<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR83583_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleid individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning (verstrekkingenboek)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Steenbergse Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleid individuele verstrekkingen Wmo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-08-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-09-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>0705567</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Publicatiedatum is niet bekend. Gelet op de (interne) publicatierichtlijnen kan worden uitgegaan van publicatie op 10-9-2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleid individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning (verstrekkingenboek)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Voor u ligt het Verstrekkingenboek individuele verstrekkingen Wmo van de
                            gemeente Steenbergen.</al><al>Het verstrekkingenboek ontleent haar status aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A81">artikel 4.81, lid 1 van de Algemene wet
                            bestuursrecht</extref>:</al><al>Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een
                            hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel
                            door hem gedelegeerde bevoegdheid.</al><al>De gemeenteraad heeft de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007">Verordening voorzieningen maatschappelijke voorzieningen</extref>
                            vastgesteld op 21 december 2006. Het College van burgemeester en
                            wethouder stellen het op deze verordening gebaseerde <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning">Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning</extref>
                            (hierna: het besluit) en het verstrekkingenboek (de beleidsregels) vast.
                            Dit betekent dat het besluit en het verstrekkingenboek niet in strijd
                            mogen zijn met de verordening. Het verstrekkingenboek Wmo is gebaseerd
                            op het Verstrekkingenboek Wvg en de modelbeleidsregels Wmo van de
                            Vereniging Nederlandse Gemeenten.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=4">Artikel 4 Wmo</extref>, het artikel dat gemeenten de opdracht geeft
                            tot het verstrekken van individuele voorzieningen, luidt:</al><lijst><li nr="1."><al>Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld
                                    in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6
                                    ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke
                                    participatie, treft het college van burgemeester en wethouders
                                    voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning
                                    die hem in staat stellen: </al><lijst><li nr="a."><al>Een huishouden te voeren;</al></li><li nr="b."><al>Zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="c."><al>Zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="d."><al>Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                            verbanden aan te gaan.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van
                                    burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en
                                    behoeften van de ondersteuningsvrager van de voorzieningen,
                                    alsmede met de capaciteit van de ondersteuningsvrager om uit
                                    oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.</al></li></lijst><al>Het verstrekkingenboek volgt in principe de opbouw van de verordening.
                            Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop
                            individuele voorzieningen worden verstrekt: hulp bij het huishouden,
                            woonvoorzieningen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
                            (vervoersvoorzieningen) en verplaatsen in en rond de woning
                            (rolstoelen). Daarnaast begint het verstrekkingenboek met een hoofdstuk
                            over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen (<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-2-1-vormen-van-huishoudelijke-verzorging">artikel 2.1</extref>., <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-1-type-woonvoorzieningen">3.1</extref>, <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-1-vormen-van-vervoersvoorzieningen">4.1</extref>, <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-5-1-vormen-van-rolstoelvoorzieningen-">5.1. van de verordening</extref>). Het eerste hoofdstuk van de
                            verordening (algemene bepalingen en met name het onderdeel beperkingen)
                            is opgenomen in hoofdstuk … van het verstrekkingenboek, het verkrijgen
                            van voorzieningen en het motiveren van besluiten. Tot slot is er een
                            nieuw hoofdstuk dat handelt over het medische advies. In dit hoofdstuk
                            zal ook ingegaan worden op het ICF.</al><al>Net als in de verordening is er in het verstrekkingenboek van uitgegaan
                            dat onder het voeren van een huishouden zowel de woonvoorzieningen als
                            de hulp bij het huishouden moet worden verstaan. Onder het zich
                            verplaatsen in en om de woning is de rolstoelvoorziening gerekend. Onder
                            het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel zijn de
                            vervoersvoorzieningen als ook de scootmobiel begrepen.</al><al>Bij de uitwerking van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=4">lid 2 van artikel 4 Wmo</extref> moet nog in het bijzonder aandacht
                            worden besteed aan het tweede deel van deze bepaling, dat luidt: “Houdt
                            het college van burgemeester en wethouders rekening met (…) alsmede met
                            de capaciteit van de ondersteuningsvrager om uit een oogpunt van kosten
                            zelf in maatregelen te voorzien”.</al><al>Deze bepaling stelt het college in staat inkomensgrenzen te stellen voor
                            bepaalde voorzieningen bij een bepaald inkomen. Bijvoorbeeld : bij een
                            (verzamel) inkomen van € xx.000,00 wordt een ondersteuningsvrager
                            verondersteld woningaanpassingen zelf te kunnen bekostigen en wordt geen
                            individuele voorziening meer verstrekt. Een dergelijke inkomensgrens
                            bestond al in de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) al, maar was daar
                            gebaseerd op het begrip “algemeen gebruikelijk”. Dit was een begrip dat
                            vooral in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep was
                            uitgewerkt, en met name leidde tot een inkomensgrens voor
                            vervoersvoorzieningen.</al><al>Dit is een belangrijk sturings- of besparingselement is voor de
                            gemeente. Probleem hierbij is op welke plaats, bij welk inkomen, deze
                            inkomensgrens gelegd moet worden. Hiervoor zal in ieder geval de
                            rechter, indien hem een inkomensgrens ter toetsing (of het gevoerde
                            beleid als redelijk beschouwd moet worden) voorgelegd wordt, een goede
                            motivering eisen: waarom is deze grens gekozen. Bij invoering van de Wvg
                            waren er voor inkomensgrenzen voorbeelden, met name uit de AAW. Voor dit
                            soort inkomensgrenzen kan niet worden teruggevallen op oude grenzen: dit
                            is een geheel nieuw middel en bovendien ook een ingrijpend middel. De
                            grens te laag bepalen kan ondersteuningsvragers benadelen. Voor een
                            goede inkomensgrens waarbij bepaalde voorzieningen of alle voorzieningen
                            niet meer onder de werking van de Wmo vallen is onderzoek nodig. Op
                            basis van financiële gegevens zal beoordeeld moeten worden boven welke
                            grens het redelijk is dat men zelf in voorzieningen voorziet.</al><al>Tot slot het volgende. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=40">Artikel 40</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=41">41 Wmo</extref> bevatten overgangsrecht, artikel 40 voor de Wvg en
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=AWBZ/article=41">artikel 41 voor de AWBZ</extref>. Het overgangsrecht voor de Wvg is
                            helder, wie op 31 december 2006 een Wvg-voorziening heeft, behoudt deze
                            voorziening onder Wvg-regelgeving zo lang de beschikking loopt met een
                            maximum van één jaar. De Wvg wordt al door de gemeenten uitgevoerd,
                            zodat de uitvoering van dit overgangsrecht geen problemen op zal
                            leveren. Anders ligt het met de AWBZ. Die wordt niet door de gemeenten
                            uitgevoerd, terwijl toch de AWBZ rechten net als bij de WVG maximaal een
                            jaar blijven bestaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Vorm van de te verstrekken voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=6">Artikel 6 van de Wmo</extref> bepaalt het volgende:</al><al>“Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak
                            hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van
                            een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar
                            pgb, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan”.</al><al>Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van
                            individuele voorzieningen mogelijk zijn. (<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-1-3-keuzevrijheid">Artikel 1.3. lid 1 van de verordening</extref>)</al><lijst><li nr="1."><al>Een voorziening in natura. De gemeente zorgt voor verstrekking
                                    van de voorziening aan de ondersteuningsvrager;</al></li><li nr="2."><al>een persoonsgebonden budget. De ondersteuningsvrager krijgt een
                                    budget waarmee hij zelf de voorziening aanschaft;</al></li><li nr="3."><al>Een financiële tegemoetkoming. De ondersteuningsvrager ontvangt
                                    een tegemoetkoming in de kosten, die hij voor de aanschaf van
                                    een voorziening heeft gemaakt. De tegemoetkoming hoeft niet
                                    kostendekkend te zijn.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><titel>1. Het verstrekken van voorzieningen in natura</titel></kop><structuurtekst><al>Onder verstrekking van voorzieningen in natura wordt verstaan het
                                verstrekken van een hulpmiddel dat de beperkingen die de
                                ondersteuningsvrager op de in de wet genoemde terreinen ondervindt,
                                wegneemt dan wel vermindert. Indien de gemeente een voorziening in
                                natura versterkt, kan de gemeente een eigen bijdrage vragen (<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-1-4-eigen-bijdragen-en-eigen-aandeel">artikel 1.4. lid 1</extref>. Tevens kan de gemeente de hoogte
                                van de eigen bijdrage afstemmen op het inkomen van de
                                ondersteuningsvrager (<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-1-4-eigen-bijdragen-en-eigen-aandeel">artikel 1.4 lid 1</extref>).Wordt een voorziening in natura
                                verstrekt, dan zal toekenning bij beschikking plaatsvinden. In de
                                beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking
                                plaatsvindt.</al><al>Ook geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de
                                gemeente slechts aangekondigd wordt aangezien berekening en inning
                                plaats zullen vinden via het CAK.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2. Het verstrekken van een persoonsgebonden budget (pgb)</titel></kop><structuurtekst><al>In <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-1-3-keuzevrijheid">artikel 1.3 van de Verordening</extref> is de keuzevrijheid
                                verankerd. De keuzevrijheid van de ondersteuningsvrager is niet
                                absoluut. Overwegende bezwaren kunnen de keuzevrijheid in de weg
                                staan. De belangrijkste redenen om een pgb te weigeren staan genoemd
                                in het <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-1-3-keuzevrijheid">derde lid artikel 1.3</extref>:</al><al>“Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte
                                keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden
                                budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenbergen
                                neergelegde criteria.”</al><al>Wanneer een algemene voorziening een adequate oplossing biedt, wordt
                                het verzoek om een pgb geweigerd. Het verlenen van een pgb
                                ondermijnt het collectieve karakter van de voorziening, waardoor dit
                                een overwegend bezwaar is om het pgb te weigeren. Daarnaast wordt
                                het pgb geweigerd, wanneer er op grond van aanwijzingen, die tijdens
                                het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat
                                dat de ondersteuningsvrager problemen zal hebben bij het omgaan met
                                een pgb. De ondersteuningsvrager is bijvoorbeeld niet in staat om
                                voor hemzelf adequate zorg in te kopen, of de ondersteuningsvrager
                                heeft hoge schulden en zal niet in staat zijn om het pgb op een
                                adequate wijze te beheren. Omdat de gelden van het pgb voor beslag
                                vatbaar zijn, kan dit een overwegend bezwaar zijn om de voorziening
                                niet in de vorm van een pgb te verstrekken, maar over te gaan tot
                                verstrekking in natura. Naast deze redenen kan het ook voorkomen dat
                                bij een ondersteuningsvrager met een zeer progressief ziektebeeld al
                                op voorhand vast staat dat binnen niet al te lange tijd de te
                                verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door een andere
                                voorziening. En wellicht daarna weer. Deze situatie leent zich niet
                                voor een pgb, omdat al vaststaat dat de voorziening maar een
                                beperkte tijd bruikbaar zal blijven.</al><al>In dit artikel vallen de termen financiële tegemoetkoming en pgb.
                                Het onderscheid tussen deze begrippen is niet altijd even duidelijk.
                                Daar komt bij dat soms financiële tegemoetkomingen forfaitaire
                                financiële tegemoetkomingen zijn, net weer iets anders. De
                                verschillen tussen deze verstrekkingswijzen kunnen het beste als
                                volgt worden weergegeven.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een
                                individuele voorzieni ng mee te realiseren. Het begrip financiële
                                tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=7">artikel 7 lid 2</extref> waar gesproken wordt over een
                                financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische
                                ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan
                                mede afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de
                                ondersteuningsvrager. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële
                                tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen
                                gebruikelijk deel in het bedrag zit. Dat kan dan, als in deze
                                beleidsregels dit is geregeld, in mindering worden gebracht, ook
                                naast een eigen aandeel.Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is
                                een bedrag dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen
                                wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal niet
                                op het inkomen van de ondersteuningsvrager worden vastgesteld. Te
                                denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of
                                taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening worden
                                gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het
                                tarief van het collectief vervoer.</al><al>Een pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of
                                een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op dit pgb kan
                                een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een
                                rolstoel gaat. Ook hier kan eventueel met een algemeen gebruikelijk
                                deel rekening worden gehouden.Het verschil tussen een pgb en een
                                financiële tegemoetkoming is klein. Helder is wel dat bij een
                                bouwkundige woningaanpassing die aan de eigenaar, niet de bewoner,
                                moet worden uitbetaald, niet gesproken kan worden van een pgb. Dit
                                artikel is een uitwerking van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=6">artikel 6 Wmo</extref>. In de parlementaire behandeling van de
                                Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als
                                het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met
                                het beschikbare geld kunnen omgaan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><structuurtekst><al>.De omvang van het pgb zal bepaald moeten worden.Op grond van
                                    <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning#artikel-3-3-persoonsgebonden-budget">artikel 3.3. eerste lid van het Besluit voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning</extref> is bepaald dat de hoogte
                                van het pgb wordt vastgesteld op 75% van het bedrag dat maximaal
                                voor HV1 en HV2 per uur wordt berekend. Voor huishoudelijke
                                verzorging, type 1 is het bedrag op € 14,50 vastgesteld. De
                                ondersteuningvrager krijgt dus een bedrag van € 10,88 per uur aan
                                pgb. Het maximaal bedrag dat voor huishoudelijke verzorging , type 2
                                wordt berekend, bedraagt € 23,00. De hoogte van het pgb bedraagt dan
                                € 17,50 per uur. Op basis van deze bedragen wordt de eigen bijdrage
                                berekend.</al><al>Het nettominimumloon voor een alleenstaande voor het jaar 2007
                                bedraagt € 1.117,00 per maand (bron: SZW dossier minimumloon). Bij
                                een volledige werkweek verdient een alleenstaande aan wettelijk
                                minimumloon dus een bedrag van € 6.98 per uur. Met een bedrag van €
                                10,88 kan er dus iemand worden aangenomen, die boven het wettelijk
                                minimumloon kan worden betaald.</al><tussenkop> Hoogte pbg overige voorzieningen</tussenkop><al>Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per
                                    toekenning een berekening gemaakt moeten worden. De kosten van
                                    de voorziening als de voorziening in natura wordt verstrekt zijn
                                    daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld
                                    een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het
                                    onderhoud, verzekering en de reparaties van de voorziening, voor
                                    zover daarvan sprake is. Deze bedragen zijn ofwel bij
                                    verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel
                                    kunnen bij verstrekking via een leverancier worden opgevraagd.
                                    Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt
                                    uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in
                                    natura kost. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat
                                    via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid
                                    voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend
                                    naar het pgb. Het is immers niet de bedoeling dat een pgb meer
                                    geld kost dan verstrekking in natura. Over het algemeen wordt er
                                    van uitgegaan dat ook met een pgb een voorziening met korting
                                    kan worden aangeschaft.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Uitbetaling persoonsgebonden budget.</titel></kop><structuurtekst><al>Wanneer de beschikking met daarin opgenomen de hoogte van het pgb
                                naar de ondersteuningsvrager is gestuurd, kan het pgb worden
                                uitbetaald. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het pgb
                                dient te worden aangeschaft en aan welke vereisten de aan te
                                schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig
                                mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd.
                                Hierdoor wordt voorkomen dat door onduidelijkheid omtrent de eisen
                                die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde
                                voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen
                                kunnen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen zou kunnen
                                leiden. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen
                                onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een
                                voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen
                                voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking.</al><al>In de beschikking wordt ook opgenomen dat een eigen bijdrage/eigen
                                aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage
                                vastgesteld en geïnd wordt door het CAK, zal in de meeste gevallen
                                uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden.</al><al>Is de beschikking verzonden, dan kan het pgb beschikbaar worden
                                gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een
                                aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten
                                worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een pgb
                                voor huishoudelijke verzorging.Om de betaling overzichtelijk te
                                houden worden de volgende regels gehanteerd: In één keer zal
                                uitbetaald worden bedragen tot € 2.500,00. Per halfjaar zal
                                uitbetaald worden bedragen tussen € 2.500,00 en € 5.000,00.Per
                                kwartaal zal uitbetaald worden bedragen tussen € 5.000,00 en €
                                25.000,00.Per maand zal uitbetaald worden bedragen hoger dan €
                                25.000,00</al><al>De controle van het pgb vindt als volgt plaats:</al><al>Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren:</al><lijst><li nr="-"><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="-"><al>een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening</al></li><li nr="-"><al>of een overzicht van de salarisadministratie met
                                        bewijsmiddelen</al></li></lijst><al>Steekproefsgewijs zal het college bepalen bij welke budgethouders
                                deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het pgb
                                besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is.</al><al>Blijkt uit de verantwoording dat het pgb anders is besteed dan
                                bedoeld, dan kan het college overgaan tot terugvordering van het
                                budget. Het college neemt in overweging of er sprake is van opzet of
                                onwetendheid. Bij onwetendheid kan in overweging worden genomen dat
                                deze in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet wordt
                                gekeken of terugvordering in verhouding staat tot wat bewust onjuist
                                is gedaan. Bij de afwegingen wordt ook gekeken of de opbrengst van
                                de terugvordering opweegt tegen de kosten ervan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><structuurtekst><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-1-4-eigen-bijdragen-en-eigen-aandeel">Artikel 1.4. van de verordening</extref> bepaalt dat bij een te
                                verstrekken pgb een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Deze eigen
                                bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor
                                (CAK).</al><al>Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar
                                twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de
                                verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te
                                kunnen beschikken. In 2007 doet men aangifte over 2006, dus dat jaar
                                is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2005 in
                                2007 gebruikt wordt. Dit betekent dat soms een voorlopige
                                vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve
                                vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een
                                eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze
                                activiteiten worden door het CAK uitgevoerd. Een eigen bijdrage voor
                                een pgb (of een financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) mag
                                elke 4 weken gevraagd worden, maar mag nooit de grens die in het
                                besluit is vastgelegd, te boven gaan. Ook mag een eigen bijdrage de
                                kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. Wordt een pgb (of
                                een financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) verstrekt voor
                                een voorziening die in eigendom van de ondersteuningsvrager wordt
                                verstrekt, dan mag de eigen bijdrage niet meer dan 39 perioden van 4
                                weken worden gevraagd. Gaat het om een pgb voor een doorlopende zaak
                                die niet in eigendom wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage
                                worden gevraagd zo lang als de voorziening wordt gebruikt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Ad d. Het verstrekken van financiële tegemoetkoming in de kosten
                                van voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>De derde vorm waarin wij voorzieningen kunnen verlenen is het geven
                                van een financiële tegemoetkoming in de kosten van de voorziening.
