<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85279_1</dcterms:identifier><dcterms:title>De Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Leiderdorp</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Leiderdorp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Onbekend</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>de Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>Registratienr.: 2010i01211</vet></al><al/><al>Afdeling: Beleid &amp; Projecten</al><al>Onderwerp: Wijzigen Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp
                        2010</al><al>De raad van de gemeente Leiderdorp;</al><al>gelezen het voorstel van 16 november 2010;</al><al>gezien het advies van commissie Bestuur en Maatschappij van 29 november
                        2010,</al><al/><al><vet>besluit vast te stellen:</vet></al><al> de Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2010</al><al/><al>gemeente Leiderdorp 2010' zoals die zal luiden bij inwerkingtreding met
                        ingang van 1 januari 2011.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Leiderdorp;</al></li><li nr="b"><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li><li nr="c"><al>voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="d"><al>trajectplan: planmatige omschrijving van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="e"><al>persoonlijk inburgeringsplan: door aanvrager van persoonlijk
                                        inburgeringsbudget opgestelde planmatige beschrijving van de
                                        inhoud, uitvoering en afronding van de door hem voorgestelde
                                        voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de
                                vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze
                                worden geïnformeerd over in ieder geval het inburgeringsstelsel uit
                                hoofde van de wet en deze verordening, de inhoud en uitvoering van
                                de wet en deze verordening, de uit de wet en deze verordening
                                voortvloeiende rechten en plichten en de eventuele door het college
                                aangeboden flankerende voorzieningen of faciliteiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars in ieder geval
                                gebruik van de volgende middelen:</al><lijst><li nr="a"><al>het verstrekken van voorlichting via een gemeentelijke
                                        informatiebalie;</al></li><li nr="b"><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                                        gemeentelijke website;</al></li><li nr="c"><al>schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij inschrijving in de
                                        gemeentelijke basisadministratie en bij de aanvraag voor
                                        algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de drie jaar de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars en
                                rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanbieden van een voorziening aan
                            inburgeringsplichtigen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van doelgroepen bij
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan groepen van inburgeringsplichtigen aanwijzen waaraan
                                het bij voorrang een voorziening kan aanbieden op basis van de
                                volgende criteria dan wel combinaties daarvan:</al><lijst><li nr="a"><al>bron van inkomen;</al></li><li nr="b"><al>zorg- en opvoedingstaken;</al></li><li nr="c"><al>gezinssamenstelling;</al></li><li nr="d"><al>leefsituatie;</al></li><li nr="e"><al>woonachtig in een bepaalde wijk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt de raad van de gemeente Leiderdorp in kennis van
                                elk collegebesluit tot aanwijzing, wijziging of verwijdering van een
                                doelgroep op basis van het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Samenstelling van de voorziening voor
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op in ieder
                                geval het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke
                                omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige algemene bijstand op grond van de
                                Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de in artikel
                                4.23 Besluit Inburgering vermelde socialezekerheidswetten of
                                socialezekerheidsregelingen ontvangt, stemt het college,
                                onverminderd lid 1, de voorziening af op de diens mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige arbeid verricht voorafgaand aan dan
                                wel arbeid gaat verrichten gedurende een voorziening, stemt het
                                college de voorziening af op de aard van de arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vaststellen van de identiteit van
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de inburgeringsplichtige vast aan de
                            hand van een document, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanbod- en vaststellingsprocedure voor
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college doet het aanbod, als bedoeld in artikel 19, eerste,
                                tweede en derde lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt
                                gezonden naar het adres waar de inburgeringsplichtige in de
                                gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening die
                                wordt aangeboden en worden in ieder geval de rechten en
                                verplichtingen vermeld die aan die voorziening worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen twee weken na de datum van ontvangst van het aanbod het
                                college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet
                                aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen twee weken na ontvangst van deze mededeling het
                                besluit tot toekenning van de voorziening overeenkomstig het gedane
                                aanbod in de vorm van een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod weigert, neemt het
                                college binnen twee weken na ontvangst van deze mededeling een
                                besluit tot handhaving van de termijn, bedoeld in artikel 7, eerste
                                lid van de wet in de vorm van een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van het
                                eerste tot en met het vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Persoonlijk inburgeringsbudget voor
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college behandelt het verzoek van de inburgeringsplichtige om in
                                aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget op de volgende wijze:</al><lijst><li nr="a"><al>het college beoordeelt of de inburgeringsplichtige de
                                        verantwoordelijkheid kan dragen voor het samenstellen van
                                        een voorziening;</al></li><li nr="b"><al>bij een positieve beoordeling als bedoeld onder a. verzoekt
                                        het college de inburgeringplichtige binnen zes weken een
                                        persoonlijk inburgeringsplan in te dienen. Indien dit naar
                                        het oordeel van het college noodzakelijk is, kan het
                                        voornoemde termijn met een nader te bepalen aantal weken
                                        verlengen;</al></li><li nr="c"><al>na indiening van het persoonlijk inburgeringsplan beslist
                                        het college binnen zes weken na de datum van ontvangst op
                                        het verzoek tot het verstrekken van een persoonlijk
                                        inburgeringsbudget;</al></li><li nr="d"><al>bij toekenning van een persoonlijk inburgeringsbudget voegt
                                        het college het definitief vastgestelde inburgeringsplan als
                                        bijlage bij de beschikking tot toekenning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college adviseert en begeleidt de inburgeringsplichtige bij de
                                vormgeving en invulling van de voorziening en de keuze van het
                                inburgeringsbedrijf, tenzij de inburgeringsplichtige aangeeft hierop
                                geen prijs te stellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget heeft toegekend, sluit het college met de
                                inburgeringsplichtige een overeenkomst als ook het college of de
                                inburgeringsplichtige een overeenkomst met de aanbieder.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor de invulling en
                                uitvoering van het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking voor
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De beschikking tot toekenning van de voorziening bevat in ieder
                                geval:</al><lijst><li nr="a"><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b"><al>een opgaven van de rechten en verplichtingen van de
                                        inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c"><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of Staatsexamen
                                        Nederlands als tweede taal I of II of het examen op het
                                        niveau Mbo1 of Mbo 2 moet zijn behaald;</al></li><li nr="d"><al>de termijnen, wijze van betaling en eventuele verrekening
                                        van de eigen bijdrage;</al></li><li nr="e"><al>de gevolgen van het niet naleven van de verplichtingen en/of
                                        termijnen;</al></li><li nr="f"><al>in geval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                        handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26
                                        van de wet, aanvangt;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval van weigering door de inburgeringsplichtige van een aanbod,
                                bedoeld in artikel 6, vijfde lid bevat de beschikking in elk
                                geval:</al><lijst><li nr="a"><al>de datum waarop de termijn van handhaving van de
                                        inburgeringsplicht aanvangt;</al></li><li nr="b"><al>de datum waarop het inburgeringsexamen, Staatsexamen
                                        Nederlands als tweede taal I of II of het examen op het
                                        niveau Mbo 1 of Mbo 2 moet zijn behaald.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Opleggen van verplichtingen aan
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Onverminderd andere aan de wet verbonden verplichtingen kan het college
                            een inburgeringsplichtige bij beschikking in ieder geval een of meer van
                            de volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>medewerking verlenen aan de uitvoering van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="d."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>het op verzoek of uit eigen beweging direct melden van alle
                                    feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op,
                                    toekenning, uitvoering van of deelname aan de
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.</al></li><li nr="g."><al>het deelnemen aan en behalen van het inburgeringsexamen,
                                    Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of het examen op
                                    het niveau Mbo 1 of Mbo 2, binnen de gestelde termijn zoals
                                    vastgelegd in het trajectplan, doch in ieder geval binnen de
                                    gestelde termijn, bedoeld in artikel 7 van de wet, of een
                                    verlengde termijn op grond van artikel 31, tweede lid onder a en
                                    b van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inning van de eigen bijdrage van
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De inburgeringsplichtige betaalt de eigen bijdrage, bedoeld in
                                artikel 23, tweede lid, van de wet in ten hoogste 12 termijnen</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een inburgeringsplichtige met
                                een inkomen tot 100% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief
                                de van toepassing zijnde gemeentelijke toeslag of verlaging, op
                                grond van de Wet werk en bijstand, op diens verzoek, de eigen
                                bijdrage in ten hoogste 24 maandelijkse termijnen betalen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van de voorziening
                                de wijze van betaling en de termijnen van betaling vast. Indien het
                                college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt
                                de toepassing van de verrekening in de beschikking
                                bekendgemaakt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bestuurlijke boete voor
                            inburgeringsplichtigen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hoogte van de bestuurlijk boetes voor
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijk boete op van 10% van de
                                toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een
                                alleenstaande, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond
                                van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien
                                de inburgeringsplichtige, of de persoon ten aanzien van wie het
                                college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze
                                inburgeringsplichtig is, geen of onvoldoende medewerking verleent
                                aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijk boete op van 20% van de
                                toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een
                                alleenstaande, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond
                                van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren ,
                                indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking
                                verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of de verplichtingen,
                                bedoeld in artikel 9, niet of niet behoorlijk nakomt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijke boete op van 50% van de
                                toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een
                                alleenstaande, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond
                                van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien
                                de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid,
                                van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond
                                van artikel 31, tweede lid, onderdeel a en b, van de wet verlengde
                                termijn het inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede
                                taal I of II of het examen op het niveau Mbo 1 of Mbo 2, heeft
                                behaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De boete als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid wordt
                                afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid
                                van de gedraging en de persoonlijke omstandigheden van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij de toepassing van eerste tot en met derde lid neemt het college
                                de artikelen 36, 37 en 44 van de wet, titel 5.4 Bestuurlijke boete
                                en titel 4.4 Bestuursrechtelijke geldschulden, met uitzondering van
                                paragraaf 4.4.4.2 , van de Algemene wet bestuursrecht in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Waarschuwing aan
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Indien de mate van verwijtbaarheid of overige omstandigheden daartoe
                            aanleiding geven, kan het college in afwijking van artikel 11, eerste
                            tot en met derde lid, bij een eerste verwijtbare gedraging volstaan met
                            een waarschuwing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Afzien van het opleggen van een bestuurlijke
                                boete aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijk boete, bedoeld in artikel 12, niet
                                op, indien elke verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van een bestuurlijke
                                boete, bedoeld in het eerste lid, indien het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijk boete aan
                                inburgeringsplichtigen bij recidive</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijk boete op voor overtredingen,
                                bedoeld in artikel 11, eerste lid, van 20% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande,
                                inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van de Wet werk
                                en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de datum van
                                beschikking inzake de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging
                                zich opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijk boete op voor overtredingen,
                                bedoeld in artikel 11, tweede lid, van 50% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande,
                                inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van de Wet werk
                                en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de datum van de
                                beschikking inzake de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde gedraging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijk boete op van 100% van de
                                toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een
                                alleenstaande, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond
                                van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren ,
                                indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op
                                grond van artikel 32 of artikel 33 van de wet vastgestelde termijn
                                het inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                                II of het examen op het niveau Mbo 1 of Mbo 2, heeft behaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 11, vierde en vijfde lid en artikel 13 zijn van toepassing
                                op eerste tot en met derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Aanbieden van een voorziening aan vrijwillige
                            inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanwijzen van doelgroepen bij vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan groepen van vrijwillige inburgeraars aanwijzen
                                waaraan het bij voorrang een voorziening kan aanbieden op basis van
                                de volgende criteria dan wel combinaties daarvan:</al><lijst><li nr="a"><al>bron van inkomen;</al></li><li nr="b"><al>zorg- en opvoedingstaken;</al></li><li nr="c"><al>gezinssamenstelling;</al></li><li nr="d"><al>leefsituatie;</al></li><li nr="e"><al>woonachtig in een bepaalde wijk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt de raad van de gemeente Leiderdorp in kennis van
                                elk collegebesluit tot aanwijzing, wijziging of verwijdering van een
                                doelgroep op basis van het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenstelling van de voorziening voor
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stemt de voorziening af op in ieder geval het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijk positie van de vrijwillige inburgeraar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de vrijwillige inburgeraar algemene bijstand op grond van de
                                Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de in artikel
                                4.23 Besluit Inburgering vermelde socialezekerheidswetten of
                                socialezekerheidsregelingen ontvangt, stemt het college,
                                onverminderd lid 1, de voorziening af op de diens mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de vrijwillige inburgeraar arbeid verricht voorafgaand aan
                                dan wel arbeid gaat verrichten gedurende een voorziening, stemt het
                                college de voorziening af op de aard van de arbeid..</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Vaststellen van identiteit van vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Aanbod- en vaststellingsprocedure voor
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college doet het aanbod, als bedoeld in artikel 24a, eerste,
                                tweede en derde lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt
                                gezonden naar het adres waar de vrijwillige inburgeraar in de
                                gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening die
                                wordt aangeboden en worden in ieder geval de rechten en
                                verplichtingen vermeld die aan die voorziening worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwillige inburgeraar aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen twee weken na de datum van ontvangst van het aanbod het
                                college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet
                                aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wanneer de vrijwillige inburgeraar het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen twee weken na ontvangst van deze mededeling het
