<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR84359_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening Gelderland 1998</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2014/16</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening Gelderland 1998</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 145</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-01-22</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PS2013-1029</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies, zorg en welzijn, verkeer en vervoer, natuur en landschap, stedelijke vernieuwing, onderwijs, jeugdzorg, sociale participatie, economische zaken, recreatie, milieu, bibliotheken, ouderenzorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening Gelderland 1998</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>PROVINCIALE STATEN</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 143 van de Provinciewet; Gelezen het
                        voorstel van Gedeputeerde Staten van 10 december 2013;</al><al>BESLUITEN</al><al>vast te stellen de als volgt gewijzigde regeling: Algemene
                        subsidieverordening Gelderland 1998</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> provinciebestuur: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het
                                    nemen van beslissingen betreffende subsidieverstrekking;</al></li><li nr="b."><al> wet: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="c."><al> controleprotocol: een instructie aan de subsidie-ontvanger als
                                    bedoeld in artikel 4:79 van de Algemene wet bestuursrecht voor
                                    het geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en intensiteit van
                                    de accountantscontrole;</al></li><li nr="d."><al> EU-verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese
                                    Unie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening is van toepassing op alle door het
                                provinciebestuur te verstrekken subsidies, voorzover in een
                                bijzondere subsidieverordening of bij een besluit van provinciale
                                staten waarbij subsidie wordt verstrekt, niet anders is
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 4:21, derde
                                lid, van de wet is titel 4.2 van de wet van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de in het tweede lid bedoelde subsidies is artikel 1.7, eerste
                                lid, aanhef en onderdeel c, niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het nemen van besluiten
                                betreffende verstrekking van subsidie indien zij daartoe door
                                provinciale staten in deze verordening of, in een bijzondere
                                verordening dan wel bij een bijzonder besluit bevoegd zijn
                                verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het nemen van besluiten
                                betreffende verstrekking van boekjaarsubsidies, indien de begroting
                                de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste
                                kan worden vastgesteld, vermeldt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien Provinciale Staten een subsidie verlenen of in een geval als
                                bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, vaststellen, dan wel een
                                subsidie wijzigen of intrekken, nemen Gedeputeerde Staten de
                                beslissingen ter voorbereiding en uitvoering daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn onverminderd het bepaalde in artikel 10.1,
                                bevoegd afwijzend te beslissen op aanvragen om subsidie in
                                incidentele gevallen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen een subsidieplafond vast voorzover hun de
                            bevoegdheid toekomt tot verstrekking van de subsidies waarop het plafond
                            betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien een datum is aangewezen waarvoor subsidieaanvragen moeten
                                worden ingediend en die aanvragen op grond van de toepasselijke
                                subsidieregeling in een rangorde worden geplaatst, krijgen bij de
                                verdeling van het beschikbare bedrag die activiteiten voorrang die
                                het meeste overeenstemmen met het doel waarvoor dat bedrag ter
                                beschikking is gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor het overige vindt de verdeling plaats in volgorde van
                                ontvangst van de aanvragen. Een aanvraag wordt in bedoelde volgorde
                                opgenomen indien zij volledig is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één
                                aanvraag wordt ontvangen waarvan niet achterhaald kan worden op welk
                                tijdstip de aanvraag is ingediend of wanneer op hetzelfde tijdstip
                                meerdere aanvragen worden ontvangen, stelt het provinciebestuur de
                                onderlinge rankschikking van de aanvragen vast door middel van
                                loting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.6</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidieverstrekking vindt plaats aan rechtspersonen.
                                Rechtspersonen met een op het maken van winst gerichte doelstelling,
                                komen niet voor subsidie in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt niet verstrekt aan rechtspersonen, waarvan het doel
                                of de werkzaamheid in strijd is met fundamentele
                                rechtsbeginselen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het provinciebestuur kan in bijzondere gevallen bepalen dat
                                subsidie wordt verstrekt aan andere personen dan bedoeld in het
                                eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.7</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur weigert in ieder geval subsidie: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd,
                                        niet zijn gericht op de provincie Gelderland, niet ten goede
                                        komen aan ingezetenen van de provincie of niet op andere
                                        wijze het belang van de provincie dienen;</al></li><li nr="b."><al> indien de activiteiten in strijd zijn met door provinciale
                                        staten aangewezen onderdelen van het provinciale
                                        beleid;</al></li><li nr="c."><al> voorzover de aanvrager naar het oordeel van het
                                        provinciebestuur de beschikking heeft of kan krijgen over de
                                        geldmiddelen die noodzakelijk zijn om de activiteiten op
                                        behoorlijke wijze te kunnen verrichten;</al></li><li nr="d."><al> indien verstrekking van subsidie wordt aangemerkt als
                                        steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van
                                        het EU-Verdrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een subsidie kan worden geweigerd dan wel worden ingetrokken in het
                                geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
                                bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                bestuur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is bij de
                                uitvoering van de Regeling EFRO doelstelling 2 programmaperiode
                                2007-2013 niet van toepassing voor zover de subsidie wordt verstrekt
                                voor een project op het grondgebied van de provincie
                                Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het provinciebestuur kan bij het verstrekken van subsidie van het
                                bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, en van het
                                bepaalde in het tweede lid afwijken ten behoeve van activiteiten
                                welke van buitengewoon belang zijn voor de provincie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het provinciebestuur kan het verstrekken van subsidie weigeren
                                indien op grond van artikel 108, derde lid, van het EU-Verdrag het
                                verstrekken van de subsidie moet worden gemeld bij de Europese
                                Commissie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 De aanvraag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidieaanvraag wordt ingediend tenminste dertien weken
                                voordat met de uitvoering van de activiteiten een begin wordt
                                gemaakt, tenzij het provinciebestuur een andere termijn heeft
                                aangegeven. Het provinciebestuur kan aanvragen die buiten de in de
                                vorige volzin bedoelde termijn zijn ingediend, weigeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de aanvraag worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van aard en omvang van de activiteiten en
                                        de daarmee beoogde doelstellingen;</al></li><li nr="b."><al> een begroting van de aan de activiteiten verbonden
                                        inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voorzien van een
                                        toelichting;</al></li><li nr="c."><al> indien de aanvrager een privaatrechtelijk rechtspersoon is,
                                        haar statuten, tenzij die al bij het provinciebestuur bekend
                                        zijn, en</al></li><li nr="d."><al> de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel
                                        361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de balans
                                        en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of,
                                        indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de
                                        financiële positie van de aanvrager op het moment van de
                                        aanvraag;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het provinciebestuur kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het tweede lid, onderdeel c en d.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het provinciebestuur kan voorschrijven dat een schriftelijke
                                verklaring wordt overgelegd van een accountant als bedoeld in
                                artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de
                                getrouwheid van de in het tweede lid, onderdeel d, bedoelde
                                bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is
                                gebleken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien voor dezelfde activiteiten tevens subsidie is aangevraagd
                                bij een of meer andere bestuursorganen, doet de aanvrager daarvan
                                mededeling in de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2</titel></kop><al>Het provinciebestuur zendt de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst
                            van de aanvraag van de subsidie een ontvangstbevestiging, waarin de
                            ontvangstdatum is vermeld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 De beslissing op de aanvraag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorafgaande aan een subsidievaststelling wordt een beschikking tot
                                subsidieverlening gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In een bijzondere subsidieverordening of bij een besluit van
                                provinciale staten waarbij subsidie wordt verstrekt, kan worden
                                bepaald dat alleen een beschikking tot subsidievaststelling wordt
                                gegeven. Subsidies tot € 25.000,-- worden vastgesteld zonder
                                voorafgaand besluit tot subsidieverlening, tenzij sprake is van
                                subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het voornemen tot verstrekking van subsidie op grond van
                                artikel 108, derde lid, van het EU-Verdrag moet worden gemeld, stelt
                                het provinciebestuur voorafgaand aan subsidieverstrekking een
                                voorgenomen besluit op.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Na ontvangst van de beslissing van de Europese Commissie beslissen
                                gedeputeerde staten omtrent verstrekking van de subsidie. Indien het
                                voorgenomen besluit wordt opgesteld door provinciale staten, kunnen
                                zij zich daarbij de bevoegdheid tot het beslissen omtrent de
                                verstrekking van subsidie voorbehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven: </al><lijst><li nr="a."><al> binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag;</al></li><li nr="b."><al> indien de verlening plaatsvindt conform het bepaalde in
                                        artikel 1.5, eerste lid, binnen dertien weken na afloop van
                                        de periode waarin de aanvragen kunnen worden ingediend,
                                        of</al></li><li nr="c."><al> ingeval de procedure in artikel 3.1, derde en vierde lid,
                                        wordt gevolgd, binnen acht weken na ontvangst van de
                                        beslissing van de Europese Commissie op de aanvraag. De
                                        beslissing kan eenmaal voor ten hoogste acht weken worden
                                        verdaagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde termijn van dertien weken bedraagt
                                tweeëntwintig weken indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de aanvraag is gericht op subsidie op basis van de Regeling
                                        EFRO doelstelling 2 programmaperiode 2007-2013;</al></li><li nr="b."><al> de aanvraag is gericht op subsidie die verstrekt wordt als
                                        cofinanciering bij een subsidie als bedoeld in onderdeel a,
                                        of</al></li><li nr="c."><al> over de aanvraag advies, als bedoeld in afdeling 3.3 van de
                                        wet, wordt ingewonnen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3</titel></kop><al>Het tijdvak dat wordt vermeld in beschikkingen tot verlening van
                            subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen,
                            bedoeld in artikel 4:32 van de wet, is ten hoogste vier jaar. In
