<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR83758_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 20-01-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 220</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 228a, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 156, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 229, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/001</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De ingangsdatum van de heffing is 01-01-2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule/><regeling><aanhef><preambule><al><vet><cursief>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2011</cursief></vet></al><al>De raad van de gemeente Waalwijk; </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 oktober 2010; </al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>”Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen </vet><vet>2011”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 1 Belastingplicht</cursief></vet>1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de </al><al> gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al>a.een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een </al><al> onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens </al><al> eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: </al><al> gebruikersbelasting; </al><al>b.een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een </al><al> onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, </al><al> verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><lijst><li nr="2."><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is </al></li></lijst></li></lijst><al> gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft </al><al> gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting </al><al> als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al><al>b.het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik </al><al> aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft </al><al> gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd </al><al> de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is </al><al> gesteld.</al><al>3.Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens</al><al> eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het </al><al> kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op </al><al> dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al> 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III</al><al> van de Wet waardering onroerende zaken. </al><al>2.Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van</al><al> hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die </al><al> onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende </al><al> zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering</al><al> onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar</al><al> bedoeld in artikel 1. </al><al>2.Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet</al><al> van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf </al><al> van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde </al><al> bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering </al><al> onroerende zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 4 Vrijstellingen</cursief></vet>1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf </al><al> buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van </al><al> de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al><al>a.ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, </al><al> daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van </al><al> glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van </al><al> gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; </al><al>b.glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van </al><al> gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a </al><al> bedoelde grond;</al><al>c.onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of </al><al> voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwe-</al><al> lijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende </al><al> zaken die dienen als woning;</al><al>d.één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de</al><al> Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden</al><al> genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met </al><al> uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al><al>e.natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,</al><al> zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige </al><al> rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van </al><al> natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al><al>f.openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en </al><al> ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al>g.waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, </al><al> instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering </al><al> van de delen van zodanige werken die dienen als woning; </al><al>h.werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die </al><al> worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke </al><al> rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als </al><al> woning;</al><al>i.werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat </al><al> beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op </al><al> zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke </al><al> dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende </al><al> zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;</al><al>k.straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet</al><al> zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het </al><al> publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals </al><al> lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, </al><al> abri's, hekken en palen;</al><al>l.plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of</al><al> waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, </al><al> met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al><lijst><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van</al><al> zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><lijst><li nr="2."><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde</al></li></lijst></li></lijst><al> onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van </al><al> die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. </al><al>3.In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf</al><al> voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van </al><al> de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak </al><al> dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 5 Belastingtarieven</cursief></vet>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het </al><al> percentage bedraagt voor: </al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1047%;</al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0882%;</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1636%</al></li><li nr="2."><al>Indien de heffingsmaatstaf beneden € 2.500,-- blijft, wordt geen belasting geheven.</al></li><li nr="3."><al>Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op</al></li></lijst></li></lijst><al> gehele euro's.</al><al>4.Belastingbedragen van minder dan € 5,-- worden niet geheven. Voor de toepassing</al><al> van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde </al><al> bedragen aangemerkt als één belastingbedrag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 6 Wijze van heffing</cursief></vet>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. <vet><cursief>Artikel 7 Termijnen van betaling</cursief></vet> 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de </al><al> aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de </al><al> laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het </al><al> aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.</al><al>2.In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één</al><al> aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag </al><al> bevat, het bedrag daarvan, minder is dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde </al><al> bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening </al><al> van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten </al><al> worden betaald in tien gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de </al><al> laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het </al><al> aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand </al><al> later.</al><al>3.De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde</al><al> termijnen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</cursief></vet> Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen. <vet><cursief>Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel</cursief></vet>1. De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2010' van 10 december 2009, wordt </al><al> ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de </al><al> heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die </al><al> zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2.Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de</al><al> bekendmaking. </al><lijst><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening onroerende-zaakbelastingen</al></li></lijst><al> 2011'.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 december 2010. </al><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE WAALWIJK </al><al> De griffier, De voorzitter,</al><al>G.H. Kocken drs. A.M.P. Kleijngeld</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>