<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR84805_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Lopik 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zenderstreeknieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Lopik 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/geldigheidsdatum_15-11-2010">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/Hoofdstuk7/Afdeling72/Artikel713/geldigheidsdatum_15-11-2010">Algemene wet bestuursrecht, art. 7:13</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-03-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-01-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-07-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>commissiebezwaarschriften, bezwaarschriften, verordening bezwaarschriften, verordening commissie bezwaarschriften</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Lopik 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Lopik;</al><al>ieder voor zoveel het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gezien het voorstel van het college;</al><al>gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                        Gemeentewet;</al><al>besluiten vast te stellen de volgende verordening: </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>verwerend orgaan</onderstreept>: bestuursorgaan dat
                                het bestreden besluit heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>commissie</onderstreept>: vaste commissie van advies
                                voor de bezwaarschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                                tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                                zijn ingediend tegen besluiten op grond van: a. een wettelijk
                                voorschrift inzake belastingen of de Wet waardering onroerende
                                zaken; b. bepalingen inzake de rechtspositie van ambtelijk en
                                onderwijzend personeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee
                                leden.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst
                                en ontslagen.</al></li><li nr="3."><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></li><li nr="4."><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Secretaris</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                                ambtenaar.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                                secretaris aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag van
                                het aftreden van de raad.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                ontslag nemen.</al></li><li nr="3."><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie
                                blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                aangetekend.</al></li><li nr="2."><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo
                                spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de commissie:</al><lijst><li nr="1."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="2."><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="3."><al>artikel 6:17, voorzover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="4."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="5."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Vooronderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                                inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo
                                nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien
                                daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                vereist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten
                                horen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                Awb.</al></li><li nr="3."><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien
                                van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en
                                het verwerend orgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Uitnodiging zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                                minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></li><li nr="2."><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                                verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken
                                het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk
                                één week voor het tijdstip van de zitting aan de
                                belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken
                                of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het
                                eerste tot en met het derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Openbaarheid zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien
                                een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten,
                                vindt de zitting plaats met gesloten deuren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen
                                van de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                                plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                                het verslag hiervan melding.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                                die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris
                                van de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Nader onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                commissieleden dit onderzoek houden.</al></li><li nr="2."><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                                aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                                informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten
                                tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist
                                op zo'n verzoek.</al></li><li nr="4."><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                                betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Raadkamer en advies</titel></kop><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door
                        haar uit te brengen advies.</al><lijst><li nr="a."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                brengen advies.</al></li><li nr="b."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                                voorzitter.</al></li><li nr="c."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                                indien die minderheid dat verlangt.</al></li></lijst><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing
                        op het bezwaarschrift.Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris
                        van de commissie ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                                artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.</al></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                termijn van 10 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van
                                de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                                advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend
                                orgaan tijdig de beslissing te verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                belanghebbenden een afschrift.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften 1994 wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken van
                        een termijn van zes weken na de datum van haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                        bezwaarschriften gemeente Lopik 2004.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2003,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>………………………
                        ……………………</ondertekening><ondertekening>(mevr. mr. G.M.G. Dolders) (drs. M.A.A. Schakel) </ondertekening><ondertekening>De secretaris, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>………………………
                        …………………… </ondertekening><ondertekening>(F.M.M. Broekman) (drs. M.A.A. Schakel)</ondertekening><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>………………………</ondertekening><ondertekening>(drs. M.A.A. Schakel) </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Nieuwe Toelichting</titel></kop><al><onderstreept>Artikelsgewijze toelichting op de Modelverordening commissie
                        bezwaarschriften</onderstreept>In de aanhef van de regelgeving is bepaald
                    dat de bestuursorganen van de gemeente, de raad, het college en de burgemeester,