                            bijzondere gevallen kunnen provinciale staten een langer tijdvak
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4</titel></kop><al>Indien alleen een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven, is
                            artikel 4:35, eerste lid, van de wet van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur kan bij de subsidieverlening verplichtingen
                                opleggen, die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
                                subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij toepassing van artikel 4:37, eerste lid, van de wet, neemt het
                                provinciebestuur het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a."><al> de verplichtingen als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid
                                        onder b en onder f van de wet worden niet opgelegd bij een
                                        subsidiebedrag tot € 25.000,--.</al></li><li nr="b."><al> de verplichting als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid
                                        onder b, wordt niet opgelegd bij een subsidiebedrag vanaf €
                                        25.000,-- tot € 125.000,--, tenzij een verklaring als
                                        bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, wordt gevraagd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 4.1, voert de
                                subsidie-ontvanger een zodanig ingerichte administratie, dat te
                                allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang
                                zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en
                                ontvangsten kunnen worden nagegaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie-ontvanger, als bedoeld in het eerste lid, verleent aan
                                het provinciebestuur danwel aan de door dit bestuur aangewezen
                                ambtenaren of deskundigen inzage in de administratie, indien dit
                                naar het oordeel van het provinciebestuur nodig is voor de
                                beoordeling van de besteding van de verstrekte subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidieontvanger kan worden verplicht de administratie te
                                bewaren tot een door Gedeputeerde Staten te bepalen datum.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger is aan de provincie de door Gedeputeerde
                                Staten vastgestelde vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in
                                artikel 4:41 van de wet verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het
                                vermogen van de subsidie-ontvanger, dat evenredig is aan het
                                gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien
                                jaar de subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de
                                vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip
                                waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij
                                verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag
                                dat als schadevergoeding door de subsidie-ontvanger is
                                ontvangen.</al><al/><al> De waarde van de onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun
                                waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op
                                basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen de
                                banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De waarde van onroerende goederen wordt vastgesteld door een
                                onafhankelijke deskundige, die daartoe door het provinciebestuur in
                                overeenstemming met de subsidie-ontvanger wordt aangewezen. Bij
                                gebreke aan overeenstemming wijst iedere partij een onafhankelijke
                                deskundige aan, welke deskundigen gezamenlijk een derde
                                onafhankelijke deskundige aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien nog geen tien jaren subsidie is verstrekt, wordt de
                                verschuldigde vergoeding berekend op basis van het aantal jaren
                                gedurende welke zij is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Als een subsidie vanaf € 25.000,-- niet binnen een jaar na het
                                besluit tot subsidieverlening wordt vastgesteld, kan het
                                provinciebestuur de subsidie-ontvanger verplichten om een
                                voortgangsrapportage over te leggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een rapportage als bedoeld in het eerste lid wordt niet vaker dan
                                één keer per jaar gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing bij het
                                verstrekken van subsidiesop basis van een regeling ter uitwerking
                                van een Europees programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie-ontvanger is verplicht om: </al><lijst><li nr="a."><al> de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen
                                        dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet,
                                        niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat
                                        niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie
                                        verbonden verplichtingen zal worden voldaan, en</al></li><li nr="b."><al> op de door het provinciebestuur in de beschikking of bij
                                        regeling aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is
                                        voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                                        verplichtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd regels vast te stellen ter
                                uitwerking van de in het vorige lid bedoelde aangegeven wijze.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 De subsidievaststelling - rekening en
                            verantwoording</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie-ontvanger dient binnen dertien weken na afloop van de
                                activiteiten of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend een
                                aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij het
                                provinciebestuur bij de verlening een andere termijn heeft
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, dient de subsidie-ontvanger, in
                                geval sprake is van subsidie verleend als cofinanciering bij een
                                specifieke uitkering van het rijk, binnen twaalf maanden na afloop
                                van de activiteiten of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend de
                                aanvraag tot vaststelling van subsidie in, overeenkomstig het
                                bepaalde in artikel 17a van de Financiële verhoudingswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een
                                activiteitenverslag, als bedoeld in artikel 4:80 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien bij de beschikking tot subsidieverlening is bepaald dat de
                                kosten en opbrengsten ter zake van de te verrichten activiteiten in
                                verband met de aard van de activiteiten zodanig ongewis zijn dat een
                                realistische begroting niet vereist kan worden, kunnen Gedeputeerde
                                Staten bepalen dat de subsidie-ontvanger op basis van een verklaring
                                inzake werkelijke kosten en opbrengsten kan aantonen dat de
                                activiteiten zijn verricht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie-ontvanger geeft in de verklaring, als bedoeld in het
                                tweede lid, aan:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn
                                        verricht, voorzien van een korte toelichting;</al></li><li nr="b."><al> dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is
                                        voldaan;</al></li><li nr="c."><al> wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele
                                        kosten is;</al></li><li nr="d."><al> wat, in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve
                                        is;</al></li><li nr="e."><al> wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten,
                                        inclusief bijdragen van derden is, en;</al></li><li nr="f. "><al> wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op subsidies vanaf €
                                25.000,-- tot € 125.000,--, tenzij sprake is van subsidie verleend
                                als cofinanciering bij een specifieke uitkering van het rijk. In dat
                                geval is het bepaalde in artikel 5.3, eerste tot en met het vijfde
                                lid, van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een financieel
                                verslag en een activiteitenverslag. Het bepaalde in artikel 4:80 van
                                de wet, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de subsidie-ontvanger ingevolge wettelijk voorschrift
                                verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in
                                artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of indien dit bij
                                de subsidieverlening is bepaald legt hij in plaats van het
                                financieel verslag de jaarrekening over.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie-ontvanger geeft, onverminderd het bepaalde in artikel
                                4:78, eerste tot en met het vierde lid, van de wet, een accountant
                                als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
                                Burgerlijk Wetboek opdracht tot onderzoek van het financieel verslag
                                onderscheidenlijk de jaarrekening, bedoeld in artikel 5.1.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De accountant doet onderzoek naar de getrouwheid en de
                                rechtmatigheid van het financieel verslag, als bedoeld in het eerste
                                lid, of van de jaarrekening, als bedoeld in het tweede lid, en geeft
                                de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring.
                                Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie-ontvanger verplichten dat het
                                door de accountant uit te voeren onderzoek plaatsvindt met
                                inachtneming van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld
                                controleprotocol.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de
                                in het vierde lid bedoelde controleverklaring.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het provinciebestuur kan vrijstelling of ontheffing verlenen van
                                het bepaalde in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op subsidies die
                                verleend worden voor een bedrag vanaf € 125.000,--, op subsidies die
                                verleend worden op basis van de Regeling EFRO doelstelling 2
                                programmaperiode 2007-2013 en op subsidies die als cofinanciering
                                bij subsidies op basis van de Regeling EFRO doelstelling 2
                                programmaperiode 2007-2013 worden verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven waarin een
                                bedrag is vermeld waarop de subsidie ten hoogste kan worden
                                vastgesteld, wordt zij vastgesteld op basis van de werkelijke baten
                                en lasten van de activiteiten waarvoor zij is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten ten
                                aanzien van door hen te bepalen categorieën van kosten bij nadere
                                regels normbedragen vaststellen. Gedeputeerde Staten kunnen in
                                bijzondere gevallen van deze normbedragen afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5</titel></kop><al>Het provinciebestuur beslist binnen tweeëntwintig weken na ontvangst op
                            de aanvraag. Indien de aanvraag tot vaststelling conform het bepaalde in
                            artikel 5.1 tweede lid wordt ingediend, beslist het provinciebestuur
                            binnen tweeëntwintig weken nadat de stukken, als bedoeld in artikel 17a
                            van de Financiële verhoudingswet, door het provinciebestuur zijn
                            ontvangen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Intrekking en wijziging</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur kan de subsidieverlening intrekken of wijzigen
                                indien </al><lijst><li nr="a."><al> conservatoir beslag is gelegd op het vermogen of een deel
                                        van het vermogen van de subsidie-ontvanger of conservatoir
                                        derdenbeslag is gelegd op het vermogen van de
                                        provincie;</al></li><li nr="b."><al> de subsidie-ontvanger surcéance van betaling is
                                        verleend;</al></li><li nr="c."><al> de subsidie-ontvanger in staat van faillissement is
                                        verklaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de subsidie is verleend door provinciale staten oefenen
                                gedeputeerde staten de bevoegdheid van het eerste lid uit.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de subsidie is vastgesteld door provinciale staten zonder
                                dat daaraan voorafgaand een beschikking tot subsidieverlening is
                                gegeven, oefenen gedeputeerde staten in de in het eerste lid
                                genoemde omstandigheden de bevoegdheid tot intrekking of wijziging
                                uit als bedoeld in artikel 4:49 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt gewijzigd of
                                ingetrokken voor zover subsidieverstrekking in strijd is met bij of
                                krachtens een verdrag aan de provincie opgelegde
                                verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Ingeval van wijziging of intrekking van de subsidieverlening of
                                -vaststelling ten nadele van de subsidieontvanger kunnen