                                De vraag of een voorziening in natura moet worden geleverd, dan wel
                                in de vorm van een vergoeding voor de kosten van de voorziening, is
                                van een aantal factoren afhankelijk. Bij de verlening van rolstoelen
                                wordt in principe voor verstrekking in natura gekozen omdat
                                hergebruik van de rolstoel vrijwel onmogelijk is wanneer betrokkene
                                een bedrag krijgt waarmee hij de rolstoel zelf kan aanschaffen.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=4">Artikel 4 Wmo</extref> spreekt van: “a. een huishouden te voeren;”
                            , onder welke regel in de verordening zowel wordt verstaan de
                            woonvoorziening als de hulp bij het huishouden.</al></structuurtekst><afdeling><kop><titel>2.1. Uitsluitingen</titel></kop><structuurtekst><al>Voor alles moet bepaald worden of één van de uitsluitingen van
                                    <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-5-uitsluitingen-">artikel 3.5. van de verordening</extref> van toepassing
                                is:</al><al>“De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen,
                                kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte
                                woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                                ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                                noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.”</al><al>Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht
                                zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten.
                                Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het
                                soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen
                                standaard aanwezig zijn.Is er sprake van één van deze mogelijkheden
                                dan is afwijzing op voorhand mogelijk.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.2. Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-1-type-woonvoorzieningen">Artikel 3.1. van de verordening</extref> bepaalt dat er vier
                                mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>als algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>als woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>als persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="d."><al>als financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-3-primaat-algemene-woonvoorzieningen-en-recht-op-individuele-woonvoorzieningen-">Artikel 3.3. van de verordening</extref> bepaalt dat een
                                ondersteuningsvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en een aanpassing aan de
                                woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking
                                kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan
                                lossen.</al><tussenkop> Algemene woonvoorzieningen</tussenkop><al>De algemene woonvoorziening is net als alle algemene
                                    voorzieningen in de verordening bedoeld voor situaties
                                    betreffende oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet
                                    complexe zorg/ voorzieningen of betrekking hebben op incidentele
                                    (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden
                                    geen eigen bijdragen gevraagd.</al><al>Gaat het om een algemene voorziening, dan zal geen aanvraag
                                    worden ingediend. Een melding bij het loket is voldoende. Na een
                                    beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene
                                    woonvoorziening wordt gerealiseerd. De melding wordt wel bij het
                                    loket geregistreerd, dit in verband met mogelijke
                                    vervolgaanvragen. Hierbij valt te denken aan de constructie die
                                    momenteel door de woningcorporaties wordt gehanteerd. Kleine
                                    woningaanpassingen die als algemeen gebruikelijk worden
                                    beschouwd, zoals een verhoogde toiletpot, beugels etc.. worden
                                    op aanvraag en indicatie van Vraagwijzer door de
                                    woningcorporaties aangebracht, zonder dat een vergoeding nodig
                                    is.</al><al>Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het
                                    woonprobleem, of als de ondersteuningsvrager die niet wenst, zal
                                    een aanvraag voor een woonvoorziening moeten worden ingediend.
                                    In dat geval komen de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-1-type-woonvoorzieningen">onder b, c en d van artikel 3.1. van de
                                        verordening</extref> genoemde verstrekkingsmogelijkheden in
                                    aanmerking.</al><al>Onder deze verstrekkingsmogelijkheden vallen de volgende
                                    concrete voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en
                                            herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                                            woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte</al></li><li nr="e."><al>kosten in tijdelijke huisvesting</al></li><li nr="f."><al>kosten in huurderving</al></li><li nr="g."><al>onderhoud, keuring en reparatie.</al></li></lijst><tussenkop> Primaat verhuizing</tussenkop><al>Artikel 3.4. regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil
                                    zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is,
                                    eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel
                                    aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te
                                    passen woning een oplossing is die in aanmerking komt.</al><al>In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de
                                    verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van
                                    Beroep. Onder de Wmo zal dan ook deze mogelijkheid gebruikt
                                    worden ter compensatie van woonproblemen. Het gaat bij het
                                    hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van
                                    het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate
                                    oplossing.</al><al>Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van
                                    de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het
                                    tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en
                                    de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing
                                    van het primaat en de negatieve gevolgen voor de
                                    ondersteuningsvrager. In alle gevallen wordt een goed
                                    gemotiveerd besluit genomen, waarin alle relevante factoren, in
                                    onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het om
                                    factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant
                                    van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven
                                    is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee
                                    een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar
                                    compensatieverplichting voldaan.</al><al>Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle
                                    mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat
                                    elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote
                                    lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende
                                    factoren, dat afhankelijk van de situatie, een rol kan spelen
                                    bij de besluitvorming.</al><lijst><li nr="-"><al>De snelheid waarmee het probleem kan worden
                                            gecompenseerd.De snelheid waarmee het woonprobleem kan
                                            worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces.
                                            In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem
                                            sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste
                                            of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het
                                            hele traject van het maken van een plan, het vragen van
                                            offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt
                                            een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo
                                            zijn dat het aanpassen van een woning een snellere
                                            oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een
                                            geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie
                                            blijkt dat het essentieel is dat uit het
                                            indicatie-advies blijkt binnen welke medisch
                                            aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn
                                            voor het woonprobleem. </al><lijst><li nr="•"><al>Bij verhuizing zijn oplossingen voor de korte
                                                  termijn niet nodig en de ergonomische beperkingen
                                                  van de gehandicapten zijn direct opgelost.</al></li><li nr="•"><al>Soms is een snelle oplossing geboden,
                                                  bijvoorbeeld als een gehandicapte in een
                                                  ziekenhuis of revalidatiecentrum verblijft en pas
                                                  ontslagen kan worden als de woonsituatie is
                                                  aangepast. Zeker bij ingrijpende aanpassingen
                                                  levert een verhuizing naar een nieuwe woonruimte,
                                                  als deze op korte termijn gerealiseerd kan worden,
                                                  een meer adequate voorziening.</al></li><li nr="•"><al>Als een aanbod van aangepaste woonruimte (dus
                                                  verhuizing) als goedkoopst adequate voorziening
                                                  wordt aangemerkt dan hangt de kwaliteit van deze
                                                  voorziening mede af van de termijn waarbinnen deze
                                                  kan worden gerealiseerd. Sprake moet zijn van een
                                                  redelijke termijn.</al></li></lijst></li><li nr="In"><al>de Wvg jurisprudentie zijn hiervoor op dit punt
                                            aanknopingspunten te vinden. Het lijkt redelijk aan te
                                            sluiten op de in de verordening gehanteerde termijn bij
                                            de tegemoetkoming voor huurderving. Deze tegemoetkoming
                                            heeft een sterke relatie met het beschikbaar houden van
                                            aangepaste woningen voor de doelgroep. In navolging van
                                            de jurisprudentie wordt een termijn van 6 maanden in
                                            acht genomen. Indien binnen deze termijn geen geschikte
                                            woning aangeboden kan worden, moet deze voorziening als
                                            minder adequaat worden aangemerkt. Indien aan het einde
                                            deze termijn feitelijk voorzienbaar is dat alsnog binnen
                                            zes maanden een geschikte woning beschikbaar komt, kan
                                            alsnog (maar slechts in overleg met de gehandicapte)
                                            vastgehouden worden aan de beschikking.</al></li><li nr="-"><al>Rekening houden met sociale factoren – aanwezigheid van
                                            mantelzorgSociale omstandigheden waarmee het college
                                            rekening houdt zijn bijvoorbeeld: De voorkeur van de
                                            gehandicapte, De binding van de gehandicapte met de
                                            huidige woonomgeving De nabijheid van voor de
                                            gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de
                                            waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen
                                            en familie in de nabijheid van de woning van de
                                            gehandicapte speelt een rol in het afwegingsproces, met
                                            name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De
                                            sociale omstandigheden moeten in het indicatieonderzoek
                                            zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor
                                            zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen,
                                            als dicht in de buurt van de huidige woning een
                                            geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden
                                            gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij
                                            belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is
                                            gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van
                                            verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder
                                            vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de
                                            ondersteuningsvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen
                                            bedrijf), zullen de consequenties van verhuizing ook
                                            vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen dienen te
                                            worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het
                                            bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder
                                            aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het
                                            inkomen uit eigen bedrijf kan hebben.</al></li><li nr="De"><al>sociale omstandigheden kunnen dermate zwaar wegen, dat
                                            deze prevaleren op afwegingen in de kostensfeer. Voorop
                                            staat dat de te treffen voorziening adequaat moet zijn.
                                            Het is goed mogelijk, dat gelet op individuele sociale
                                            omstandigheden, een verhuizing als ontoereikende
                                            voorziening moet worden aangemerkt.</al></li><li nr="-"><al>Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht
                                            van de gehandicapte.</al></li><li nr="Rekening"><al>houdend met eventuele mogelijkheden op het gebied, maakt
                                            het college een vergelijking tussen de woonlasten van de
                                            huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante
                                            woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden
                                            genomen.</al></li><li nr="Als"><al>de ondersteuningsvrager eigenaar van de woonruimte is,
                                            zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen
                                            met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt.
                                            Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer
                                            emotionele en financiële consequenties dan verhuizing
                                            vanuit een huurwoning.</al></li><li nr="Bij"><al>het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de
                                            orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal
                                            aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en
                                            verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten
                                            daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de
                                            eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag
                                            in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een
                                            eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een
                                            hypotheek op het huis. Ook indien de
                                            ondersteuningsvrager, al dan niet geheel op eigen
                                            kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of
                                            aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms
                                            minder voor de hand. Als de financiële situatie van een
                                            eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door
                                            zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een
                                            handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee),
                                            kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de
                                            woonlasten van de eigen woning en zal de
                                            ondersteuningsvrager ook problemen hebben met
                                            verhuizen.</al></li><li nr="-"><al>Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe
                                            woonruimte</al></li><li nr="Het"><al>college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen
                                            van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen
                                            (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe
                                            woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende
                                            kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: </al><lijst><li nr="-"><al>Huidige en voorzienbare toekomstige
                                                  aanpassingskosten van de reeds bewoonde
                                                  woonruimte; </al><lijst><li nr="a."><al>de kosten van de financiële tegemoetkoming
                                                  voor verhuiskosten</al></li><li nr="b."><al>de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe
                                                  woning;</al></li><li nr="c."><al>kosten van het eventueel vrijmaken van de
                                                  woning</al></li><li nr="d."><al>een eventuele financiële tegemoetkoming voor
                                                  huurderving.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="De"><al>kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook
                                            andere factoren kunnen een rol spelen.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing.</al></li><li nr="Er"><al>wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te
                                            passen koopwoning naaralle waarschijnlijkheid minder
                                            makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking
                                            tekomen. </al><lijst><li nr="-"><al>Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen,
                                                  bestaat niet voor eigen woningen;</al></li><li nr="-"><al>De gemeente heeft geen instrument om de woning
                                                  vrij te krijgen;</al></li><li nr="-"><al>Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte
                                                  kandidaat voor die woning te vinden, die zowel
                                                  financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor
                                                  de betreffende woonruimte.</al></li></lijst></li></lijst><al>Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor
                                    één enkele belanghebbende aangepast worden.</al><al>Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te
                                    zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze
                                    huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een
                                    beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt
                                    verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van
                                    belang.</al><al>Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien
                                    vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal
                                    verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts
                                    voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen
                                    in de afweging tussen verhuizing aanpassen.</al><al>Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een
                                    andere woning door de ondersteuningsvrager als negatief worden
                                    beoordeeld: vaak wil men graag blijven wonen in de vertrouwde
                                    woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van
                                    verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat
                                    heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte
                                    woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan
                                    worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende
                                    oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het
                                    weigeren.</al><al>Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden
                                    genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de
                                    verhuizing.</al><al>Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat
                                    de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een
                                    verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een pgb worden
                                    toegekend. Dit is in drie situaties mogelijk aan de orde.</al><lijst><li nr="1."><al>De ondersteuningsvrager gaat vanwege problemen met het
                                            normale gebruik van de woning verhuizen naar een
                                            adequate woning;</al></li><li nr="2."><al>De ondersteuningsvrager vraagt een woonvoorziening aan
                                            in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek
                                            blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te
                                            zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de
                                            betreffende woning niet kan worden aangepast;</al></li><li nr="3."><al>Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een
                                            persoon die in een aangepaste woning woont.</al></li></lijst><al>Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en
                                    herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat
                                    alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin
                                    die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd,
                                    gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding
                                    of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in
                                    beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare
                                    verhuizingen van senioren.</al><al>Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere
                                    zorginstellingen wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt,
                                    evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of
                                    bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-6-beperkingen-">artikel 3.6, aanhef en onder e van de verordening</extref>
                                    wordt bepaald.</al><al>Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden
                                    wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning, die door middel van een
                                    verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost.
                                    Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar
                                    een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een
                                    persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten
                                    vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van
                                    het college gebeurt, is er aanspraak op een financiële
                                    tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten.</al><al>Het college verstrekt in beginsel geen financiële tegemoetkoming
                                    voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft
                                    plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij
                                    achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het
                                    normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten
                                    woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor
                                    afwijzing.</al><al>Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten
                                    worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn.</al><tussenkop> Overige (bouwkundige) voorzieningen</tussenkop><al>De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning
                                    betreffen.</al><al>Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire
                                    woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde
                                    Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat
                                    daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden
                                    en consumeren van voedsel, het zich kunnen verplaatsen in de
                                    woning waarbij traplopen mogelijk is. Voor kinderen komt daar
                                    bij het veilig kunnen spelen de woonruimte.</al><al>Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de
                                    woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt
                                    gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel
                                    (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden).</al><al>Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een
                                    incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als
                                    noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel
                                    gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning
                                    respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten
                                    behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden
                                    geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het
                                    daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire
                                    woonfunctie.</al><al>Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden
                                    verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik
                                    van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een
                                    specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen
                                    met een specifieke beperking.</al><al>Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal
                                    beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies
                                    kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van
                                    de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – conform de
                                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg-
                                    beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door
                                    redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief
                                    het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van
                                    ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen
                                    gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken
                                    en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de
                                    opstelling van inrichtingselementen in de woning.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.3. Beperkingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Hoofdverblijf</tussenkop><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-7-hoofdverblijf">Artikel 3.7 van de verordening</extref> bepaalt in lid
                                    1:</al><al>“Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de
                                    ondersteuningvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                    woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.”</al><al>Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                    permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en
                                    verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie
                                    staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het
                                    gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een
                                    briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft
                                    compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit
                                    de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere
                                    gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van
                                    een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht
                                    van de vertrekgemeente.</al><al>In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven.
                                    Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van
                                    gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden
                                    opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene
                                    ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder.
                                    Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen
                                    woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin
                                    sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in
                                    een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn
                                    gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar
                                    de woning van de betreffende ouder is gelegen.</al><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-7-hoofdverblijf">Artikel 3.7</extref> biedt in de leden 2 tot en met 5 een
                                    uitzondering op deze hoofdregel:</al><lijst><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                            woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar
                                            maken van één woonruimte indien de ondersteuningsvrager
                                            zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in
                                            de gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="4."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken
                                            van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een
                                            door het College in het <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning">Besluit voorzieningen maatschappelijke
                                                ondersteuning</extref> vast te leggen
                                            maximumbedrag.</al></li><li nr="5."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de
                                            ondersteuningsvrager de woonruimte, de woonkamer en een
                                            toilet kan bereiken.</al></li></lijst><al>Deze afwijking is optioneel, overgenomen uit de Wvg, waarin het
                                    zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was.
                                    Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke
                                    voorziening in de verordening opgenomen, aangezien met de
                                    invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de
                                    Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden.</al><al>Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het
                                    uitsluitend de in artikel 3.7.2. genoemde zaken, te weten het
                                    kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet.
