<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR84806_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening gemeente Lopik 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zenderstreeknieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Lopik 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel150/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-01-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 16 december 2003, nr. 12a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>inspraakverordening, inspraak</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening gemeente Lopik 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lopik;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 11 november 2003;</al><al/><al>overwegende, </al><al>- dat de Inspraakverordening in overeenstemming dient te zijn met het
                        klachtrecht in de Awb, met de Wet dualisering gemeentebestuur en met de
                        inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten;</al><al>- dat de Inspraakverordening tevens dient te zijn aangepast aan de nieuwe
                        uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Awb;</al><al/><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gezien het advies van de raadscommissie I;</al><al/><al>besluit vast te stellen de:</al><al/><al>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening
                        gemeente Lopik 2004). </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>inspraak:</onderstreept> het betrekken van ingezetenen
                                en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid;</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>inspraakprocedure</onderstreept>: de wijze waarop de
                                inspraak gestalte wordt gegeven;</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>beleidsvoornemen</onderstreept>: het voornemen van het
                                bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></li><li nr="2."><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></li><li nr="3."><al>Geen inspraak wordt verleend:a. ten aanzien van ondergeschikte
                                herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;b. indien
                                inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;c.
                                indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het
                                bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;d. inzake de
                                begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en
                                belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;e. indien de
                                uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat
                                inspraak niet kan worden afgewacht;f. indien het belang van inspraak
                                niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de
                                gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Inspraakprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                                inspraakprocedure vaststellen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Eindverslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></li><li nr="2."><al>Het eindverslag bevat in elk geval: a. een overzicht van de gevolgde
                                inspraakprocedure; b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de
                                inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; c. een
                                reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt
                                aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het
                                beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                burgerjaarverslag.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Verordening “inzake de wijze, waarop ingezetenen en in de gemeente een
                        belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van
                        gemeentelijk beleid worden betrokken”, aangehaald als de
                        “Inspraakverordening”, wordt ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in
                        werking.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente Lopik
                        2004.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van Lopik op 16 december 2003.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>………………………… …………………………</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>(mevr. mr. G.M.G. Dolders) (drs. M.A.A. Schakel) </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Nieuwe Toelichting</titel></kop><al><vet>Toelichting Modelinspraakverordening</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 150 van de Gemeentewet</vet></al><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in
                    1993 daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                    model overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    Modelinspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten
                    (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet
                    stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving (Adr). </al><al/><al><vet>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</vet></al><al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan de
                    Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). In deze wet
                    wordt afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet
                    gewijzigd. Wij verwachten dat de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    Awb omstreeks 1 juli 2004 in werking zal treden, tegelijk met de nog in
                    procedure zijnde Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure.Ondanks het feit dat artikel 150 van de Gemeentewet
                    volgens het overgangsrecht pas een jaar na de inwerkingtreding van de wet zal
                    worden aangepast, hebben wij nu al de Modelinspraakverordening hierop aangepast
                    om gemeenten in staat te stellen tijdig aan de nieuwe wetgeving te voldoen. Het
                    is juridisch geen probleem om nu al de aanpassing te plegen, omdat dit ook
                    volgens de huidige wetgeving kan. Bovendien was in het model van 1993 afdeling
                    3.4 Awb al van overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</vet></al><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. De tekst van de
                    nieuwe afdeling 3.4 Awb alsmede de tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet
                    zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd.Uit de laatste zinsnede van het
                    nieuwe tweede lid van artikel 150 van de Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van
                    afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan (zie ook de memorie van antwoord (MvA) Eerste
                    Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz. 3). In de memorie van toelichting
                    (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 31) is te lezen dat in de
                    inspraakverordening zowel geheel als gedeeltelijk kan worden afgeweken van
                    afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het
                    wenselijk is om wel een ontwerp ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover
                    op andere wijze te organiseren dan via het mondeling naar voren brengen van
                    zienswijzen of om te werken met andere termijnen, aldus de MvT.</al><al/><al><vet>Inspraakprocedure/deregulering</vet></al><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De VNG heeft
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling, is de verordening in 2003 nog verder gedereguleerd. Nu
                    resteert een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen.