                                besluit tot vaststelling van de voorziening overeenkomstig het
                                gedane aanbod in de vorm van een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Wanneer de vrijwillige inburgeraar het aanbod weigert, neemt het
                                college binnen twee weken na ontvangst van deze mededeling een
                                besluit tot afwijzing in de vorm van een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van het
                                eerste tot en met het vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Persoonlijk inburgeringsbudget voor
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college behandelt het verzoek van de vrijwillige inburgeraar om
                                in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget op de volgende wijze:</al><lijst><li nr="a"><al>het college beoordeelt of de vrijwillige inburgeraar de
                                        verantwoordelijkheid kan dragen voor het samenstellen van
                                        een voorziening;</al></li><li nr="b"><al>bij een positieve beoordeling als bedoeld onder a. verzoekt
                                        het college de vrijwillige inburgeraar binnen zes weken een
                                        persoonlijk inburgeringsplan in te dienen. Indien dit naar
                                        het oordeel van het college noodzakelijk is, kan het
                                        voornoemde termijn met een nader te bepalen aantal weken
                                        verlengen;</al></li><li nr="c"><al>na indiening van het persoonlijk inburgeringsplan beslist
                                        het college binnen zes weken na de datum van ontvangst op
                                        het verzoek tot het verstrekken van een persoonlijk
                                        inburgeringsbudget;</al></li><li nr="d"><al>bij toekenning van een persoonlijk inburgeringsbudget voegt
                                        het college het definitief vastgestelde inburgeringsplan als
                                        bijlage bij de beschikking tot toekenning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college adviseert en begeleidt de inburgeringsplichtige bij de
                                vormgeving en invulling van de voorziening en de keuze van het
                                inburgeringsbedrijf, tenzij de inburgeringsplichtige aangeeft hierop
                                geen prijs te stellen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget heeft toegekend, sluit het college met de
                                vrijwillige inburgeraar een overeenkomst als ook het college of de
                                vrijwillige inburgeraar een overeenkomst met de aanbieder.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor de invulling en
                                uitvoering van het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud van de beschikking voor vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De beschikking tot toekenning van de voorziening dan wel de
                                inburgeringsovereenkomst bevatten in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b"><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                        vrijwillige inburgeraar;</al></li><li nr="c"><al>de datum waarop aan het inburgeringsexamen, Staatsexamen
                                        Nederlands als tweede taal I of II, of het examen op het
                                        niveau Mbo 1 of Mbo 2 moet zijn deelgenomen;</al></li><li nr="d"><al>de gevolgen van het niet naleven van de verplichtingen en/of
                                        termijnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De door de vrijwillige inburgeraar en het college ondertekende
                                inburgeringsovereenkomst inzake de vastgestelde voorziening wordt
                                als bijlage bij de beschikking tot toekenning gevoegd, die integraal
                                deel uitmaakt van die beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Opleggen van verplichtingen aan vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><al>Het college kan bij beschikking en middels de inburgeringsovereenkomst
                            aan de vrijwillige inburgeraar in ieder geval een of meer van de
                            volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>medewerking verlenen aan de uitvoering van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="d."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>het op verzoek of uit eigen beweging direct melden van alle
                                    feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op,
                                    toekenning, uitvoering van of deelname aan de
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.</al></li><li nr="g."><al>het deelnemen aan het inburgeringsexamen, Staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II of het examen op het niveau
                                    Mbo 1 of Mbo 2 binnen de trajectperiode zoals vastgelegd in het
                                    trajectplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Geen eigen bijdrage van vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><al>De vrijwillige inburgeraar is eenmalig geen eigen bijdrage, bedoeld in
                            artikel 23, tweede lid, van de wet verschuldigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Herziening, intrekking en terugvordering van
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een aan de vrijwillige inburgeraar toegekende
                                voorziening herzien of intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a"><al>het verwijtbaar niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        verplichtingen, bedoeld in artikel 21 onder a tot en met g,
                                        geleid heeft tot ten onrechte ofte hoog verstrekte
                                        vergoedingen en gemaakte kosten voor een toegekende
                                        voorziening;</al></li><li nr="b"><al>anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                        vergoedingen verstrekt en kosten gemaakt zijn voor een
                                        toegekende voorziening, voor zover de vrijwillige
                                        inburgeraar dit redelijkerwijs had kunnen weten of
                                        begrijpen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval van een besluit tot herziening of intrekking, bedoeld in
                                het eerste lid , kan het college de ten onrechte ofte hoog
                                verstrekte vergoedingen en gemaakte kosten terugvorderen. Het
                                college maakt het besluit tot herziening of intrekking en tot
                                terugvordering bekend met een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afdeling 4.2.6 Intrekking en wijziging en Afdeling 4.2.7. Betaling
                                en terugvordering Algemene wet bestuursrecht zijn op het eerste en
                                tweede lid van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Invordering van het terug te vorderen bedrag als bedoeld in het
                                tweede lid geschiedt op basis van artikel 4:57, tweede lid Algemene
                                wet bestuursrecht en Titel 4.4. Bestuursrechtelijke geldschulden
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Maatregelen bij verwijtbaar niet nakomen van
                                verplichtingen door vrijwillige inburgeraars</titel></kop><al/><lijst><li nr="1"><al>Indien de vrijwillige inburgeraar een verplichting , bedoeld in
                                    artikel 21, verwijtbaar niet of niet behoorlijk nakomt, kan het
                                    college een maatregel opleggen in de vorm van een herziening van
                                    het recht op een toegekende voorziening en terugvordering,
                                    bedoeld in artikel 23, ter hoogte van:</al><lijst><li nr="a"><al>20% van de toepasselijke bijstandsnorm of
                                            inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande,
                                            inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van
                                            de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in
                                            jongeren, voor het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                            een verplichting, bedoeld in artikel 21 onder a tot en
                                            met f;</al></li><li nr="b"><al>30% van de toepasselijke bijstandsnorm of
                                            inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande,
                                            inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van
                                            de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in
                                            jongeren, voor het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                            de verplichting, bedoeld in artikel 21 onder g.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid onder a en b wordt
                                    tezamen met het besluit tot herziening en terugvordering
                                    bekendgemaakt in een beschikking.</al></li><li nr="3"><al>De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
                                    ernst van de gedraging , de mate van verwijtbaarheid en de
                                    persoonlijke omstandigheden van de vrijwillige inburgeraar.</al></li><li nr="4"><al>Bij een gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 24b van
                                    de wet wordt geen maatregel, bedoeld in het eerste lid,
                                    opgelegd, indien voor het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                    een verplichting, bedoeld in het eerste lid, de bijstand wordt
                                    of kan worden verlaagd op grond van de geldende
                                    Maatregelenverordening Wet werk en bijstand , de
                                    inkomensvoorzieningsnorm wordt of kan worden verlaagd op grond
                                    van de geldende Maatregelenverordening Wet investeren in
                                    jongeren, dan wel indien voor het niet nakomen van dezelfde
                                    verplichting een maatregel wordt of kan worden opgelegd op grond
                                    van de in artikel 4.23 Besluit Inburgering genoemde
                                    socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Waarschuwing aan vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><al>Indien de mate van verwijtbaarheid of overige omstandigheden daartoe
                            aanleiding geven, kan het college in afwijking van artikel 24, eerste
                            lid, bij een eerste verwijtbare gedraging volstaan met een
                            waarschuwing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel voor
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college legt een maatregel, bedoeld in artikel 24 eerste lid,
                                niet op, indien elke verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van een maatregel,
                                bedoeld in het eerste lid , indien het daarvoor dringende redenen
                                aanwezig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verhoging van de maatregelen voor vrijwillige
                                inburgeraars bij recidive</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een maatregel opleggen voor de gedragingen , bedoeld
                                in artikel 24, eerste lid onder a, van 40% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande,
                                inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van de Wet werk
                                en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien de vrijwillige
                                inburgeraar zich binnen twaalf maanden na de datum van beschikking
                                inzake de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw
                                schuldig maakt aan dezelfde gedraging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan een maatregel opleggen voor de gedraging, bedoeld in
                                artikel 24, eerste lid onder b, van 60% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande,
                                inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van de Wet werk
                                en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien de vrijwillige
                                inburgeraar niet binnen de vastgestelde nieuwe termijn aan het
                                inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II
                                of het examen op het niveau Mbo 1 of Mbo 2, heeft deelgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 24, derde lid en artikel 26 zijn van toepassing op eerste en
                                tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Flankerende voorzieningen voor
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vergoedingen voor inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan de inburgeringsplichtige of de vrijwillige
                                inburgeraar een vergoeding verstrekken voor gemaakte of te maken
                                noodzakelijke kosten voor de uitvoering van of deelname aan de
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kosten:</al><lijst><li nr="a"><al>zijn, naar het oordeel van het college, noodzakelijk;</al></li><li nr="b"><al>zijn verifieerbaar dan wel aantoonbaar gemaakt of te
                                        maken;</al></li><li nr="c"><al>kunnen, naar het oordeel van het college, redelijkerwijs
                                        niet ten laste van de inburgeringsplichtige of vrijwillige
                                        inburgeraar gebracht worden;</al></li><li nr="d"><al>worden niet vergoed door een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="e"><al>omvatten de goedkoopste en meest adequate oplossing.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen en overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                            inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar afwijken van de
                            bepalingen in deze verordening, indien strikte toepassing ervan tot
                            onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Onvoorziene situaties</titel></kop><al>In gevallen waarin de bepalingen van deze verordening niet voorzien,
                            neemt het college een besluit, waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt
                            gezocht bij vergelijkbare situaties met inachtneming van de individuele
                            omstandigheden van de inburgeringsplichtige of vrijwillige
                            inburgeraar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Overgangsrecht bonus</titel></kop><al>Artikel 9 Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2009 blijft
                            van toepassing op de inburgeringsplichtige of inburgeringbehoeftige voor
                            wie een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening bij beschikking
                            of overeenkomst is vastgesteld tot de datum van de inwerkingtreding van
                            deze verordening en die nadien voor het betreffende examen slaagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Leiderdorp 2010. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van Leiderdorp op 13
                        december 2010,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.Zonnevylle</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>mw. J.C. Zantingh</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Toelichting op de Verordening wet inburgering gemeente Leiderdorp 2010</label></kop><al>Algemeen</al><al><onderstreept>1 Aanleiding voor hernieuwde wijziging van de
                        verordening</onderstreept></al><tussenkop>In Staatsblad 2009 nr. 539 van 18 december 2009 is een
                    wijziging van de Wet inburgering (Wi) gepubliceerd. Aanleiding voor de
                    wetswijziging waren een aantal in het zgn. Deltaplan Inburgering (2007)
                    opgenomen voorstellen tot deregulering en kwaliteitsverbetering van het
                    inburgeringsstelsel, waarvan de uitvoering door de kabinetten Balkenende III en
                    IV aan de Tweede Kamer toegezegd was. Het gaat om de volgende wijzigingen
                    met</tussenkop><al> verschillende data van inwerkingtreding<sup>1</sup>:</al><lijst><li nr="1"><al>de twee gehanteerde termijnen voor het behalen van het
                            inburgeringsexamen van resp. drieënhalf jaar voor inburgeringsplichtigen
                            die het basisexamen inburgering in het buitenland behaald hebben en van
                            vijfjaar voor de overige inburgeringsplichtigen zijn geharmoniseerd tot
                            één examentermijn van drieënhalf jaar (art. 7 lid 1 Wi). Deze
                            geharmoniseerde termijn geldt vanaf 19 december 2009, doch alleen voor
                            inburgeringsplichtigen aan wie op of na die datum voor het eerst een
                            examentermijn gesteld wordt;</al></li><li nr="2"><al>de mogelijkheid van het verlenen van een eenmalige verlenging van
                            voornoemde geharmoniseerde examentermijn met ten hoogste tweeënhalf jaar
                            voor inburgeringsplichtigen die een alfabetiseringscursus volgen of
                            hebben gevolgd (art. 31 lid 2 onder b Wi). Deze wijziging is in werking
                            getreden met ingang van 19 december 2009, echter uitsluitend voor
                            analfabete inburgeringsplichtigen aan wie op of na die datum een
                            examentermijn gesteld wordt;</al></li><li nr="3"><al>de mogelijkheid tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening aan zgn. vrijwillige inburgeraars (art. 1 lid 1
                            onder q Wi) is in de wet opgenomen (art. 24a tot 24f Wi). Tot de
                            wetswijziging was deze mogelijkheid opgenomen in een ministeriële
                            regeling. Deze wijziging is van kracht geworden vanaf 1 januari
                            2010;</al></li><li nr="4"><al>de mogelijkheid om op verzoek van de inburgeringplichtige of vrijwillige
                            inburgeraar een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te
                            bieden in de vorm van een zgn. persoonlijk inburgeringsbudget (art. 1
                            lid 1 onder s Wi) is in de wet opgenomen (art. 19 lid 2 en 5 en art. 24a
                            lid 5 Wi). Het aanbieden van een persoonlijk inburgeringsbudget was
                            voorheen opgenomen in ministeriële besluiten en regelingen. Deze
                            wijziging is in werking getreden voor inburgeringsplichtigen met ingang
                            van 19 december 2009 en voor vrijwillige inburgeraars met ingang van 1
                            januari 2010;</al></li><li nr="5"><al>De mogelijkheid om bij verordening te regelen dat vrijwillige
                            inburgeraars of bepaalde categorieën daarvan een lagere of geen eigen
                            bijdrage verschuldigd zijn (art. 24e Wi). Deze wijziging is in werking
                            getreden met ingang van 1 januari 2010. Voor het gebruik maken van één
                            of meer van de onder 3. tot en met 5 genoemde nieuwe bevoegdheden dient,
                            op grond van de Wi, de gemeenteraad over de toepassing, invulling en
                            uitvoering van deze bevoegdheden regels bij verordening vast te stellen,
                            waarbij - zoals dat ook voor bestaande taken en bevoegdheden al het
                            geval is - in de wet vastgelegd is dat het vaststellen van regels in
                            ieder geval verplicht is voor een aantal expliciet vermelde aspecten van
                            de betreffende bevoegdheid. Voorgaande maakt een aanpassing van de
                            geldende Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2009
                            noodzakelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering conform de
                            gewijzigde Wi.</al></li></lijst><al/><al>Waar het aanbieden van een persoonlijk inburgeringsbudget aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars alsmede geen of een lagere
                    eigen bijdrage in rekening brengen bij vrijwillige inburgeraars nieuwe in de
                    verordening op te nemen bevoegdheden zijn, geldt dit laatste evenwel niet voor
                    het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                    vrijwillige inburgeraars. In de Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp
                    2009 was, gebruik makend van de Regeling vrijwillige inburgering niet G-31 2007,
                    deze mogelijkheid reeds opgenomen, zij dat vrijwillige inburgeraars aangeduid
                    werden als inburgeringsbehoeftigen. Waar in die verordening de
                    inburgeringsplichtigen en inburgeringsbehoeftigen in vrijwel alle bepalingen
                    tezamen vermeld konden worden, is in voorliggende verordening een apart
                    hoofdstuk voor vrijwillige inburgeraars gecreëerd vanwege de uit hoofde van de
                    wet specifiek in de verordening te regelen aspecten.</al><al/><al><sup>1</sup><cursief>Staatsblad </cursief><cursief>2009 nr. 539 artikel VI en
                        Staatsblad 2009 nr. 576 artikel IV.</cursief></al><al/><al/><al><onderstreept>2 Wi en de kerntaken van de gemeente</onderstreept></al><al>De Wi regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle personen
                    van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven en die
                    afkomstig zijn uit landen gelegen buiten de Europese Unie, de Europese
                    Economische Ruimte en Zwitserland. Sinds 1 januari 2010 biedt de wet ook aan
                    (nog) onvoldoende ingeburgerde niet-inburgeringsplichtigen - zoals bijv.
