<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR83094_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Medemblik</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Medemblik</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Medemblik</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Medemblikker Courant 20-10-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Medemblik</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WONINGWET">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>IVR-11-00403</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-42148</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-42149</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Medemblik</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Medemblik, gelezen het voorstel van het college van
                        burgemeester en wethouders; gelet op artikel 8 van de Woningwet en op
                        artikel 149 van de Gemeentewet </al><al> B E S L U I T: </al><al> Vast te stellen de navolgende verordening: ‘Bouwverordening gemeente
                        Medemblik’. </al><al> BOUWVERORDENING GEMEENTE MEDEMBLIK.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> 1. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> - Asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van
                            het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al> - Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag
                            omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 40a, eerste
                            lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet;</al><al> - Besluit bouwwerken: het Besluit omgevingsvergunning voor het
                            bouwensvrije en licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige
                            bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44,
                            tweede lid van de Woningwet;</al><al> - Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
                            2 van de Woningwet;</al><al> - Bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a , eerste lid van de
                            Woningwet belast zijn met het bouw- en woningtoezicht;</al><al> - Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                            of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al> - Deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt
                            verstaan in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit
                            2005;</al><al> - Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                            Bouwbesluit;</al><al> - Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het
                            bevoegd gezag is vastgesteld;</al><al> - NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                            uitgegeven norm;</al><al> - NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                            uitgegeven voornorm;</al><al> - Straatpeil: voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de
                            weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor
                            een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de
                            hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                            van de bouw;</al><al> - Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                            of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot
                            de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                            liggende en als zodanis aangeduide parkeerterreinen. 2. In deze
                            verordening wordt mede verstaan onder:</al><al> - Bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk</al><al> - Gebouw: een gedeelte van een gebouw</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al> (vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al> Alternatief 1</al><al> 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                            gemeente:</al><al> a. het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al> het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al> 2. Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                            deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><al> - 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al> a. de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht
                                volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein
                                dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat
                                uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave
                                oktober 1993);</al><al> b. de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het
                                Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn
                                Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de
                                resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze
                                verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol
                                Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader
                                Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al><al> c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels,
                                -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek
                                mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. - 2.
                                De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op
                                een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als
                                genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor
                                de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken. - 3. Het bevoegd
                                gezag verleent geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf
                                1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten ,
                                indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds
                                bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al><al> - 4. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden
                                nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen woonwagens en standplaatsen
                                </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                                bouwen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering omgevingsvergunning voor het
                                    bouwenverlening </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen</titel></kop><al> In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 58 van de
                                Woningwet wordt aangegeven:</al><al> a. de naam van de aanvrager;</al><al> b. de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al><al> c. de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                wordt;</al><al> d. de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene
                                wet bestuursrecht.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al> Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is
                                te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al> a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al><al> b. voor het bouwen waarvan een reguliere omgevingsvergunning voor
                                het bouwen is vereist; en</al><al> c. 1. dat de grond raakt, of</al><al> 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport
                                en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond
                                van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen (vervallen) </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al> Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al> - 1. Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare
                                weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                                wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer.</al><al> - 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><al> a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van
                                ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin
                                van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al> b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen
                                met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de
                                nodige kunstwerken; en</al><al> c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al> - 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd is,
                                maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                gelegen.</al><al> - 4. Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en
                                de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al><al> - 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al><al> - 6. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het
                                gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al> - 1. Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw
                                over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten
                                minste één van de toegangen als brandweeringang aangewezen.</al><al> - 2. Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                overleg met de brandweer is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al> - 1. Tussen de toegang van enerzijds:</al><al> a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al><al> b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al> - 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><al> a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al> b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al> c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                Bouwbesluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> De voorgevelrooilijn is:</al><al> - a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al> - b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit
                                de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in artikel is het verboden een
                                omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwwerk te bouwen met
                                overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><al> - onderdelen van een omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig
                                bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende
                                aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al><al> - andere onderdelen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwenplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet
                                vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                Besluit bouwwerken , te weten:</al><al> - ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al> - stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al> - 1. Het bevoegd gezag kan - met inachtneming van het bepaalde in
                                het tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen
                                met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor:</al><al> a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan
                                het straatpeil;</al><al> b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                eerste lid, onder i, en derde lid, van het Besluit bouwwerken , die
                                naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                erf toelaatbaar zijn;</al><al> c. laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden;</al><al> d. erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                overschrijden;</al><al> e. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken,
                                uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in;</al><al> f. overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken;</al><al> g. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het
                                oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                het karakter van de bestaande omgeving.</al><al> - 2. Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al> - 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al> - 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                niet in gevaar komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al> Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen
                                met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de
                                weg van:</al><al> a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                onder i, van het Besluit bouwwerken;</al><al> b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit bouwwerken
                                ; c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al> d. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al><al> e. andere omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken,
                                die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><al> 1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al><al> 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al> a. de gevallen genoemd in en in die waarin de ontheffing genoemd in
                                de en is verleend;</al><al> b. in de gevallen genoemd in en in die waarin de ontheffing genoemd
                                in is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al> c. in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al> 3. Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid voor:</al><al> a. gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al> b. gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al> c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al> d. bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het
                                Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al><al> e. gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><al> f. gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al> g. gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing
                                is gebaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><al> 1. De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><al> a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer
                                dan één ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden
                                beschreven, geldt de grootste;</al><al> b. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm
                                van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand
                                van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al> c. in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
                                bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al> d. in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd
                                of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een
                                afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op
                                geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al> e. in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke
                                zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere
                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al> 2. Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van
                                de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in is het verboden omgevingsvergunning
                                voor het bouwenplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><al> a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                pluimveeteelt daaronder begrepen;</al><al> b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van
                                het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al><al> c. onderdelen van een omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig
                                bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a,
                                van het Besluit bouwwerken;</al><al> d. onderdelen van een omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig
                                bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende
                                aard, als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                Besluit bouwwerken;</al><al> e. andere onderdelen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwenplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet
                                vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                Besluit bouwwerken , te weten:</al><al> 1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al> 2. terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al> f. antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e
                                en f, van het Besluit bouwwerken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen
                                met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:</al><al> a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van
                                het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al><al> b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al> c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al> d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al><al> e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de en , is verzekerd;</al><al> f. bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder
                                b, van het Besluit bouwwerken;</al><al> g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al><al> h. omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken, geen
                                gebouw zijnde;</al><al> i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al><al> j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in
                                artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al> k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels,
                                afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen
                                en bordessen dan bedoeld zijn in;</al><al> l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al> 1. Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die: </al><al> a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                achtergevel, en</al><al> b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van
                                ten minste 5 meter.</al><al> 2. De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in , en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in: </al><al> a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien
                                de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al> b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                                voldaan: </al><al> 1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al> 2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en
                                een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en
                                een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al><al> 3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor
                                te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet,
                                wordt de bestaande toestand verbeterd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al> 1. Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid:</al><al> a. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                beletsel vormen;</al><al> b. indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod
                                tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al> 1. De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><al> a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al><al> b. niet toegankelijk zijn.</al><al> Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende
                                erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al> Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging
                                en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al> 1. Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onder e, van het Besluit bouwwerken , zijn niet toegelaten.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
                                terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><al> 1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere omgevingsvergunning voor
                                het bouwenplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de
                                hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening
                                worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de
                                wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn
                                met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al> 2. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen omgevingsvergunning
                                voor het bouwenplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van:</al><al> a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al> b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Alternatief 1</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte van een
                                omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwwerk in het vlak
                                door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al> a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al><al> b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al><al> 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al> 3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al> 4. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende
                                rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is
                                onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst
                                verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking
                                voorkomende rooilijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Alternatief 1</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte van een
                                omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwwerk in het vlak
                                door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al> a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al> b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al><al> 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al> 4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al> 1. Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in -
                                de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van
                                deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde
                                weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als
                                beschreven is in , tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                tussen twee achtergevelrooilijnen.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de
                                voorgevel.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><al> Alternatief 1</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in mag een omgevingsvergunning voor
                                het bouwenplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de en - maximale
                                bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al> a. 45 graden in de bebouwde kom;</al><al> b. 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al> 2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak
                                een hoek vormt van 56 graden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><al> Alternatief 1</al><al> 1. De hoogte van een omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig
                                bouwwerk mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al> 2. Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><al> 1. De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge of verleende
                                ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein,
                                mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat -
                                uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een
                                zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende
                                bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><al> 1. De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al><al> 2. De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in , onder d, en , onder h, i,
                                j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden -
                                buiten beschouwing worden gelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al> Het bepaalde in , eerste lid, , eerste en derde lid, , eerste lid,
                                en is niet van toepassing op:</al><al> a. onderdelen van een omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig
                                bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende
                                aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al><al> b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al><al> c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder
                                zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de
                                topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van
                                de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse;</al><al> d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al> Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in ,
                                eerste lid, , eerste en derde lid, , eerste lid, en ten behoeve
                                van:</al><al> a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al><al> b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                gebaat;</al><al> c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                handels- en industrieterrein;</al><al> d. agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al> e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                het Besluit bouwwerken , en indien:</al><al> 1. de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                gebaat;</al><al> 2. bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al> f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid,
                                van het Besluit bouwwerken;</al><al> g. topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                soortgelijke aard;</al><al> h. plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al><al> i. dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand
                                niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet
                                minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet
                                voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                behoren;</al><al> j. draagconstructies voor een reclame;</al><al> k. vrijstaande schoorstenen;</al><al> l. bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                    ruimtelijk beleid</titel></kop><al> 1. In andere gevallen dan bedoeld in de , en kan het bevoegd gezag
                                ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding
                                van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot
                                bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door het bevoegd
                                gezag worden verleend indien:</al><al> a. de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                Bro;</al><al> b. de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de
                                provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al><al> c. het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al><al> 3. Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande
                                dat:</al><al> a. gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder schriftelijk
                                zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan inbrengen;</al><al> b. indien er zienswijzen zijn ingebracht het bevoegd gezag de
                                beslissing over de aanvraag om reguliere omgevingsvergunning voor
                                het bouwen met ten hoogste zes weken kunnen verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><al> Alternatief 2</al><al> 1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van
                                auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het
                                gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat
                                gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het
                                gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al> a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80
                                m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al> b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting
                                aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                bedragen.</al><al> 3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste en het derde lid:</al><al> a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al><al> b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><al> 1. Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan
                                worden ontdekt en gemeld.</al><al> 2. Voor zover voor een gebruiksfunctie in van bijlage 10 van deze
                                verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerst en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van
                                de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al> 1. Een gebruiksfunctie:</al><al> a. waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op
                                een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                waarde boven het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit;</al><al> b. waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in
                                tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                grenswaarden;</al><al> c. waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer
                                bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                aangegeven grenswaarde;</al><al> d. die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen
                                dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn aangegeven, is voorzien
                                van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996,
                                en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al><al> 2. In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in
                                één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te
                                worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende
                                vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te
                                zijn van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er
                                sprake is van één of meer van de volgende situaties:</al><al> a. De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een
                                punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt
                                meer dan 10 meter;</al><al> b. Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor
                                slechts in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit
                                gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m2;</al><al> c. Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de betreffende
                                ruimte bedraagt meer dan 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><al> 1. De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als
                                bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is
                                uitgevoerd als:</al><al> a. niet-automatische bewaking; of</al><al> b. gedeeltelijke bewaking; of</al><al> c. volledige bewaking; zoals aangegeven in van bijlage 10 van deze
                                verordening, of</al><al> d. ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en
                                risicoruimten.</al><al> 2. Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een
                                bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar
                                de alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een
                                gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                                deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><al> 1. Een op grond van in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie
                                voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1
                                uitgave 2002.</al><al> 2. Een op grond van , in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een
                                door of namens het bevoegd gezag aanvaard programma van eisen als
                                bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave
                                2002.</al><al> 3. Een op grond van , in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie welke op grond van , lid 2 rechtstreeks is
                                doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer, is voorzien van
                                een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling
                                Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een
                                certificaat waarvan een door het bevoegd gezag erkende, ter zake
                                kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke
                                verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste
                                gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde
                                Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al> 1. Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het
                                bouwwerk kunnen vluchten.</al><al> 2. Voor zover voor een gebruiksfunctie in van bijlage 11 van deze
                                verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerst en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van
                                de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al> 1. Een gebruiksfunctie die op grond van is voorzien van een
                                brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                2004.</al><al> 2. In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in , tweede lid, van
                                toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te zijn
                                voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie als
                                bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al> 1. Een op grond van , in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575,
                                uitgave 2004.</al><al> 2. Een op grond van , in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                een door of namens het bevoegd gezag aanvaard programma van eisen,
                                als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> 1. Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen
                                vluchten.</al><al> 2. Voor zover voor een gebruiksfunctie in van bijlage 12 van deze
                                verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Een gebruiksfunctie, genoemd in van bijlage 12 van deze
                                verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in
                                NEN 6088, uitgave 2002.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> 1. Een op grond van in een bouwwerk aanwezige vluchtrouteaanduiding
                                voldoet aan het gestelde in NEN 6088, uitgave 2002.</al><al> 2. Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                herkenbaar aangebracht.</al><al> 3. De in vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de
                                zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en met 5.6 van
                                NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al><al> 4. Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval van
                                netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><al> 1. Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie
                                wordt toegepast, is van overeenkomstige toepassing.</al><al> 2. Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al> 3. Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding
                                aanwezig is artikel van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al> Indien het naar het oordeel van het bevoegd gezag voor het goed
                                kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                                calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het
                                publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die
                                mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat
                                bouwwerk mogelijk maakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><lijst><li nr="Eis tot aansluiting aan de openbare riolering"><al> Alternatief 1</al><al> 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn
                                        aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is
                                        het bepaalde in dit lid:</al><al> a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is;</al><al> b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al> 2. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al> a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                        binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                        noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw
                                        dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten
                                        kruisen;</al><al> b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                        moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                        terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,
                                        ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                        wijze op het openbaar riool te lozen.</al><al> 3. Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                        milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet
                                        voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                        tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de
                                        goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                        van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                        ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren
                                        stoffen daartoe aanleiding geeft.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het
                                        bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                        wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht
                                        mogelijk is:</al><al> a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                        een openbaar riool zijn gelegen;</al><al> b. voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al> De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al> 1. De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit
                                lid op woningen voor bejaarden.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid:</al><al> a. voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                m2;</al><al> b. voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al> c. voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of
                                publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69
                                van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3A</nr><titel>(facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                                    voor verwarming</titel></kop><al> Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te
                                bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen;
                                of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al> Alternatief 1</al><al> 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde,
                                aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
                                toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><al> a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al><al> b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al> 2. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al> a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn
                                de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of
                                leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of
                                terrein moet of moeten kruisen;</al><al> b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
                                worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                afvalwater, faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag
                                gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te
                                lozen.</al><al> 3. Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in
                                de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar
                                riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen
                                aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af
                                te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder
                                verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is:</al><al> a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                openbaar riool zijn gelegen;</al><al> b. voor agrarische bedrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al> Alternatief 1</al><al> 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar
                                riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><al> a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort;</al><al> b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een
                                gierput of een rottingput met overstort;</al><al> c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al> d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder
                                verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al> 1. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al><al> 2. De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al><al> 3. In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al><al> 4. Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide
                                laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                                voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al><al> 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse
                                waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn
                                hebben van ten minste 125 mm.</al><al> 6. Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al> De in de artikel 2.7.1, 2.7.3, en 2.7.4 bedoelde afstand moet
                                worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het bouwen bij niet-tijdige
                                start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> Het bevoegd gezag kan op grond van het gestelde in artikel 59 van de
                            Woningwet de omgevingsvergunning voor het bouwen geheel of gedeeltelijk
                            intrekken, indien:</al><al> a. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen geen begin met de bouwwerkzaamheden
                            is gemaakt;</al><al> b. tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                            werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                            stilliggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><al> a. de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al><al> b. andere vergunningen en ontheffingen;</al><al> c. het bouwveiligheidsplan;</al><al> d. een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet , dan wel een besluit tot
                            toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al> Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><al> a. het straatpeil is aangegeven;</al><al> b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                            uitgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> 1. Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                            omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het
                            bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen -
                            ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen
                            onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:</al><al> a. de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                            begrepen;</al><al> b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                            proefpalen daaronder begrepen;</al><al> c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><al> 2. Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                            worden gesteld van het storten van beton.</al><al> 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                            indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al> Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al> Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al> 1. Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                            moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                            veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de
                            weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige
                            bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al> 2. Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                            moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse
                            werktijd niet inbegrepen:</al><al> a. de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering
                            van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
                            uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door
                            anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al> b. machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                            toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door
                            anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden
                            gesteld;</al><al> 3. Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                            elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                            aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                            voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                            gewaarborgd.</al><al> 4. Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                            nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                            veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al> 1. Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                            dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende
                            afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn
                            afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                            geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                            ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                            voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al><al> 3. Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                            niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                            afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                            tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al> 1. Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                            transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en
                            samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in
                            goede staat van onderhoud verkeren.</al><al> 2. Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                            werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                            omgeving optreedt.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                            ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                            verbieden.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                            gebruiken krachtwerktuig:</al><al> a. uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al> b. de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al> c. het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                            gebruikt.</al><al> 5. Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                            toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het
                            milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                            milieuwet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al> 1. Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                            de volgende fracties:</al><al> a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                            Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                            (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al> b. steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al> c. glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al> d. overig afval.</al><al> 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                            fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de
                            bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al><al> 3. Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                            bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3,
                            mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval
                            meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> 1. Van het gereedkomen:</al><al> a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                            alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                            beneden straatpeil;</al><al> b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                            thermische isolatie in andere besloten constructies moet het
                            bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde
                            werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><al> 2. Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                            mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden
                            onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al><al> 3. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                            die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot
                            kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al><al> 4. Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde
                            van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al><al> 5. De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al> 1. Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                            buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste
                            twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden
                            gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: </al><al> a. het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al> b. het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al> c. de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                            vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                            beneden 2 graden Celsius is.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al> 1. Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al> 2. Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><al> a. drassigheid;</al><al> b. stank;</al><al> c. verontreiniging;</al><al> d. aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al> e. aanwezigheid van begroeiing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al> 1. Indien de toegang van een gebouw meer dan.. meter is verwijderd
                                van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het
                                overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al> 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><al> a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van
                                ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin
                                van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al> b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen
                                met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de
                                nodige kunstwerken; en</al><al> c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al> 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken , voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel
                                tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                gelegen.</al><al> 4. Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al><al> 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al> 1. Tussen de toegang van enerzijds:</al><al> a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al><al> b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al> 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><al> a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al> b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al> c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                Bouwbesluit.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Voor bestaande bouwwerken zijn de tot en met van overeenkomstige
                                toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoorgebouwen </titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al> De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar
                                de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al> De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al> De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m.</al><al> Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al> a. woningen voor bejaarden;</al><al> b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al> c. woningen die niet worden verhuurd;</al><al> d. woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al> 1. De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in ,
                                op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar
                                riool.</al><al> 2. Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al> a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al><al> b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                openbaar riool zijn gelegen;</al><al> c. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al> d. op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime
                                gier- of beerput aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al> Indien het gestelde in, tweede lid, van toepassing is, gelden de
                                volgende bepalingen:</al><al> a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt; b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput
                                met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende
                                aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op
                                andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van
                                water, bodem of lucht kan optreden;</al><al> c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al> d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen en de bijbehorende zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al> De in de , , en bedoelde afstand moet worden gemeten langs de
                                kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden
                                gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij
                                een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten
                                bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één
                                bouwwerk worden beschouwd.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</titel></kop><structuurtekst><al> Reinheid </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al> Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                gebruiksvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk in gebruik te
                                hebben of te houden, waarin:</al><al> a. meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders
                                dan in een één- of meergezinshuis;</al><al> b. aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al><al> c. aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer
                                dan tien lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf
                                zal worden verschaft;</al><al> d. aan meer dan zes personen –anders dan in gezinsverband- verblijf
                                wordt verschaft.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan aan de gebruiksvergunning slechts
                                voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en
                                bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen
                                en beperken van ongevallen bij brand.</al><al> 3. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van
                                de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, kan het bevoegd gezag aan de vergunning
                                nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of
                                intrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><al> 1. Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                overgelegd als genoemd in van deze verordening.</al><al> 2. Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                van de door of namens het bevoegd gezag vastgestelde formulieren. De
                                bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen
                                aan de eisen van de in het eerste lid genoemde bijlage.</al><al> 3. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in..voud
                                worden ingediend.</al><al> 4. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al><al> 5. De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen.</al><al> 6. De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden
                                moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan
                                wel worden gewaarmerkt.</al><al> 7. Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                blijken.</al><al> 8. De aanvrager krijgt door of namens het bevoegd gezag een bewijs
                                van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al> Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens gestelde eisen,
                                alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2
                                van de Algemene wet bestuursrecht stelt het bevoegd gezag de
                                aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al> 1. Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een
                                gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan hun beslissing voor ten hoogste zes weken
                                verdagen.</al><al> 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houdt
                                het bevoegd gezag de beslissing aan indien:</al><al> a. voor hetzelfde bouwwerk een omgevingsvergunning voor het bouwen
                                is vereist en zij over die vergunning nog niet hebben beslist;</al><al> b. voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van
                                bestuurdwang of opleggen van een last onder dwangsom dan wel een
                                besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is genomen wegens
                                strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit , als bedoeld in
                                artikel 1b van de Woningwet , en deze binnen de in het eerste lid
                                vermelde termijn is verzonden, doch aan dit besluit nog niet is
                                voldaan.</al><al> 4. De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat
                                is beslist op een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                                als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel nadat is
                                voldaan aan het besluit als bedoeld onder letter b van het derde lid
                                en het bevoegd gezag hiervan in kennis is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al> Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                volgende omstandigheden zich voordoet:</al><al> a. de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk
                                kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een
                                brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan
                                geen voldoende brandveilig gebruik worden bereikt;</al><al> b. de omgevingsvergunning voor het bouwen is geweigerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><al> 1. Het bevoegd gezag kan een gebruiksvergunning intrekken indien: </al><al> a. blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens hebben verleend;</al><al> b. blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan
                                een voorwaarde van de vergunning;</al><al> c. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na
                                het onherroepelijk worden van de vergunning;</al><al> d. van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer
                                geen gebruik is gemaakt;</al><al> e. het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het
                                stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
                                beschermen.</al><al> 2. Het bevoegd gezag gaat niet over tot intrekking dan nadat zij de
                                houder van de vergunning hebben gehoord. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><al> 1. Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bij deze
                                verordening.</al><al> 2. Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in
                                woonfuncties, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per
                                onderwerp vermeld in bij deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al> 1. In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                brandgevaarlijke stof aanwezig.</al><al> 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al><al> a. de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien verstande dat
                                de totale toegestane hoeveelheid van de eerste zes rijen honderd
                                kilogram of liter is,</al><al> b. de betreffende stof zodanig is verpakt</al><al> - dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is, en</al><al> - van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen,
                                en</al><al> c. de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de
                                verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en S-zinnen).</al><al> 3. Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing
                                op:</al><al> a. de brandstof in het reservoir bij een verbandingsmotor;</al><al> b. de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander
                                warmteontwikkelend toestel;</al><al> c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en</al><al> d. het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof voor zover
                                dat bij of krachtens de Wet Milieubeheer is toegestaan.</al><al> 4. Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk
                                dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in bijlage 5 als
                                brandgevaarlijk is aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al> Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de
                                zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><al> a. middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                bestrijding van brand;</al><al> b. middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                personen en dieren bij brand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in of krachtens de tot en met is het
                                verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                                voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><al> a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al><al> b. brandgevaar wordt veroorzaakt;</al><al> c. het vluchten wordt belemmerd.</al><al> Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze
                                wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al> Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><al> Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al> Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens het
                                bevoegd gezag is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband
                                met:</al><al> a. bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al> b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al> Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen
                                het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al> Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van
                                de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel/></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al> Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><al> a. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                het bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al> b. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al><al> c. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al><al> Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al> 1. Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al> 2. Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al> Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al> Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit
                                en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in
                                een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><al> 1. Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                vergunning van het bevoegd gezag (sloopvergunning).</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen
                                van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen
                                ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet , dan
                                wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit
                                voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al><al> 3. Het bevoegd gezag verbindt aan de sloopvergunning slechts
                                voorschriften over:</al><al> a. de veiligheid tijdens het slopen;</al><al> b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al> c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie
                                asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig
                                afval;</al><al> d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de
                                gegevens als bedoeld in , tweede lid, letter c, voor zover deze
                                gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al><al> 4. De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op
                                het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                sloopvergunning met betrekking tot asbest voorschriften over het
                                afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het
                                sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al><al> 5. De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor
                                een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het
                                slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van
                                artikel 45 van de Woningwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al> 1. Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                van een door of vanwege het bevoegd gezag vastgesteld
                                formulier.</al><al> 2. De aanvraag moet inhouden:</al><al> a. correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al><al> b. indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;</al><al> c. naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                belast;</al><al> d. de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te
                                slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk. Indien
                                de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan
                                één bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het
                                negende lid is gewaarmerkt;</al><al> e. een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop
                                de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele
                                bouwwerk wordt gesloopt;</al><al> f. het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van
                                het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al><al> g. mededeling of een omgevingsvergunning voor het bouwen is of zal
                                worden aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen
                                bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op te richten
                                of te veranderen of uit te breiden bouwwerk;</al><al> h. een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing:</al><al> i. het sloopveiligheidsplan.</al><al> 3. In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn
                                indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                overgelegd:</al><al> a. een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd
                                door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er
                                zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;</al><al> b. een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór... (= datum van
                                verwerking in de gemeentelijke bouwverordening van de vierde serie
                                wijzigingen van de Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat
                                voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat
                                er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; indien het
                                bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli 1993,
                                dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden
                                overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk
                                hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                toegepast;</al><al> c. een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is
                                gebouwd na 1 januari 1994;</al><al> d. bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing
                                vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen:
                                een schriftelijke verklaring van de bouwer van het te slopen
                                bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds het tijdstip
                                van de bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij
                                asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al><al> e. bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring
                                van de fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen
                                asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager
                                dat het materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig
                                is.</al><al> Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt
                                overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de
                                aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die
                                dit vermoeden naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende
                                weerleggen.</al><al> 4. Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat
                                zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond of
                                dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen
                                asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overgelegd
                                waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich
                                bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien</al><al> a. de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het
                                verwijderen van asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen,
                                of</al><al> b. een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b bij de
                                aanvraag is gevoegd.</al><al> 5. Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij
                                de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar
                                de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag
                                van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden
                                gevoegd.</al><al> 6. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in..voud
                                worden ingediend.</al><al> 7. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al><al> 8. De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking heeft op
                                asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van
                                hetzelfde project.</al><al> 9. De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel
                                gewaarmerkt worden.</al><al> 10. Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de
                                bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.</al><al> 11. De aanvrager krijgt door of namens het bevoegd gezag een bewijs
                                van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld.</al><al> 12. Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van
                                het voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                asbest.</al><al> 13. Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor
                                geen sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in
                                artikel 8.2.1.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al> 1. Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                krachtens gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de
                                artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen het
                                bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de door hen aan te
                                geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een door hen te
                                stellen termijn.</al><al> 2. Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al> 1. Het bevoegd gezag beslist over een aanvraag om sloopvergunning
                                binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun
                                beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. Een
                                afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo spoedig
                                mogelijk aan de aanvrager.</al><al> 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslist het
                                bevoegd gezag over een aanvraag om sloopvergunning binnen vier weken
                                na de dag waarop de aanvraag om een sloopvergunning is ingediend,
                                indien het slopen uitsluitend is bedoeld om asbest of asbesthoudende
                                producten uit een bouwwerk te verwijderen.</al><al> 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houdt
                                het bevoegd gezag de beslissing aan indien een vergunning krachtens
                                artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988 , een provinciale
                                of een gemeentelijke monumentenverordening, een
                                leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en
                                dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is vereist
                                en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding
                                eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van
                                vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen
                                beslissing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al> 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een
                                bouwwerk waarvoor tevens een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                aangevraagd, kan bij de aanvraag om sloopvergunning - voor zover
                                voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd
                                - worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend
                                bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen en behoeven
                                dezelfde bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al><al> 2. In afwijking van het bepaalde in volgt de beslissing op de
                                aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op de
                                aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen in het geval dat
                                beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al> Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><al> a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en
                                ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                kan worden gewaarborgd;</al><al> b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd;</al><al> c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en
                                deze niet is verleend;</al><al> d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van
                                de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is
                                verleend;</al><al> e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is
                                verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking sloopvergunning</titel></kop><al> 1. Het bevoegd gezag kan een sloopvergunning intrekken indien:</al><al> a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al><al> b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al> c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al><al> 2. Het bevoegd gezag gaat niet over tot intrekking dan nadat zij de
                                houder van de vergunning hebben gehoord.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><al> 1. In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening van
                                een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al><al> a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al> b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al> mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij het bevoegd gezag
                                en door het bevoegd gezag binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                                gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning is vereist.</al><al> Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                                logiesverblijf.</al><al> 2. Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens het bevoegd
                                gezag vastgesteld formulier.</al><al> 3. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in..voud
                                worden ingediend.</al><al> 4. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al><al> 5. In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                aard en het gebruik van het bouwwerk.</al><al> 6. Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens het
                                bevoegd gezag een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt,
                                waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al><al> 7. Indien het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al><al> 8. Het bevoegd gezag kan aan een mededeling als bedoeld in het
                                eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al><al> 9. De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister van
                                volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven
                                publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende
                                vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht de
                                voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften
                                die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen.</al><al> 10. Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al><al> 11. Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                het bevoegd gezag degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel></kop><al> In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><al> a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al><al> b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie
                                van kassen;</al><al> c. rem- frictiematerialen;</al><al> d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al><al> e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al> Het bepaalde in de tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                                toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><al> 1. De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al><al> 2. De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen
                                krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al><al> 3. De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag
                                schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het
                                slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al><al> 4. De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van
                                de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste
                                lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al> 1. Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te
                                doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al><al> 2. Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><al> 1. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk
                                wordt gesloopt.</al><al> 2. Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><al> 1. Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                vergunning krachtens , noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                                vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                                fracties:</al><al> a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al><al> b. steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al> c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al> d. met PAKS verontreinigde materialen;</al><al> e. asfalt;</al><al> f. dakgrind;</al><al> g. overig afval.</al><al> 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al><al> Asbestverwijderingsbesluit 2005 Model-bouwverordening incl. 11e
                                serie wijz.</al><al> Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen</al><al> Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit</al><al> Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c</al><al> Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c</al><al> Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al><al> Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b</al><al> Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen</al><al> Art. 6 1.1 (Begripsbepaling)</al><al> Art. 7 H. 8, Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet
                                gereed</al><al> Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2</al><al> Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet</al><al> Art. 10, letter a 8.1.1</al><al> Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c</al><al> Art. 10, letter c 8.2.1</al><al> Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7</al><al> Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8</al><al> Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9</al><al> Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8</al><al> Art. 10, letter h 8.2.1, lid 12</al><al> Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2</al><al> Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4</al><al> Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4</al><al> Art. 11 12.1, lid 1 en 2</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al> 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                            Stichting Welstandszorg Noord Holland die uit haar midden personen
                            voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te
                            noemen: de welstandscommissie.</al><al> 2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                            aanvragen voor regulier vergunningplichtige en licht-vergunningplichtige
                            bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d respectievelijk
                            artikel 44, derde lid juncto eerste lid onder d van de Woningwet. De
                            welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                            genoemde welstandscriteria.</al><al> 3. Het bevoegd gezag beoordeelt zonder advies van de welstandscommissie
                            of licht-vergunningplichtige bouwwerken waarvoor in de welstandsnota
                            sneltoetscriteria.</al><al> 4. Het reglement van orde voor de welstandcommissie dat als bijlage 9
                            bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde van
                            voorgaande leden, een nadere taakomschrijving van de
                            welstandscommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al> 1.De welstandscommissie bestaat ten minste uit 3 leden, waaronder een
                            voorzitter en twee architectleden die deskundig zijn op het gebied van
                            architectuur.</al><al> 2.Voor de voorzitter en architectleden worden bij structurele
                            afwezigheid, plaatsvervangers benoemd die hen kunnen vervangen. De
                            voorzitter en de architectleden worden bij incidentele afwezigheid
                            vervangen door een gekwalificeerde vervanger uit één van de overige
                            onder de Stichting Welstandszorg Noord-Holland ressorterende
                            welstandscommissies.</al><al> 3.De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                            minste drie leden aanwezig of hun vervangers aanwezig zijn en waarvan
                            ten minste twee leden of hun vervangers beschikken over deskundigheid op
                            het gebied van architectuur.</al><al> 4.De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                            ten opzichte van het gemeentebestuur.</al><al> 5.De welstandscommissie wordt bijgestaan door een plantoelichter of
                            diens plaatsvervanger.</al><al> 6.In de welstandscommissie kunnen maximaal twee aanvullende leden
                            anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al> 7.Het reglement van orde voor de welstandscommissie dat als bijlage 9
                            bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de
                            voorgaande leden nadere profielschetsen van de commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><al> 1. De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                            welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de het
                            bevoegd gezag benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al><al> 2. De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                            termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                            herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al><al> 3. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bij deze
                            verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                            leden, nadere benoemingsprocedures.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al> De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al><al> op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota;</al><al> de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al> op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al><al> de aard van de beoordeelde plannen;</al><al> de bijzondere projecten.</al><al> De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><al> 1. De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                            lichte omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen drie weken nadat
                            door of namens het bevoegd gezag daarom is verzocht.</al><al> 2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen zes weken nadat
                            door of namens het bevoegd gezag daarom is verzocht.</al><al> 3. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen eerste fase uit binnen
                            drie weken nadat door of namens het bevoegd gezag daarom is
                            verzocht.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan in hun verzoek om advies de welstandscommissie
                            een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit
                            artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere
                            termijn kan door het bevoegd gezag worden gegeven indien de termijn van
                            afdoening van de aanvraag om</al><al> a. een lichte omgevingsvergunning voor het bouwen langer is dan de in
                            artikel 46, eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                            weken;</al><al> b. een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen langer is dan de
                            in artikel 46, eerste lid, sub b van de Woningwet bedoelde termijn van
                            twaalf weken;</al><al> c. een omgevingsvergunning voor het bouwen eerste fase langer is dan de
                            in artikel 46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van
                            zes weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><al> 1. De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                            openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt
                            tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een
                            dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte
                            wijze. Indien het bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de
                            aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                            het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van
                            de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid
                            geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de
                            adviezen.</al><al> 2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                            hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                            bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie
                            in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al><al> 3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                            wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                            gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                            een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie,
                            waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al> 4. Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin
                            spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als
                            bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een
                            procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de
                            toelichtende fase en de beraadslagingen. Alternatief 2: Belanghebbenden
                            hebben geen spreekrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><al> Alternatief 2</al><al> 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                            voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                            eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of meerdere
                            daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of
                            secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel
                            van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al> 2. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                            bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.</al><al> 3. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                            bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek
                            doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan
                            klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                            bestuur ten grondslag te leggen.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan de beoordeling of een bouwplan voor een
                            licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen
                            van welstand mandateren aan een door hen aan te wijzen ambtenaar, indien
                            in de welstandsnota voor de verschillende categorieën licht
                            vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria zijn opgenomen.</al><al> 5. In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet
                            aan de betreffende welstandscriteria, legt het bevoegd gezag het
                            bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><al> 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                            schriftelijk.</al><al> 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                            bevoegd gezag gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><al> 1. Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                            voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken
                            of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                            daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><al> a. op het voornemen inspraak is verleend;</al><al> b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al> 2. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                            voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al> Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al> Door of namens het bevoegd gezag wordt de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet ,
                            de gebruiksvergunning als bedoeld in dan wel de sloopvergunning als
                            bedoeld in op aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld
                            of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een
                            ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al> Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al> Indien ten behoeve van de bouw van een omgevingsvergunning voor het
                            bouwenplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om
                            omgevingsvergunning voor het bouwen indicatief bodemonderzoek is
                            verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5
                            bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij het bevoegd gezag van mening
                            is dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek
                            kan worden gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al> Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid
                            van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of
                            wordt op basis van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld
                            in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij
                            een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan
                            de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al> 1. Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel.. van de
                            brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d...........