                    Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan
                    de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal
                    en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers.</al><al/><al><vet>Alternatieven voor inspraak</vet></al><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en
                    commissievergaderingen (regeling via het reglement van orde of een
                    commissieverordening). Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn:
                    het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van
                    informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een andere
                    orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te
                    vechten door middel van bezwaar en beroep.Inspraak kan ook worden onderscheiden
                    van interactieve beleidsvorming. Interactieve beleidsvorming is een werkwijze,
                    met name bedoeld voor complexe beleidsprocessen waarbij meerdere actoren
                    betrokken zijn, waarbij een overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk
                    stadium burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere overheden
                    bij het beleid betrekt om zo in een open en evenwichtige wisselwerking of
                    samenwerking met hen tot de voorbereiding, bepaling, uitvoering of evaluatie van
                    beleid te komen. Interactieve beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en
                    steun van betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet
                    weet - of nog niet wil bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al><al/><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>Inspraak</onderstreept>: Er zijn veel omschrijvingen van
                            het begrip inspraak. Bij de in dit artikel opgenomen formulering is
                            aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is
                            een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk
                            beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden
                            de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te
                            maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk
                            hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding
                            noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150
                            van de Gemeentewet 'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen
                            gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. Wij adviseren
                            echter het tweezijdige element van gedachtewisseling zo mogelijk wel
                            onder de inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan
                            worden gediend, te weten het creëren van draagvlak voor
                            beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting, onder Alternatieven
                            voor inspraak, over interactieve beleidsvorming).</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Inspraakprocedure</onderstreept>: De verantwoordelijkheid
                            voor het maken van een regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150
                            van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene toelichting is
                            vermeld, is in de modelverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing
                            verklaard. Artikel 4, tweede lid, van het model geeft het bestuursorgaan
                            ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers
                            verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie van
                            de inspraak.</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>Beleidsvoornemen</onderstreept>: Het begrip
                            beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                            bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal
                            duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete
                            besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze
                            kunnen worden gebaseerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is
                    een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.In
                    het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder hebben wij opgesomd welke
                    wettelijke verplichtingen gelden. Wij hebben ervan afgezien om dit op te nemen
                    in de tekst van artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe
                    wettelijke verplichting direct de verordening moet worden aangepast en in de
                    tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening
                    hiermee onoverzichtelijk wordt.Wettelijke verplichtingen tot het bieden van
                    inspraak bestaan thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel
                            bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening (artikel 6a WRO);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li><li nr="e."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, WM);</al></li><li nr="f."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="g."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene
                            bijstandswet (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42,
                            eerste lid, onder d) en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42, eerste
                            lid, onder d);</al></li><li nr="h."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid). In het derde lid is opgenomen wanneer geen
                            inspraak wordt verleend.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van het
                    ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak onderworpen is
                    geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen ten opzichte van het
                    voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat een geheel ander plan is
                    ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak opnieuw een aanvang te laten
                    nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State (ABRS) dat terecht geen nieuwe inspraak is opengesteld (ABRS 22 januari
                    2003, inzake nummer 200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al><al/><al>- Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop artikel 6a WRO
                    ziet en is dus inspraakplichtig. De goedkeuring van een deel van een
                    uitwerkingsplan dat de bouw van woningen mogelijk maakt, is in strijd met
                    artikel 6a WRO en de inspraakverordening nu aan omwonenden geen inspraak is
                    verleend met betrekking tot dit plandeel (ABRS 2 maart 2000, GS, 151 (2001)
                    7133, 7).</al><al/><al>- Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met artikel 6a WRO noch
                    met artikel 2:4 Awb dat de raad eerst zelf de aanvaardbaarheid van de
                    voorgestane ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het voorontwerp van
                    het plan de voorkeur voor een bepaalde ontwikkeling heeft laten blijken,
                    alvorens in het kader van de inspraakprocedure de bevolking daarover te
                    raadplegen. De afdeling concludeert dat de gevolgde inspraakprocedure correct is
                    (ABRS 31 januari 2000, inzake nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al><al/><al><vet>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</vet></al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. </al><al/><al>Het begrip 'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie
                    heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.JurisprudentieIn dit geval is het
                    projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan voorgelegd. De kring van
                    personen die ingevolge artikel 6a WRO moeten worden betrokken bij de
                    voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. </al><al/><al>Conclusie is dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening is