                    bezitters van een Nederlands paspoort, onderdanen van de Europese Unie, de
                    Europese Economische Ruimte en Zwitserland – de mogelijkheid op vrijwillige
                    basis in te burgeren: de zgn. vrijwillige inburgeraars. Doel is deze personen de
                    benodigde kennis van de Nederlandse taal en samenleving te laten verwerven om
                    zelfstandig in de Nederlandse samenleving te kunnen participeren. Inburgering
                    wordt gezien als eerste stap van het integratieproces tot volwaardige deelname
                    aan en burgerschap in Nederland. Bij het invulling geven aan de
                    inburgeringsverplichting staat de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar centraal. De
                    inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar kunnen naar eigen inzicht
                    bepalen hoe zij zich willen voorbereiden op het inburgeringsexamen. De Wi kent
                    voor de inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar een
                    resultaatsverplichting. Aan de inburgeringsverplichting c.q. vrijwillige
                    inburgeringsovereenkomst is in beginsel pas voldaan wanneer het
                    inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of het
                    examen Mbo niveau 1 of 2 is behaald c.q. deelgenomen.</al><al>De gemeente Leiderdorp vervult bij de uitvoering van de Wi in medebewind een
                    spilfunctie op lokaal niveau, waarbij 3 kerntaken met bijbehorende werkzaamheden
                    te onderscheiden zijn:</al><al/><lijst><li nr="1"><al>informeren: om inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars in
                            staat te stellen de eigen verantwoordelijkheid voor inburgering waar te
                            maken, dient het college de in de gemeente woonachtige
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars adequaat te
                            informeren over alle relevante aspecten van het Nederlandse
                            inburgeringstelsel en de gemeentelijke invulling en uitvoering daarvan,
                            zoals bijv. over de geldende rechten en plichten , de gemeentelijke
                            taken, de cursusaanbieders, de financiële kosten en faciliteiten,
                            handhaving en sancties. De gemeenteraad kan zelfde vormgeving, invulling
                            en uitvoering van de informatieverstrekking bepalen;</al></li><li nr="2"><al>faciliteren: naast het verplicht aanbieden van een inburgerings- of
                            taalkennisvoorziening aan inburgeringsplichtige asielzoekers en
                            geestelijke bedienaren (art. 19 lid 1 onder a en b Wi), kan de
                            gemeenteraad in de gemeentelijke verordening andere aangewezen
                            categorieën van inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars
                            opnemen die in aanmerking kunnen komen voor een inburgeringsvoorziening
                            of taalkennisvoorziening (art. 19 lid 1 Wi en art. 24 Wi). </al><al/></li></lijst><al>Het college kan een inburgeringsplichtige die tot een van bovenvermelde groepen
                    behoort – dan wel daarover een redelijk vermoeden bestaat - oproepen voor een
                    intakegesprek, waaraan deze (potentiële) inburgeringsplichtige medewerking dient
                    te verlenen. Dit laatste geldt niet voor een vrijwillige inburgeraar, indien het
                    college hem uitnodigt voor een intakegesprek. Op basis van de in dit gesprek
                    verkregen informatie en overige beschikbare gegevens beoordeelt het college aan
                    de hand van de wet en de in de verordening vastgelegde regels of de betreffende
                    persoon tot de in de wet en de verordening vermelde doelgroep(en) behoort.
                    Indien dit laatste het geval is, bepaalt het college - veelal in samenspraak met
                    hem dan wel, in voorkomende geval, door de laatste zelf voorgesteld - welke
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening voor de inburgeringsplichtige
                    of vrijwillige inburgeraar de (meest) geschikte geacht wordt en biedt deze
                    vervolgens aan.</al><al>Dit is het zgn. aanbodstelsel voor de inburgering, zoals dat standaard
                    uitgangspunt is van de Wi.</al><al>In afwijking van dit aanbodstelsel kan de gemeenteraad bij verordening regelen
                    dat uitsluitend voor de inburgeringsplichtige het college de
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan vaststellen zonder
                    voorafgaand aanbod en zonder instemming van de inburgeringsplichtige,</al><al>het zgn. vaststellingsstelsel (artikel 19a Wi). Het enige significante voordeel
                    van dit laatste stelsel is dat het college voor een voor de
                    inburgeringsplichtige geschikt geachte inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening een beschikking kan afgeven waarin zowel de geschikte
                    geachte voorziening als de begin- en einddatum van de examentermijn opgenomen
                    zijn, ook indien de inburgeringsplichtige deze voorziening niet wenst c.q.
                    weigert. Het college is in dit stelsel niet afhankelijk van de reactie/keuze van
                    inburgeringsplichtige zoals in het aanbodstelsel, welke bij een weigering
                    slechts kan leiden tot een beschikking waarin, naast louter mededeling van de
                    weigering door de inburgeringsplichtige, tot handhaving van de beginen einddatum
                    van de examentermijn besloten is.</al><al>Een inburgeringsvoorziening bestaat in de regel uit een cursus of opleiding om
                    de Nederlandse taal te leren en kennis van de Nederlandse maatschappij te
                    verwerven voor maatschappelijke participatie. De inburgeringsvoorziening omvat
                    tevens het eenmaal zonder kosten afleggen van het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II. De inburgeringsvoorziening kan
                    in specifieke gevallen geval een duaal karakter hebben, de zgn. duale
                    inburgeringsvoorziening: een inburgeringsvoorziening gecombineerd met een
                    participatiecomponent, zoals bijv. arbeid in loondienst, vrijwilligerswerk,
                    onderwijs of voorbereiding op een eigen bedrijf. Laatstgenoemde activiteiten en
                    die voor de inburgering moeten gelijktijdig worden uitgevoerd c.q. gevolgd met
                    als doel elkaar wederzijds te versterken (art. 1.1 onder o Besluit
                    Inburgering).<sup>2</sup></al><al>Een taalkennisvoorziening is een cursus of opleiding die specifiek gericht is op
                    de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het
                    kunnen afronden van een Mbo-opleiding op niveau 1 of 2.</al><al>De inburgeringsvoorziening en taalkennisvoorziening voor inburgeringsplichtige
                    asielgerechtigden omvat tevens maatschappelijke begeleiding (art. 19 lid 6
                    Wi).</al><al>Is de praktijk veelal dat het college, in overleg met de inburgeringsplichtige
                    of vrijwillige inburgeraar, de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                    samenstelt, op verzoek van de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar,
                    kan echtereen zgn. persoonlijk inburgeringsbudget beschikbaar gesteld worden om
                    hem zelf de voorziening te laten samenstellen (artikel 19 lid 2 Wi en artikel
                    24a lid 2 Wi). Daarmee verkrijgt de inburgeringsplichtige of vrijwillige
                    inburgeraar - binnen bepaalde grenzen - de regie over het vormgeven en invullen
                    van de voorziening.</al><al/><al>Gegeven de in de Wi benadrukte eigen verantwoordelijkheid zijn
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars vrij in de wijze van het
                    verwerven van de kennis en vaardigheden ter voorbereiding op het
                    inburgeringsexamen, staatsexamen of Mbo-examen. Om die reden zijn zij dan ook
                    niet verplicht om de door de college aangeboden voorziening te aanvaarden. Waar
                    een weigering voor de vrijwillige inburgeraar vanwege het vrijwillige karakter
                    geen enkele consequentie heeft, heeft deze - zoals hierboven bij de bespreking
                    van aanbod- en vaststellingsstelsel reeds aangegeven - voor
                    inburgeringsplichtige tot gevolg dat hij middels een beschikking aan de
                    examentermijn gehouden wordt. Aanvaardt de inburgeringsplichtige de aangeboden
                    voorziening dan ontvangt hij een beschikking inzake de toekenning van de
                    aangeboden inburgeringsvoorziening en de daaraan verbonden rechten en plichten
                    alsmede</al><al>overige algemene en individueel toegespitste informatie. Ook de vrijwillige
                    inburgeraar ontvangt bij aanvaarding een beschikking, waarvan de opgemaakte en
                    ondertekende inburgeringsovereenkomst als bijlage integraal onderdeel
                    uitmaakt.</al><al>Met de vaststelling en toekenning van de inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening zijn de inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar
                    een eigen bijdrage - bedrag 2010: € 270,00 - verschuldigd (art. 23 lid 2 Wi en
                    art. 24e lid 1 Wi). Voor uitsluitend de vrijwillige inburgeraar kan de
                    gemeenteraad bij verordening bepalen dat een lagere of geen eigen bijdrage
                    verschuldigd is (art. 24e lid 2 Wi). Voorts geldt uitsluitend voor vrijwillige
                    inburgeraars dat bij een zgn. gecombineerde inburgeringvoorziening, d.w.z. een
                    combinatie van een met het college overeengekomen en vastgestelde
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening en een door het college of
                    andere instantie - bijv. het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
                    - aangeboden re-integratievoorziening op grond van de Wet werk en bijstand (WWB)
                    en andere sociale zekerheidswetten, geen eigen bijdrage verschuldigd is (art.
                    24e lid 3 Wi).</al><al/><al>In beginsel dienen inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars de met hun
                    inburgering gemoeide kosten zelf te dragen. Onder voorwaarden voorziet de Wi in
                    de mogelijkheid van een studielening en een gedeeltelijke vergoeding van de
                    Dienst Uitvoering Onderwijs voor inburgeringsplichtigen die zelfstandig
                    inburgeren (art. 16 tot en met 18 Wi). Deze faciliteiten gelden echter niet voor
                    de vrijwillige inburgeraar.</al><al/><al>3 <onderstreept>handhaven:</onderstreept> de Wi voorziet in handhaving van de
                    inburgeringsplicht door het college. Het college is op grond van de wet onder
                    meer bevoegd om potentiële inburgeringsplichtigen te selecteren, op te roepen om
                    gegevens te verstrekken die voor hun inburgeringsplichtigheid van belang zijn en
                    bij geconstateerde overtredingen - bijv. niet nakomen van de
                    medewerkingsverplichting, niet naleven van een in de verordening opgenomen
                    verplichting, het examen niet behaald hebben binnen de gestelde termijn - een
                    bestuurlijke boete (art. 29 tot en met 37 Wi) op te leggen. Het college wordt
                    bij de uitvoering van zijn handhavende taak ondersteund door middel van twee -
                    door de Dienst Uitvoering Onderwijs beheerde - informatiesystemen: het Bestand
                    Potentiële Inburgeringsplichtigen (BPI) en het Informatiesysteem Inburgering
                    (ISI). Met behulp van het ISI kan de voortgang van inburgeringsplichtigen
                    bewaakt worden ten aanzien van wie reeds handhavend opgetreden is. Indien een
                    vrijwillige inburgeraar de in de beschikking en inburgeringsovereenkomst
                    opgenomen verplichtingen en/of afspraken niet naleeft, kan het college,
                    uitsluitend op basis van in de verordening opgenomen bepalingen, bij
                    geconstateerde verwijtbaarheid een in de verordening vastgelegde maatregel
                    opleggen.</al><al/><al>Hoewel niet als kerntaak aan te merken heeft het college de taak samen te werken
                    met andere organisaties op het terrein van inburgering en re-integratie. De Wi
                    verplicht diverse partijen zelfs tot samenwerking bij de uitvoering (art. 21 lid
                    1 Wi en art. 24c lid 1 Wi). Zo dienen het college en het UWV in ieder geval
                    samen te werken en afspraken te maken bij het vaststellen en uitvoeren van
                    gecombineerde inburgeringsvoorzieningen (art. 21 lid 2 Wi en art. 24c lid 2 Wi).