                                    Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet
                                    om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig
                                    lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met
                                    zich meebrengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke
                                    taak.</al><tussenkop> Overige beperkingen woonvoorzieningen</tussenkop><al>Als het gaat om woonvoorzieningen is er nog een aantal
                                    beperkingen, zoals in de verordening vastgelegd in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-6-beperkingen-">artikel 3.6</extref>.</al><lijst><li nr="“De"><al>aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit
                                            hoofdstuk wordt geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de
                                                  woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing
                                                  waartoe op grond van belemmeringen bij het normale
                                                  gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of
                                                  gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere
                                                  belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn
                                                  of haar beperkingen op dat moment beschikbare
                                                  meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren
                                                  schriftelijk toestemming is verleend door het
                                                  college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in
                                                  gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische
                                                  deuropeners, hellingbanen en extra
                                                  trapleuningen;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een
                                                  moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie
                                                  of woonsituatie te voorzien was dat deze
                                                  voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen
                                                  sprake is van een onverwacht optredende
                                                  noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat
                                                  wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruime
                                                  die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond
                                                  te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of
                                                  een andere instelling gericht op het verstrekken
                                                  van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
                                                  problemen met het normale gebruik van de woning
                                                  zijn ondervonden.”</al></li></lijst></li></lijst><al>De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij
                                    vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar
                                    een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze
                                    verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden
                                    tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is.
                                    Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op
                                    een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie
                                    na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer
                                    bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties
                                    mag verwacht worden dat de ondersteuningsvrager tevoren contact
                                    opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat
                                    de goedkoopst-adequate oplossing is.</al><al>Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht
                                    wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden
                                    van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een
                                    geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient
                                    te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal
                                    dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden
                                    of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening
                                    gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig
                                    moment beschikbare geschikte woningen.</al><al>Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt
                                    uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is
                                    onder punt c vastgelegd.</al><al>Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen
                                    gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn.
                                    Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen
                                    verantwoordelijkheid van de ondersteuningsvragers. Wie weet dat
                                    traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat
                                    worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een
                                    alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan
                                    deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding
                                    zijn tot afwijzing.</al><al>Het laatste punt, onder e, tenslotte, is bij de
                                    verhuiskostenvergoeding al besproken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.4. Overige woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Uitbreiding van ruimten</al><al>Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima
                                aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt.
                                Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in
                                principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Soort vertrek</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij aanbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>Bij uitbreiding</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>woonkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>keuken</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 persoonsslaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 persoonsslaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>toiletruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>badkamer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- wastafelruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- doucheruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>entree/hal/gang</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>berging</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop> Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen</tussenkop><al>Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een
                                    vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige
                                    situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en
                                    belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld
                                    om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers,
                                    badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van
                                    herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse
                                    woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om
                                    inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in
                                    een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel
                                    ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening.
                                    Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat
                                    alternatief zijn voor een vast voorziening. Een voorbeeld: in
                                    plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook
                                    een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal
                                    bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties
                                    waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in
                                    andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk
                                    is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als
                                    risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet
                                    efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook
                                    situaties waarin mensen in een slooppand wonen.</al><tussenkop> Woningsanering in verband met CARA</tussenkop><al>Financiële tegemoetkoming voor woningsaneringMen kan in
                                    aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor
                                    woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische
                                    bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn, zolang deze allergie niet
                                    voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen. Sanering is
                                    slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de
                                    huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van
                                    een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en
                                    leefregels, de gehele woninginrichting en
                                    ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan
                                    hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een
                                    gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de
                                    betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe
                                    materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting
                                    zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkenen zelf
                                    maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten.In de regel
                                    kan een vergoeding worden verstrekt indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de ondersteuningsvrager bij de aanschaf niet van tevoren
                                            had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren;</al></li><li nr="-"><al>vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte
                                            termijn noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Geen vergoeding wordt verstrekt indien:</al><lijst><li nr="-"><al>het treffen van een voorziening niet tot verbetering van
                                            de situatie van de cliënt leidt:</al></li><li nr="-"><al>de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs
                                            had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde
                                            stoffen reageert.</al></li></lijst><al>De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt
                                    in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd
                                    indien de ondersteuningsvrager jonger is dan vier jaar.</al><tussenkop> Afschrijvingstermijn</tussenkop><al>Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de
                                        betreffende te vervangen stoffering nog niet is
                                        afgeschreven. Indien een artikel is afgeschreven (in de
                                        regel na 8 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming
                                        verleend.</al><al>Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt
                                        rekening gehouden met de reeds verlopen
                                        afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage
                                        van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode:</al><lijst><li nr="-"><al>100% indien het artikel nieuwer is dan twee
                                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar
                                                oud is;</al></li><li nr="-"><al>50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar
                                                oud is;</al></li><li nr="-"><al>25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar
                                                oud is.</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen
                                                vergoeding verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing
                                                de woning opnieuw moet worden ingericht en dan
                                                rekening kan worden gehouden met de ondervonden
                                                klachten.</al></li></lijst><al>Dit betekent dat alleen op grond van de Wmo vervanging van
                                        vloerbedekking in aanmerking komt voor een financiële
                                        tegemoetkoming. Indien de gehandicapte bij aanschaf
                                        redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op
                                        bepaalde stoffen reageert, wordt geen vergoeding
                                        verleend.Eerdere toepassingen van woningsanering leert dat
                                        slechts de slaapkamer in aanmerking komt voor vergoeding.
                                        Bij kinderen van nog niet schoolgaande leeftijd kan de
                                        woonkamer bij de sanering worden betrokken. De verklaring
                                        hiervoor is gelegen dat de slaapkamer een vertrek is waar
                                        gemiddeld 8 uur per dag constant wordt doorgebracht in rust.
                                        In de andere woonruimtes zijn verplaatsingen dagelijkse
                                        bezigheden, men is dus niet constant in één ruimte aanwezig.
                                        Nog niet leerplichtige kinderen verblijven (meestal) thuis
                                        in de woonkamer om te spelen. In deze situatie is het
                                        aanvaardbaar om dan ook deze ruimte mee te nemen bij
                                        woningsanering.</al><tussenkop> De uitraasruimte</tussenkop><al>De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de
                                    wet zelf, maar is onder de Wmo omschreven in de verordening.
                                        <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-2-soorten-individuele-woonvoorzieningen">Artikel 3.2</extref>, aanhef, lid 2 onder e luidt dan ook:
                                        “<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-1-type-woonvoorzieningen">De in artikel 3.1</extref>. onder b., c. en d. genoemde
                                    voorzieningen kunnen bestaan uit: (……)e. een uitraasruimte. ”Het
                                    gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een
                                    aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot
                                    rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene
                                    beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het
                                    individu gericht zijn.</al><al>De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast
                                    voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk
                                    neveneffect kan zijn van verstrekking.</al><al>Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig
                                    ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van
                                    omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel
                                    van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de
                                    ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn
                                    uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor
                                    zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de
                                    voorziening vallen.</al><al>Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een
                                    onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn)
                                    zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de
                                    uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande
                                    ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de
                                    persoon voor wie de uitraaskamer nodig is.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.5. Procedure bij bouwkundige aanpassing</titel></kop><structuurtekst><al>Procedure aanvraag woningaanpassing waarbij de kosten minder dan €
                                4.000,-- bedragen.Op basis van de ervaring van de Wmo-consulenten
                                wordt bij woningaanpassingen die minder dan € 4.000,-- een
                                zelfindicatie gesteld van de noodzaak. Indien de noodzaak is
                                vastgesteld, geeft de Wmo-consulent de beschikking af en geeft
                                tegelijk opdracht de woningaanpassing te verzorgen.</al><al>Procedure aanvraag woningaanpassing waarbij de kosten meer dan €
                                4.000,-- bedragen.</al><lijst><li nr="1."><al>Vaststellen programma van eisen:</al></li><li nr="Nadat"><al>de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld,
                                        waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische,
                                        sociale en bouwtechnische deskundigheid of een externe
                                        adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate
                                        woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis
                                        van dat programma van eisen enkele offertes bij een aannemer
                                        op. Bij voorzieningen die minder dan € 4.000,00 kosten,
                                        beoordeelt de Wmo-consulent de aanvraag en bepaalt deze de
                                        indicatie, waarna over wordt gegaan tot plaatsing.</al></li><li nr="2."><al>Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate
                                        oplossing biedt:</al></li><li nr="De"><al>gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt
                                        voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming of als
                                        basis geldt voor het vaststellen van het pgb.</al></li><li nr="3."><al>Het college geeft toestemming:</al></li><li nr="Het"><al>college geeft vervolgens toestemming voor de
                                        woningaanpassing, op voorwaarde dat niet reeds zonder
                                        toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop
                                        de financiële tegemoetkoming of het pgb betrekking
                                        heeft.</al></li><li nr="4."><al>De eigenaar voert uit:</al></li><li nr="De"><al>woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de
                                        woningaanpassing conform het programma van eisen. Argonaut
                                        wordt ingeschakeld als onafhankelijk bouwtechnisch
                                        adviseur.</al></li><li nr="5."><al>Het college controleert:</al></li><li nr="Het"><al>college verleent slechts een pgb of een financiële
                                        tegemoetkoming voor een woningaanpassing indien de door hen
                                        aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte
                                        waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in
                                        beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten
                                        ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke
                                        betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid
                                        krijgen de woningaanpassing te controleren.</al></li><li nr="6."><al>Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding:</al></li><li nr="De"><al>financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de
                                        woningeigenaar.Terstond na de voltooiing van de
                                        werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 15 maanden na het
                                        verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning,
                                        verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt
                                        uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de
                                        bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding).Deze
                                        gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                        uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.De
                                        gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het
                                        treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden
                                        waaronder het pgb of de financiële tegemoetkoming is
                                        verleend. Diegene aan wie het pgb of de financiële
                                        tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode
                                        van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met
                                        betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te
                                        houden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.4. Voorwaarden voor uitbetaling financiële
                                tegemoetkoming</titel></kop><structuurtekst><al>Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd
                                conform het programma van eisen en er een adequate aanpassing wordt
                                verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende
                                tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden
                                moeten ook via de beschikking aan de ondersteuningsvrager en
                                eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de
                                ondersteunings-vrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de
                                voorwaarden waaraan het besluit is gebonden.</al><al>De volgende voorwaarden zijn van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking worden gestart
                                        met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële
                                        tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande
                                        schriftelijke toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>Aan door het college aangewezen personen wordt door de
                                        eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar
                                        de woningaanpassing wordt aangebracht;</al></li><li nr="c."><al>Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in
                                        bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de
                                        woningaanpassing;</al></li><li nr="d."><al>Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden
                                        tot het controleren van de woningaanpassing;</al></li><li nr="e."><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch
                                        uiterlijk binnen 15 maanden na het toekennen van de
                                        financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de
                                        financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde
                                        werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen
                                        (PvE);</al></li><li nr="f."><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                        uitbetaling van de financiële tegemoetkoming;</al></li><li nr="g."><al>De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij
                                        het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de
                                        voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is
                                        verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden
                                        bijgevoegd.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.5. Kosten van woningaanpassingen</titel></kop><structuurtekst><al>De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in
                                aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de financiële
                                tegemoetkoming:</al><lijst><li nr="1"><al>De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten)
                                        voor het treffen van de voorziening;</al></li><li nr="2"><al>De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met
                                        inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning-
                                        en utiliteitsbouw 1991;</al></li><li nr="3"><al>Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de
                                        aanneemsom (bij grote woningaanpassingen).</al></li><li nr="4"><al>De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit
                                        noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de
                                        aanneemsom;</al></li><li nr="5"><al>De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen
                                        van de voorziening;</al></li><li nr="6"><al>De door burgemeester en wethouders (schriftelijk)
                                        goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming
                                        van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen
                                        zijn;</al></li><li nr="7"><al>De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en
                                        adviezen met betrekking tot het verrichten van de
                                        aanpassing;</al></li><li nr="8"><al>De kosten van aansluiting op een openbare
                                        nutsvoorziening;</al></li><li nr="9"><al>De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van
                                        het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor
                                        zover de kosten onder 1 t/m 8 meer dan € 907,56 bedragen,
                                        10% van die kosten met een maximum van € 340,34. Deze kosten
                                        kunnen gezien worden als onderhandelingsfactor waarmee de
                                        medewerking van de verhuurder eerder kan worden
                                        verkregen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.6. Opstalverzekering</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de
                                eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere
                                herbouwwaarde van de woning aanpast.</al><tussenkop> Antispeculatiebeding</tussenkop><al>Bij het aanpassen van een eigen woning is besloten om een
                                    anti-speculatiebeding als subsidievoorwaarde op te nemen.
                                    Achtergrond van het opnemen van een antispeculatiebeding is, dat
                                    hiermee voorkomen kan worden dat woningen die met
                                    gemeenschapsgeld zijn aangepast, met “winst tengevolge van deze
                                    aanpassing” verkocht zullen worden. Om misverstanden te
                                    voorkomen zal op het moment dat de woning aangepast wordt een
                                    taxatie moeten worden gemaakt van de waarde voor en na de
                                    aanpassing. Dit verschil is dan uitgangspunt bij het bepalen van
                                    de eventueel behaalde winst bij verkoop van de woning.
                                    Uiteindelijk zal de “netto-overwaarde” bepalend zijn. Het is de
                                    verwachting dat voornamelijk bij dure woningaanpassingen
                                    (uitbouwen e.d) een reële waardestijging van de woning optreedt.
                                    Daarom zal taxatie alleen plaatsvinden bij woningaanpassingen
                                    van meer den € 6.806,70. Trapliften geven geen meerwaarde aan de
                                    woning zodat deze voorziening niet in het anti-speculatiebeding
                                    behoeft te worden opgenomen. Zij kunnen bovendien voor
                                    hergebruik in aanmerking komen. De kosten van toepassing van het
                                    anti-speculatiebeding komen voor rekening van de gemeente.</al><tussenkop> Tegemoetkoming in kosten van onderhoud, controle en
                                    reparatie</tussenkop><al>Op grond van de Wmo is de gemeente niet verplicht om het
                                    onderhoud aan woonvoorzieningen te subsidiëren. Gelet op het
                                    streven naar hergebruik van voorzieningen is in de verordening
                                    wel een mogelijkheid van subsidiering van deze kosten opgenomen.
                                    Een verhoging van de vaste lasten (OZB, opstalverzekering, enz.
                                    ) welke verband houdt met een aanpassing van de woning, wordt
                                    niet vergoed in het kader van de Wmo. Met de woningstichtingen
                                    zullen in dit verband met het oog op kostenbeheersing, worden
                                    overeengekomen dat zal worden gestreefd naar collectieve
                                    onderhoudscontracten. De voorziening wordt op aanvraag
                                    verleend.</al><tussenkop> Huurderving</tussenkop><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-3-16-voorziening-bij-huurderving">Artikel 3.16</extref> van de Verordening bepaalt dat aan de
                                    eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming voor
                                    huurderving kan worden verstrekt in geval van huurbeëindiging
                                    van een woonruimte die voor meer dan € 7.000,00 is aangepast.
                                    Deze financiële tegemoetkoming wordt alleen verstrekt, indien in
                                    opdracht van de gemeente een woning wordt vrijgehouden ten
                                    behoeve van een ondersteuningsvrager.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Het voeren van een huishouden, huishoudelijke
                            verzorging</titel></kop><afdeling><kop><titel>3.1. Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de AWBZ, waar de functie
                                Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de
                                AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ.
                                Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=41">artikel 41, lid 2 Wmo</extref>) en heeft de Wmo op basis van
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=4">artikel 4 lid 1 onder a</extref>. deze functie
                                overgenomen.</al><al>Voor huishoudelijke verzorging hanteert de verordening de volgende
                                definitie:“een voorziening gericht op het ondersteunen bij of het
                                overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van dat
                                huishouden van een ondersteuningsvrager dan wel van de leefeenheid
                                waartoe deze persoon behoort.”</al><al>Het begrip huishoudelijke verzorging valt uiteen in twee typen:</al><lijst><li nr="•"><al>Type 1, huishoudelijke werkzaamheden</al></li><li nr="o"><al>Geheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten op het
                                        gebied van verzorging van het huishouden. Dit betreft de
                                        volgende werkzaamheden: schoonmaakwerkzaamheden (zoals
                                        stofzuigen, stof afnemen, schrobben, dweilen, sanitair/
                                        keuken, bedden opmaken en verschonen, was sorteren en
                                        machinaal wassen, wasgoed ophangen/ afhalen/ strijken/
                                        opruimen, opruimen afval etc.)</al></li><li nr="•"><al>Type 2 huishoudelijke werkzaamheden aangevuld met
                                        organisatie van het huishouden en hulp bij een ontregeld
                                        huishouden.</al></li><li nr="o"><al>Dit betreft de activiteiten uit categorie 1 aangevuld met
                                        signalering, instructie, advies gericht op het huishouden,
                                        dagelijkse organisatie van het huishouden, opvang en
                                        verzorging van kinderen.</al></li></lijst><al>Bij dit hoofdstuk zijn twee bijlagen opgenomen te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Tijdelijke situaties overgangsrecht ex <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=41">artikel 41 Wmo</extref>.</al></li><li nr="2."><al>Handreiking normering hulp bij het huishouden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>3.2. Mogelijke voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-2-1-vormen-van-huishoudelijke-verzorging">Artikel 2.1.</extref> van de verordening geeft een drietal
                                mogelijk te verstrekken voorzieningen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het
                                        huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een pgb te besteden aan hulp bij het huishouden.</al></li></lijst><tussenkop> Algemene hulp bij het huishouden</tussenkop><al>Uit artikel
                                        2.2. van de verordening blijkt dat indien als
                                    gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                    of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf
                                    uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en
                                    de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan
                                    lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het
                                    huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het
                                    huishouden ligt zodoende het primaat.</al><al>Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat deze vorm van hulp
                                    binnen de gemeente bestaat. Is dat niet zo, dan vervalt
                                    automatisch deze vorm van hulp. Is deze vorm van hulp wel
                                    aanwezig, dan gaat het om een “snelle en eenvoudige
                                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp
                                    voor gemeente en ondersteuningsvrager. Gedacht moet worden aan
                                    vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit
                                    bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige
                                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende
                                    hulpbehoefte”.</al><tussenkop> Huishoudelijke verzorging in natura of door middel van een
                                    pgb</tussenkop><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-2-2-aanspraak-op-een-voorziening-in-de-vorm-van-huishoudelijke-verzorging">Artikel 2.2. van de verordening</extref> bepaalt dat indien
                                    de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien
                                    deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing
                                    bied, men in aanmerking kan komen voor hulp bij het huishouden
                                    in natura of een pgb, te besteden aan huishoudelijke verzorging.