                            geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in.</al><al> 2. Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook
                            genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening,
                            vastgesteld bij raadsbesluit d.d..........., blijft van kracht totdat de
                            termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al> 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011.</al><al> 2. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><al> a. de bouwverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen van de
                            voormalige gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik;</al><al> b. de brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte
                            wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening eisen aan het
                            brandveilig gebruik van bouwwerken stelt van de voormalige gemeenten
                            Wervershoof, Andijk en Medemblik.</al><al> 3. Deze verordening wordt aangehaald als 'Bouwverordening gemeente
                            Medemblik'.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Medemblik, gehouden op 3 januari 2011. De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</tussenkop><al> Gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Bijlage als
                    bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al> Artikel 1 De bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen behorende
                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</al><al> Artikel 2 De bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen behorende
                    gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                    (vervallen)</al><al> Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</al><al> Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al> Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al> Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</al><al> Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</al><al/><tussenkop>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</tussenkop><al> Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al> De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de
                    volgende gegevens bevatten. Artikel 1</al><al> a. de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;</al><al> b. indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentie-adres in
                    Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging;</al><al> c. een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk
                    of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al><al> d. de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                    energiebron;</al><al> e. voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal
                    personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven. Artikel 2</al><al> De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de
                    volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><al> a. een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de
                    straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal
                    van 1:1000;</al><al> b. een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op
                    een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de
                    verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop
                    voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens
                    de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;</al><al> c. voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                    daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de
                    vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                    vrije vloeroppervlakte;</al><al> d. voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voor
                    zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden
                    opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste
                    1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en
                    looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.
                    Artikel 3</al><al> De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit
                    indieningsvereisten.</al><tussenkop>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</tussenkop><al> Algemene toelichting bij bijlage 3</al><al> Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en
                    woonwagens.</al><al> De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren.
                    De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de
                    gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig
                    gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op
                    een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen
                    (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke
                    gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op
                    het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en
                    brandveiligheid. Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</al><al> 1. De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                    moeten voldoende worden vrijgehouden.</al><al> 2. De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid, en
                    5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor
                    brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de verharding
                    worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen
                    afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend. Toelichting bij
                    artikel 1</al><al> Lid 1</al><al> De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de
                    publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM,
                    telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl</al><al> Lid 2</al><al> Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten
                    openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt. Artikel 2 Elektrische
                    installaties en toestellen</al><al> 1. Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te
                    gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat
                    toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</al><al> 2. Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op
                    zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                    installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het
                    ontstaan van brand.</al><al> 3. De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                    noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een ter zake
                    kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud wordt verricht.
                    Toelichting bij artikel 2</al><al> Lid 1</al><al> Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de
                    verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</al><al> Lid 2</al><al> Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                    aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en
                    versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende
                    apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o C bedraagt (zie ook
                    Bijlage 4, artikel 2).</al><al> Lid 3</al><al> Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het
                    onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van
                    noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten
                    van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De
                    publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van
                    onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV
                    ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl. Artikel 3 Installaties voor
                    verwarming en kookdoeleinden</al><al> 1. In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld.
                    Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden
                    gehouden van brandbare goederen.</al><al> 2. Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond van
                    enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</al><al> 3. Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                    gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat
                    toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. Het bedoelde gevaar
                    als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het
                    gebruik van:</al><al> centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor
                    centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004;</al><al> centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt
                    gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien
                    voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave
                    1999;</al><al> niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken
                    met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.</al><al> 4. Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                    gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of dat
                    toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van
                    brand.</al><al> 5. Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren met
                    een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening voor de
                    afvoer van rook. Toelichting bij artikel 3</al><al> Lid 1</al><al> Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden
                    opgeslagen of opgesteld.</al><al> De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore
                    verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel
                    waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden
                    vrijgehouden van brandbare materialen.</al><al> Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld
                    dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken.</al><al> Lid 2</al><al> Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal
                    het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer
                    van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het
                    verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er
                    een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt
                    het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en
                    vormt hiermee een gevaar voor mensen.</al><al> Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig
                    te worden uitgevoerd dat de goede werking van de luchttoevoer daardoor niet
                    wordt verstoord.</al><al> Lid 3</al><al> De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de
                    brandveiligheid.</al><al> Lid 4</al><al> Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van
                    brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen
                    getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de
                    verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de
                    brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.
                    Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan
                    worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064,
                    uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van
                    bouwmaterialen’.</al><al> Lid 5</al><al> De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn
                    vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden. Artikel 4 Voorzieningen
                    voor de afvoer van rookgassen.</al><al> 1. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat niet
                    doeltreffend is gereinigd.</al><al> 2. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.</al><al> 3. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken, indien
                    dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer van rook zich
                    bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</al><al> 4. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft
                    gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld. Toelichting
                    bij artikel 4</al><al> Lid 1</al><al> Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare
                    brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van
                    het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.</al><al> Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een
                    controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</al><al> Lid 2</al><al> Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening
                    voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico
                    op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook
                    als gevolg van het uitbranden.</al><al> Lid 3</al><al> Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken,
                    die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving
                    van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar
                    lopen.</al><al> Lid 4</al><al> Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die
                    niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De
                    voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en
                    daarmee loopt de omgeving gevaar. Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</al><al> 1. Het is verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte bestemd voor de
                    opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit 2003; bij
                    het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen
                    en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen van een brandstofreservoir met
                    een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</al><al> 2. Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
                    verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                    gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.</al><al> 3. Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk
                    zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN TE ROKEN’ of
                    ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een gestandaardiseerd symbool
                    overeenkomstig het gestelde in de norm NEN 3011, uitgave 2004.</al><al> Toelichting bij artikel 5</al><al> Lid 1</al><al> Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte
                    niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij
                    zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in
                    de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift
                    ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.</al><al> Lid 2</al><al> Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod
                    is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met
                    pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur
                    verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer,
                    de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwetof de bij deze wetten behorende
                    besluiten en maatregelen.</al><al> Lid 3</al><al> In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt
                    moet worden dat er sprake is van een rookverbod. Artikel 6 Blusleidingen en de
                    bijbehorende pompinstallaties</al><al> 1. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en
                    goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende
                    pompinstallaties.</al><al> 2. Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt de
                    droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave
                    1997.</al><al> 3. De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand
                    worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al> 4. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking
                    van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie. Toelichting bij artikel
                    6</al><al> Lid 1</al><al> De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar
                    visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De
                    resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien
                    gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een
                    installateur.</al><al> Lid 2</al><al> De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig
                    gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na
                    geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa
                    gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen
                    gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor elke tien
                    meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</al><al> De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen
                    worden in het logboek.</al><al> Lid 3</al><al> Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594,
                    uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan
                    gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig meter. Dit
                    houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de
                    brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan
                    zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te worden
                    geïnstalleerd.</al><al> De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf
                    minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding
                    moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de
                    pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte,
                    optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl)</al><al> Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische
                    proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</al><al> Lid 4</al><al> De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien
                    noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. Artikel 7 Brandweerlift</al><al> Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud
                    worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en
                    goede werking van brandweerliften; Toelichting bij artikel 7</al><al> Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften
                    wordt niet volledig voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door
                    het Liftinstituut de volgende zaken gecontroleerd:</al><al> Oproep hoofdstopplaats;</al><al> Alle overige oproepen vervallen;</al><al> Alleen kooiopdrachten;</al><al> Parkeren met geopende deuren;</al><al> Fotocellen uitgeschakeld.</al><al> Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen:</al><al> De schachtventilatie;</al><al> De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de
                    laagspanningsruimte;</al><al> De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in de
                    machinekamer.</al><al> Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en
                    vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk
                    herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.</al><al> Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001
                    ‘Onderhoud van liften en roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.
                    Artikel 8 Brandmeldinstallatie</al><al> Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste
                    brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen
                    tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de
                    Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie
                    en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door het
                    bevoegd gezag erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in
                    een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste
                    gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling
                    Brandmeldinstallaties 2002. Toelichting bij artikel 8</al><al> Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier
                    te voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een
                    opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN
                    2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van
                    brandbeveiligingsinstallaties’. Het certificaat dient te worden opgenomen in het
                    logboek.</al><al> Op grond van artikel 10.6 van de verordening is het bevoegd gezag bevoegd om
                    rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd. Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</al><al> 1. De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik
                    beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van de
                    ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2, uitgave
                    2004.</al><al> 2. De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een ontruimingsplan
                    op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. Het ontruimingsplan
                    wordt opgesteld volgens de relevante delen van de NTA 8112.</al><al> Toelichting bij artikel 9</al><al> Lid 1</al><al> Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt hoofdstuk 2
                    eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de
                    werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet
                    geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is)
                    gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen
                    op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie.</al><al> Lid 2</al><al> Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden de
                    verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor de
                    opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen van
                    ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’
                    wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel
                    gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar.</al><al> De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen
                    beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl.</al><al> Deel 1: Kantoorgebouwen</al><al> Deel 2: Onderwijsgebouwen</al><al> Deel 3: Kinderopvanggebouwen</al><al> Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie</al><al> Deel 5: Logiesgebouwen</al><al> Deel 6: Gezondheidszorggebouwen</al><al> Deel 7: Industriegebouwen</al><al> Deel 8: Cellen en celgebouwen</al><al> Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor
                    niet-vergunningsplichtige bouwwerken</al><al> Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik maken
                    van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het Nederlands
                    Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het
                    Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS
                    Rotterdam. www.nibhv.nl.</al><al> De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van
                    artikel 6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, artikel 15 Arbowet
                    en afdeling 4 van het Arbobesluit. Artikel 10 Automatische
                    brandblusinstallatie</al><al> Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door het
                    bevoegd gezag wordt aanvaard. Het bevoegd gezag aanvaardt altijd een geldig
                    certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een certificeringsinstelling
                    die terzake is erkend door de Raad voor Accreditatie. Toelichting bij artikel
                    10</al><al> Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische
                    brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische
                    brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van
                    ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken
                    over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen
                    het toepassingsgebied van het Bouwbesluitwaarbij de eigenaar van het gebouw de
                    automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige
                    brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer
                    er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het
                    Bouwbesluitvalt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig
                    meter.</al><al> Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat
                    certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede
                    Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven.</al><al> De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een
                    certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische
                    brandblusinstallatie, dat wil zeggen een – niet verlopen - kwaliteitsverklaring
                    betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het
                    gebruiksgereed zijn en de goede werking.</al><al> Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere
                    twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004,
                    type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor
                    Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig.</al><al> Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat)
                    die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de
                    Stichting Raad voor Accreditatie.</al><al> Het bevoegd gezag kan beleid voeren op dit onderdeel en daarin bepalen van
                    welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door de Raad voor
                    Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard. Artikel 11 Brandslanghaspels
                    en de bijbehorende pompinstallatie</al><al> 1. De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                    aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al> 2. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en
                    goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties
                    conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000. Toelichting bij artikel 11</al><al> De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al> De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000
                    ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van
                    brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties met plat
                    opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van
                    brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in
                    overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of
                    geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste
                    interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties
                    door de brandweer worden ingezet. Artikel 12 Automatisch werkende deuren</al><al> 1. Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting niet
                    belemmeren.</al><al> 2. Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen getroffen,
                    zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan. Toelichting bij
                    artikel 12</al><al> Lid 1</al><al> Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de
                    netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden
                    geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen
                    schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden
                    geopend.</al><al> Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een
                    brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk
                    voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend
                    kunnen worden.</al><al> Lid 2</al><al> Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn
                    getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</al><al> De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al> Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn
                    tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op
                    rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.</al><al> Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen</al><al> De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een
                    overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte
                    zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een
                    overdruktrappenhuis is.</al><al> Toelichting bij artikel 12A</al><al> Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat
                    de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij
                    het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale
                    deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op
                    overdruk staan’. Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</al><al> 1. De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is
                    vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.</al><al> 2. De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is
                    vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.
                    Toelichting bij artikel 13</al><al> Lid 1</al><al> De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8 tot
                    en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen
                    tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen gordijnen voor de
                    vluchtrouteaanduiding mogen hangen.</al><al> Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als
                    grondslag voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het
                    toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt
                    het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van
                    overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de
                    bouwverordening.</al><al> Lid 2</al><al> De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.
                    Artikel 14 Gasflessen</al><al> Vervallen Toelichting bij artikel 14</al><al> Vervallen Artikel 15 Rookbeheersingssystemen</al><al> Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend
                    door een door het bevoegd gezag aanvaarde instelling. Toelichting bij artikel
                    15</al><al> Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en
                    warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het
                    gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen
                    tijde een certificaat kunnen worden overlegd.</al><al> De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl. Artikel 16 Overdrukinstallatie</al><al> (vervallen) Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</al><al> 1. Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis
                    en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.</al><al> 2. Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de
                    voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of
                    een brandwerendheidseis geldt. </al><al> Toelichting bij artikel 17</al><al> Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis
                    en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de
                    bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen
                    kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten,
                    transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden
                    kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis
                    geldt.</al><al> De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.
                    Artikel 18 Brandweeringang</al><al> (vervallen) Artikel 19 Logboek</al><al> 1. De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en het
                    onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening inclusief
                    bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.</al><al> 2. Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de met
                    toezicht belaste personen getoond. Toelichting bij artikel 19</al><al> Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante
                    informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die
                    verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de
                    certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in
                    het logboek vastgelegd te worden.</al><al> Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en
                    toezichthouders het kunnen raadplegen. Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend
                    tot de normale bedrijfsuitoefening</al><al> Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden
                    uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of
                    gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van
                    een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk
                    belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de
                    rechthebbende van dat bouwwerk aan het bevoegd gezag gemeld. Toelichting bij
                    artikel 20</al><al> Het bevoegd gezag dient op de hoogte te worden gesteld van werkzaamheden die
                    worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier onderhouds-,
                    herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in
                    de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt. Bijzondere
                    gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk of
                    maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen deze
                    eis van toepassing is. </al><al> Artikel 21 Rookmelders in woningen</al><al> De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige
                    rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.
                    Toelichting bij artikel 21</al><al> Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van
                    artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten
                    functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen –
                    rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift
                    noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.</al><al> Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient
                    te allen tijde gegarandeerd te zijn. Artikel 22 Roltrap</al><al> Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden
                    van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave
                    2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd. Toelichting bij
                    artikel 22</al><al> Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en
                    gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand. Artikel
                    23 Garantiecertificaat</al><al> Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                    benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig
                    certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek. Toelichting bij
                    artikel 23</al><al> Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende
                    behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:</al><al> Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk zijn.</al><al> Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de
                    draagconstructie brandwerend zijn.</al><al> Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de
                    gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van
                    brandvoortplanting.</al><al> Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een
                    risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd
                    te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</al><al> Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn
                    aangebracht en dat ze in stand worden gehouden. Artikel 24 Opslag van goederen
                    in rookvrije vluchtroutes</al><al> De opslag van goederen is niet toegestaan in:</al><al> a. rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie,
                    celfunctie, gezondheidszorgfunctie);</al><al> b. brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen (bijeenkomstfunctie,
                    industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie,
                    overige gebruiksfunctie). Toelichting bij artikel 24</al><al> In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te
                    worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende
                    mensen beperkt wordt.</al><al> In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluitover het algemeen
                    hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en
                    de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van
                    goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen,
                    etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die
                    hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.</al><al> De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld
                    gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en
                    gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes
                    (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                    bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen).</al><al> Wanneer volgens het Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de
                    mate van brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of
                    1 / T2 of T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m-1) is de opslag van goederen in
                    deze ruimten niet toegestaan. Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen
                    terrein</al><al> De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats
                    aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen
                    tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt. Toelichting bij artikel
                    25</al><al> Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De
                    eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is,
                    moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er
                    altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</al><al> Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van
                    voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de
                    frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen
                    in de gemeente. Op verzoek van of namens het bevoegd gezag dient van de test een
                    bewijs (testrapport) te worden overlegd.</al><tussenkop>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</tussenkop><al> De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren.
                    De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de
                    gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig
                    gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op
                    een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen
                    (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke
                    gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op
                    het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en
                    brandveiligheid. Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes</al><al> 1. Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het
                    bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten behoeve van
                    deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal vereiste breedte kan
                    worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of
                    een ander los voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een
                    woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als de
                    celfunctie.</al><al> 2. Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben,
                    worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van personen
                    of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische
                    inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken, loslaten zodra een toestand
                    intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.</al><al> 3. Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100
                    personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang bestemd voor
                    ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders gesloten dan door
                    middel van</al><al> a. een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deur,
                    in de vluchtrichting gezien,</al><al> b. Een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de deur, in
                    de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening, waarbij de deur opengaat
                    door een lichte druk tegen deze voorziening (panieksluiting).</al><al> 4. Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een
                    uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens NEN
                    3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”. Toelichting bij
                    artikel 1</al><al> Lid 1</al><al> Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een
                    bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel
                    noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie en
                    een celfunctie.</al><al> Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel
                    afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie
                    met een sleutel afgesloten kunnen worden.</al><al> In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een
                    woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere
                    woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes
                    voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in
                    rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden.</al><al> Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke
                    afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met
                    een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden
                    over de ontruiming.</al><al> In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder
                    de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur
                    niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor
                    de brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee
                    alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in
                    overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld.</al><al> In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een
                    vergelijkbare functie als de celfunctie.</al><al> Hiermee worden bijzondere situaties bedoeld, zoals psychiatrische instellingen
                    e.d. Bij dergelijke situaties moeten specifieke afspraken gemaakt worden met de
                    gebouweigenaar. In het reguliere gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de
                    deuren automatisch worden ontgrendeld in geval van een calamiteit.
                    Projectspecifiek moeten hier passende elektrotechnische oplossingen voor worden
                    gezocht.</al><al> Lid 2</al><al> De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk
                    luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering
                    dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding.</al><al> Lid 3</al><al> De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al> Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN
                    1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk – panieksluitingen voor
                    vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van
                    vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden’.</al><al> Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel a
                    en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk overeenkomstig de
                    instructies van de fabrikant/leverancier van de betreffende sluiting wordt
                    aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan de beoogde werking daarvan
                    namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle veiligheidsrisico’s van
                    dien.</al><al> De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf
                    de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af
                    te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de
                    brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een
                    lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur
                    aanloopt, moet deze open gaan.</al><al> Lid 4</al><al> Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is
                    vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de
                    buitenlucht. Op maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels
                    geplaatst die de vluchtroute belemmeren.</al><al> Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004 ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de
                    werkomgeving en in de openbare ruimte’.</al><al> Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te
                    ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift
                    niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De
                    beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen goed.
                    Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</al><al> 1. Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm
                    wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is niet hoger
                    dan 90 °C.</al><al> 2. Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering
                    blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</al><al> 3. De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet
                    gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming
                    plaats.</al><al> 4. Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet
                    aanwezig.</al><al> 5. De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in vluchtroutes
                    een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60
                    seconden.</al><al> 6. De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan de
                    eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in afdeling 2.12 en
                    2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden voor
                    constructieonderdelen. </al><al> Toelichting bij artikel 2</al><al> Lid 1</al><al> Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook
                    gedacht worden aan tijdelijke versiering.</al><al> Lid 2</al><al> Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke
                    maat.</al><al> Lid 3</al><al> In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de
                    materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’
                    en ‘druppelvorming’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl , informatie
                    beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van
                    versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als
                    te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</al><al> Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van
                    een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen
                    is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen
                    geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van
                    prestatie-eisen niet mogelijk.</al><al> De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand
                    geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm.
                    De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de
                    gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een
                    dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden.</al><al> Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                    versieringsmaterialen’.</al><al> Lid 4</al><al> Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn, is er een
                    verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg daarvan
                    branduitbreiding.</al><al> Lid 5</al><al> Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn
                    volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – bepaling van de
                    ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941,
                    uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de
                    vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor
                    kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar.</al><al> Lid 6</al><al> In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te
                    worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende
                    mensen beperkt wordt.</al><al> Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen
                    gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15
                    van het Bouwbesluit.</al><al> In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de
                    materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft ‘brand- en
                    rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                    versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen classificatie van brand-
                    en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een transponeringstabel) zoals
                    dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt.</al><al> Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een
                    handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt
                    dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden
                    pdf-bestand op genoemde internetsite. Artikel 3 Elektrische verlichting</al><al> Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
                    aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer
                    dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig
                    van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is. </al><al> Toelichting bij artikel 3</al><al> Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn
                    tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is.
                    Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte
                    aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen
                    beschikken. Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</al><al> Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is
                    voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven. Toelichting bij artikel 4</al><al> Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel
                    onvoldoende herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram
                    aangebracht moet worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat
                    er een blusmiddel in de kast aanwezig is.</al><al> Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn
                    of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel
                    onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de
                    omgeving onvoldoende zichtbaar.</al><al> In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving
                    zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is.</al><al> De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl. Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw</al><al> Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij het bevoegd gezag ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit
                    op veilige wijze zal plaatsvinden. Toelichting bij artikel 5</al><al> Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is
                    het van belang dat het bevoegd gezag inzicht heeft in de wijze waarop de
                    activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere
                    aandacht.</al><al> Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij het bevoegd gezag indient waaruit blijkt dat die activiteit op
                    een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op grond van artikel
                    6.4.1. Artikel 6 Opstelling van inventaris</al><al> 1. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte
                    aanwezig zijn van ten minste 0,40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de
                    elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen
                    zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse
                    van de tafeltjes doorlopen.</al><al> 2. In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van</al><al> - meer dan 4 stoelen in een rij, en</al><al> - meer dan 4 rijen, en</al><al> - een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn, zijn zo
                    gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet
                    kunnen verschuiven of omvallen.</al><al> 3. Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang
                    uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</al><al> 4. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
                    uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</al><al> - 16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan 0,45
                    meter;</al><al> - 32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45
                    meter;</al><al> - 50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45
                    meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een uitgang met
                    een breedte van ten minste 1,10 meter aanwezig is.</al><al> 5. De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette
                    stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige oppervlakten in
                    beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat ten minste</al><al> - 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen
                    zitplaats aanwezig is,</al><al> - 0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een
                    zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van
                    gedrang niet kan verschuiven of omvallen,</al><al> - 0,50 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een
                    zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge
                    van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.</al><al> 6. Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de vrije
                    vloeroppervlakte minder dan 0,5 m2 per persoon bedraagt, zodanig aangebracht dat
                    zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. Toelichting bij
                    artikel 6</al><al> Lid 1</al><al> Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde
                    stoelen gewaarborgd.</al><al> Lid 2</al><al> Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat
                    deze als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden.</al><al> Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de
                    stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen – verbindingen
                    voor gekoppelde zitmeubelen – sterkte en veiligheidseisen en
                    beproevingsmethoden’.</al><al> Lid 3</al><al> Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op een
                    ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang worden,
                    ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor paniek en chaos
                    ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende uitstroomcapaciteit
                    van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.</al><al> Lid 4</al><al> Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.
                    Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen verdient de
                    doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere
                    aandacht.</al><al> Lid 5</al><al> Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.
                    Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen en objecten in een
                    ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de verkeersgebieden nadere
                    aandacht.</al><al> Lid 6</al><al> Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte waarin veel
                    mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of
                    omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de
                    ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek. Artikel 7 Afval</al><al> (Vervallen) Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen</al><al> Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de
                    reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden
                    deze gerepareerd. Toelichting bij artikel 8</al><al> De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke
                    voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een
                    gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien
                    het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het
                    gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen
                    gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op
                    vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en
                    een goede werking en indien nodig gerepareerd. </al><al> Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</al><al> Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in
                    buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in
                    gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat</al><al> a. het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en</al><al> b. het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065,
                    uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997. Toelichting bij artikel 9</al><al> In het Bouwbesluitworden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient voorkomen te worden dat als
                    gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt
                    wordt.</al><al> Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het
                    brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd.
                    In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in
                    het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065,
                    NEN 1775 en NEN 6066) kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De
                    Ministeriële Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl. Artikel 10 Glas</al><al> Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds
                    van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen
                    stands podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat
                    het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van
                    een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm. Toelichting
                    bij artikel 10</al><al> In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan
                    plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van
                    brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar
                    beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende
                    mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd. Artikel
                    11 Textiel in horizontale toepassing</al><al> Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt
                    uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met
                    metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het
                    textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte
                    van ten hoogste 0,70 meter Toelichting bij artikel 11</al><al> In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale
                    toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient
                    te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht,
                    naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift
                    wordt dit gevaar gereduceerd. Artikel 12 Toepassing van kunststof
                    foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapier</al><al> Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands,
                    podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal,
                    board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het
                    gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening. Toelichting
                    bij artikel 12</al><al> In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel
                    uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een
                    hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</al><tussenkop>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen</tussenkop><al> Bijlage bijbehorend bij artikel 6.2.2<plaatje><illustratie id="i8296da4d-b9da-4f80-9f39-13566d772f9e" naam="i67589i8296da4d-b9da-4f80-9f39-13566d772f9e.jpg" type="foto" breedte="14.7cm" hoogte="17.4cm"/></plaatje> * Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer.</al><al> Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage
                    5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden
                    echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze
                    stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan
                    ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn
                    afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</al><tussenkop>Bijlage 6</tussenkop><al> Vervallen</al><tussenkop>Bijlage 7</tussenkop><al> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al> Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al> De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al> a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al> b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al> c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen';</al><al> d. NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1,
                    uitgave 1998, Nederlandstalig);</al><al> e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al><al> f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername'
                    (Engelstalig);</al><al> g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden'
                    (Engelstalig).</al><tussenkop>Bijlage 8</tussenkop><al> Vervallen</al><tussenkop>Bijlage 9</tussenkop><al> Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al> De tekst van het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale situatie
                    te worden opgesteld.</al><al> In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                    (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een
                    universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het
                    al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn
                    aangesloten.</al><al><extref doc="/cvdr/images/Medemblik/i67590.pdf">Bouwverordening gemeente Medemblik Bijlage 10 tm 12</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Medemblik/i67591.pdf">Bouwverordening gemeente Medemblik Toelichting bijlage 5 tm 10</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>Reglement van Orde Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</titel></kop><al> Model Reglement van Orde</al><al> Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al><al> (voorheen: de WZNH - welstandscommissie) WZNH</al><al> adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit Alkmaar, november 2007</al><al> (actualisering van de versie van november 2002) </al><al> Vooraf Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet, dient de
                    gemeentelijke bouwverordening voorschriften te bevatten over de samenstelling,
                    inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al> In navolging van de Modelbouwverordening van de VNG adviseert WZNH gemeenten om
                    de hoofdlijnen vast te leggen in de Bouwverordening (artikel 9) en de uitwerking
                    in een Reglement van Orde, als bijlage bij de Bouwverordening. WZNH heeft in
                    2002 een ‘basisstramien’ voor een Reglement van Orde aan de gemeenten
                    beschikbaar gesteld. Gemeenten konden dit naar eigen inzicht aanvullen en
                    uitwerken, om zo een procedure rond welstandstoezicht vast te leggen die bij hen
                    past. Het opstellen van een Reglement van Orde is nadrukkelijk een gemeentelijke
                    verantwoordelijkheid. Het is van belang erop te wijzen dat deze wettelijke
                    verplichting verstrekkende gevolgen kan hebben. Immers: als niet wordt voldaan
                    aan de procedurele en inhoudelijke eisen die in de Woningwet worden gesteld ten
                    aanzien van welstandsadviezen, zijn die ten principale niet juridisch
                    houdbaar.</al><al> In de huidige maatschappelijke verhoudingen wordt het steeds noodzakelijker dat
                    procedures rond het openbaar bestuur, en dus ook procedures rond
                    omgevingsvergunning voor het bouwenen, correct verlopen. Uit recente
                    jurisprudentie blijkt dat bij rechtelijke toetsing van welstandsadviezen de
                    zorgvuldigheid, waarmee wettelijk voorgeschreven procedures zijn verlopen, van
                    doorslaggevend belang is. Na vijf jaar is het tijd geworden het oorspronkelijke
                    Model voor een Reglement van Orde voor de Welstandscommissie te actualiseren.
                    Dat wil niet zeggen dat de oude versie ineens geheel onbruikbaar is geworden.
