van de
                        onderzoekscommissie direct een vervanger wordt aangewezen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Zitting</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de schriftelijke
                        oproeping van getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen.
                        Deze zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de
                        onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 11 van de verordening achter
                        gesloten deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden de verhoren van getuigen
                        en deskundigen plaats ex artikel 155c, zesde lid, van de Gemeentewet en zijn
                        in beginsel openbaar. De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c,
                        zevende lid, van de Gemeentewet om gewichtige redenen echter besluiten dat
                        een verhoor of een gedeelte ervan niet in het openbaar plaatsvindt. De
                        leden, alsmede de ambtelijk medewerkers, bewaren geheimhouding over hetgeen
                        hen tijdens een besloten zitting ter kennis komt. De redenen om besloten te
                        vergaderen zijn hierbij anders dan die genoemd in artikel 86, eerste lid,
                        van de Gemeentewet. In artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over
                        belangen als bedoeld in artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur. Dat is bij
                        besloten vergaderingen in het kader van het onderzoeksrecht niet van belang.
                        Slechts van belang is er of naar het oordeel van de onderzoekscommissie
                        sprake is van ‘gewichtige redenen’. Het bepaalde in artikel 86, eerste lid,
                        is derhalve op de onderzoekscommissie niet van toepassing.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Toehoorders en de pers</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de
                        voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen
                        vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor
                        de onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet,
                        het derde lid voorziet hierin.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Geluid- en beeldregistraties</titel>
          </kop>
          <al>Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar
                        zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit
                        is uiteraard niet het geval als het een besloten zitting betreft. De
                        voorzitter kan aanwijzingen geven met betrekking tot bijvoorbeeld plaats en
                        opstelling.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Verslaglegging zitting</titel>
          </kop>
          <al>Het verdient aanbeveling om tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten
                        draaien of op andere wijze het gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze
                        ontstaat achteraf nooit discussie over hetgeen wel of niet gezegd is. </al>
          <al>In het laatste lid wordt geregeld dat alle leden van de onderzoekscommissie
                        het verslag ondertekenen. Dit om zeker te stellen dat allen zich achter de
                        tekst scharen, waarin ook eventuele minderheidsstandpunten kunnen worden
                        opgenomen. De commissiegriffier ondertekent mede om formele redenen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Beraadslaging</titel>
          </kop>
          <al>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud van een
                        beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk
                        zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent ondervragingsmethoden,
                        tactieken en dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar
                        buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden
                        over personen en hetgeen door hen naar voren is gebracht.</al>
          <al>De raad kan op basis van artikel 2, derde lid, van deze verordening, nadere
                        regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage
                        naar de raad.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Afronding onderzoek</titel>
          </kop>
          <al>Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond legt zij
                        haar bevindingen voor aan de raad. Gekozen is om dit te doen in de vorm van
                        een schriftelijke rapportage. Aan de vorm hiervan worden in de verordening
                        geen eisen gesteld. Het is uiteraard mogelijk dat de raad dit bij het
                        concrete onderzoek wel doet.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Budget van de onderzoekscommissie</titel>
          </kop>
          <al>Het college moet de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een
                        bepaald jaar opnemen in de ontwerp-begroting, aldus artikel 155f
                        Gemeentewet.</al>
          <al>Artikel 13 van deze verordening vult artikel 155f Gemeentewet aan. Indien
                        het gaat om een spoedeisend onderzoek, dat niet in de begroting is
                        opgenomen, dan dient de raad een begrotingswijziging vast te stellen.</al>
          <al>Het budget kan bijvoorbeeld benodigd zijn voor de kosten van de inschakeling
                        van externe deskundigen of reiskosten van getuigen of deskundigen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>De onderliggende verordening bevat geen algemeen verbindende voorschriften.
                        De verplichting voor bepaalde categorieën personen om medewerking te
                        verlenen aan een door de raad in te stellen onderzoek vloeit immers niet
                        voort uit de verordening, maar rechtstreeks uit de wet. De verordening kan
                        derhalve op een door de raad te bepalen datum in werking treden. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening op het
                        onderzoeksrecht van de raad.</al>
        </divisie>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Checklist voor een onderzoek</tussenkop>
        <al>
          <extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i25433.pdf">bijlage checklist voor een onderzoek</extref>
        </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>