                    verleend, in strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake nummer
                    200102132/1, LJN-nummer AE6455).</al><al/><al><vet>Artikel 4 Inspraakprocedure</vet></al><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 (tot de
                    inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb:
                    artikel 3:11 tot en met 3:13) Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na
                    terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden
                    gedurende zes weken (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb: vier weken) schriftelijk of mondeling hun
                    zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend
                    zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de
                    inspraakprocedure worden aangepast. Wij kunnen ons voorstellen dat bijvoorbeeld
                    de genoemde zeswekentermijn door het bestuursorgaan te lang wordt bevonden. Deze
                    termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of bij besluit van het
                    bestuursorgaan op grond van het tweede lid.</al><al/><al>In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                            omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren
                            kan brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                            op beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zijn wij ook van mening
                            dat dit in een afzonderlijke verordening moet worden vormgegeven.</al></li><li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                            ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor
                            artikel 19 WRO-procedures een aparte procedure kunnen worden ontwikkeld
                            met bijvoorbeeld een standaardtermijn van twee in plaats van zes
                            weken.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan
                    wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de
                    beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen
                    een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10
                    juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer AE5107).</al><al/><al><vet>Artikel 5 Eindverslag</vet></al><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure: artikel 3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk slechts
                    bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure
                    mondeling naar voren is gebracht.Onder het in het tweede lid, onderdeel a,
                    genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de
                    procedure feitelijk verlopen? </al><al/><al>Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter
                    inzage gelegd enz.?</al><al/><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al/><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.In het derde lid is
                    bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                    openbaar maakt. Wij hebben dit niet verder ingevuld, omdat dit per gemeente kan
                    verschillen. Wij willen hier wel benadrukken dat de bekendmaking van de
                    resultaten van de inspraak uitermate belangrijk is. Het ligt voor de hand om
                    degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen.
                    Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de
                    gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden
                    gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen
                    om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te
                    verschaffen.In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag
                    te vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                    aanhef en onder b, van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Intrekking oude verordening</vet></al><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al><al/><al><vet>Artikel 7 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in werking. Tot 1
                    januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (artikel 142
                    Gemeentewet). </al><al/><al>Hierin is verandering gekomen door de inwerkingtreding van de Tijdelijke
                    referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. Deze wet maakt referenda mogelijk over
                    onder andere de vaststelling, wijziging en intrekking van verordeningen. Wel
                    zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die hier niet van belang zijn. De
                    vaststelling, wijziging of intrekking van een inspraakverordening is een van de
                    besluiten waarover een referendum kan worden gehouden. Verordeningen waarover op
                    grond van de Trw een referendum kan worden gehouden, treden in afwijking van
                    artikel 142 van de Gemeentewet niet eerder in werking dan zes weken na de
                    bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw). De termijn van zes weken hangt
                    ermee samen dat na bekendmaking van de verordening en de mededeling dat over
                    deze verordening een referendum gehouden kan worden, een verzoek tot het houden
                    van een referendum kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden voor een later
                    tijdstip van inwerkingtreding.Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is
                    bepaald en indien een inleidend verzoek tot het houden van een referendum over
                    de inspraakverordening onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van
                    inwerkingtreding van rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal de raad,
                    nadat vaststaat dat geen referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft
                    geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5 Trw), opnieuw in
                    de inwerkingtreding moeten voorzien. Indien een referendum wordt gehouden dat
                    leidt tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, moet de raad na het
                    referendum de beslissing tot vaststelling of wijziging van de
                    inspraakverordening heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging alsnog
                    besluit tot inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de
                    inspraakverordening, zal de raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding
                    moeten voorzien.</al><al/><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in
                    de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening
                    te bepalen dat de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen
                    tijdstip. Met het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het
                    tijdstip van inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk
                    vaststaat dat over de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in
                    de rede dat ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding
                    wordt aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de verordening
                    zelf.</al><al/><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                    inspraakverordening kan worden ingediend. Op grond van de Trw is de gemeente
                    verplicht om een referendum te organiseren over een verordening indien voldoende
                    kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum indienen (zie
                    voor meer informatie over de Trw de circulaires van het ministerie van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en CW2001/82050) en de
                    ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp (Lbr. 01/158 en Lbr. 01/217). U kunt
                    ook op de website www.referendumwet.nl kijken).</al><al/><al>In artikel 6 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is
                    de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. De Trw dit niet anders.