                    Net zoals automodellen in wezen hetzelfde blijven maar toch van tijd tot tijd
                    worden gemoderniseerd, is met deze actualisering het oude Reglement van Orde wat
                    meer van deze tijd gemaakt. De algemene werkwijze van de WZNH adviescommissies
                    zoals is uitgewerkt in het boekje “De Nieuwe Agenda” is hierin juridisch
                    verwerkt. Een belangrijke recente wijziging hangt samen met de omslag die zich
                    rond welstandadvisering op nationaal en lokaal niveau aftekent:
                    welstandscommissies krijgen steeds vaker een brede taak als ‘adviescommissie
                    voor ruimtelijke kwaliteit’. In diverse gemeenten wordt al niet meer gesproken
                    over welstandscommissies maar over Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit.</al><al> Aan de WZNH-organisatie en aan de WZNH-welstandscommissies worden steeds vaker
                    vragen gesteld met een breder karakter dan alleen de traditionele
                    welstandsadviezen, bijvoorbeeld over de kwaliteit van bestemmingsplannen of
                    beeldkwaliteitplannen. En ook de nieuwe Minister van VROM heeft zich onlangs
                    uitgesproken voor een verbreding van de taak van welstandscommissies, die mede
                    tot uitdrukking zou kunnen komen in een andere naam. Het Bestuur van de
                    stichting Welstandszorg Noord-Holland heeft daarom gekozen voor een
                    naamswijziging: het oude ‘merk’ WZNH blijft gehandhaafd, maar daaraan wordt een
                    verhelderende ondertitel toegevoegd, ‘adviescommissies voor ruimtelijke
                    kwaliteit’. De werkzaamheden blijven uiteraard gebaseerd op de wettelijke
                    betekenis en de wettelijke bepalingen met betrekking tot welstandscommissies en
                    welstandsadviezen. In bijgaand model voor een nieuw Reglement van Orde worden
                    enkele recente ontwikkelingen rond welstandscommissies bevestigd en
                    geformaliseerd.</al><al> Op deze wijze probeert WZNH in te spelen op de modernisering van het
                    welstandstoezicht en de welstandscommissies, die in de toekomst als
                    gemeentelijke “Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit” beter herkenbaar
                    zullen zijn. Gemeenten kunnen dit nieuwe model voor een Reglement van Orde
                    gebruiken bij de actualisering van hun Bouwverordening en de daarbij horende
                    bijlagen. WZNH</al><al> adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit</al><al> dr. ir. N. de Vreeze</al><al> directeur</al><al> Reglement van Orde</al><al> Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al><al> (voorheen de Welstandscommissie)</al><al> in de gemeente &gt;invullen: naam van de gemeente&lt; </al><al> Inhoud 1. Advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al><al> 2. Samenstelling van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al><al> 3. Benoeming en zittingsduur</al><al> 4. Jaarlijkse verantwoording</al><al> 5. Termijn van advisering en vooroverleg</al><al> 6. Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting</al><al> 7. Afdoening bij mandaat</al><al> 8. Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al> 9. Het welstandsoordeel van HET BEVOEGD GEZAG</al><al> 10. Advisering over bijzondere plannen</al><al> 11. Ondersteuning van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al><al> 12. Vergaderorde</al><al> 13. Financiële vergoeding</al><al> 14. Overgangsbepalingen</al><al/><al> 1. Advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 1
                    Onafhankelijkheid De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit is een door de
                    gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie. De leden zijn onafhankelijk ten
                    opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan
                    geen bindingen of relaties op basis waarvan de adviezen over ruimtelijke
                    kwaliteit worden beïnvloed. &gt;indien van toepassing: aanwijzing onafhankelijke
                    welstandsorganisatie&lt;</al><al> Voorbeeld: De gemeente &gt;invullen: naam gemeente&lt; heeft WZNH aangewezen
                    als provinciale organisatie onder wier verantwoordelijkheid de Adviescommissie
                    voor Ruimtelijke Kwaliteit ressorteert. Artikel 2 Taakomschrijving</al><al> De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit is een welstandscommissie conform
                    Woningwet art. 12 van de gemeente en brengt op basis van de Woningwet advies uit
                    aan het bevoegd gezag ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing
                    van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning
                    voor het bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand. De
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit beoordeelt op verzoek van het bevoegd
                    gezag of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats in ernstige mate in
                    strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die
                    hiervoor zijn opgenomen in de welstandsnota. De Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit is hierbij gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid en baseert
                    welstandsadviezen uitsluitend op de in de welstandsnota genoemde
                    welstandscriteria, alsmede op door de raad vastgestelde aanvullende
                    welstandscriteria dan wel een beeldkwaliteitplan waaraan welstandscriteria zijn
                    toegevoegd.. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit adviseert het bevoegd
                    gezag tevens gevraagd en ongevraagd over beleidszaken en strategische visies met
                    betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling en de ruimtelijke kwaliteit van de
                    gemeente. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit legt de gemeenteraad
                    eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden.
                    indien van toepassing: overige taken specificeren&lt; De Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit adviseert het bevoegd gezag met betrekking tot aanvragen
                    voor een monumentenvergunning in het kader van artikel 11 van de Monumentenwet
                    en is daartoe in de gemeentelijke monumentenverordening aangewezen als
                    &gt;invullen: naam van de geïntegreerde commissie&lt;. De Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit adviseert het bevoegd gezag over de welstandsaspecten van
                    aanvragen voor een reclamevergunning. De Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit voert onder regie van de gemeente overleg met betrokkenen bij de
                    voorbereiding van bouwplannen en beoordeelt daartoe principeaanvragen voor
                    bouwplannen. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit brengt op verzoek van
                    het bevoegd gezag advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding
                    zijnde bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                    beleidsstukken. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit overlegt met de
                    betrokken ambtelijke afdelingen, het bevoegd gezag en de gemeenteraad over het
                    opstellen van welstandscriteria en welstandsbeleid. </al><al> De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit levert op verzoek van Het bevoegd
                    gezag een bijdrage aan het bevorderen van de openbaarheid van het
                    welstandstoezicht, het maatschappelijk draagvlak voor welstandstoezicht en het
                    stimuleren van de discussie over ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. De
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit draagt zorg voor regelmatig overleg
                    met het bevoegd gezag en signaleert daarbij gevraagd en ongevraagd
                    stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de
                    ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. </al><al> 2. Samenstelling van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 3
                    Samenstelling De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste
                    uit &gt;invullen: aantal&lt; leden: een voorzitter en twee architecten</al><al> /&gt;indien van toepassing: aanvullen met andere disciplines of niet-deskundige
                    leden&lt;</al><al> Voorbeeld: en één lid met kennis op het gebied van de lokale cultuurhistorie.
                    Voor de voorzitter en architectleden worden bij structurele afwezigheid, op
                    voordracht van WZNH, plaatsvervangers benoemd die hen kunnen vervangen. Artikel
                    4 Profielschets van alle commissieleden De leden van de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit hebben geen professionele binding met de gemeente, maar
                    moeten geïnteresseerd zijn in &gt;invullen: naam gemeente&lt; en de gemeente
                    kennen of willen leren kennen. De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit zijn bereid zich te verdiepen in het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in
                    brede zin van de gemeente en baseren zich bij de beoordeling van bouwplannen
                    uitsluitend op de welstandscriteria zoals opgenomen in de gemeentelijke
                    welstandsnota, dan wel andere door de raad vastgestelde documenten met
                    aanvullende welstandscriteria. De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit moeten in staat zijn bouwplantekeningen te lezen en cultureel besef en
                    kennis hebben van de (geschiedenis van de) bouwkunst. De leden van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit moeten in staat zijn hun oordeel
                    begrijpelijk te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering een rol
                    spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatieve vaardigheden.
                    De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit hebben een
                    geheimhoudingsplicht inzake de aan hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten,
                    niet zijnde bouwaanvragen. De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit zijn onpartijdig, dat betekent dat zij geen persoonlijk belang mogen
                    hebben bij de door het bevoegd gezag te nemen beslissingen en dat zij hun taak
                    niet met vooringenomenheid mogen vervullen &gt;indien van toepassing: verdere
                    voorwaarden aan onafhankelijkheid&lt;</al><al> Voorbeeld 1: (WZNH) De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    mogen geen professionele betrokkenheid hebben bij de te beoordelen bouwplannen.
                    Op het moment dat een dergelijke betrokkenheid wel bestaat maakt het lid deze
                    tijdig kenbaar en wordt het plan ter advies voorgelegd aan een andere onder WZNH
                    ressorterende Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Voorbeeld 2: De leden
                    van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit mogen geen professionele
                    opdrachten aanvaarden en uitvoeren binnen de gemeente. </al><al> Artikel 5 Profielschets van de voorzitter De voorzitter is verantwoordelijk
                    voor het functioneren van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en
                    bewaakt de deugdelijkheid van de advisering in brede zin. De voorzitter geeft
                    leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de agenda. In de
                    discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle commissieleden hun mening
                    voldoende naar voren kunnen brengen. Na de discussie geeft de voorzitter een
                    korte, heldere samenvatting van het uit te brengen advies, als basis voor de
                    schriftelijke uitwerking. De voorzitter treedt op als gastheer of –vrouw voor de
                    planindieners, ontwerpers en andere bezoekers. De voorzitter organiseert met de
                    commissie een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden en heeft
                    hiertoe tenminste eenmaal per jaar een evaluerend overleg met de
                    portefeuillehouder. De uitkomsten van het evaluatiegesprek worden opgenomen in
                    het jaarverslag van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De voorzitter
                    onderhoudt de contacten met de pers en andere belangstellenden. Bij een
                    persgesprek is altijd een bij het welstandstoezicht betrokken derde aanwezig.
                    Artikel 6 Profielschets van de architectleden De architectleden zijn gezamenlijk
                    verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke kwaliteit van de welstandsadviezen. Eén
                    van de architectleden kan door de welstandsorganisatie worden aangewezen als
                    vakinhoudelijk secretaris van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Een
                    architectlid is een geregistreerde architect die zich door opleiding en ervaring
                    kwalificeert om zitting te nemen in de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit. De architectleden hebben een eigen, actieve beroepspraktijk en hebben
                    ervaring met het beoordelen van ontwerpen van (aanstaande) collega’s in
                    bijvoorbeeld onderwijssituaties of jury’s. Artikel 7 Profielschetsen van de
                    overige commissieleden Voorbeeld: Profielschets commissielid met kennis van de
                    lokale cultuurhistorie Het commissielid met kennis van de lokale cultuurhistorie
                    is verantwoordelijk voor de inbreng van kennis over de lokale cultuurhistorie
                    tijdens de welstandsadvisering. Dit commissielid is actief betrokken bij het
                    maatschappelijk leven in &gt;invullen: naam gemeente&lt; en beschikt vanuit die
                    achtergrond en interesse over een zekere mate van deskundigheid en kennis met
                    betrekking tot de (ruimtelijke) historie van &gt;invullen: naam gemeente&lt;.
                    Het commissielid met kennis van de lokale cultuurhistorie onderhoudt in het
                    bijzonder de contacten met maatschappelijke belangenorganisaties. Dit lid vormt
                    de schakel tussen de gevoelens en opvattingen die leven binnen de bevolking van
                    &gt;naam gemeente&lt; en de overige leden van de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit. </al><al> 3. Benoeming en zittingsduur Artikel 8 Benoemingsprocedure De leden van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede hun plaatsvervangers bij
                    structurele afwezigheid worden op voorstel van het bevoegd gezag benoemd en
                    ontslagen door de gemeenteraad. &gt;benoemingsprocedure voorzitter en
                    architectleden&lt; De voorzitter en de architectleden van de Adviescommissie
                    voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede de plaatsvervanger bij structurele
                    afwezigheid worden, na een openbare sollicitatieprocedure door &gt;invullen,
                    bijvoorbeeld naam welstandsorganisatie&lt;, voorgedragen aan het bevoegd gezag
                    door &gt;invullen, bijvoorbeeld naam welstandsorganisatie&lt;. &gt;indien van
                    toepassing: benoemingsprocedure ten aanzien van de overige
                    commissieleden&lt;</al><al> Voorbeeld: De overige leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    worden voorgedragen aan het bevoegd gezag door de plaatselijke
                    belangenorganisaties. Artikel 9 Zittingsduur Benoemingen gelden voor een periode
                    van drie jaar met een mogelijkheid tot herbenoeming voor een periode van nog
                    eens drie jaar. Omwille van de continuïteit van de welstandsadvisering worden de
                    leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit benoemd en herbenoemd in
                    een alternerend systeem. Door WZNH wordt een rooster van aftreden bijgehouden.
                    WZNH doet drie maanden voor het verstrijken van een benoemingstermijn een
                    voorstel tot herbenoeming aan de verantwoordelijke wethouder toekomen. De
                    wethouder stelt het voorgedragen commissielid ter benoeming voor aan de
                    gemeenteraad &gt;indien van toepassing: alsmede aan de organisatie(s) die de
                    voordracht van het betreffende commissielid verzorgt/verzorgen&lt; Artikel 10
                    Voortijdige beëindiging van de benoeming van commissieleden De leden van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede de plaatsvervangers bij
                    structurele afwezigheid kunnen ten allen tijde kenbaar maken hun benoeming te
                    willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk &gt;termijn invullen (WZNH:
                    drie maanden)&lt; tevoren kennis aan de gemeenteraad &gt;indien van toepassing:
                    en aan de welstandsorganisatie&lt;. De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen,
                    &gt;indien van toepassing: na overleg met WZNH&lt; de benoeming van een lid of
                    van alle leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede van de
                    plaatsvervangers bij structurele afwezigheid voortijdig beëindigen, wanneer het
                    betreffende commissielid of de betreffende commissieleden of plaatsvervangers
                    naar zijn oordeel &gt;indien van toepassing: of het oordeel van de
                    welstandsorganisatie&lt; niet naar behoren functioneert of functioneren. </al><al> 4. Jaarlijkse verantwoording Artikel 11 Jaarverslag De Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3 Woningwet
                    jaarlijks voor de gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden, genoemd
                    het jaarverslag. In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze
                    de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit toepassing heeft gegeven aan de in
                    de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag
                    signaleert waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende
                    houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. &gt;indien van
                    toepassing: verdere bijzonderheden&lt;</al><al> Voorbeeld: Voorts kan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit in haar
                    jaarverslag aandacht besteden aan de werkwijze van de commissie, op welke wijze
                    uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de
                    beoordeelde plannen en bijzondere projecten. De Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit kan in haar verslag aanbeveling doen ten aanzien van het ruimtelijk
                    kwaliteitsbeleid in het algemeen en het welstandsbeleid in het bijzonder. Het
                    verslagjaar loopt &gt;invullen (WZNH: van januari tot en met december)&lt;. Het
                    jaarverslag wordt jaarlijks &gt;invullen (WZNH: vóór 1 juli )&lt; aangeboden aan
                    de gemeenteraad. Bespreking van het jaarverslag in de gemeenteraad wordt
                    gecombineerd met de jaarlijks op te stellen rapportage over de uitvoering van
                    het welstandsbeleid en het welstandstoezicht door het bevoegd gezag. </al><al> 5. Termijn van advisering en vooroverleg Artikel 12 Termijn van advisering bij
                    de bouwaanvraag De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens
                    haar gemandateerd lid is bij de beoordeling van reguliere of gefaseerde
                    bouwaanvragen gebonden aan de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het
                    uitbrengen van advies.</al><al> Binnen de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van
                    advies kan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar
                    gemandateerde lid het welstandsadvies aanhouden indien meer informatie of een
                    toelichting van de ontwerper wenselijk is. Artikel 13 Overschrijding van de
                    termijn Indien de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens
                    haar gemandateerde lid niet binnen de in de Bouwverordening gestelde termijn tot
                    een advies komt, wordt de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit geacht
                    positief te adviseren over de bouwaanvraag. Artikel 14 Vooroverleg over
                    principeaanvragen De gemeente biedt de mogelijkheid om, voorafgaand aan het
                    indienen van een bouwaanvraag, door middel van het indienen van een aanvraag
                    voor een preadvies vooroverleg te plegen met de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid, over de interpretatie van de
                    welstandscriteria in het concrete geval van het bouwplan. Dit vooroverleg kan in
                    principe pas starten nadat duidelijkheid bestaat over de planologische
                    aanvaardbaarheid van het plan. Daarbij kan het gemeentebestuur de planologische
                    aanvaardbaarheid mede laten afhangen van het preadvies van de
                    welstandscommissie. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het
                    namens haar gemandateerd lid draagt uiterste zorg voor consistente beoordelingen
                    in de verschillende planfasen. Het vooroverleg is openbaar, tenzij de
                    planindiener, het bevoegd gezag of de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    van mening zijn dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                    bestuur klemmende redenen zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel
                    voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het
                    welstandsadvies. Van het vooroverleg wordt altijd verslag gemaakt, dat met de
                    besproken bescheiden wordt opgenomen in het dossier. De Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerde lid geeft aan in
                    welke fase het plan werd beoordeeld en op basis van welke welstandscriteria de
                    bouwaanvraag uiteindelijk zal worden beoordeeld (door de plenaire commissie dan
                    wel door een namens haar gemandateerd lid). Artikel 15 Beëindiging van het
                    vooroverleg na drie negatieve beoordelingen Als een plan tijdens de
                    vooroverlegfase drie keer negatief wordt beoordeeld door de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit en als er tijdens het proces geen noemenswaardige
                    vooruitgang wordt geconstateerd, zal de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit het vooroverleg beëindigen en via &gt;invullen de ambtelijk
                    plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; contact opnemen met de
                    portefeuillehouder om de (politieke) consequenties hiervan te bespreken.
                    Beëindiging van het vooroverleg vindt niet plaats indien het plan niet tenminste
                    éénmaal (bijvoorbeeld de laatste maal) door de plenaire commissie is beoordeeld. </al><al> Artikel 16 Geldigheidstermijn van een principeaanvraag Indien een
                    principeaanvraag niet binnen zes maanden na de laatste beoordeling door de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd
                    lid, wordt gevolgd door een bouwaanvraag, wordt de welstandsbehandeling
                    gesloten. Deze termijn geldt niet indien de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit en de planindiener schriftelijk een andere termijn overeenkomen. </al><al> 6. Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting Artikel 17 Openbare
                    behandeling van bouwaanvragen De behandeling van bouwaanvragen door de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel door een gemandateerd lid van
                    de commissie is openbaar tenzij de planindiener, het bevoegd gezag of de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit van mening zijn dat er op grond van
                    artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen zijn voor
                    geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het
                    formuleren van de conclusie c.q. het welstandsadvies. Belangstellenden kunnen de
                    vergadering van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit bijwonen op de
                    publieke tribune.</al><al> /&gt;invullen: bepaling met betrekking tot spreekrecht&lt;</al><al> Voorbeeld 1: Belangstellenden en belanghebbenden hebben geen spreekrecht.</al><al> Voorbeeld 2: Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet
                    bestuursrecht kunnen voor het begin van de vergadering spreektijd aanvragen bij
                    de voorzitter. De voorzitter stelt, afhankelijk van de agenda, de maximale
                    spreektijd van eenieder vast. Spreektijd kan slechts worden gebruikt voor het
                    geven van een visie op de welstandsaspecten van het plan. Een belangenafweging
                    of beoordeling, anders dan op basis van de vastgestelde welstandscriteria vindt
                    niet plaats tijdens de welstandsbeoordeling.</al><al> Goedgekeurde notulen van de openbare vergadering zijn openbaar en kunnen
                    &gt;(invullen van een locatie)&lt; worden ingezien. Artikel 18 Bekendmaking van
                    de agenda</al><al> De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit vergadert volgens een jaarlijks
                    vastgesteld vergaderschema. De data, het tijdstip en de locatie van de
                    welstandsvergaderingen worden door &gt;invullen&lt; ter kennis gesteld van de
                    lokale pers. Op &gt;invullen: aantal dagen&lt; voorafgaand aan de vergaderingen
                    van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit wordt via &gt;invullen:
                    bijvoorbeeld naam lokale krant of internetsite van de gemeente&lt; bekend
                    gemaakt dat de agenda &gt;indien van toepassing: met bijbehorende dossiers&lt;
                    vanaf &gt;invullen: dag en plaats&lt; ter inzage ligt. Artikel 19
                    Plantoelichting door indiener en/of ontwerper Als een planindiener en/of
                    ontwerper hierom bij het indienen van het plan heeft verzocht, wordt deze door
                    de &gt;invullen: bijvoorbeeld ambtelijk plantoelichter of ambtelijk
                    secretaris&lt; uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de
                    vergadering waarin het plan wordt behandeld. Als de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid een nadere
                    toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of de ontwerper door de
                    &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; uitgenodigd
                    voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt
                    behandeld. Een plantoelichting is bedoeld voor een korte toelichting op de
                    planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door
                    planindiener en/of ontwerper. </al><al> 7. Afdoening bij mandaat Artikel 20 Mandaat namens de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit kan, in
                    overleg met &gt;invullen: bijvoorbeeld de plantoelichter of het bevoegd
                    gezag&lt; één of meer van haar leden schriftelijk mandateren om bepaalde taken
                    uit te voeren. De gemandateerde voert de taak uit onder verantwoordelijkheid en
                    namens de commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld de ondertekening. Eén van
                    de taken die door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aan één of meer
                    van haar leden kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het
                    welstandsadvies voor bouwplannen van relatief geringe ruimtelijke betekenis of
                    van bouwplannen waar de mening van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    als bekend mag worden verondersteld. De gemandateerde heeft hierbij een
                    &gt;invullen: beperkt of volledig&lt; mandaat,</al><al> /&gt;toevoegen bij beperkt mandaat:&lt; dat wil zeggen dat alleen positieve
                    adviezen kunnen worden gegeven. Plannen waarmee het gemandateerde commissielid
                    niet akkoord kan gaan, worden alsnog in de plenaire commissie behandeld.</al><al> /&gt;toevoegen bij volledig mandaat:&lt; dat wil zeggen dat zowel positieve als
                    negatieve adviezen kunnen worden gegeven. Eén van de taken die door de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aan één of meer van haar leden kunnen
                    worden gemandateerd is het voeren van vooroverleg met de planindieners en/of
                    ontwerpers. Dit kan zelfstandig gebeuren dan wel door deelname in een
                    ‘kwaliteitsteam’. Bij het gemandateerd vooroverleg moet altijd minstens eenmaal
                    een welstandsbeoordeling door de plenaire commissie plaatsvinden. Daarbij doet
                    de gemandateerde verslag van wat er tijdens het vooroverleg (namens de
                    commissie) is besproken en besloten. De commissie geeft daarna, binnen dit kader
                    haar oordeel. Bij enige vorm van twijfel legt de gemandateerde het betreffende
                    bouwplan alsnog voor aan de plenaire commissie. Een negatief eindadvies wordt
                    door de gemandateerde altijd voorgelegd aan de plenaire commissie, tenzij er
                    sprake is van een schriftelijke en door de raad bekrachtigde mandatering aan een
                    kwaliteitsteam. Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder
                    dezelfde reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de plenaire
                    commissie. Artikel 21 Ambtelijk mandaat voor ‘lichtvergunningplichtige’
                    bouwwerken 8. Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht Artikel 22
                    Inhoud van het advies Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de
                    plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband
                    met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd
                    is met redelijke eisen van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de hand van
                    de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota, dan wel aanvullende
                    welstandscriteria (bijvoorbeeld bij herontwikkelingsprojecten) en
                    beeldkwaliteitplannen met welstandscriteria, mits deze dezelfde
                    vaststellingsprocedure hebben doorlopen als de welstandsnota. Van de in de
                    vergadering uitgesproken bevindingen en adviezen worden notulen opgesteld. Het
                    welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het
                    welstandstoezicht.</al><al> Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid of
                    procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen zouden moeten
                    worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de
                    conclusie van het welstandsadvies zelf.</al><al> Het welstandsadvies zal nooit zodanig geformuleerd zijn dat één der betrokkenen
                    zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan voelen. Artikel 23
                    Conclusie van het advies Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben:
                    Akkoord: Het plan voldoet naar mening van de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria aan redelijke eisen
                    van welstand.</al><al> Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties om het plan op een
                    (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan
                    duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf. Akkoord op
                    hoofdlijnen: Wordt gebruikt bij principevoorstellen of pre-adviezen. De
                    commissie staat positief tegenover de ontwikkeling van het schetsplan. het
                    vervolgens uit te werken bouwplan komt in een later stadium terug bij commissie
                    voor een definitief welstandsadvies. Niet akkoord tenzij wordt voldaan aan de
                    opmerkingen: Het plan voldoet naar mening van de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet
                    aan redelijke eisen van welstand, tenzij het op ondergeschikte punten wordt
                    aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig genotuleerd en/of op de tekening
                    aangegeven. De &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk
                    secretaris&lt; nodigt daarna de planindiener uit om binnen de wettelijke
                    afhandelingstermijn een aangepast plan in te dienen. Als dit plan naar mening
                    van de ambtenaar overeenkomstig de opmerkingen is aangepast hoeft de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit het gewijzigde bouwplan niet opnieuw
                    te beoordelen. Niet akkoord, nader overleg: Het plan voldoet naar mening van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand, de commissie wacht een
                    nader overleg of een aangepast plan af. Een schriftelijk advies wordt door de
                    commissie in overleg met &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk
                    secretaris&lt;, (nog) niet noodzakelijk geacht. De negatieve beoordeling wordt
                    beargumenteerd op basis van de welstandscriteria, dit wordt volledig
                    genotuleerd. Niet akkoord, schriftelijk advies: Het plan voldoet naar mening van
                    de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat
                    ingrijpende wijzigingen in het planconcept of de uitwerking van het ontwerp
                    noodzakelijk zijn. De commissie beargumenteert de beoordeling in een
                    schriftelijk advies aan HET BEVOEGD GEZAG. Artikel 24 Schriftelijke motivering
                    De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit adviseert en motiveert haar advies
                    schriftelijk. Bij positieve advisering wordt in de notulen van de vergadering
                    genoteerd op welke bepalingen uit het vigerende welstandsbeleid het positieve
                    advies is gebaseerd; een expliciete motivering kan bij positieve adviezen
                    achterwege blijven, tenzij het bevoegd gezag daarom verzoeken. Een positief
                    advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake is van een bijzondere
                    situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan op basis van de algemene
                    welstandscriteria , in afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte
                    c.q. objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren. Elk welstandsadvies
                    bestaat uit:</al><al> -beknopte karakteristiek van het bouwplan en zijn omgeving</al><al> -indien van toepassing: kort chronologisch overzicht van eerdere
                    planbeoordelingen</al><al> -indien van toepassing: beknopt verslag van een plantoelichting door de
                    planindieners en/of de ontwerper</al><al> -een verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste welstandscriteria</al><al> -een verwijzing naar de planologische status van het bouwplan, de
                    proportionaliteit van de ingreep en de zichtbaarheid vanaf de openbare
                    ruimte</al><al> -bevindingen en het oordeel van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    resulterend in het welstandsadvies</al><al> -bij een negatief advies de motivering daarvan</al><al> -indien van toepassing: aanbevelingen of suggesties van de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 25 Toelichting op het welstandsadvies (dubbel met
                    art 19) De planindiener en/of ontwerper kan een mondelinge toelichting vragen op
                    het welstandsadvies. Deze toelichting wordt in eerste instantie gegeven door
                    &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt;. Indien de
                    planindiener en/of ontwerper vervolgens een nadere toelichting wenst kan een
                    afspraak worden gemaakt met de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan
                    wel een namens haar gemandateerd lid. </al><al> 9. Welstandsoordeel van HET BEVOEGD GEZAG Artikel 26 Welstandsoordeel van het
                    bevoegd gezag De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen ligt bij het bevoegd gezag. Zij hebben een
                    eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de
                    hand van de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het bevoegd gezag
                    vraagt bij elke reguliere bouwaanvraag &gt;indien van toepassing: met
                    uitzondering van de plannen die op grond van de welstandsnota als welstandsvrij
                    zijn aan te merken&lt; advies aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit,
                    tenzij bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning voor het bouwen reeds
                    op een andere grond moet worden geweigerd. Het bevoegd gezag vergewist zich er
                    van dat het aan hen uitgebrachte welstandsadvies naar inhoud en wijze van
                    totstandkoming deugdelijk is. Artikel 27 Afwijken op inhoudelijke grond Het
                    bevoegd gezag kan op inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies indien
                    zij tot het oordeel komen dat de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit de
                    van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie
                    naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien gewenst:</al><al> Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komt dan
                    de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit, dan kunnen zij voordat het
                    besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen maar binnen de daarvoor geldige
                    afhandelingstermijn, een second opinion vragen aan de speciaal daarvoor
                    bestaande Commissie voor Second Opinions van WZNH. Indien het bevoegd gezag op
                    inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies wordt dit in de beslissing
                    op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit wordt hiervan op de hoogte gesteld.
                    Artikel 28 Afwijken van de welstandscriteria Het bevoegd gezag kan, op basis van
                    artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht &gt;indien gewenst: en op advies
                    van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit afwijken&lt; van de in de
                    gemeentelijke welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte of objectgerichte
                    welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan deze
                    welstandscriteria maar volgens het advies van de commissie wél aan redelijke
                    eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene
                    welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. Artikel 29 Afwijken om andere
                    redenen Het bevoegd gezag kunnen, op basis van artikel 44, lid 1d van de
                    Woningwet, de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen ondanks strijdigheid
                    van dat plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van oordeel zijn dat
                    daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke
                    aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag zal
                    uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de
                    ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of
                    maatschappelijke belangen. Artikel 30 Bezwaar en beroep Belanghebbenden in de
                    zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen binnen zes weken
                    bezwaar indienen tegen de beslissing van het bevoegd gezag op de aanvraag voor
                    een omgevingsvergunning voor het bouwen. In de bezwaarschriftenprocedure
                    heroverweegt het bevoegd gezag het besluit nadat belanghebbenden tijdens een
                    hoorzitting hun standpunten nader hebben kunnen toelichten. In de
                    bezwaarschriftenprocedure kan het bevoegd gezag een second opinion vragen aan de
                    speciaal daarvoor bestaande Commissie voor Second Opinions van WZNH.
                    Belanghebbenden die het met de heroverweging van het bevoegd gezag niet eens
                    zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. Artikel 31 Jaarlijkse rapportage door HET
                    BEVOEGD GEZAG Het bevoegd gezag stelt, ter uitvoering van artikel 12c van de
                    Woningwet jaarlijks een rapportage op voor de gemeenteraad over de wijze waarop
                    zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht
                    zijn omgegaan. In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de
                    orde: de wijze waarop het bevoegd gezag is omgegaan met de welstandsadviezen; in
                    welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor
                    de bouw niet aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit hebben voorgelegd
                    en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de
                    welstandscriteria; in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op
                    grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand‘ (op grond van
                    artikel 19 van de Woningwet) zijn overgegaan en of zij na die aanschrijving zijn
                    overgegaan tot bestuursdwang. Het verslagjaar loopt &gt;invullen (WZNH: van
                    januari tot en met december)&lt;. De rapportage wordt jaarlijks tegelijk met het
                    jaarverslag van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aangeboden aan de
                    gemeenteraad.</al><al> 10. Advisering over bijzondere plannen Artikel 32 Advisering over plannen
                    betreffende een beschermd monument Indien voor een bouwactiviteit zowel een
                    monumentenvergunning als een omgevingsvergunning voor bouwen benodigd is, vindt
                    advisering op grond van artikel 11 van de Monumentenwet plaats &gt;invullen:
                    gescheiden van, gecombineerd met of geïntegreerd met&lt; de advisering op grond
                    van artikel 12 van de Woningwet. &gt;toevoegen bij gescheiden
                    adviescommissies&lt; De gemeente heeft een afzonderlijke monumentencommissie
                    ingesteld voor de advisering in het kader van artikel 11 van de Monumentenwet.
                    Deze commissie brengt haar advies uit &gt;invullen: relatie tussen de adviezen,
                    bijvoorbeeld: voordat het plan aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    wordt voorgelegd. Het advies van de monumentencommissie wordt daarbij ter kennis
                    gebracht van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. &gt;toevoegen bij
                    gecombineerde commissies&lt; De gemeente combineert de vergadering van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit met de vergadering van de
                    monumentencommissie. De aldus gevormde commissie wordt geacht deskundig te zijn
                    op het gebied van de monumentenzorg alsook op het gebied van het
                    welstandstoezicht. Beide commissie behouden hierbij hun eigen adviserende taak.
