<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85246_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Tiel 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zakengids 01-03-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Tiel 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-02-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>vervallen van artikel 2.3.3.3 t/m. 2.3.3.10</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Regelgevingregister 2013, nr. 1.06, Gemeenteraad 13-02-2013, nr. 6</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Gebiedsaanwijzing 4.4.1 APV 2009 (Vijverterrein)</al><al>Gebiedsaanwijzing 5.1.11 APV 2009 (overlast (brom)fietsen)</al><al>Gebiedsaanwijzing 2.7.1 APV 2009 (Opiumgebruik)</al><al>Gebiedsaanwijzing 2.8.2 APV 2009 (verbod zich in deze gebieden te bevinden)</al><al>Gebiedsaanwijzing 2.4.17 APV 2009 (losloopgebieden honden)</al><al>Aanwijzingsbesluit Plakplaatsen 2.4.2. APV 2006</al><al>Regels gebruik Ambtsmantuin 5.4.2. APV 2006</al><al>Gebiedswaanwijzing 2.4.8 APV 2006 (alcoholverbod)</al><al>Nadere regels inzameling bedrijfsafvalstoffer binnenstad Tiel 4.2.5.2 APV 2006</al><al>Aanwijzingsbesluit woonschepen 5.3.2. APV 2006</al><al>Gebiedsaanwijzing 5.1.5 APV 2005 (parkeerexcessen caravans)</al><al>Verbod verspreiden drukwerk e.d. 2.1.3.1. APV 2005</al><al>Vaststelling aantal dagen incidentele festiviteiten 4.1.3 APV 2005</al><al>Vaststelling aantal dagen collectieve festiviteiten 4.1.2. APV 2005</al><al>Aanwijzingsbesluit 5.1.11 APV 2009-promenade</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Algemene Plaatselijke Verordening Tiel 2006.</al><al>Op 17 augustus 2011 is artikel 2.9.1 toegevoegd (aanwijzing veiligheidsrisicogebieden). Deze wijziging treedt in werking op 27 augustus 2011.</al><al>Op 15 februari 2012 is artikel 1.9 (lex silencio positivo) toegevoegd.</al><al>Per 28-3-2013 zijn de artikelen 2.3.3.3 t/m 2.3.3.10 vervallen in verband met de inwerkingtreding van de Verordening Speelautomatenhallen Tiel 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-43843</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-43844</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Tiel 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Weg:</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan
                                            liggende en als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, die
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al><cursief>Openbaar water</cursief>: alle wateren die - al dan
                                    niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of
                                    anderszins toegankelijk zijn.</al></li><li nr="c."><al><cursief>Bebouwde kom</cursief>: het gebied, dat op de bij deze
                                    verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></li><li nr="d."><al><cursief>Rechthebbende</cursief>: een ieder die over enige zaak
                                    enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk
                                    recht.</al></li><li nr="e."><al><cursief>Voertuigen</cursief>: alle voertuigen, als bedoeld in
                                    artikel 1, onder a en onder al, van het Reglement verkeersregels
                                    en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                            voertuigen.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al><cursief>Vaartuigen</cursief>: alle vaartuigen, daaronder mede
                                    verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en
                                    ponten.</al></li><li nr="g."><al><cursief>Bouwwerk</cursief>: elke constructie van enige omvang
                                    van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                    bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is,
                                    hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld
                                    om blijvend ter plaatse te functioneren.</al></li><li nr="h."><al><cursief>Gebouw</cursief>: elk bouwwerk dat een voor personen
                                    toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
                                    omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="i."><al><cursief>Vee</cursief>: dieren die behoren tot de diersoorten
                                    genoemd in bijlage II, behorend bij artikel 55 van de
                                    Meststoffenwet.</al></li><li nr="j."><al><cursief>Handelsreclame</cursief>: iedere openbare aanprijzing
                                    van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                                    commercieel belang te dienen.</al></li><li nr="k."><al><cursief>Meet- en berekeningsmethoden</cursief>: voor zover een
                                    DIN-, NEN-, NEN-EN- of NEN-ISO-norm, waarnaar in een voorschrift
                                    wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van
                                    constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de voor de
                                    datum, waarop dit besluit in het Staatsblad is geplaatst, laatst
                                    uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven
                                    aanvullingen of correctiebladen dan wel - voor zover het op
                                    voornoemde datum reeds bestaande constructies, toestellen en
                                    apparaten betreft - de norm die bij de aanleg dan wel
                                    installatie van die constructies, toestellen en apparaten is
                                    toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald.</al></li><li nr="l."><al><cursief>Verjagingsmiddelen</cursief>:</al><lijst><li nr="1."><al>knalapparaten:gaskanonnen en overige apparaten die een
                                            impulsachtig geluid voortbrengen met als doel schadelijk
                                            gevogelte te verjagen;</al></li><li nr="2."><al>overige verjagingsmiddelen: </al><al>alle middelen, behalve knalapparaten en door menskracht
                                            of windkracht aangedreven verjagingsmiddelen, die
                                            gebruikt worden om schadelijk gevogelte te
                                            verjagen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="m."><al><cursief>Werkdagen</cursief>: maandagen, dinsdagen, woensdagen,
                                    donderdagen en vrijdagen, voor zover de dagen niet zijn erkend
                                    als feestdag ex artikel 3 van de Algemene termijnenwet.</al></li><li nr="n."><al><cursief>Binnenstad</cursief>: het gebied gelegen tussen de
                                    stadsgrachten, de Waalstraat en de Havendijk, zoals aangegeven
                                    op de bij deze verordening behorende kaart.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                ontheffing</label></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                ontheffing</label></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging
                                    wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                    waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke
                                    van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd</label></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt
                            voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is
                            bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen
                            verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.8 Weigeringsgronden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag
                                worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een vergunning of ontheffing welke voor één of
                                meerdere jaren is aangevraagd gedeeltelijk weigeren indien naar zijn
                                oordeel de belangen als bedoeld in het eerste lid of een eerlijke
                                verdeling van de openbare ruimte in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Lex silencio positivo</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op
                                de volgende artikelen in deze verordening:</al><al>- artikel 2.1.4.3 (ontheffing verbod optreden straatartiest);</al><al>- artikel 5.2.4 (vergunning organisatie snuffelmarkt).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de overige artikelen in deze verordening is paragraaf 4.1.3.3 van
                                de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Openbare orde</label></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1: ORDE EN VEILIGHEID OP DE WEG</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1:Bestrijding van ongeregeldheden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te
                                        ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding
                                        gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of
                                        dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is
                                        bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend
                                        bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of
                                        zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd gezag
                                        in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming
                                        van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2:Betoging</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare
                                        plaatsen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, moet daarvan voor de openbare
                                        aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat de betoging
                                        zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven aan de
                                        burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4,
                                        eerste lid, hierover is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                        terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een
                                        zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt
                                        dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen
                                        dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag
                                        is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn</label></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en
                                    een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                                treffen om een regelmatig verloop te
                                                bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3:Verspreiden van gedrukte stukken</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven
                                        of gedrukte stukken of afbeeldingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                        afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk
                                        aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan
                                        door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of
                                        het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4:Vertoningen e.d. op de weg</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4.2 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4.3 Straatartiest</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of
                                        gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen
                                        wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5: Bruikbaarheid en aanzien van de weg</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de
                                        weg in strijd met de publieke functie van de weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of
                                        een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                        publieke functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het hiervoor bepaalde beslist de
                                        burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die
                                        betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                        behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden
                                        over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing
                                        op:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels, vlaggenstokken en spandoeken
                                                indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren
                                                voor personen of goederen en niet voor commerciële
                                                doeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het
                                                voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en
                                                mits:</al><lijst><li nr="-"><al>geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven
                                                  dat gedeelte bevindt, en;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand
                                                  dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van
                                                  het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de
                                                  weg bevindt, en;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de
                                                  opgaande gevel reikt.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                                kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
                                                laden of lossen ervan en mits degene die de
                                                werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor
                                                zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan,
                                                in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of
                                                stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan
                                                gereinigd is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                                worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1;</al></li><li nr="g."><al>winkeluitstallingen en reclameborden als bedoeld in
                                                artikel 5.2.3a;</al></li><li nr="h."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2.2.2;</al></li><li nr="i."><al>van gemeentewege geplaatste objecten of voorwerpen
                                                mits de bruikbaarheid en de veiligheid van de weg
                                                niet in geding is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of
                                        stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun
                                        omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging
                                        schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de
                                        bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
                                        gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in het belang van het voorkomen of beperken
                                        van overlast, de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                        de omgeving of in het belang van verkeersvrijheid of-
                                        veiligheid nadere regels stellen ten aanzien van het in het
                                        eerste en tweede lid bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en vierde lid bepaalde geldt niet
                                        voor zover bij of krachtens wet, algemene maatregel van
                                        bestuur of provinciale verordening een voorziening is
                                        getroffen welke op dezelfde objecten of gedragingen ziet en
                                        hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van
                                        een weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg
                                        aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                        weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare
                                        ontsluitingswegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij
                                        het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het
                                        leggen, omleggen, vernieuwen, herstellen en verwijderen van
                                        kabels en buizen met toebehoren in wegen door een bedrijf
                                        dat zich in het kader van de openbare voorzieningen
                                        bezighoudt met de levering van gas, elektriciteit, water of
                                        warmte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                        krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                        verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                        objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5.3 Maken, veranderen van een uitweg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                                uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar
                                                de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg; </al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg; </al></li><li nr="c."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                                gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover bij of
                                        krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                        verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                        objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6: Veiligheid op de weg</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg
                                        te werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder
                                        4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.2 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk
                                        voorwerp</label></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                    hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                    uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of
                                    gevaar oplevert. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.</label></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.5 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.6 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.7 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.7a Dragen van gevaarlijke
                                        voorwerpen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen en
                                        daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en
                                        terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen
                                        die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te
                                        dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover door het bij zich dragen van deze
                                                voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in
                                                gevaar komt of kan komen;</al></li><li nr="b."><al>voor zover bij of krachtens wet, algemene maatregel
                                                van bestuur of provinciale verordening een
                                                voorziening is getroffen welke op dezelfde objecten
                                                of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen</label></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                    voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                    neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en
                                        verlichting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                        voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                        openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als
                                        bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan
                                        tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord
                                        of voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                        krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                        verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                        objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.9a Verwijdering e.d. voorzieningen voor
                                        verkeer en verlichting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar
                                        verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te
                                        wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te
                                        belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                        krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                        verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                        objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.10 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                                verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
                                                of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                        krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                        verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                        objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2: TOEZICHT OP EVENEMENTEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1
                                            van deze verordening gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.3 en 2.3.3.3
                                            van deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2.1.2.2, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                            weg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2 Evenement</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor kleine evenementen
                                    waarvoor op grond van een door de burgemeester vast te stellen
                                    regeling kan worden volstaan met een melding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het in
                                    het eerste lid gestelde.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                    krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                    verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                    objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3 Ordeverstoring</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                    wanordelijkheden te veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                    andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een
                                    zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid
                                    in gevaar komt of kan komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                    ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de
                                    openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 3: TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1: Toezicht op horecabedrijven</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                        voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                        logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
                                        rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                        of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval
                                        verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                        snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                        aanhorigheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                        besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                        horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                        en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                        spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                        verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                        een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
                                        artikel 2.3.1.2 of 2.3.1.3.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders
                                                wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn
                                                onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde
                                                graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als
                                                bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
                                                Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438,
                                                derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting
                                                wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning
                                        horecabedrijf</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                        vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                        burgemeester de vergunning indien de vestiging of
                                        exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een
                                        geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een
                                        winkel als bedoeld in</al><al> artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een
                                        nevenactiviteit is van de winkelactiviteit.</al><lijst><li nr="b."><al>Voor zowel de winkel als het horecabedrijf gelden de
                                                sluitingstijden als bedoeld in de
                                                Winkeltijdenwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorts geldt het eerste lid niet voor horecabedrijven voor
                                        zover de horeca een nevenactiviteit is van:</al><lijst><li nr="a."><al>zorginstellingen, instellingen bestemd voor de
                                                openbare dienst dan wel onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="b."><al>winkels, bedrijfsrestaurants en musea;</al></li><li nr="c."><al>rouwcentra;</al></li><li nr="d."><al>logies verstrekkende bedrijven volgens het systeem
                                                van bed &amp; breakfast;</al></li><li nr="e."><al>middelen van vervoer tijdens hun gebruik als
                                                zodanig.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.3 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit zonder
                                        vergunning voor bezoekers geopend te hebben en aldaar
                                        bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag
                                        tot en met vrijdag tussen 01:00 uur en 06:00 uur en op
                                        zaterdag en zondag tussen 02:00 uur en 06:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                                        sluiting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een
                                        of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                                        artikel 2.3.1.4 geldende sluitingstijden vaststellen of
                                        tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
                                        van de Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf,
                                        bezoekers toelaten</label></kop><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                    tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een
                                    op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te
                                    zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te
                                        verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van onenigheid, twist of gevecht in een
                                        horecabedrijf, bij brand of bij verstoring van de openbare
                                        orde in de nabijheid van het horecabedrijf, is de houder
                                        ervan, bedrijfsleider of beheerder verplicht op bevel van de
                                        politie het verstrekken van eetwaren c.q. het tappen te
                                        staken en te doen staken en zijn horecabedrijf te sluiten en
                                        te doen sluiten en te ontruimen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.8 Het college als bevoegd
                                        bestuursorgaan</label></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                    inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met
                                    2.3.1.5.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.9 Nadere regels</label></kop><al>De burgemeester is bevoegd nadere regels vast te stellen ter
                                    uitvoering van het in deze paragraaf gestelde, met betrekking
                                    tot de aard van te vestigen horecabedrijven, de wijze van
                                    exploitatie en het verstrekken en intrekken van
                                    vergunningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1.10 Afwijkende beslistermijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester beslist op de aanvraag om een vergunning
                                        binnen 13 weken na de datum waarop hij de aanvraag met
                                        bijbehorende bescheiden heeft ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester houdt de aanvraag aan, indien als gevolg van
                                        een andere wettelijke procedure redelijkerwijs geen gebruik
                                        kan of mag worden gemaakt van de exploitatievergunning tot
                                        de dag waarop is beslist in de genoemde procedure.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr="1."><al><cursief>inrichting</cursief>: elke al dan niet
                                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep
                                                of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van
                                                nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt
                                                verschaft;</al></li><li nr="2."><al><cursief>houder</cursief>: degene die een inrichting
                                                exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding
                                                heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie</label></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.2.3 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.2.4 Vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3: Toezicht op speelautomaten in
                                    individuelehorecagelegenheden en in speelautomatenhallen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lijst><li nr="a."><al><cursief>wet</cursief>: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al><cursief>besluit</cursief>: Speelautomatenbesluit
                                            2000;</al></li><li nr="c."><al><cursief>speelautomaat</cursief>: automaat als bedoeld
                                            in artikel 30, onder a van de Wet;</al></li><li nr="d."><al><cursief>behendigheidsautomaat</cursief>: een
                                            speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b van de
                                            Wet;</al></li><li nr="e."><al><cursief>kansspelautomaat</cursief>: een speelautomaat
                                            als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>hoogdrempelige inrichting</cursief>: inrichting
                                            als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;</al></li><li nr="g."><al><cursief>laagdrempelige inrichting</cursief>: inrichting
                                            als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet;</al></li><li nr="h."><al><cursief>speelautomatenha</cursief>l: een inrichting,
                                            bestemd om het publiek gelegenheid te even een spel door
                                            middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in
                                            artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet;</al></li><li nr="i."><al><cursief>ondernemer</cursief>: de natuurlijke of
                                            rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;</al></li><li nr="j."><al><cursief>beheerder</cursief>: degene die met het
                                            dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de
                                            speelautomatenhal is belast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.2 Opstelplaatsenbeleid</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten
                                        toegestaan, waarvan maximaal 2 kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn eveneens 3
                                        speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat
                                        kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.3</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.4 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.5 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.6</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.7 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.8 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.9 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3.10 Vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4: MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDAGIGHEID</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
                                    behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Plakken en kladden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg, of op dat gedeelte van een onroerende
                                    zaak dat vanaf de weg zichtbaar is, dan wel op een op de weg
                                    staande roerende zaak:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te</al><al> plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te
                                            brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, mits die geen betrekking
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al/></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al/></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfgereedschap te vervoeren of
                                bij zich te hebben indien deze zijn bestemd voor handelingen als
                                verboden in artikel 2.4.2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg te vervoeren of bij zich te hebben:
                                    lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander
                                    gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich
                                    onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                    onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                    middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde
                                    gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn bestemd voor de
                                    in het eerste lid bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                    bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                    wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten
                                    de daarin gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.6 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                            beeld, monument,</al><al> overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                            voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                            verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                            weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                            veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                    Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.7a Verplichte route</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen
                                    verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem
                                    aangewezen route af te wijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het
                                    college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                    drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank en Horecawet;</al></li><li nr="c."><al>een plaats waar een evenement als bedoeld in artikel
                                            2.2.2, tweede lid plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek
                                    toegankelijke ruimten</label></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een
                                openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</label></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    kermisterrein e.d.</label></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.13 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.14 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.15 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.16 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.17 Loslopende honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                            aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte</al><al> kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                            andere door het college aangewezen plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                            een ander</al><al> identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk
                                            doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet
                                    voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als
                                    zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of
                                    houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                    geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede
                                            bestemd voor het</al><al> verkeer van voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte</al><al> kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid, onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich
                                    met een hond op de weg bevindt, een opruimmiddel bij zich te
                                    hebben dat geschikt is voor het verwijderen van
                                    uitwerpselen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht dit opruimmiddel
                                    op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudende
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                    terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de
                                            eigenaar of de houder</al><al> heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                            hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het
                                            gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                            nadat het college</al><al> aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat
                                            het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een
                                            aanlijn-en muilkorfgebod in verband met het gedrag van
                                            die hond noodzakelijk vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor
                                    het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien
                                    moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar
                                    identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>muilkorf:</cursief> een muilkorf als bedoeld in
                                            artikel 1, onder d, van de Regeling</al><al> agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al><cursief>kort aanlijnen</cursief>: aanlijnen van een
                                            hond met een lijn met een lengte, gemeten</al><al> van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50
                                            meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve
                                    dieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.20 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.21 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.22 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.23 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.24 Vervallen</label></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 5: BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN
                                GOEDEREN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a<cursief>.</cursief><cursief> handelaar</cursief>: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>b<cursief>.</cursief><cursief> verkoopregister</cursief>: het
                                aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen
                                van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voorzover dat mogelijk</al><al> is - soort, merk en nummer van het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter,
                                    eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht</label></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter,
                                        tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester
                                        of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in
                                        kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte
                                        maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn
                                        woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door
                                        hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                    goederen</label></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat
                                    een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                    inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
                                    wijze overdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al><cursief> a.</cursief><cursief> horecabedrijf</cursief>: het
                                    bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste en tweede
                                    lid;</al><al><cursief> b.</cursief><cursief> houder:</cursief> de houder als
                                    bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 6: VUURWERK</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.2 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een
                                    voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
                                    gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 7: DRUGSOVERLAST</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of
                                    aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen
                                    en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of
                                    daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel
                                    om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of
                                    daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te
                                    leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te
                                    zijn of daarin te bemiddelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het is verboden op
                                    of aan de door het college aangewezen plaatsen middelen als
                                    bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe
                                    te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of
                                    voorwerpen, dan wel stoffen voorhanden te hebben waarvan
                                    redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze voor het gebruik
                                    van deze middelen worden aangewend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan, zoals
                                    naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende
                                    voorwerpen op of aan de openbare weg achter te laten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing op voorwerpen of activiteiten die in het belang van
                                    de volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de
                                    bestrijding van drugsverslaving, van overheidswege worden
                                    bevorderd of zijn goedgekeurd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 8: BESTUURLIJKE OPHOUDING EN
                                VERBLIJFSONTZEGGINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding</label></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.5.1, 2.1.5.2, 2.1.6.4,
                                2.1.6.7a, 2.1.6.9a, 2.2.3, 2.4.7, 2.4.7a, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.10,
                                2.6.3, 2.7.1 of 5.5.1 groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.8.2 Verblijfsontzeggingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                    degene die zich gedraagt in strijd met artikel 138, 141, 180,
                                    181, 182, 184, 267, 285, 287, 300, 302, 310, 311 vijfde lid,
                                    317, 318, 350, 424, 426 of 453 van het Wetboek van Strafrecht,
                                    artikel 2.1.1.1, 2.1.6.7a, 2.2.3, 2.3.1.10, 2.4.8, 2.7.1 of
                                    3.2.6 van deze verordening, artikel 2 of 3 van de Opiumwet,
                                    artikel 13, 22, 26, 27 of 31 van de Wet Wapens en Munitie, een
                                    verbod opleggen om zich te bevinden op of aan de door de
                                    burgemeester aangewezen plaatsen, gedurende tijdvak van:</al><lijst><li nr="a."><al>24 uur, indien de gedraging:</al><lijst><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 2.1.1.1, 2.1.6.7a,
                                                  2.2.3, 2.3.1.7 of 2.4.8 van deze verordening;</al></li><li nr="-"><al>een eerste overtreding van artikel 3.2.6 van
                                                  deze verordening betreft,</al><al>of;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 424, 426 of 453 van het
                                                  Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>zes weken, indien de gedraging:</al><lijst><li nr="-"><al>een eerste herhaling van de overtreding van
                                                  artikel 3.2.6 van deze verordening betreft;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 2.7.1 tweede of derde
                                                  lid van deze verordening;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 138, 141, 180, 181,
                                                  182, 184, 267, 285, 300, 310, 311 vijfde lid of
                                                  350 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met bepaalde in de Opiumwet en
                                                  bestaat uit het bezit vaneen grotere hoeveelheid
                                                  drugs dan de hoeveelheid die doorgaans wordt
                                                  aangeboden als gebruikershoeveelheid;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met bepaalde in de Opiumwet en
                                                  bestaat uit het gebruik vanharddrugs op de weg of
                                                  nabij een voor een ieder toegankelijke plaats of
                                                  gelegenheid, of;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 13 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>twaalf weken, indien de gedraging:</al><lijst><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 141, 287, 302, 317 of
                                                  318 van het Wetboek van Strafrecht;een tweede
                                                  herhaling van de overtreding van artikel 3.2.6 van
                                                  deze verordening betreft;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 2 of 3 van de Opiumwet,
                                                  dan wel bestaat uit handelingen als bedoeld in
                                                  artikel 2.7.1 eerste lid van deze verordening,
                                                  of;</al></li><li nr="-"><al>in strijd is met artikel 22, 26 of 27 van de Wet
                                                  wapens en munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                    degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid
                                    is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het
                                    opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich
                                    opnieuw gedraagt in strijd met een of meerdere van de in het
                                    eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich
                                    gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste
                                    twaalf weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen,
                                    waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben
                                    plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod,
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 9: VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al/><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 10: CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van de volgende binnen de Gemeente Tiel
                                    gelegen voor een ieder toegankelijke plaatsen:</al><lijst><li nr="a."><al>parkeerplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>sportvelden;</al></li><li nr="c."><al>schoolpleinen;</al></li><li nr="d."><al>jongeren ontmoetingsplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>trein- en busstations.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                            e.d.</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1:Begripsomschrijvingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief> prostitutie:</cursief> het zich beschikbaar
                                        stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een
                                        ander tegen vergoeding;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al><cursief> prostituee:</cursief> degene die zich beschikbaar
                                        stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een
                                        ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al><cursief> seksinrichting</cursief>: de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                        worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
                                        aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
                                        geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                        sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
                                        waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan
                                        niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief> escortbedrijf:</cursief> de natuurlijke persoon,
                                        groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                        die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                        uitgeoefend;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al><cursief> sekswinkel:</cursief> de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                        van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al><cursief>raamprostitutiebedrijf:</cursief> een
                                        seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de
                                        prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te
                                        vestigen.</al></li><li nr="g."><al><cursief>straatprostitutie</cursief>: het uitnodigen van
                                        passanten tot prostitutie door handelingen, houding, woord,
                                        gebaar of door op andere wijze passanten tot prostitutie
                                        bewegen.</al></li><li nr="h."><al><cursief>exploitant:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                        personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                        seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="i."><al><cursief>beheerder:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                        personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent
                                        in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li></lijst><lijst><li nr="j."><al><cursief>bezoeker:</cursief> degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van:</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                        6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan</label></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.1.3 Nadere regels</label></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere
                                regels vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2:Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting te exploiteren of te wijzigen
                                    zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan in door het
                                    college aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in andere dan de in het eerste lid genoemde
                                    gebieden of delen van de gemeente een seksinrichting te
                                    exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan
                                    een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het
                                    aantal te verlenen vergunningen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag om een vergunning dient te geschieden door middel
                                    van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld en overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant; en</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
                                            en</al></li><li nr="d."><al>het aantal werkzame prostituees; en</al></li><li nr="e."><al>de plaatselijke kadastrale ligging van de inrichting
                                            door middel van een situatietekening met een schaal van
                                            tenminste 1:1000; en</al></li><li nr="f."><al>de plattegrond van de inrichting door middel van een
                                            tekening met een schaal van tenminste 1:100;</al></li><li nr="g."><al>een bewijs van inschrijving in het handelsregister van
                                            de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="h."><al>een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd
                                            is tot het gebruik van de ruimte voor de
                                            seksinrichting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                            Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                                            wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                            eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                            toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet
                                            arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en
                                            met 249, 250, 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                            417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                            Strafrecht;</al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                            de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid ondera van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum vanbeslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van deintrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2.3 Sluitingstijden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                    bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    gedurende de op grond van het eerste lid opgelegde
                                    sluitingstijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4,
                                    eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover bij of krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of
                                    provinciale verordening een voorziening is getroffen welke op
                                    dezelfde objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief
                                    heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                    (tijdelijke) sluiting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                    belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                    hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste
                                            of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2.6 Straat- en raamprostitutie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een raamprostitutiebedrijf te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2.7 Sekswinkels</label></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografischegoederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen indien het bevoegd bestuursorgaan
                                    aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare
                                    orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3: Beslissingstermijn; weigeringsgronden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3.2.2 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met de artikel 273f van het Wetboek van
                                            Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.</al></li><li nr="d."><al>het maximale aantal af te geven vergunningen voor
                                            seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                            -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="f."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                            prostituee;</al></li><li nr="g."><al>indien niet is voldaan aan het gestelde in de nadere
                                            regels als bedoeld in artikel 3.1.3.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4: Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
                                    onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                    feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen
                                    een week na de feitelijke beëindiging van het beheer
                                    schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5: Vervallen</label></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                            voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</label></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1: GELUID- EN LICHTHINDER</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Besluit:</cursief> het Besluit algemene regels voor
                                        inrichtingen milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al><cursief>inrichting:</cursief> een inrichting type A of type
                                        B als bedoeld in het Besluit, met uitzondering van op de weg
                                        gelegen terrassen;</al></li><li nr="c."><al><cursief>houder van een inrichting:</cursief> degene die als
                                        eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een
                                        inrichting drijft;</al></li><li nr="d."><al><cursief>collectieve festiviteit:</cursief> festiviteit die
                                        niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is
                                        verbonden;</al></li><li nr="e."><al><cursief>incidentele festiviteit:</cursief> festiviteit of
                                        activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal
                                        inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al><cursief>geluidsgevoelige gebouwen:</cursief> woningen en
                                        gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder
                                        worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met
                                        uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                                        inrichting;</al></li><li nr="g."><al><cursief>geluidsgevoelige terreinen:</cursief> terreinen die
                                        op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden
                                        aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering
                                        van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al><cursief>onversterkte muziek:</cursief> muziek die niet
                                        elektronisch is versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beperking met betrekking tot de verlichting als bedoeld in
                                    artikel 4.113 van het Besluit geldt niet voor de door het
                                    college op grond van het eerste lid aangewezen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college
                                    bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter beperking van