                                    Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare
                                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij
                                    het uitvoeren van de mantelzorg.</al><al>Allereerst wordt nagegaan of er sprake is van aantoonbare
                                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat
                                    gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de
                                        Wmo</extref>: mensen met een beperking of een chronisch
                                    psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De
                                    vaststelling hiervan vindt op objectieve wijze plaats en in het
                                    grote deel van de gevallen op basis van een medische
                                    beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch
                                    advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige
                                    deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te
                                    bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren
                                    aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het
                                    verlenen van anti-revaliderende hulp.</al><al>Daarnaast kan ook huishoudelijke verzorging verstrekt worden in
                                    situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering
                                    daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen
                                    worden door het toekennen van huishoudelijke verzorging is dat
                                    een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te
                                    worden dat de hulp plaats vindt bij de ondersteuningsvrager, die
                                    de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis,
                                    indien die een ander woonadres heeft dan de hulpvrager.</al><al>Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek dan komt de ondersteuningsvrager in principe in
                                    aanmerking voor huishoudelijke verzorging.</al><al>Indien het gaat om zorg in natura, dan wordt de voorziening in
                                    de vorm van huishoudelijke verzorging bij beschikking toegekend,
                                    en tevens doorgegeven aan de instelling die deze gaat verzorgen.
                                    Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van
                                    de indicatie kent. Daardoor wordt voorkomen dat activiteiten
                                    worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend.</al><al>Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe
                                    is besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het
                                    CAK, die deze eigen bijdragen int.</al><al>Gaat het om een pgb, dan kan, indien aan het gestelde in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning#hoofdstuk-2-bijzondere-bepalingen-inzake-persoonsgebonden-budget">hoofdstuk 2 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                                        ondersteuning</extref> is voldaan en er geen overwegende
                                    bezwaren bestaan het pgb bij beschikking worden toegekend, onder
                                    de voorwaarden die staan beschreven in artikel…. Van het
                                    besluit. Na de toekenning wordt het pgb uitbetaald. Ook in deze
                                    situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de
                                    eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van
                                    toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>3.3. Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden</titel></kop><structuurtekst><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-2-2-aanspraak-op-een-voorziening-in-de-vorm-van-huishoudelijke-verzorging">Artikel 2.2. lid c van de verordening</extref> bepaalt dat,
                                “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of
                                meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk
                                werk te verrichten” de ondersteuningsvrager niet in aanmerking komt
                                voor huishoudelijke verzorging.”Voor gebruikelijke zorg wordt geen
                                vergoeding verstrekt.”</al><al>Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de ondersteuningsvrager
                                huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij
                                verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen,
                                zodat er geen ruimte meer bestaat huishoudelijke verzorging te
                                indiceren.</al><al>Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een
                                leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het
                                huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is
                                het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere
                                leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen.Dit
                                principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten
                                ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband
                                met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te
                                kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig
                                huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld
                                te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen
                                kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz.
                                Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de
                                indicatie.Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al
                                dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat
                                personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben
                                gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp
                                geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet
                                overgenomen maar via instructies gestuurd.Ook studie of
                                werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke
                                zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het
                                huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals
                                het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor
                                tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van
                                huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer)
                                hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen
                                het huishoudelijk werk aan te leren.</al><al>Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke
                                werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan
                                alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun
                                werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de
                                facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in
                                alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar
                                geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een
                                verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het
                                buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die
                                maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te
                                zoeken.</al><al>Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan
                                personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen
                                die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet
                                daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen.In die situaties worden
                                overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de
                                verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd!</al><al>Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij
                                kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een
                                leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich
                                niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden
                                voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit
                                niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor
                                kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau
                                sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten,
                                gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen
                                verantwoordelijkheid van de gemeenschap.</al><al>Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de
                                functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan
                                worden.</al><al>Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp
                                bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer
                                geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt
                                betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg
                                en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis
                                verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging.</al><al>Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de
                                huishoudelijke verzorging te worden vastgesteld.Hiervoor moet
                                bepaald worden welke activiteiten de ondersteuningsvrager zelf niet
                                kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in
                                navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt
                                te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het
                                huishoudelijk werk verricht moeten worden.De in de bijlage
                                aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn
                                afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en
                                samengesteld in overleg met de landelijke koepel van
                                thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een
                                uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de
                                benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie bijlage).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>3.4. Voorliggende voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen
                                voorgaan.Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere
                                situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden
                                afgeweken.</al><al>Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage kan voor
                                de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is.
                                Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan
                                toegekend worden.</al><al>De gemeente Steenbergen heeft gekozen voor de mogelijkheid van
                                vaststelling van de benodigde huishoudelijke verzorging in uren.
                                    (<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning#artikel-3-1-omvang-van-de-huishoudelijke-verzorging">besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning artikel
                                    3.1</extref>). Bij toekenning in uren worden de tijden van de
                                verschillende onderdelen inclusief meer/mindertijd opgeteld en is
                                dat het in principe toe te kennen aantal uren, afgerond naar halve
                                uren, dat is dan in principe het toe te kennen aantal uren.</al><al>De toekenning is in principe, omdat ook wordt gekeken naar
                                voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd
                                algemeen gebruikelijk zijn:kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf,
                                overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang);
                                oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service;
                                boodschappendiensten enz.</al><al>De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn.
                                Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende
                                voorziening. Niet relevant is of de ondersteuningsvrager gebruik wil
                                maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet
                                relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn
                                verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem
                                laag inkomen. In deze situatie gaat het om een inkomen dat door
                                kosten op grond van de ziekte onder de bijstandsnorm uitkomt of
                                dreigt uit te komen door deze kosten.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Vervoersvoorzieningen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Algemene uitgangspunten bij vervoersvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>De belangrijkste oorzaak van het mobiliteitsprobleem is en blijft
                                ook onder de Wmo dat het openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk
                                is voor mensen met beperkingen (de ondersteuningsvrager kan niet bij
                                de halte of het station komen, kan niet in de bus of trein komen, of
                                lang staan (wachten) levert problemen op. Om deze reden blijft het
                                noodzakelijk dat aan gehandicapten alternatieven worden aangeboden
                                om zich te kunnen verplaatsen. En hoewel er in principe technisch
                                voldoende mogelijkheden zijn om het complete openbaar vervoer
                                toegankelijk te maken, zijn de kosten die daaraan verbonden zijn
                                dermate hoog, dat – mede door de huidige bezuinigingen op het
                                openbaar vervoer – niet te verwachten is dat binnen afzienbare tijd
                                dit openbaar vervoer grotendeels of volledig toegankelijk zal
                                worden. Welke vervoersvoorziening in het kader van de Wmo ook wordt
                                aangeboden, de voorziening zal in ieder geval adequaat dienen te
                                zijn. Een adequate voorziening zal uiteraard aan bepaalde
                                kwaliteitseisen moeten voldoen. Dat geldt voor een collectief
                                systeem, maar evenzo voor individuele vervoerhulpmiddelen of
                                aanpassingen daaraan.</al><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-1-vormen-van-vervoersvoorzieningen">Artikel 4.1. van de verordening luidt</extref>:</al><al>“De door het college, ter compensatie van beperkingen, die een
                                ondersteuningsvrager ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen,
                                waardoor mede het ontmoeten van medemensen mogelijk wordt en op
                                basis daarvan sociale verbanden aangegaan kunnen worden, te
                                verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                        vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een pgb te besteden aan een vervoersvoorziening.”</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.1. Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en pgb’s ten
                                behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen
                                toegekend kunnen worden. Uit <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-3-aanspraak-op-een-algemene-voorziening">artikel 4.3</extref>. blijkt verder dat er een primaat ligt bij
                                die algemene voorzieningen, met daarna een primaat voor het
                                collectief vervoer, <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-4-het-primaat-van-het-collectief-vervoer">artikel 4.4</extref>. Dat betekent dat bij het bestaan van
                                vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene
                                voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen
                                bieden, indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of
                                collectief vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het
                                geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking.</al><al>Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen
                                moeten veelal nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een
                                scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een
                                scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een
                                dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover
                                staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte
                                scootermobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de
                                toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of
                                betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig
                                is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte
                                (aanvullende) instructie mogelijk.</al><tussenkop> Primaat collectief vervoer</tussenkop><al>Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of
                                    als naast een algemene voorziening nog andere
                                    vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het
                                    collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een persoon die
                                    ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan
                                    bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer
                                    allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor
                                    collectief vervoer.</al><al>De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of
                                    geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door
                                    de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                                    geoperationaliseerd middels het loopafstandcriterium “maximale
                                    loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al
                                    dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan
                                    wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen
                                    bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het
                                    openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor
                                    vervoersvoorzieningen in aanmerking.Er ligt overigens geen
                                    letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van
                                    een buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te
                                    liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te
                                    verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere
                                    afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden.</al><al>Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening
                                    in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer
                                    mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte
                                    afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het
                                    tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor
                                    niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als
                                    op beide terreinen problemen bestaan wordt op beide terreinen
                                    bekeken welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen
                                    met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot
                                    maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de
                                    Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden
                                    geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met
                                    een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend
                                    voorgeschreven!</al><al>Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het
                                    openbaar vervoer komt op basis van <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-4-het-primaat-van-het-collectief-vervoer">artikel 4.4</extref> van de verordening in aanmerking voor
                                    collectief vervoer indien dit medisch gezien adequaat is. Dat
                                    zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de
                                    Centrale Raad van Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare
                                    incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige
                                    gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties
                                    collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna
                                    alle andere situaties is collectief vervoer de eerste
                                    voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. Bij
                                    collectief vervoer moet veelal een tarief betaald worden. Dat
                                    bedrag is geen eigen bijdrage in de zin van de Wmo, maar een
                                    algemeen gebruikelijk tarief, zoals ook gebruikers van elk
                                    openbaar vervoer een tarief betalen.</al><al>De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen
                                    Overleg over het bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat
                                    bij aanwezigheid van collectief vervoer geen pgb hoeft te worden
                                    verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief
                                    vervoer in gevaar te brengen.</al><al>Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar
                                    vervoer, zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend
                                    rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de
                                    directe woon- en leefomgeving. <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-6-omvang-in-gebied-en-in-kilometers-">Artikel 4.6 lid 1</extref> van de verordening bepaalt
                                    hierover:</al><lijst><li nr="1."><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten
                                            aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van
                                            maatschappelijke participatie uitsluitend rekening
                                            gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en
                                            leefomgeving in het kader van het leven van alledag,
                                            tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij
                                            het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend
                                            door de ondersteuningsvrager zelf bezocht kan worden,
                                            terwijl het bezoek voor de ondersteuningsvrager
                                            noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                            voorkomen.”De directe woon- en leefomgeving kan het
                                            beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen. Het
                                            gaat daarbij om minimaal de kernen die tot de gemeente
                                            Steenbergen behoren, te weten De Heen, Dinteloord,
                                            Kruisland, Nieuw Vossemeer en Steenbergen.</al></li><li nr=""><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-6-omvang-in-gebied-en-in-kilometers-">Artikel 4.6, lid 2</extref> van de verordening
                                            geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale
                                            Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers
                                            geboden moet worden.</al></li><li nr="2."><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal
                                            maatschappelijke participatie door middel van lokale
                                            verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van
                                            1500 kilometer met een maximum tot 2000 kilometer
                                            mogelijk maken.</al></li></lijst><al>Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer,
                                    met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met
                                    de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze
                                    manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de
                                    Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad.</al><al>Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden
                                    aan een scootermobiel of een driewielfiets. Of een pgb om
                                    dergelijke voorzieningen aan te schaffen.Bij een fiets, tandem
                                    of een scootermobiel wordt een besparingsbijdrage gevraagd. Een
                                    besparingsbijdrage is het algemeen gebruikelijke deel in de
                                    fiets of scootermobiel.</al><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-4-5-algemeen-gebruikelijke-vervoersvoorzieningen">Artikel 4.5</extref>. biedt de mogelijkheid een
                                    inkomensgrens te stellen voor bepaalde vervoersvoorzieningen.
                                    “Indien het inkomen van een ongehuwde ondersteuningsvrager of
                                    het gezamenlijke inkomen met zijn gehuwde of samenwonende
                                    partner meer bedraagt dan 1,5 maal de in het <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning">Besluit voorzieningen maatschappelijke
                                        ondersteuning</extref> voor de diverse categorieën genoemde
                                    inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen
                                    gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto
                                    vergelijkbare voorziening niet in aanmerking komen voor
                                    verstrekking of vergoeding.”</al><al>Wanneer de ondersteuningsvrager een inkomen heeft van 1,5 maal
                                    het norminkomen komt hij niet in aanmerking voor het gebruik van
                                    het collectief vervoer of voor een financiële tegemoetkoming in
                                    de kosten vervoer. De ondersteuningsvrager wordt met zijn
                                    inkomen geacht de extra kosten, die hij moet maken met zijn
                                    beperkingen zelf te kunnen dragen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.2. Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in
                                de eigen woon – of leefomgeving</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Het leven van alledag in de directe woon- of
                                    leefomgeving</tussenkop><al>De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het
                                    sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van
                                    alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat
                                    in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde
                                    Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer
                                    om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken,
                                    vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen.
                                    Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen
                                    leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te
                                    nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van
                                    scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook
                                    niet onder de compensatieplicht.</al><al>Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het
                                    dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt
                                    met het treffen van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze
                                    bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die
                                    uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en
                                    ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo
                                    verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een
                                    AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het
                                    vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen
                                    bekostigen/regelen.Onder de Wvg is een uitgebreide
                                    jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van
                                    het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de
                                    Wmo en fungeert dan ook als kader voor de
                                    Wmo-compensatieplicht.</al><tussenkop> Vervoer in verband met werk</tussenkop><al>Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt
                                    geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk.
                                    Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor
                                    zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de
                                    voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar
                                    WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd
                                    door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale
                                    werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis
                                    van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever.</al><tussenkop> Vervoer in verband met vrijwilligerswerk</tussenkop><al>Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is
                                    geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo
                                    heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad gaat
                                    er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de
                                    organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt.</al><tussenkop> Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of
                                    bezoek aan medische behandelaars</tussenkop><al>Vervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg
                                    en valt evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als
                                    vervoer in het kader van het leven van alledag. Bovendien zijn
                                    er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de
                                    Regeling Zorgverzekering. Het vervoer naar bijvoorbeeld
                                    dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de
                                    Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten
                                    onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot
                                    dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie
                                    spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is
                                    nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om
                                    uitzonderlijke gevallen ging.</al><al>Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom
                                    kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan
                                    niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de
                                    erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ
                                    spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een
                                    overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of
                                    gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer
                                    in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader
                                    van het leven van alledag.</al><tussenkop> Vervoer in verband met het volgen van onderwijs</tussenkop><al>Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de
                                    Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals
                                    het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en
                                    voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige
                                    Wet-Rea-voorzieningen.</al><tussenkop> Vervoer van kinderen door ouders met een beperking</tussenkop><al>Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening
                                    worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met
                                    een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden
                                    met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de
                                    Centrale Raad van Beroep.</al><tussenkop> Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners</tussenkop><al>Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid
                                    gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de
                                    gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een
                                    ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer
                                    AWBZ-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer
                                    ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners.</al><al>Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners
                                    en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te
                                    vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze
                                    geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van
                                    AWBZ-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere
                                    vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij
                                    bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te
                                    doen.</al><al>Soms wonen ondersteuningsvragers in een complex waarin
                                    voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor
                                    diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte
                                    nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan
                                    verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij,
                                    verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat
                                    een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag'
                                    vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners
                                    van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak
                                    boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden
                                    bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor
                                    vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling
                                    georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde
                                    vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor
                                    vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden.</al><al>Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat
                                    voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk
                                    gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van
                                    alledag is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling
                                    kan bijvoorbeeld op basis van het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning een gehalveerd pgb voor vervoerskosten worden
                                    verstrekt. Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als
                                    blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is.</al><tussenkop> Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners</tussenkop><al>Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van
                                    jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de
                                    compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter
                                    rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van
                                    de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij
                                    grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht
                                    c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding.</al><tussenkop> Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners</tussenkop><al>Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners
                                    door jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke
                                    zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de
                                    gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht
                                    voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten
                                    uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De
                                    compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet
                                    afwijken van de bestaande jurisprudentie.</al><al>De reguliere zorgplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel
                                    zorgplicht is voor regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en
                                    slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming
                                    - zorgplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge,
                                    verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen
                                    wordt is deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie omgedraaid.