                    Er worden gelijktijdig twee adviezen uitgebracht. &gt;toevoegen bij
                    geïntegreerde welstands- en monumentencommissie&lt; De gemeente heeft de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en de monumentencommissie juridisch
                    geïntegreerd zodat deze commissie de bevoegdheid heeft te adviseren op grond van
                    de Monumentenwet en de Woningwet. De commissie brengt een integraal advies uit,
                    waarin echter een duidelijke scheiding is aangebracht tussen het welstandsadvies
                    en het advies ten aanzien van de monumentenvergunning. Artikel 33 Advisering bij
                    plannen onder supervisie De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen)
                    gebieden een supervisor aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te
                    stimuleren en planindieners en ontwerpers in de vroege fasen van de planvorming
                    reeds te informeren en te begeleiden. Bij het aanstellen van een supervisor zal
                    &gt;invullen: betreffende afdeling&lt; zorg dragen voor een heldere
                    taakomschrijving en een goede afstemming tussen supervisie en
                    welstandsbeoordeling. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:</al><al> -de supervisor formuleert de welstandscriteria voor het gebied;</al><al> -de welstandscriteria gelden na vaststelling door de gemeenteraad als leidraad
                    voor de planbegeleiding door de supervisor én als kader voor de
                    welstandsbeoordeling;</al><al> -tijdens het planvormingsproces is de supervisor verantwoordelijk voor tijdige
                    rapportage aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit;</al><al> -controversiële kwesties kunnen leiden tot vooroverleg van de Adviescommissie
                    voor Ruimtelijke Kwaliteit met de ontwerper, de planindiener en/of de
                    supervisor;</al><al> -bij de bouwaanvraag vindt de definitieve welstandsbeoordeling door de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit plaats, waarbij de commissie rekening
                    houdt met wat er tijdens het begeleidingsproces is besproken en besloten.
                    Artikel 34 Advisering bij plannen na een ontwerpwedstrijd Bij een
                    ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie worden de inzendingen beoordeeld
                    door een speciaal aangewezen jury of beoordelingscommissie. Dit kan nooit de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit als zodanig zijn. Een lid van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit kan wel op persoonlijke titel worden
                    aangewezen als lid van een jury of beoordelingscommissie. De inzendingen van een
                    ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie kunnen als principeaanvraag voor
                    advies worden voorgelegd aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De
                    gemeente zal stimuleren dat in het wedstrijdprogramma in samenhang met de
                    stedenbouwkundige randvoorwaarden ook expliciete welstandscriteria worden
                    opgenomen, meestal als uitwerking van de welstandscriteria uit de welstandsnota.
                    Artikel 35 Advisering over ruimtelijke plannen en beleidsnota’s De
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit brengt op verzoek van het bevoegd
                    gezag advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                    bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                    beleidsstukken. &gt;indien van toepassing: Voor bestemmingsplannen gebeurt dit
                    in het kader van het overleg ex.artikel 10 BRO&lt;. De Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit brengt binnen drie maanden schriftelijk advies uit aan het
                    bevoegd gezag over de aan haar voorgelegde ruimtelijke plannen en beleidsnota’s.
                    Na de vaststelling van het plan of de nota ontvangt de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit een definitief exemplaar en een reactie op haar eerder
                    uitgebrachte advies. </al><al> 11. Ondersteuning van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 36
                    Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie Het bevoegd gezag wijst een
                    &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; aan. De
                    gemeente &gt;invullen&lt; ondersteunt de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit op zodanig wijze dat deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening
                    van haar taken als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur. De
                    gemeente &gt;invullen&lt; is op geen enkele wijze, anders dan informatief,
                    betrokken bij of verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de
                    advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De gemeente
                    &gt;invullen&lt; legt wat betreft de organisatorische en budgettaire aspecten
                    verantwoording af aan &gt;invullen&lt;. De &gt;invullen&lt; is aanwezig bij alle
                    vergaderingen van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en fungeert als
                    dagelijks aanspreekpunt van de commissie. De &gt;invullen&lt; onderhoudt de
                    contacten met de ambtelijke diensten (met name het bouwtoezicht en stedenbouw),
                    neemt de adviesaanvragen voor bouwplannen in en bereidt de behandeling van de
                    bouwplannen in de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit voor. Hij of zij
                    controleert of de bouwplannen (inclusief de bouwplannen die worden aangeboden
                    voor vooroverleg) zijn voorzien van de voor de welstandstoets benodigde
                    bescheiden, zoals omschreven in het ‘Besluit indieningsvereisten’ als bedoeld in
                    artikel 40 a van de Woningwet en draagt zorg voor de benodigde informatie over
                    de omgeving, de locatie en het bouwplan, en overigens alle voor de beoordeling
                    relevante informatie. De gemeente &gt;invullen&lt; draagt er zorg voor dat bij
                    bouwplannen de planologische aanvaardbaarheid bekend is. Indien het plan niet
                    voldoet aan de vigerende bestemmingsplanbepalingen dient duidelijk te zijn of de
                    gemeente wil meewerken aan een vrijstellingsprocedure en of het advies van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit mede bepalend is voor het inzetten
                    van deze procedure. In principe worden bouwplannen aan de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit voorgelegd die niet om andere redenen moeten worden
                    geweigerd. De gemeente &gt;invullen&lt; verzorgt (in overleg met de voorzitter)
                    de agendering en draagt er zorg voor dat de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit kan adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn. Tijdens de
                    vergadering introduceert de gemeente &gt;invullen&lt; de bouwplannen. Hij of zij
                    neemt geen deel aan de beoordeling maar informeert de commissie over alle
                    relevante aspecten van het bouwplan. De gemeente &gt;invullen&lt; maakt de
                    afspraken tussen planindieners en/of ontwerpers en de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit via de commissiecoördinator. De gemeente &gt;invullen&lt;
                    geeft planindieners en/of ontwerpers de eerste mondelinge toelichting op het
                    welstandsadvies. De gemeente &gt;invullen&lt; verzamelt de kwantitatieve
                    gegevens voor de rapportage van het bevoegd gezag en neemt deel aan het
                    evaluatieoverleg tussen het gemeentebestuur en de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 38 Ondersteuning vanuit WZNH WZNH wijst een
                    commissiecoördinator aan. De commissiecoördinator ondersteunt de Adviescommissie
                    voor Ruimtelijke Kwaliteit op zodanig wijze dat deze optimaal kan functioneren
                    bij uitoefening van haar taken als onafhankelijk adviesorgaan van het
                    gemeentebestuur. De commissiecoördinator stelt het vergaderrooster op en draagt
                    zorg voor de organisatorische contacten met de gemeente via de ambtelijk
                    plantoelichter. De commissiecoördinator is verantwoordelijk voor de organisatie
                    van de vergaderingen en is aanwezig bij alle vergaderingen van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en organiseert het verloop van de
                    vergadering. De commissiecoördinator stelt de vergadernotulen op en zorgt voor
                    de administratieve verwerking van de welstandsadviezen.</al><al> De commissiecoördinator is medeverantwoordelijk voor de deugdelijkheid van de
                    adviezen.</al><al> De commissiecoördinator is op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken bij of
                    verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De commissiecoördinator zorgt bij
                    incidentele afwezigheid van de voorzitter of één van de architectleden voor een
                    gekwalificeerde vervanger. De commissiecoördinator verzamelt de kwantitatieve
                    gegevens voor het jaarverslag van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    en neemt deel aan het evaluatieoverleg tussen het gemeentebestuur en de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De commissiecoördinator legt wat
                    betreft de organisatorische en budgettaire aspecten verantwoording af aan (de
                    directeur van) WZNH. Artikel 39 Adviseur Indien de aard van een te beoordelen
                    plan dan wel het beleid daartoe aanleiding geeft kunnen het bevoegd gezag en de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit in overleg treden over de
                    mogelijkheid om op ad hoc of permanente basis specifieke deskundigen als
                    adviseur van de commissie te raadplegen. De adviseur is geen lid van de
                    commissie maar wordt voorafgaand aan de beraadslaging in de gelegenheid gesteld
                    zijn of haar visie op het plan te geven. De adviseur neemt geen deel aan de
                    beraadslaging en heeft geen stem in de eindbeoordeling. De adviseur is op geen
                    enkele wijze anders dan informatief betrokken bij of verantwoordelijk voor de
                    inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de Adviescommissie voor
                    Ruimtelijke Kwaliteit De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in
                    de vergadernotulen. </al><al> 12. Vergaderorde Artikel 40 Vergadering De Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit vergadert op een vaste dag tenminste &gt;invullen, WZNH: tweemaal&lt;
                    per maand volgens een jaarlijks vast te stellen vergaderrooster waarin ook de
                    vergaderlocatie wordt vastgelegd. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste twee leden of hun
                    plaatsvervangers aanwezig zijn, tenzij één van de architect leden namens de
                    commissie gemandateerd is tot het geven van een al dan niet voorwaardelijk
                    positief advies. De vergadering van de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit verloopt volgens een vast protocol:</al><al> -Opening door de voorzitter</al><al> -Vaststellen notulen van de vorige vergadering</al><al> -Welkom en uitleg aan bezoekers op de publieke tribune</al><al> -&gt;indien van toepassing:&lt; Inventarisatie van bezoekers die gebruik wensen
                    te maken van spreekrecht en vaststelling van de spreektijd.</al><al> -Verslag van de gemandateerde werkzaamheden die onder de openbaarheid
                    vallen</al><al> -Behandeling van de openbare bouwplannen</al><al> -Sluiting Voorafgaand of na afloop van de vergadering vinden besloten
                    besprekingen plaats met de volgende agendapunten:</al><al> - Verslag van gemandateerde werkzaamheden die niet onder de openbaarheid
                    vallen</al><al> - Behandeling van bouwplannen die onder de openbaarheid vallen</al><al> - Behandeling van ruimtelijke plannen en andere beleidsnota’s</al><al> - Overige taken en activiteiten van de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit</al><al> - Evaluatie van de vergadering en punten voor het jaarverslag</al><al> - Vaststelling van de notulen Artikel 41 Behandeling van een bouwplan De
                    behandeling van een bouwplan verloopt volgens een vast protocol:</al><al> -Indien aanwezig: ontvangst van planindiener en/of ontwerper en uitleg van de
                    gang van zaken door de voorzitter</al><al> -Introductie van het plan door de &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of
                    ambtelijk secretaris&lt;, waarbij de status van de planologische
                    aanvaardbaarheid wordt aangegeven</al><al> -Gelegenheid voor een korte toelichting op de planfilosofie en de gemaakte
                    keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door planindiener en/of
                    ontwerper</al><al> -Gelegenheid voor korte toelichting door eventuele adviseurs van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al><al> -Gelegenheid voor vragen door de commissieleden</al><al> -Start van de beraadslaging, waarbij de voorzitter vaststelt welke
                    welstandscriteria van toepassing zijn en op welke manier deze worden
                    behandeld</al><al> -Beraadslaging door de commissieleden, waarbij de voorzitter elk commissielid
                    in de gelegenheid stelt zijn of haar mening voldoende te uiten</al><al> -Conclusies, eventueel formele stemming</al><al> -Samenvatting van het uit te brengen advies door de voorzitter, als basis voor
                    de schriftelijke uitwerking door &gt;invullen: de commissiecoördinator of de
                    ambtelijk secretaris&lt;. Artikel 42 Stemming Alle aanwezige commissieleden dan
                    wel hun plaatsvervangers, brengen één stem uit omtrent het uit te brengen
                    advies. De commissie beslist omtrent het uit te brengen advies bij meerderheid
                    van stemmen. Bij staking van de stemmen</al><al> Voorbeeld 1: wordt de zienswijze van de voor- en tegenstanders schriftelijk aan
                    het bevoegd gezag medegedeeld.</al><al> Voorbeeld 2: vraagt de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit een second
                    opinion aan Commissie voor Second Opinions van WZNH. Artikel 43 Vervanging
                    (WZNH) Onder incidentele verhindering wordt verstaan een maximaal drie keer per
                    jaar voorkomende afwezigheid wegens andere verplichtingen, en onvoorziene
                    afwezigheid wegens overmacht. Bij incidentele verhindering van de voorzitter
                    &gt;invullen: vervangingsregeling&lt;</al><al> Voorbeeld 1: WZNH zorgt via de commissiecoördinator voor een gekwalificeerde
                    vervanger uit één van de overige onder de Stichting WZNH ressorterende
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit.</al><al> Voorbeeld 2: kiest de commissie uit de aanwezige leden een voorzitter. Bij
                    incidentele verhindering van één van de architectleden &gt;invullen:
                    vervangingsregeling&lt;</al><al> Voorbeeld 1: (WZNH) zorgt via de commissiecoördinator voor een gekwalificeerde
                    vervanger uit één van de overige onder de Stichting WZNH ressorterende
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit.</al><al> Voorbeeld 2: wordt deze vervangen door een door de gemeenteraad benoemd
                    plaatsvervangend architectlid. &gt;indien van toepassing:&lt; Bij langdurige of
                    structureel terugkerende verhindering van één van de leden van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit benoemt de gemeenteraad een vaste
                    plaatsvervanger volgens het protocol van art. 8, 9, en 10. Bij verhindering van
                    de &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; wordt deze
                    vervangen door een door het bevoegd gezag aan te wijzen plaatsvervanger. Bij
                    verhindering van de commissiecoördinator wordt deze vervangen door een door WZNH
                    aan te wijzen plaatsvervanger. Artikel 44 Onderzoek ter plaatse De
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit stelt een onderzoek ter plaatse in,
                    indien zij bij de beoordeling van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek
                    redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is. Artikel 45 Notulen De
                    &gt;invullen: commissiecoördinator of ambtelijk secretaris / gemeentelijke
                    plantoelichter &lt; maakt de notulen van de vergadering van de plenaire
                    commissie. In deze notulen worden opgenomen de besluiten van het gemandateerde
                    commissielid ter zake van de al dan niet voorwaardelijk goedgekeurde
                    bouwplannen. De notulen bevatten de samengevatte welstandsadviezen over aan de
                    commissie voorgelegde bouwplannen (zowel de bouwaanvragen als de
                    principeaanvragen). De notulen bevatten tevens een verslag van alle andere
                    gespreksonderwerpen van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De
                    notulen worden gesplitst in het gedeelte betreffende de behandeling van
                    bouwaanvragen en het gedeelte betreffende de overige behandelingen en
                    gespreksonderwerpen. De &gt;commissiecoördinator of ambtelijk secretaris/
                    gemeentelijke plantoelichter&lt; zendt de goedgekeurde notulen binnen 5
                    werkdagen na de vergadering ter kennisname aan het bevoegd gezag. De door
                    vergadering vastgestelde en door de voorzitter ondertekende notulen worden de
                    volgende vergadering overhandigd aan de gemeentelijke plantoelichter. </al><al> 13. Financiële vergoeding Artikel 46 Vergoeding De &gt;invullen: welke
                    leden&lt; genieten een door &gt;invullen: naam van de welstandsorganisatie of,
                    bij een eigen Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit: het bevoegd gezag&lt;
                    te bepalen en te betalen uurtarief en een vergoeding van de reiskosten.
                    &gt;indien van toepassing:&lt; De overige leden genieten een door de gemeente te
                    betalen presentiegeld overeenkomstig de gemeentelijke vergoedingsregeling voor
                    commissieleden en een vergoeding van de reiskosten. </al><al> 14. Overgangsbepaling Artikel 47 Op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
                    reglement van orde vervalt het besluit van de gemeenteraad van &gt;invullen:
                    datum&lt; tot het vaststellen van de &gt;invullen: bijvoorbeeld de huidige
                    verordening op de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit&lt;. </al><al> Aldus vastgesteld als bijlage bij de Bouwverordening door de raad van de
                    gemeente &gt;invullen: naam gemeente&lt; in zijn openbare vergadering van
                    &gt;invullen: datum&lt; Bekend gemaakt op &gt;invullen: datum&lt;</al><al> Inwerking getreden op &gt;invullen: datum&lt;</al><al/><al> Bronnen (versie 2002) Nijmeijer, Mr.A.G.A., ‘Welstandstoezicht juridisch
                    getoetst’, Kluwer, Deventer, 2001. Federatie Welstand, ‘Model Kwaliteitssysteem
                    Welstandsadvisering’, Arnhem, 2002. Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
                    ledenbrief met concept voor de Achtste serie wijzigingen van de
                    Modelbouwverordening 1992, Den Haag, 27 maart 2002. Vereniging van Nederlandse
                    Gemeenten, ledenbrief met definitieve versie achtste serie wijzigingen van de
                    Modelbouwverordening 1992, Den Haag, oktober 2002. Voorstel tot wijziging van de
                    Woningwet, Stb. 2001, 518. WZNH, ‘Handboek WZNH’, Amsterdam, 1999. WZNH,
                    ‘Basisstramien voor een welstandsnota’, Alkmaar, 2001 (niet gepubliceerd). WZNH,
                    ‘De Nieuwe Agenda’, Alkmaar, derde druk, maart 2007 Colofon Model Reglement van
                    Orde op de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al><al> dr. ir. N. de Vreeze, drs. J. van Campen en H. de Visser Uitgave: Alkmaar,
                    november 2007</al><al> WZNH, adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit</al><al> Emmastraat 111, 1814 DP Alkmaar, tel.: 072 5204459 </al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Toelichting op de Model-bouwverordening</titel></kop><al> 1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al> Asbest</al><al> Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de
                    vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer
                    12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer
                    12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer
                    77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn
                    verwerkt.</al><al> Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 en de daarbij behorende toelichting. Besluit indieningsvereisten</al><al> In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                    inrichting en indiening van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                    (Stb. 2002, 409 en gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen
                    (aanvullende) eisen meer stellen aan een aanvraag om omgevingsvergunning voor
                    het bouwen. In dit besluit is voorts de opsomming van door het bevoegd gezag in
                    het register aan te tekenen gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit
                    besluit. Besluit bouwwerken</al><al> In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                    wetstekst zelf naar dit besluit (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003, 315
                    en Stb. 2004, 291). Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de
                    mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een
                    uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig
                    zijn.</al><al> Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen
                    bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                    licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de
                    Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31). Bouwbesluit</al><al> Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het
                    Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen. Bouwtoezicht</al><al> Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht aan
                    het bevoegd gezag om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van
                    het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Dit
                    sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud) Woningwet bestaande centrale rol
                    van de gemeente bij de vergunningverlening en handhaving ten aanzien van het
                    bouwen en de staat van bestaande bouwwerken en brengt geen verandering in het
                    uitgangspunt dat elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de gemeentelijke
                    organisatie in te richten en eventuele bestanddelen van het takenpakket van het
                    bouwtoezicht uit te besteden. Op grond van het nieuwe artikel 100a Woningwet
                    wijzen het bevoegd gezag degenen aan die belast zijn met het bouw- en
                    woningtoezicht. Gebruiksoppervlakte</al><al> Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar
                    NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële
                    regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992).</al><al> De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking,
                    hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Model-bouwverordening.</al><al> Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                    Bouwbesluitte stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen moet daarom bij de aanvraag opgave doen van
                    de gebruiksoppervlakten. </al><al> Bouwwerk en gebouw</al><al> De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                    jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV
                    gehandhaafd.</al><al> De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al> Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                    ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van de
                    Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de
                    Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft. Bij de
                    interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet rekening
                    worden gehouden met de driedeling omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig,
                    meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel 43
                    van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken
                    als meldingplichtig zijn benoemd, zijn omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtig. Deskundig bedrijf</al><al> ‘Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
                    En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in
                    artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.’</al><al> Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Wat is
                    omgevingsvergunning voor het bouwenvrij bouwen?</al><al> Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid,
                    van de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging
                    is opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige
                    bouwwerken is komen te vervallen.</al><al> De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel
                    43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht
                    van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de
                    met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken.
                    Wat is licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwen?</al><al> De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder
                    de meldingsplicht vielen zijn grotendeels omgevingsvergunning voor het
                    bouwenvrij geworden. Bovendien is een groot deel van de kleine
                    vergunningplichtige bouwwerken komen te vallen onder de categorie
                    licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken. Bouwplannen
                    waarvoor de lichte omgevingsvergunning voor het bouwenplicht geldt, moeten van
                    gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de
                    welstandsregels en de eisen inzake de constructieve veiligheid van het
                    Bouwbesluit, alsmede voorzover van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften
                    van de bouwverordening.</al><al> Wat betreft voorbeelden van de categorie omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerken, kan de nota van toelichting bij het Besluit
                    bouwwerken voor zichzelf spreken.' Artikel 1.2 Termijnen</al><al> Artikel 145 Gemeentewetbepaalt dat op termijnen, gesteld in een gemeentelijke
                    verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is bepaald.
                    Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de Algemene
                    termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening. Artikel 1.3
                    Indeling van het gebied van de gemeente</al><al> Algemeen</al><al> Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht,
                    die - na een intussen verstreken overgangsperiode - voor het gebied buiten de
                    bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of meer
                    bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het gebied
                    binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele aanvulling op de
                    voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied.</al><al> Binnen de toenmalige bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of
                    vanwege de aanwezigheid van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of
                    dorpsgezicht eveneens bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening ook binnen de
                    desbetreffende delen van de bebouwde kom slechts dienen ter eventuele aanvulling
                    op de voorschriften van dergelijke bestemmingsplannen.</al><al> Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de
                    gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol
                    onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften voor de
                    toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het is praktisch
                    om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de bouwverordening
                    behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip 'bebouwde kom', zoals dat
                    voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, lijkt niet
                    gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden
                    afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens worden
                    gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden die
                    zijn vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al> In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan
                    continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften
                    voor de ligging van de rooilijnen en die voor de maximumbouwhoogten. Daarom zijn
                    in veel gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het
                    buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de
                    bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip 'bebouwde kom'
                    in de zin van de bouwverordening meestal verschilt van het begrip 'bebouwde kom'
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het
                    Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is gewijzigd. Bij
                    de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens belangrijker
                    geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan zonder
                    uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van een
                    volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de werkingssfeer van
                    het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien verdwenen bij de komst
                    van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name ten aanzien van bestaande
                    bestemmingsplannen die in het verleden onbewust onvolledig blijken te zijn
                    vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening vanaf 2003 nog belangrijker te zijn geworden, omdat de vroegere
                    meldingsplichtige bouwwerken niet onder de werking van de (stedenbouwkundige
                    voorschriften van de) bouwverordening vielen, maar de huidige
                    licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken wel. Door dit
                    alles kan een duidelijke afbakening van de bebouwde kom in de zin van de
                    bouwverordening in relatie tot eventuele plangrenzen en grenzen van
                    'welstandsvrije' gebieden van groter gewicht blijken dan in vroeger jaren.
                    Alternatief 1</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. Alternatief 2</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. Alternatief 3</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel
                    een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld
                    van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie. Alternatief 4</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook een
                    gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van
                    welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie. </al><al> 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Algemeen</al><al> In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben
                    op de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. In de Woningwet is een
                    nieuw artikel 40a opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van
                    bestuur voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en
                    indiening van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen
                    bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften
                    van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen
                    van de Model-bouwverordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen
                    artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten
                    opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2
                    bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                    het bouwen wordt getoetst c.q. moet voldoen.</al><al> De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                    2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1
                    juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen,
                    door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een
                    integriteitsadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert
                    onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de
                    antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de
                    herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief
                    advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen te weigeren. Bijlage 1 bij het standaard formulier voor het aanvragen
                    van een omgevingsvergunning voor het bouwen bevat een checklist. In deze
                    checklist is vermeld dat het bevoegd gezag de aanvrager informeren of en zo ja,
                    welke gegevens en bescheiden de aanvrager dient in te dienen in verband met de
                    Wet BIBOB.De veegwet zal niet eerder dan 1 januari 2004 van kracht worden.</al><al> Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen met acht
                    weken op. Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van
                    kracht geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd.
                    Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van
                    Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie tot
                    de Woningwet (070-3704600 of www.justitie.nl/bibob).</al><al> De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden
                    (Stb. 1994, 1).</al><al> Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en
                    overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de
                    Awbopgenomen. Hiermee is tevens de Wet arob komen te vervallen.</al><al> Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld
                    door de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen van
                    een gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een algemene
                    maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, van
                    rechtswege op te gelden.</al><al> De gefaseerde behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</al><al> De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene
                    Woningwet zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling is het bevoegd
                    gezag verplicht een aanvraag om een reguliere omgevingsvergunning voor het
                    bouwen desgevraagd gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze
                    om wel of geen gefaseerde vergunningverlening aan te vragen.</al><al> Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten het bevoegd gezag
                    de facultatieve mogelijkheid van fasering van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwenverlening (omgevingsvergunning voor het bouwen op hoofdlijnen), zoals die
                    tot de achtste serie wijzigingen in de Model-bouwverordening was opgenomen. Een
                    belangrijk verschil tussen de gefaseerde omgevingsvergunning voor het bouwen op
                    grond van artikel 56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van
                    fasering van de omgevingsvergunning voor het bouwenverlening op grond van
                    artikel 56 van de Woningwet (omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                    voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de procedure van
                    de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij het bevoegd gezag verplicht is
                    een aanvraag om een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen gefaseerd te
                    behandelen, terwijl in het laatste geval het bevoegd gezag bevoegd zijn te in te
                    stemmen met de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen op
                    hoofdlijnen. Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</al><al> Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden
                    over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats
                    opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze
                    voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.</al><al> Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking. Hoofdlijnen
                    van de jurisprudentie</al><al> Voor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de
                    indieningsvereisten van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                    zoals die tot de achtste serie wijzigingen ook al was opgenomen in de
                    Model-bouwverordening 1992, zie de losbladige uitgave 'Standaardregelingen in de
                    bouw' van de VNG Uitgeverij. Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden Artikel 2.1.1
                    Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te
                    nemen gegevens</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te
                    dienen bescheiden</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking
                    tot het coördineren van vergunningaanvragen</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar
                    bodemverontreiniging</al><al> Inleiding</al><al> De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot
                    doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1
                    bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een
                    uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek
                    wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid
                    met de voorschriften uit de Woningweten het Besluit indieningsvereisten.</al><al> Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003 vervallen.
                    Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over
                    het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening. In
                    verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1 januari
                    2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks artikelen
                    vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit
                    de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd
                    Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling
                    inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en
                    protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede
                    tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5. In een overleg met
                    het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de hele materie van het
                    bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog
                    enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt geacht
                    deze periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens in dit
                    overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de MBV wordt aangevuld met een
                    nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de
                    bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke
                    regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het tevens
                    noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.</al><al> Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG
                    circulaire van 15 juli 2003, nr. MG 2003-18. De hierna vermelde toelichting per
                    artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat
                    vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in
                    combinatie met elkaar te lezen.</al><al> Lid 1</al><al> Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                    onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel
                    historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kunnen het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten
                    ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c
                    richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al> In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek,
                    verkennend onderzoek en nader onderzoek.</al><al> Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij
                    voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, dat en waar een dergelijke beoordeling kan
                    plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een
                    intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau
                    waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al> Lid 2</al><al> Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1
                    januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet
                    voor het bouwen dat, hoewel omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig, naar
                    aard en omvang gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede
                    lid van artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien
                    van het bouwen dat, hoewel regulier-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig,
                    naar aard en omvang gelijk te stellen is aan omgevingsvergunning voor het
                    bouwensvrij c.q. licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwen als
                    genoemd in het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                    het plaatsen van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw.
                    Hoewel in deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden
                    ingediend, kan de aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens
                    wel van toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, namelijk in het geval dat bij het bevoegd
                    gezag uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de
                    Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (zie
                    de toelichting bij genoemd artikel 52a, eerste lid Woningwet).</al><al> De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is
                    vereist geen rol te spelen.</al><al> Lid 3</al><al> Het begrip 'bruikbare onderzoeksresultaten' houdt in dat in ieder geval een
                    onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is.</al><al> Lid 4</al><al> Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. De gemeente
                    kan hiervoor beleid ontwikkelen.</al><al> Lid 5</al><al> De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al> Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.
                    Of zoals de toelichting bij de bijlage van het Besluit indieningsvereisten
                    vermeldt "Dit tijdstip kan in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen worden vastgelegd op basis van het bepaalde in artikel 56 van de
                    Woningwet." Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen
                    omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen woonwagens en
                    standplaatsen</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al> Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                    Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</al><al> De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV
                    opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van
                    uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor het
                    in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was in
                    artikel 2.2.1 MBV opgenomen dat de aanvrager door of namens het bevoegd gezag
                    een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                    vermeld.</al><al> In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds 1 januari 2003 een dergelijke
                    bepaling, die in verband met de fatale beslistermijnen in de omgevingsvergunning
                    voor het bouwenprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007 voorziet het nieuwe
                    artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat het bevoegd gezag de
                    ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen en een ontvangstbevestiging van de
                    bouwaanvraag verzenden. Gelet op de sanctie van de fictieve omgevingsvergunning
                    voor het bouwenverlening die de Woningwet op termijnoverschrijding stelt, is het
                    uitsluiten van onduidelijkheid over beslissingstermijnen nog steeds van belang.
                    De beslistermijn voor de lichte-omgevingsvergunning voor het bouwen en de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen eerste of tweede fase is zes weken en twaalf
                    weken voor een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen. Er zijn echter
                    uitzonderingen. Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het
                    feit dat op een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor tevens
                    een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening nodig is, de termijn van zes weken
                    (lichte-omgevingsvergunning voor het bouwen/omgevingsvergunning voor het bouwen
                    eerste of tweede fase) of twaalf weken (reguliere omgevingsvergunning voor het
                    bouwen) niet van toepassing is; zie artikel 46 en 49 van de Woningwet.</al><al> Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken
                    betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4.5 van de Algemene
                    wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het bepaalde in de
                    artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het verdagen van de
                    beslissing daarop. Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de
                    beslistermijnen van belang. Ter bescherming van de positie van
                    derden-belanghebbenden regelt artikel 41 van de Woningwet de openbare
                    bekendmaking van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Om te
                    vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief verleende
                    omgevingsvergunning voor het bouwen op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken
                    ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen
                    op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn.</al><al> Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van
                    zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter
                    nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen en een besluit tot verdaging van
                    de beslissing over een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel
                    2.2.4 In behandeling nemen en fasering omgevingsvergunning voor het
                    bouwenverlening</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.2.5 In behandeling nemen
                    bodemonderzoek</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. Artikel 2.2.6 Bekendmaking van
                    rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> Artikel 58 van de Woningwet regelt dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een
                    naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief
                    verleende omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al> De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwetgesteld
                    op twee weken. De bouwverordening dient alleen de inhoud van het bericht te
                    regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan plaatselijke
                    omstandigheden en gebruiken. Paragraaf 3 Welstandstoetsing Artikel 2.3.1
                    Welstandscriteria</al><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al> Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond Artikel 2.4.1
                    Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al> Algemeen</al><al> In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.</al><al> In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze
                    voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                    redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet
                    is toegestaan. Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel
                    sluiten nauw aan bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote
                    verschillen ontstaan. De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de
                    categorie waarvoor het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een
                    reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. De bouwwerken waarvoor
                    een zogenoemde lichte omgevingsvergunning voor het bouwen volgens artikel 44,
                    derde juncto eerst lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten deze
                    onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het Besluit
                    indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte
                    omgevingsvergunning voor het bouwen de gegevens en bescheiden bedoeld in de
                    paragrafen 1.1 en 1.4 van hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten
                    worden ingediend. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in
                    paragraaf 1.2.5 onder e van hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit.