                                Gedeputeerde Staten bepalen dat over onverschuldigd betaalde
                                subsidiebedragen rente verschuldigd is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 De betaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve een voorschot verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorschotten bedragen in totaal ten hoogste 80% van de verleende
                                subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid bedragen de voorschotten in totaal
                                ten hoogste 95% van de verleende subsidie indien de financiële
                                verantwoording overeenkomstig het bepaalde in artikel 17a van de
                                Financiële verhoudingswet geschiedt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten voor per
                                boekjaar verstrekte subsidies een voorschot verlenen tot 100% van
                                het subsidiebedrag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het
                                provinciebestuur in afwijking van het tweede en derde lid tot het
                                volledige bedrag voorschotten verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3</titel></kop><al>Een bestuurlijke geldschuld kan worden verrekend met een bestaande
                            vordering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 8 Per boekjaar verstrekte subsidies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde krediet- en
                                garantieverleningen, is afdeling 4.2.8 van de wet van toepassing,
                                tenzij het provinciebestuur anders bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen zonder
                                volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde krediet- en
                                garantieverleningen, is afdeling 4.2.8 van de wet zoveel mogelijk
                                van overeenkomstige toepassing, tenzij het provinciebestuur anders
                                bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing bij
                                het verstrekken van een subsidie tot € 125.000,--.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag van een subsidie per boekjaar wordt ingediend voor 1
                                april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar, tenzij het
                                provinciebestuur een andere termijn heeft aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie
                                werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 31 augustus worden
                                ingediend, als zij in vergelijking met de subsidie voor het
                                voorafgaande jaar niet meer dan een trendmatige wijziging inhoudt in
                                verband met de algemene ontwikkeling van het loon- en
                                prijspeil.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3</titel></kop><al>Het provinciebestuur beslist uiterlijk vier weken voor de aanvang van
                            het boekjaar op de aanvraag van de subsidie. De beslissing kan voor ten
                            hoogste vier weken worden verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.4</titel></kop><al>Subsidie per boekjaar wordt verleend voor ten hoogste vier
                            boekjaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.5</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie-ontvanger behoeft toestemming van het provinciebestuur
                                voor het verrichten van de in artikel 4:71, eerste lid, van de wet
                                genoemde handelingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het provinciebestuur kan vrijstelling of ontheffing verlenen van
                                het bepaalde in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.6</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie-ontvanger vormt een egalisatiereserve als bedoeld in
                                artikel 4:72 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het provinciebestuur kan vrijstelling of ontheffing verlenen van
                                het bepaalde in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.7</titel></kop><al>Artikel 4:76 van de wet is van overeenkomstige toepassing op
                            subsidie-ontvangers die hun inkomsten in overwegende mate ontlenen aan
                            de subsidie, tenzij bij de subsidieverlening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.8</titel></kop><al>Het provinciebestuur beslist binnen tweeëntwintig weken na ontvangst op
                            de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 9 Krediet- en garantieverleningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met betrekking tot krediet- en garantieverleningen kan het
                                provinciebestuur bepalingen van deze verordening buiten toepassing
                                verklaren, met uitzondering van de bepalingen van paragraaf 1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op artikel
                                3.1 derde en vierde lid, artikel 4.1 tweede lid en artikel 6.1
                                vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 10 Waarderingssubsidies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd in incidentele gevallen
                                waarderingssubsidie te verstrekken voor activiteiten die van
                                provinciaal belang zijn waarvan het onderwerp niet in een
                                subsidieregeling is geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt jaarlijks niet meer dan € 5.000,-- en kan een
                                keer voor ten hoogste vier achtereenvolgende jaren worden
                                verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 11 Bijzondere en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het in artikel 4:24 van de wet bedoelde verslag wordt ten minste
                                eenmaal in de vier jaren door gedeputeerde staten aan provinciale
                                staten aangeboden en gepubliceerd in het provinciaal blad.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ingeval de subsidie is aangemerkt als steunmaatregel in de zin van
                                artikel 87 en 88 van het EG Verdrag die verenigbaar is met de
                                gemeenschappelijke markt, is tevens de Europese regelgeving ten
                                aanzien van de verslaglegging van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het provinciebestuur subsidie verstrekt voor activiteiten
                                waarvoor ook door andere bestuursorganen subsidie wordt verstrekt,
                                kan het provinciebestuur afwijken van deze verordening en de van
                                toepassing zijnde bijzondere subsidieverordeningen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is alleen van toepassing als afwijking wenselijk is
                                ter afstemming van de op de betrokken subsidies toepasselijke
                                voorschriften, mits daardoor de belangen met het oog waarop de
                                bepalingen waarvan wordt afgeweken zijn gesteld, niet onevenredig
                                worden geschaad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.3</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten houden, in verband met de Europese regelgeving met
                            betrekking tot staatssteun, een register van aan ondernemingen
                            verstrekte subsidies bij.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.4</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het
                            toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens deze verordening is
                            bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.5</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening
                                Gelderland 1998.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zij treedt in werking met ingang van 1 januari 1998 of zoveel later
                                als titel 4.2 van de wet in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De Algemene subsidieverordening Gelderland 1983, de
                                Budgetsubsidieregeling Gelderland 1990 en artikel 13 van de Algemene
                                delegatieverordening Gelderland vervallen op het in het tweede lid
                                bedoelde tijdstip, met dien verstande dat de daarin neergelegde
                                bepalingen van kracht blijven ten aanzien van subsidies die voor dit
                                tijdstip zijn verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Provinciale Staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op deze verordening</titel></kop><al>T o e l i c h t i n g AsG 1 9 9 8</al><al><vet>1 Inleiding</vet></al><al>Op 1 januari 1994 zijn de eerste en tweede tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht in werking getreden. Naar het zich laat aanzien volgt per 1
                    januari 1998 de inwerkingtreding van de derde tranche (Awb3). De derde tranche
                    bevat o.m. een - uitvoerige - regeling van het onderwerp subsidiëring. In deze
                    regeling (titel 4.2 van de wet) heeft de wetgever regels die in de
                    jurisprudentie met betrekking tot subsidiëring zijn gegroeid, gecodificeerd en
                    voorts een harmonisatie tot stand gebracht van de talloze wettelijke regelingen
                    op dit gebied.</al><al>Volgens de Memorie van Toelichting zijn de doelstellingen van titel 4.2: het
                    tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies; het verschaffen van
                    voldoende rechtszekerheid aan subsidie-ontvangers; en beheersbaarheid van de
                    overheidsuitgaven. De subsidieregeling van de Awb bouwt - conform de systematiek
                    van de wet - voort op de algemene regelingen van de vorige tranches. Voor de
                    vraag aan welke eisen een beschikking tot subsidieverstrekking moet voldoen,
                    moeten dan ook niet alleen de bepalingen van titel 4.2 worden geraadpleegd, maar
                    bijv. ook titel 4.1 (algemene bepalingen over beschikkingen), afdeling 3.2
                    (zorgvuldigheid en belangenafweging) en afdeling 3.6 (bekendmaking en mededeling
                    van besluiten).</al><al>Grote inhoudelijke verschuivingen heeft titel 4.2 niet tot gevolg. De regeling
                    behelst vooral procedurebepalingen, die aansluiten bij de - ook bij onze
                    provincie bestaande - subsidiepraktijk. Navolgend zullen enkele
                    vermeldenswaardige nieuwe elementen worden aangestipt.</al><al>De wet (artikel 4:21) definieert het begrip subsidie (dat voortaan wordt
                    voorafgegaan door het lidwoord "de" in plaats van "het") als: de aanspraak op
                    financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde
                    activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het
                    bestuursorgaan geleverde goederen en diensten.</al><al>Deze definitie geeft aan de subsidietitel een ruim bereik. Hierdoor vallen in
                    principe ook de door de overheid verstrekte kredieten en garanties onder de
                    werking van wet. Alleen als een krediet of garantie niet "met het oog op
                    bepaalde activiteiten" is verstrekt, zijn de regels van titel 4.2 niet van
                    toepassing. De wet verplicht ertoe om, behoudens uitzonderingen, voor elke
                    subsidiëring een wettelijke grondslag vast te stellen. Zo wordt duidelijkheid
                    geschapen over de rechten en plichten van subsidieverstrekker en -ontvanger.
                    Tegelijk wordt de subsidieverstrekkende overheid gedwongen zich terdege af te
                    vragen welke doelen met de subsidie worden nagestreefd en welke voorschriften en
                    bevoegdheden noodzakelijk zijn om die doelen te bereiken.</al><al>De wet kent de mogelijkheid om een subsidieovereenkomst te sluiten ter
                    uitvoering van een verstrekkingsbeschikking. Bij zo'n overeenkomst kan de
                    subsidie-ontvanger worden verplicht om de gesubsidieerde activiteiten ook
                    daadwerkelijk uit te voeren. Blijft de subsidie-ontvanger in gebreke, dan kan
                    via de rechter nakoming worden afgedwongen. Die mogelijkheid ontbreekt wanneer
                    uitvoering van de activiteit alleen als voorwaarde aan de subsidiebeschikking is
                    verbonden. Sanctie op niet-nakoming is dan slechts dat de subsidie-ontvanger kan
                    worden aangesproken tot terugbetaling van de subsidie.</al><al>Subsidies kunnen i.v.m. doelstelling 3 alleen nog voor bepaalde tijd worden
                    verstrekt. Aldus wordt de subsidieverstrekker gedwongen bij afloop van de
                    termijn stil te staan bij de wenselijkheid van voortzetting van de
                    subsidie.</al><al>De wet kent de mogelijkheid tot vaststelling van een subsidieplafond. Dit middel
                    geeft de overheid, tezamen met het aloude middel van het begrotingsvoorbehoud,
                    de mogelijkheid om de uitgaven voor subsidiëring, althans voorzover
                    subsidieverstrekking plaatsvindt op basis van een wettelijke regeling, binnen de
                    begrote posten te houden. Is voor een subsidieregeling geen plafond vastgesteld,
                    dan heeft zij een open eind en kan het tekortschieten van de beschikbare
                    middelen niet als afwijzingsgrond worden gehanteerd. Voor de duidelijkheid wordt
                    nog opgemerkt, dat de vaststelling van een begrotingspost niet tevens de
                    vaststelling van het subsidieplafond impliceert. De vaststelling van het plafond
                    moet plaatsvinden bij een afzonderlijk besluit. Aldus is het ook mogelijk om het
                    plafond op een lager bedrag vast te stellen dan het bedrag van de
                    begrotingspost.</al><al>De derde tranche verplicht het bestuur tot periodieke evaluatie van en
                    rapportage over de doeltreffendheid en de effecten van de op een wettelijk
                    voorschrift berustende subsidies. Ook deze verplichting kan worden gezien in het
                    licht van doelstelling 3.</al><al>Behalve de nieuwe definitie van het begrip subsidie brengt titel 4.2 nog enkele
                    andere terminologische veranderingen. Zo is de algemene term voor het geven van
                    subsidie - in de geldende regelgeving veelal aangeduid als "subsidieverlening" -
                    verstrekken van subsidie. Verlenen is in Awb3 de term voor het inwilligen van
                    een subsidieaanvraag voor een bepaalde - in het algemeen toekomstige -
                    activiteit. Met de verlening krijgt de aanvrager aanspraak op financiële
                    middelen, mits hij daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten verricht.
