<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR83678_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsbrief 21 december 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8 en 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijzigen WWB-verordeningen in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>De raad van de gemeente Schiermonnikoog;</vet></al><al/><al/><al>overwegende, dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar bij
                        verordening te regelen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13
                        januari 2011;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en
                        30 van de Wet werk en bijstand;</al><al/><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al/><al/><al>Vast te stellen de “Toeslagenverordening WWB 2010””.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>de wet:</cursief> de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="2."><al><cursief>gehuwdennorm:</cursief> de norm als bedoeld in
                                            artikel 21, onderdeel c, van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In
                                    geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    alleen indien beide echtgenoten jonger dan de
                                    pensioengerechtigde leeftijd zijn.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van
                                    artikel 18, eerste lid van de wet onverlet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Criteria voor verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                    alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
                                    noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de
                                    bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                    kunnen delen van deze kosten met een ander. </al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
                                    alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste
                                    komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                    heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid van de wet
                                    genoemde maximumbedrag. </al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een
                                    alleenstaande en de alleenstaande ouder die een gezamenlijke
                                    huishouding voert met een of <onderstreept>meer niet ten laste
                                        komende
                                        kind</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>ren
                                        met een inkomen dat niet hoger is dan het normbedrag voor de
                                        kosten van
                                        levensonde</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>houd
                                        voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                                        Studiefinanciering 2000,</onderstreept> of jonger dan 21
                                    jaar, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft,
                                    bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde
                                    maximumbedrag. </al></li><li nr="4."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het
                                        <cursief>tweede en derde lid</cursief> niet van toepassing
                                    is 10% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de
                            toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandnorm wordt lager vastgesteld indien gehuwden van 21
                                    jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd
                                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                                    waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of
                                    gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander niet
                                    zijnde <onderstreept>niet ten laste komende kinderen met een
                                        inkomen dat niet
                                        h</onderstreept><onderstreept>o</onderstreept><onderstreept>ger
                                        is dan het normbedrag voor de kosten van
                                        levensonde</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>houd
                                        voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                                        Studiefinanciering 2000,</onderstreept> of jonger dan 21
                                    jaar.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de
                                    gehuwdennorm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt: </al><lijst><li nr="1."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een
                                            belanghebbende van 21 jaar betreft; </al></li><li nr="2."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een
                                            belanghebbende van 22 jaar betreft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de
                                    hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien
                                    deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing
                                    van lid 1 zou leiden.</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>Dit artikel vervalt met ingang van de datum,
                                        bedoeld of genoemd in artikel 86 van de Wet
                                        i</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>vesteren
                                        in jongeren.</onderstreept></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a</nr><titel>– Wijziging betekenis begrippen en verwijzingen in verband
                            met de wijzigingen in de WWB per 1 januari 2012</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                    ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt hebben deze
                                    vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenins als in artikel 4 van de
                                    wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                                    ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012
                                    dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4,
                                    respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21 van de
                                    wet.</al></li><li nr="3."><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21,
                                    onderdeel c van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari
                                    2012 worden gelezen: artikel 21, eerste lid van de wet.</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                            publicatie en werkt terug tot 1 januari 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 25
                        januari 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, voorzitter (L.K. Swart).</ondertekening><ondertekening>, griffier (S.T. van der Zwaag).</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Alle in deze toelichting genoemde artikelen betreffen artikelen uit de
                            Wet werk en bijstand, tenzij anders vermeld.</al><al>1.Norm, toeslag en verlaging</al><al>Hoofdstuk 3 van de wet kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                            het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.
                            Voor de financiering door het Rijk maakt het geen verschil of bijstand
                            is toegekend als norm of als toeslag.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot
                            en met 24. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in
                            de artikelen 25 tot en met 29. Het college is verplicht om in
                            voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de
                            mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt
                            te worden.</al><al>Norm</al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal
                            basisnormen, te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)
                                </al></li><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>Toeslagen</al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder als de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel
                            gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt
                            aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer
                            anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken
                            als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de
                            uitkering maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van
                            20% van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de
                            noodzakelijke bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de
                            Toeslagenverordening. Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen
                            van de toeslag geen rol spelen. Het college is overigens niet verplicht
                            om bij de verlening van een toeslag rekening te houden met lagere
                            bestaanskosten. Het college heeft de mogelijkheid om alle alleenstaanden
                            en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de maximale toeslag
                            te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en 53).</al><al>Verlagingen</al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                                    met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                                    bij gehuwden (artikel 26); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een
                                    studie (artikel 28); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                                    alleenstaanden (artikel 29).</al></li></lijst><al>Deze verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 en 5 van de
                            verordening.</al><al>2.De Toeslagenverordening</al><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 is geregeld dat de
                            gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke
                            categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van
                            welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt
                            bepaald.</al><al>Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen
                            moet dus worden vastgelegd in de Toeslagenverordening door de
                            gemeenteraad, opdat het college het beleid kan uitvoeren.</al><al>Categorieën</al><al>Artikel 30 bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter
                            moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is enerzijds getracht te
                            komen tot in de praktijk redelijk eenvoudig te hanteren criteria en
                            anderzijds rekening te houden met de werkelijke kosten van
                            belanghebbende. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering bij
                            het afbakenen van de categorieën.</al><al>In de Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven
                            aan de verlagingen in verband met het kunnen delen van kosten bij
                            gehuwden en verlaging voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar.</al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                            uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen
                            heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op
                            grond van artikel 18 lid 1 bij wijze van individualisering afwijkend
                            vast te stellen.</al><al>3.Berekening toepasselijke bijstandsnorm</al><al>In de wet is niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de
                            toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op
                            de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het vervallen van het
                            voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de wet, waarbij
                            het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de
                            toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat
                            noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden
                            opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een
                            zwaarder gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de
                            verlaging op de toeslag de aangewezen volgorde.</al><al>Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de uitkering algemene
                            bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden
                            berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2."><al>...</al><lijst><li nr="1."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en
                                            alleenstaande ouders) OF</al></li><li nr="2."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met
                                            anderen (alleen bij gehuwden)</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden (het
                                    restant van) de toeslag.</al></li></lijst><al>De uitkomst van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde
                            zijnde afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering
                            onverlet.</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikel 1</al><al>Er is voor gekozen om begrippen die zijn omschreven in de wet niet
                            afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval
                            van wijziging van betreffende definities in de wet ook de Verordening
                            moet worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte
                            van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c. Dit
                            bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Artikel 2</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo
                            nodig in afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende
                            hoogte van de bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet
                            op de omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende opportuun
                            is, volgt uit artikel 30 lid 4. De individualiseringsplicht geldt
                            evenzeer in situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om
                            hierover bij de uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand
                            te laten bestaan is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de
                            Toeslagenverordening op te nemen.</al><al>Artikel 3, lid 1</al><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de
                            alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat
                            betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit
                            niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. In de
                            toelichtende stukken op het wetsvoorstel nAbw is hierover vermeld dat
                            voor het bepalen van de hoogte van de toeslag alle extra algemeen
                            noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden genomen die de
                            alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner
                            een gezamenlijke huishouding voert. "Het gaat hierbij niet alleen om
                            woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar ook om alle andere
                            uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij alle
                            kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij
                            relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
                            geconfronteerd kan met name gedacht worden aan duurzame
                            gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur,
                            maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en kijk en luistergeld, en
                            diverse andere kosten. De toeslag dient zodanig te zijn dat de
                            betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene bestaanskosten kan
                            voldoen als thans het geval is met de volledig landelijk genormeerde
                            algemene bijstand. Bij de beoordeling of betrokkene inderdaad hogere
                            bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze
                            ook feitelijk deze kosten met een ander deelt, maar of het –gegeven de
                            omstandigheden- redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen
                            worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een hoofdbewoner de
                            woning met een ander bewoont, zou een ongewenste gebruikersruimte [van
                            bijstandsmiddelen, red] ontstaan als de hoogte van de toeslag ervan
                            afhankelijk is of de medebewoner, hoewel deze daartoe financieel in
                            staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten [….]
                            Hiertoe wordt gesproken van het ‘kunnen delen’ van de kosten. Met deze
                            omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan te geven dat van
                            de betrokkene kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie
                            aanpast om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen
                            volstaan."</al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals
                            gezegd, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en
                            maximaal 20% van het netto minimumloon. Degene die voor een toeslag in
                            aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is
                            van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht
                            aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal
                            deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting
                            die op de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. Aanvrager
                            zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens het recht moeten
                            aantonen.</al><al>Artikel 3, lid 2:</al><al>Artikel 30, tweede lid schrijft voor dat de toeslag onverminderd het
                            bepaalde in artikel 27, 28 en 29, voor de alleenstaande en de
                            alleenstaande ouder met zijn kinderen, in wiens woning geen ander zijn
                            hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in
                            artikel 25, tweede lid. De maximale toeslag komt neer op 20% van het
                            netto minimumloon. In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing
                            naar het bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt
                            regelmatig (veelal (half)jaarlijks) van rijkswege bijgesteld.</al><al>De artikelen 27, 28 en 29 geven de gemeente de bevoegdheid om voor
                            bepaalde categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te
                            stellen. Dit betekent dat indien aanvrager voldoet aan de voorwaarde
                            genoemd in artikel 3, tweede lid van de verordening, het toch kan zijn
                            dat er geen recht op een toeslag bestaat van 20% van het netto
                            minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik maakt van de
                            mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag te verlagen.</al><al>Artikel 3, lid 3:</al><al>Geen verlaging van de toeslag vindt plaats indien het niet ten laste
                            komen inwonend kind een inkomen heeft dat niet hoger is dan het in de
                            wet bedoelde normbedrag voor studiefinanciering.</al><al>Artikel 3, lid 4:</al><al>Indien de alleenstaande (ouder) de woning bewoont met een niet ten laste
                            komend kind met een inkomen dat hoger is dan het in de wet bedoelde
                            normbedrag voor studiefinanciering, of een ander persoon niet zijnde een
                            eigen kind met wie kosten gedeeld kunnen worden bedraagt de toeslag
                            10%.</al><al>Artikel 4</al><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide
                            echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met
                            elkaar. Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft,
                            kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder
                            gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk
                            gedeeld worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van
                            belanghebbenden zelf. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van
                            de gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning zijn
                            hoofdverblijf heeft..</al><al>Artikel 5</al><al>Gezien de hoogte van het minimum jeugdloon zou er naar de mening van het
                            college een drempel kunnen ontstaan om werk te aanvaarden indien er geen
                            verlaging van de toeslag zou plaatsvinden op de uitkering van
                            alleenstaanden van 21 en 22 jaar. Artikel 29 geeft de bevoegdheid om in
                            dit geval een verlaging toe te passen.</al><al>Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor
                            een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere
                            verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. De korting van een
                            21-jarige bedraagt dan ook 20% en voor een 22–jarige 10%.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 29 - de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan
                            plaatsvinden op de toeslag van artikel 25.</al><al>Dit artikel vervalt bij beëindiging van het overgangsrecht WWB-WIJ
                            (artikel 86 WIJ). Met ingang van die datum (1 juli 2010) hebben personen
                            tot 27 jaar geen recht meer op algemene bijstand ingevolge de WWB, maar
                            vallen zij onder de WIJ.</al><al>Artikel 6</al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                            Toeslagenverordening bij het college.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>