                    Derhalve geldt de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport niet
                    voor een aanvraag om een lichte omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                    laatstgenoemde categorie komt niet geheel overeen met de categorie
                    meldingplichtige bouwwerken van voor de wetswijziging van 2003. Indien het
                    bevoegd gezag op andere wijze dan via bedoeld bodemonderzoek ermee bekend is dat
                    de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht
                    bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval van een
                    aanvraag om een lichte omgevingsvergunning voor het bouwen van de aanvrager een
                    bodemonderzoeksrapport verlangen. In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen
                    het onderzoek naar de gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven
                    dat geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij
                    regulier-omgevingsvergunning voor het bouwen-plichtig bouwen dat naar aard en
                    omvang gelijk is aan omgevingsvergunning voor het bouwensvrij of
                    licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwen.Voorts worden hieronder
                    bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven waaronder het
                    bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk ontheffing kunnen verlenen van de plicht
                    tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.</al><al> De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn
                    vanaf 1 januari 2003 niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit
                    indieningsvereisten geregeld. De structuur is als volgt:</al><al> De voorprocedure - voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen - waarbij een gemeentelijke dienst, meestal
                    de milieudienst, een oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het
                    onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen overbodig geworden nu de NEN 5740 deze
                    materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel heeft over de
                    keuze van de onderzoeksopzet staat het hem vrij hierover bij de desbetreffende
                    dienst of afdeling van de gemeente informatie te vragen en een vooroverleg te
                    voeren. In dit vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag of en zo ja
                    voor welke gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar de
                    bodemgesteldheid.</al><al> Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een bouwwerk
                    waarvoor een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    paragraaf 1.2.5 onder e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit
                    indieningsvereisten.</al><al> Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel 2.1.5 uit de
                    resultaten van een recent uitgevoerd verkennend onderzoek volgens NEN 5740,
                    bijlage B, uitgave 1999, inclusief correctieblad C1, uitgave 2000 en NEN 5707,
                    uitgave 2003. Voordat een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd moet een
                    vooronderzoek volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden uitgevoerd ten behoeve van
                    het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van
                    het terrein.</al><al> Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat
                    de locatie onverdacht is, verleent het bevoegd gezag op grond van het derde lid
                    van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e als
                    hiervoor genoemd.</al><al> Duidt het vooronderzoek op de aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan
                    dient daarnaast onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol
                    uit de Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993, ISBN
                    90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht verkregen in de
                    algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de aanwezigheid van puntbron(nen)
                    gebonden verontreiniging(en). Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat
                    sprake is van bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor
                    geldt het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN 90-12-09083)
                    of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1995, ISBN
                    90-12-08232-3).</al><al> Het beoordelingskader waarmee kan worden voorkomen dat de aanwezigheid van
                    asbest in de bodem op een bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is aangevuld
                    met de onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming en analyse van
                    asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform
                    NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd, kan de
                    aanwezigheid van asbest in de bodem worden onderzocht door daaraan een onderzoek
                    volgens NEN 5707 te koppelen. De norm is van toepassing op asbest in bodem en
                    grond met minder dan 20% puin. Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan
                    20% puin is NEN 5897, uitgave 2005 ‘Monsterneming en analyse van asbest in
                    onbewerkt bouw- en sloopafval en puingranulaat’ van toepassing.</al><al> Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd. Dit kan
                    zijn voor de indiening van een verzoek om omgevingsvergunning voor het bouwen of
                    nadat dit verzoek is ingediend.</al><al> De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst wordt aan
                    het verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader van de
                    grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt de gemeente in
                    voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten. Het criterium voor het
                    verlenen van een ontheffing is dus een eerder onderzoek, dat kwalitatief aan het
                    onderzoeksrapport gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd. Is het terrein
                    niet eerder onderzocht, dan vormt het feit dat in de gemeentelijke archieven
                    bruikbare informatie voor een historisch onderzoek te vinden is, uiteraard geen
                    grond voor een ontheffing. Het eerdere onderzoek kan door de gemeente in eigen
                    beheer gebeurd zijn.</al><al> De situatie waarin de gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en
                    verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan de
                    aanvrager of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen o nderzoeksgegevens aan de gemeente hebben
                    overgelegd. Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de gemeente bekende
                    informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de onderzoeksresultaten
                    bedraagt maximaal twee tot vijf jaar, afhankelijk van de aard en mate van de
                    verontreiniging en het bodemgebruik na het uitvoeren van het onderzoek.
                    Overwogen zou kunnen worden om, in verband met de krappe termijnen, deze
                    ontheffingsbevoegdheid van het bevoegd gezag te mandateren.</al><al> De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling van de
                    compleetheid van de stukken in verband met toepassing van artikel 4:5 juncto
                    4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan het lastig en wellicht niet goed
                    realiseerbaar zijn om binnen die termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing
                    te beoordelen en bij een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de
                    mogelijkheid en wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van
                    ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de aanvraag wordt
                    ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid en behoedt de gemeente
                    voor problemen met de fatale termijnen.</al><al> Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen ontheffing blijkt
                    dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                    opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt
                    de aanvrager overeenkomstig artikel 47 van de Woningwet in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al> Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag
                    in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning voor het bouwen bepalen dat de
                    desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met
                    de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een
                    exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus het derde
                    lid van artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.</al><al> De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij de wetswijziging
                    vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de uitgangspunten van de
                    Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. Bouwwerken
                    bestemd voor het verblijf van mensen</al><al> Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al> Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. Bouwwerken die de grond niet raken</al><al> Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al> Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al> De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat het bevoegd gezag het
                    bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van
                    bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat
                    bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al> Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of het bevoegd gezag van de vier grote steden volgens de Wet
                    bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen. Afstemming met Wet bodembescherming</al><al> Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de
                    omgevingsvergunning voor het bouwensprocedure en de saneringsprocedure uit de
                    Wet bodembescherming.</al><al> Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een aanhoudingsverplichting
                    voor aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen indien uit het overgelegde
                    bodemonderzoek blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd
                    dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige
                    verontreiniging.</al><al> Deze aanhoudingsplicht geldt ook als bij het bevoegd gezag uit anderen hoofde
                    een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop gebouwd wordt in ernstige
                    mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan om bouwaanvragen waarbij
                    geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd, bijvoorbeeld omdat het
                    bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van mensen. Deze aanhoudingsplicht
                    duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat het krachtens de Wet
                    bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd. Ook eindigt
                    de aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag heeft vastgesteld dat geen sprake
                    is van een ernstig geval van verontreiniging. Hoe werkt de verbodsbepaling in de
                    praktijk</al><al> Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kunnen weigeren,
                    zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende
                    voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de
                    toelichting onder artikel 2.4.2 van de Model-bouwverordening.</al><al> Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al> Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                    het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                    verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en
                    zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al> In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al> In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><al> de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt
                    aangebracht;</al><al> de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd,
                    alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al><al> de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt
                    aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk
                    in stand wordt gehouden. Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in
                    principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor
                    het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het
                    overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het
                    bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te
                    laten plaatsvinden.</al><al> Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Nadat het
                    op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                    goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52A van de Woningwet is
                    beëindigd, kan de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. </al><al> Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard Algemeen Relatie
                    stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al> Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de Model-bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. Alvorens in een concreet geval tot
                    aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een
                    drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><al> a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat
                    tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend,
                    dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al><al> b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien
                    van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp
                    expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient
                    ten slotte te worden bezien of,</al><al> c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                    voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de
                    bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit
                    het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen. Het is niet
                    mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een bestemmingsplan op
                    te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze laatste zien immers
                    alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV.</al><al> Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                    introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                    minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende beleidsinzichten
                    onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake blijft van continuiteit
                    van de stedenbouwkundige eisen in de (model)bouwverordening sinds 1965.</al><al> De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften zijn
                    geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.
                    Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften zijn:</al><al> De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel 9 van
                    de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van kracht is, moet
                    worden aangenomen, dat de stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht
                    hebben, voor zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn
                    kracht beroofd wordt.Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten
                    opzichte van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking
                    ondergaan. De voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug, als het
                    bestemmingsplan over hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat of
                    als het bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voorschriften van de
                    bouwverordening terugtreden.Uit jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde
                    voorwaarden de conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden
                    toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de
                    bouwverordening opzij kan zetten.</al><al> Indien met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                    geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht geworden bestemmingsplan,
                    waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt van het van kracht zijnde
                    bestemmingsplan, dan kan in het verlengde daarvan het in voorbereiding zijnde
                    bestemmingsplan op de voorgrond treden bij de toepassing van de conflictregel.
                    In deze hoedanigheid kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de
                    bouwverordening terzijde schuiven.Een eerste vereiste hiervoor is dat er sprake
                    is van een ontwerpbestemmingsplan dat reeds een voldoende concreet
                    toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat het
                    onherroepelijk zal worden.Een tweede vereiste is dat met de toepassing van
                    artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op dit plan geanticipeerd
                    wordt. Alvorens de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of het
                    bouwplan past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets moet ook bezien
                    worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de bouwverordening,
                    waarbij de conflictregel wederom aan de orde komt. Als onder deze omstandigheden
                    blijkt dat de bouwverordening voorschriften geeft die niet overeenstemmen met
                    het toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze voorschriften bij de toetsing
                    van het concrete bouwplan buiten toepassing.Voor gebieden waar geen
                    bestemmingsplan geldt en waar dus een anticipatie op voet van artikel 19 van de
                    Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de orde is, biedt artikel 2.5.29 van de
                    MBV de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met
                    overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen
                    met overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het
                    toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit
                    bestemmingsplan het stadium van 'intern praatstuk' is gepasseerd, hetgeen in het
                    betreffende artikel nader is geconcretiseerd.(Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995,
                    blz. 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB
                    1987,135).</al><al> De tweedeling in (licht-)omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig en vrij
                    bouwen. De stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                    omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over
                    het hoofd worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in van
                    rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd omgevingsvergunning voor
                    het bouwenplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn aangepast aan
                    artikel 43 van de Woningwet en het Besluit bouwwerken</al><al> Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de MBV
                    parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van parkeerartikelen is mede
                    noodzakelijk omdat het Bouwbesluit vooralsnog geen regeling ter zake zal
                    bevatten. Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige bepalingen</al><al> Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29 is
                    ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden beïnvloed
                    worden. Tot en met de achtste serie wijzigingen MBV gaf artikel 2.5.1 een
                    begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een
                    onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te gaan. Deze
                    bepaling hield in dat</al><al> a. Een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht krijgen
                    dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet meer voldoende licht
                    en lucht zou kunnen toetreden, dan wel dat de goede werking van schoorstenen en
                    ventilatiekanalen zou worden belemmerd.</al><al> b. Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                    moest worden aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn
                    bebouwd tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder vrijstelling of
                    ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening of enige
                    andere verordening.</al><al> c. Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima door een
                    bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b moest worden uitgegaan
                    van de werkelijke afmetingen van dat bouwwerk. Dit hoefde er evenwel niet altijd
                    toe te leiden dat nieuwbouw die de hier bedoelde hinder voor een naburig
                    bestaand gebouw zou veroorzaken, niet gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever
                    van de nieuwbouw kan immers met de eigenaar van het bestaande gebouw
                    overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde de nodige veranderingen aan het
                    bestaande pand worden aangebracht (bijvoorbeeld grotere of andere ramen,
                    mechanische gasafvoer e.d.).</al><al> Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur heeft
                    de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de bevoegdheid om op grond van
                    artikel 148 Gemeentewet bij verordening beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te
                    stellen, waarmee andere bestuursorganen van de gemeente (i.c. HET BEVOEGD GEZAG)
                    rekening dienen te houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet
                    verleende bevoegdheden. Het belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in
                    de artikelenreeks 2.5.2 tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002
                    onverkort aanwezig. Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor
                    bestuursorganen om voor eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen.</al><al> De inhoud van het vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij
                    besluit van het bevoegd gezag opnieuw worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een
                    andere oplossing zou kunnen zijn dat de gemeenteraad bijvoorbeeld in een
                    beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen het het bevoegd gezag zijn
                    bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo'n beïnvloeding van het collegebeleid kan
                    echter alleen in politieke zin gehandhaafd worden! Artikel 2.5.2
                    Anti-cumulatiebepaling</al><al> Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel
                    in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist,
                    dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben. Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van
                    gebouwen voor wegverkeer</al><al> Lid 1</al><al> Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf
                    van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet
                    alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen
                    gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.</al><al> Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt
                    bepaald, dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan -
                    ingevolge het Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust - een brievenbus aan het
                    tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn.
                    buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding
                    eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de blusslangen te groot
                    wordt.</al><al> Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin
                    van het eerste lid, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                    geweigerd. Eventueel kan de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend
                    met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de
                    totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd.
                    Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de
                    verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</al><al> Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen
                    van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                    toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen
                    is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q.
                    uitwegen op openbare wegen.</al><al> Lid 2</al><al> Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                    achtste serie wijzigingen van de Model-bouwverordening 1992 (d.d. najaar 2002)
                    is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet meer
                    toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                    Boxmeer).</al><al> De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik
                    door gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's
                    e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het
                    draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets
                    dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare
                    vrachtauto's.</al><al> Lid 4</al><al> Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk.</al><al> Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                    plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</al><al> Lid 5</al><al> Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:</al><al> a. aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al><al> b. aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;</al><al> c. speciaal gegraven blusvijver;</al><al> d. ander oppervlaktewater;</al><al> e. waterput of bron.</al><al> Lid 6</al><al> De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard,
                    ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats
                    voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die
                    aan het water liggen en over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor
                    materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten e.d. </al><al> Artikel 2.5.3A Brandweeringang</al><al> Om een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet de
                    brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is vooral van
                    belang als het gebouw is voorzien van een brandbeveiligingsinstallatie die is
                    voorzien van automatische doormelding naar de alarmcentrale van de regionale
                    brandweer.</al><al> Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de brandweer
                    de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire toegankelijkheid van
                    het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan beschikken over sleutels
                    van ruimten in het gebouw die normaal zijn afgesloten.</al><al> De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.
                    Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl. Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    gehandicapten</al><al> Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit
                    die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet
                    gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de
                    eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken. Artikel
                    2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al> Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al> - b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                    aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al> - bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van
                    de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al><al> - bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                    bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al><al> - bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de
                    as van de weg. Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</al><al> Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Het
                    onderhavige verbod geldt niet voor omgevingsvergunning voor het bouwenvrije
                    bouwwerken. Het geldt dus wel voor licht-omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerken, althans voorzover in het Besluit bouwwerken niet
                    anders is bepaald, en voor omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige
                    bouwwerken.</al><al> Indien een omgevingsvergunning voor het bouwenvrij bouwwerk wordt gebouwd in,
                    op, aan of bij een monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een
                    monument, als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening,
                    dan wel in een beschermd stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet
                    1988, dan is een dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering
                    licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig op grond van de artikelen 4, 5
                    en 6 van het Besluit bouwwerken.</al><al> Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g. Artikel 2.5.7 Toegelaten
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al> Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. Door de
                    verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate
                    samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) licht-, dan wel regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze
                    'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden
                    geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou
                    zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat
                    daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26
                    734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al> Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om omgevingsvergunning
                    voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van
                    belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                    bouwwerken kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het
                    aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn
                    van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk,
                    waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen,
                    blijft dus omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig.</al><al> Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van
                    niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                    Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd:</al><al> 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al> 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen het bevoegd gezag dus
                    in het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'. Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    voorgevelrooilijn</al><al> Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een bestemmingsplan
                    in voorbereiding is.</al><al> Artikel 2.5.8 is afgestemd op de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken.
                    De vermelding de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.8 is
                    vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in de artikelen 2 en 3 van
                    het Besluit bouwwerken, uit te sluiten.</al><al> Lid 1, ad b</al><al> Deze bepaling maakt het mogelijk om ontheffing te verlenen voor op het eigen
                    voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d. Artikel 2.5.9 Bouwen op de
                    weg</al><al> Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten.</al><al> Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8. Artikel 2.5.10
                    Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining
                    van straathoeken</al><al> Lid 4, onder a</al><al> Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar behorende
                    gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al> Lid 4, onder f</al><al> Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al> Lid 4, onder g</al><al> Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een
                    ruim voorterrein vragen. Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><al> Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al> Lid 1, onder a</al><al> Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt. </al><al> Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</al><al> Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al> Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al> Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter omgevingsvergunning voor het
                    bouwenvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken.
                    Zie tevens artikel 2.5.14, lid l. Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van
                    de achtergevelrooilijn</al><al> Artikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken.</al><al> De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als omgevingsvergunning voor het
                    bouwenvrij met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen,
                    is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
                    hierop van toepassing te laten zijn. Twee punten zijn van belang:</al><al> De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3, eerste lid,
                    onder k, van het Besluit bouwwerken kent, betreft een uitbreiding van de
                    bebouwde oppervlakte. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende
                    aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van de bebouwde
                    oppervlakte.</al><al> Wat betreft de aan- en uitbouwen die omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtig zijn, is het wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende
                    werking heeft. In dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening geen betekenis. Voorzover het bestemmingsplan de aan- en
                    uitbouwen verbiedt, is vrijstelling mogelijk op grond van artikel 19, derde lid,
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al><al> Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld in
                    artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig kunnen
                    in het algemeen worden beschouwd:</al><al> 1. uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil mits
                    zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitspringende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al> 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten en kleine
                    afdaken.</al><al> Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7. Artikel
                    2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</al><al> Naast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                    artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding van
                    nieuw ruimtelijk beleid.</al><al> Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De vermelding hiervan is
                    vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken die omgevingsvergunning voor het bouwenvrij zijn, uit te
                    sluiten. Zie de term 'omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken,
                    geen gebouw zijnde' onder h.</al><al> Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel dienen
                    de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in acht te
                    worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan
                    te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al> Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de MBV
                    1965.</al><al> Ad a en g</al><al> Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing.
                    Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al> Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al> Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                    voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek,
                    want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                    voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk
                    ramen mogen worden aangebracht.</al><al> Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al> Lid 3 b, onder 1</al><al> Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al> Lid 3 b, onder 2</al><al> Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de
                    voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><al> Lid 3 b, onder 3</al><al> Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer. Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al> Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al> Lid 2, onder a en b</al><al> Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden
                    met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bij het hanteren van
                    de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen,
                    waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen
                    en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen
                    voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing
                    minder ver mogen gaan dan in het andere geval. Artikel 2.5.17 Ruimte tussen
                    bouwwerken</al><al> Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                    ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                    aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden
                    nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte
                    van meer dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend,
                    indien de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door een opening in de
                    zijgevel van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij het verlenen van een
                    ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet moeten worden
                    op het bepaalde in artikel 2.5.1. Artikel 2.5.18 Erf- en
                    terreinafscheidingen</al><al> Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een omgevingsvergunning voor het bouwenvrij bouwwerk op grond van
                    artikel 2, onder e, van het Besluit omgevingsvergunning voor het bouwenvrije en
                    licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken, althans indien de
                    daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht
                    worden genomen.</al><al> Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de omgevingsvergunning
                    voor het bouwenplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de
                    voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de
                    bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van
                    laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen van bijvoorbeeld een
                    gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf, behorend
                    bij een gebouw, is.</al><al> Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen. Artikel 2.5.19 Bouwen nabij
                    bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</al><al> Het eerste lid strekt tot bescherming van het omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan.
                    Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                    hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas,
                    olie, chemische producten e.d.</al><al> Het gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                    hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor
                    het bouwen aanwezig zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een
                    bestemmingsplan, zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet
                    uitsluiten of een andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van de
                    Woningwet 1991.</al><al> Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre
                    het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. De aan een
                    ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht zowel op
                    de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van
                    storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw
                    en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al> Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse Gasunie zal
                    de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk overleg verlangen,
                    indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt gebouwd. Voor
                    hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen praktische betekenis
                    hebben, indien op het betrokken perceel een recht van opstal is gevestigd, als
                    bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat
                    geval heeft het recht van opstal niet alleen betrekking op omgevingsvergunning
                    voor het bouwenplichtige bouwwerken, maar ook op omgevingsvergunning voor het
                    bouwenvrije. Meestal betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x 30 meter,
                    waarin echter onder voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde bouwwerken,
                    machines e.d. is toegestaan. Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                    voorgevelrooilijn</al><al> Alternatief 1</al><al> Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                    voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden
                    tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken is
                    bedoeld.</al><al> Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al> Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al> Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al> Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al> Alternatief 2</al><al> Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                    voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden
                    tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken is
                    bedoeld.</al><al> Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al> Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al> Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is - in afwijking van de Model-bouwverordening
                    1965 - in een verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij
                    voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebieden
                    (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie
                    figuur 14. Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al> Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 2</al><al> De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al> De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van
                    de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al> Lid 4</al><al> Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                    anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het
                    verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 2</al><al> De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al> De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van
                    de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al> Lid 4</al><al> Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                    anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het
                    verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen. Artikel 2.5.22 Toegelaten
                    hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn</al><al> De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die van
                    het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is onveranderd
                    gebleven. Zie figuur 19.</al><al> Lid 2</al><al> Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel. Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevelrooilijnen</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 2</al><al> De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 2</al><al> De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22. Artikel 2.5.24
                    Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al> Alternatief 1</al><al> De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al> Alternatief 2</al><al> De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60
                    graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                    genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al> Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                    maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al> Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter omgevingsvergunning voor het
                    bouwenvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering wel omgevingsvergunning voor
                    het bouwenplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit
                    bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l. Artikel 2.5.25 Hoogte van
                    bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</al><al> Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al> Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot. Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al> Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'. Artikel 2.5.27 Toegelaten
                    afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al> Ad a</al><al> Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                    zijn.</al><al> Ad b</al><al> Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het behoudens vrijstelling ingevolge
                    artikel 2.5.28, onder e. Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    toegelaten bouwhoogte</al><al> Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.28 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten.</al><al> Bij het verlenen van ontheffingen dient bijzondere aandacht te worden besteed
                    aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. Ook kunnen
                    welstandsoverwegingen worden betrokken bij het beoordelen van verzoeken om
                    ontheffing.</al><al> Ad e, onder 1</al><al> Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft, dat
                    aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                    hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan een gaaf
                    straatbeeld worden verkregen. </al><al> Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                    beleid</al><al> Artikel 2.5.29 MBV is, in zijn relatie met de overige stedenbouwkundige
                    ontheffingen uit de MBV, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de
                    buitenplanse vrijstellingsregelingen van artikel 17 en 19 WRO en anderzijds de
                    binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het bestemmingsplan zelf) vrijstellingen ex
                    artikel 15 WRO. Deze analogie doordenkend is paragraaf 2.5 MBV te beschouwen als
                    een deel van een pseudo-bestemmingsplan en zijn de artikelen 2.5.8, -14 en -28
                    te beschouwen als drie 'binnenplanse' ontheffingen. Artikel 2.5.29 is dan te
                    beschouwen als de 'buitenplanse' ontheffing. Zie ook algemene toelichting bij
                    paragraaf 2.5.</al><al> Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb per 1 juli 2005 is het niet
                    meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de terinzagelegging en het
                    naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekende de
                    invoering van een (deels) zelfstandige projectenprocedure (artikel 19, lid 1
                    WRO), de aangewezen projectenprocedure (artikel 19, lid 2 WRO) en de algemene
                    vrijstellingsregeling (artikel 19, lid 3 WRO juncto artikel 20 Bro). De laatste
                    twee vrijstellingsregelingen kennen in beginsel geen preventief provinciaal
                    toezicht meer (verklaring van geen bezwaar).</al><al> Deze relatie tussen 2.5.29 MBV en de nieuwe formulering (3/4/2000) van artikel
                    17 en 19 WRO leidt tot een nieuwe opzet van artikel 2.5.29 MBV.</al><al> De regeling in de artikelen 17, 18, 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening in combinatie met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening
                    hebben model gestaan voor de aanpassing van dit artikel.</al><al> Geconcludeerd werd dat de reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote
                    overeenstemming vertoont met artikel 20 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan
                    welke initiatieven (bouwen en gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan met
                    een eenvoudige vrijstelling van het bevoegd gezag afgedaan kunnen worden. Dit
                    betreft met name in de bebouwde kom substantiële vergrotingen van de algemeen
                    toegestane bouwvolumina, verdergaand dan waarvoor op grond van onder meer de
                    artikelen 2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV ontheffing kan worden verleend (het gaat
                    meestal niet om uitbreidingen van bestaande gebouwen, maar om nieuwe gebouwen
                    die niet tussen de rooilijnen of onder de maximumbouwhoogte passen).</al><al> Artikel 2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren in
                    afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV.</al><al> Provinciaal toezicht is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft immers
                    in vele gevallen de bebouwde kom of het aanvullen van door Gedeputeerde Staten
                    goedgekeurde bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen verplichte relatie
                    wordt gelegd met het zogenaamde artikel 10 Bro-overleg.</al><al> Gegeven deze gelijkenis ligt het voor de hand de ontheffing van artikel 2.5.29
                    MBV een nagenoeg gelijke procedure toe te kennen als in artikel 19, lid 3 WRO en
                    in artikel 18 WRO.</al><al> Lid 1</al><al> De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de achtste serie wijzigingen
                    (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels gelijkluidend aan de desbetreffende tekst
                    die van 1983 tot 2001 vigeerde.</al><al> De woorden 'voor het bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt'
                    zijn vervallen, omdat niet slechts in het geval dat er geen bestemmingsplan
                    geldt gebruik gemaakt kan worden van artikel 2.5.29 MBV, doch ook indien er een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken is; zie ook de
                    Algemene toelichting bij paragraaf 5 van de MBV onder 'Relatie stedenbouwkundige
                    bepalingen en het bestemmingsplan'.</al><al> Lid 2</al><al> De in lid 1, sub a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1 januari
                    2003) genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en ontwerpbestemmingsplan
                    zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij ruimtelijke vrijstellingen de
                    rechtstreekse relatie met een nieuw bestemmingsplan is komen te vervallen. Het
                    gaat nu over het ruimere begrip en toetsingskader 'kenbaar planologisch (nieuw)
                    beleid'.</al><al> Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel 20
                    Bro.</al><al> Het gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in
                    wettekst tot uitdrukking.</al><al> Sub c: Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al> Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst. 6740,
                    BR 1982, p. 887; ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26 januari
                    1984, Gst. 6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2 augustus
                    1985, BR 1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat een in de
                    bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling 'een objectief bepaald, althans
                    bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene waartoe de ontheffing
                    kan strekken.</al><al> Dit betekent dat de mogelijkheid tot verlening van ontheffing in relatie moet
                    zijn gebracht met een redelijke verwachting dat het bouwplan in overeenstemming
                    zal zijn met 'een voldoende omlijnd, voor alle belanghebbenden kenbaar,
                    toekomstig planologisch kader.'</al><al> De ARRS heeft de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo'n
                    'pseudo-anticipatieregeling' in de bouwverordening niet als onverbindend
                    aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen slechts als eisen
                    waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een
                    verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB 1986,
                    501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996.</al><al> De afdeling is er in ieder geval steeds van uitgegaan dat het materiële
                    toetsingskader vergelijkbaar moet zijn met het toetsingskader dat wordt
                    gehanteerd bij toepassing van artikel 19 WRO. Voor het nieuwe artikel 19 WRO
                    moet men bedenken dat de toepassing ervan zonder voorbereidingsbesluit slechts
                    mogelijk is indien er een geldend bestemmingsplan is dat jonger is dan tien jaar
                    en er bovendien een goede ruimtelijke onderbouwing is gegeven.</al><al> In eerste instantie moet natuurlijk gedacht worden aan een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan een basis vormen.</al><al> Ook is ander 'vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid', evenals bij de
                    toepassing van artikel 19 WRO, zonder meer mogelijk om de ontheffing op de
                    baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota,
                    beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een
                    sectorale nota.</al><al> Nadrukkelijk wordt echter ook ander nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron
                    genoemd. Immers enkel 'vastgesteld en bekendgemaakt beleid' zal verstarrend
                    werken want het kan lang duren voordat zo'n beleid een feit is. Zo kan
                    overeenstemming met een voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale
                    Planologische Commissie heeft ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit
                    laatste spoort immers met de jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud) en ook met
                    de eerste uitspraken van lagere rechters inzake het nieuwe artikel 19 WRO
                    (2000).</al><al> Motivering</al><al> De eis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' geldt voor de vrijstelling van
                    het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van het
                    derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt voor een
                    dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis van een
                    goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige
                    geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch
                    beleid.</al><al> In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom expliciet de eis opgenomen
                    dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt verleend 'in overeenstemming is met
                    in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. Er is dus, gezien ook de tekst van
                    artikel 19, lid 3 WRO en artikel 17 WRO, niet gekozen om een 'goede ruimtelijke
                    onderbouwing' te eisen voor de artikel 2.5.29 MBV-ontheffing.</al><al> Wel geldt natuurlijk het algemene motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en
                    de relevante jurisprudentie daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over
                    artikel 2.5.29.'</al><al> Milieuzonering</al><al> Ook bij deze ontheffing moeten het bevoegd gezag rekening houden met alle
                    belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De relevante
                    afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene VNG-publicatie
                    'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al> Lid 3</al><al> Bekendmaking/openbare kennisgeving</al><al> Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                    het bouwen binnen twee weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het
                    desbetreffende bouwplan kan worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de
                    eisen van de MBV.</al><al> Afdeling 3.4 Awb</al><al> Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige
                    toepassing is verklaard in de MBV. Er geldt derhalve geen wettelijke
                    verplichting om de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen bij de ontheffing ex
                    artikel 2.5.29 MBV.</al><al> Titel 4.1 Awb</al><al> Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                    specialis) hier niet van afwijkt.</al><al> Horen</al><al> Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om omgevingsvergunning voor het
                    bouwen gehoord moet worden (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van het bevoegd
                    gezag om de aanvraag te weigeren aangezien het altijd een beschikking op
                    aanvraag betreft.</al><al> Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen een weigeringsgrond bestaat,
                    hoeft de belanghebbende niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel
                    van een ontheffing toch wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen
                    van een of meer buren voor de beslissing relevant worden. In dat laatste geval
                    zullen zij gehoord moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254).</al><al> Inspraak</al><al> Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19, lid
                    3 WRO.</al><al> Zienswijzen en fatale termijnen</al><al> Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb zijn
                    al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks is het
                    inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in het systeem
                    van fatale termijnen van de Woningwet. Deze ontheffingsprocedure moet immers
                    worden doorlopen binnen de desbetreffende fatale termijnen van de Woningwet.
                    Zolang echter de aanvraag om een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen
                    kan worden verdaagd, lijkt het mogelijk om beide procedures, inclusief het
                    afwikkelen van de ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er sprake hoeft
                    te zijn van fictieve omgevingsvergunning voor het bouwenen. Op grond van
                    jurisprudentie (VzARRvS, 25 november 1993 (Delft), BR 1994, p. 497) geldt echter
                    nog steeds dat een fictieve omgevingsvergunning voor het bouwen voor
                    onrechtmatig moet worden gehouden als er geen vrijstelling van de
                    bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet niet voorziet in de mogelijkheid
                    dat een op grond van de bouwverordening vereiste vrijstelling van rechtswege
                    wordt verleend.</al><al> Relatie met de lichte omgevingsvergunning voor het bouwenprocedure</al><al> De lichte omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden verleend binnen zes
                    weken na de aanvraag. Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden
                    dat het bij licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken om
                    geringe afwijkingen moet gaan van de rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en
                    zij daarom kunnen worden afgedaan met behulp van een ontheffing als bedoeld in
                    de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28. Deze kennen geen voorbereidingsprocedure
                    zodat er geen knelpunten zijn met de termijn van zes weken.</al><al> Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is het
                    niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging
                    en het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent
                    dat het wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een lichte-omgevingsvergunning
                    voor het bouwenprocedure te doorlopen in combinatie met een procedure op grond
                    van artikel 2.5.29 MBV. Indien een procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV
                    wordt doorlopen in combinatie met een aanvraag om een omgevingsvergunning voor
                    het bouwen eerste fase is het van belang dat in een vroegtijdig stadium wordt
                    onderkend dat als gevolg van de nieuwe wettelijke termijn voor het indienen van
                    zienswijzen een beslissing op de bouwaanvraag binnen de wettelijke beslistermijn
                    niet mogelijk is. In een dergelijke situatie zal het bevoegd gezag tijdig een
                    verdagingsbesluit moeten nemen om te voorkomen dat er een fictieve
                    omgevingsvergunning voor het bouwen eerste fase ontstaat.</al><al> Monumenten en stads- en dorpsgezichten</al><al> Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de
                    MBV analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere categorie
                    aangemerkt.</al><al> Relatie met de gefaseerde omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> De gefaseerde omgevingsvergunning voor het bouwenprocedure mag worden verdaagd.
                    Beide procedures, de omgevingsvergunning voor het bouwenprocedure en de
                    ontheffingsprocedure, kunnen binnen de termijnen worden doorlopen, mits, bij
                    ingekomen zienswijzen, gebruik wordt gemaakt van de verdagingsmogelijkheid.</al><al> Rechtsbescherming</al><al> Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                    rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende omgevingsvergunning
                    voor het bouwen. De beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in
                    op. </al><al> Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</al><al> Algemeen</al><al> Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het A,
                    B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig losgelaten. De
                    Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet, decentraal wat
                    kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk voor een voldoende
                    en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties voor bedrijven en
                    voorzieningen en volgen hierbij de principes van het integrale locatiebeleid
                    zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is daarmee (nog meer dan in
                    het verleden) een zaak van de decentrale overheden.</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 1</al><al> Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde
                    kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s).</al><al> Voorschriften over de aanwezigheid en de minimumgrootte van de
                    fietsenstallingen die bij de nieuwbouw of verbouwing van utilitaire gebouwen
                    moeten worden aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel 4.62 van het
                    Bouwbesluit 2003 daarin voorziet.</al><al> Lid 2</al><al> Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder
                    wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige
                    verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de
                    gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan
                    tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op
                    ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</al><al> Lid 3</al><al> Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan
                    te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein
                    van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de
                    toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit geval per
                    omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt weer af van
                    onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                    verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                    aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop
                    de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                    parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                    vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en
                    vervoerplan.</al><al> Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al> Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al> Lid 4</al><al> Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                    leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                    parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers
                    gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                    vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking
                    getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'.
