<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR85050_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Zwolle 2010.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Peperbus (06-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Zwolle 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 38 Monumentenwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging artikel 1,9,11,11a,11b,12 en 18</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 1-2010.125</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Uitvoerings voroschriften voor onderhoud en herstel van beschermde monumenten</al><al>Regeling onderzoekkaders archeologie</al><al>Regeling excessieve opgravingskosten Zwolle</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wanneer is een gebouw een gemeentelijk monument en hoe moet men met zo'n monumentelijk gebouw omgaan?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>ERFGOEDVERORDENING ZWOLLE 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="b."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder a;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd
                                    gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken of terreinen
                                    bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="3."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="4."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="5."><al>monumentencommissie: de op basis van artikel 15, lid 1
                                    Monumentenwet 1988, door het college ingestelde
                                    welstands/monumentencommissie, die als taak heeft het college op
                                    verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, deze verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="6."><al>uitvoeringsvoorschriften: de door het college vastgestelde
                                    voorschriften voor uitvoering van werkzaamheden aan beschermde
                                    monumenten;</al></li><li nr="7."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="8."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    gaat beantwoorden;</al></li><li nr="9."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische
                                    kwaliteit van een monument;</al></li><li nr="10."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="11."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="12."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                onroerende zaak aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in lid 1 moet onderbouwd zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college over de aanwijzing advies aan de monumentencommissie. In
                                spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 4 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 16 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk</al><al>gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven
                            hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een wijziging zijn artikel 3, tweede, derde en vierde lid, en
                                artikel 4, eerste en tweede lid, van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte
                                betekenis, is blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3,
                                tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 4, eerste lid,
                                achterwege.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, derde lid, en artikel 4, eerste en tweede lid, zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de intrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het beschermde gemeentelijke monument.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging als bedoeld in artikel 6
                                worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking als bedoeld in artikel 7 en de datum waarop de
                                aanwijzing is ingetrokken worden op de gemeentelijke monumentenlijst
                                aangetekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Instandhoudingsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                artikel 1, lid 1, sub a, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd
                                met de voorschriften uit een verleende vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschermd gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel
                                        1, lid 1, sub a, af te breken, te verstoren, te verplaatsen
                                        of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een beschermd gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel
                                        1, lid 1, sub a, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                        gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of
                                        in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onderhoud en herstel van een beschermd monument dient plaats te
                                vinden volgens door het college vastgestelde
                                uitvoeringsvoorschriften.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningsplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd en
                                indien die regels worden nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bescherming als bedoeld in de het eerste, tweede en derde lid
                                geldt slechts ten aanzien van het exterieur van het gemeentelijk
                                monument, tenzij de beschrijving van het monument tevens andere,
                                niet tot het exterieur te rekenen, onderdelen bevat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 9 en de daarbij te overleggen gegevens
                            en bescheiden worden in viervoud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijnen van advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>A Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van
                            het bevoegd gezag het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet
                            verzet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>B Voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
                            verbinden in het belang van de monumentenzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekken of wijzigen van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken of gewijzigd
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                    artikel 9, tweede lid, niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Beschermde (rijks)monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Instandhouding van archeologisch erfgoed</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Opgraving en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Zwolle onderzoek wordt
                                uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van
                                artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige
                                bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen, als
                                        bedoeld in artikel 1, negende lid van deze verordening,
                                        waarbij nadere regels kunnen worden gesteld ten aanzien van
                                        het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder dient, voorafgaande aan het onderzoek, een
                                        plan van aanpak, als bedoel in artikel 1, tiende lid van
                                        deze verordening, ter goedkeuring aan het college te
                                        overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek een
                                zaak vindt, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden
                                dat het van belang is als archeologisch erfgoed, meldt dit zo
                                spoedig mogelijk bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gerechtigde tot het in het eerste lid bedoelde gevonden erfgoed
                                is gehouden om de zaak gedurende zes maanden, te rekenen van de dag
                                van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden
                                of te stellen voor archeologisch onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Kostentoerekening</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het toekennen
                            van compensatie voor schade ten gevolge van besluitvorming in het belang
                            van de archeologische monumentenzorg die een belanghebbende lijdt en die
                            redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen last behoort te
                            blijven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met artikel 9, lid 3 en 4 en artikel 15 van
                            deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekking Monumentenverordening 2004</titel></kop><al>Bij inwerkingtreding van deze verordening wordt de Monumentenverordening
                            2004 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de ingevolge artikel 19 vervallen
                                Monumentenverordening 2004 geregistreerde beschermde gemeentelijke
                                monumenten worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om een vergunning die zijn ingediend vóór de
                                inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld met
                                inachtneming van de in artikel 19 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Erfgoedverordening
                            2010´.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>De bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek vormen
                    een belangrijke basis voor de bepalingen van deze verordening, die is gebaseerd
                    op de VNG modelverordening.</al><al>Vier hoofdpunten zijn in de verordening geregeld:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk beschermd monument. Dit betreft
                            ook archeologische monumenten;</al></li><li nr="2."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke beschermde
                            monumenten;</al></li><li nr="3."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                            rijksmonumenten in de Monumentenwet 1988.</al></li><li nr="4."><al>een regeling ten behoeve van het archeologisch erfgoed.</al></li></lijst><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten
                    spelen bij de bepaling van het gemeentelijk aanwijzingsbeleid van
                    monumenten.</al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen
                    die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september
                    2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de
                    Monumentenverordening 2004 aangevuld met een archeologisch deel. De nieuwe
                    verordening heet daarom Erfgoedverordening.</al><al>Specifiek in het kader van de deregulering zijn mogelijkheden opgenomen om de
                    bestaande monumentenvergunning te vereenvoudigen door de mogelijkheid op te
                    nemen dat het college nadere regels kan stellen (uitvoeringsrichtlijnen) waarmee
                    de vergunningplicht (deels) komt te vervallen. Dit is een analoge toepassing van
                    wat op rijksniveau het Algemeen Positief Advies (APA) werd genoemd: bepaalde
                    (eenvoudige en vastomlijnde) wijzigingen aan een monument mogen op grond hiervan
                    vrijwel altijd worden uitgevoerd zonder een instandhoudingbepaling te
                    overtreden. De vergunningplicht voor andere, complexe wijzigingen wordt
                    gehandhaafd.</al><al>De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologisch erfgoed vloeit voort
                    uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond het
                    Verdrag van Malta) en het door de raad vastgestelde archeologiebeleid. </al><al>De huidige wijziging van de model Erfgoedverordening houdt verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor)
                    en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor).</al><tussenkop>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</tussenkop><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><tussenkop>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</tussenkop><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de Erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. </al><tussenkop>Bevoegd gezag</tussenkop><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven. </al><tussenkop>Toestemmingsstelsels </tussenkop><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al><tussenkop>De Wabo en de Erfgoedverordening</tussenkop><al>De monumentenvergunning uit de Erfgoedverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. </al><al>De Erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo
                    ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college
                    blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. De bepalingen van de
                    Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek is als uitgangspunt genomen.
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>