                                    Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement,
                                    tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat
                                    ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis
                                    onder de zorgplicht valt.</al><al>Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie
                                    uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders
                                    aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners
                                    aan het ouderlijk huis</al><al>Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis
                                    valt niet onder de Wvg-zorgplicht, zo blijkt uit de uitspraken
                                    van de Centrale Raad van Beroep.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Verplaatsen in en rond de woning: de
                            rolstoelvoorzieningen</titel></kop><afdeling><kop><titel>5.1. Het begrip rolstoel</titel></kop><structuurtekst><al>Het verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen
                                plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een
                                trippelstoel, of met een rolstoel.Van deze voorzieningen valt
                                uitsluitend de rolstoel, net als in de Wvg eerder het geval, onder
                                de Wmo. De andere voorzieningen vallen onder andere wettelijke
                                regelingen en zijn daarom op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=3">artikel 3 Wmo</extref> uitgesloten.</al><al>Er is van af gezien – net als in de Wvg – om een begripsomschrijving
                                van een rolstoel te geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds
                                niet gelukt een kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel
                                te formuleren. Daarom blijft staan als eerder onder de Wvg: onder
                                rolstoel dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in het
                                dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een
                                voorziening ter verplaatsing in en om de woning, soms ook in de
                                directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om 4 wielen, soms
                                alle vier even groot (een transportrolstoel), soms 2 grote wielen
                                achter en 2 kleine wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen
                                aan de achterste wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan
                                inderdaad met de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook
                                zijn er motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om de
                                rijden met de rolstoel te ondersteunen, lichter te maken.Naast
                                rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor
                                verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen.De
                                rolstoel moet dienen voor langdurig gebruik. Langdurig is in ieder
                                geval langer dan 6 maanden. Er mag geen eigen bijdrage worden
                                opgelegd als een rolstoel wordt verstrekt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>5.2. Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-5-1-vormen-van-rolstoelvoorzieningen-">Artikel 5.1</extref> van de verordening bepaalt dat er vier
                                mogelijkheden zijn om rolstoelen te verstrekken:</al><lijst><li nr="-"><al>Een algemene rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>Een rolstoel in natura;</al></li><li nr="-"><al>Een pgb te besteden aan een rolstoel;</al></li><li nr="-"><al>Een pgb te besteden aan een sportrolstoel.</al></li></lijst><tussenkop> De algemene rolstoelvoorziening</tussenkop><al>De algemene rolstoelvoorziening is met de invoering van de Wmo
                                    een nieuwe vorm van verstrekken. Deze vorm van verstrekken biedt
                                    mogelijkheden voor die ondersteuningsvragers die een rolstoel
                                    niet dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Te denken valt aan
                                    ondersteuningsvragers die in en om de woning geen hulpmiddelen
                                    nodig hebben of met andere loophulpmiddelen zich kunnen
                                    verplaatsen, terwijl uitsluitend tijdens een dagje uit, of een
                                    middagje winkelen de afstanden die afgelegd te groot worden
                                    zodat een rolstoel noodzakelijk is. Dergelijke rolstoelen worden
                                    vaak opgeklapt achter in de auto gelegd en slechts gebruikt bij
                                    bovenomschreven activiteiten.Aangezien de eis voor het in
                                    aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening in natura of als
                                    pgb is dat “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning”
                                    noodzakelijk is en deze ondersteuningsvragers daaraan niet
                                    voldoen, kan de algemene rolstoelvoorziening een hulpmiddel
                                    zijn. Bij een algemene rolstoelvoorziening is het voor diegenen
                                    die daartoe het recht hebben een rolstoel voor één of meer dagen
                                    te lenen om de gewenste activiteiten mee uit te kunnen voeren.
                                    Indien ondersteuningsvragers liever zelf een dergelijke rolstoel
                                    voor incidenteel gebruik hebben kunnen zij gewezen worden op de
                                    uitgebreide tweedehandsmarkt rond deze rolstoelen en ook op de
                                    mogelijkheid individueel een dergelijke rolstoel aan te
                                    schaffen.</al><al>Ook deze algemene voorziening kent een simpele “toegangstoets”,
                                    weinig bureaucratie en geen eigen bijdrage. Op eenvoudige wijze
                                    kan vastgesteld worden of de wens van een dergelijke rolstoel
                                    gebruik te mogen maken geen contra-indicaties kent. In geval van
                                    twijfel kan altijd een normale aanvraagprocedure inclusief een
                                    medisch advies worden gevolgd. Dit kan ook als de
                                    ondersteuningsvrager dit wenst, omdat een eigen rolstoel
                                    noodzakelijk geacht wordt.</al><tussenkop> Rolstoel in natura en pgb</tussenkop><al>De algemene rolstoelvoorziening zal een deel van de groep
                                    adequaat kunnen bedienen. Voor hen die (veel) vaker, met name
                                    dagelijks, een rolstoel nodig hebben voor verplaatsing in en
                                    rond de woning kan op basis van het gestelde in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-5-4-levering">artikel 5.4 van de verordening</extref> een rolstoel
                                    toegekend worden. Dit kan ingevolge <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-5-1-vormen-van-rolstoelvoorzieningen-">artikel 5.1. van de verordening</extref>, aanhef en onder b
                                    en c als voorziening in natura (in bruikleen) en als pgb.Via een
                                    medisch onderzoek zal bepaald worden of er een indicatie is voor
                                    een rolstoel en zo ja, in welke vorm. Daarbij is de wens van de
                                    ondersteuningsvrager bepalend en zal een pgb uitsluitend
                                    geweigerd worden als sprake is van <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-1-3-keuzevrijheid">artikel 1.3 lid 2 van de verordening</extref>.</al><al>Tot slot is het nog mogelijk een sportrolstoel aan te vragen.
                                    Voor een sportrolstoel komt men ingevolge <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-5-1-vormen-van-rolstoelvoorzieningen-">artikel 5.1. onder d van de verordening</extref> in
                                    aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk
                                    is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek.
                                    Dit om het ook mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via
                                    een sportrolstoel aan sport te kunnen doen.Het gebruik van een
                                    sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook
                                    individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een
                                    sportrolstoel voor aan zal vragen. Recreatieve activiteiten
                                    worden niet onder sport gerekend. De aanvraag voor een
                                    sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan ook afgewezen
                                    worden. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief
                                    lid is van een gehandicaptensportvereniging, hoewel dat lid zijn
                                    ook niet alles zegt.</al><al>Er moet op gewezen worden dat bij veel
                                    gehandicaptensportvereniging de mogelijkheid geschapen wordt een
                                    sportrolstoel te lenen om uit te proberen of een bepaalde sport
                                    die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn
                                    om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet
                                    of nauwelijks gebruikt wordt.</al><al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend als pgb verstrekt. In het
                                    bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een
                                    sportrolstoel bedoeld en een deel voor onderhoud.In
                                    uitzonderlijke situaties, waarin bijvoorbeeld een elektrische
                                    rolstoel noodzakelijk is voor sport, kan met behulp van een
                                    beroep op de hardheidsclausule een hoger bedrag worden
                                    verstrekt. Dat zal mogelijk zijn als het inkomen de aanschaf van
                                    een elektrische sportrolstoel met een pgb niet mogelijk maakt.
                                    Een uitgebreide individuele beoordeling is hiervoor
                                    noodzakelijk.</al><al>Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven
                                    vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor
                                    bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk
                                    maken.</al><al>De enige sportvoorziening die wordt verstrekt is de
                                    sportrolstoel. Net als in de Wvg is gekozen tot deze beperking.
                                    Bij de Wvg is de sportrolstoel als uitzondering vanuit de AAW
                                    meegenomen. Dit gebeurt nu weer vanuit de Wvg naar de Wmo.
                                    Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in
                                    de Wvg is dat terecht. Nu bij invoering van de Wmo geen extra
                                    geld beschikbaar is gekomen om ruimer sportvoorzieningen te
                                    verstrekken is deze regel vanuit de Wvg in de Wmo
                                    aangehouden.</al><tussenkop> Rolstoel en eigen bijdrage</tussenkop><al>Ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">artikel 4.1, lid 4 Wmo</extref> mag voor een rolstoel nooit
                                    een eigen bijdrage worden gevraagd.</al><tussenkop> Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners</tussenkop><al>Bewoners van AWBZ-instellingen die ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20toelating%20zorginstellingen/article=5">artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen</extref> is
                                    erkend komen, ingevolge <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-5-3-aanspraak-op-rolstoelvoorzieningen-voor-awbz-bewoners-">artikel 5.3 van de verordening</extref>, slechts voor een
                                    rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de AWBZ geen rolstoel
                                    krijgen. Hiervan zal sprake zijn als <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=%20Besluit%20zorgaanspraken%20AWBZ/article=15">artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ</extref> van
                                    toepassing is.</al><al>Artikel 15 Bza luidt:</al><lijst><li nr="1.Voor"><al>zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde
                                            instelling, omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8, 13
                                            en 14, tevens: </al><lijst><li nr="a."><al>geneeskundige zorg van algemeen medische aard,
                                                  niet zijnde paramedische zorg;</al></li><li nr="b."><al>farmaceutische zorg;</al></li><li nr="c."><al>hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in
                                                  de instelling gegeven zorg;</al></li><li nr="d."><al>tandheelkundige zorg;</al></li><li nr="e."><al>kleding, verband houdende met het karakter en de
                                                  doelstelling van de instelling;</al></li><li nr="f."><al>het individueel gebruik van een rolstoel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet
                                            het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.</al></li></lijst><al>De zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit: de
                                    functie behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg.Dat
                                    betekent dat de combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in
                                    dezelfde instelling, het verblijf in een ziekenhuis en het
                                    verblijf in een revalidatiecentrum redenen zijn om een rolstoel
                                    uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of
                                    revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal
                                    uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo.</al><al>Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer
                                    voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is
                                    of er sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie
                                    zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer
                                    facetten van de werking van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=%20Besluit%20zorgaanspraken%20AWBZ/article=15">artikel 15 Besluit zorgaanspraken</extref> van toepassing
                                    is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder of bij
                                    het zorgkantoor.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6. Het verkrijgen van een voorziening</titel></kop><afdeling><kop><titel>Aanleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij
                                indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke
                                Verzorging AWBZ was het begrip “medische noodzaak” doorslaggevend.
                                Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide
                                terreinen blijkt dat die medische noodzaak in de ogen van de Raad
                                noodzakelijk is om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot
                                gevolg dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch
                                adviseur, ook in de op de Wvg en de AWBZ-functie HV volgende Wmo van
                                cruciaal belang is. Daarom is hierover een apart hoofdstuk
                                opgenomen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Verordening</titel></kop><structuurtekst><al>In de verordening heeft dat vorm gekregen in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-6-3-inlichtingen-onderzoek-advies-">artikel 6.3</extref>. (met name in lid 2):</al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan
                                        zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening,
                                        degene door wie een aanvraag is ingediend: </al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door
                                                het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                                ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en
                                                tijdstip door een of meer daartoe aangewezen
                                                deskundigen te doen ondervragen en/of
                                                onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college vraagt aan het Centrum Indicatiestelling Zorg
                                        waaraan door het college het alleenrecht is verleend te
                                        adviseren bij aanvragen inzake de wet advies indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een ondersteuningsvrager
                                                betreffend die nog niet eerder een aanvraag in het
                                                kader van deze verordening heeft ingediend en het
                                                een voorziening betreft waarvan de kosten naar
                                                verwachting het bedrag als genoemd in het <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning">Besluit voorzieningen maatschappelijke
                                                  ondersteuning</extref> te boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                                afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een ondersteuningsvrager is verplicht aan het college of de
                                        door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te
                                        verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn
                                        voor de beoordeling van de aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door
                                        de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals
                                        neergelegd in de International Classification of Functions,
                                        Disabilities and Health, de zogenaamde ICF
                                        classificatie.</al></li><li nr="5."><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen
                                        beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                                        zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie
                                        van de ondersteuningsvrager.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Gebruik van artikel 6.3 uit de verordening</titel></kop><structuurtekst><al>Lid 1 van dit artikel biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek
                                om te bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit
                                de jurisprudentie blijkt dat indien een ondersteuningsvrager geen
                                medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van
                                de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo
                                is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te
                                stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een
                                andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden.</al><al>In lid 2 van dit artikel wordt een aantal situaties genoemd waarin
                                het college de door haar aangewezen adviesinstantie om advies dient
                                te vragen, met andere woorden wanneer vraagt de gemeente medisch
                                advies:</al><lijst><li nr="1)"><al>De eerste situatie, genoemd onder a, betreft een
                                        ondersteuningsvrager die nog niet eerder een aanvraag heeft
                                        ingediend, dus niet bekend is bij het college, én die een
                                        voorziening aanvraagt die het bedrag genoemd in het besluit
                                        voorzieningen maatschappelijke ondersteuning te boven gaat.
                                        Het belang van deze regel is dat er voor het college een
                                        uitgangssituatie geschapen wordt, waarin medisch
                                        geobjectiveerd is vastgesteld wat er met de
                                        ondersteuningsvrager (medisch) aan de hand is, welke
                                        problemen ervaren worden en wat de prognose is. Met deze
                                        vaststelling is een kader geschapen vanuit welk kader een
                                        verantwoorde compensatie van beperkingen plaats kan vinden.
                                        Het bedrag waarvan sprake is in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-6-3-inlichtingen-onderzoek-advies-">lid 2 van artikel 6.3</extref>. dat door het college is
                                        te bepalen, is niet al te hoog vastgesteld. Het verstrekken
                                        van voorzieningen zonder een medische scan van de huidige
                                        (uitgangs-)situatie houdt het risico in dat in situaties
                                        waarbij vanuit medisch oogpunt beter geen compensatie plaats
                                        had kunnen vinden (bijvoorbeeld omdat compensatie
                                        anti-revaliderend werkt, of zelfs afhankelijk maakt) toch
                                        compenserende voorzieningen worden verstrekt. Om die reden
                                        is het bedrag vastgesteld de bedragen genoemd in het besluit
                                        voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al></li><li nr="2)"><al>Daarnaast wordt steeds als een aanvraag om medische reden
                                        wordt afgewezen de medisch adviseur om een advies gevraagd
                                        (punt b). Zonder een medisch advies zou in deze situatie het
                                        besluit onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechter zou een
                                        dergelijk besluit vernietigen als onvoldoende
                                        gemotiveerd.</al></li><li nr="3)"><al>Tot slot kan het college altijd aanleiding zien om medisch
                                        advies te vragen. Dat zal bijvoorbeeld plaatsvinden bij een
                                        progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk
                                        te objectiveren aandoeningen. Per situatie zal dit
                                        beoordeeld worden. Bij twijfel wordt altijd een medisch
                                        advies gevraagd. Ook bij complexe aanvragen, bijvoorbeeld
                                        aanvragen die betrekking hebben op meerdere voorzieningen
                                        wordt een advies gevraagd.</al></li></lijst><al>Lid 3 van dit artikel bepaalt dat die gegevens die noodzakelijk zijn
                                voor het beoordelen van de aanvraag verschaft moeten worden aan het
                                college. Hierbij kan gedacht worden aan medische gegevens, maar ook
                                aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond
                                van de AWBZ. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat
                                informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan –
                                zeker als dit schriftelijk moet - geruime tijd in beslag nemen. Dat
                                werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit
                                soort situaties kan met inschakeling van de ondersteuningsvrager
                                vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met name
                                indien de ondersteuningsvrager aangeeft welk (grote) belang hij
                                heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de
                                medische adviseur.</al><al>Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende
                                sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de
                                ondersteuningsvrager. Daarbij dient in de verklaring opgenomen te
                                worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke
                                behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het
                                gaat en met welk doel.Lid 4 bepaalt dat bij de advisering de
                                systematiek zoals neergelegd in de International Classification of
                                Functions, Disabilities and Health, de zogenaamde ICF classificatie,
                                gebruikt moet worden. “De ICF is een classificatie van het menselijk
                                functioneren. De classificatie is systematisch geordend in
                                gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen.
                                Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van
                                gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening
                                geplaatst."</al><al>Van de zeer uitgebreide ICF zijn met name de lijsten met “functies”
                                en “activiteiten en participatie” van belang. Daarom zijn deze
                                lijsten als bijlage bij dit hoofdstuk toegevoegd.</al><al>De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze.