                    ieder voorzover het hun bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te
                    stellen. Duidelijk is dat de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college
                    en de burgemeester hebben deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit
                    tot instellen van de commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk
                    dat de bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren
                    op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.<vet>Artikel 1
                        Begripsbepaling</vet>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen
                    opgenomen die niet in de Awb voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het
                    begrip 'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening
                    voorkomt. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in
                    de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad
                    betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een
                    commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde
                    bestuursorganen zijn overgedragen.<vet>Artikel 2 Inleidende bepaling
                        commissie</vet>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het
                    horen en adviseren door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via
                    deze inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de
                    Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te worden
                    verstaan.Uiteraard is het tweede lid een facultatieve bepaling. Denkbaar is dat
                    van de hier geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt voor die bezwaarschriften
                    die betrekking hebben op een zo specifieke materie of voor onderwerpen waarover
                    zulke grote aantallen bezwaarschriften te verwachten zijn dat het wenselijk is
                    daarvoor een andere methodiek van horen en adviseren te hanteren. Hierbij kan
                    gedacht worden aan sociale zaken, belastingzaken en WOZ-zaken. Over de twee
                    laatstgenoemde zaken dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de WOZ afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over
                    beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. In verband hiermee hebben wij
                    ervoor gekozen ze in elk geval uit te zonderen.<vet>Artikel 3 Samenstelling van
                        de commissie</vet>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals
                    bedoeld in artikel 7:13 Awb.Zie de algemene toelichting onder punt 3.2.Door de
                    bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van commissieleden aan
                    het college.Als, bijvoorbeeld gelet op het grote aantal te behandelen
                    geschriften of in verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp, daaraan
                    behoefte bestaat, kan de commissie worden opgesplitst in kamers. In dat geval
                    dient gekozen te worden voor de volgende bepaling (gekozen is voor de instelling
                    van kamers door de commissie zelf, maar uiteraard is het mogelijk dat de raad
                    daartoe zelf rechtstreeks overgaat):<vet>Artikel 3a</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de behandeling
                            van bezwaarschriften.</al></li><li nr="2."><al>De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer vast
                            welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar zullen
                            worden behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden: a. een voorzitter
                            overeenkomstig artikel 7:13 Awb, zijnde de voorzitter of een van de
                            leden van de commissie, uit haar midden aangewezen; b. ten minste twee
                            andere leden, door de commissie aangewezen uit haar midden.</al></li><li nr="4."><al>De commissie wijst uit haar midden voor elk lid een eerste en een tweede
                            plaatsvervanger aan.</al></li><li nr="5."><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift door de
                            commissie zal geschieden.</al></li><li nr="6."><al>Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zo
                            veel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel 7:13
                    Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31-5-99, JG
                        1999/179).<vet>Artikel 4 Secretaris</vet>Hoewel in de Awb nergens over een
                    secretaris wordt gesproken, is het gebruikelijk dat een commissie beschikt over
                    een secretaris ter ondersteuning van de werkzaamheden.Bij een commissie met
                    kamers als bedoeld in artikel 3a dient tussen 'commissie' en 'is' te worden
                    tussengevoegd: en haar kamers.<vet>Artikel 5 Zittingsduur</vet>Deze bepaling kan
                    eventueel worden aangevuld met een lid waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat
                    leden van een commissie die daarin zijn benoemd in verband met een bepaalde
                    hoedanigheid, aftreden indien zij deze hoedanigheid verliezen. Uiteraard is het
                    mogelijk voor een ander moment van aftreden te kiezen dan bedoeld in het eerste
                    lid.Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het
                    kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling
                    van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.<vet>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</vet>Dit artikel
                    spreekt voor zich.In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze
                    waarop een bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="b."><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): 1. De
                            indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7). 2. De
                            indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het
                            besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8). 3.
                            De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie van de
                            verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel 6:9, tweede
                            lid). 4. Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                            ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11). 5. Bezwaar dat
                            gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, is niet aan een
                            termijn gebonden (artikel 6:12).</al></li><li nr="c."><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15): 1. Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan
                            waarbij het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat
                            een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een later
                            stadium: zie ook de opmerkingen in paragraaf 3 onder ambtelijke
                            commissie (artikel 6:14). 2. Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.Het verdient aanbeveling om bij
                    grensgevallen naast aantekening van de datum van ontvangst op het
                    bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren. Dit is gezien het
                    belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van onnodige geschillen
                    over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax verzonden
                    bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de
                    ontvangende faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325).
                    Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is (nog) niet mogelijk. Er is een
                    voorontwerp van wet om de Awb te wijzigen opdat e-mailverkeer mogelijk wordt
                    (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer). Wordt een bezwaarschrift per e-mail
                    ingediend, dan dient u de verzender op de hoogte te brengen van het feit dat dit
                    wettelijk nog niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het bezwaarschrift
                    alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail ingediend
                    bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden verklaard.Het
                    aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb uitdrukkelijk
                    voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een onbevoegd
                    bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft betekenis
                    voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is ingediend.