                    Hiervan is sprake wanneer de inburgeringsvoorziening met een
                    re-integratievoorziening gecombineerd wordt - zie ook onder 2. faciliteren.
                    Hoewel het college voor het verstrekken van een gecombineerde voorziening
                    verantwoordelijk is, kan het UWV het feitelijk aanbieden van een gecombineerde
                    voorziening verzorgen.</al><al/><al><sup>2</sup><cursief>Zie voor nadere informatie op de duale
                        inburgeringvoorziening: Nota van toelichting op Besluit van </cursief>29
                    december 2008 tot wijziging van o.a. Besluit Inburgering, zoals gepubliceerd in
                    Staatsblad 2008 nr. 605.</al><al/><al/><al><onderstreept>3 Bij verordening te stellen regels voor de uitvoering van de
                        gemeentelijke taken en bevoegdheden</onderstreept></al><al> Voor de invulling en uitvoering van de uit de Wi voortvloeiende taken en
                    bevoegdheden wordt de gemeenteraad, in diverse bepalingen verspreid over de wet,
                    opgedragen bij verordening regels te stellen. Ofschoon in voorgaande paragraaf
                    al voor sommige vermeld, volgt hieronder een opsomming van alle bij verordening
                    verplicht en facultatief te regelen onderwerpen met de bijbehorende
                    wetsartikelen:</al><lijst><li nr="a."><al>de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                            inburgeraars (artikel 8 Wi en art. 24fWi);</al></li><li nr="b."><al>het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen
                            aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars
                            (art. 19 lid 5 Wi en art. 24a lid 5 Wi), waaronder in ieder geval regels
                            over:</al><lijst><li nr="1"><al>de procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen
                                    van een aanbod (art. 19 lid 5 onder a Wi en art. 24a lid 5 onder
                                    a Wi);</al></li><li nr="2"><al>de criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod
                                    (art.19 lid 5 onder a Wi en art. 24a lid 5 onder a Wi);</al></li><li nr="3"><al>de vaststelling door het college van een passende
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip
                                    van de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening
                                    voor de inburgeringsplichtige (art. 19 lid 5 onder b Wi);</al></li><li nr="4"><al>de wijze waarop het college met een vrijwillige inburgeraar in
                                    overleg treedt om te komen tot een passende
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening met inbegrip
                                    van de totstandkoming en de samenstelling van die
                                    voorziening.(art. 24a lid 5 onder b Wi);</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige en vrijwillige
                            inburgeraar voor c.q. met wie een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening is vastgesteld c.q. overeengekomen (artikel 23 lid
                            3 Wi en art. 24f Wi); </al></li><li nr="d."><al>het verstrekken van een inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening
                            of de inburgeringscomponent van een gecombineerde
                            inburgeringsvoorziening in de vorm van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget aan de inburgeringsplichtige en vrijwillige
                            inburgeraar die daarom verzoekt (art. 19 lid 2 Wi en art. 24a lid 2 Wi).
                            Hiervoor dienen bij verordening eveneens regels gesteld te worden voor
                            de onderwerpen zoals genoemd onder b. 1. tot en met 4.;</al></li><li nr="e."><al>de inning van de eigen bijdrage van en mogelijkheid van betaling in
                            termijnen door de inburgeringsplichtige (art. 23 lid 3 Wi);</al></li><li nr="f."><al>de hoogte van de bestuurlijke boete die aan de inburgeringsplichtige kan
                            worden opgelegd voor de in de wet vermelde overtredingen (art. 35
                            Wi);</al></li><li nr="g."><al>geen eigen of een lagere eigen bijdrage verschuldigd zijn door de
                            vrijwillige inburgeraar (art. 24e lid 2 Wi);</al></li><li nr="h."><al>de inning van de volledige of een lagere eigen bijdrage en mogelijkheid
                            van betaling in termijnen door de vrijwillige inburgeraar (art. 24f
                            Wi);</al></li><li nr="i."><al>het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar (art.
                            24f Wi);</al></li><li nr="j."><al>de gevolgen van het niet nakomen van de plichten op grond van de wet en
                            de verordening door de vrijwillige inburgeraar (art. 24f Wi).</al><al/></li></lijst><al>Over alle onderwerpen zijn in voorliggende verordening regels vastgesteld,
                    waarvoor derhalve voor die onder b. voor de vrijwillige inburgeraars3, d. en g.
                    gebruik gemaakt wordt van de wettelijke bevoegdheid om van deze instrumenten
                    gebruik te maken.</al><al/><al><sup>3</sup> In artikel 24a Wi is opgenomen dat het college een voorziening 'kan
                    (...) aanbieden' aan vrijwillige inburgeraars, hetgeen een bevoegdheid
                    impliceert. Dit in tegenstelling tot artikel 19 lid 1 dat met de formulering
                    'biedt aan', die wettelijke verplichting voor het college voor
                    inburgeringsplichtigen inhoudt. Zoals in paragraaf 1. in de 3e alinea gemeld is,
                    was de aan de toenmalige Regeling vrijwillige inburgering niet G-31 2007
                    ontleende mogelijkheid van voorzieningen voor vrijwillige inburgeraars reeds in
                    de Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2009</al><tussenkop>opgenomen. Door de wetswijziging heeft de vrijwillige
                    inburgering een wettelijke grondslag gekregen en zijn de bij verordening te
                    regelen aspecten in voorliggende verordening opgenomen, waarin tevens bepalingen
                    uit de verordening uit 2009, waar nodig en nuttig, opgenomen zijn.</tussenkop><al/><al/><al><onderstreept>4 Aanbodstelsel</onderstreept></al><al>In paragraaf 2. onder 2. faciliteren zijn het zgn. aanbodstelsel
                    en vaststellingstelsel voor de inburgeringsvoorziening en taalkennisvoorziening
                    aan de orde gesteld.</al><al>In voorliggende verordening wordt, zoals dat ook al in de 2 voorgaande
                    verordeningen het geval was, het aanbodstelsel gehandhaafd. Dit stelsel houdt in
                    dat het college de inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar een aanbod
                    doet en de voorziening vaststelt overeenkomstig het aanbod, als de
                    inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar het aanbod heeft aanvaard.</al><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop><tussenkop>Daar waar geen toelichting is gegeven, wordt het artikel
                    en/of lid voldoende duidelijk geacht.</tussenkop><al/><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Ten behoeve van een eenduidige uitleg en toepassing zijn, naast de gebruikte
                    begrippen in respectievelijk de wet, Besluit inburgering en Regeling
                    inburgering, in onderhavig artikel uitsluitend de specifiek in de verordening
                    gebruikte begrippen omschreven. Indien gebruik van het verzamelbegrip
                    'voorziening' niet mogelijk is, wordt in het betreffende artikel of lid de
                    specifieke voorziening afzonderlijk vermeld.</al><al>Voor nadere informatie over de <cursief>duale </cursief>inburgeringsvoorziening
                    wordt verwezen naar paragraaf 2. onder 2. faciliteren van de algemene
                    toelichting.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2 Informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                        inburgeraars</vet></al><al>Het college heeft de taak de in de gemeente woonachtige inburgeringsplichtigen
                    en vrijwillige inburgeraars te informeren over alle relevante aspecten van het
                    Nederlandse en het binnen de gemeente functionerende inburgeringsstelsel. Op
                    grond van art. 8 Wi en art. 24f Wi wordt de gemeenteraad opgedragen voor deze
                    informatieverstrekking aan beide groepen bij verordening regels vast te stellen.
                    In onderhavig artikel zijn de kaders vastgelegd voor een als adequaat aan te
                    merken informatievoorziening (lid 1), alsmede de periodieke beoordeling van de
                    uitvoering door het college en controle daarop door de gemeenteraad (lid 3). Ook
                    zijn er instrumenten benoemd, waarvan het college ten minste gebruik moet maken
                    bij de invulling en uitvoering van de informatieverstrekking (lid 2). Ten
                    overvloede zij gemeld dat dit geen limitatieve opsomming betreft.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 3 Aanwijzen van doelgroepen bij inburgeringsplichtigen</vet></al><al>De enigszins cryptische formulering van - het reeds per 1 januari 2009
                    gewijzigde - artikel 19 lid 1 Wi biedt het college de mogelijkheid aan
                        <cursief>alle </cursief>in de gemeente woonachtige inburgeringsplichtigen
                    een aanbod te doen voor een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.
                    Dit vloeit namelijk voort uit de zinsnede 'biedt in ieder geval aan', welke
                    verplicht tot tenminste een aanbod aan asielgerechtigden van een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (artikel 19 lid 1 onder a Wi)
                    en aan geestelijke bedienaren van uitsluitend een inburgeringsvoorziening
                    (artikel 19 lid 1 onder b Wi). Buiten voornoemde groepen staat het college vrij
                    in beginsel aan alle andere in de gemeente woonachtige inburgeringsplichtigen
                    een voorziening aan te bieden. Tegelijkertijd draagt de wet de gemeenteraad op
                    bij verordening kaders aan te geven in de vorm van criteria voor de selectie van
                    - groepen van - inburgeringsplichtigen die het college bij voorrang een aanbod
                    doet (artikel 19 lid 5 onder a Wi).</al><al>Onderhavig artikel voorziet hierin. Lid 1 regelt dat op basis van vermelde
                    criteria onderscheiden - groepen van - inburgeringsplichtigen <cursief>bij
                        voorrang </cursief>een aanbod van het college <cursief>kunnen
                    </cursief>krijgen. 'Bij voorrang' betekent dat de het college ook andere
                    inburgeringsplichtigen een aanbod kan doen, indien de specifieke situatie en
                    omstandigheden van de inburgeringsplichtige dit naar het oordeel van het college
                    noodzakelijk maken. De bepaling 'kan' betekent niet alleen dat het college de
                    gewenste handelingsvrijheid - gegeven juist die individuele situatie en
                    omstandigheden - heeft, maar ook dat de volgens de criteria geselecteerde -
                    groepen van - inburgeringsplichtigen geen afdwingbaar recht op een aanbod kunnen
                    doen gelden. Het college informeert de gemeente raad bij de benoeming, wijziging
                    of verwijdering van groepen in zijn aanbodbeleid.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4 De samenstelling van de voorziening voor
                        inburgeringsplichtigen</vet></al><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende (duale) inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling
                    van die voorziening (artikel 19 lid 5 onder b Wi). In onderhavig artikel zijn in
                    lid 1 de kaders opgenomen op basis waarvan het college een op de persoon
                    toegesneden voorziening dient samen te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>de startpositie en vaardigheden: hierbij kan gedacht worden aan o.a. de
                            kennis van de Nederlandse taal en van de Nederlandse samenleving en de
                            leercapaciteit;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke omstandigheden: hierbij kan gedacht worden aan o.a.
                            lichamelijke en geestelijke gesteldheid, handicaps, sociale
                            inbedding;</al></li><li nr="c."><al>de maatschappelijke positie: hierbij kan gedacht worden aan o.a.
                            zorgtaken, het verrichten van vrijwilligerswerk en deelnemen aan
                            verenigingsleven.</al><al/></li></lijst><al>Bovengenoemde wijze van samenstelling geldt niet voor geestelijke bedienaren.
                    Het college heeft niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening, die zij
                    aan geestelijke bedienaren moeten aanbieden, naar eigen inzicht vorm te geven.