                                    geluidshinder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit bepaalt het college het
                                    aantal dagen gedurende welke het een inrichting jaarlijks is
                                    toegestaan incidentele festiviteiten te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende deze dagen zijn de geluidsnormen als bedoeld in de
                                    artikelen 2.17, 2.19, 2.20 en de beperking met betrekking tot
                                    verlichting als bedoeld in artikel 4.113 van het Besluit niet
                                    van toepassing mits de houder van de inrichting ten minste twee
                                    weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                    kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college
                                    op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele
                                    festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                    toestaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter beperking van
                                    geluidshinder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.4 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.5 Onversterkte muziek</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek,
                                            zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en het
                                            vijfde lid van het Besluit, binnen inrichtingen is de
                                            onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien
                                            verstande dat;</al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                                  aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien
                                                  de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                                  toestemming geeft voor het in redelijkheid
                                                  uitvoeren of doen uitvoeren van
                                                  geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel
                                                  gelden of bij gevoelige terreinen op de grens van
                                                  het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden
                                                  in geluidsgevoelige ruimten en
                                                  verblijfsruimten;</al><al> d bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals
                                                  vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie
                                                  wordt toegepast.</al></li><li nr="e."><al>Tabel</al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="31*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colwidth="24*"/><colspec colname="col4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>7.00 – 19.00 uur</al></entry><entry colname="col3"><al>19.00 – 23.00 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>23.00 – 7.00 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte
                                    elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte
                                    muziek en is het Besluit van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4.1.2 en of artikel
                                    4.1.3 van deze verordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.6 Overige geluidhinder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben
                                    of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een
                                    omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan de burgemeester van het
                                    verbod ontheffing verlenen indien de ontheffing betrekking heeft
                                    op openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede de voor het
                                    publiek openstaande gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan aan de onder het tweede en derde
                                    lid bedoelde ontheffing voorschriften ter voorkoming of
                                    beperking van geluidshinder verbinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het vierde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                    betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>het maximale geluidsniveau;</al></li><li nr="-"><al>de situering van geluidsbronnen;</al></li><li nr="-"><al>de frequentie en tijden van gebruik.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover bij of krachtens wet, algemene maatregel van
                                            bestuur of provinciale verordening een voorziening is
                                            getroffen welke op dezelfde objecten of gedragingen ziet
                                            en hetzelfde motief heeft;</al></li><li nr="b."><al>voor het op of aan de weg ten gehore brengen van
                                            onversterkte muziek, met uitzondering van
                                            draaiorgels;</al></li><li nr="c."><al>indien er sprake is van een evenement als bedoeld in
                                            artikel 2.2.1.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.6a Het in werking hebben van knalapparaten ter
                                    verjaging van schadelijk gevogelte</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden knalapparaten ter verjaging van schadelijk
                                    gevogelte in werking te hebben dan wel te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het knalapparaat in werking is, dan wel gebruikt wordt
                                            tussen 07.00 uur en 21.00 uur; en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de afstand tot een woning van een derde meer bedraagt
                                            dan 50 meter; en</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het bronvermogen op 20 meter afstand niet meer bedraagt
                                            dan 120 dB(A); en</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>binnen een afstand van 100 meter geen ander knalapparaat
                                            in werking is of gebruikt wordt; en</al></li><li nr="e."><al>de afstand tot de openbare weg meer bedraagt dan 50
                                            meter of de verkeersdeelnemers op een deugdelijke wijze
                                            worden gewaarschuwd voor het inwerking zijnde apparaat;
                                            en</al></li><li nr="f."><al>het aantal knallen in relatie tot de afstand tot
                                            woningen niet meer bedraagt dan:</al><al> 50 - 500 meter 1 knal per 10 minuten;</al><al> 501 - 750 meter 1 knal per 5 minuten;</al><al>&gt; 750 meter 1 knal per minuut.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.6b Het in werking hebben of het gebruiken van
                                    overige middelen ter verjaging van schadelijk gevogelte, anders
                                    dan bedoeld in artikel 4.1.6.a</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden overige middelen ter verjaging van schadelijk
                                    gevogelte in werking te hebben dan wel te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verjagingsmiddelen in werking zijn of gebruikt worden
                                            tussen 07.00 uur en 21.00 uur en;</al></li><li nr="b."><al>de afstand tot een woning van een derde meer bedraagt
                                            dan 25 meter en;</al></li><li nr="c."><al>het bronvermogen van één verjagingsmiddel of van de
                                            gezamenlijke verjagingsmiddelen niet meer bedraagt dan
                                            95 dB(A).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.1.6c (Geluid)hinder door dieren</label></kop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                veroorzaakt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2: BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1, 2, 3, 4: Vervallen</label></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5: Het zich ontdoen van andere categorieën van
                                    afvalstoffen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.2.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2.2Natuurlijke behoefte doen</label></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                    natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde
                                    inrichting of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2.3 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2.4 Gereserveerd</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2.5.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2.5.2 Inzameling andere categorieën
                                        afvalstoffen door derden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan regels stellen voor het ter inzameling
                                        aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de
                                        inzameldienst als bedoeld in de Afvalstoffenverordening
                                        Regio Rivierenland.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te
                                        bieden in strijd met deze regels.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder afvalstoffen wordt in deze afdeling verstaan: alle
                                        stoffen, preparaten of andere producten, waarvan de houder
                                        zich – met het oog op de verwijdering daarvan – ontdoet,
                                        voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder bedrijfsafvalstoffen wordt in deze afdeling verstaan:
                                        hetgeen ingevolge artikel 1.1. van de Wet milieubeheer onder
                                        dat begrip dient te worden verstaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder huishoudelijke afvalstoffen wordt in deze afdeling
                                        verstaan: hetgeen ingevolge artikel 1.1. van de Wet
                                        milieubeheer onder dat begrip dient te worden verstaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2.5.3 Vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6:Vervallen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.2.6.1 Vervallen</label></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 3: VERVALLEN</label></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                    afvalstoffen enz</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                    aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                    een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen
                                    of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben,
                                    anders dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                    regels:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere
                                            dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden
                                            gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    door hen aangeduid voorwerp of stof:</al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders
                                            dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                            regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste en derde lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    bij of krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of
                                    provinciale verordening een voorziening is getroffen welke op
                                    dezelfde objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief
                                    heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4.2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                                    reclame</label></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4.3 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken
                                    van eet- en drinkwaren</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of andere
                                    dergelijke inrichtingen waar eet- en/of drinkwaren worden
                                    verkocht welke ter plaatse kunnen worden genuttigd, is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>een mand, bak of soortgelijk voorwerp in of nabij de
                                            inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te
                                            hebben, waarin het publiek papier, etensresten,