                    Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de bevoegde
                    instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen indien
                    de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een
                    ingediend bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de
                    afhandeling geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo
                    spoedig mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. Eventueel kunnen deze woorden
                    vervangen worden door een concrete aanduiding, bijvoorbeeld: [¼] met de
                    daarbij overgelegde stukken worden binnen twee weken in handen van de commissie
                    gesteld.De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over
                    het bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                    weken wordt verlengd tot 10 weken met een verdagingsmogelijkheid van vier weken
                    (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het aanbeveling
                    verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte te brengen
                    van de te volgen procedure.<vet>Artikel 7 Uitoefening
                    bevoegdheden</vet>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder
                    andere de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit
                    uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de
                    voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor
                    aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.De in dit
                    artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.Artikel 2:1, tweede lidEen bestuursorgaan kan van een gemachtigde een
                    schriftelijke machtiging verlangen.<onderstreept>Toelichting:</onderstreept>Deze
                    bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan niet
                    van deze bevoegdheid gebruik te maken.Artikel 6:6Indien niet is voldaan aan
                    artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in
                    behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden
                    verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen
                    binnen een hem daartoe gestelde
                        termijn.<onderstreept>Toelichting:</onderstreept>De termijn waarbinnen het
                    verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld door de voorzitter. Er is
                    van afgezien in de verordening een vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het
                    niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang
                    deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van
                    een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee weken
                    na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds moet de indiener
                    een reële mogelijkheid worden geboden het geconstateerde verzuim te
                    herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door een langere termijn de
                    procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over belastingen valt af te leiden
                    dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of na afloop van die termijn ook
                    nog gerappelleerd dient te worden.Een zorgvuldige formulering van de brief
                    waarin gewezen wordt op het verzuim en waarin de termijn wordt gesteld
                    waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is noodzakelijk. Er zal duidelijk
                    aangegeven moeten worden welke consequentie verbonden is aan het niet-voldoen
                    aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de facultatieve wijze waarop artikel
                    6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in verzuim zijn: het bezwaarschrift
                    'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De uiteindelijke beslissing ligt dus
                    bij het bestuursorgaan.Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden
                    dat er in zo'n situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk
                    bezwaarschrift waardoor - ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden
                    afgezien.Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin
                    voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend
                    bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk
                    opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als
                    bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is
                    hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.<vet>Artikel
                        6:17</vet>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat
                    bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende
                    stukken in elk geval aan de
                        gemachtigde.<onderstreept>Toelichting:</onderstreept>Deze bepaling spreekt
                    voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie betreft, ligt deze
                    taak bij de voorzitter.Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan
                    de vertegenwoordigers van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd
                    in de fase tussen de aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB
                    1997/196).Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het
                    verstrekken van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van
                    een belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).Artikel 7:4, tweede lidHet
                    bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één
                    week voor belanghebbenden ter
                    inzage.<onderstreept>Toelichting:</onderstreept>Het inzagerecht is als een van
                    de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te
                    beschouwen. Het maakt het principe van hoor en wederhoor mogelijk. Het is
                    gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet gehoord, dan is er ook geen sprake
                    van een verplichte ter-inzage-legging.Stukken toezenden hoeft niet, maar een
                    verzoek van een belanghebbende om stukken in te zien mag niet beperkt blijven
                    tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb. Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb
                    katern 1996, 19).<onderstreept>Artikel 7:6, vierde lid</onderstreept>Het
                    bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing
                    van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om gewichtige
                    redenen is geboden [...].Het derde lid van dit artikel luidt:Wanneer
                    belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte
                    gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                        aanwezigheid.<vet>Artikel 8 Vooronderzoek</vet>Het spreekt voor zich dat de
                    voorzitter van de commissie er zorg voor dient te dragen dat al het
                    noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het bezwaarschrift genoegzaam
                    voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de gemeente - hij krijgt de
                    bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het
                    mogelijk zijn om met de klager in contact te treden om nadere informatie in te
                    winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid in overweging te
                    geven het bezwaarschrift in te trekken.De activiteiten van de commissie of haar
                    voorzitter bij de voorbereiding van de te behandelen zaken kunnen kosten
                    meebrengen. Daarbij vallen gewone en bijzondere kosten te onderscheiden. Bij
                    gewone kosten valt te denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het
                    inschakelen van externe deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze
                    kosten komen ten laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de
                    begroting voorzien in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen
                    als het om bijzondere kosten gaat.Aangezien het college belast is met de
                    uitvoering van de begroting, ligt het voor de hand dat bijzondere kosten niet
                    gemaakt worden voordat dat college de gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan
                    een begrotingspost. Om deze reden is in deze bepaling voor de kosten voor
                    getuigen of deskundigen een machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag
                    het niet zo zijn dat het college door zo'n toetsing het werk van de commissie
                    frustreert en haar onafhankelijke positie daardoor aantast.In dit verband
                    verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het bestuursorgaan
                    waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de gegevens ter
                    beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede vervulling van
                    diens taak.Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van
                    het bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het
                    advies van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.<vet>Artikel 9