                    Het is ook niet mogelijk om deze groep een taalkennisvoorziening aan te bieden
                    (artikel 19 lid 1 onder b Wi). De samenstelling van de inburgeringsvoorziening
                    voor geestelijk bedienaren is nader geregeld in artikel 4:24 Besluit Inburgering
                    en artikel 4:25 Regeling Inburgering.</al><al>Voor de inhoud op hoofdlijnen van de (duale) inburgeringsvoorziening en
                    taalkennisvoorziening wordt verwezen naar de algemene toelichting, paragraaf 2.
                    onder 2. faciliteren. De inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening voor
                    asielgerechtigden omvat in ieder geval maatschappelijke begeleiding
                    (artikel</al><al>19 lid 6 Wi).</al><al>Lid 2 en 3 zijn de vrijwel integrale weergave van - het per 19 december 2009
                    gewijzigde – artikel 19 lid 4 Wi, die opgenomen zijn om deze opdracht voor het
                    college bij de samenstelling van de aan te bieden voorziening expliciet onder de
                    aandacht de brengen. Met deze leden wordt beoogd bij de samenstelling van de
                    voorziening zowel het belang van arbeid als het belang van inburgering voor
                    inburgeringsplichtige, die naar arbeid wordt toegeleid of reeds arbeid verricht,
                    te dienen.</al><al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde inburgerinsplichtige een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wordt aangeboden, dient het
                    college rekening te houden met de mogelijkheden van deze uitkeringsgerechtigde
                    tot arbeidsinschakeling, zodat de inburgering ondersteunend kan zijn aan de
                    arbeidsinschakeling. Voorts is de situatie mogelijk dat de inburgeringsplichtige
                    reeds arbeid verricht en vervolgens een inburgeringsvoorziening van het college
                    krijgt aangeboden. In dat geval stemt het college de inburgeringsvoorziening af
                    op de aard van de arbeid die de inburgeringsplichtige verricht, zodat het voor
                    hem mogelijk is om zowel in te burgeren als arbeid te verrichten.</al><al>Ten slotte is de situatie mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde
                    inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is
                    toegekend en nadien arbeid aanvaardt. In dat geval gaat het college na of de
                    inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening en de arbeid met elkaar te
                    combineren zijn. Daarbij dient het college er zo nodig zorg voor te dragen dat
                    de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening wordt aangepast aan de
                    arbeid die de inburgeringsplichtige gaat verrichten.</al><al>Op deze wijze wordt voorkomen dat door het aanvaarden van arbeid verzuim in het
                    inburgeringstraject of zelfs uitval plaatsvindt, waardoor de inburgering wordt
                    belemmerd en de arbeidsmarktpositie van de inburgeringsplichtige niet wordt
                    versterkt.</al><al/><al>In samenhang met voorgaande wordt nog nadrukkelijk gewezen op de verplichting
                    voor het college om een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening te
                    combineren met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, de zgn.
                    re-integratievoorziening, als een voorziening wordt aangeboden aan een
                    inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op
                    grond van een in artikel 4.23</al><al>Besluit Inburgering opgenomen socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling
                    en die een reintegratieplicht heeft (artikel 20 lid 1 Wi). Daar de
                    re-integratievoorziening in het kader van de uitkeringsverstrekking op grond van
                    socialezekerheidswetten of-regelingen ook door andere partijen dan het college
                    wordt aangeboden, zal het college afspraken moeten maken met de
                    verantwoordelijke uitvoerder van de betreffende socialezekerheidswet
                    of-regeling, zoals het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                    eigenrisicodrager of overheidswerkgever (artikel 21 Wi). Het college is echter
                    verantwoordelijk voor het aanbieden van de hiervoor bedoelde zgn. gecombineerde
                    inburgeringsvoorziening (artikel 20 lid 2 Wi).<sup>4</sup></al><al><sup/></al><al><sup>4</sup>een combinatie van een met het college overeengekomen en
                    vastgestelde inburgeringsvoorziening of</al><tussenkop>taalkennisvoorziening en een door het college of andere
                    instantie - bijv. het Uitvoeringsinstituut</tussenkop><tussenkop>Werknemersverzekeringen (UWV) - aangeboden
                    re-integratievoorziening op grond van de Wet werk en bijstand</tussenkop><tussenkop>(WWB) en andere sociale zekerheidswetten.</tussenkop><al/><al/><al><vet>Artikel 5 Vaststellen van de identiteit van
                    inburgeringsplichtigen</vet></al><al>In onderhavig artikel is nog eens expliciet de wettelijke verplichting voor het
                    college vermeld om de identiteit van een inburgeringsplichtige vast te stellen
                    (artikel 27 Wi). Daar de wet met betrekking tot vrijwillige inburgeraars -
                    wegens ontbreken van een soortgelijke wettelijke verplichting – de gemeenteraad
                    wel opdracht geeft bij verordening regels te stellen over het vaststellen van de
                    identiteit, is, met het oog op een uniforme en eenduidige uitvoering van de
                    verordening, ook het vaststellen van de identiteit van de inburgeringsplichtige
                    in onderhavig hoofdstuk opgenomen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 6 Aanbod- en vaststellingsprocedure voor
                        inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Onderhavig artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen
                    dat het aanbod voor en de vaststelling van een voorziening op zorgvuldige wijze
                    gebeurt.</al><al>In lid 1 is geregeld dat het college het aanbod van een inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze
                    doet en dat het aanbod toestuurt naar het adres waar de inburgeringsplichtige
                    staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Op deze wijze kan er
                    in de regel geen onduidelijkheid ontstaan over het feit dat het college de
                    inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan.</al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (lid 2). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden
                    opgevat als instemming met de door het college af te geven beschikking tot het
                    vaststellen van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Deze
                    beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (lid 4).</al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan het college
                    meedeelt (lid 3). Dit kan een door de inburgeringsplichtige zelf opgemaakte
                    schriftelijke mededeling zijn, doch ook middels een bij het aanbod gevoegde
                    verklaring waarin hij dient aan te geven wel of niet akkoord te gaan met het
                    aanbod.</al><al>Het kan voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan het college meldt dat hij
                    wel een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wil, maar dat hij gelet
                    op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod
                    van het college. Als het college hierop positief reageert, zal het gedane aanbod
                    aanpassen en opnieuw aan de inburgeringsplichtige voorleggen</al><al>Zoals reeds aangegeven in de algemene toelichting - zie paragraaf 2. onder 2.
                    faciliteren - hoeft een inburgeringsplichtige een aanbod niet te accepteren.
                    Weigert de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen. In dat geval zendt het college de
                    inburgeringsplichtige een handhavingsbeschikking waarin, naast de bevestiging
                    van weigering van het aanbod, de startdatum en de einddatum van de termijn
                    waarbinnen hij het inburgeringsexamen behaald moeten hebben.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 7 Persoonlijk inburgeringsbudget voor
                    inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Met de intentie het gebruik te bevorderen is ingaande 19 december 2009 in de wet
                    expliciet de mogelijkheid opgenomen om, op verzoek van de inburgeringsplichtige,
                    een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening in de vorm van een
                    persoonlijk inburgeringsbudget (PIB) te verstrekken (artikel 19 lid 2 Wi). Vanaf
                    eind 2007 was mogelijkheid van het PIB al in de Regeling vrijwillige inburgering
                    niet G-31 2007 opgenomen, maar het gebruik was marginaal te noemen. Het PIB is
                    een door het college aan de inburgeringsplichtige beschikbaar gesteld geldbedrag
                    waarmee de inburgeringsplichtige zijn inburgering naar een op zijn persoonlijke
                    situatie afgestemde wijze kan inrichten. Het is een instrument om meer maatwerk
                    en een grotere eigen verantwoordelijkheid aan de inburgeringsplichtige te bieden
                    voor de vormgeving en invulling van de inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. Met het PIB kan de inburgeringsplichtige voor de
                    voorziening een opzet en inhoud kiezen die het beste past bij zijn wensen,
                    omstandigheden, ambities etc. Zo kan bijv. een kortere of intensievere cursus
                    opgezet c.q. gevolgd worden voor een persoon die snel kan leren, kan een cursus
                    faciliteiten bieden voor een persoon met een lichamelijke of psychische
                    beperking of een cursus afgestemd worden op een ploegendienst of thuissituatie
                    van de betreffende persoon.</al><al>Een inburgeringsplichtige kan echter uit hoofde van de wet niet automatisch
                    aanspraak maken op een PIB. Hij moet daarvoor namelijk een verzoek indienen bij
                    het college. Na een positieve beoordeling tijdens de intakeprocedure dat hij
                    persoonlijk in staat geacht wordt een voorziening samen te stellen zal de
                    inburgeringsplichtige in beginsel zelfstandig op zoek moeten gaan naar een
                    inburgeringsbedrijf dat een inburgeringsprogramma kan bieden dat past bij zijn
                    voorkeur en ambities. Het college ondersteunt de inburgeringsplichtige, waar
                    nodig en nuttig, bij vormgeving en inhoud van de voorziening en de keuze van een
                    inburgeringsbedrijf (artikel 4.27 lid 1 Besluit Inburgering). Bij laatstgenoemde
                    keuze is de inburgeringsplichtige overigens volledig vrij om een aanbieder met
                    of zonder branchekenmerk in de arm te nemen.<sup>5</sup> Het is uiteindelijk de
                    inburgeringsplichtige - al dan niet met hulp van of via een inburgeringsbedrijf
                    - zelf die verantwoordelijk is voor de vorm en invulling van een
                    inburgeringsprogramma dat hij bij het college indient. Het college dient
                    goedkeuring te geven aan het voorstel, waarbij het voorstel in ieder geval
                    beoordeelt op geschiktheid om de inburgeringsplichtige voor te bereiden op en
                    toe te leiden naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als
                    tweede taal I of II, en in het geval van een taalkennisvoorziening op
                    geschiktheid om hem kennis van de Nederlandse taal te laten verwerven die
                    noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een Mbo-opleiding op niveau 1 of 2.
                    Voorts is een beoordeling van de kwaliteit en prestaties van het gekozen
                    inburgeringsbedrijf zeer wenselijk ter bescherming van zowel de
                    inburgeringsplichtige als het college.<sup>6</sup></al><al>Zowel de goedkeuring als de afwijzing van resp. het verzoek om in aanmerking te
                    komen voor een PIB en van de voorgestelde inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening maakt het college bekend middels een voor bezwaar en
                    beroep vatbare beschikking. Met name bij een besluit tot afwijzing luistert de
                    motivering met de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden nauw.
                    Bij goedkeuring tekent, gegeven het maatwerkkarakter van de voorziening - i.t.t.
                    de standaardvoorzieningen waarvoor het college veelal buikcontracten afsluit -,
                    de inburgeringsplichtige, het college of de inburgeringsplichtige en het college
                    tezamen een overeenkomst met het gekozen inburgeringsbedrijf. Wie van voorgaande
                    partijen dit doet c.q. doen dient door de gemeenteraad in de verordening bepaald
                    te worden (artikel 4.27 lid 3 Besluit Inburgering). De bekostiging van het
                    persoonlijk inburgeringsbudget verloopt voor het college op dezelfde wijze als
                    bij een "reguliere" inburgeringsvoorziening. Het PIB wordt niet in handen
                    gesteld van de inburgeringsplichtige. De financiële afwikkeling van het PIB
                    geschiedt door het college, die de betreffende gelden aan het
                    inburgeringsbedrijf betaalt.'</al><al>De gemeenteraad dient voor bovenstaande zaken in de verordening regels op te
                    nemen (artikel 19 lid 5 Wi). In onderhavig artikel is daaraan in lid 1 voor de
                    procedure van aanvraag tot goedkeuring c.q. afwijzing, in lid 2 voor de
                    ondersteuning en lid 3 voor wie de overeenkomst kunnen sluiten met het
                    inburgeringsbedrijf voldaan. Wat betreft dit laatste lid is er voor gekozen een
                    brede keuzemogelijkheid te hebben, zodat flexibel gehandeld kan worden, al naar
                    gelang de specifieke situatie van de inburgeringsplichtige en de vorm en
                    invulling van de voorziening. Tot slot is in lid 4 voor het college de
                    mogelijkheid geschapen om nadere uitvoeringvoorschriften met betrekking
                    voorgaande leden in de vorm van beleidsregels vast te stellen.</al><al/><al><sup>5</sup> Zie Nota van Toelichting bij Besluit van 17 december 2009 tot
                    wijziging van o.a. het Besluit inburgering, zoals gepubliceerd in Staatsblad
                    2009, nr. 576.</al><al><sup>6</sup> Zie noot 3</al><al/><al/><al><vet>Artikel 8 Inhoud van de beschikking voor inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Het besluit tot toekenning - de wet spreekt in artikel 22 van 'vaststellen' -
                    van een voorziening is een beschikking in de zin van artikel 1:3 lid 2 van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Daaruit vloeit voort dat de inburgeringsplichtige de
                    mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In onderhavig
                    artikel is geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten
                    worden neergelegd. Het is derhalve geen limitatieve opsomming.</al><al>In de beschikking zullen de vorm en inhoud van de toegekende voorziening en de
                    daaraan verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig
                    moeten worden vermeld (onderdelen a en b). Zo is de inburgeringsplichtige bijv.