                    "Verlenen" is daarmee het equivalent van het begrip "toekennen" in de huidige
                    regelgeving. Vaststellen is (blijft) de term voor het vaststellen van het bedrag
                    van de subsidie en het verschaffen van aanspraak op betaling van dit bedrag.
                    Activiteiten tenslotte is in de Awb de algemene term voor datgene waarvoor de
                    subsidie wordt verstrekt. Ook wanneer wordt gesubsidieerd in het
                    exploitatietekort van een instelling dan wel op basis van door de
                    subsidie-ontvanger behaalde resultaten of geleverde prestaties wordt die term
                    dus gehanteerd.</al><al><vet>2 Titel 4.2 Awb in vogelvlucht</vet></al><al>Titel 4.2 van de Awb geeft een wettelijk kader voor alle als subsidie in de zin
                    van de wet aan te merken financiële aanspraken en bevat regels die bij iedere
                    subsidieverhouding aan de orde zijn. De inhoud kan als volgt worden
                    samengevat<sup>1</sup>.</al><al>De reikwijdte van de subsidietitel wordt bepaald door de hierboven vermelde
                    definitie van het begrip subsidie in artikel 4:21.</al><al>Het stelsel van subsidieverstrekking beslaat - als regel - vier fasen:</al><al>de subsidieverlening (afd. 4.2.3) evt. de bevoorschotting (4:54 e.v.) de
                    vaststelling van de subsidie (afd. 4.2.5) en de uitbetaling van het
                    subsidiebedrag (4:52, 4:53 en 4:56). De subsidiërende overheid kan bepalen dat
                    in bepaalde gevallen de beschikking tot verlening van subsidie (fase 1)
                    achterwege blijft (4:29).</al><al>In de wet vinden we de volgende uitgangspunten terug: - de verstrekking van
                    subsidie dient te steunen op een wettelijk voorschrift (4:23); - van de
                    gesubsidieerde activiteiten dient verslag te worden gedaan; de subsidie dient
                    periodiek te worden geëvalueerd (4:24); - de uitgaven voor subsidiëring dienen
                    binnen de begrote posten te kunnen worden gehouden; hiertoe staan de middelen
                    subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud ter beschikking (afd. 4.2.2 en artikel
                    4:34).</al><al>De wet geeft verder regels voor: - de afwijzing van een aanvraag om
                    subsidieverlening (4:35) - de voorwaarden (4:33), voorschriften en beperkingen
                    (afd. 4.2.4) die aan de subsidie-ontvanger kunnen worden opgelegd - de
                    intrekking en wijziging van de subsidieverlening en -vaststelling (afd. 4.2.6) -
                    de stopzetting van betalingen (4:56) en de terugvordering van onverschuldigd
                    betaalde voorschotten en subsidiebedragen (5:57). Tenslotte bevat afd. 4.2.8 een
                    standaardregeling voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen met
                    volledige rechtsbevoegdheid. In die afdeling staan regels ter uitwerking van en
                    aanvulling op de regels van de overige afdelingen van de subsidietitel,
                    toegesneden op de genoemde specifieke subsidiesoort. Het staat de subsidiërende
                    overheid vrij om deze afdeling al of niet van toepassing te verklaren. Overigens
                    is ook op sommige andere plaatsen in titel 4.2 facultatief recht te vinden. De
                    betreffende bepalingen zijn dan alleen van toepassing indien zulks door de
                    betreffende overheid is bepaald.</al><al><vet>3 Provinciale regelgeving</vet></al><al>De komst van de derde tranche maakt een ingrijpende aanpassing van het
                    provinciale subsidieregelgevingsbestand noodzakelijk. Dat geldt zowel voor de
                    Algemene Subsidieverordening Gelderland 1983 en Budgetsubsidieregeling
                    Gelderland 1990 als voor de bijzondere subsidieverordeningen. In de voorliggende
                    regeling zijn de "algemene voorwaarden" waaronder de provincie subsidie
                    verstrekt in lijn gebracht met de Awb3. In een later stadium worden de
                    bijzondere subsidieregelingen aangepast. Voor de inhoud daarvan is de inhoud van
                    de nieuwe AsG uiteraard van cruciale betekenis.</al><al>De ontwerp-Algemene subsidieverordening Gelderland 1998 beoogt zowel de AsG 1983
                    als de Budgetsubsidieregeling Gelderland 1990 te vervangen. Het ontwerp sluit
                    aan op de in titel 4.2 neergelegde systematiek en volgt de indeling daarvan. Dit
                    heeft geleid tot een groot aantal verschuivingen van bepalingen ten opzichte van
                    de "oude" regelingen. Diverse bepalingen over onderwerpen die in de Awb zijn
                    geregeld, keren in de ontwerp-regeling niet terug. Het is immers niet
                    toelaatbaar in een provinciale verordening onderwerpen te regelen waarin een
                    hogere regeling voorziet. De ontwerp-AsG beperkt zich tot die bepalingen
                    waarvoor titel 4.2 de ruimte laat. Een aantal bepalingen van titel 4.2 stelt de
                    toepasselijkheid ervan afhankelijk van de keuze die "bij wettelijk voorschrift"
                    is gemaakt. Daarmee laat de Awb op onderdelen aan de lagere wetgever
                    keuzevrijheid. In de artikelsgewijze toelichting bij de ontwerp-AsG is
                    aangegeven welke bepalingen aan die vrijheid invulling beogen te geven. Aldus
                    bevat de ontwerp-AsG de algemene bepalingen voor subsidies die door de provincie
                    worden verstrekt, voorzover de algemene bepalingen van de Awb daarin niet reeds
                    voorzien. Verder bevat de ontwerp-verordening bepalingen over onderwerpen, die
                    volgens de Awb bij of krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                    geregeld.</al><al>De specifiek op de onderscheidene subsidies toegesneden regels worden neergelegd
                    in de bijzondere subsidieverordeningen. In deze verordeningen worden onder meer
                    bepalingen opgenomen met betrekking tot de berekeningsgrondslag en omvang van de
                    subsidie, de toewijzingsgronden, evt. aanvullende afwijzingsgronden, evt. regels
                    over het toepasselijke subsidiesysteem en de subsidieverdelingsmethodiek,
                    eventuele van de AsG afwijkende procedurele voorschriften etc.</al><al><vet>4 Gehanteerde uitgangspunten</vet></al><al>Voor de opstelling van de nieuwe AsG en de aanpassing van de bijzondere
                    subsidieregelingen zijn resp. worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.</al><al>De nieuwe regels dienen zo nauw mogelijk aan te sluiten bij - het systeem van -
                    de Awb. Waar de wet een regeling bevat voor een bepaald onderwerp, maar tegelijk
                    de mogelijkheid laat afwijkende regels te stellen, wordt van deze mogelijkheid -
                    mede om redenen van het door PS via motie 1994-27M benadrukte
                    dereguleringsstreven - alleen gebruik gemaakt wanneer bijzondere redenen daartoe
                    nopen. Dit uitgangspunt heeft er bijv. toe geleid, dat in de ontwerp-AsG voor
                    boekjaarsubsidies geen eigen regeling is ontworpen hoewel de wet daarvoor de
                    ruimte laat, maar afd. 4.2.8 Awb van toepassing is verklaard. Ook de van
                    overeenkomstige toepassing verklaring van deze afdeling op
                    boekjaarsubsidieverstrekking aan rechtspersonen zonder volledige
                    rechtsbevoegdheid is daar een voorbeeld van. De aanpassingsoperatie dient zoveel
                    mogelijk een technische operatie te zijn. Inhoudelijke veranderingen in de
                    regelgeving dienen buiten het implementatietraject van de derde tranche plaats
                    te vinden. Van dit uitgangspunt zijn wij op enkele punten afgeweken in verband
                    met in het verleden gedane toezeggingen. In de artikelsgewijze toelichting is
                    verantwoord welke inhoudelijke wijzigingen in het ontwerp zijn doorgevoerd. De
                    nieuwe AsG moet een juridisch kader bieden aan de diverse subsidiesoorten,
                    subsidiesystemen en subsidieverdelingsmethodieken die bij onze provincie worden
                    gehanteerd. De bij onze provincie bekende subsidiesoorten zijn de incidentele,
                    exploitatie-, budget- en waarderingssubsidies. Aan subsidiesystemen kennen wij
                    de zgn. "tweetraps-" en "eentrapssubsidies" (resp. subsidies die eerst worden
                    verleend en vervolgens vastgesteld en subsidies die alleen worden vastgesteld)
                    en verder de boekjaarsubsidies en mutatiesubsidies. Laatstgenoemde subsidies
                    zijn de langlopende subsidieverleningen met tussentijdse periodieke
                    subsidievaststelling. Voorkomende subsidieverdelingsmethodieken zijn de
                    traditionele verdeingsmethode volgens het
                    "die-het-eerst-komt-het-eerst-maalt-principe" en de prioriteringsmethodiek.
                    Volgens de laatste methode wordt voorrang gegeven aan de in een bepaalde periode
                    ontvangen aanvragen, waarvan honorering op beleidsmatige gronden het meest
                    belangrijk wordt gevonden. De ontwerp-AsG is een integraal kader voor al deze
                    soorten, systemen en methodieken. Om die reden is er ook geen behoefte meer aan
                    een aparte regeling van de budgetsubsidies. Waar mogelijk dient de AsG een
                    bijdrage te leveren aan het streven tot deregulering. Onder 1 is al aangegeven
                    dat mede om dereguleringsredenen het aantal van de Awb3 afwijkende regelingen
                    tot een minimum is beperkt. Ook het in elkaar schuiven van de AsG en
                    Budgetsubsidieregeling kan als een bijdrage aan de deregulering worden gezien.