                        Hoorzitting</vet>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op
                    artikel 10 van deze verordening.Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke
                    gevallen van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een
                    ingediend bezwaarschrift is dat indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad d.</onderstreept>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend
                    orgaan aan het bezwaar van appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen,
                    het daarover met de voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband
                    wordt ook gewezen op artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het
                    tijdens het aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden
                    besluit. In artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n
                    intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede
                    gericht te zijn tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt
                    aan het bezwaar.De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de
                    verordening toegekend aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus
                    niet aan het bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou
                    overigens ook niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin
                    onder andere is bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift
                    niet anders is bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.Het bepaalde
                    in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het uiteindelijk uit te
                    brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden. Dat is noodzakelijk
                    omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een bezwaarschrift, indien
                    van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op welke grond dat is
                        geschied.<vet>Artikel 10 Uitnodiging zitting</vet>Ingevolge het eerste lid
                    van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan uitgenodigd voor de zitting.
                    Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter zitting laat
                    vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de inbreng van
                    bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een externe
                    commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.Het verdient aanbeveling een termijn vast
                    te stellen die ligt tussen de oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet
                    gedacht worden aan een zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige
                    belanghebbenden voldoende gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting
                    voor te bereiden. Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om
                    hun verweer op schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.Gekozen is
                    voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van 10 weken
                    waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie artikel
                    7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).Voorts is een regeling
                    opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip van de zitting. Uitstel
                    hoeft overigens niet altijd te worden verleend. Betrokkene dient wel tijdig
                    uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen. Een verzoek om uitstel moet
                    niet automatisch gehonoreerd worden. Een gemotiveerd verzoek om uitstel kan
                    ingewilligd worden, maar dient dan wel te worden beperkt tot een eenmalig
                    uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een te grote
                    vertraging kan ondervinden.De toelichting op dit artikel van deze verordening is
                    ook de plaats om te wijzen op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het
                    verdient aanbeveling om van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van
                    de hoorzitting mededeling te doen.Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich
                    spreekt, is ermee volstaan de tekst ervan hier integraal op te nemen (zie ook de
                    toelichting bij artikel 7).<onderstreept>Artikel 7:4</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het bezwaarschrift/beroepschrift
                            en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan
                            het horen, gedurende ten minste één week voor belanghebbenden
                            ter inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                    van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).<onderstreept>Artikel
                    7:8</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen
                            en deskundigen worden gehoord.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG
                    2000/122).Artikel 11 QuorumDit artikel spreekt voor zich.Er is geen wettelijk
                    bezwaar tegen het horen in het kader van de bezwaarprocedure door de voorzitter
                    en één lid van de adviescommissie, terwijl advisering door de
                    voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/ 7119,
                        3).<vet>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling</vet>Dit artikel
                    behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.Ook al is de voorzitter
                    formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast dat automatisch ook op
                    inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is (Rb. Leeuwarden 8 februari
                    1996, JB, 3 (1996), 100).<vet>Artikel 13 Openbaarheid zitting</vet>Ingevolge
                    artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet bij
                    wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de
                    hoorzitting in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel
                    blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van
                    familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een
                    vertrouwelijk karakter aan de orde komen.De zitting dient te worden
                    onderscheiden van de beraadslaging van de commissie, die ingevolge artikel 16
                    van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft.Indien de
                    bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op Abw-gebied, kan het
                    praktisch zijn een bepaling op te nemen waaruit duidelijk wordt dat deze
                    zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden. Hiermee worden problemen
                    voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare
                    zitting.De bepaling kan toegevoegd worden aan artikel 13 en als volgt luiden:De
                    zitting van de commissie vindt achter gesloten deuren plaats wat betreft
                    bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van de Algemene
                        bijstandswet.<vet>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging</vet>Artikel 7:7
                    Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De
                    wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag worden niet door de Awb
                    geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de verordening een
                    vaste procedure wordt opgenomen.Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver
                    te strekken dat van al het aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt
                    opgenomen. Wel zal uit het verslag duidelijk moeten blijken wie namens welke
                    partij aanwezig was en wat door hen naar voren is gebracht.Gezien de betekenis
                    van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de bezwaarschriftfase,
                    ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb) dat het verslag van
                    de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar aan
                    belanghebbende wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag van de
                    hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188).Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer
                    en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen
                    staken in de adviescommissie, hoeft bij de hernieuwde behandeling in de
                    commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB
                        1997/23).<vet>Artikel 15 Nader onderzoek</vet>Een nader onderzoek kan feiten
                    of omstandigheden aan het licht brengen die op het moment van de zitting nog
                    niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om belanghebbenden en het verwerend
                    orgaan opnieuw te horen. De onderhavige bepaling voorziet in de mogelijkheid de
                    commissie te verzoeken daartoe een nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb
                    wordt bepaald dat indien het in het hier bedoelde geval feiten of omstandigheden
                    betreft die voor de op bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang
                    kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de
                    gelegenheid worden gesteld te worden gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor).