                    verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de voorziening
                    (artikel 23 lid 1 Wi). Handhaving van een dergelijke verplichting is alleen
                    mogelijk als deze duidelijk is omschreven en in ieder geval middels een
                    beschikking aan de inburgeringsplichtige is bekendgemaakt. Voor de aan de wet en
                    de verordening verbonden verplichtingen wordt verwezen naar artikel 9 van de
                    verordening.</al><al>Eveneens in het kader van handhaving, doch ook ten behoeve van
                    informatieverstrekking dient in de beschikking de termijn, waarbinnen een
                    inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet hebben behaald, vermeld te
                    worden. Zoals reeds in de algemene toelichting aangegeven is, is deze in de wet
                    vastgelegde termijn voor alle inburgeringsplichtigen, aan wie op of na 19
                    december 2009 een voorziening toegekend wordt, geharmoniseerd tot drieënhalf
                    jaar (onderdeel c). In geval van toekenning van een voorziening vóór 19 december
                    2009 gelden andere termijnen - zie paragraaf 1. van de algemene
                    toelichting.</al><al>Onderdeel d bepaalt dat in de beschikking moet worden opgenomen in hoeveel
                    termijnen de voor de inburgeringsplichtige wettelijke verplichte eigen bijdrage
                    maximaal kan worden betaald en op welke wijze de betaling kan of zal
                    plaatsvinden. Voor nadere informatie over de eigen bijdrage en de wijze van
                    inning wordt verwezen naar artikel 10 van de verordening.</al><al>Belangrijk is ook dat in de beschikking informatie verstrekt wordt over de
                    gevolgen van het niet nakomen van verplichtingen en het niet behalen van het
                    inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of het
                    examen op het niveau Mbo 1 of Mbo 2 binnen de toepasselijke wettelijke
                    examentermijn (onderdeel e). Voor de inburgeringsplichtige heeft voorgaande een
                    bestuurlijke boete tot</al><al>gevolg. Voor nadere informatie over de bestuurlijke boete wordt verwezen naar de
                    artikelen 11 tot en met 14 van de verordening.</al><al>Onderdeel f heeft betrekking op de beschikking voor de inburgeringsplichtige
                    'oudkomer'.8 Indien het college een voorziening toekent aan een oudkomer, moet
                    het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn
                    van handhaving van de inburgeringsplicht aanvangt (artikel 22 lid 2 juncto
                    artikel 26 Wi). Indien de voorziening op of na 19 december 2009 toegekend wordt
                    dient de oudkomer binnen drieënhalf jaar het inburgeringsexamen te hebben
                    behaald. In geval van toekenning van een voorziening vóór deze datum gelden
                    andere termijnen: zie hiervoor paragraaf 1. van de algemene toelichting. Het
                    college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de
                    inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct
                    te laten ingaan en niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van start
                    gaat. De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal niet altijd
                    bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                    vaststellen van een datum van aanvraag van handhaving van de inburgeringsplicht,
                    onafhankelijk van het moment waarop met de voorziening kan worden begonnen, goed
                    bij het uitgangspunt van de wet dat de betreffende oudkomer inburgeringsplichtig
                    is en primair zelf verantwoordelijk is voor voldoen aan de
                    inburgeringsplicht.</al><al>Het tweede lid bepaalt welke onderdelen de beschikking in ieder geval moet
                    bevatten, indien een inburgeringsplichtige een aanbod heeft geweigerd.</al><al><sup>7</sup> Zie noot 3</al><al/><al/><al><vet>Artikel 9 Opleggen van verplichtingen aan inburgeringsplichtigen</vet></al><al>In onderhavig artikel zijn de verplichtingen opgenomen die het college aan de
                    inburgeringsplichtige kan opleggen bij de toekenning van de voorziening of
                    nadien bij de uitvoering daarvan. Deze niet limitatieve opsomming is de neerslag
                    van de op grond van artikel 23 lid 3 Wi verstrekte opdracht aan de gemeenteraad
                    in de verordening verplichtingen te benoemen waaraan de inburgeringsplichtige
                    dient te voldoen vanaf het moment van de vaststelling van de voorziening tot dat
                    van het afleggen van het inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede
                    taal I of II of het examen op het niveau Mbo 1 of Mbo 2. Met betrekking tot de
                    in beginsel voor zich sprekende verplichtingen wordt over de onder f genoemde
                    verplichting nog opgemerkt dat dit de actieve ('uit eigen beweging') en passieve
                    ('op verzoek') informatieplicht van de inburgeringsplichtige inhoudt. Deze
                    verplichting is van essentieel belang voor een recht- en doelmatige uitvoering
                    van de wet.</al><al><sup/><sup/></al><al><sup>8</sup> In de Wi is in artikel 1 lid 1 onder c de oudkomer gedefinieerd
                    als: de vreemdeling die sedert het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet -1
                    januari 2007 - rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 onder a tot en
                    met e, dan wel I, van de Vreemdelingenwet 2000 en die op grond van de artikelen
                    3 en 5 inburgeringsplichtig wordt, voor zover die vreemdeling op de dag
                    voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet geen nieuwkomer was in de zin
                    van de Wet inburgering nieuwkomers.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 10 De inning van de eigen bijdrage van
                    inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Zoals reeds aangegeven in de algemene toelichting - zie paragraaf 2. onder 2.
                    faciliteren - is de inburgeringsplichtige wettelijk verplicht een eigen bijdrage
                    te betalen. De eigen bijdrage bedraagt in 2010: € 270,00 (artikel 23 lid 2 Wi).
                    Bij verordening dienen regels gesteld te worden aangaande de inning van de eigen
                    bijdrage van de inburgeringsplichtige en de mogelijkheid van betaling in
                    termijnen (artikel 23 lid 3 Wi). In lid 1 is de hoofdregel neergelegd dat
                    inburgeringsplichtige de eigen bijdrage zelf voldoet in maximaal 12 termijnen.
                    Lid 2 maakt het evenwel voor de inburgeringsplichtige met een inkomen op het
                    sociaal minimumniveau mogelijk, op verzoek, de bijdrage in maximaal 24 termijnen
                    te voldoen. In dit verband zij nog gemeld dat artikel 24 lid 1 Wi het tevens
                    mogelijk maakt bij inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen, de
                    eigen bijdrage te verrekenen met deze uitkering. Als het college wil overgaan
                    tot verrekening, moet de toepassing van de verrekening, naast het aantal
                    betalingstermijnen, worden vermeld in de beschikking tot vaststelling van de
                    voorziening (lid 3).</al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV of eigen risicodrager
                    ontvangt, kan het college het UWV of de eigen risicodrager verzoeken de eigen
                    bijdrage te verrekenen met dan wel in te houden op de uitkering van het UWV of
                    de eigen risicodrager. In dit geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve
                    van het college (artikel 24 lid 2 Wi). Deze wijze van verrekening, inhouding en
                    afdracht geschiedt door het UWV of de eigen risicodrager en kan derhalve niet
                    via onderhavige verordening geregeld worden</al><al/><al/><al><vet>Artikel 11 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor
                        inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Artikel 35 Wi draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boetes vast te stellen die voor de verschillende overtredingen en
                    schending van verplichtingen kan worden opgelegd. In artikel 34 Wi zijn voor de
                    verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                    vastgelegd. De gemeenteraad kan deze maximumbedragen overnemen, doch ook lagere
                    bedragen vaststellen.</al><al>Analoog aan de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand en de
                    Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren van de gemeente Leiderdorp is
                    gekozen voor een stelsel van bestuurlijke boetes waarbij de hoogte van de boetes
                    is gekoppeld aan een percentage van de hoogte van de algemene bijstand resp. de
                    inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande van 18 jaar of ouder doch jonger
                    dan 65 jaar op grond van de Wet werk en bijstand resp. de Wet investeren in
                    jongeren. Hierbij is uiteraard rekening gehouden met de maximumbedragen die
                    artikel 34 van de wet voorschrijft.</al><al>Tot 1 juli 2009 waren in de wet ook procedurele bepalingen voor het toepassen
                    van een bestuurlijke boete opgenomen. Met de inwerkingtreding van de vierde
                    tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) per voornoemde datum zijn in de
                    Awb algemene en procedurele regels voor het opleggen van boetes binnen het
                    bestuurlijke domein opgenomen, zodat soortgelijke bepalingen in andere wetten
                    niet langer noodzakelijk waren en verwijderd zijn. Aldus zijn in de huidige wet
                    alleen nog de wettelijke bevoegdheid tot het opleggen van een boete, de
                    omschrijving van de beboetbare gedragingen, de hoogte van de boete(s), de
                    eventuele keuze voor een 'lichte' of 'zware' procedure, de samenloop van een
                    boete met andere sancties bij dezelfde gedraging en de bevoegdheid van
                    verrekening van de opgelegde boete met andere inkomensbronnen dan wel de inning
                    en afdracht door derden geregeld (hoofdstuk 6 paragraaf 2 Wi).</al><al>De leden 1 tot en met 3 <cursief>verplichten - </cursief>conform de wet - het
                    college een bestuurlijke boete voor het betreffende percentage van de
                    bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm op te leggen voor de in wet (artikel
                    29 tot en met 31 Wi en artikel 33 Wi) vermelde overtredingen en bij het schenden
                    van op grond van artikel 9 van de verordening opgelegde verplichtingen (artikel
                    30 Wi). </al><al>Lid 4 regelt dat het college bij elke overtreding en bij elke schending van een
                    verplichting de bestuurlijke boete moet afstemmen op de ernst van de overtreding
                    en de mate waarin deze de inburgeringsplichtige kan worden verweten. Bovendien
                    moet het college daarbij rekening houden met de individuele omstandigheden van
                    de inburgeringsplichtige. Het college is daartoe weliswaar verplicht op grond
                    artikel 5:46 lid 2 Awb - voorheen opgenomen in het vervallen artikel 38 Wi -,
                    maar is in dit lid opgenomen om nog eens expliciet de verplichte
                    beoordelingsaspecten in het afwegings- en besluitvormingsproces voor de
                    boeteoplegging te benadrukken.</al><al>Die wens tot expliciet benadrukken van andere essentiële bij de boeteoplegging
                    in acht te nemen artikelen uit de wet en uit andere wetgeving - met name ook
                    voor de daartoe door het college gemandateerde ambtenaren die met de dagelijkse
                    uitvoering belast zijn - ligt ook ten grondslag aan lid 5. Hieronder volgt per
                    artikel of titel een korte inhoud op hoofdlijnen:</al><lijst><li nr="a."><al>in de boeteopleggingsprocedure dient de behandelende ambtenaar altijd
                            een volledig rapport op te maken en de inburgeringsplichtige de
                            gelegenheid te geven zijn zienswijze over de overtreding of schending
                            (artikel 36 Wi)<sup>9</sup>;</al></li><li nr="b."><al>in geval van een gecombineerde inburgeringsvoorziening<sup>10</sup> kan
                            het college geen bestuurlijke boete opleggen, indien voor dezelfde
                            gedraging de bijstand op grond van de geldende Maatregelenverordening
                            Wet werk en bijstand of de inkomensvoorziening op grond van de geldende
                            Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren als maatregel verlaagd
                            kan worden, dan wel indien een boete of maatregel kan of moet worden
                            opgelegd op grond van de in artikel 4.23 Besluit Inburgering vermelde
                            socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen (artikel 37
                            Wi);</al></li><li nr="c."><al>een bestuurlijke boete kan worden verrekend met de bijstand op grond van
                            de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de in artikel 4.23
                            Besluit Inburgering vermelde socialezekerheidswetten of
                            socialezekerheidsregelingen, waarbij de uitvoerders van die laatste
                            wetten en regelingen het boetebedrag inhouden en afdragen aan het
                            college (artikel Wi);</al></li><li nr="d."><al>in de boeteopleggingsprocedure dient de behandelende ambtenaar de in
                            titel 5.4 Awb opgenomen algemene en procedurele bepalingen - met name de
                            artikelen 5:41 tot en met 5:52 - toe te passen;</al></li><li nr="e."><al>indien de inburgeringsplichtige weigert een opgelegde boete te betalen
                            en eveneens geen verrekening en/of inhouding als bedoeld in c. mogelijk
                            is, zijn voor de invordering van de boete de bepalingen van titel 4.4.