                    Het belangrijkste dereguleringseffect wordt echter behaald doordat de nieuwe AsG
                    in samenhang met de Awb de behoefte aan procedurele bepalingen in de bijzondere
                    subsidieregelingen tot een minimum beperkt. Overigens moet worden bedacht dat
                    het door de Awb3 gestelde vereiste dat subsidies in principe slechts mogen
                    worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift, tot regulering
                    noodzaakt. Voor de subsidies, die nu op basis van beleidsnota's (al dan niet in
                    combinatie met eenvoudige delegatiebesluiten) worden verstrekt, zal een regeling
                    moeten worden ontworpen. De nieuwe regelgeving dient zo nauw mogelijk aan te
                    sluiten bij de bestaande Gelderse subsidie-praktijk. Dit uitgangspunt ligt in
                    het verlengde van uitgangspunt 2. De implementatie van de derde tranche levert
                    al zoveel complicaties op, dat mogelijk gewenste wijzingen, die niet
                    noodzakelijk voortvloeien uit de Awb3, beter op een later moment kunnen worden
                    doorgevoerd.</al><al><vet>5 Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>VOORAF</al><al>Zoals hierboven al aangegeven voorziet de ontwerp-AsG 1998 in een regeling voor
                    alle subsidiesoorten, derhalve ook voor de krediet- en garantieverleningen en
                    waarderingssubsidies. Dat neemt niet weg dat het eigen karakter van deze
                    subsidiesoorten ertoe dwingt enkele specifiek op de betreffende soort
                    toegesneden bepalingen in de regeling op te nemen. Overigens geldt zowel voor de
                    genoemde als voor de andere subsidiesoorten, dat bij bijzondere
                    subsidieverordening aanvullende of afwijkende bepalingen kunnen worden gesteld
                    indien de regeling van de AsG voor een specifieke subsidie niet toereikend
                    is.</al><al>DE TOELICHTING</al><al>Considerans De wettelijke grondslag van de verordening wordt gevormd door zowel
                    de Provinciewet als de Algemene wet bestuursrecht. Anders dan de geldende AsG is
                    de ontwerp-AsG in belangrijke mate een complementaire regeling: aanvullend aan
                    hetgeen reeds in de Awb, m.n. titel 4.2, is geregeld. De nieuwe regeling moet
                    dus in nauwe samenhang met de Awb worden gelezen. In de toelichting op de
                    bepalingen van de verordening wordt daarom steeds naar de betreffende artikelen
                    van de Awb verwezen. Behalve rechtstreeks aan de Awb gerelateerde bepalingen
                    bevat de ontwerp-verordening een aantal "autonome" bepalingen.</al><al><vet>Paragraaf 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al>Artikel 1.1 "Provincie bestuur" is ook in de Provinciewet de aanduiding voor het
                    bevoegde provincie bestuursorgaan. Het begrip "subsidie" is gedefinieerd in
                    artikel 4:21 Awb. De ruime omschrijving van dit begrip heeft tot gevolg dat het
                    bereik van de nieuwe AsG breder is dan die van 1983. Zo vallen nu ook de
                    krediet- en garantieverleningen onder de regeling.</al><al>Artikel 1.2 Volgens het eerste lid is de verordening van toepassing op alle door
                    het provincie bestuur te verstrekken subsidies, voorzover hiervan niet
                    uitdrukkelijk bij bijzondere regeling is afgeweken. PS kunnen ook bij een
                    specifiek subsidieverstrekkingsbesluit (onderdelen van) de AsG buiten toepassing
                    verklaren. Om redenen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid zal niet
                    lichtvaardig van deze bevoegdheid gebruik moeten worden gemaakt. Op grond van
                    artikel 4:21, derde lid, Awb is titel 4.2 niet van toepassing op krachtens
                    wettelijk voorschrift verstrekte subsidies, waarvoor uitsluitend overheden in
                    aanmerking kunnen komen. Voorzover voor de verstrekking van dergelijke subsidies
                    bij hogere regelgeving geen regels zijn gesteld, dient de provincie deze regels
                    zelf in het leven te roepen. In de ontwerp-AsG is daarin voorzien door van
                    overeenkomstige toepassing verklaring van titel 4.2 Awb. Voorzover deze regeling
                    voor specifieke subsidies te zwaar is of anderszins niet passend, kunnen bij
                    bijzondere verordening afwijkende bepalingen worden gesteld. Het derde lid
                    verklaart de vermogenstoets van artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c,
                    niet van toepassing op de subsidies die alleen aan overheden kunnen worden
                    verstrekt.</al><al>Artikel 1.3 Deze bepaling regelt enkele bevoegdheidsoverdrachten van PS aan GS.
                    Behoudens indien de bevoegdheid tot subsidieverstrekking bij een bijzondere
                    (rijks-)wet aan een ander bestuursorgaan is toebedeeld, komt zij volgens de
                    Provinciewet toe aan PS. De ontwerp-AsG laat bedoelde bevoegdheid bij PS
                    voorzover bij bijzondere regeling of delegatiebesluit niet anders is
                    bepaald.</al><al>In het tweede lid is aan GS de bevoegdheid gegeven om, waar PS
                    beslissingsbevoegd zijn met betrekking tot verstrekking, wijziging of intrekking
                    van subsidie, alle daarmee samenhangende voorbereidings- en
                    uitvoeringsbeslissingen te nemen. Op grond hiervan zijn GS in de gevallen dat de
                    beslissingsbevoegdheid omtrent subsidieverstrekking, -wijziging of intrekking
                    aan PS toekomt, onder meer bevoegd tot het verdagen van de op de aanvraag te
                    nemen beslissing, het verlenen van voorschotten, het betalen van voorschotten en
                    subsidiebedragen, betaling van subsidiebedragen in gedeelten, opschorting van de
                    verplichting tot betaling van voorschotten of subsidiebedragen, terugvordering
                    van onverschuldigd betaalde voorschotten en subsidiebedragen, vaststelling van
                    vergoedingen voor vermogensvorming, het sluiten van uitvoeringsovereenkomsten en
                    het vaststellen van de subsidie als bedoeld in par. 5.</al><al>Het derde lid heeft geen pendant in de huidige regelgeving. De bepaling beoogt
                    een praktische werkwijze te creëren voor "ongereglementeerde" subsidieaanvragen,
                    zoveel mogelijk met behoud van het primaat van PS. Volgens de bepaling zijn GS
                    bevoegd om subsidieaanvragen af te wijzen, die betrekking hebben op een
                    activiteit, waarvoor geen bijzondere subsidieregeling geldt en waarvoor op de
                    provinciale begroting ook geen gelden beschikbaar zijn gesteld. GS hebben die
                    bevoegdheid alleen als de aanvraag niet is ingediend voor 1 april van het jaar
                    voorafgaand aan het jaar waarin de activiteit zal worden uitgevoerd. Van een
                    bevoegdheidsoverdracht aan GS met betrekking tot "ongereglementeerde"
                    subsidieaanvragen is geen sprake en PS zijn derhalve beslissingsbevoegd in de
                    volgende gevallen: - de aanvraag is ingediend voor 1 april van het jaar
                    voorafgaand aan het jaar waarin de activiteit zal worden uitgevoerd; in dat
                    geval kan de aanvraag door PS worden meegewogen in het begrotingsproces; - op de
                    begroting is voorzien in een post waaruit de betreffende activiteit kan worden
                    betaald; wanneer de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de besteding van deze
                    post niet via een regeling of anderszins aan GS is overgedragen, berust de
                    beslissingsbevoegdheid met betrekking tot subsidieaanvragen, waarin een beroep
                    op deze middelen wordt gedaan, bij PS zelf; - op de begroting is niet voorzien
                    in een post ten laste waarvan de subsidie kan worden gebracht, maar GS achten de
                    betreffende activiteit dermate waardevol dat zij daarvoor toch subsidie
                    beschikbaar zouden willen stellen; in dat geval dienen zij een voorstel te doen
                    aan PS, waarna PS de uiteindelijke beslissing nemen.</al><al>Artikel 1.4 Op grond van de artt. 4:25 en 4:26 in verbinding met artikel 4:22
                    van de wet kan bij wettelijk voorschrift worden bepaald dat met betrekking tot
                    subsidies die krachtens een subsidieregeling worden verstrekt, een
                    subsidieplafond kan worden vastgesteld. In artikel 1.4 wordt hier in die zin
                    uitvoering aan gegeven, dat de vaststelling van een plafond voor die subsidies
                    verplicht is. Open-eind regelingen worden aldus voorkomen. Tezamen met de
                    mogelijkheid van artikel 4:28 Awb om in geval van subsidieverstrekking
                    voorafgaand aan de vaststelling van de begroting een begrotingsvoorbehoud te
                    maken, is de beheersbaarheid van de provinciale subsidieuitgaven aldus optimaal
                    geregeld.</al><al>Artikel 1.5 Volgens deze bepaling is de prioriteringsmethodiek uitgangspunt voor
                    de verdeling van subsidiegelden: de subsidie gaat in principe naar die
                    activiteiten die het meeste bijdragen aan de doelstelling van de
                    subsidieregeling. Als deze methodiek niet toepasbaar is, omdat de aanvragen
                    verspreid binnenkomen en geen onderlinge weging kan worden gemaakt, geldt de
                    die-het-eerst-komt-het-eerst-maalt-methode.</al><al>Artikel 1.6 Deze bepaling stemt qua strekking overeen met de artikelen 2 en 2b
                    van de AsG 1983. In principe wordt slechts subsidie verstrekt aan niet op het
                    maken van winstgerichte rechtspersonen, al dan niet met volledige
                    rechtsbevoegdheid. Natuurlijke personen en bedrijven komen voor subsidie in
                    aanmerking mits dat bij een bijzondere subsidieregeling is toegestaan. Is zulks
                    niet het geval en willen GS toch een natuurlijke persoon of bedrijf voor
                    subsidie in aanmerking brengen, dan dienen zij dat eerst te bespreken met de
                    betrokken statencommissie. Het tweede lid vervangt het moeilijk leesbare artikel
                    4, aanhef en onderdeel b, van de ASVG 1983. Het biedt een kapstok om bijv.
                    organisaties die aanzetten tot vreemdelingenhaat, van subsidie uit te sluiten.