                    Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                    bestemmingsplan en/of bouwverordening.</al><al> Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken
                    is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                    parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al> Lid 5</al><al> De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al> Lid 6</al><al> Ad a</al><al> De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste en in het tweede lid om
                    een beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken
                    is onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke
                    of openbare parkeergarage aanwezig is. De mogelijkheid tot ontheffing van de eis
                    in het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein
                    (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunning
                    voor het bouwenplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen beide genoemde ontheffingen worden verleend onder financiële
                    voorwaarden.</al><al> Ad b</al><al> De ontheffingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt
                    b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van
                    raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Deze ontheffingsmogelijkheid behoeft
                    niet te worden gebruikt, indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is
                    op de openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend
                    openbare parkeergarage. De onderhavige ontheffingsmogelijkheid is opgenomen,
                    omdat cijfers in de tabel uit de toelichting op lid 1 niet zijn afgestemd op de
                    enigszins uitzonderlijke categorie bouwwerken waarom het hier gaat.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 1</al><al> Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al> Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al> Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al> Lid 2</al><al> Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening.</al><al> Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken
                    is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                    parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al> Lid 3</al><al> De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al> Lid 4, ad a</al><al> De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige
                    verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde
                    ontheffing worden verleend onder financiële voorwaarden. Paragraaf 6
                    Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
                    Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al> Opbouw van de voorschriften</al><al> Vanaf het Bouwbesluit 1992 wordt het stellen van voorschriften inzake
                    brandveiligheidsinstallaties overgelaten aan de gemeentelijke wetgever.
                    Dergelijke voorschriften zijn dan ook sinds 1992 in paragraaf 6 van hoofdstuk 2
                    van de Model-bouwverordening opgenomen en sinds het Bouwbesluit 2003 kennen de
                    desbetreffende voorschriften een vergelijkbare opbouw als het Bouwbesluit. Dit
                    betekent dat er evenals in het Bouwbesluit functionele eisen, prestatie-eisen en
                    waar nodig aanwezigheidseisen worden gesteld.</al><al> In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit lezen we:</al><al> Het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling (beoordelingsaspect)
                    geeft het kader aan voor de andere voorschriften van deze paragraaf. Het eerste
                    lid bevat een functionele eis. In het tweede lid staat dat aan het eerste lid
                    (de functionele eis) is voldaan indien er aan de (prestatie)eisen wordt voldaan
                    die voor de betrokken gebruiksfuncties zijn aangewezen in de
                    aansturingstabellen. In enkele gevallen is er een derde lid waarin bepaald is
                    dat de functionele eis niet geldt voor die gebruiksfuncties waarvoor in de tabel
                    geen voorschrift is aangewezen. Ingeval het eerste artikel geen derde lid heeft,
                    geldt de functionele eis uit het eerste lid dus wel voor die gebruiksfuncties
                    waarvoor geen voorschriften in de tabel zijn aangewezen. In dit laatste geval
                    geldt dat ten genoegen van het bevoegd gezag moet worden aangetoond, dat voldaan
                    is aan de functionele eis.</al><al> Meer toelichting staat in de paragrafen 2.4 tot en met 2.6 van de Nota van
                    Toelichting bij het Bouwbesluit.</al><al> Meerdere functies is een gebouw</al><al> Indien een gebouw meerdere functies bevat is voor de beoordeling van de
                    grenswaarden van belang of de functies zowel functioneel als technisch volledig
                    gescheiden zijn dan wel met gemeenschappelijke voorzieningen invloed op elkaar
                    uitoefenen. In het laatste geval moet het totale gebouw (alle functies te zamen)
                    worden beschouwd om te bepalen of een grenswaarde wordt overschreden. Indien in
                    een functie een brandmeldinstallatie is vereist, dient in de andere functie die
                    invloed kan uitoefenen, een beveiliging van hetzelfde niveau aanwezig te zijn.
                    Is echter voor de ene functie volledige bewaking vereist, kan in de andere
                    functie, die invloed kan uitoefenen, volstaan worden met gedeeltelijke bewaking
                    als in die functie geen eis tot een brandmeldinstallatie geldt. Indien functies
                    geheel met elkaar zijn verweven geldt het beveiligingsniveau voor het gehele
                    gebouw.</al><al> Ontheffing</al><al> Het Bouwbesluit bevat in artikel 1.11 een algemene bevoegdheid voor het bevoegd
                    gezag om bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het
                    vergroten van een bouwwerk ontheffing te verlenen van een bij of krachtens het
                    Bouwbesluit vastgesteld voorschrift. Bij verschillende voorschriften is in het
                    Bouwbesluit expliciet vermeld dat de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing
                    tot een bepaalde grens is beperkt, of dat van het desbetreffende voorschrift in
                    het geheel geen ontheffing mag worden verleend. Het bevoegd gezag zijn bevoegd
                    zijn om van een voorschrift van de bouwverordening ontheffing te verlenen,
                    indien dat expliciet bij dat voorschrift is vermeld. In de onderhavige paragraaf
                    is het bevoegd gezag daartoe bevoegd op grond van artikel 2.6.1, derde lid
                    (brandmeldinstallaties) en artikel 2.6.5, derde lid
                    (ontruimingsalarminstallaties). Zie verder de toelichting op laatstgenoemd
                    voorschrift.</al><al> Aanroepen en doormelden</al><al> Een brandmeldinstallatie kan onder andere benodigd zijn als door de grootte of
                    complexiteit van het bouwwerk, of de zelfredzaamheid van de gebruikers, de
                    aanwezige personen niet door aanroepen tijdig op de hoogte kunnen worden gesteld
                    van een brand in het bouwwerk. Zonder brandmeldinstallatie zouden zij te laat
                    geïnformeerd worden en niet snel genoeg een aanvang kunnen maken met de
                    ontvluchting van het bouwwerk. Een belangrijke doelstelling van een
                    brandmeldinstallatie is dan ook de aansturing van de ontruimingsalarminstallatie
                    die zorg draagt voor een ontruimingssignaal. De grenswaarden in bijlage 10 geven
                    onder andere aan wanneer geacht is dat het bouwwerk een zodanig omvang heeft dat
                    door middel van aanroepen de aanwezige personen niet tijdig gewaarschuwd kunnen
                    worden en er een brandmeldinstallatie noodzakelijk is.</al><al> Daarnaast kan de brandmeldinstallatie automatisch een brandmelding doorgeven
                    naar een externe alarmcentrale die voor alarmopvolging kan zorgdragen.
                    Brandmeldinstallaties die volgens artikel 2.6.3 lid 2 verplicht zijn door te
                    melden, doen dat naar de Regionale Alarm Centrale (RAC) van de Brandweer. Door
                    een dergelijke automatische alarmering wordt de brandweer sneller gealarmeerd
                    waardoor zij ook sneller ter plaatse kan zijn. Hierdoor wordt de brandweer in
                    staat gesteld om vroegtijdig repressief op te treden en eventueel te assisteren
                    bij de ontruiming van het bouwwerk. De noodzaak van die snelle alarmering is
                    afhankelijk van de grootte of complexiteit van het bouwwerk en de mate waarin de
                    aanwezigen op eigen gelegenheid in staat zijn het bouwwerk te verlaten. Artikel
                    2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al> Lid 1</al><al> Onder het in lid 1, onder a, genoemde meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit
                    wordt verstaan de hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van
                    de toegang van een gebouw of bouwwerk.</al><al> Onder de in lid 1, onder c, genoemde verblijfsruimten voor bezoekers worden
                    verstaan zalen e.d. in een bijeenkomstfunctie (In de verordeningtekst wordt
                    zoveel mogelijk aangesloten op het woordgebruik van het Bouwbesluit.).</al><al> Het in lid 1d genoemde aantal bouwlagen is bepalend voor de noodzaak van een
                    brandmeldinstallatie. Deze installatie, waarvan de omvang in artikel 2.6.3, lid
                    1a wordt aangegeven, is met name noodzakelijk om een ontruimingsalarminstallatie
                    in werking te stellen, in overeenstemming met het gestelde in artikel 2.6.6 lid
                    1. Gezien het gegeven van meerdere bouwlagen wordt geacht dat het
                    ontruimingsgebied niet door middel van het aanroepen van personen gewaarschuwd
                    kan worden.</al><al> In artikel 2.6.2, eerste lid, worden vier criteria genoemd voor de aanwezigheid
                    van een brandmeldinstallatie, namelijk de hoogte van de vloer van een
                    verblijfsruimte ten opzichte van het meetniveau, de totale gebruiksoppervlakte
                    en het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers (zalen) en het aantal
                    bouwlagen. Uit tabel 2.6.1 blijkt dat indien bij sommige gebruiksfuncties wordt
                    voldaan aan één criterium, er reeds de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie
                    is voorgeschreven. Indien bij andere gebruiksfuncties wordt voldaan aan twee
                    criteria, is pas de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie vereist. Soms is
                    geen van de drie criteria van toepassing. Immers wanneer er in de tabel een plat
                    streepje staat is dat desbetreffende onderdeel niet van toepassing en is een
                    brandmeldinstallatie dus niet verplicht.</al><al> Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels
                    worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht, dien slechts aan één
                    van de criteria is voldaan. Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen
                    in dezelfde regel worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht,
                    indien aan al deze criteria is voldaan.</al><al> De bezettingsgraden uit het Bouwbesluit zijn thans niet verwerkt in de
                    tabellen. Dit vindt zijn grondslag in de filosofie dat een brandmeldinstallatie
                    niet alleen bedoeld is voor de veiligheid van de aanwezigen, maar ook voor
                    beheersbaarheid van een brand en daarmee een snelle inzet van de brandweer. Bij
                    de in de tabellen genoemde grenswaarden voor gebruiksoppervlakte is uitgegaan
                    van de volgens het Bouwbesluit minimaal vereiste bezettingsgraadklasse.</al><al> Woonfunctie</al><al> Uit tabel 2.6.1 blijkt dat een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en
                    niet van een woonwagen, met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2, moet zijn
                    voorzien van een brandmeldinstallatie. Een woonfunctie met een
                    gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, werd in het Bouwbesluit 1992 megawoning
                    genoemd.</al><al> De benaming megawoning komt in het Bouwbesluit 2003 niet meer voor, maar het
                    criterium 'groter dan 500 m2 gebruiksoppervlakte' speelt bij verschillende
                    voorschriften wel een rol. Het gaat hierbij derhalve om de woonfunctie waarin
                    niet in gezinsverband wordt geleefd. Nadrukkelijk wordt de eengezinswoning met
                    een gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, niet onder deze omschrijving
                    bedoeld.</al><al> Bijeenkomstfunctie</al><al> Uit tabel 2.6.1 blijkt dat onder meer een bijeenkomstfunctie, niet zijnde een
                    bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport, met een gebruiksoppervlakte
                    groter dan 1000 m2 met meer dan 1 zaal, moet zijn voorzien van een
                    brandmeldinstallatie. De achterliggende motivering is dat bij meer dan één zaal
                    er één niet in gebruik kan zijn, waarin een beginnende brand kan ontstaan. Als
                    dat niet tijdig wordt opgemerkt en rook en warmte invloed hebben op de
                    vluchtroutes van de in gebruik zijnde zaal, is detectie nodig voor de veiligheid
                    van de aanwezige personen.</al><al> In een bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is een
                    automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk vanwege de verminderde
                    zelfredzaamheid van kinderen. Hierbij kan een vergelijk met bijvoorbeeld
                    gezondheidszorgfuncties worden gemaakt.</al><al> Er wordt een grenswaarde aan het gebruiksoppervlak gesteld van 200 m2. Ook
                    wanneer de gebruiksoppervlakte kleiner is dan 200 m2, maar de vloer van de
                    bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is gelegen op
                    een hoogte van meer dan 2,4 meter boven meetniveau, dan is een automatische
                    brandmeldinstallatie noodzakelijk.</al><al> Wanneer de bijeenkomstfunctie in overeenstemming met het Bouwbesluit voldoende
                    brandwerend is gescheiden van de overige functies in het gebouw, kunnen de
                    installatietechnische voorzieningen beperkt blijven tot de bijeenkomstfunctie.
                    Wanneer dit niet mogelijk is, dient de voorziening voor het totale
                    brandcompartiment waarin de bijeenkomstfunctie gelegen is, te worden
                    doorgevoerd.</al><al> Voor tribunes voor het aanschouwen van sport wordt een brandmeldinstallatie
                    niet voorgeschreven. Dit vanuit de gedachte dat het risico van het ontstaan van
                    brand in zo'n ruimte uiterst klein is en bovendien direct zou worden
                    opgemerkt.</al><al> Overigens wordt onderkend dat het risicobeeld bij de verschillende
                    verschijningsvormen van de bijeenkomstfunctie zeer divers is. Het is te
                    verwachten dat na praktische ervaring met de prestatieeisen een verdere
                    onderverdeling in subfuncties nodig kan zijn.</al><al> Gezondheidszorgfunctie</al><al> In de tabel worden aan de subgebruiksfuncties "gezondheidszorgfunctie voor aan
                    bed gebonden patiënten" en een "andere gezondheidszorgfunctie niet aan bed
                    gebonden patiënten." eisen gesteld. Met deze subgebruiksfuncties worden tevens
                    bedoeld de ruimten voor dagbehandeling, dialyse, operatiekamers, enz.</al><al> Industriefunctie</al><al> Tot en met de 9e serie wijzigingen waren in tabel 2.6.1 geen grenswaarden
                    gegeven met betrekking tot de brandmeldinstallatie voor de industriefunctie. In
                    de praktijk is gebleken dat dergelijke grenswaarden noodzakelijk zijn. Ter
                    bevordering van duidelijkheid op landelijke schaal zijn nu de grenswaarden in de
                    tabel vermeld. Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie wijzigingen
                    (december 2004) uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder doormelding.
                    Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C. Met de nieuwe
                    NEN 2575, uitgave 2004 is de type C installatie vervallen. Naar analogie van de
                    grenswaarden van vergelijkbare gebruiksfuncties is gesteld dat wanneer er een
                    vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een hoogte van meer dan 20 meter,
                    een niet-automatische brandmeldinstallatie met doormelding noodzakelijk is.</al><al> Logiesfunctie</al><al> De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn
                    geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen
                    automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk is.</al><al> Winkelfunctie</al><al> Bij deze gebruiksfunctie komt in tabel 2.6.1 het meest duidelijk tot
                    uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat
                    een brandmeldinstallatie nodig is.</al><al> Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie wijzigingen (december 2004)
                    uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder doormelding. Deze was
                    voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C. Met de nieuwe NEN
                    2575,uitgave 2004 is de type C installatie vervallen.</al><al> Overige gebruiksfunctie</al><al> De eisen in tabel 10 voor de overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen
                    van motorvoertuigen zijn in overeenstemming gebracht met de meest recente
                    ontwikkelingen terzake. In besloten parkeergarages groter dan 1000 m2 en kleiner
                    dan 2500 m2 is een brandmeldinstallatie zonder doormelding aanwezig om de
                    brandweer te ondersteunen bij de repressieve inzet. Het gaat daarbij om een
                    juiste plaatsbepaling van de brand en de daarbij behorende aanvalsroute. Dit
                    geld met name voor parkeergarages met meerdere bouwlagen. Bij een oppervlakte
                    groter dan 2500 m2 is doormelding naar de brandweer vereist om tijdige inzet ten
                    opzichte van de zich voortschrijdende brand te garanderen.</al><al> Lid 2</al><al> Doodlopende gangen</al><al> In artikel 2.6.2, tweede lid, is - kort samengevat - geregeld dat bij
                    doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet
                    zijn. Ook indien het rookcompartiment beschikt over twee toegangen, kan binnen
                    het rookcompartiment sprake zijn van doodlopende gangen. Om te voorkomen dat in
                    een kort doodlopend eind of in een doodlopend eind waarop weinig of kleine
                    ruimten uitkomen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking noodzakelijk zou
                    zijn, zijn er beperkende grenswaarden beschreven.</al><al> Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie
                    verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt
                    voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de
                    bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen.</al><al> Het artikel is eveneens van toepassing indien een verblijfsruimte via een
                    andere verblijfsruimte moet worden verlaten. Artikel 2.6.3 Omvang van de
                    bewaking door brandmeldinstallaties</al><al> Omvang van de bewaking</al><al> In de regel gaat het bij niet-automatische bewaking om handbrandmelders; bij
                    gedeeltelijke bewaking om automatische brandmelders alleen in verkeersruimten en
                    risicoruimten; bij volledige bewaking om automatische brandmelders in alle
                    ruimten, met uitzondering van ruimten waarin geen brand kan ontstaan zoals
                    toiletruimten en badruimten; bij ruimtebewaking gaat het om automatische
                    brandmelders in specifieke ruimten in een gebouw zoals in geval van doodlopende
                    einden.</al><al> Woonfunctie in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen.</al><al> Het lijkt een tegenstelling dat de woonfunctie, gelegen in een woongebouw
                    bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht,
                    een volledige bewaking nodig maakt en dat bij dezelfde categorie, maar dan
                    zonder permanent toezicht, kan worden volstaan met gedeeltelijke bewaking. In
                    het laatstgenoemde geval gaat het om een categorie bewoners die zonder permanent
                    toezicht kunnen wonen, zoals bijvoorbeeld het geval is in een gezinsvervangend
                    tehuis, een sociowoning of bij begeleid groepswonen.</al><al> Het doormelden van een brandmelding rechtstreeks naar de alarmcentrale van de
                    brandweer is noodzakelijk omdat vanuit deze organisatie op ieder moment de
                    noodzakelijke brandbestrijdings- en beveiligingsmaatregelen in gang kunnen
                    worden gezet. Een tussenkomst van een particuliere alarmcentrale is hierbij
                    ongewenst. Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al> Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van
                    toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                    als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast.</al><al> Op grond van artikel 10.6 van de verordening is het bevoegd gezag bevoegd om
                    rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al> Lid 2</al><al> Het programma van eisen legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met
                    behulp van een brandmeldinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het systeem
                    beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de instandhouding van
                    de kwaliteit van het systeem.</al><al> De Regeling Brandmeldinstallaties 2002 is een kwaliteitszorg- en
                    certificatiesysteem, opgesteld door de bij de brandbeveiliging betrokken
                    gezaghebbende partijen, zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijkrelaties, deskundigen van de brandweer en van de brancheorganisaties
                    van brandbeveiligingsbedrijven. De regeling geeft aan wat van de
                    brandmeldinstallatie en van de diverse (markt-)partijen wordt verwacht en hoe
                    handhaving en controle plaatsvindt. Het beheer van de regeling en de met name
                    genoemde kwaliteitszorg is opgedragen aan het Centrum voor
                    Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag.</al><al> Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt met zich mee dat certificaten van
                    instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede uit Noorwegen,
                    IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven.</al><al> Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al> Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                    Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit, de toelichting op artikel 2.6.1.
                    Indien een gebruiksfunctie weinig bouwlagen bevat en de personen in het
                    ontruimingsgebied dus gemakkelijk door middel van aanroepen kunnen worden
                    gewaarschuwd, kan ontheffing worden verleend van de eis tot het aanbrengen van
                    een ontruimingsalarminstallatie en –gezien de samenhang- dan tevens van de eis
                    tot het aanbrengen van een brandmeldinstallatie. Zie voor een toelichting op het
                    begrip ‘aanroepen’ de toelichting op artikel 2.6.1. Artikel 2.6.6 Aanwezigheid
                    van ontruimingsalarminstallaties</al><al> Lid 1</al><al> Aanwezigheid</al><al> Wanneer de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie op grond van artikel 2.6.2
                    vereist is, is altijd een ontruimingsalarminstallatie voorgeschreven.</al><al> NEN 2575 is verbeterd ten aanzien van het volgende:</al><al> Bij ontruimingsalarminstallaties kennen we tot voor kort 3 typen,
                    namelijk:</al><al> a. installatie</al><al> Een speciaal voor dit doel ontwikkeld systeem, waarbij sprake is van een eigen
                    centrale waarop luidsprekers zijn aangesloten. Hierdoor is het mogelijk een
                    ontruiming plaats te laten vinden met behulp van een gesproken mededeling. De
                    installatie wordt hierbij aangestuurd door een brandmeldcentrale. De
                    A-installatie beschikt dus over een eigen centrale met eigen
                    energievoorziening.</al><al> b. installatie</al><al> Bij dit type zijn er ontruimingssignaalgevers (slow whoop) direct aangesloten
                    op de brandmeldcentrale en beschikt dus niet zoals bij een A-installatie over
                    een eigen centrale. De energievoorziening voor de ontruimingsignaalgevers wordt
                    dus ook door de brandmeldcentrale verzorgd.</al><al> c. installatie</al><al> Tot voor kort was het een eis om een brandmeldinstallatie door te melden naar
                    de alarmcentrale van de brandweer. Voor kleinere objecten was deze eis te zwaar.
                    In die gevallen waarbij het object niet “beroepbaar” was, bleek toch een vorm
                    van een installatie noodzakelijk. Omdat doormelding naar de brandweer niet
                    noodzakelijk was, werd deze installatie geen brandmeldinstallatie genoemd maar
                    een C-ontruimingsalarminstallatie.</al><al> De verschillen tussen een B en een C-installatie waren:</al><al> a. Geen doormelding naar de brandweer</al><al> b. Blauwe i.p.v. rode handbrandmelders</al><al> c. Minder eisen aan de uitvoering van de centrale</al><al> Met de komst van NEN 2575 zijn de verschillen genoemd bij b en c verdwenen.
                    Bleef dus alleen over de doormelding. Intussen zijn er ook andere vormen van
                    brandmeldinstallaties ontstaan waarbij er geen eis met betrekking tot
                    doormelding naar de brandweer werd gesteld.</al><al> Deze zijn:</al><al> - Automatische brandmeldinstallaties in parkeergarages tot 2500 m2.</al><al> - Handbandmeldinstallaties bij opslag vuurwerk tot 10 000 kg</al><al> - Automatische brandmeldinstallaties in geval van samenvallende
                    vluchtroutes.</al><al> Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansturing van de
                    signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische
                    brandmelder. Het niet doormelden van brand kan geen criterium zijn om de
                    installatie wel of geen brandmeldinstallatie te noemen. Daarom is besloten de
                    oude “C-ontruimingsalarminstallatie” een “handbrandmeldinstallatie” zonder
                    doormelding te noemen.</al><al> Dit heeft diverse voordelen, te weten:</al><al> - Het schept voor een ieder een grotere duidelijkheid</al><al> - De betreffende normen kunnen worden vereenvoudigd</al><al> - Het betreffende deel van de bouwverordening wordt duidelijker</al><al> - De toekomstige certificeringregeling voor ontruimingsalarminstallaties wordt
                    overzichtelijker.</al><al> Logiesfunctie</al><al> De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn
                    geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen
                    ontruimingsalarminstallatie noodzakelijk is.</al><al> Lid 2</al><al> Doodlopende gangen</al><al> In artikel 2.6.2, tweede lid, is geregeld wanneer bij doodlopende gangen een
                    brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Doordat in het
                    onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is
                    gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de
                    alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde
                    doodlopende gang zijn aangewezen.</al><al> Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansluiting van de
                    signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische
                    brandmelder. Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al> Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van
                    toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                    als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt
                    toegepast.</al><al> Op grond van artikel 10.6 van de verordening is het bevoegd gezag bevoegd om
                    rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al> Lid 2</al><al> Het programma van eisen als bedoeld in NEN 2575 'Brandveiligheid van gebouwen -
                    Ontruimingsinstallaties - Systeem- en kwaliteitseisen en
                    projecteringsrichtlijnen' legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met
                    behulp van een ontruimingsinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het
                    systeem beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de
                    instandhouding van de kwaliteit van het systeem. Artikel 2.6.8 Beginsel inzake
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al> Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                    Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit de bevoegdheid voor het bevoegd gezag
                    tot het verlenen van ontheffing, de toelichting op artikel 2.6.1. Artikel 2.6.9
                    Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al> Teneinde te bewerkstelligen dat personen die in een bouwwerk verblijven en die
                    niet bekend zijn met de inrichting van het bouwwerk, dan wel in geval van brand
                    een ongebruikelijke vluchtroute moeten kiezen, op eenvoudige wijze het
                    aansluitende terrein kunnen vinden, bepaalt artikel 2.6.9 wanneer
                    vluchtrouteaanduidingen aanwezig moeten zijn. Omdat de herkenbaarheid van
                    vluchtroutes voor iedere persoon in gelijke mate van belang is, is de
                    aanwezigheid niet gekoppeld aan een grenswaarde voor gebruiks-oppervlakte of
                    hoogte van een gebouw. De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen geldt in
                    principe voor verkeersruimten. Tevens dienen in alle ruimten waarin op grond van
                    het Bouwbesluit een tweede of meerdere uitgangen nodig zijn, deze uitgangen te
                    worden voorzien van vluchtrouteaanduidingen.</al><al> De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen wordt in tabel 12 voorgeschreven
                    voor een woongebouw, celgebouw en een logiesgebouw. Het gaat om
                    vluchtrouteaanduiding in gemeenschappelijke verkeersroutes als de woning, de cel
                    of het logiesverblijf al verlaten is. Dan is de term 'woonfunctie enz.' niet
                    bruikbaar, want dat zou betekenen dat men signalering in de woning, de cel of
                    het logiesverblijf moet aanbrengen. Dat is niet de bedoeling.</al><al> Logiesfunctie</al><al> De term logiesgebouw is geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje
                    op een bungalowpark geen vluchtrouteaanduiding noodzakelijk is.</al><al> Voor de aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen kunnen brandveiligheidseisen
                    krachtens de Arbo- en de milieuwetgeving eveneens van belang zijn. Artikel
                    2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al> Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van
                    toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                    als gelijkwaardige oplossing een vluchtrouteaanduiding wordt toegepast.</al><al> Op grond van artikel 10.6 van de verordening is Het bevoegd gezag bevoegd om
                    rekening te ho uden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al> Lid 1</al><al> De norm NEN 6088 Brandveiligheid van gebouwen - Vluchtwegaanduiding -
                    Eigenschappen en bepalingsmethoden, uitgave 2002, geeft aan dat de
                    vluchtrouteaanduiding gekenmerkt moet zijn door bepaalde symbolen en
                    kleuren.</al><al> Lid 2</al><al> De vluchtrouteaanduiding moet herkenbaar zijn en goed zichtbaar zijn
                    aangebracht. Dit betekent dat de vluchtrouteaanduiding zodanig moet zijn
                    opgehangen dat je het goed ziet. Vluchtrouteaanduiding mag dus niet achter een
                    gordijn hangen of in een hoge ruimte nabij het plafond aangebracht zijn.</al><al> Lid 3</al><al> De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 1838 ‘Toegepaste
                    verlichtingskunde – Noodverlichting’ is opgesteld met als doel internationaal
                    eenheid binnen gebouwen te creëren ten aanzien van vluchtrouteaanduiding. In de
                    richtlijn wordt een voorkeur uitgesproken over de te hanteren pictogrammen. De
                    getoonde pictogrammen zijn voorbeelden. In de tekst wordt niet expliciet gesteld
                    dat uitsluitend de getoonde pictogrammen toegestaan zijn. Er is dus enige
                    vrijheid. Het belangrijkste is dat er sprake is van eenduidigheid en
                    duidelijkheid binnen gebouwen.</al><al> Voor de kleuren, luminantie, de luminantieverhoudingen en de maximale
                    kijkafstand gelden de eisen uit NEN-EN 1838.</al><al> De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de vluchtrouteaanduiding
                    moet minimaal 2 cd/m2 bedragen in alle relevante kijkrichtingen. Dit dient te
                    geschieden door in- of externe verlichting en / of noodverlichting. Dit kan dus
                    gevolgen hebben voor de locatie van normale en / of noodverlichtingsarmaturen
                    indien er geen intern verlichte vluchtrouteaanduiding wordt toegepast. In geval
                    van een energiestoring is het acceptabel dat niet meer aan de luminantie-eis
                    wordt voldaan, indien er geen eisen ten aanzien van noodverlichting zijn
                    gesteld.</al><al> Er wordt op deze wijze uitgegaan van een prestatie-eis in de vorm van een
                    luminantie-eis in NEN-EN 1838. Op welke wijze wordt voldaan kan men zelf
                    invullen en zal leiden tot verschillende oplossingen, bijvoorbeeld:</al><al> - Bouwkundige aanduidingen die door de normale en / of noodverlichting worden
                    aangelicht.</al><al> - Inwendig verlichte vluchtrouteaanduidingen, die op de normale en / of
                    noodverlichting zijn aangesloten.</al><al> - Foto-luminiserende vluchtrouteaanduiding.</al><al> De luminantie-eis in NEN-EN 1838, waarnaar in dit lid wordt verwezen, dient dan
                    ook goed te worden onderscheiden van eisen aan de verlichtingssterkte van de
                    vluchtrouteaanduiding zelf. Artikel 2.6.10 bevat geen eisen over de
                    verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Vluchtrouteaanduidingen
                    hoeven dan ook niet per sé inwendig verlichte armaturen te zijn. Veelal kan
                    worden volstaan met het aanbrengen van pictogramstickers die zo nodig door
                    externe verlichting moeten worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen
                    voldoen. In ruimten waarin op grond van het Bouwbesluit een eis voor
                    noodverlichting geldt en waarin het gebruikelijk is de normale verlichting te
                    reduceren of uit te schakelen (theaters, bioscopen e.d.) zal het, vanwege de
                    gestelde eisen, wel noodzakelijk zijn om de vluchtrouteaanduidingen als intern
                    verlichte aanduidingen uit te voeren.</al><al> Lid 4</al><al> In delen van een gebouw waar op grond van het Bouwbesluit geen noodverlichting
                    vereist is, is het gestelde in lid 3 niet van toepassing aangezien in die
                    gebouwdelen bij spanningsonderbreking immers nimmer aan de luminantie-eisen van
                    het derde lid kan worden voldaan. Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al> Met deze voorschriften wordt beoogd dat ook bij toepassing van de
                    gelijkwaardigheid ingevolge het Bouwbesluit aangebrachte brandmeldinstallaties,
                    ontruimingsalarminstallaties en vluchtrouteaanduidingen dezelfde duurzame
                    kwaliteit en dus veiligheid bezitten als die welke in de bouwverordening zijn
                    voorgeschreven. Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                    hulpverleningsdiensten</al><al> C-2000 is het landelijk dekkend digitale radionetwerk ten behoeve van de
                    mobiele communicatie voor de Nederlandse hulpverleningsdiensten. Adequate
                    communicatie tussen hulpverleners is essentieel voor het goed kunnen
                    functioneren van hen bij een calamiteit in een bouwwerk. C2000 garandeert
                    buitenshuis een dekking van 95%, naar tijd en plaats gemeten vanaf een op de
                    heup gedragen portofoon. In de praktijk betekent dit dat de hulpverlener in
                    Nederland altijd en overal buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen met
                    collega’s of met de meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het
                    C2000-radionetwerk is ontworpen en gebouwd, zal in veel gevallen ook sprake zijn
                    van binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en ligging
                    van het bouwwerk en de situatie ter plaatse.</al><al> In overleg met het ministerie van BZK en VROM wordt een nieuw artikel in de MBV
                    opgenomen dat de mogelijkheid biedt om voorzieningen te eisen ten behoeve van
                    binnenhuisdekking van het C2000-communicatiesysteem. Dit ten behoeve van het
                    goed kunnen functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in een
                    voor publiek toegankelijke bouwwerk.</al><al> In de dagelijkse praktijk kan het ontbreken van binnenhuisdekking soms leiden
                    tot bezwaarlijke situaties vanuit openbare orde en veiligheid. Dit is met name
                    het geval in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals
                    voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations en
                    ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- of metrotunnels. Dit soort locaties
                    wordt in C2000-jargon aangeduid als Special Coverage Locations (SCL’s). In dat
                    geval kan soms vanuit de operationele werkwijze van de diensten volstaan worden
                    met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen zoals Direct Mode of
                    Operation (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway. Mochten deze maatregelen
                    voor de betreffende locatie niet voldoen, moet worden gezocht naar een meer
                    structurele oplossing voor adequate binnenhuisdekking. Uitgangspunt daarbij is
                    dat de eigenaar van de SCL voor die structurele oplossing zorgdraagt en dat de
                    kosten van aanschaf en bouw van de technische installatie en van het testen,
                    aansluiten en beheer ervan voor zijn rekening komen. Artikel 2.6.12 verplicht de
                    SCL-eigenaar tot het aanbrengen van de betreffende technische voorziening indien
                    dat naar het oordeel van het bevoegd gezag voor het goed kunnen functioneren van
                    hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is. Of
                    die voorziening in een concreet geval noodzakelijk is, is van meerdere factoren
                    afhankelijk. In de eerste plaats dient de vraag beantwoord te worden of er
                    binnenhuisdekking moet zijn. Dit zal het geval zijn indien het bouwwerk voor het
                    grote publiek toegankelijk is en binnenhuisdekking vanuit het oogpunt van
                    openbare orde en veiligheid noodzakelijk is voor het goed kunnen functioneren
                    van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk. Vervolgens
                    dient vastgesteld te worden of er automatisch al binnenhuisdekking is. Is die
                    dekking er niet (of niet in het gehele bouwwerk), dient te worden bepaald of DMO
                    of DMO-TMO een voldoende oplossing biedt. Pas wanneer dat laatste niet het geval
                    is, kan toepassing van artikel 2.6.12 aan de orde zijn. Paragraaf 7
                    Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de
                    waterleiding</al><al> De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet
                    in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en
                    evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De
                    plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in
                    tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van
                    drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met
                    het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit
                    contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op
                    de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het
                    waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de
                    binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak
                    in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al> Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                    binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat
                    het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan.</al><al> Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van
                    het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7. Artikel 2.7.2 Eis tot
                    aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al> De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan
                    het aardgasnet</al><al> Lid 1</al><al> De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de
                    kans op ongevallen.</al><al> Lid 2, onder b</al><al> Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                    eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                    hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                    geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                    brandstof noodzakelijk acht.</al><al> Lid 2, onder c</al><al> Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of
                    blokverwarming, kan door het bevoegd gezag worden geweigerd, indien een
                    gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas.</al><al> Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis
                    tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming</al><al> Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met
                    de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om
                    de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al
                    is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet. Artikel 2.7.4 Eis tot
                    aansluiting aan de openbare riolering</al><al> Alternatief 1</al><al> Algemeen</al><al> De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het
                    Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                    richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte
                    beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting
                    verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module aanpak verspreide
                    afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn
                    (losbladig).</al><al> Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel
                    5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40 van de
                    Woningwet gegeven omgevingsvergunning voor het bouwenplicht en het herziene
                    artikel 13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te
                    verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de
                    openbare riolering en het dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of
                    minder bedraagt.</al><al> Het Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater
                    in de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de
                    hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een
                    individueel zuiveringssysteem toe. De eisen voor het lozen vanuit individuele
                    zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling
                    lozingenbesluit bodembescherming.</al><al> Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de publicatie van het Ministerie van VROM:
                    Individuele behandeling van afvalwater bij verspreide bebouwing; onderzoeksfase
                    4B: IBA-richtlijn (november 1991).</al><al> Het lozen op oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder
                    gereguleerd op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het
                    lozen van huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit
                    huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek van
                    dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit
                    bodembescherming.</al><al> Lid 1</al><al> In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen
                    voor hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden
                    aangesloten. Het is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de
                    daken van zeer grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op
                    het openbare riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op
                    oppervlaktewater is echter een vergunning vereist op grond van artikel 1, eerste
                    lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al> De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan de onder b genoemde
                    uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten)
                    gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen
                    te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de
                    toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in
                    de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en
                    regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam,
                    specificatieblad S 445.</al><al> Lid 2, onder a</al><al> Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van
                    de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:</al><al> a. om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering
                    wordt aangesloten;</al><al> b. om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor
                    enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuil-waterafvoer, indien in het
                    desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel
                    aanwezig is.</al><al> Lid 2, onder b</al><al> Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al> Lid 3</al><al> Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als
                    hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.