                                            verpakkingsmateriaal en ander afval kan
                                            achterlaten;</al></li><li nr="b."><al>zorg te dragen dat die mand, die bak of dat soortgelijke
                                            voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval
                                            daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die mand, die
                                            bak of dat voorwerp steeds tijdig wordt geledigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder of beheerder van een inrichting bedoeld in het eerste
                                    lid is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na
                                    sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op
                                    eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op
                                    de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van
                                    de inrichting op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen,
                                    voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en het tweede lid gestelde verplichting geldt
                                    niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                    voorschriften van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4.4 Straatafval</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te
                                    laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of
                                    anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of
                                    soortgelijke voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om andere stoffen dan straatafval achter te
                                    laten in de daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of
                                    voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder straatafval wordt verstaan: huishoudelijke afvalstoffen
                                    van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier,
                                    plastic bekertjes en blikjes, niet zijnde klein chemisch afval
                                    alsmede (reclame)folders of (reclame)strooibiljetten indien deze
                                    niet terstond van de weg worden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de
                                    weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te
                                    laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te
                                    verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig
                                    kan worden beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen,
                                    stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu
                                    nadelig wordt beïnvloed, is degene die de genoemde werkzaamheden
                                    verricht, alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te
                                    reinigen of te laten reinigen:</al><lijst><li nr="a."><al>direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de
                                            verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het
                                            verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;</al></li><li nr="b."><al>direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de
                                            verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het
                                            verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;</al></li><li nr="c."><al>indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke
                                            dag na beëindiging van de werkzaamheden.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente</label></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1: PARKEEREXCESSEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>weg:</cursief> de weg, als bedoeld in artikel 1,
                                        eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al><cursief>voertuigen</cursief>: alle voertuigen met
                                        uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen, bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>gehandicaptenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                                verkeersregels</al><al> en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                                voertuigen, rolstoelen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                        het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                    e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 100 meter met als middelpunt een
                                            dezer voertuigen; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in
                                            het eerste lid genoemde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                    weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel
                                    het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen</label></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch
                                    in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                    krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                    verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                    objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.5 Caravans e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                    magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
                                    voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of
                                    mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan drie elkaar opvolgende dagen te plaatsen of
                                            te hebben op de weg of op een vanaf de weg zichtbare
                                            plaats, gelegen in de binnenstad van Tiel, of;</al></li><li nr="b."><al>langer dan een periode van negen dagen - bestaande uit
                                            maximaal vijf werkdagen - te plaatsen of te hebben op de
                                            weg gelegen binnen de bebouwde kom, met uitzondering van
                                            de binnenstad, of;</al></li><li nr="c."><al>op een door het college om redenen van uiterlijk aanzien
                                            aangewezen plaats te parkeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid is het verboden een
                                    woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen,
                                    aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                    recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan
                                    verkeersdoeleinden wordt gebezigd langer dan 35 al dan niet
                                    aaneengesloten dagen per kalenderjaar op de aldaar genoemde
                                    wegen aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid en
                                    tweede lid gestelde verbod indien het belang dat is gemoeid bij
                                    de beschikbaarheid van voldoende parkeergelegenheid en het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente niet opweegt tegen het nadeel
                                    dat betrokkene van dat verbod ondervindt als gevolg van:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn aantoonbaar blijvende afhankelijkheid van het
                                            voertuig als gevolg van een aantoonbare lichamelijke of
                                            geestelijke beperking;</al></li><li nr="b."><al>een andere bijzondere omstandigheid mits deze niet is
                                            gelegen in zijn afhankelijkheid van het voertuig vanwege
                                            zijn beroep of bedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    bij of krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of
                                    provinciale verordening een voorziening is getroffen welke op
                                    dezelfde objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief
                                    heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                    reclameaanduiding, op de weg te parkeren met het kennelijk enige
                                    doel om daarmee reclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar met een
                                    ontheffing een reclamevoertuig geparkeerd mag worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.7 Verbod parkeren van grote voertuigen in het
                                    kader van het uiterlijk aanzien van de gemeente of het excessief
                                    gebruik van de weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,6 meter te parkeren op andere dan door burgemeester en
                                    wethouders bij openbaar te maken besluit aangewezen wegen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur voorzover het een excessief gebruik van de weg betreft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                    voertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,6
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.9 Vervallen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door
                                    voertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                    dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen
                                    of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                            uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                            overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                            bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2: COLLECTEREN, VENTEN, STANDPLAATSEN,
                                WINKELUITSTALLINGEN EN SNUFFELMARKTEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                    inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2 Venten e.d.</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2.1 Begripsomschrijving</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen op of aan de weg, aan huis dan wel op
                                    een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht
                                    gelegen plaats, dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en
                                            markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in
                                            artikel 5.2.4 van deze verordening;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen als bedoeld in het eerste lid op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.1 van deze
                                            verordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2.2 Ventverbod</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op de weg waar een evenement
                                    plaatsvindt zonder schriftelijke toestemming van de
                                    vergunninghouder of melder als bedoeld in artikel 2.2.2.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van het
                                    Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2.3 Vrijheid van meningsuiting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5.2.2.3 geldt niet voor venten met
                                    gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                            daarvan; en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                    tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3 Standplaatsen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3.1 Begripsomschrijving</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het
                                    publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop
                                    aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins
                                    aanbieden van goederen of diensten, gebruikmakend van eenvoudig
                                    verplaatsbare fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of
                                    een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in
                                            artikel 160, eerste lid onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                            2.2.1;</al></li><li nr="c."><al>vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                            5.2.4.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3.2 Standplaatsvergunning en