                    Weigering van subsidie op deze grond eist het nodige van het provincie bestuur
                    op het punt van de motivering van de beslissing.</al><al>Artikel 1.7 Het eerste lid, onderdeel a, vervangt artikel 4, aanhef en onder a
                    van de ASVG 1983. Laatstbedoelde bepaling eist dat bij de te subsidiëren
                    activiteit het belang van de provincie "betrokken" moet zijn. Die betrokkenheid
                    is in de nieuwe bepaling nader geconcretiseerd.</al><al>Onderdeel b van het eerste lid biedt grondslag om voor activiteiten die in
                    strijd zijn met nader aangewezen onderdelen van het provinciale beleid subsidie
                    te weigeren. Deze regeling is ingegeven door een eerdere wens van de Staten geen
                    subsidiegelden beschikbaar te hoeven stellen voor activiteiten, die in strijd
                    zijn met het provinciale milieubeleid. Ook andere onderdelen van het provinciale
                    beleid kunnen van zodanig gewicht worden bevonden, dat activiteiten van derden,
                    die daarmee in strijd zijn, reeds om die reden niet voor subsidie in aanmerking
                    dienen te komen. Omdat "het provinciale beleid" een te open begrip is om zonder
                    meer als toetsingscriterium te hanteren, is in 1.7 bepaald, dat PS bij nader
                    besluit zullen concretiseren welke onderdelen van het beleid - mede - tot
                    algemene toetsingsmaatstaf voor subsidieaanvragen zullen dienen.</al><al>In onderdeel c van het eerste lid is de tot weigeringsgrond geherformuleerde
                    vermogenstoets opgenomen. In de ASVG 1983 staat deze toets in artikel 3.
                    Afwijken van de vermogenstoets kan volgens het tweede lid alleen om zwaarwegende
                    motieven.</al><al><vet>Paragraaf 2 De aanvraag</vet></al><al>Artikel 2.1 Wordt een subsidieaanvraag niet tijdig ingediend, dan kan het
                    provincie bestuur op grond van artikel 4:5 Awb besluiten haar niet te
                    behandelen. De termijn van dertien weken stemt overeen met de op grond van
                    artikel 4:60 Awb geldende termijn voor boekjaarsubsidies.</al><al><vet>Paragraaf 3 De beslissing op de aanvraag</vet></al><al>Artikel 3.1 In deze bepaling is vastgelegd dat het tweetraps-subsidiesysteem
                    geldt, tenzij in een bijzondere verordening of bij bijzonder besluit van PS is
                    bepaald dat de subsidie volgens het eentraps-systeem wordt verstrekt. Als regel
                    volgt op een subsidieaanvraag dus een verleningsbesluit en, na afloop van de
                    activiteit of het boekjaar, een vaststellingsbesluit.</al><al>De keuze voor het tweetraps-systeem als uitgangspunt sluit aan bij de praktijk
                    zoals die in onze provincie voor de meeste subsidies bestaat. Zij sluit ook het
                    beste aan bij de structuur van de regeling van de Awb3. Opgemerkt wordt dat ons
                    streven erop gericht is (blijft) om waar mogelijk - hierbij onder meer in
                    aanmerking nemende de hoogte van het subsidiebedrag, de doelgroep, het doel dat
                    met de subsidieverstrekking wordt nagestreefd en de wenselijk geachte
                    controle-intensiteit - volgens het eentraps-systeem te subsidiëren. Dit systeem
                    kan het doelmatig werken door de subsidie-ontvanger bevorderen en, waar schuiven
                    tussen de begrotingsposten voor hem eenvoudiger is, diens flexibiliteit
                    vergroten. Voor de provincie kan het eentraps-systeem een zekere beperking van
                    de uitvoeringslasten als voordeel hebben. De toetsing achteraf bij deze
                    subsidies is doorgaans minder intensief dan bij de tweetraps-subsidies. Wel moet
                    worden bedacht, dat bij de eentraps-subsidies het voorwerk van de besluitvorming
                    veelal omvangrijker is. Het wegvallen van de correctiemogelijkheid op basis van
                    de rekening noodzaakt tot een diepergaande begrotingstoetsing en, indien op
                    basis van eenheden product wordt gesubsidieerd, tot bewaking van de
                    kostennormen. Bij eentrapssubsidiëring op basis van eenheden product kan
                    bovendien de productdefiniëring een gecompliceerde, arbeidsintensieve
                    aangelegenheid zijn. Onvoldoende mogelijkheden voor een min of meer precieze
                    kostenraming van activiteiten maakt doorvoering van het eentraps-systeem over de
                    hele linie niet haalbaar. Per specifieke subsidie moet worden bezien wat het
                    risico van oversubsidiëring is wanneer de vaststelling achteraf achterwege
                    blijft. Goede beheersing van de overheidsuitgaven als doelstelling van de derde
                    tranche zou bij een te royaal gebruik van het eentraps-systeem gemakkelijk in
                    het gedrang kunnen komen.</al><al>De bestaande, op de Budgetsubsidieverordening gebaseerde eentraps-subsidies
                    kunnen dus onder de AsG 1998 als eentrapper verstrekt blijven worden. Onder
                    voorwaarde dat dit bij bijzondere subsidieregeling of verstrekkingsbesluit van
                    PS is bepaald, kan het eentrapssysteem ook op andere subsidies worden toegepast.
                    Alvorens een bepaalde subsidie onder het eentrapssysteem te brengen is een
                    secure afweging van de pro's en contra's noodzakelijk.</al><al>Artikel 3.2 Wanneer de aanvraag niet compleet is kan de beslissingstermijn van
                    acht weken met toepassing van artikel 4:15 van de wet worden opgeschort totdat
                    de aanvraag is aangevuld. Gelet op de gebruikelijke lengte van de
                    statenprocedure is een beslissingstermijn van acht weken voor PS niet haalbaar.
                    Die termijn is daarom op zestien weken gesteld.</al><al>De laatste volzin van deze bepaling maakt het mogelijk, dat de (PS- of
                    GS)beslissing op de subsidieaanvraag met acht weken wordt verdaagd.</al><al>Artikel 3.4 Artikel 4:35 Awb bevat een aantal gronden voor weigering van
                    verlening van subsidie. Teneinde deze gronden ook tot afwijzingsgrond te maken
                    voor subsidies die alleen worden vastgesteld (waarvoor dus het eentraps-systeem
                    geldt), is artikel 4:35 van overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al><vet>Paragraaf 4 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger</vet></al><al>Artikel 4.1 De wet somt in artikel 4:37 een aantal verplichtingen op, die in de
                    vorm van een voorschrift aan de subsidiebeschikking kunnen worden verbonden. In
                    artikel 4.1 wordt - op de voet van artikel 4:38 Awb - geregeld dat ook andere
                    dan de opgesomde verplichtingen aan de subsidie kunnen worden verbonden.
                    Voorwaarde is wel dat de verplichtingen moeten strekken tot verwezenlijking van
                    het doel van de subsidie.</al><al>Artikel 4.2 Artikel 4:37 van de wet bevat de mogelijkheid aan de
                    subsidie-ontvanger verplichtingen op te leggen met betrekking tot de
                    administratie van aan de gesubsidieerde activiteiten verbonden inkomsten en
                    uitgaven en het afleggen van rekening en verantwoording. Artikel 4.2 bevat op
                    dit punt een standaardverplichting. Het creëert ook een inzagerecht voor de
                    subsidieverschaffer, zodat deze desgewenst via de boeken controle kan uitoefenen
                    op de besteding van de subsidiegelden. Met name in de gevallen, waarin de
                    subsidie-ontvanger in het kader van het afleggen van rekening en verantwoording
                    geen accountantsrapport behoeft over te leggen, kan dit inzagerecht van belang
                    zijn.</al><al>Artikel 4.3 Deze bepaling strekt tot uitwerking van artikel 4:41 Awb. Dit
                    artikel biedt de mogelijkheid om indien de subsidie-ontvanger dankzij
                    subsidiegelden vermogenvoordeel heeft behaald, bijvoorbeeld via de verkoop van
                    een met subsidiegelden aangekochte onroerende zaak, daarvoor in limitatief door
                    de wet genoemde gevallen (zie het tweede lid van artikel 4:41 Awb) een
                    vergoeding te vragen. De wet eist dat bij verordening wordt geregeld - en om
                    rechtszekerheidsredenen moet dat nauwkeurig gebeuren - hoe de hoogte van de
                    vergoeding wordt bepaald. De te betalen vergoeding is volgens artikel 4.3
                    gerelateerd aan de omvang van de provinciale subsidie in de laatste tien jaar.