                    Weliswaar kan over een besluit tot intrekking van een verordening een referendum
                    worden aangevraagd, echter in dit model maakt het besluit tot intrekking deel
                    uit van de verordening tot vaststelling of wijziging van de bestaande
                    inspraakverordening en is alleen het besluit tot vaststelling van de verordening
                    referendabel.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening. In de citeertitel
                    wordt geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat de
                    verordening slechts voor een jaar geldt.Bijlage met wetteksten Wet uniforme
                    openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54)</al><al/><al>A. De tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet luidt als volgt:</al><al>Artikel 150</al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met
                            betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                            voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing
                            van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover in de
                            verordening niet anders is bepaald.</al></li></lijst><al/><al>B. De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb luidt als volgt:</al><al><vet>AFDELING 3.4 UNIFORME OPENBARE VOORBEREIDINGSPROCEDURE</vet></al><al><vet>Artikel 3:10</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien
                            dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is
                            bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan
                            beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid
                            overeenkomstig deze afdeling.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:11</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de
                            daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor
                            een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
                            toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage
                            worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan
                            afschrift van de ter inzage gelegde stukken.</al></li><li nr="4."><al>De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid,
                            bedoelde termijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:12</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of
                            meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte
                            wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van
                            de zakelijke inhoud.</al></li><li nr="2."><al>Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend
                            bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de
                            Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                            bepaald.</al></li><li nr="3."><al>In de kennisgeving wordt vermeld: a. waar en wanneer de stukken ter
                            inzage zullen liggen; b. wie in de gelegenheid worden gesteld om
                            zienswijzen naar voren te brengen; c. op welke wijze dit kan geschieden;
                            d. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn
                            waarbinnen het besluit zal worden genomen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:13</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht,
                            zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp
                            toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:14</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe
                            relevante stukken en gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:15</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of
                            mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.</al></li><li nr="2."><al>Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald
                            dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze
                            naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de
                            aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren
                            gebrachte zienswijzen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit
                            betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in
                            te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op
                            de naar voren gebrachte zienswijzen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:16</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen
                            van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij
                            wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage
                            is gelegd.</al></li><li nr="3."><al>Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9
                            en 6:10 van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:17</vet></al><al>Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt
                    een verslag gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 3:18</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het
                            besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van
                            de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft,
                            kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen,
                            binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid
                            bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het
                            bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager
                            in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit
                            uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien
                            het een besluit betreft: a. inzake intrekking van een besluit; b. inzake
                            wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan
                            degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht.</al></li><li nr="4."><al>Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht doet het bestuursorgaan
                            daarvan zo spoedig mogelijk, nadat de termijn voor het naar voren
                            brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld
                            in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of
                            derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier
                            weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is
                            verstreken.</al></li></lijst><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>