                                Door de adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen
                                het bij de ondersteuningsvrager gaat (de ICF is gericht op
                                functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenaamde
                                classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm van
                                de op het tweede niveau aangegeven functies. Een lijst van deze
                                functies is opgenomen in bijlage 1 bij dit hoofdstuk.Hierbij dienen alleen die
                                functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat
                                een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Indien dat wel het
                                geval is moeten ook niet direct relevante functies worden
                                aangegeven.</al><al>Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en
                                participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van
                                de Wmo plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze
                                stoornissen in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt
                                worden van het begrippenkader van de ICF. De indeling van
                                activiteiten en participatie is als bijlage 2 bij dit hoofdstuk opgenomen.</al><al>Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de
                                aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de
                                mate van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de
                                mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij
                                het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt.</al><al>Het medisch advies wordt door het college beoordeeld en leidt tot
                                (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde
                                compensatie/voorziening.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7. Verkrijgen van voorzieningen en motiveren van
                            besluiten</titel></kop><afdeling><kop><titel>7.1. Aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Op een
                                aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De werking
                                van de Algemene wet bestuursrecht wordt in dit verstrekkingenboek
                                bekend verondersteld. Hier wordt niet nader op ingegaan.</al><al>Aanvragen in het kader van de Wmo worden uitsluitend schriftelijk
                                ingediend. Hiervoor stelt het college een (verkort)
                                aanvraagformulier beschikbaar. Voordeel van dit formulier is dat als
                                het geheel is ingevuld, alle voor de behandeling noodzakelijke
                                gegevens beschikbaar zijn. Met dit aanvraagformulier wordt gelijk
                                gesteld een verzoek om een voorziening via een schrijven/ brief van
                                de ondersteuningsvrager met ondertekening. Dit is bijvoorbeeld
                                mogelijk indien reeds voldoende gegevens van de ondersteuningsvrager
                                bekend zijn in het Wmo-dossier of reeds meerdere voorzieningen aan
                                hem/haar zijn verstrekt ingevolge de Wvg/Wmo. Ontbrekende gegevens
                                welke van belang zijn voor het afhandelen van het verzoek, kunnen,
                                indien noodzakelijk, altijd worden opgevraagd en toegevoegd.</al><al>Een uitzondering daarop kunnen de algemene voorzieningen zijn. Het
                                karakter van deze algemene voorzieningen: een snelle oplossing in
                                weinig complexe en niet langdurige situaties, zonder administratieve
                                rompslomp, dus met weinig bureaucratie, geen eigen bijdragen en geen
                                beschikkingen, is zodanig dat bij algemene voorzieningen andere
                                wijzen van aanvragen dan uitsluitend schriftelijk mogelijk moet
                                zijn.Volstrekt helder moet wel zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>wanneer het verzoek om een algemene voorziening is
                                        gedaan;</al></li><li nr="-"><al>door wie dat verzoek is behandeld;</al></li><li nr="-"><al>welke beperkte toets is uitgevoerd;</al></li><li nr="-"><al>wat daar het effect van is;</al></li><li nr="-"><al>zodat vast ligt welke algemene voorziening van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>en voor welke periode.</al></li></lijst><al>Dit wordt vastgelegd in een eenvoudige rapportage maximaal één A4
                                van de hand van de behandelaar.</al><al>De aanvraag wordt ingediend op de in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-6-2-relatie-met-de-algemene-wet-bijzondere-ziektekosten-nbsp-">artikel 6.2</extref>. van de verordening genoemde plaats, waar
                                een loket bestaat dat tevens bedoeld is voor het indienen van
                                aanvragen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
                                Is op het terrein van de Wmo en op het terrein van de AWBZ
                                tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan die aanvraag in
                                één keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan het vereiste
                                van de Wmo dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de
                                indicatie ten aanzien van de AWBZ- en Wmo-aanvragen.</al><al>Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens
                                verstrekt zijn, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Voor het
                                behandelen van de aanvraag is een termijn van 8 weken
                                beschikbaar.</al><al>Als het niet lukt binnen de voorgeschreven 8 weken op een aanvraag
                                een beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze
                                termijn betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder
                                vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht
                                kan worden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>7.2. Onderzoek – doelgroep</titel></kop><structuurtekst><al>Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de
                                ondersteuningsvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor
                                liggen enkele uitgangspunten in de Wmo zelf en aanvullend hierop
                                enkele uitgangspunten in de verordening.In de Wmo zelf liggen de
                                volgende uitgangspunten:</al><al>* <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=2">Artikel 2 Wmo</extref> bepaalt: “Er bestaat geen aanspraak op
                                maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de
                                problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de
                                noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere
                                wettelijke bepaling bestaat.”Er zal dus altijd moeten worden
                                nagegaan of de aangevraagde voorziening wellicht valt onder andere
                                regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om wettelijke bepalingen.
                                Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de WIA.</al><al>* <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=4">Artikel 4 van de Wmo</extref> spreekt van “de beperkingen die
                                een persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en
                                    6°</extref>, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn
                                maatschappelijke participatie”.Die persoon uit het eerste lid onder
                                g, onderdeel 4, 5 en 6 is:</al><al>“4° het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun bij
                                het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk
                                niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van
                                vrijwilligers;</al><al>5° het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer
                                en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of
                                een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                                probleem;</al><al>6° het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of
                                een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal
                                probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun
                                zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke
                                verkeer;</al><al>”Het gaat daarbij om</al><lijst><li nr="1."><al>mantelzorgers,</al></li><li nr="2."><al>mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem
                                        en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van
                                        deelname aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig
                                        functioneren;</al></li><li nr="3."><al>mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem
                                        en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van
                                        voorzieningen ten behoeve van het behouden en bevorderen van
                                        het zelfstandig functioneren of deelname aan het
                                        maatschappelijk verkeer.</al></li></lijst><al>Als het gaat om het onderdeel “mantelzorgers” in relatie tot
                                voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking
                                kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft
                                degene die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen
                                die uiteraard op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden.Ten
                                aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden
                                gemaakt. Als de mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande
                                uit persoonlijke verzorging) door overbelasting niet meer (geheel)
                                aan zou kunnen, zou een indicatie hulp bij het huishouden gesteld
                                kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp niet meer hoeft te
                                geven en meer tijd overhoudt voor de persoonlijke verzorging.Het is
                                dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn
                                eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg
                                gemakkelijker te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden
                                van de zorgvrager.</al><al>Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een
                                psychosociaal probleem zal vaak een medisch advies nodig zijn om
                                vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of
                                dat te objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de
                                problemen op te lossen. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de
                                ICF, wat verder is uitgewerkt in hoofdstuk
                                    6.</al><al>In de verordening is in de verschillende hoofdstukken een eis
                                vastgelegd bestaande uit “beperkingen ten gevolge van ziekte of
                                gebrek” (art. 2.2., 2.3, 3.1, 3.3 lid 1 3.4 lid 1, 4.1, 4.3. 4.4,
                                lid 1 5.1, 5.2. lid 1, 2 en 3 verordening)</al><al>Er wordt dus een aanvullende eis gesteld dat er sprake moet zijn van
                                (aantoonbare) beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gaat
                                hierbij om een medisch oordeel. Ook binnen de Wmo zal, net als
                                binnen de Wvg en de AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij
                                het toekennen van voorzieningen.Via een medisch onderzoek zal
                                vastgesteld moeten worden of er inderdaad medische noodzaak bestaat.
                                Op het medisch onderzoek wordt in hoofdstuk 7 ingegaan.</al><al>Als is vastgesteld of medisch gezien sprake is van aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek en als de beperkingen zijn
                                geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn speelt de vraag of er
                                algemene beperkingen zijn.</al><al>Deels zal deze vraag ook eerder spelen. Immers: het heeft weinig zin
                                een uitgebreid medisch onderzoek te starten als tevoren duidelijk is
                                dat het probleem tijdelijk is en dus niet voldaan kan worden aan het
                                criterium langdurig - noodzakelijk.</al><al>Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen spelen enkele
                                algemene beperkingen, zoals vastgelegd in de verordening in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007">artikel 1.2. lid 1</extref>. Het gaat daarbij om de begrippen
                                langdurig noodzakelijk (art. 1.2., lid 1 onder a), goedkoopst -
                                adequaat (artikel 1.2. lid 1, onder b) en in overwegende mate op het
                                individu gericht (artikel 1.2, lid 1 onder c).Verder wordt in een
                                aantal situaties geen voorziening toegekend. Dit is het geval bij
                                een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 1.2, lid 2 onder a), als de
                                ondersteuningsvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar de
                                aanvraag wordt ingediend (artikel 1.2, lid 2 onder b), voor zover de
                                ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der gebruikte
                                materialen (artikel 1.2, lid 2 onder c), voor zover de aanvraag
                                gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale
                                woningbouw (artikel 1.2, lid 2 onder d), voor zover geen sprake is
                                van meerkosten (artikel 1.2, lid 2 onder e), voor zover de kosten
                                gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 1.2,
                                lid 2 onder f) en tot slot voor zover de aanvraag een verloren
                                gegane zaak betreft (artikel 1.2, lid 2 onder g).</al><al>Hieronder volgt uitwerking van deze zaken:</al><tussenkop> Langdurig noodzakelijk (art. 1.2. lid 1 onder a)</tussenkop><al>De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn
                                    heeft te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat
                                    op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het
                                    hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, éénmaal te
                                    verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden
                                    verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel
                                    tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de
                                    grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens
                                    wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is
                                    het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden
                                    zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan
                                    dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens
                                    niet bij een ondersteuningsvrager die terminaal is. Als de
                                    levensverwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen
                                    tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt.
                                    Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak.</al><tussenkop> Goedkoopst - adequaat (artikel 1.2. onder b)</tussenkop><al>Het criterium goedkoopst - adequaat betekent dat een te
                                    verstreken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Zijn
                                    er twee of meer voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden
                                    voor de goedkoopste voorziening.De goedkoopste voorziening wordt
                                    beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om
                                    de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij
                                    kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde
                                    macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de
                                    consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn
                                    besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken
                                    die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in
                                    het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te
                                    hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele
                                    ondersteuningsvrager wellicht goedkoper met een andere
                                    voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er
                                    uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief
                                    vervoer in gevaar zou kunnen komen.</al><tussenkop> In overwegende mate op het individu gericht (artikel 1.2, lid
                                    1 onder c)</tussenkop><al>Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen
                                    rekening gehouden met de ondersteuningsvrager. Huisgenoten en
                                    anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier
                                    een uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand
                                    van de hardheidsclausule.</al><tussenkop> Een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 1.2, lid 2 onder
                                    a)</tussenkop><al>Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de
                                    AAW. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van
                                    Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien de volgende
                                    criteria van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten
                                            bedoeld;</al></li><li nr="2."><al>de voorziening is in de reguliere handel
                                            verkrijgbaar;</al></li><li nr="3."><al>de voorziening is in prijs vergelijkbaar met
                                            soortgelijke producten.</al></li></lijst><al>In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als
                                    algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege
                                    omstandigheden aan de kant van de ondersteuningsvrager toch niet
                                    als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan een
                                    uitzondering worden gemaakt, waarbij het gaat om:</al><lijst><li nr="1.een"><al>plotseling optredende handicap, waardoor algemeen
                                            gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten
                                            worden vervangen;</al></li><li nr="2."><al>de ondersteuningsvrager heeft een inkomen, dat door
                                            aantoonbare kosten van de handicap onder de voor
                                            hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen.</al></li></lijst><tussenkop> De ondersteuningsvrager niet woonachtig is binnen de gemeente
                                    waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 1.2, lid 2 onder
                                    b)</tussenkop><al>De Wvg sprak over: “in de gemeente woonachtige gehandicapten”
                                    (art. 2, lid 1). De Wmo kent deze aanduiding niet meer. Toch is
                                    het evident dat het compensatiebeginsel van de gemeente alleen
                                    maar geldt ten aanzien van in de gemeente woonachtige
                                    ondersteuningsvragers.</al><tussenkop> Voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard
                                    der gebruikte materialen (artikel 1.2, lid 2 onder c)</tussenkop><al>zal ook geen voorziening worden verstrekt. Het zal hierbij
                                    vooral om woonvoorzieningen gaan, waarbij te denken valt aan
                                    spaanplaat dat deformaldehydegas bevat, halfsteens muren op het
                                    westen die veel waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid
                                    binnen, enz. Iedereen, ongeacht een eventuele handicap, zal met
                                    dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het
                                    probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie handicap
                                    -woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een
                                    voorziening te weigeren.</al><tussenkop> Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het
                                    uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 1.2, lid 2 onder
                                    d)</tussenkop><al>Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een
                                    groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen.
                                    Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van
                                    voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het
                                    huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te
                                    houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend
                                    voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe
                                    niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage
                                    gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar
                                    alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel
                                    beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat
                                    niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor
                                    garages.</al><tussenkop> Voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 1.2, lid 2
                                    onder e)</tussenkop><al>wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers het
                                    compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren
                                    zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt
                                    een auto te hebben zal als hij die auto moet hebben vanwege een
                                    handicap niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen
                                    meerkosten die gecompenseerd moeten worden.Het onderzoek naar
                                    meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat
                                    over de noodzaak van een voorziening.</al><tussenkop> Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment
                                    van beschikken (artikel 1.2, lid 2 onder f)</tussenkop><al>wil zeggen: het is een ondersteuningsvrager niet toegestaan een
                                    gemeente voor een fait accompli te stellen waarbij de gemeente
                                    geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken
                                    voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft
                                    en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de
                                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze
                                    regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad
                                    gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf
                                    mogelijk te maken. Bij een woningaanpassing zou na een
                                    verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld kunnen worden of
                                    er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot
                                    consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan
                                    worden wat de goedkoopst - adequate oplossing was, een afwijzing
                                    achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de goedkoopst -
                                    adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de aangeschafte
                                    voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie voor
                                    de ondersteuningsvrager die voor de beschikking zelf iets heeft
                                    aangeschaft.</al><tussenkop> Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft
                                    (artikel 1.2, lid 2 onder g), en daarbij sprake is van
                                    schuld</tussenkop><al>zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een
                                    vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient
                                    te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door
                                    onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties
                                    nodig zijn om bijvoorbeeld een scootermobiel rijdend te houden.
                                    Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol
                                    of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed
                                    eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit
                                    in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk
                                    gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot
                                    aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal
                                    worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan
                                    tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking
                                    plaats te vinden.</al><al>Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een
                                    voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere
                                    afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt
                                    te worden.</al><al>Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan
                                    dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel
                                    zijn.</al><al>Als iemand een pgb heeft kan op gelijke wijze bij verloren gaan
                                    gedurende de looptijd gehandeld worden.</al><al>Naast deze algemene beperkingen spelen ook per
                                    verstrekkingengebied bijzondere beperkingen. Deze worden in de
                                    desbetreffende hoofdstukken besproken.</al><al>Als er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                                    of gebrek (met inbegrip van psychosociale problemen) en er is
                                    recht op compensatie in de vorm van een voorziening in natura of
                                    een pgb, kan er toekenning plaatsvinden middels een positieve
                                    beschikking.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>7.3. Motivering van besluiten</titel></kop><structuurtekst><al>Ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=26">artikel 26, lid 1 Wmo</extref> dat luidt:“1. De motivering van
                                een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening
                                vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het
                                behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                                maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                                chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                                probleem.</al><al>”Op basis van deze bepaling zal in de beschikking aangegeven moeten
                                worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het
                                behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                                maatschappelijke participatie van betrokkene.</al><al>Gaat het om een positieve beschikking, dan zal dit niet zo moeilijk
                                zijn. Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden
                                betrokkene krijgt door de toegekende voorziening(en) is in feite
                                voldaan aan deze opdracht. Enkele voorbeelden:</al><al>Bij toekenning van een woonvoorziening, bijvoorbeeld een traplift,
                                kan aangegeven worden dat door deze voorziening betrokkene, die
                                voordien problemen had bij het normale gebruik van de woning,
                                doordat de verdieping niet te bereiken was, thans met de traplift
                                weer op de verdieping kan komen om de slaapkamer en de sanitaire
                                ruimte te bereiken, waarmee het probleem is gecompenseerd.</al><al>Bij toekenning van een scootermobiel kan aangegeven worden dat
                                betrokkene voordien problemen had bij verplaatsing in de directe
                                woonomgeving, en daardoor problemen bij het bezoeken van winkels,
                                familie en kennissen enz. Deze problemen zijn gecompenseerd middels
                                een pgb waarmee betrokkene een scootermobiel kan aanschaffen waarmee
                                gedurende vijf jaar de verplaatsingen in de directe woon en
                                leefomgeving gemaakt kunnen worden.</al><al>Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                gebrek, bestaat er om een andere reden geen medische noodzaak voor
                                het verstrekken van de aangevraagde voorziening of de aangevraagde
                                hulp bij het huishouden, ook dan zal ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=26">artikel 26 lid 1 Wmo</extref> gemotiveerd moeten worden op
                                welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het
                                bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke
                                participatie van betrokkene.</al><al>Dit is uiteraard niet mogelijk op de wijze zoals bij een positieve
                                beschikking is aangegeven.</al><al>Bij een afwijzing zal men moeten denken aan een formulering waarbij
                                aangegeven wordt dat compensatie niet noodzakelijk of zelfs
                                ongewenst is, omdat betrokkene zonder de gevraagde voorzieningen ook
                                in staat is zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te
                                behouden of te bevorderen.Enkele voorbeelden:</al><al>Een ondersteuningsvrager wil graag een rolstoel bij het verplaatsen
                                in en om de woning en hulp bij het huishouden. Uit medisch onderzoek
                                blijkt dat de diagnose fibromyalgie gesteld is door de huisarts en
                                dat er nog geen behandeling heeft plaatsgevonden. In deze situatie
                                kan niet zonder meer toegekend worden, omdat daarbij het risico
                                bestaat dat er geen behandeling plaats gaat vinden en er dus
                                afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat terwijl er dus
                                nog behandelmogelijkheden onbenut zijn. De medisch adviseur zal
                                mevrouw naar de huisarts verwijzen met het advies
                                behandelmogelijkheden te benutten. Hangende die
                                behandelmogelijkheden zal geen rolstoel noch hulp bij het huishouden
                                worden toegekend. Mocht mevrouw in behandeling gaan, bijvoorbeeld
                                bij een revalidatiecentrum, dan zal hooguit in overleg met de
                                behandelaren besloten worden tot een beperkte of tijdelijke inzet
                                van een rolstoel of hulp bij het huishouden, voor zover deze inzet
                                de behandeling niet in de weg staat.</al><tussenkop> De motivering zal dus kunnen zijn</tussenkop><al>Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd.