                    De waarde van een onroerende zaak wordt door een (of drie) onafhankelijke
                    deskundige(n) bepaald.</al><al>Artikel 15 ASVG 1983 bevat een vergelijkbare vergoedingsregeling, zij het dat de
                    toepassing ervan is beperkt tot het geval van ontbinding van de
                    subsidie-ontvangende rechtspersoon. Ook artikel 23 van de ASVG 1983 heeft het
                    tegengaan van vermogensvorming door middel van subsidiegelden tot doel.</al><al><vet>Paragraaf 5 De subsidievaststelling - rekening en verantwoording</vet></al><al>Artikel 5.2 Uit het activiteitenverslag moet duidelijk worden wat het effect is
                    (geweest) van de verstrekte subsidie.</al><al>Artikel 5.4 Uitgangspunt is dat subsidies die tot een bepaald maximum zijn
                    verleend, altijd worden vastgesteld op basis van de werkelijke kosten. Aan de
                    betreffende activiteit verbonden inkomsten worden dus, ook als daarmee in de
                    aanvraag of de verlening niet uitdrukkelijk rekening is gehouden, in principe
                    altijd afgetrokken. Is subsidie niet tot een bepaald maximum verleend, dan zijn
                    de mogelijkheden tot vaststelling van de subsidie op een lager bedrag dan het
                    verleende bedrag beperkt. Artikel 4:46 van de wet somt limitatief op onder welke
                    omstandigheden vaststelling op een lager bedrag mogelijk is. Daartoe behoort
                    niet de situatie dat de subsidie-ontvanger de activiteit heeft gerealiseerd
                    tegen lagere kosten en/of met een hogere opbrengst dan begroot. Het verschil
                    tussen het batig saldo van de activiteit en de verleende subsidie kan in dat
                    geval niet worden teruggehaald. Bij niet tot een maximum verleende subsidies is
                    het dan ook belangrijk dat de aanvraag met bijbehorende stukken nauwkeurig wordt
                    getoetst. Voor als boekjaarsubsidie aan te merken subsidies die niet tot een
                    bepaald maximum zijn verleend, vloeit uit artikel 8.6 van de ontwerp-AsG juncto
                    artikel 4:72 van de wet voort dat een eventueel positief verschil tussen de
                    subsidie en de werkelijke kosten van de activiteit ten gunste van de
                    egalisatiereserve moet worden gebracht. Met die reserve moeten eventuele
                    tekorten in de toekomst worden gedekt. Zie ook de toelichting bij artikel
                    8.6.</al><al>Artikel 5.5 Artikel 4:78 Awb eist ten behoeve van de vaststelling van
                    boekjaarsubsidies steeds een accountantsverklaring (behoudens vrijstelling of
                    ontheffing). In artikel 5.5 wordt deze verplichting veralgemeniseerd, zodanig
                    dat ook bij de niet-boekjaarsubsidies boven ƒ 50.000,- zo'n verklaring moet
                    worden overgelegd. De accountantsverklaring vereenvoudigt de vaststelling van de
                    subsidie in aanzienlijke mate en vormt een waarborg tegen onjuist gebruik van
                    die gelden. Volgens het derde lid kan van de subsidie-ontvanger worden gevergd,
                    dat hij de accountant ook laat onderzoeken of aan alle dan wel bepaalde
                    subsidieverplichtingen is voldaan. Het vierde lid regelt dat het
                    accountantsverslag bij de aanvraag om subsidievaststelling moet worden
                    meegezonden. Volgens artikel 5.6 moet deze verklaring bij eentraps-subsidies
                    worden overgelegd tegelijk met de in het kader van de rekening en verantwoording
                    aan het provincie bestuur te verstrekken stukken.</al><al>Het onderscheid tussen de in het vijfde lid van dit artikel - en ook elders in
                    de regeling en ook in de wet - gebezigde begrippen "vrijstelling" en
                    "ontheffing" is, dat van "vrijstelling" sprake is wanneer een of meer
                    categorieën van gevallen worden vrijgesteld van - in deze bepaling - de
                    verplichting van het eerste lid, en van "ontheffing" indien dat in een
                    individueel geval gebeurt.</al><al>Artikel 5.6 Deze bepaling regelt het afleggen van rekening en verantwoording
                    voor de aanwending van verkregen subsidie wanneer subsidie is verstrekt volgens
                    het eentraps-systeem.</al><al><vet>Paragraaf 6 Intrekking en wijziging</vet></al><al>Artikel 6.1 Deze bepaling stoelt op artikel 4:50, eerste lid onderdeel c, van de
                    wet, dat het mogelijk maakt de reeds in de wet (met name in artikel 4:48 en
                    4:50) genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden bij wettelijk voorschrift aan
                    te vullen. Het tweede en derde lid van de bepaling geven GS in de in het eerste
                    lid genoemde omstandigheden ook de bevoegdheid tot intrekking of wijziging
                    wanneer de subsidie door PS is verstrekt. De lengte van de statenprocedure staat
                    in geval van faillissement e.d. in de weg aan de benodigde snelle reactie.</al><al><vet>Paragraaf 7 Betaling</vet></al><al>Artikel 7.1 Artikel 4:52 Awb bepaalt dat de subsidie behoudens andersluidend
                    wettelijk voorschrift binnen vier weken na de subsidievaststelling wordt
                    betaald. De (Gelderse) praktijk leert dat deze termijn te kort is. In de
                    voorgestelde bepaling is hij daarom verlengd tot zes weken. Het tweede en derde
                    lid dienen ter uitwerking van artikel 4:53, eerste lid, van de wet, dat bepaalt
                    dat betaling in gedeelten mogelijk is mits bij wettelijk voorschrift is bepaald
                    hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald. In
                    het tweede en derde lid wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies van ƒ
                    100.000,- en meer en subsidies van minder dan ƒ 100.000,-. Eerstgenoemde
                    subsidies, doorgaans "instellingssubsidies", worden in maandelijkse porties
                    uitbetaald, laatstgenoemde in kwartaal-porties. Bij de maandelijkse subsidies is
                    het te betalen bedrag in de maand waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald -
                    meestal mei - het dubbele van het bedrag van de overige maanden. Voorzover de
                    voorgestelde regeling voor een specifieke subsidie niet passend is, dient bij
                    bijzondere verordening een afwijkende regeling te worden getroffen.</al><al>Artikel 7.2 Deze regeling komt inhoudelijk overeen met de
                    bevoorschottingsregeling van de ASVG 1983.</al><al><vet>Paragraaf 8 Per boekjaar verstrekte subsidies</vet></al><al>Artikel 8.1 Afdeling 4.2.8 Awb is bedoeld als uitwerking van en aanvulling op de
                    overige afdelingen van titel 4.2 Awb. Zij bevat facultatief recht, d.w.z. dat de
                    subsidie-verstrekkende overheid haar kan toepassen, maar daartoe in principe
                    niet verplicht is. Bij artikel 8.1 van de ontwerp-verordening wordt de
                    toepasselijkheid van afdeling 4.2.8 voor het provincie bestuur tot regel
                    verheven. Met per boekjaar verstrekte subsidies, die voor een tot vier jaar
                    kunnen worden verleend, worden bedoeld de (tweetraps-)instandhoudingssubsidies,
                    waarbij de subsidiegrondslag veelal wordt gevormd door het exploitatietekort van
                    de instelling. Andere subsidiegrondslagen zijn overigens niet uitgesloten.
                    Volgens artikel 4:66 Awb kan de subsidie ex afd. 4.2.8 alleen aan rechtspersonen
                    met volledige rechtsbevoegdheid worden toegekend. De Memorie van Toelichting
                    zegt dat rechtspersonen met niet-volledige rechtsbevoegdheid - en dan gaat het
                    met name om verenigingen zonder notarieel vastgestelde statuten - onvoldoende
                    doorzichtig zijn voor toepassing van de afdeling. In het tweede lid van arikel
                    8.1 is de afdeling niettemin - zoveel mogelijk - van overeenkomstige toepassing
                    verklaard op dergelijke "informele" rechtspersonen. Aan het bezwaar van de MvT
                    kan tegemoet worden gekomen door op basis van artikel 2.1 en, voorzover nog
                    nadere gegevens benodigd zijn, op basis van artikel 4:2 van de wet voorafgaand
                    aan de subsidieverlening al die informatie over te laten leggen, die benodigd is
                    om vast te kunnen stellen hoe de betreffende rechtspersoon functioneert, of een
                    zekere mate van continuïteit is gewaarborgd en of hij in staat kan worden geacht
                    de activiteit, waarop de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren. De door het
                    Burgerlijk Wetboek gegeven persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders
                    geeft bij deze rechtspersonen een extra waarborg tegen oneigenlijk gebruik van
                    subsidiegelden.</al><al>Artikel 8.2 De boekjaarsubsidies kunnen worden vergeleken met de meerjarige
                    subsidies van de ASVG 1983. Ook voor die subsidies gold dat zij voor 1 april van
                    het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar moesten worden aangevraagd, teneinde
                    ze volledig in het afwegingsproces van de begroting mee te kunnen nemen. Voor
                    tweede en volgende aanvragen, waarbij in vergelijking met de voorheen ontvangen
                    subsidie geen substantiële verhoging wordt gevraagd, doet de noodzaak daartoe
                    zich minder voor. Daarom is in het tweede lid de nieuwe bepaling opgenomen dat
                    dergelijke aanvragen uiterlijk op 31 augustus moeten worden ingediend.</al><al>Artikel 8.5 In artikel 4:71 Awb wordt de mogelijkheid gegeven toestemming voor
                    te schrijven voor een aantal handelingen die invloed kunnen hebben op de
                    vermogenspositie van de subsidie-ontvanger. Van deze mogelijkheid wordt gebruik
                    gemaakt in de lijn van o.m. artikelen 21, 22 en 26 van de ASVG 1983.</al><al>Artikel 8.6 Door middel van deze bepaling wordt gebruik gemaakt van de door
                    artikel 4:72 Awb gegeven mogelijkheid de ontvanger van boekjaarsubsidie te
                    verplichten een egalisatiereserve aan te houden. Deze reserve is een buffer,
                    waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in
                    het andere jaar. De mogelijkheden om, indien de subsidie niet is verleend tot