                    Is de nieuwe informatie niet van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen
                    worden om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te
                    reageren. Na de hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als
                    nader onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige
                    procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de
                    adviescommissie kan wenden zonder dat de andere belanghebbenden in de
                    gelegenheid worden gesteld om hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken (Rb.
                    Rotterdam, 10 november 1999, JB, 1999/311).<vet>Artikel 16 Raadkamer en
                        advies</vet>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in
                    principe openbaar; de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren
                    plaats.Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 12) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.Het
                    horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 11); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies totstandkomt, is niet
                    voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB
                    2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en
                    00/8621).Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie
                    is in strijd met artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.Een adviescommissie
                    mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde) beslisbevoegdheid krijgen,
                    (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak 06-01-1997).<vet>Artikel 17
                        Uitbrengen advies</vet>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de
                    bezwaarschriftprocedure het verslag van de hoorzitting deel uit van het advies
                    van de commissie en wordt het schriftelijk uitgebracht.De beslistermijn bedraagt
                    ingevolge artikel 7:10 van de Awb 10 weken, behoudens in het geval van
                    opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van verdaging. De
                    onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie dat indien hij
                    voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het
                    bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen.Het besluit tot
                    verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn artikel 3:41 tot
                    en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling van besluiten
                    regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel van
                    toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat
                    het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te
                        zenden.<vet>Artikel 18 Intrekking oude regeling</vet>Dit artikel spreekt
                    voor zich.<vet>Artikel 19 Inwerkingtreding</vet>In artikel 139 tot en met 144
                    Gemeentewet zijn de bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden geregeld. De bepalingen over bekendmaking en
                    mededeling van besluiten zoals opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van
                    toepassing op algemeen verbindende voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat
                    aangeeft dat op besluiten, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, van
                    dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en met 4A van toepassing zijn en wel
                    voorzover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet). Besluiten van
                    het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden
                    niet dan wanneer ze bekendgemaakt zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing
                    in het Gemeenteblad of in een andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).In verband met de
                    inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002 is
                    gekozen voor een termijn van zes weken. De Trw bepaalt in artikel 22 dat een
                    verordening (een algemeen verbindend voorschrift) niet eerder in werking treedt
                    dan zes weken na de bekendmaking van het besluit. Deze termijn hangt hiermee
                    samen: na bekendmaking van de verordening en de mededeling dat over deze
                    verordening een referendum gehouden kan worden, kan een verzoek tot het houden
                    van een referendum worden ingediend. Het college is op grond van de Trw gehouden
                    tot het bekendmaken van deze besluiten. Op grond van de Trw is de gemeente
                    verplicht om een referendum te organiseren over een verordening indien voldoende
                    kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum indienen. Door de
                    inwerkingtreding van de Trw geldt artikel 142 Gemeentewet niet meer voor
                    verordeningen. Zie voor meer informatie over de Trw de circulaires van het
                    ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en
                    CW2001/82050) en de ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp (nummer Lbr.
                    01/158 en nummer Lbr. 01/217).<vet>Artikel 20 Citeertitel</vet>Deze verordening
                    kan worden aangehaald als: Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Lopik
                    2004.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>