                    Uitzonderingen gelden voor:</al><al> a. afvloeiend hemelwater;</al><al> b. huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                    gebruik;</al><al> c. bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk
                    afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik.</al><al> Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden
                    standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een vergunningsvereiste
                    op grond van die wet.</al><al> Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet
                    tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn
                    dat verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de
                    zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere wijze
                    wordt geloosd dan op het openbaar riool.</al><al> In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften.
                    In het algemeen zijn dit voor de complexe categorie'n bedrijven niet langer het
                    bevoegd gezag, zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de werking van de
                    toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen riolering.</al><al> Lid 4, onder a</al><al> Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond
                    van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al> Lid 4, onder b</al><al> Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                    bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                    gemaakt, kan het bevoegd gezag ontheffing van de verplichting tot aansluiting
                    aan het openbare riool verlenen.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 1</al><al> Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het
                    terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2.</al><al> Leden 2 tot en met 4</al><al> Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers. Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan
                    aan de openbare riolering</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 1, onder c</al><al> Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen erop te wijzen dat voor lozing op oppervlaktewater een vergunning vereist
                    is ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren.</al><al> Lid 1, onder d</al><al> In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                    daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder faecaliën, respectievelijk
                    hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                    behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                    andere oplossing moeten worden gezocht.</al><al> Lid 2</al><al> Advies over de mogelijkheid van ontheffing kan worden gevraagd aan de
                    inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid voor de hygiëne van het
                    milieu.</al><al> Zie voorts de toelichting op lid 1, onder c.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 2, onder b</al><al> De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af
                    te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het
                    eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op
                    milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt beoogd om het
                    hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel mogelijk bij te
                    dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het tegengaan van
                    verdroging van het milieu.</al><al> Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan
                    bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte
                    infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee
                    gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen
                    worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens
                    - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en
                    infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens, uitgave Stichting
                    Bouwresearch (SBR), Rotterdam, september 2000 (telefoon 010-2065959).</al><al> De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient van tevoren te
                    (laten) onderzoeken welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de
                    ter plaatse aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan
                    geschikt is. Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig
                    bouwproject zal een dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van
                    het vooronderzoek door de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de
                    uitkomsten van gemeentewege beschikbaar worden gesteld.</al><al> Lid 3, onder b</al><al> Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                    wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                    infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden
                    gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in
                    acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de
                    hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de
                    infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de
                    terzake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kan het bevoegd gezag
                    dan ook ontheffing verlenen van de verplichting tot het aanbrengen van een
                    infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer en/of de
                    geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven.</al><al> Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens
                    van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput (septic tank)
                    daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten. Artikel
                    2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en terreinen</al><al> Lid 3</al><al> In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er -
                    met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede
                    werking van de zuiveringsinstallatie - op worden toegezien dat er in de
                    huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.</al><al> Lid 4</al><al> Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen.</al><al> Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering in woningen
                    en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op
                    binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de
                    dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop
                    aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.
                    Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot
                    bewoning bestemde gebouwen.</al><al> Lid 5</al><al> De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al><al> Lid 6</al><al> Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel. 3 De melding</al><al> vervallen Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al> vervallen Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al> vervallen </al><al> 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een
                    bouwwerk</al><al> Algemeen</al><al> Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot
                    de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure),
                    maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 en 4.15 hebben betrekking op
                    alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig. Vanaf 1
                    april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen in de vorm
                    van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de
                    voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het
                    bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of terrein.
                    Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het
                    bouwen zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning voor het
                    bouwen (sub a), als het in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat
                    gebouwd is zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning voor het
                    bouwen (sub b). Als gevolg van de gewijzigde systematiek van de Woningwet is een
                    verbod tot ingebruikneming zoals tot en met de 11e serie wijzigingen opgenomen
                    was in artikel 4.14 van de Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op
                    grond van artikel 7b juncto artikel 40, eerste lid Woningwet kan het bevoegd
                    gezag indien nodig het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod
                    leidt in geval van niet-naleving van de voorschriften van de bouwverordening tot
                    een overtreding waartegen direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding
                    van een verbod van artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in
                    artikel 1a, onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED).</al><al> Structuur van de voorschriften</al><al> Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13.</al><al> Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige
                    effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand,
                    hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10.
                    Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.</al><al> Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds
                    1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet.</al><al> De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                    ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al> Handhaving van de voorschriften</al><al> De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel
                    7b van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene
                    toelichting bij Hoofdstuk 11.</al><al> Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel
                    4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al> Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                    bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden
                    andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.
                    Artikel 4.1 Intrekking omgevingsvergunning voor het bouwen bij niet-tijdige
                    start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</al><al> De gronden waarop een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden
                    ingetrokken staan limitatief in artikel 59 van de Woningwet. De
                    intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari 2003 in de Woningwet uitgebreid. In
                    verband met het Besluit indieningsvereisten en het gewijzigde artikel 56
                    Woningwet kan een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens worden ingetrokken
                    indien voorgeschreven gegevens niet tijdig zijn overgelegd nadat de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend. Voorts kan een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien
                    bijvoorbeeld onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts
                    een gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning voor het bouwen op haar
                    plaats is. Bovendien is toegevoegd dat de omgevingsvergunning voor het bouwen
                    kan worden ingetrokken op verzoek van de vergunninghouder; iets wat trouwens in
                    de praktijk al gebruikelijk was (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele
                    gedeeltelijke restitutie van leges).</al><al> Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a
                    van de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is opgenomen. De termijn van
                    26 weken is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit jurisprudentie voortkomende
                    plicht om de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten tot intrekking
                    van een vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het
                    intrekken van een begunstigende beschikking zoals een bouwver-gunning dient
                    omgeven te zijn met de nodige waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid
                    van de houder der vergunning.</al><al> Binnen afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde het
                    mogelijk te maken de omgevingsvergunning voor het bouwen in te trekken naar
                    aanleiding van een integriteitsbeoordeling Wet BIBOB. Artikel 4.2 Op het
                    bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al> Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                    ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de
                    plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op
                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn
                    van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is
                    voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op
                    het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.</al><al> Sub a</al><al> Onder het begrip 'omgevingsvergunning voor het bouwen' in de zin van dit
                    artikel vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen,
                    berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus
                    moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</al><al> Sub b</al><al> Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                    bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en vrijstellingen kunnen
                    betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van
                    de rijks- of provinciale overheid.</al><al> Sub d</al><al> Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een
                    besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                    dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist krachtens artikel 43, eerste lid,
                    letter a van de Woningwet.</al><al> Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2
                    ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn. Artikel 4.3
                    Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</al><al> Vervallen. Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al> De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen,
                    waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld
                    bij een verbouwing. Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                    (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al> De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                    tijdige controle.</al><al> Lid 1, sub a</al><al> Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen.</al><al> Lid 3</al><al> In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder
                    en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen. Artikel 4.6
                    Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al> Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht
                    vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn
                    onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van
                    de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te
                    doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers
                    zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het
                    bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit
                    en de bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit
                    artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de
                    gemeente.</al><al> Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten
                    van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                    bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel
                    van de bouwverordening toegepast. Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al> Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is een
                    publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                    privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met de
                    MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de bedoeling
                    van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid.</al><al> De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien
                    de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit
                    artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere, niet
                    in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien. Gedacht kan
                    worden aan een waterwingebied.</al><al> Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan:
                    zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van het
                    aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor de
                    vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater
                    staat in de Grondwaterwet en de provinciale grondwaterverordeningen.
                    Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in het algemeen een uitzondering
                    op het vergunningvereiste voor het kortstondig droog houden van een bouwput,
                    mits nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater
                    worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een
                    vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet
                    milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel 4.8
                    Veiligheid op het bouwterrein</al><al> Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op de
                    bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                    veiligheid van voorbijgangers en belendingen.</al><al> Lid 1</al><al> De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De controle
                    op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de Arbeidsinspectie en bij
                    het elektriciteitsbedrijf.</al><al> Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, waaronder een
                    bouwveiligheidsplan, opgenomen in artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds 1
                    januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de bijlage bij het Besluit
                    indieningsvereisten regels over het indienen van een bouwveiligheidsplan. Of er
                    bij een omgevingsvergunning voor het bouwen een bouwveiligheidsplan moet zijn en
                    aan welke eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige artikel
                    van de MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan
                    afwijken van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het
                    bouwveiligheidsplan voor.</al><al> Leden 2 en 3</al><al> Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de
                    schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die)
                    gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten. Artikel
                    4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al> Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te
                    weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                    bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde
                    lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het
                    bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                    permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het
                    bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al> De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                    gewaarborgd. Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</al><al> De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor
                    de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften', in het
                    algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is gesteld ten
                    aanzien van de arbeidsomstandigheden. Artikel 4.11 Bouwafval</al><al> Algemeen</al><al> Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al> Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van
                    afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                    gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij
                    de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                    hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                    ander afval.</al><al> a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al> Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                    gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                    Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                    blz. 9), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn.
                    verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te
                    blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is
                    gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden
                    gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze
                    gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein
                    chemisch afval van huishoudens.</al><al> b en c Glaswol en steenwol</al><al> Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                    ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                    stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter.</al><al> De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten
                    te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van
                    bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevingsvergunning voor het bouwen
                    is verleend.</al><al> Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot
                    scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn.</al><al> d Overig afval</al><al> Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                    bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                    onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die
                    op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te
                    nemen.</al><al> Wanneer is iets afval?</al><al> Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een
                    afvalbak is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die
                    apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen
                    afval.</al><al> Acceptatievoorwaarden en marktwerking</al><al> De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                    plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting.
                    Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al> Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                    gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het
                    gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden
                    opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger
                    (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om
                    nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                    daarin.</al><al> Afvoeren en overdragen van bouwafval</al><al> De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om
                    het mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor
                    het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening,
                    waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien
                    hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet
                    milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</al><al> De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                    bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april
                    1997 een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die
                    geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                    sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op
                    zaterdagmorgen.</al><al> Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                    waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over
                    bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                    toegelaten.</al><al> Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</al><al> Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht.</al><al> Sorteerinrichting</al><al> Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                    voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen. Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de
                    beoordelingsrichtlijn voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan
                    de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996).
                    Hierin worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde
                    steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd
                    hout, papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en
                    kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij
                    aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting.</al><al> Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel
                    zijn van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens geldt voor
                    zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval
                    voorkomen.</al><al> Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                    aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de
                    Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van
                    transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing.</al><al> De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                    voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                    Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                    kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting
                    Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers,
                    verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R
                    Recycling BV te Middelharnis.</al><al> Mee terugnemen naar de werf</al><al> Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op
                    grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit
                    afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een
                    sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere
                    stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht
                    tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een
                    inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al> Enkele specifieke begrippen</al><al> Met de term 'bevoegd is...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid
                    van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voorzover een milieuvergunning
                    bij die wet verplicht is gesteld.</al><al> Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te
                    zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor
                    enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen.</al><al> Lid 1</al><al> De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                    terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate vergunning op grond van de Wet
                    milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de
                    praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet
                    naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier
                    bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is
                    verbranden de beste oplossing.</al><al> Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                    uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                    hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                    augustus 2001, nr. 158, blz. 9) - in werking getreden op 1 mei 2002 - voorziet
                    hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit
                    besluit.</al><al> De EURAL vervangt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb.
                    1993, 617) dat van 1 januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt
                    inhoudelijk voor wat betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af van
                    het BAGA.</al><al> Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval. De
                    Nederlandstalige versie van de lijst is als bijlage 5 opgenomen in de publicatie
                    'Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst' van het ministerie van
                    Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van september 2001. De in
                    deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers zijn gevaarlijke
                    afvalstoffen. Voor het verwijderen (slopen) van asbest en asbesthoudende
                    materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit.</al><al> Vergunningvoorwaarden</al><al> Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren,
                    uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid
                    genoemde fracties, voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te
                    verbinden. Deze voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling
                    als de verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie.
                    Dit kan bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten
                    gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in één
                    bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet bij elkaar
                    mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de (tijdelijke) opslag op de
                    bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de inzamelaar c.q. vervoerder al de
                    wijze van scheiden en verpakken van de risicodragende stoffen. De bakken -
                    sommige typen onderverdeeld in compartimenten - zijn vaak eigendom van de
                    inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop
                    afstemmen.</al><al> Het is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                    te verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats
                    te scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men
                    dan in strijd met het derde lid van artikel 56 van de Woningwet.</al><al> Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar.
                    Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met
                    een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven,
                    verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en
                    zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron
                    noch met een brand- of explosiebron.</al><al> Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij
                    het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8,
                    het slopen, te betrekken. Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</al><al> De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                    spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                    voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk ingevolge
                    artikel 7b Woningwet.</al><al> Lid 1</al><al> Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.</al><al> Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig
                    de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de
                    desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is
                    eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is
                    onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het
                    afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.
                    Overigens stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari
                    2007 een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                    samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij zijn
                    bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen. Raadpleeg,
                    voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in onvoldoende
                    exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving of neem contact
                    op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem, gemeenten@senternovem.nl of 030
                    239 35 33.</al><al> Lid 2</al><al> Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al> Lid 3</al><al> Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen niet
                    anders is gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><al> Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al> Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989, (Voorschriften
                    Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn. Artikel 4.14 Verbod tot
                    ingebruikneming</al><al> Vervallen. 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties,
                    aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                    gedierte Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al> Algemeen</al><al> In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                    gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                    bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te
                    verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het
                    opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van artikel
                    13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een
                    last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking
                    treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde
                    voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht
                    tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3
                    zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek fungeren de eisen
                    als een toets voor aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                    bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een open
                    erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.</al><al> Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al> Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2. Artikel 5.1.1 Staat van
                    onderhoud van open erven en terreinen</al><al> De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965.</al><al> Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                    indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een
                    gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een
                    bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door
                    overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt
                    belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt.
                    Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965
                    gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262. Artikel 5.1.2
                    Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al> Bij het toepassen van bestuurdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    wegens strijd met artikel 7b, eerste lid, onder d, van de Woningwet, juncto het
                    onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede lid, ware rekening te houden met het
                    bepaalde in artikel 12.3 van deze bouwverordening. Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid
                    van gebouwen voor gehandicapten</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.5.4. Paragraaf 2 Staat van
                    brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel 5.2.1
                    Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al> Overeenkomstig de systematiek van de Woningwet is het noodzakelijk om eisen te
                    stellen omtrent de staat van bestaande gebouwen, indien eisen worden gesteld aan
                    te bouwen gebouwen. Ten aanzien van de brandmeldinstallaties, de
                    ontruimingsalarminstallaties en de vluchtrouteaanduidingen gelden voor de
                    bestaande bouw dezelfde eisen als voor nieuwbouw.</al><al> De voorschriften van deze paragraaf vormen de grondslag voor een besluit op
                    grond van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom indien een brandveiligheidsvoorziening in
                    een gebouw ontbreekt of zich bevindt in een staat die niet in overeenstemming is
                    met de voorschriften van deze paragraaf.</al><al> In geval van dreigend gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan het bevoegd
                    gezag vanaf 1 april 2007 op basis van artikel 1a van de Woningwet optreden tegen
                    een overtreding van de voorschriften in deze paragraaf door toepassing van
                    bestuursdwang of door de oplegging van een last onder dwangsom. Artikel 5.2.2
                    Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen,
                    woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen</al><al> De toelichting op dit artikel vervalt. Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van
                    brandveiligheidsinstallatie in woongebouwen van bijzondere aard</al><al> De toelichting op dit artikel vervalt. Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van
                    brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen</al><al> De toelichting op dit artikel vervalt. Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van
                    brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen</al><al> De toelichting op dit artikel vervalt. Paragraaf 3 Aansluiting op de
                    nutsvoorzieningen Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al> Het onderhavige voorschrift kan geen grondslag voor een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen
                    van een last onder dwangsom vormen waarin het bevoegd gezag het maken van een
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een
                    binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van het
                    Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                    gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het college de
                    aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater
                    voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende welput, regenbak of
                    watertank.</al><al> Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van
                    het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7. Artikel 5.3.2 Eis tot
                    aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al> Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1. Artikel
                    5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al> Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1. Artikel
                    5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al> Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al> Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet
                    dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                    dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang - op
                    grond van het Lozingsbesluit bodembescherming - het afvalwater in de bodem mag
                    worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen - in
                    financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening. Artikel 5.3.5
                    Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.7.5. Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de
                    afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen </al><al> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel
                    5.4.1 Preventie</al><al> Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                    geregeld in artikel 7.4.1.</al><al> Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk zich moet bevinden. Dit
                    artikel heeft sinds 1 april 2007 rechtstreekse werking en leidt in geval van
                    geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel
                    een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                    dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende
                    onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan. 6 Brandveilig
                    gebruik</al><al> Algemeen</al><al> De Woningwet schrijft voor dat de bouwverordening voorwaarden moet bevatten die
                    het brandveilig gebruik van bouwwerken regelen. In dit hoofdstuk wordt het
                    mogelijk gemaakt het brandveilig gebruik te regelen met een zogenoemde
                    gebruiksvergunning. Daarnaast bevat dit hoofdstuk gebruiksbepalingen, waaraan
                    alle bouwwerken moeten voldoen.</al><al> Het merendeel van de voorschriften van dit hoofdstuk en de bijlagen 2 t/m 6
                    behorende bij de verordening, alsmede de bijlagen 2 t/m 4 behorende bij deze
                    toelichting komen uit de Model-brandbeveiligingsverordening 1972. De
                    terminologie en de systematiek zijn slechts aangepast voor zover de Woningwet en
                    de Model-bouwverordening dit vereisen. Materieel is in de voorschriften niet
                    veel veranderd zodat een trendbreuk in het beleid over het brandveilig gebruik
                    is voorkomen. Een belangrijke verandering is wel dat alle voorschriften van
                    bouwkundige aard nu in het Bouwbesluit zijn opgenomen.</al><al> Het brandveilig gebruik regelen is een nieuw onderwerp voor de bouwverordening.
                    Een gebruiksvergunning verschilt in menig opzicht van een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen. Nadat het bouwen is beëindigd, zal men een bouwwerk in gebruik
                    nemen. In beginsel zal dat gebruik langdurig zijn. Een gebruiksvergunning zal na
                    verloop van tijd aanpassing behoeven, aangezien omstandigheden en inzichten over
                    brandveiligheid in de loop van de tijd wijzigen. Artikel 6.1.1, derde lid, gaat
                    daar nader op in.</al><al> Het regelen van een vergunningplicht is niet in alle gevallen nodig. Alleen
                    voor die situaties die gevaar op kunnen leveren door een verhoogde kans op
                    brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal
                    uitgebroken brand, wordt een gebruiksvergunning geëist.</al><al> Vooruitlopend op de artikelsgewijze toelichting wordt hier reeds opgemerkt dat
                    het opleggen van een verplichting tot het treffen van aanvullende voorzieningen
                    op grond van artikel 13 van de Woningwet niet afhangt van de vraag of een
                    gebruiksvergunning verplicht is. Ook de gebruiksvoorwaarden die in de
                    (Model-)bouwverordening zijn opgenomen zijn daarvan niet afhankelijk. Anders
                    gezegd: de aanvraag om gebruiksvergunning kan een aanleiding zijn om betrokkenen
                    te verplichten tot het treffen van aanvullende voorzieningen.</al><al> Per 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet
                    vervallen en is een verbod opgenomen om te bouwen, een bouwwerk te gebruiken,
                    een open erf of terrein te gebruiken, in een staat te brengen of te houden, te
                    slopen, anders dan overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening. Het niet voldoen aan de voorschriften
                    van Bouwbesluit en bouwverordening vormt een overtreding waartegen het bevoegd
                    gezag direct handhavend kunnen optreden. Paragraaf 1 Gebruiksvergunning Artikel
                    6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al> In dit artikel wordt het gebruiken van een bouwwerk waarin een verhoogde kans
                    op brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal
                    uitgebroken brand aanwezig is, gebonden aan een vergunning van het bevoegd
                    gezag, een zogenoemde gebruiksvergunning.</al><al> Criteria voor vergunningplicht, Lid 2</al><al> Onder de voorwaarden als genoemd in het tweede lid van artikel 6.1.1 worden
                    onder meer begrepen voorwaarden met betrekking tot: stoffering en versiering;
                    uitgangen en vluchtwegen; installaties; standbouw, podia, kramen e.d.;
                    verbrandingsmotoren; toepassen van vuurwerk binnen een gebouw; bewaking en
                    controle; ventilatie en werkzaamheden; brandbare, brandbevorderende en bij brand
                    gevaar opleverende stoffen; opstellingsplannen; afval; doorlopend toezicht;
                    brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne
                    organisatie; het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                    gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid; de plaats van,
                    alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen en/of minihaspels.</al><al> Als criteria voor de gebruiksvergunning zijn aantallen personen vermeld. Bewust
                    is hier gekozen voor zgn. objectieve criteria, die op grond van de feitelijke
                    situatie zijn te bepalen. Zo geldt voor een aantal categorie'n van bouwwerken
                    het aantal personen dat in dat bouwwerk of een gedeelte daarvan kan verblijven
                    als criterium. Hoewel ook te verdedigen zou zijn geweest het aantal vierkante
                    meters van een bouwwerk of een daarin gelegen verblijfsruimte als objectief
                    criterium te nemen, is toch gekozen voor het aantal personen. Immers, niet het
                    aantal vierkante meters, maar het aantal aanwezigen moet in geval van een
                    calamiteit het gebouw tijdig kunnen verlaten. Natuurlijk kan voor gebouwen waar
                    het aantal personen niet uit het aantal stoelen of bedden kan worden afgeleid,
                    bij voorbeeld een discotheek, een op ervaring berustende berekening worden
                    gemaakt van het te verwachten aantal mensen op basis van het gegeven aantal
                    vierkante meters.</al><al> De eisen die aan een gebruiksvergunning moeten worden gesteld, zijn primair
                    gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het bouwwerk, zoals
                    voorzieningen voor vluchtwegen, alarminstallaties en dergelijke.</al><al> Bij de beoordeling van de brandveiligheid is het van belang te weten hoeveel
                    personen in het bouwwerk zullen verblijven. Immers, het doel van dit hoofdstuk
                    is de feitelijke - niet de theoretische - situatie te beoordelen. Voor het
                    beoordelen van een aanvraag om een gebruiksvergunning kan daarom alleen het
                    feitelijke gebruik als criterium worden aangehouden. Hierdoor wordt vermeden,
                    dat in concrete situaties te zware of te lichte eisen worden gesteld.</al><al> De getalscriteria in dit artikel zijn op basis van overeenstemming van meningen
                    van deskundigen gekozen. Elk getal is arbitrair.</al><al> In enkele gemeenten wordt voor pensionbedrijven e.d. een getal van vijf
                    personen gehanteerd. Het staat de raad van een gemeente vrij een ander getal dan
                    door ons aanbevolen in de verordening vast te stellen. Van primair belang is dat
                    eventueel brandgevaarlijke situaties zo snel mogelijk worden verbeterd.</al><al> Aantal toe te laten personen</al><al> De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal toe te laten
                    personen, is noodzakelijk, omdat in de gebruiksvergunning geen bouwkundige eisen
                    mogen worden gesteld. Die staan in het Bouwbesluit. Wanneer gelet op het aantal
                    aanwezige personen en de aard van de activiteiten een extra (nood)uitgang en/of
                    een bredere vluchtroute noodzakelijk is, kan dit niet worden geëist in de
                    gebruiksvergunning.</al><al> De vergunning weigeren is wellicht een te zwaar middel. Beter is het aantal
                    personen te limiteren. Hierbij kan als vuistregel de bij deze toelichting
                    behorende tabel worden gebruikt (bijlage 3 bij de toelichting, tabel maximaal
                    toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het oog op de
                    brandveiligheid).</al><al> Draagbare blustoestellen</al><al> De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal en het type
                    draagbare blustoestellen en/of minihaspels omvat ook de plaats van deze
                    blustoestellen. Dit is nodig, omdat sommige stoffen, indien zij in brand staan,
                    alleen geblust kunnen worden met een andere blusstof dan water. Die andere
                    blusstof, die uit poeder, schuim of gassen kan bestaan, bevindt zich in het
                    algemeen in draagbare blustoestellen.</al><al> Overdraagbare gebruiksvergunning</al><al> De vergunning is niet persoonsgebonden. Dit betekent dat de vergunning ook op
                    naam van een rechtspersoon kan staan. Het is vaak gewenst voor elk bouwwerk (of
                    combinatie van bouwwerken) een persoon te kennen die verantwoordelijk is voor de
                    brandveiligheid en die daarop aanspreekbaar is. Dit kan worden bereikt door in
                    de vergunningsvoorwaarden een bepaling op te nemen dat de houder van de
                    vergunning (bij voorbeeld aan de brandweer, afdeling preventie) moet opgeven wie
                    (naam en functie) belast is met de zorg voor de brandveiligheid en dat voorts
                    elke mutatie wordt gemeld. De vergunning is overdraagbaar. Bij een vergunning
                    die niet persoonsgebonden is en voor lange duur geldigheid bezit, is
                    overdraagbaarheid wenselijk.</al><al> Werkingssfeer</al><al> Artikel 6.1.1 is zo geredigeerd dat niet voor alle bouwwerken een
                    gebruiksvergunning is vereist. Vergunningplicht is bepaald aan de hand van
                    risico bij brand, met name de mogelijkheid tot ontruiming en de zelfredzaamheid
                    van mensen. Dit resulteert in extra aandacht voor bouwwerken waar een clustering
                    van mensen (meer dan 50) plaatsvindt, waar kinderen, bejaarden, en/of
                    gehandicapten verblijven, waar nachtverblijf wordt geboden (hotels,
                    pensions).</al><al> Kamerverhuurbedrijven vallen onder de categorie inrichtingen waarin
                    bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft. Er is geen jurisprudentie bekend
                    waaruit blijkt dat kamerverhuurbedrijven buiten de gebruiksvergunningplicht
                    zouden vallen.</al><al> Zo vallen alle categorieën gebouwen waarin kinderopvang in de zin van de
                    Welzijnswet 1994 en de (Model-)verordening kinderopvang plaatsvindt, onder het
                    vereiste van een vergunning brandveilig gebruik.</al><al> Bouwwerk in plaats van inrichting</al><al> De term 'inrichting' uit de (model-)Brandbeveiligingsverordening is bij de
                    gebruiksbepalingen in de (model-) Bouwverordening vervangen door 'bouwwerk'. Dit
                    past beter in de terminologie van de Woningwet. Het begrip 'bouwwerk' is ruimer
                    dan 'gebouw' (zie begripsomschrijving in artikel 1.1 van de
                    (model-)Bouwverordening.</al><al> De vergunningplichtige situaties zullen zich veelal afspelen in een
                    gebouw.</al><al> Maar er zijn activiteiten waar meer dan vijftig mensen bijeen zijn en waar de
                    activiteit niet onder één dak plaatsvindt. Bij voorbeeld een openluchtzwembad
                    met tribunes, voetbalveld met tribunes. Dit zijn geen gebouwen, maar wel
                    bouwwerken.</al><al> Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat activiteiten die niet
                    plaatsvinden in een bouwwerk, vallen onder de bepalingen van de
                    (model-)Brandbeveiligingsverordening.</al><al> Voorwaarden</al><al> De in artikel 6.1.1 bedoelde vergunningplicht heeft tot doel in die situaties
                    waar dat nodig is, het toekomstige gebruik van een bouwwerk te beoordelen op
                    brandveiligheid en zo nodig voorwaarden te verbinden aan het verlenen van een
                    gebruiksvergunning. Ingevolge de Awb moet een dergelijke vergunning op schrift
                    zijn gesteld. De onderwerpen waarop deze voorwaarden betrekking kunnen hebben
                    staan limitatief in het tweede lid van dit artikel.</al><al> Het artikel is van toepassing in die situatie waarbij er sprake is van een
                    bestaand of nog op te richten bouwwerk, waarin een van de onder a tot en met c
                    genoemde activiteiten plaatsvindt.</al><al> Systematisch kunnen de volgende vier situaties worden onderscheiden, waarin een
                    gebruiksvergunning verplicht is</al><al> 1. Nieuw bouwwerk</al><al> Een bouwwerk wordt nieuw gebouwd, waarna de vergunningplichtige activiteit
                    aanvangt.</al><al> De bouwtechnische eisen gelden volgens het gestelde in het Bouwbesluit en de
                    planologische eisen en de eisen voor de aanwezigheid van
                    brandbeveiligingsinstallaties uit hoofdstuk 2 van de (model-) Bouwverordening
                    1992 moeten worden nageleefd voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen. De algemene gebruikseisen staan in bijlage 3 en 4 bij de (model-)
                    Bouwverordening 1992 en specifieke gebruikseisen kunnen van geval tot geval
                    worden gesteld opgenomen als voorwaarden in de gebruiksvergunning.</al><al> 2. Veranderend bouwwerk</al><al> Een bestaand bouwwerk wordt verbouwd, waarna de vergunningplichtige activiteit
                    aanvangt, wijzigt c.q. uitbreidt.</al><al> Hiervoor geldt de procedure voor nieuwbouw.</al><al> 3. Bestaand bouwwerk, nieuw gebruik</al><al> In een bestaand bouwwerk vangt een vergunningplichtige activiteit voor het
                    eerst aan.</al><al> Eerst moet worden gecontroleerd of de bouwkundige toestand van het bouwwerk uit
                    een oogpunt van brandveiligheid verbetering behoeft volgens de voorschriften van
                    het Bouwbesluit, de delen over bestaande bouwwerken. De aanvraag om
                    gebruiksvergunning moet nu worden aangehouden, totdat aan het besluit ingevolge
                    artikel 13 van de Woningwet is voldaan (artikel 6.1.4, lid 3). Toetsingsgronden
                    voor dit besluit kunnen zijn de delen over bestaande en nieuwe bouwwerken en
                    hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de (model-)Bouwverordening. Als dit geregeld is
                    kan de gebruiksvergunning worden verleend, anders mag het nieuwe gebruik niet
                    beginnen. De algemene gebruikseisen staan in de bijlagen 3 en 4 bij de
                    (model-)Bouwverordening 1992 en behoeven dus niet apart te worden opgenomen in
                    de hier bedoelde gebruiksvergunning.</al><al> Als een bouwwerk wel voldoet aan het Bouwbesluit, de delen over bestaande
                    bouwwerken, kan de aanvraag om gebruiksvergunning niet worden aangehouden. Een
                    besluit als bovenbedoeld kan echter wel worden gedaan.</al><al> Als hieraan nog niet zou zijn voldaan, voordat de beslistermijn voor de
                    aanvraag om gebruiksvergunning is verlopen, moet de gebruiksvergunning worden
                    verleend met beperkende voorwaarden of worden geweigerd.</al><al> 4. Bestaand bouwwerk, bestaand gebruik</al><al> In een bestaand bouwwerk vindt een vergunningplichtige activiteit plaats
                    waarvoor nog geen vergunning is verleend.</al><al> De hiervoor onder punt 3 beschreven procedure moet ook hier worden
                    gevolgd.</al><al> Bedrijfsverzamelgebouw</al><al> Speciale aandacht verdient een bedrijfsverzamelgebouw. In een
                    bedrijfsverzamelgebouw valt te onderscheiden een voor algemeen gebruik bedoeld
                    gedeelte en diverse gebouwonderdelen die zijn toe te delen aan afzonderlijke
                    ondernemers of gebruikers. Elk der afzonderlijke onderdelen wordt getoetst aan
                    de (model-)Bouwverordening. Dit betekent dat sommige onderdelen een
                    gebruiksvergunning nodig zullen hebben en andere onderdelen vallen onder de
                    algemene gebruikseisen van artikel 6.2.1. Het voor algemeen gebruik bedoelde
                    gedeelte van het verzamelgebouw zal veelal worden beheerd door een daartoe in
                    het leven geroepen rechtspersoon. Voor zover in dit algemene gedeelte meer dan
                    50 personen aanwezig zullen zijn, is daarvoor ook een gebruiksvergunning
                    vereist.</al><al> Wijziging gebruiksvergunning</al><al> Er kan reden zijn de voorwaarden van een gebruiksvergunning te wijzigen of aan
                    te vullen, ook zonder dat het bouwwerk of het gebruik ervan wijzigt. De reden
                    ligt dan in gewijzigde inzichten omtrent de risico's en/of gewijzigde
                    omstandigheden buiten het bouwwerk waarin de vergunningplichtige activiteiten
                    plaatsvinden.</al><al> Een wijziging van de vergunning wordt afzonderlijk in artikel 6.1.1, lid 3,
                    geregeld. Een gebruiksvergunning heeft een veel langere werkingsduur dan een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom is de kans dat behoefte bestaat aan
                    wijzigingen veel groter. De behoefte aan wijziging of aanvulling van een
                    vergunning kan van twee kanten komen. Van de vergunninghouder en van de
                    overheid. De vergunninghouder kan een nieuwe gebruiksvergunning aanvragen. De
                    overheid kan dit niet. De stand van de techniek, de inzichten en kennis omtrent
                    brandveilig gebruik kunnen wijzigen. Dan is het goed dat de overheid de
                    bevoegdheid heeft een vergunning te wijzigen of aan te vullen.</al><al> Uit praktische overwegingen is gekozen voor een systeem, waarbij niet telkens
                    bij wijziging van het gebruik of wijziging van het bouwwerk een zgn.