                            Awb van toepassing, waarbij echter geen invordering bij dwangbevel (=
                            directe executoriale titel) mogelijk is.</al><al/></li></lijst><al><sup>9</sup> In tegenstelling tot artikel 5:53 Awb, waaraan artikel 36 Wi wel
                    refereert, wordt, in afwijking van het artikel in de Awb, rapporteren en horen
                    verplicht gesteld voor <cursief>alle </cursief>overtredingen en schendingen, ook
                    die waarbij de boete</al><al>minder dan € 340,00 bedraagt. Op grond van artikel 5:53 Awb is rapporteren en
                    horen namelijk pas verplicht bij een boete boven voornoemd bedrag.</al><al><sup>10</sup> Zie noot 4</al><al/><al/><al><vet>Artikel 12 Waarschuwing aan inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Soms zijn er verzachtende omstandigheden, waardoor het niet wenselijk is om
                    direct een boete op te leggen. In die gevallen moet een waarschuwing mogelijk
                    zijn. Er is bewust voor gekozen om niet standaardmatig een waarschuwing te
                    geven. Inburgeringsplichtigen zijn in de regel uitvoerig geïnformeerd over de
                    verplichtingen en dus op de hoogte van wat van hen verwacht wordt. De
                    verordening biedt voorts mogelijkheden om een boete te verlagen of daarvan af te
                    zien.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 13 Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete aan
                        inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Ook onderhavig artikel geeft de mogelijkheid om te kunnen individualiseren. Als
                    de inburgeringsplichtige geen verwijt kan worden gemaakt van zijn gedraging, is
                    een bestuurlijke boete niet op zijn plaats. Voorts kan door het verstrijken van
                    de tijd het nut van het opleggen van een boete verdwenen zijn, zodat deze
                    achterwege dient te blijven. Volledigheidshalve zij nog gemeld dat op grond van
                    artikel 5:45 Awb de mogelijkheid tot het opleggen van een boete in ieder geval 5
                    jaar resp. 3 jaar na het tijdstip van de overtreding vervalt.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 14 Verhoging van de bestuurlijk boete aan inburgeringsplichtigen
                        bij recidive</vet></al><al>Onderhavig artikel verplicht het college om bij herhaling van de overtreding een
                    hogere boete op te leggen.</al><al>Om van herhaling van een overtreding of recidive te kunnen spreken dient deze
                    binnen 12 maanden na de datum van een besluit tot opleggen van een boete voor de
                    vorige verwijtbare gedraging plaatsgevonden te hebben. </al><al>Lid 1 en 2 zijn de equivalenten van die van artikel 11 van de verordening, zij
                    het met een hoger percentage wegens geconstateerde recidive.</al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of het
                    examen op het niveau Mbo-1 of Mbo-2 heeft behaald, dan legt het college hem een
                    bestuurlijke boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in
                    artikel 11 lid 3 van de verordening. Op grond van artikel 32 Wi moet het college
                    in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen, waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als
                    tweede taal I of II of het examen op het niveau Mbo-1 of Mbo-2 moet behalen dan
                    wel op een andere wijze aan zijn inburgeringsplicht moet voldoen. Als de
                    inburgeringsplichtige vervolgens ook binnen deze nieuwe termijn het
                    inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of het
                    examen op het niveau Mbo- 1 of Mbo-2 niet heeft behaald, maakt lid 3 van
                    onderhavig artikel het mogelijk dat het college een hogere boete vaststelt
                    (artikel 33 lid 1 Wi).Ook in dat geval zal in de boetebeschikking wederom een
                    nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen,</al><al>Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of het examen op het niveau
                    Mbo-1 of Mbo-2 moet behalen. Als de inburgeringsplichtige opnieuw binnen
                    laatstgenoemde nieuwe termijn niet aan de inburgeringsplicht heeft voldaan,
                    dient het college een bestuurlijke boete op te leggen en vervolgens telkenmale
                    een boete als bedoeld in lid 3 op te leggen voor elke verstreken periode van 24
                    maanden dat het inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                    II of het examen op het niveau Mbo-1 of Mbo-2 nog niet behaald is (artikel 33
                    lid 2 Wi).</al><al/><al/><al><vet>Artikel 15 Aanwijzen van de doelgroepen bij vrijwillige
                    inburgeraars</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 3, waarbij voor inburgeringsplichtigen gelezen
                    kan worden: vrijwillige inburgeraars.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 16 De samenstelling van de voorziening voor vrijwilliger
                        inburgeraars</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 4, waarbij voor inburgeringsplichtigen gelezen
                    kan worden: vrijwillige inburgeraars. De verplichte aanbieding van een
                    voorziening aan vrijwillige inburgeraars, die geestelijk bedienaar en
                    asielgerechtigde zijn, is niet van toepassing. Voor de artikelen 19, 20 en 21 Wi
                    dienen respectievelijk gelezen te worden: artikel 24a, 24b en 24c Wi.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 17 Vaststellen van de identiteit bij vrijwillige
                    inburgeraars</vet></al><al>Artikel 24f van de Wi draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te
                    stellen over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar.
                    Onderhavig artikel is identiek aan de formulering van artikel 27 Wi, waarin is
                    geregeld op welke wijze het college de identiteit van de inburgeringsplichtige
                    vaststelt. Zie voor nadere informatie ook de toelichting bij artikel 5.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 18 Aanbod- en vaststellingsprocedure voor vrijwillige
                        inburgeraars</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 6, waarbij voor inburgeringsplichtigen gelezen
                    kan worden: vrijwillige inburgeraars. Voorts is hetgeen over de zelfstandige
                    voorbereiding op het examen en het afgeven van de handhavingsbeschikking
                    opgenomen is, niet van toepassing op vrijwilligere inburgeraar. De vrijwillige
                    inburgeraar ontvangt bij definitieve weigering van het aanbod slechts een
                    beschikking met het besluit tot afwijzing van een voorziening (lid 5).</al><al/><al/><al><vet>Artikel 19 Persoonlijk inburgeringsbudget voor vrijwillige
                        inburgeraars</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 7 van de verordening, waarbij voor
                    inburgeringsplichtigen gelezen kan worden: vrijwillige inburgeraars. Voor
                    artikel 19 Wi dient gelezen te worden: artikel 24a Wi.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 20 Inhoud van de beschikking voor vrijwillige
                    inburgeraars</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 8 van de verordening, waarbij voor
                    inburgeringsplichtigen gelezen kan worden: vrijwillige inburgeraars. Met
                    betrekking tot de toelichting op onderdeel c in artikel 8 is het 'behalen' van
                    het examen niet van toepassing. Voor vrijwillige inburgeraars geldt slechts de
                    eis van 'deelnemen' binnen de gestelde termijn (artikel 4.26 lid 1 onder a
                    Besluit Inburgering).</al><al>De toelichting op onderdelen d en f in artikel 8 zijn niet van toepassing op
                    vrijwillige inburgeraars. </al><al>Wat betreft de toelichting op onderdeel b in artikel 8 geldt artikel 23 lid 1 Wi
                    - de medewerkingsplicht voor de inburgeringsplichtige - niet voor vrijwillige
                    inburgeraars, doch zijn op grond van de wettelijke verplichting tot het stellen
                    van regels bij verordening krachtens artikel 24f Wi in artikel 22 van de
                    verordening een soortgelijke medewerkingsplicht en overige verplichtingen
                    opgenomen.</al><al>Met betrekking tot de toelichting op onderdeel e over sancties in artikel 8 moet
                    ten aanzien van vrijwillige inburgeraars voor verwijzing voor nadere informatie
                    gelezen worden: de artikelen 24 en 27 van de verordening. Tot slot is de
                    toelichting op lid 2 van artikel 8 niet van toepassing op vrijwillige
                    inburgeraars. In aanvulling op de toelichting van artikel 8 en bovenstaande
                    leeswijzer voor gebruik van die toelichting bij onderhavig artikel wordt
                    specifiek nog volgende opgemerkt over de positie van en de verhouding tussen de
                    beschikking en de (inburgerings)overeenkomst in het kader van de vrijwillige
                    inburgering. Met het opnemen van de mogelijkheid van het aanbieden van een
                    (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan vrijwillige
                    inburgeraars in een <cursief>wet in formele en materiële zin - </cursief>waar
                    deze voorheen in de ministeriële Regeling vrijwillige inburgering niet G-31 2007
                    opgenomen was - valt de besluitvorming daarover vanaf dat moment zonder
                    voorbehoud onder de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit
                    impliceert dat voor elk besluit tot toekenning, wijziging, intrekking dan wel
                    beëindiging van een voorziening het college <cursief>te allen tijde een
                        beschikking </cursief>dient af te geven. </al><al>Het louter 'sluiten van een overeenkomst' - op grond van het nieuwe artikel 24d
                    lid 2 Wi, welke integraal overgenomen is uit artikel 5 van bovengenoemde
                    regeling - waarin de tussen het college en de vrijwillige inburgeraar gemaakte
                    afspraken opgenomen zijn, volstaat niet meer zoals voorheen gebeurde. </al><al>Een enkele overeenkomst met afspraken voor vrijwillige inburgering is niet aan
                    te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb en heeft daarmee
                    geen enkele bestuursrechtelijke status. </al><al>Voor de vrijwillige inburgeraar betekent dit bovendien het ontbreken van
                    rechtsbescherming op grond van de Awb. In lid 1 van onderhavig artikel is daarom
                    geregeld dat zowel een toekenningsbeschikking als een (inburgerings)overeenkomst
                    in ieder geval de vermelde onderdelen bevatten, maar tegelijkertijd in lid 2 dat
                    een opgemaakte overeenkomst altijd een verplichte bijlage van de beschikking
                    moet vormen. M.a.w. een beschikking inzake vrijwillige inburgering kan zonder
                    een overeenkomst, maar een overeenkomst zonder een beschikking is onmogelijk.
                    Als de overeenkomst een integraal onderdeel van de beschikking vormt staat
                    tevens bezwaar en beroep open tegen de in de overeenkomst vermelde afspraken,
                    voor zover deze niet reeds geheel of gedeeltelijk opgenomen zijn in de
                    beschikking. Voor dit laatste is dan essentieel dat in de beschikking vermeld
                    wordt dat de in de overeenkomst opgenomen afspraken en verplichtingen verbonden
                    zijn aan het in de beschikking vermelde besluit.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 21 Opleggen van verplichtingen aan vrijwillige
                    inburgeraars</vet></al><al>Artikel 24f draagt de gemeenteraad op in de verordening de aan de vrijwillige
                    inburgeraars op te leggen verplichtingen op te nemen. In tegenstelling tot een
                    reeks in de wet vermelde verplichtingen voor inburgeringsplichtigen, ontbreken
                    die in het geheel voor vrijwillige inburgeraars. Met onderhavig artikel is
                    daaraan voldaan, waarbij zoveel mogelijk aansluiting gezocht is bij de
                    verplichtingen voor inburgeringsplichtigen. Zie de toelichting bij artikel 9 van
                    de verordening, waarbij voor inburgeringsplichtigen gelezen kan worden:
                    vrijwillige inburgeraars. Met betrekking tot de juridische status en de relatie
                    tussen de beschikking en de inburgeringsovereenkomst wordt naar de toelichting
                    op artikel 20 verwezen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 22 Geen eigen bijdrage voor vrijwillige inburgeraars</vet></al><al>Uitgangspunt in de wet is dat de vrijwillige inburgeraar, evenals de
                    inburgeringsplichtige, een eigen bijdrage voor de toegekende
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening dient te betalen (artikel 24e
                    lid 1 Wi). De gemeenteraad heeft echter de bevoegdheid bij verordening bepalen
                    dat vrijwillige inburgeraars een lagere of geen eigen bijdrage verschuldigd zijn
                    (artikel 24e lid 2 Wi). </al><al>Er is gekozen om de vrijwillige inburgeraar eenmalig geen eigen bijdrage te
                    laten voldoen. De keuze is ingegeven door signalen uit de uitvoeringspraktijk
                    dat reeds de mededeling van een eigen bijdrage in meerdere gevallen een
                    belangrijke factor is geweest om alsnog af te zien van vrijwillige inburgering
                    als ook een financiële drempel voor deelname vormde. Voorgaande in combinatie
                    met het individuele en maatschappelijke belang bij een succesvolle integratie,
                    deelname en bijdrage aan de Nederlandse samenleving met het oog op de toekomst
                    zijn doorslaggevend geweest voor het besluit eenmalig geen eigen bijdrage te
                    vragen van de vrijwillige inburgeraar.</al><al>'Eenmalig' in bovenvermelde zin omvat de totale 'inburgeringscarrière' van de
                    vrijwillige inburgeraar. In de praktijk betekent dit dat de vrijwillige
                    inburgeraar uitsluitend voor de eerste inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening geen eigen bijdrage wordt opgelegd. Behaalt hij het examen
                    niet en wenst hij opnieuw een traject te doorlopen, dan dient hij voor deze en
                    volgende voorzieningen wel een eigen bijdrage te betalen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 23 Herziening, intrekking en terugvordering van vrijwillige
                        inburgeraars</vet></al><al>De gemeenteraad stelt - conform de wet - bij verordening regels vast voor het
                    aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening met als doel
                    de vrijwillige inburgeraar te laten integreren in en deelnemen aan de
                    Nederlandse samenleving. Als een vrijwillige inburgeraar echter niet langer
                    voldoet aan de voorwaarden of verplichtingen voor de voortzetting van een
                    voorziening, vloeit daaruit voort dat er ook regels gesteld moeten kunnen worden
                    om deze te kunnen herzien of intrekken.</al><al>De rechtswetenschap en rechtspraak hanteren primair het uitgangspunt dat aan
                    intrekking of herziening van een toegekend recht of voorziening een wettelijke
                    bepaling ten grondslag dient te leggen, Zij erkennen tegelijkertijd ook dat
                    intrekking en herziening zonder wettelijke grondslag mogelijk moet zijn, mits
                    daarbij de algemene rechtsbeginselen in acht worden genomen. Op grond van dat
                    laatste is, bij ontbreken van een bepaling in de wet, in lid 1 van onderhavig
                    artikel alsnog de bevoegdheid opgenomen het recht op een verstrekte voorziening
                    te herzien of in te trekken op de aangegeven gronden. Uit de zinsnede 'in ieder
                    geval' blijkt dat daarmee geen limitatieve opsomming beoogd is. Er kunnen zich
                    namelijk specifieke individuele gevallen situaties voordoen waarin het artikel
                    niet voorziet, zodat enige flexibiliteit gewenst is. Herziening of intrekking op
                    een andere grond dan de aangegeven gronden is derhalve mogelijk, mits deze in
                    het beschikking zorgvuldig gemotiveerd is op basis van eveneens zorgvuldig
                    uitgevoerd onderzoek en gemaakte afweging.</al><al>De door het college verstrekte voorziening geschiedt in natura aan de
                    vrijwillige inburgeraar, waarvoor het echter een financiële vergoeding aan het
                    inburgeringsbedrijf verstrekt voor de uitvoering daarvan.</al><al>Deze vergoeding kan in de regel als subsidie in de zin van artikel 4:21 lid 1
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt worden. Daar de herziening of
                    intrekking van een voorziening i.e. de daarvoor verstrekte subsidie geen
                    wettelijke grondslag kent, dient deze op grond van Afdeling 4.2.6 van de Awb te
                    geschieden</al><al>Uit de term 'kan' blijkt dat het een bevoegdheid van het college betreft. Het
                    college kan derhalve per individuele zaak, gelet op alle omstandigheden van een
                    vrijwillige inburgeraar, besluiten al dan niet tot herziening of intrekking over
                    te gaan. Dit vereist uiteraard per individueel geval een zorgvuldig onderzoek en
                    rapportage alsmede een beschikking die specifiek gemotiveerd is.</al><al>Op basis van het besluit tot herziening of intrekking kan het college, gelet op
                    alle omstandigheden, besluiten de - aan het inburgeringsbedrijf - verstrekte
                    financiële vergoedingen terug te vorderen van de vrijwillige inburgeraar. Echter
                    voor de terugvordering van de verstrekte vergoedingen i.e. subsidie is eveneens
                    geen grondslag in de wet aanwezig. Terugvordering is om voorgaande reden ook
                    niet rechtstreeks mogelijk op grond van onderhavig lid 2 van de
                    verordening.</al><al>Terugvordering van vergoedingen i.e. subsidie dient op grond van Afdeling 4.2.7
                    van de Awb te geschieden. Terugvordering is met toepassing van artikel 4:57 lid
                    1 Awb uit die afdeling mogelijk op grond van de zgn. onverschuldigde betaling
                    van de verstrekte vergoedingen i.e. subsidie (lid 3).</al><al>Ingaande 1 juli 2009 is met de invoering van de vierde tranche van de Awb aan
                    artikel 4:57 een nieuw lid 2 toegevoegd dat bepaalt dat het terug te vorderen
                    bedrag bij dwangbevel ingevorderd kan worden. De toelichting daarop verwijst
                    naar - de tot titel 4.4 bestuursrechtelijke geldschulden behorende – afdeling
                    4.4.4 aanmaning en invordering bij dwangbevel (artikel 4:112 tot en met 4:123
                    Awb). Kort samengevat betekent dit dat, na uitblijven van de verzochte
                    terugbetaling binnen een gestelde aanmaningstermijn, tot dwanginvordering van
                    het terugvorderingsbedrag overgegaan kan worden middels een dwangbevel. Dit
                    dwangbevel levert een executoriale titel op, welke met toepassing van het
                    Wetboek van Burgerlijke</al><al>Rechtsvordering ten uitvoer gelegd kan worden. Een - tot 1 juli 2009
                    noodzakelijke - kostbare en arbeidsintensieve civielrechtelijke procedure voor
                    het verkrijgen van een dwanginvorderingstitel op grond van de zgn.