                    een maximum bedrag de subsidie op een lager bedrag dan het verleende bedrag vast
                    te stellen zijn, zoals in de toelichting bij artikel 5.4 uiteengezet, onder het
                    nieuwe regime beperkt. Artikel 4:46 van de wet verplicht ertoe de subsidie
                    overeenkomstig de subsidieverlening vast te stellen, tenzij zich een situatie
                    voordoet als genoemd in het tweede en derde lid van dat artikel. Het geval dat
                    de subsidie-ontvanger de activiteit geheel conform de subsidiebeschikking heeft
                    uitgevoerd, doch erin is geslaagd dit te doen tegen lagere kosten of met een
                    hogere opbrengst dan begroot, behoort daar niet toe. Terughalen van overgebleven
                    subsidiegelden bij de subsidievaststelling is dan dus niet mogelijk. Met de
                    verplichte instelling van een egalisatiereserve wordt bereikt dat de teveel
                    uitgekeerde subsidie toch moet worden aangewend voor de doeleinden waarvoor de
                    subsidie is verstrekt. Eventueel kan bij de subsidieverlening voor het volgend
                    jaar via artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, (de "vermogenstoets")
                    met de reserve rekening worden gehouden. Stopt de subsidie-ontvanger met zijn
                    activiteiten of doet een van de andere situaties van artikel 4:41, tweede lid,
                    Awb zich voor, dan is de egalisatiereserve tenslotte een van de
                    vermogensbestanddelen waarvoor een vermogensvormingsvergoeding kan worden
                    gevraagd (zie artikel 4:72, vijfde lid, Awb).</al><al>Artikel 8.7 Omdat de ontvangers van provinciale boekjaarsubsidie niet zelden
                    tevens inkomsten hebben uit andere bron, is in deze bepaling gebruik gemaakt van
                    de mogelijkheid van artikel 4:77 Awb om in die gevallen artikel 4:76 Awb van
                    overeenkomstige toepassing te laten zijn.</al><al><vet>Paragraaf 9 Krediet- en garantieverleningen</vet></al><al>Artikel 9.1 Door dit artikel wordt nog eens gestipuleerd dat krediet- en
                    garantieverleningen onder het subsidiebegrip vallen. Het onderhavige artikel
                    schept de mogelijkheid voor deze bijzondere subsidiesoorten van bepalingen van
                    deze verordening af te wijken. Deze mogelijkheid wordt vooralsnog nodig geacht
                    omdat nog niet volledig valt te overzien of integrale toepasselijkheid van het
                    subsidieregime in alle gevallen wenselijk is. Zodra voor krediet- of
                    garantieverleningen structurele afwijkingen noodzakelijk blijken, zullen
                    voorstellen worden gedaan tot wijziging of aanvulling van paragraaf 9.</al><al><vet>Paragraaf 10 Waarderingssubsidies</vet></al><al>Artikel 10.1 Dit artikel komt in de plaats van artikel 13 van de Algemene
                    Delegatieverordening. Het betreft hier subsidies voor activiteiten van
                    instellingen die niet onder de termen van enige subsidieregeling vallen, maar
                    waarvoor niettemin door beschikbaarstelling van een beperkte bijdrage
                    provinciale waardering tot uitdrukking kan worden gebracht. Het gaat daarbij
                    nadrukkelijk om incidenten, niet om een vaste stroom van subsidies of een vaste
                    en duidelijk af te bakenen groep van subsidie-ontvangers. Het derde lid is
                    opgenomen om de verstrekkingsprocedure zo eenvoudig mogelijk te kunnen
                    houden.</al><al><vet>Paragraaf 11 Bijzondere en slotbepalingen</vet></al><al>Artikel 11.1 Gebruik is gemaakt van de mogelijkheid van artikel 4:24 Awb om de
                    verslagperiode anders dan op vijf jaar te stellen. Gekozen is voor een periode
                    van vier jaar, zodat de subsidieregelingen elke statenperiode worden
                    geëvalueerd.</al><al>Artikel 11.2 Dit artikel stemt qua strekking overeen met artikel 16 ASVG 1983.
                    In die bepaling is evenwel slechts voorzien in afstemming met
                    rijkssubsidievoorschriften. In de voorgestelde bepaling wordt ook de
                    mogelijkheid gecreëerd tot afstemming met voorschriften van andere
                    subsidieverstrekkende overheden.</al><al>Artikel 11.3 Gelet op de nauwe samenhang van deze verordening met titel 4.2 van
                    de Awb is bepaald dat de verordening in werking treedt tegelijk met dat deel van
                    de Awb. De nieuwe verordening is van toepassing op alle subsidies, die na de
                    inwerkingtreding worden verstrekt. Op de daarvòòr verstrekte subsidies blijft de
                    ASVG 1983 van toepassing. Uittreksel uit voorstel voor de PS-vergadering van 10
                    december 1997, nr. C - 339, inzake aanpassing dertien bijzondere
                    subsidieregelingen aan de Algemene wet bestuursrecht, derde tranche, en
                    wijziging Algemene subsidieverordening Gelderland 1998.</al><al><vet>Enkele wijzigingen van de Algemene subsidieverordening Gelderland
                        1998</vet></al><al>Artikel 1.4 De uit artikel 1.4, eerste lid, van de AsG voortvloeiende
                    verplichting tot vaststelling van een subsidieplafond betreft volgens de huidige
                    formulering van die bepaling ook de subsidies die op de provinciale begroting
                    zijn opgenomen onder vermelding van de subsidie-ontvanger en het bedrag dat ten
                    hoogste aan betrokkene kan worden verstrekt. Omdat de subsidie-ontvanger en het
                    maximaal te verstrekken bedrag al vaststaan, is de vaststelling van een
                    subsidieplafond als afzonderlijk besluit weinig zinvol. Wij stellen daarom voor
                    om aan artikel 1.4 een derde lid toe te voegen, waarin tot uitdrukking wordt
                    gebracht, dat in de bedoelde gevallen het op de begroting vermelde bedrag wordt
                    aangemerkt als het subsidieplafond en waarbij ons college de bevoegdheid wordt
                    gegeven om dit plafond zonodig aan te passen aan de algemene ontwikkeling van
                    het loon- en prijspeil.</al><al>Artikel 2.1 Het eerste lid van artikel 2.1 geeft als algemene regel dat
                    subsidie-aanvragen uiterlijk dertien weken voor aanvang van de activiteit,
                    waarvoor subsidie wordt gevraagd, moeten worden ingediend. Deze regel is niet
                    van een duidelijke sanctie voorzien. Wij stellen voor alsnog een dergelijke
                    sanctie op te nemen door - in lijn met artikel 4:5, eerste lid, Awb - in het
                    eerste lid tot uitdrukking te brengen dat te laat ingediende aanvragen buiten
                    behandeling kunnen worden gelaten.</al><al>Artikel 11.3 In het tweede lid van artikel 11.3 is bepaald dat de AsG in werking
                    treedt met ingang van 1 januari 1998 of zoveel later als de subsidietitel van de
                    Awb in werking treedt en dat zij geldt "voor de subsidies die nadien zijn
                    verstrekt". Deze laatste zinsnede kan het misverstand wekken, dat de AsG niet
                    van toepassing is op de aanvragen van subsidie, die na de inwerkingtreding van
                    de AsG zijn ingediend, maar waarop nog geen beslissing is genomen of die zijn
                    geweigerd. Teneinde dit misverstand te voorkomen stellen wij voor voormelde
                    zinsnede te schrappen.</al><al><vet>Wijziging d.d 25 januari 2006</vet></al><al>A. Sinds de inwerkingtreding van de Wet dualisering provinciebestuur per 12
                    maart 2003 is de aanduiding provinciaal bestuur vervangen door provinciebestuur.
                    Voor wat betreft de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998 betekent dit
                    dat op een groot aantal plaatsen provinciaal bestuur wordt vervangen door
                    provinciebestuur. D. Deze wijziging heeft als reden dat de accountant
                    tegenwoordig niet alleen onderzoek doet naar de getrouwheid van de provinciale
                    jaarrekening, maar ook onderzoekt of de baten en lasten, alsmede de
                    balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen (artikel 217 van de
                    Provinciewet). Met het nieuwe artikel 5.5 van de Algemene subsidieverordening
                    Gelderland 1998 wordt de rechtmatigheidseis doorgegeven c.q. opgelegd aan
                    subsidie-ontvangers. Dit betekent dat een door de subsidie-ontvanger in te
                    schakelen accountant niet alleen onderzoek moet doen naar de getrouwheid van het
                    financiële verslag onderscheidenlijk de jaarrekening, maar ook naar de
                    rechtmatigheid van de subsidie-uitgaven. Concreet betekent dit dat onderzoek
                    wordt verricht naar de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden
                    voorwaarden. Een subsidie is namelijk niet vrij te besteden, maar is gekoppeld
                    aan activiteiten waarover achteraf verantwoording moet worden afgelegd. De
                    subsidiegever wil achteraf weten hoe het geld is besteed en welke effecten
                    daarmee zijn bereikt. Bij toetsing van het rechtmatigheidsaspect spelen de
                    subsidievoorwaarden een essentiële rol (voorwaardecriterium). E. In artikel 7.1,
                    eerste lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998 is bepaald dat
                    tenzij het subsidiebedrag in gedeelten wordt betaald, de betaling plaatsvindt
                    binnen zes weken na de subsidievaststelling. In het door Gedeputeerde Staten
                    vastgestelde Handvest Dienstverlening is bepaald dat betalingen aan derden
                    binnen dertig dagen dienen plaats te vinden. Gelet hierop wordt de termijn van
                    zes weken gewijzigd in dertig dagen. G. In artikel 10.1 van de Algemene
                    subsidieverordening Gelderland 1998 zijn Gedeputeerde Staten bevoegd verklaard
                    in incidentele gevallen waarderingssubsidies te verstrekken. De subsidie kan
                    thans maximaal € 4.538,-- bedragen. Voorgesteld wordt dit bedrag te verhogen tot
                    € 5.000,--.</al><al><sup>1</sup> Ontleend aan de syllabus Nieuw bestuursrecht: derde tranche
                    Algemene wet bestuursrecht, najaar 1996, van de Landelijke Contactcommissie
                    Juridisch PAO. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>