                                    Uit medisch onderzoek is gebleken dat er nog
                                    behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u nu een rolstoel ter
                                    beschikking zouden stellen bestaat de mogelijkheid dat u door
                                    gebruikmaking van de rolstoel behandelmogelijkheden in de weg
                                    staat. Het doel van de Wmo is niet ondersteuningsvragers
                                    afhankelijk te maken van voorzieningen, maar te compenseren als
                                    duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom zullen
                                    wij u op dit moment geen rolstoel noch hulp bij het huishouden
                                    toekennen. Mocht uit uw behandeling in overleg met uw
                                    behandelaars blijken dat verstrekking past in uw behandeling,
                                    dan kunt u opnieuw contact met ons opnemen, onder overlegging
                                    van een verklaring van uw behandelaars.</al><al>In de verordening is in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-voorziening-maatschappelijke-ondersteuning-gemeente-Steenbergen-2007#artikel-6-5-wijzigingen-in-de-situatie-">artikel 6.5</extref>. opgenomen dat men verplicht is om
                                    wijzigingen in de situatie te melden:</al><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                    verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                    feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                    voorziening.</al><al>Ondanks dat deze regel in de verordening staat, is het van
                                    belang deze voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage
                                    bij de beschikking op te nemen, zodat bij elke toekenning de
                                    ondersteuningsvrager hierop weer attent wordt gemaakt. Dit vindt
                                    plaats door een standaardzin in de beschikking.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlage 1 Afkortingenlijst</vet></al><lijst><li nr="-"><al>AIV:</al></li><li nr="Advies,"><al>instructie, voorlichting</al></li><li nr="-"><al>AWBZ:</al></li><li nr="Algemene"><al>Wet Bijzondere Ziektekosten</al></li><li nr="-"><al>B&amp;W:</al></li><li nr="het"><al>college van burgemeester en wethouders</al></li><li nr="-"><al>CAK:</al></li><li nr="Centraal"><al>Administratie Kantoor</al></li><li nr="-"><al>CARA:</al></li><li nr="-"><al>CIZ:</al></li><li nr="Centrum"><al>Indicatiestelling Zorg</al></li><li nr="-"><al>ICF:</al></li><li nr="International"><al>classification of Functions, disabilities and Health</al></li><li nr="-"><al>HV:</al></li><li nr="Huishoudelijke"><al>verzorging</al></li><li nr="-"><al>PGB:</al></li><li nr="Persoonsgebonden"><al>budget</al></li><li nr="-"><al>PvE:</al></li><li nr="Programma"><al>van Eisen</al></li><li nr="-"><al>PV:</al></li><li nr="Persoonlijke"><al>verzorging</al></li><li nr="-"><al>VNG:</al></li><li nr="Vereniging"><al>van Nederlandse Gemeenten</al></li><li nr="-"><al>WAO:</al></li><li nr="-"><al>WIA:</al></li><li nr="Wet"><al>inkomen en arbeid</al></li><li nr="-"><al>Wajong:</al></li><li nr="-"><al>Waz:</al></li><li nr="-"><al>Wmo:</al></li><li nr="Wet"><al>maatschappelijke ondersteuning</al></li><li nr="-"><al>Wvg:</al></li><li nr="Wet"><al>voorzieningen gehandicapten</al></li><li nr="-"><al>ZN:</al></li><li nr="Zorgkantoor"><al>Nederland</al></li><li nr="-"><al>ZW:</al></li><li nr="Zorgverzekerings"><al>Wet</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 2 behoort bij hoofdstuk 3: Tijdelijke situaties overgangsrecht ex
                        artikel 41 Wmo</vet></al><al>De Wmo regelt in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=41">artikel 41</extref> overgangsrecht voor hulp bij het huishouden als
                    opvolging van de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ. Dit houdt in dat
                    wie op het moment van inwerkingtreding van de Wmo (1 januari 2007) een indicatie
                    heeft voor de functie HV, deze rechten ziet blijven gelden zo lang de indicatie
                    loopt met een maximum van één jaar, dus maximaal gedurende het jaar 2007.
                    Daarbij is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats
                    treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene en dat betrokkene de eigen bijdrage
                    niet meer verschuldigd is aan het Centraal Administratiekantoor (CAK) maar aan
                    het college.</al><al>Op 28 september 2006 heeft de gemeenteraad de Verordening voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning vastgesteld. Deze vaststelling had tot gevolg dat
                    er met ingang van 1 januari 2007 met het nieuwe Wmo-beleid kon worden gestart.
                    Op 21 december 2006 heeft de gemeenteraad de Verordening gewijzigd vastgesteld
                    en de Verordening van 28 september 2006 ingetrokken.</al><al>Op grond van het vorenstaande moet met betrekking tot het overgangsrecht met de
                    volgende situaties rekening worden gehouden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor diegenen die een geldige indicatie hebben in 2007 ten aanzien van
                            hen, zolang de indicatie duurt, de oude AWBZ-rechten voortzetten tot de
                            indicatie afloopt of tot 1 januari 2008;</al></li><li nr="b."><al>voor diegenen die voor het eerst een aanvraag doen, of die met een
                            lopende AWBZ-indicatie een aanvraag indienen voor meer zorg, een besluit
                            nemen met toepassing van de regels zoals die in de verordening zijn
                            vastgesteld.</al></li></lijst><al>In deze bijlage zullen de diverse mogelijke situaties op grond van het
                    overgangsrecht behandeld worden. Het gaat daarbij uitsluitend om uitvoering en
                    niet om besluitvorming.</al><al><vet>1. De situatie van het overgangsrecht voor diegenen die een AWBZ-indicatie
                        hebben op 31 december 2006</vet></al><al>Artikel 41, lid 3 bepaalt:</al><lijst><li nr=""><al>“De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de
                            inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke
                            verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                            een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet,
                            tenzij de verzekerde in het buitenland woont, blijven gelden gedurende
                            de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de
                            inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van
                            burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar
                            van betrokkene, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20Wet%20Bijzondere%20Ziektekosten/article=1">artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten</extref>, en dat betrokkene de bijdrage in de kosten,
                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20Wet%20Bijzondere%20Ziektekosten/article=6">artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten</extref>, aan het college van burgemeester en
                            wethouders is verschuldigd.”</al></li></lijst><al>Op basis van deze situatie heeft iedereen die op 31 december 2006 een indicatie,
                    afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg of één van de voorgangers van
                    het CIZ, heeft die doorloopt in 2007, gedurende de looptijd van die indicatie,
                    doch uiterlijk tot 1 januari 2008, recht op de zorg zoals die gold op 31
                    december 2006.</al><al>Dit geldt voor de omvang (uitgedrukt in klassen volgens de indeling zoals die
                    nog geldt in 2006), alsmede voor de vorm (zorg in natura of een pgb) alsook voor
                    de eigen bijdrage zoals die geldt op 31 december 2006 in de AWBZ, waarbij is
                    aangegeven dat deze eigen bijdrage niet meer verschuldigd is aan het CAK, maar
                    aan het college van burgemeester en wethouders. Of dit recht op voortzetting van
                    een bestaande situatie ook geldt voor de zorgverlener, in de situatie van zorg
                    in natura, is afhankelijk van de vraag of de gemeente een contract heeft met
                    deze zorgverlener. Er is geen sprake van een overgangsrecht in deze. Bij een pgb
                    speelt dit geen rol, omdat daar een rechtstreekse relatie bestaat tussen
                    zorgvrager en zorgverlener. Omdat deze relatie bij zorg in natura niet bestaat
                    (daar gaat het onder de AWBZ om een relatie tussen Zorgkantoor en
                    zorgverlener/zorgaanbieder) kan het voorkomen dat de gemeente er niet in slaagt
                    een contract af te sluiten met de zorgaanbieder, zodat er geen sprake kan zijn
                    van voortzetting van dezelfde zorgverlener. De zorgverlener zal dan ook door het
                    college worden bepaald.</al><al>Aangezien er gesproken wordt over “de rechten en verplichtingen die gelden op
                    het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot
                    huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze
                    wet” vervalt het overgangsrecht op het moment dat er een aanvraag ingediend
                    wordt voor meer hulp bij het huishouden. Het gaat dan immers niet meer om een
                    onder de AWBZ afgegeven indicatiebesluit en ook niet meer om rechten en plichten
                    die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo. De mogelijkheid om
                    naast de oude rechten een kleine omvang nieuwe rechten toe te kennen moet als
                    onwerkbaar van de hand worden gewezen.</al><al>Voor deze groep geldt vanaf 1 januari 2007, zolang de indicatie nog loopt, maar
                    maximaal tot 1 januari 2008 het volgende:</al><al>Gedurende deze periode blijft de omvang van de zorg gelijk. Is HV klasse 3
                    toegekend, dan zal recht blijven bestaan op hulp bij het huishouden met de
                    omvang klasse 3. Hierbij wordt de volgende klassenindeling gehanteerd:</al><lijst><li nr="Klasse"><al>1 0-1,9 uur per week</al></li><li nr="Klasse"><al>2 2-3,9 uur per week</al></li><li nr="Klasse"><al>3 4-6,9 uur per week</al></li><li nr="Klasse"><al>4 7-9,9 uur per week</al></li><li nr="Klasse"><al>5 10-12,9 uur per week</al></li><li nr="Klasse"><al>6 13-15,9 uur per week.</al></li></lijst><al>Mocht er geen behoefte meer aan zorg bestaan (bijvoorbeeld door overlijden) of
                    mocht de behoefte aan zorg verminderen (bijvoorbeeld na een operatie waardoor
                    men weer meer zelf kan en mag), dan zou ook onder de AWBZ het recht op zorg
                    stoppen of gewijzigd worden, zodat ook tijdens het overgangsrecht de zorg
                    gestopt of bijgesteld kan worden. Het gaat dan om een gewijzigde situatie, die
                    men ook onder de AWBZ verplicht was door te geven.</al><al>Mocht de behoefte aan zorg toenemen, zodat er een nieuwe aanvraag wordt
                    ingediend bij het college, dan ontstaat een nieuwe situatie. Zoals hierboven
                    reeds aangegeven gaan de oude rechten dan over in nieuwe rechten. De gewijzigde
                    situatie zal doorgevoerd worden in een nieuwe indicatie, die ook het nieuwe
                    beleid zal volgen.Voor ondersteuningsvragers betekent dit, tenzij zij de nieuwe
                    situatie ambiëren, dat zij na moeten gaan of naar verwachting de aangevraagde
                    uitbreiding zodanig van omvang is, dat daardoor meer zorg kan worden toegekend.
                    Is dat niet het geval dan kan overwogen worden de oude situatie te continueren
                    en geen aanvraag in te dienen.</al><al>Ook de omvang van de tot 1 januari 2007 aan het CAK verschuldigde eigen bijdrage
                    AWBZ blijft gedurende de looptijd van de indicatie, maar maximaal tot 1 januari
                    2008, gelijk. Het CAK int deze eigen bijdrage.</al><al>Bij het indienen van een nieuwe aanvraag ontstaat ook ten aanzien van de eigen
                    bijdragen een nieuwe situatie. Dat kan betekenen dat dan de oude situatie stopt,
                    er een nieuwe eigen bijdrage berekend dient te worden op basis van het
                    gemeentelijk beleid ten aanzien van de Wmo en deze eigen bijdrage in de plaats
                    treedt van de oude, AWBZ-eigen bijdrage.</al><al>Voor deze groep hoeft door het college vooreerst geen beschikking te worden
                    afgegeven. Hun recht op zorg conform de AWBZ-regels ontlenen zij immers aan
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=41">artikel 41 van de Wmo</extref>. Anders wordt de situatie na afloop van de
                    indicatie gedurende het jaar 2007 of per 1 januari 2008. Op dat moment eindigt
                    het overgangsrecht van rechtswege en zal via een beschikking een nieuw recht op
                    zorg toegekend dienen te worden. De hiervoor benodigde informatie behoort bij de
                    informatie die door het Zorgkantoor aan de gemeenten verstrekt wordt. Het is ook
                    mogelijk dat de zorgvragers zelf een aanvraag bij de gemeente indienen om
                    voortgang van de zorg veilig te stellen.</al><al><vet>Ruilzorg</vet></al><al>Het Protocol van overdracht geeft over de zogenaamde ruilzorg nog het volgende
                    aan:</al><lijst><li nr=""><al>“Onder ruilzorg wordt zorg verstaan waarbij de cliënt een indicatie
                            heeft voor huishoudelijke verzorging maar in de praktijk een andere vorm
                            van AWBZ-zorg ontvangt, bijvoorbeeld persoonlijke verzorging. Voor
                            ruilzorg bestaat geen wettelijke basis . Het gaat hierbij om ontstane
                            gedragslijnen. Dergelijke gedragslijnen (al dan niet neergelegd in
                            protocollen) vinden geen basis in de AWBZ en overige relevante wet- en
                            regelgeving. Het gemeentebestuur is juridisch niet gebonden aan deze
                            gedragslijnen. Het verdient aanbeveling dat de gemeente hierover een
                            standpunt inneemt, bijvoorbeeld in het visiedocument. Leidend voor het
                            college is de indicatie en niet de daadwerkelijk geleverde zorg.”</al></li></lijst><al>Aansluitend bij de laatste zin betekent dit dat personen met een AWBZ-indicatie
                    voor PV (en niet voor HV, bijvoorbeeld vanwege gebruikelijke zorg) die dit
                    omgezet hebben in HV en geen pgb hebben (met een pgb hoeft dat onder de AWBZ
                    geen problemen te geven) in principe onder de Wmo geen hulp bij het huishouden
                    ontvangen, tenzij zij daarvoor een Wmo-aanvraag indienen en deze aanvraag
                    gehonoreerd wordt.</al><al>Samenvattend</al><lijst><li nr="-"><al>Deze groep heeft op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=41">artikel 41 Wmo</extref> vanaf 1 januari 2007 recht op een
                            voorziening zoals die was tot en met 31 december 2006 m.u.v. de
                            zorgverlener.</al></li><li nr="-"><al>Bij een nieuwe aanvraag gedurende 2007 of gedurende de looptijd van de
                            AWBZ/indicatie wordt deze situatie automatisch beëindigd</al></li><li nr="-"><al>Het is van belang dat deze groep tijdig, dat wil zeggen voordat de
                            AWBZ-indicatie haar werking verliest, doch uiterlijk voor 1 januari
                            2008, wordt herbeoordeeld.</al></li></lijst><al>(behorend bij Bijlage I bij hoofdstuk 3: Tijdelijke situaties overgangsrecht ex
                    artikel 41 Wmo.)</al><al><vet>2. De situatie van diegenen die voor 1 januari 2007 een aanvraag hebben
                        ingediend binnen de AWBZ maar waarvoor nog geen besluit is
                    genomen</vet></al><al>Uiteraard kunnen zorgvragers tot en met 31 december 2006 aanvragen indienen bij
                    het CIZ voor een indicatie. Het kan zelfs voorkomen dat ondersteuningsvragers
                    bewust besluiten niet te wachten tot na 1 januari 2007 omdat zij het AWBZ-beleid
                    prefereren boven het Wmo-beleid. Ook bij de invoering van de Wvg hebben we de
                    situatie gezien dat nog onder het AAW-regime bruikleenauto´s werden aangevraagd
                    en verstrekt, omdat verwacht werd dat dit onder de Wvg aanzienlijk moeilijker
                    zou worden.</al><al>Het Protocol van overdracht heeft hierover het volgende bepaald:</al><lijst><li nr=""><al>“Eind 2006 zullen cliënten zich nog aanmelden voor AWBZ-zorg, terwijl
                            enkele weken later de Wmo zal ingaan. Strikt genomen geldt het
                            volgende:</al></li><li nr=""><al>tot en met 31 december 2006 23.59 uur kunnen nog indicaties worden
                            afgegeven onder het AWBZ-regime (AWBZ-beslissing);</al></li><li nr=""><al>per 1 januari 0.00 uur worden indicaties afgegeven onder het Wmo-regime
                            (Wmo-beslissing).</al></li><li nr=""><al>Het ministerie van VWS heeft in afstemming met CIZ, ZN, VNG de volgende
                            afspraken gemaakt ten aanzien van de nieuwe aanvragen die eind 2006
                            binnen komen:</al></li><li nr="•"><al>Tot en met 31 december 2006 kunnen cliënten zich melden bij het CIZ voor
                            een indicatie voor huishoudelijke verzorging.</al></li><li nr="•"><al>Indien aanvragen vóór 1 januari 2007 door het CIZ zijn afgehandeld
                            betreft het AWBZ-besluiten. Deze cliënten zijn overgangscliënten.