                                    weigeringsgronden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd vanwege strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het
                                    gebruik van standplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3.3 Toestemming rechthebbende</label></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3.4. Afbakeningsbepalingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond overlast geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, geldt niet
                                    voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3.5 Aanhoudingsplicht</label></kop><al>Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan,
                                indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een
                                vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is
                                vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het tweede
                                lid, tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning
                                als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3a Winkeluitstallingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op, aan of
                                    boven de weg, in, aan of boven een openbaar water dan wel op aan
                                    of boven een andere al dan niet met enige beperking voor publiek
                                    toegankelijke plaats goederen uit te stallen of uitgestald te
                                    hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te
                                    verstrekken aan het publiek, dan wel in het kader van de verkoop
                                    vanuit een winkeltafels, rekken of reclameborden te plaatsen of
                                    geplaatst te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het
                                    gebruik van winkeluitstalling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al><lijst><li nr="a."><al>in of op een - al dan niet met enige beperking - voor
                                            het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te
                                            organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige
                                            goederen worden verhandeld;</al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te
                                            geven, dat in of op een - al dan niet met enige
                                            beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats
                                            met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel
                                            standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan
                                            publiek aan te bieden, te verkopen of te
                                            verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en
                                    voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik
                                    zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                    bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een
                                    krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 3: OPENBAAR WATER</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar
                                    water</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige
                                    vaartuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                    krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                    verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                    objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                    krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                    verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                    objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats</label></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede
                                lid, en 5.3.3 bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover bij of
                                    krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                    verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                    objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen</label></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover bij of
                                    krachtens wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale
                                    verordening een voorziening is getroffen welke op dezelfde
                                    objecten of gedragingen ziet en hetzelfde motief heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4: CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN
                                NATUURGEBIEDEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1Crossterreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets of met een
                                    fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de door het college aangewezen
                                            plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen gelegen binnen de door het college aangewezen
                                            plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 5: VERBOD VUUR TE STOKEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                    inrichtingen of anderszins vuur te stoken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen
                                            gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                            oplevert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna .</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 6: VERSTROOIING VAN AS</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.6.1 Begripsomschrijving</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.6.2 Hinder of overlast</label></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 7: OPENLUCHTRECREATIE</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.7.1 Begripsomschrijving</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>kampeermiddel:</cursief> Een onderkomen of
                                        voertuig, dat opgericht is dan wel gebruikt wordt voor het
                                        houden van nachtverblijf;</al></li><li nr="b."><al><cursief>visser:</cursief> Een natuurlijk persoon die niet
                                        bedrijfsmatig vist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.7.2 Nachtverblijf buiten kampeerterreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te
                                    houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het
                                    bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik
                                            door de rechthebbende op een terrein, mits dit gebruik
                                            niet in strijd is met het bestemmingsplan;</al></li><li nr="b."><al>voor het plaatsen van kampeermiddelen door een visser,
                                            mits deze niet langer dan gedurende twee opeenvolgende
                                            nachten worden geplaatst en die plaatsing voor de
                                            omgeving geen hinder of overlast veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                    eerste lid indien de kampeermiddelen worden geplaatst ten
                                    behoeve van een evenement of sportieve activiteit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.7.3 Aanwijzing plaatsen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van
                                        artikel 5.7.2. eerste lid, niet geldt voor het plaatsen van
                                        één of meerdere soorten kampeermiddelen gedurende maximaal
                                        twee opeenvolgende nachten.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het
                                        gebruik van kampeermiddelen en het verblijf op de aangewezen
                                        plaatsen.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.1 Strafbepaling</label></kop><al>Overtreding van de in deze verordening voorkomende verbodsbepalingen en
                            het niet of het niet ten volle naleven van één of meer voorschriften en
                            beperkingen, die gesteld zijn aan een ingevolge deze verordening
                            verleende ontheffing of vergunning wordt gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2 Toezichthouders</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>functionarissen werkzaam bij de Gemeente Tiel indien zij
                                            werkzaam zijn bij een van de volgende afdelingen:
                                            Bestuur en Communicatie, Stadsbeheer, Bouwen, Milieu en
                                            Monumenten en de Brandweer;</al></li><li nr="b."><al>functionarissen werkzaam bij de Politie
                                            Gelderland-Zuid;</al></li><li nr="c."><al>inspecteurs werkzaam bij de Dierenbescherming;</al></li><li nr="d."><al>functionarissen die door het bevoegd gezag zijn
                                            aangewezen als toezichthouder of bijzonder
                                            opsporingsambtenaar ten aanzien van de
                                            Afvalstoffenverordening Regio Rivierenland 2004.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                    college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</label></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                                verordening</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die
                                    waarop zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>De Algemene plaatselijke verordening Tiel 2006 wordt
                                    gelijktijdig met de inwerkingtreding, als bedoeld in het eerste
                                    lid, ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                                verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien
                                en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij
                                niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende twee jaren
                                na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voorzover de
                                bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn
                                opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende twee jaren na
                                de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op
                                grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de
                                overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen
                                de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing
                                van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in
                                deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                                vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                                voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het
                                bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                                vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een
                                verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van
                                toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende 2 weken na het in werking treden van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
                                        vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn
                                        een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze
                                        aanvraag is beslist.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                                heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de
                                aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.6 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            Tiel 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Kaart binnenstad</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Tiel/i2290.pdf">kaart binnenstad</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Kaart bebouwde kom</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Tiel/i2289.pdf">kaart bebouwde kom</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>