                    onverschuldigde betaling conform artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek, na
                    voorafgaande aanmaning en ingebrekestelling, is daarmee niet meer noodzakelijk.
                    Volledigheidshalve zij nog gemeld dat een bestuursorgaan laatstgenoemde
                    mogelijkheid nog wel heeft (behouden) op grond van art. 4:124 Awb (lid 4).</al><al>Nadrukkelijk zij nog gemeld dat uit de term 'kan' in lid 2 eveneens blijkt dat
                    terugvordering een bevoegdheid van het college betreft. Het college kan derhalve
                    per individueel geval, gelet op de mate van verwijtbaarheid en omstandigheden
                    van de persoon, besluiten al dan niet tot terugvordering over te gaan. Dit
                    vereist, evenals bij voorafgaande intrekking of herziening, echter een
                    zorgvuldig onderzoek, rapportage en afweging van alle relevante feiten en
                    omstandigheden alsmede een beschikking die specifiek gemotiveerd is. Kunnen
                    herziening of intrekking en terugvordering van een toegekende voorziening als op
                    zichzelf staande bevoegdheden in bovenbedoelde zin gebruikt worden, ze kunnen
                    echter ook als bijzondere vorm van sanctie ingezet worden. Voor dit laatste
                    wordt verwezen naar artikel 24 van de verordening en de toelichting daarop.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 24 Maatregelen bij verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen door
                        vrijwillige inburgeraars</vet></al><al>Op grond van artikel 24f Wij dient de gemeenteraad bij verordening regels te
                    stellen over de niet-nakoming van de vastgestelde uitvoering van de
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening door de vrijwillige
                    inburgeraar, d.w.z. welke gevolgen i.e. sancties verbonden worden aan het niet
                    naleven van de in de beschikking en inburgeringsovereenkomst neergelegde
                    afspraken en verplichtingen. De gemeenteraad is derhalve vrij in de vorm en
                    inhoud, maar niet in de keuze wel of geen gevolgen i.e. sancties aan
                    niet-nakoming te verbinden. Vervolgens rijst dan de vraag welke vorm en inhoud
                    de sancties of maatregelen kunnen of moeten krijgen. Vanuit het oogpunt van
                    rechtsgelijke en uniforme toepassing lijkt het opleggen van een boete, analoog
                    aan die voor de inburgeringsplichtigen,</al><al>als vorm van maatregel het meest voor de hand te liggen. Was het tot 1 januari
                    2010 wellicht mogelijk door in de inburgeringsovereenkomst een
                    (privaatrechtelijke) boete te bedingen bij niet-nakomen van de overeenkomst, met
                    de opname in de wet van de mogelijkheid van vrijwillige inburgering per 1
                    januari 2010 heeft die vrijwillige inburgering juridisch een ander karakter
                    gekregen. Met de opname de vrijwillige inburgering in een wet in formele en
                    materiële zin dient ook het opleggen van een boete aan vrijwillige inburgeraars
                    een wettelijke grondslag te hebben, zoals dit ook voor de inburgeringsplichtige
                    het geval is.</al><al>Gelet op het punitieve karakter van een boete en ontbreken van een wettelijke
                    grondslag daarvoor is het opleggen van een boete aan vrijwillige inburgeraars op
                    grond van de verordening niet mogelijk. Daar bij de wetswijziging geen
                    wettelijke grondslagen voor het opleggen van enige vorm van sanctie voor het
                    niet naleven van afspraken en verplichtingen door vrijwillige inburgeraars
                    ingebouwd zijn, is gekozen voor een maatregel in de vorm van een herziening van
                    het recht op de toegekende voorziening en terugvordering van de ten onrechte
                    verstrekte voorziening wegens het verwijtbaar niet of niet voldoende nakomen van
                    een op grond van artikel 21 opgelegde verplichting. De hoogte van het
                    herzienings- en terugvorderingsbedrag wordt uitgedrukt in een toegepast
                    percentage over de voor een vrijwillige inburgeraar toepasselijke hoogte van de
                    bijstandsnorm of inkomensvoorziengsnorm van een alleenstaande van 18 jaar of
                    ouder doch jonger dan 65 jaar. Voornoemd toe te passen percentage is gerelateerd
                    aan een niet of niet voldoende nagekomen verplichting. In lid 1 onder a en b van
                    onderhavig artikel zijn 2 percentages met verschillende categorieën van
                    verplichtingen onderscheiden. Wat betreft die categorieën is het belangrijk te
                    onderscheiden dat het gaat om verplichtingen die niet of niet behoorlijk
                    nageleefd worden <cursief>nadat eerder een </cursief>voorziening middels een
                    beschikking en inburgeringsovereenkomst toegekend is, waarbij tegelijkertijd een
                    of meer verplichtingen opgelegd zijn.</al><al>Gegeven het vrijwillige karakter wordt voor gedragingen tot de datum van afgifte
                    van de toekenningsbeschikking en inburgeringsovereenkomst geen maatregel
                    opgelegd. Het gaat dan om gedragingen als het niet verschijnen - inclusief
                    geboden hersteltermijn - op een uitnodiging voor een of meer gesprekken na een
                    verzoek voor een voorziening dan wel geen medewerking verlenen aan de
                    totstandkoming en samenstelling van een voorziening, die voor
                    inburgeringsplichtigen wel als beboetbare gedragingen - zie artikel 11 lid 1 en
                    lid 2 van de verordening - aangemerkt worden.</al><al>De 'indirecte maatregel' waarmee de vrijwillige inburgeraar in voornoemde
                    situaties geconfronteerd wordt is resp. het buiten behandeling stellen van het
                    verzoek (artikel 4:5 lid 1 Awb) en een beschikking waarbij besloten is tot
                    afwijzing van het verzoek wegens het niet kunnen vaststellen van een voorziening
                    wegens onvoldoende medewerking en/of onvoldoende verstrekken van
                    informatie.</al><al>Uit de term 'kan' blijkt dat het een bevoegdheid van het college betreft. Het
                    college kan derhalve per individueel geval, gelet op alle omstandigheden van een
                    vrijwillige inburgeraar, besluiten al dan niet een maatregel op te leggen. Dit
                    vereist uiteraard per individueel geval een zorgvuldig onderzoek en rapportage
                    alsmede een beschikking die specifiek gemotiveerd is (lid 1).</al><al>Bij het opleggen van een maatregel in bovendoelde zin is het noodzakelijk dat
                    het besluit tot herziening van het recht, het besluit tot het opleggen van een
                    maatregel voor het betreffende bedrag en het besluit tot terugvordering van dit
                    bedrag tezamen in één beschikking opgenomen worden vanwege de onlosmakelijke
                    verbondenheid van alle besluiten. In de beschikking zal tevens de wijze en de
                    termijn van betaling vermeld dienen te worden. Wanneer de vrijwillige
                    inburgeraar het bedrag niet binnen de gestelde termijn betaalt of geen
                    betalingsregeling getroffen heeft, wordt de invorderingprocedure als bedoeld in
                    lid 4 van artikel 23 in gang gezet (lid 2).</al><al>De leden 3 en 4 van onderhavig artikel zijn dezelfde in acht te nemen zaken als
                    die voor de boeteoplegging aan inburgeringsplichtigen gelden: zie voor lid 3 de
                    toelichting op lid 4 van artikel 11 en voor lid 4 de toelichting op lid 5 van
                    artikel 11 onder onderdeel c.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 25 Waarschuwing aan vrijwillige inburgeraars</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 12, waarbij voor inburgeringsplichtigen en boete
                    respectievelijk gelezen kan worden: vrijwillige inburgeraars en maatregel.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 26 Afzien van het opleggen van een maatregel voor vrijwillige
                        inburgeraars</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 13, waarbij voor inburgeringsplichtigen en boete
                    respectievelijk gelezen kan worden: vrijwillige inburgeraars en maatregel.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 27 Verhoging van de maatregelen voor vrijwillige inburgeraars bij
                        recidive</vet></al><al>Onderhavig artikel biedt het college de mogelijkheid bij recidive een maatregel
                    met een hoger percentage op te leggen. Evenals voor artikel 24 betreft het hier
                    een kan-bepaling: zie toelichting aldaar.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 28 Vergoedingen voor inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                        inburgeraars</vet></al><al>Onderhavig artikel biedt de mogelijkheid om kosten te vergoeden die voortkomen
                    uit deelname aan een inburgerings- of taalkennisvoorziening. Hierbij kan bijv.
                    gedacht worden aan kosten van kinderopvang, reizen, lesmateriaal etc. Voor
                    vergoeding van deze kosten dient voldaan te worden aan de in lid 2 vermelde
                    criteria.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 31 Overgangsrecht bonus</vet></al><al>Onderhavig artikel regelt het overgangsrecht voor de mogelijkheid van een bonus
                    voor het slagen van het examen, zoals die in de Verordening wet inburgering
                    gemeente Leiderdorp 2009 geregeld was. Artikel 9 van die verordening bepaalde
                    het volgende:</al><al/><tussenkop>Indien de inburgeringsplichtige of inburgeringsbehoeftige
                    binnen de gestelde termijn is geslaagd voor het inburgeringsexamen, Staatsexamen
                    Nederlands als tweede taal I of II of het examen op het niveau Mbo-1 of Mbo-2,
                    verstrekt het college een bonus ter hoogte van de eigen bijdrage.</tussenkop><al/><al>Nu met de vaststelling van de nieuwe verordening deze bonus vervallen is, dient
                    vanuit het oogpunt van rechtszekerheid een bepaling opgenomen te worden inzake
                    het behoud van het recht op een bonus voor de inburgeringsplichtige of
                    inburgeringsbehoeftige (d.i. de vrijwillige inburgeraar vóór 1 januari 2010)
                    voor wie vóór 1 januari 2011 (= inwerkingstredingsdatum verordening; zie artikel
                    32), onder het regime van de vorige verordening, een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening bij beschikking of overeenkomst is vastgesteld. Indien de
                    betreffende inburgeringsplichtige of inburgeringsbehoeftige vóór of na 1 januari
                    2011 met de uitvoering van de voorziening gestart is en na 1 januari 2011 slaagt
                    voor bovengenoemd examen, kan hij nog steeds aanspraak maken op de bonus van €
                    270,00.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>