                            Leidend is de datum van het indicatiebesluit.</al></li><li nr="•"><al>Indien aanvragen ná 1 januari 2007 worden afgehandeld, geeft het CIZ een
                            advies op basis van de regels voor een AWBZ-indicatie aan de gemeente.
                            Hiertoe maakt de gemeente afspraken met het CIZ (zie bijlage 3). Het CIZ
                            hanteert altijd een termijn van maximaal zes weken voor de afhandeling
                            van de aanvragen. Het college van B&amp;W neemt een beslissing onder het
                            Wmo-regime. Dit zijn géén overgangscliënten.</al></li><li nr=""><al>Voor de hulpvragen die na 1 januari 2007 binnenkomen geldt het volgende:
                            het CIZ zal de vraag naar ondersteuning bij het huishouden doorsturen
                            naar de gemeente, tenzij de gemeente het CIZ heeft aangewezen om de
                            indicatiestelling voor de Wmo te verzorgen.”</al></li></lijst><al>Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2007 door het CIZ aanvragen worden
                    afgehandeld waarvoor het college een advies krijgt op basis van de
                    AWBZ-regelgeving zoals die gold tot 1 januari 2007. Het college neemt op basis
                    van deze adviezen een besluit volgens het dan binnen de gemeente onder de Wmo
                    geldende regime.Voor alle aanvragen die door het CIZ zijn afgehandeld tot en met
                    31 december 2006 geldt de AWBZ en dus het onder 1 beschreven overgangsrecht van
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=41">artikel 41 Wmo</extref>.</al><al>Voor aanvragen die vanaf 1 januari 2007 bij het CIZ worden ingediend geldt dat
                    het CIZ deze aanvragen doorzendt naar de gemeente. Voor deze aanvragen geldt dat
                    de datum van indiening bij het CIZ geldt als datum van aanvraag en als datum
                    waarna het college binnen 8 weken op deze aanvragen een besluit dient te
                    nemen.</al><al><vet>Bijlage 3 behorend bij hoofdstuk 3: Handreiking normering hulp bij het
                        huishouden</vet></al><al><vet>Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven</vet></al><al>Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en
                    opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en
                    met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend.</al><al>Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar
                    aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend.</al><al>Indien de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden
                    toegekend.Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60
                    tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar
                    beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen
                    van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet
                    gehonoreerd.</al><al>Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden.</al><al><vet>Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd</vet></al><al>Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel
                    dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of
                    handmatig.</al><al>Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en
                    koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer
                    levensmiddelenvoorraad.Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de
                    warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend.</al><al>Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden
                    toegekend.Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd,
                    waarbij de variatie kan liggen tussen 60 minuten en 120 minuten.</al><al><vet>Licht poetswerk in huis, kamers opruimen</vet></al><al>Hieronder vallen de volgende activiteiten:Indien geen maaltijdvoorziening is
                    geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en
                    uitruimen 10 minuten per keer.</al><al>Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is
                    afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de
                    gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.</al><al>Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een
                    gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot
                    extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die
                    in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw.</al><al>Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten.</al><al>Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.</al><al><vet>Zwaar huishoudelijk werk</vet></al><al>Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken,
                    bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval.</al><al>Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14
                    dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met
                    meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2 (aanpassen in uren!).</al><al>In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad
                    (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een
                    gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren,
                    afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt
                    meegenomen en niet extra geïndiceerd.</al><al><vet>Verzorging kleding/linnengoed</vet></al><al>Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een
                    wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen,
                    strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed.</al><al>Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90
                    minuten per week.</al><al>Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij
                    bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige
                    transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij
                    huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden
                    toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van éénmaal per week.</al><al><vet>Organisatie van het huishouden</vet></al><al>Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen
                    huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het
                    bereiden van maaltijden.</al><al>Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich
                    te nemen.</al><al>Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden,
                    te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd
                    voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten.</al><al>Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd
                    van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van
                    kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende
                    activiteiten.</al><al><vet>Dagelijkse organisatie van het huishouden</vet></al><al>Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van
                    middelen.Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor
                    worden geïndiceerd.</al><al>Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16
                    jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek
                    bij meerdere huisgenoten.</al><al><vet>Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische
                    stoornissen</vet></al><al>Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking
                    tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden,
                    helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget, begeleiden ouders bij
                    opvoering (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding
                    kinderen.</al><al>Omvang 30 minuten per week.</al><al><vet>Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden</vet></al><al>Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk,
                    instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie
                    komen.</al><al>Maximaal 30 minuten per week. In 3x per week maximaal 6 weken.</al><al>Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd.</al><al><vet>Bijlage 4 behorend bij hoofdstuk 6. De ICF: FUNCTIES</vet></al><al>(bron: <extref doc="http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm">http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm</extref>)</al><al><vet>Hoofdstuk 1 Mentale functies</vet></al><al><vet>Algemene mentale functies</vet></al><al>Bewustzijn</al><al>OriëntatieIntellectuele functies</al><al>Globale psychosociale functies</al><al>Temperament en persoonlijkheid</al><al>Energie en driften</al><al>Slaap</al><al>Algemene mentale functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Specifieke mentale functies</vet></al><al>Aandacht</al><al>Geheugen</al><al>Psychomotorische functies</al><al>Stemming</al><al>Perceptie</al><al>Denken</al><al>Hogere cognitieve functies</al><al>Mentale functies gerelateerd aan taal</al><al>Mentale functies gerelateerd aan rekenen</al><al>Bepalen sequentie bij complexe bewegingen</al><al>Ervaren van zelf en tijd</al><al>Specifieke mentale functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Mentale functies, anders gespecificeerd</al><al>Mentale functies, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Sensorische functies en pijn</vet></al><al><vet>Visuele en verwante functies</vet></al><al>Visuele functies</al><al>Functies van aan oog verwante structuren</al><al>Gewaarwordingen van oog en verwante structuren</al><al>Visuele en verwante functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoorfuncties en vestibulaire functies</vet></al><al>Hoorfuncties</al><al>Vestibulaire functies</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met hoorfuncties en vestibulaire functies</al><al>Hoorfuncties vestibulaire functies, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Andere sensorische functies</vet></al><al>Smaak</al><al>Reuk</al><al>Propriocepsis</al><al>Tast</al><al>Sensorische functies verwant aan temperatuur en andere stimuli</al><al>Andere sensorische functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Pijn</vet></al><al>Pijngewaarwording</al><al>Pijngewaarwording, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Sensorische functies en pijn, anders gespecificeerd</al><al>Sensorische functies en pijn, niet gespecificeerd.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Stem en spraak</vet></al><al><vet>Stem</vet></al><al>Articulatie</al><al>Vloeiendheid en ritme van spreken</al><al>Alternatieve vormen van stemgebruik</al><al>Stem en spraak, anders gespecificeerd</al><al>Stem en spraak, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Functies van hart en bloedvatenstelsel. Hematologisch systeem,
                        afweersysteem en ademhalingsstelsel</vet></al><al><vet>Functies van hart en bloedvatenstelsel</vet></al><al>Hartfuncties</al><al>Functies van bloedvaten</al><al>Bloeddruk</al><al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Functies van hematologisch systeem en afweersysteem</vet></al><al>Functies van hematologisch systeem</al><al>Functies van afweersysteem</al><al>Functies van hematologisch systeem en afweersysteem, anders gespecificeerd en
                    niet gespecificeerd</al><al><vet>Functies van ademhalingsstelsel</vet></al><al>Ademhaling</al><al>Functies van ademhalingsspieren</al><al>Functies van ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Andere functies en gewaarwordingen van hart en bloedvatenstelsel en
                        ademhalingsstelsel</vet></al><al>Andere ademhalingsfuncties</al><al>Inspanningstolerantie</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met cardiovasculaire en respiratoire
                    functies</al><al>Andere functies en gewaarwordingen van hart en bloedvatenstelsel en
                    ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch systeem, afweersysteem en
                    ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd</al><al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch systeem, afweersysteem en
                    ademhalingsstelsel, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en
                        hormoonstelsel</vet></al><al><vet>Opname van voedsel</vet></al><al>Vertering</al><al>Assimilatie</al><al>Defecatie</al><al>Handhaving lichaamsgewicht</al><al>Gewaarwordingen verband houdend met spijsverteringsstelsel</al><al>Functies van spijsverteringsstelsel, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Functies van metabool stelsel en hormoonstelsel</vet></al><al>Algemene metabole functies</al><al>Water-, mineraal- en elektrolytenbalans</al><al>Thermoregulatoire functies</al><al>Functies van endocriene klieren</al><al>Functies van metabool stelsel en hormoonstelsel, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al>Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel, anders
                    gespecificeerd</al><al>Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel, niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve
                        functies</vet></al><al><vet>Functies gerelateerd aan urine</vet></al><al>Productie en opslag van urine</al><al>Functies gerelateerd aan urinelozing</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met urinelozing</al><al>Functies gerelateerd aan urine, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Genitale en reproductieve functies</vet></al><al>Seksuele functies</al><al>Functies gerelateerd aan menstruatie</al><al>Functies gerelateerd aan voortplanting</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met genitale en reproductieve functies</al><al>Genitale en reproductieve functies, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al>Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies, anders
                    gespecificeerd</al><al>Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies, niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante
                        functies</vet></al><al><vet>Functies van gewrichten en botten</vet></al><al>Mobiliteit van gewrichten</al><al>Stabiliteit van gewrichten</al><al>Mobiliteit van botten</al><al>Functies van gewrichten en botten, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Spierfuncties</vet></al><al>Spiersterkte</al><al>Spiertonus</al><al>Spieruithoudingsvermogen</al><al>Spierfuncties, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Bewegingsfuncties</vet></al><al>Motorische reflexfuncties</al><al>Onwillekeurige bewegingsreacties</al><al>Controle van willekeurige bewegingen</al><al>Onwillekeurige bewegingen</al><al>Gangpatroon</al><al>Gewaarwordingen verband houdend met spieren en bewegingsfuncties</al><al>Bewegingsfuncties, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante functies, anders
                    gespecificeerd</al><al>Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante functies, niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 8 Functies van huid en verwante structuren</vet></al><al><vet>Functies van de huid</vet></al><al>Beschermende functies van huid</al><al>Herstelfuncties van huid</al><al>Andere functies van huid</al><al>Gewaarwording verband houdend met huid</al><al>Functies van huid, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Functies van haren en nagels</vet></al><al>Functies van haar</al><al>Functies van nagels</al><al>Functies van haren en nagels, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Functies van huid en verwante structuren, anders gespecificeerd</al><al>Functies van huid en verwante structuren, niet gespecificeerd</al><al><vet>Bijlage 5 behorend bij hoofdstuk 6. De ICF: ACTIVITEITEN EN
                        PARTICIPATIE</vet></al><al>(bron: <extref doc="http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm">http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm</extref>)</al><al><vet>Hoofdstuk 1 Leren en toepassen van kennis</vet></al><al><vet>Doelbewust gebruiken van zintuigen</vet></al><al>Gadeslaan</al><al>Luisteren</al><al>Doelbewust gebruiken van andere zintuigen</al><al>Doelbewust gebruiken van zintuigen, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Basaal leren</vet></al><al>Nadoen</al><al>Herhalen</al><al>Leren lezen</al><al>Leren schrijven</al><al>Leren rekenen</al><al>Ontwikkelen van vaardigheden</al><al>Basaal leren, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Toepassen van kennis</vet></al><al>Richten van aandacht</al><al>Denken</al><al>Lezen</al><al>Schrijven</al><al>Rekenen</al><al>Oplossen van problemen</al><al>Besluiten nemen</al><al>Toepassen van kennis, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Leren en toepassen van kennis, anders gespecificeerd</al><al>Leren en toepassen van kennis, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Algemene taken en eisen</vet></al><al>Ondernemen van enkelvoudige taak</al><al>Ondernemen van meervoudige taken</al><al>Uitvoeren van dagelijkse routinehandelingen</al><al>Omgaan met stress en andere mentale eisen</al><al>Algemene taken en eisen, anders gespecificeerd</al><al>Algemene taken en eisen, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Communicatie</vet></al><al><vet>Communiceren - begrijpen</vet></al><al>Begrijpen van gesproken boodschappen</al><al>Begrijpen van non-verbale boodschappen</al><al>Begrijpen van formele gebarentaal</al><al>Begrijpen van geschreven boodschappen</al><al>Communiceren - begrijpen, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Communiceren – zich uiten</vet></al><al>Spreken</al><al>Zich non-verbaal uiten</al><al>Zich uiten via formele gebarentaal</al><al>Schrijven van boodschappen</al><al>Communiceren - zich uiten, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Conversatie en gebruik van communicatie-apparatuur en
                    -technieken</vet></al><al>Converseren</al><al>Bespreken</al><al><vet>Huishoudelijke taken</vet></al><al>Bereiden van maaltijden</al><al>Huishoudelijke taken, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Huishouden doen</al><al><vet>Verzorgen van wat bij huishouden behoort en assisteren van andere
                        personen</vet></al><al>Verzorgen van wat bij huishouden behoort</al><al>Assisteren van andere personen</al><al>Verzorgen van wat bij huishouden behoort en assisteren van andere personen,
                    anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Huishouden, anders gespecificeerd</al><al>Huishouden, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Tussenmenselijke interacties en relaties</vet></al><al><vet>Algemene tussenmenselijke interacties</vet></al><al>Basale tussenmenselijke interacties</al><al>Complexe tussenmenselijke interacties</al><al>Omgaan met onbekenden</al><al>Formele relaties</al><al>Informele sociale relaties</al><al>FamilierelatiesIntieme relaties</al><al>Bijzondere tussenmenselijke relaties, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al>Tussenmenselijke interacties en relaties, anders gespecificeerd</al><al>Tussenmenselijke interacties en relaties, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 8 Belangrijke levensgebieden</vet></al><al><vet>Informele opleiding</vet></al><al>Voorschoolse opleiding</al><al>Schoolse opleiding</al><al>Beroepsopleiding</al><al>Hogere opleiding</al><al>Opleiding, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Beroep en werk</vet></al><al>Werkend leren</al><al>Verwerven, behouden en beëindigen van werk</al><al>Betaald werk</al><al>Onbetaald werk</al><al>Beroep en werk, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Economisch leven</vet></al><al>Basale financiële transacties</al><al>Complexe financiële transacties</al><al>Economische zelfstandigheid</al><al>Economische leven, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Belangrijke levensgebieden, anders gespecificeerdBelangrijke levensgebieden,
                    niet gespecificeerd</al><al>Gebruiken van communicatieapparatuur en -technieken</al><al>Communicatie, anders gespecificeerd</al><al>Communicatie, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Mobiliteit</vet></al><al><vet>Veranderen en handhaven van lichaamshouding</vet></al><al>Veranderen van basale lichaamshouding</al><al>Handhaven van lichaamshouding</al><al>Uitvoeren van transfers</al><al>Veranderen en handhaven van lichaamshouding, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al><vet>Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of iemand</vet></al><al>Optillen en meenemen</al><al>Verplaatsen van iets of iemand met onderste extremiteiten</al><al>Nauwkeurig gebruiken van hand</al><al>Gebruiken van hand en arm</al><al>Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of iemand, anders gespecificeerd en
                    niet gespecificeerd</al><al><vet>Lopen en zich verplaatsen</vet></al><al>Lopen</al><al>Zich verplaatsen</al><al>Zich verplaatsen tussen verschillende locaties</al><al>Zich verplaatsen met speciale middelen</al><al>Lopen en zich verplaatsen, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Zich verplaatsen per vervoermiddel</vet></al><al>Gebruiken van vervoermiddel</al><al>Besturen</al><al>Rijden op dieren als vervoermiddel</al><al>Zich verplaatsen per vervoermiddel, anders gespecificeerd en niet
                    gespecificeerd</al><al>Mobiliteit, anders gespecificeerd</al><al>Mobiliteit, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Zelfverzorging</vet></al><al>Zich wassen</al><al>Verzorgen van lichaamsdelen</al><al>Zorgdragen voor toiletgang</al><al>Zich kleden</al><al>Eten</al><al>Drinken</al><al>Zorgdragen voor eigen gezondheid</al><al>Zelfverzorging, anders gespecificeerd</al><al>Zelfverzorging, niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Huishouden</vet></al><al><vet>Verwerven van benodigdheden</vet></al><al>Verwerven van woonruimte</al><al>Verwerven van goederen en dienstenVerwerven van benodigdheden, anders
                    gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><vet>Hoofdstuk 9 Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven</vet></al><al><vet>Maatschappelijk leven</vet></al><al>Recreatie en vrije tijd</al><al>Religie en spiritualiteit</al><al>Mensenrechten</al><al>Politiek en burgerschap</al><al>Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, anders gespecificeerd</al><al>Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, niet gespecificeerd.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>