                    wijzigingsvergunning nodig is. In geval van een dergelijke verandering moet een
                    nieuwe vergunning worden aangevraagd en wordt de hele situatie beoordeeld. Het
                    werk dat is verbonden aan een wijzigingsvergunning is vrijwel gelijk aan het
                    afgeven van een nieuwe vergunning.</al><al> Het onderhavige vergunningstelsel in de Model-bouwverordening impliceert het
                    onbeperkt geldig zijn van een gebruiksvergunning, zolang althans het
                    gemeentelijk preventiebeleid en de wijze van gebruik van een bouwwerk niet
                    veranderen. Tevens past het in de sys-tematiek van de Model-bouwverordening dat
                    de tenaamstelling van een gebruiksvergunning desgevraagd zonder meer wordt
                    gewijzigd, indien de nieuwe vergunninghouder de wijze van gebruik van het
                    bouwwerk niet verandert. Er bestaan echter gemeentelijke bouwverordeningen
                    waarin de gebruiksvergunning een beperkte geldigheidsduur heeft en/of
                    persoonsgebonden is. In een dergelijke bouwverordening is de beperkte
                    geldigheidsduur in hoofdzaak bedoeld om in te kunnen spelen op het vaak
                    ongemeld, wijzigend gebruik ten gevolge van veranderingen in de bedrijfsvoering.
                    Aldus ontstaat er een redelijk evenwicht tussen de opbrengst van de legesheffing
                    bij een te hernieuwen aanvraag en de kosten voor handhaving, indien wordt
                    afgeweken van de voorwaarden in de eerder verleende gebruiksvergunning. De
                    persoonsgebondenheid van genoemde gebruiksvergunningen is in hoofdzaak bedoeld
                    om van gemeentewege de dynamiek van de wisselingen in de bedrijfsvoering door
                    nieuwe exploitanten in het desbetreffende bouwwerk onmiddellijk te kunnen
                    volgen. In het rapport-Alders (cafébrand Volendam, Nieuwjaar 2001) is een
                    aanbeveling opgenomen om te onderzoeken of het de voorkeur zou verdienen om
                    landelijk op persoonsgebonden gebruiksvergunningen met een beperkte
                    geldigheidsduur over te stappen. Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al> Dit artikel is zoveel mogelijk afgestemd op de aanvraag omgevingsvergunning
                    voor het bouwen; zie het Besluit indieningsvereisten. Het al dan niet afgeven
                    van een gebruiksvergunning is een beschikking. Dat betekent dat er ingevolge
                    artikel 4:1 van de Awb een schriftelijke aanvraag moet worden ingediend bij het
                    bevoegd gezag. Dat is immers ingevolge het eerste lid van artikel 6.1.1 het
                    bevoegde bestuursorgaan. Daarnaast stelt de Awb de eis dat de aanvraag moet
                    worden ondertekend (artikel 4:2 Awb).</al><al> Dit moet gebeuren door de aanvrager of diens gemachtigde (op grond van artikel
                    2:1 Awb is dit mogelijk). De bij de aanvraag behorende bescheiden moeten
                    ingevolge het zesde lid van artikel 6.1.2 tevens worden ondertekend of
                    gewaarmerkt.</al><al> Met betrekking tot het vierde lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te
                    doen.</al><al> Het vijfde lid is nodig om voor bij elkaar behorende bouwwerken een vergunning
                    te kunnen aanvragen. Er bestaat dan ook aansluiting met de
                    (Model-)Brandbeveiligingsverordening. Meerdere bouwwerken op één terrein kunnen
                    samen één vergunningplichtig object vormen. Bij voorbeeld een gezinsvervangend
                    tehuis bestaande uit meerdere paviljoens. Een inrichting als daar bedoeld kan
                    bestaan uit meerdere bouwwerken op één terrein. Artikel 6.1.3 In behandeling
                    nemen</al><al> Incomplete aanvraag</al><al> Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                    nemen. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat
                    de aanvrager eerst in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het
                    bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Per 1 april 2007 is
                    artikel 47 van de Woningwet vervallen, waardoor de gebruiksvergunningsprocedure
                    evenals de omgevingsvergunning voor het bouwenprocedure op het punt van het niet
                    in behandeling nemen van een onvolledige aanvraag om gebruiksvergunning geheel
                    Awb-conform is gemaakt. De door het bestuursorgaan te stellen termijn begint te
                    lopen op het moment dat het bestuursorgaan de uitnodiging om de aanvraag aan te
                    vullen verzendt. Een dergelijke mededeling is een beschikking in de zin van de
                    Awb.</al><al> Aangenomen moet worden dat de aanvrager de door het bestuursorgaan gestelde
                    termijn volledig kan benutten. Dit houdt in dat de aanvrager ook zijn aanvulling
                    in delen kan indienen. Van de aanvrager mag in geval van aanvulling in delen
                    worden verlangd dat hij aangeeft of en zo ja welke aanvullingen nog binnen de
                    gestelde termijn zullen volgen. Dit laat onverlet dat het bevoegd gezag de
                    aanvrager er op kunnen wijzen dat de aanvulling niet voldoende is. Aan het eind
                    van de gestelde termijn moet echter de aanvraag volledig zijn aangevuld.</al><al> Wordt de aanvraag niet of onvoldoende aangevuld, dan kan het bevoegd gezag
                    besluiten de aanvraag niet te behandelen. Een dergelijk besluit moet ingevolge
                    het vierde lid van artikel 4:5 Awb worden genomen binnen vier weken nadat de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, dan wel de gemeente aan het
                    eind van de gestelde termijn concludeert dat de aanvrager onvoldoende gegevens
                    heeft ingediend.</al><al> Beslistermijn gebruiksvergunning</al><al> Op grond van artikel 6.1.4, lid 1 (Model-)bouwverordening dient op een aanvraag
                    om gebruiksvergunning, binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag, te
                    worden beslist (een en ander in overeenstemming met de hoofdregel van artikel
                    4:13 Awb).</al><al> Indien het bevoegd gezag verzoekt om aanvulling wordt ingevolge de regeling van
                    artikel 4:15 Awb de beslistermijn voor de aanvraag om gebruiksvergunning
                    opgeschort. De opschorting van de termijn gaat in op de dag waarop het
                    bestuursorgaan de uitnodiging om de aanvraag aan te vullen verzendt en eindigt
                    op de dag waarop de aanvraag volledig is aangevuld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken. Hierdoor wordt de beslistermijn op de aanvraag
                    dus verlengd.</al><al> Als ezelsbruggetje kan dienen dat de periode gedurende welke de termijn is
                    opgeschort, opgeteld moet worden bij de beslistermijn op de aanvraag. Wordt een
                    aanvraag om gebruiksvergunning (beslistermijn: twaalf weken) opgeschort voor een
                    periode van bijvoorbeeld acht dagen (de tijd die loopt vanaf de verzending van
                    de uitnodiging door het bevoegd gezag om nadere gegevens in te dienen tot aan de
                    dag van het daadwerkelijk indienen van die gegevens door de aanvrager), dan
                    wordt de beslistermijn twaalf weken plus acht dagen.</al><al> Opvallend is dat artikel 4:5, lid 4 Awb spreekt van 'nadat' en 4:15 spreekt van
                    'tot'. Dit betekent dat de beslistermijn op de aanvraag gaat lopen op de laatste
                    dag van de gestelde termijn of op de dag dat voldoende gegevens zijn ingediend,
                    terwijl de beslistermijn om de aanvraag niet in behandeling te nemen gaat lopen
                    op de dag na het verstrijken van de gestelde termijn.</al><al> Op grond van artikel 3:40 jo 3:41 Awb moet de beslissing op de aanvraag op de
                    laatste dag van de termijn worden verzonden of uitgereikt. Zie ook de uitspraak
                    van de Vz. ARRS van 3 juni 1993, AB 1993, 538, m.nt. PvB, BR 1993, p. 604, m.nt.
                    Weerkamp.</al><al> Voor de berekening van de termijnen is artikel 145 Gemeentewet jo de Algemene
                    termijnenwet (wet van 25 juli 1964, Stb. 314) van belang. Op grond van artikel
                    4, sub a geldt deze wet niet voor termijnen van meer dan 12 weken.</al><al> Voorbeelden</al><al> Om deze ingewikkelde materie te verduidelijken, volgt hieronder een aantal
                    voorbeelden, waarbij is uitgegaan van een niet-schrikkeljaar:</al><al> Voorbeeld 1:</al><al> De aanvraag om gebruiksvergunning wordt ingediend op 3 januari. De termijn
                    begint te lopen op de dag van ontvangst van de aanvraag 3 januari en eindigt op
                    28 maart, waarbij de laatste dag dat de beslissing ter kennis kan worden
                    gebracht van de aanvrager 27 maart is. Op 10 januari constateert het bevoegd
                    gezag dat de aanvraag niet compleet is. Nog diezelfde dag wordt de aanvrager
                    hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, en wordt hij in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens in te dienen. De beslistermijn van de
                    gebruiksvergunning van twaalf weken (artikel 6.1.4, lid 1) wordt opgeschort
                    ingevolge artikel 4:15 van de Awb. Stel voor het indienen van de ontbrekende
                    gegevens heeft de aanvrager ingevolge artikel 6.1.3 vier weken. De laatste dag
                    dat de aanvrager de ontbrekende gegevens kan indienen is op 6 februari. Op 20
                    januari worden alle ontbrekende gegevens ingediend. De termijn is dus 10 dagen
                    opgeschort geweest, te weten van 10 januari tot en met 19 januari. De
                    beslistermijn begint op 20 januari weer te lopen. Bij de termijn van twaalf
                    weken worden dus tien dagen opgeteld. De beslissing moet derhalve uiterlijk op 6
                    april worden verzonden of uitgereikt.</al><al> Voorbeeld 2:</al><al> Ook hier wordt op 3 januari een aanvraag ingediend, waarvan op 10 januari wordt
                    geconstateerd dat deze niet compleet is. Wederom wordt op dezelfde dag de
                    aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, met het verzoek de
                    aanvraag aan te vullen. De beslistermijn van de gebruiksvergunning van twaalf
                    weken (artikel 6.1.4, lid 1 (Model)bouwverordening) wordt opgeschort ingevolge
                    artikel 4:15 van de Awb. De gestelde termijn als bedoeld in artikel 6.1.3
                    verstrijkt echter zonder dat er nadere gegevens worden overgelegd. Na het
                    verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 6.1.3 begint de beslistermijn
                    op de aanvraag om gebruiksvergunning weer te lopen. De termijn is dus 27 dagen
                    opgeschort geweest, te weten van 10 januari tot en met 6 februari. De
                    beslistermijn begint dus weer te lopen op 7 februari.</al><al> Het bevoegd gezag heeft nu de bevoegdheid om te besluiten de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Deze bevoegdheid kan worden ontleend aan artikel 4:5, lid
                    1, van de Awb. Het vierde lid van dit artikel eist wel dat het bevoegd gezag dit
                    besluit aan de aanvrager bekendmaken binnen vier weken nadat de aanvraag is
                    aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In
                    casu begint deze termijn te lopen op 7 februari en moet het besluit tot het niet
                    in behandeling nemen dus uiterlijk op 6 maart worden verzonden of uitgereikt.
                    Gebeurt dat niet, dan moet uiterlijk op 24 april de beslissing op de aanvraag
                    worden verzonden of uitgereikt. Dit is de termijn van twaalf weken, verlengd met
                    27 dagen.</al><al> De gebruiksvergunning kan niet eerder worden verleend dan de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> De verschillen in procedure van de behandeling van een aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en van een aanvraag om een
                    gebruiksvergunning zouden ertoe kunnen leiden dat de gebruiksvergunning eerder
                    wordt verleend dan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Omdat dit ongewenst
                    wordt geacht is in de volgende artikelen een regeling opgenomen die verhindert
                    dat de gebruiksvergunning eerder wordt verleend dan de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen, uiteraard voor zover beide vergunningen zijn vereist. Artikel 6.1.4,
                    derde lid, bepaalt dat de beslissing over de gebruiksvergunning wordt
                    aangehouden zolang niet is beslist over de omgevingsvergunning voor het bouwen.
                    En artikel 6.1.5 noemt onder letter b als weigeringgrond voor de
                    gebruiksvergunning de omstandigheid dat de omgevingsvergunning voor het bouwen
                    is geweigerd. Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al> Ingevolge het eerste lid moet het bevoegd gezag binnen twaalf weken na
                    ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien toepassing
                    is gegeven aan artikel 6.1.3 betekent dat, dat de termijn wordt opgeschort. Zie
                    hierover de toelichting bij artikel 6.1.3.</al><al> Het derde lid is gewenst ten einde te voorkomen dat voor een te bouwen bouwwerk
                    eerst een gebruiksvergunning wordt afgegeven en vervolgens de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen wordt geweigerd, dan wel dat een
                    gebruiksvergunning wordt afgegeven als nog niet aan een besluit tot toepassing
                    van bestuursdwang of opleggen van een dwangsom dan wel een besluit ingevolge
                    artikel 13 van de Woningwet is voldaan. Het spreekt vanzelf dat het hier gaat om
                    een handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
                    met betrekking tot de brandveiligheid. Voor de overzichtelijkheid is een
                    splitsing gemaakt in a en b. De duur van de aanhouding is niet aan een maximum
                    gebonden.</al><al> Met betrekking tot de omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden gesteld
                    dat de aanvrager het in zijn eigen macht heeft tijdig een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen aan te vragen. Een handhavingsbesluit dan wel een besluit
                    ingevolge artikel 13 van de Woningwet komt evenwel van de zijde van de gemeente.
                    De aanvrager heeft geen invloed op het tijdstip wanneer hij een
                    handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
                    krijgt.</al><al> Daarom is bepaald dat binnen twaalf weken - de termijn vermeld in het eerste
                    lid - een handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de
                    Woningwet door het bevoegd gezag moet zijn verzonden.</al><al> Voor zover dit lid kan worden aangemerkt als een coördinatiebepaling, geldt dit
                    alleen voor de termijn van beslissing en niet voor de inhoud van de beide
                    vergunningen. Inhoudelijke afstemming van vergunningen kan wenselijk zijn, doch
                    dient per gemeente te worden geregeld. Het gaat dan om een
                    internorganisatorische afspraak.</al><al> De termijn van zes weken uit het vierde lid is opgenomen in verband met
                    mogelijke bezwaarschriften die kunnen worden ingediend tegen de verleende
                    vergunning. De Awb stelt in artikel 6:7 de termijn voor het indienen van een
                    bezwaarschrift op zes weken.</al><al> Vanaf 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet
                    vervallen. Het gevolg daarvan is dat het niet naleven van de voorschriften van
                    het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening een overtreding vormt waartegen
                    direct met toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom
                    kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog een specifieke aanschrijving
                    vereist is. Voor wat betreft de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 gaat deze
                    systematiek vanaf genoemde datum voor alle gevallen gelden (artikel 1b
                    Woningwet), voor de bouwverordening wordt dezelfde systematiek geïntroduceerd in
                    de vorm van artikel 7b Woningwet. Deze vereenvoudiging houdt in dat het bevoegd
                    gezag, om de naleving van genoemde regelgeving af te dwingen, niet langer
                    gebruik hoeft te maken van een bijzondere aanschrijfbevoegdheid alvorens tot de
                    toepassing van bestuursdwang of de oplegging van een last onder dwangsom over te
                    kunnen gaan. In de nieuwe systematiek zal bij het niet voldoen aan genoemde
                    regelgeving sprake zijn van een overtreding waartegen direct met de generieke
                    handhavingsbevoegdheid van artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met de
                    artikelen 5:21 en volgende of de artikelen 5:32 en volgende van de Awb kan
                    worden opgetreden. Met deze bevoegdheid kan worden afgedwongen dat het bouwen of
                    de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats gaat voldoen aan de
                    betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de
                    staat of het gebruik van een open erf of terrein in overeenstemming is met de
                    bouwverordening.</al><al> Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 dan wel de bouwverordening, het bouwen of de staat van een
                    gebouw, ander bouwwerk of standplaats in strijd is en met welke voorzieningen
                    het bouwen of de staat van dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in
                    overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de
                    gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig
                    artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen
                    dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid van de Awb het verbeuren van een
                    dwangsom voorkomen. Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen
                    open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar,
                    beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening
                    te vragen.</al><al> In artikel 14a van de Woningwet wordt –evenals dat het geval was in het
                    vervallen artikel 21 Woningwet (oud)- bepaald dat degene tot wie een
                    handhavingsbesluit is gericht of zijn rechtsopvolger en iedere verdere
                    rechtsopvolger, verplicht is daaraan te voldoen. Artikel 5:24 Awb bepaalt dat in
                    spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij brandgevaar, de uitvoering van het
                    besluit tot toepassing van bestuursdwang direct ter hand kan worden genomen.
                    Toch kan voor het realiseren van de in het handhavingsbesluit verlangde
                    bouwkundige voorzieningen enige tijd nodig zijn. In het handhavingsbesluit wordt
                    daartoe een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende zelf in staat wordt
                    gesteld de overtreding te beëindigen. Indien het handhavingsbesluit betrekking
                    heeft op een bouwwerk dat reeds in gebruik is, kan het nodig zijn –wegens
                    genoemd gevaar- tijdelijk het gebruik te beëindigen. In artikel 100d van de
                    Woningwet wordt daarin vanaf 1 april 2007 voorzien. Artikel 15 van de Woningwet
                    bepaalt dat een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet gelijktijdig
                    kan worden genomen met een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                    van een last onder dwangsom, gericht op naleving van het eerstgenoemde
                    besluit.</al><al> Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al> Er wordt op gewezen dat de weigeringgronden limitatief en dwingend ('moeten')
                    zijn geformuleerd. Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al> Dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 59 Woningwet. Niet
                    genoemd is in dit artikel het intrekken van een vergunning op verzoek van degene
                    op wiens naam de vergunning is gesteld. Een dergelijke bepaling is overbodig,
                    omdat op verzoek van de houder een vergunning altijd kan worden ingetrokken.
                    Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al> De personen belast met de naleving van dit hoofdstuk zijn alle ambtenaren
                    belast met een algemene opsporingsbevoegdheid (politie), personen belast met het
                    toezicht op de hele bouwverordening (zie Woningwet), en personen die speciaal
                    zijn belast met het toezicht op dit hoofdstuk. Deze laatsten zullen veelal
                    brandweermensen zijn. Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van
                    brand en brandgevaar Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al> De hier bedoelde gebruikseisen hebben niet het karakter van
                    vergunningvoorschriften. De gebruikseisen hebben een directe werking, zogenoemde
                    directe normstelling. In de bijlage vindt een nadere clausulering plaats naar
                    omstandigheden. Bepaalde eisen gelden derhalve slechts in bepaalde
                    omstandigheden. De voorkeur voor bijlagen in plaats van vermelding direct in de
                    verordening berust hierop dat een bijlage in kopie kan worden verstrekt aan
                    iemand die een bouwwerk exploiteert en daarmee nog eens kan worden gewezen op de
                    voor hem of haar geldende eisen. Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke
                    stoffen</al><al> In beginsel is het verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig
                    te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen
                    gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte
                    voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk
                    gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de
                    ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</al><al> De aanwezige stoffen moeten volgens de aanwijzingen op de verpakking worden
                    gebruikt en mogen uitsluitend op de in bijlage 5 aangegeven wijze worden
                    opgeslagen. Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al> Vervallen Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen
                    bij brand Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al> Brandbeveiligingsvoorzieningen en vluchtroutes moeten altijd voor onmiddellijk
                    gebruik beschikbaar zijn. Het is verboden om het gebruik van deze
                    brandbeveiligingsvoorzieningen te belemmeren. De als Nederlandse norm aanvaarde
                    Europese norm NEN-EN 671-1 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen –
                    deel 1: Brandslanghaspels met vormvaste slang’ geeft richtlijnen zodat het
                    efficiënt gebruik van brandslangsystemen is gegarandeerd.</al><al> In hoofdstuk 8 van deze norm worden eisen gesteld aan de kasten waarin
                    brandslanghaspels opgehangen kunnen worden. Volgens NEN-EN 671-1 is het
                    toegestaan brandslanghaspelkasten te voorzien van een deur en een slot. Het
                    toepassen van een slot is uitsluitend toegestaan wanneer er op de kast een
                    breekruitje is aangebracht waarmee de kast kan worden geopend. Wanneer het
                    breekruitje wordt ingedrukt, mogen er geen scherpe randen aanwezig zijn waardoor
                    mensen zich kunnen bezeren. Om in geval van controle en onderhoud de kast te
                    kunnen openen, moet het slot met een sleutel geopend kunnen worden, zodat het
                    breekruitje niet steeds vervangen hoeft te worden. Handbrandmelders en
                    automatische brandmelders mogen niet zodanig afgeschermd worden dat de goede
                    werking wordt belemmerd.</al><al> Alle voorzieningen voor ontvluchting en redding van personen en dieren moeten
                    onmiddellijk beschikbaar zijn.</al><al> De opsomming van genoemde voorbeelden is oneindig.</al><al> Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid Artikel 6.4.1 Hinder in
                    verband met de brandveiligheid</al><al> Artikel 6.4.1 geeft aan dat de volgende situaties verboden zijn:</al><al> - Het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in de gemeenschappelijke
                    trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen;</al><al> - Veroorzaken van brandgevaar door het opslaan van brandbaar materiaal;</al><al> - Veroorzaken van brandgevaar door het toepassen van bekleding, stoffering en
                    versiering. In de toelichting bij artikel 2 van bijlage 4 wordt een handvat
                    gegeven ten aanzien van brandveilig gebruik van bekleding, stoffering en
                    versiering. Deze moet ten minste voldoen aan de eisen ten aanzien van de brand-
                    en rookklassen zoals gesteld in het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden
                    voor constructieonderdelen. Afhankelijk van de aard en de situatie kunnen aan de
                    bekleding, stoffering en versiering hogere eisen worden gesteld door het bevoegd
                    gezag.</al><al> - Het op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze verspreiden van
                    vonken en roet ten gevolge van zogenaamde allesbranders, open haarden en
                    barbecues;</al><al> - Het zodanig verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-,
                    wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling
                    bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, dat het gebruik aanleiding
                    kan geven tot het ontstaan van brand.</al><al> - Het belemmeren van het gebruik van vluchtmogelijkheden. Dit betekent dat de
                    volgende voorzieningen noodzakelijk zijn:</al><al> o wanneer gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang en nooduitgang
                    e.d. zodanig zijn aangebracht, moeten deze met de deuren meedraaien en nooit het
                    openen van de deuren belemmeren en/of verhinderen;</al><al> o kabels en snoeren die over de vloer lopen, worden met goede plakstrips
                    vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt voorkomen;</al><al> o indien er sprake is van rookvorming, veroorzaakt door bijvoorbeeld een
                    rookapparaat of koudijs of op andere wijze gemaakt, verhindert dit nooit een
                    snelle ontruiming;</al><al> o vloer- en trapbedekkingen worden zodanig aangebracht dat zij niet kunnen
                    verschuiven, omkrullen of oprollen. Vloer- en trapbedekkingen veroorzaken nooit
                    gevaar voor uitglijden, struikelen of vallen;</al><al> o obstakels in een vluchtroute zijn niet toegestaan;</al><al> o vluchtroutes moeten voldoende stroef zijn. Dit wil zeggen dat er geen kans
                    bestaat dat mensen uitglijden. Gladheid als gevolg van regenval moet voorkomen
                    worden en de vluchtroute moet vrijgehouden worden van sneeuw en ijs. Daarnaast
                    moet de volgende maatregelen genomen worden om brandgevaar te voorkomen:</al><al> - In het bouwwerk mogen geen verwarmingstoestellen met afvoergelegenheid voor
                    rookgassen aanwezig zijn zonder dat deze op een rookkanaal zijn
                    aangesloten;</al><al> - Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast
                    opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de verbinding door middel
                    van een slang plaatsvindt, dan moet dit een KIWA goedgekeurde slang zijn. De
                    slang moet met deugdelijke slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn;</al><al> - De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn;</al><al> - Kaarsen moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk ontvlambare,
                    standaards zijn vastgezet;</al><al> - Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten
                    containers van moeilijk brandbaar materiaal, voorzover de containers binnen het
                    bouwwerk zijn opgesteld;</al><al> - Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden geleegd in
                    afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. De inhoud van deze
                    asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn
                    voorzien, worden gedeponeerd</al><al> - Voor iedere voorstelling moet de ruimte onder de tribunes van papier en ander
                    afval zijn ontdaan;</al><al> - Decorstukken mogen niet onder het brandscherm doorgebouw worden;</al><al> - Het brandscherm mag tijdens de aanwezigheid van publiek in de zaal alléén
                    geopend zijn, indien er een door de commandant van de brandweer erkende
                    theaterwacht bij het bedieningsmechanisme aanwezig is;</al><al> - Het gebruik van vuurwerk in een gebouw is verboden;</al><al> - Het gebruik van open vuur in een gebouw is verboden.</al><al> De lijst met genoemde voorbeelden is niet limitatief. Er zijn meerdere
                    voorbeelden te bedenken. </al><al> 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al> Algemeen</al><al> De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen,
                    bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in
                    elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in
                    de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. Het brandveilig gebruik,
                    genoemd in de opsomming van artikel 8 Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6
                    van deze verordening. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><al> Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</al><al> Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en
                    woonketen</al><al> Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet. Zij
                    zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist,
                    van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te
                    balanceren.</al><al> Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen
                    tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel
                    7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:</al><al> 'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt
                    bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien
                    verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste
                    12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al><al> Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                    woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen
                    in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins
                    gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                    kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                    wenselijk en mogelijk. Overigens moet voor de wat grotere woongebouwen die geen
                    gewone één- en meergezinshuizen zijn, afhankelijk van het aantal aanwezige
                    personen worden beschikt over een vergunning op grond van artikel 6.1.1 van deze
                    bouwverordening ('vergunning brandveilig gebruik') Artikel 7.1.1 Overbevolking
                    van woningen</al><al> De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in
                    principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten,
                    respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.</al><al> Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1. Artikel 7.1.2
                    Overbevolking van woonwagens en woonketen</al><al> De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in
                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil
                    in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit. </al><al> Paragraaf 2 Staken van het gebruik Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot
                    gebruik en staken van gebruik</al><al> Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                    Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot
                    het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik.
                    Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van
                    een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld
                    worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is
                    gelegen.</al><al> Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in de
                    artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking van het
                    bevoegd gezag. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als
                    een mededeling van feitelijke aard.</al><al> Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel 7.3.1
                    Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van
                    de bestemming</al><al> Reden tot vervallen van artikel 7.3.1</al><al> Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                    overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                    voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                    bepaling.</al><al> De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV.</al><al> Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van
                    1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening te
                    regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer
                    is voor een op artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van
                    artikel 352 MBV moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8
                    van de Woningwet.</al><al> De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot
                    het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                    gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1
                    verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren
                    sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere
                    jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV
                    opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de gemeente bij invoering
                    van de nieuwe bouwverordening de oude bouwverordening en dus ook artikel 352
                    ingetrokken.</al><al> Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van
                    een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                    bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze
                    kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel
                    geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering kan als
                    nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk andersluidende
                    uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat in de toekomst een
                    ander oordeel is te verwachten. Derhalve is artikel 7.3.1 geschrapt.</al><al> Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV niet
                    is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft op het
                    moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is ingetrokken.</al><al> Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de
                    toelichting die daarop betrekking heeft.</al><al> Artikel 352 MBV 1965</al><al> Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet
                    zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                    complement op de artikelen 10 en 12 van die wet.</al><al> Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q.
                    voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het
                    plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan
                    het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden
                    geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.
                    Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld,
                    in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt
                    voor het gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352 buiten werking. De
                    aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet
                    binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog
                    steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling
                    vooralsnog nodig blijft.</al><al> Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en
                    kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een omgevingsvergunning voor
                    het bouwen. Artikel 7.3.2 Hinder</al><al> De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965.</al><al> Het oude artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is
                    gebaseerd op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op grond
                    van de Woningwet op grond van de Woningwet dus mogelijk maakt.</al><al> Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van
                    schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene
                    plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een APV is
                    geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de bouwverordening te worden
                    opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere overlapping van het
                    onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar artikel in de Model-APV (art.
                    4.4.1). Gelet op doel en strekking van de bouwverordening zal artikel 7.3.2
                    voornamelijk toepassing kunnen vinden als er een relatie kan worden gelegd met
                    bouwen of bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct behorende tot een
                    bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar bepaalde voor de omgeving
                    hinder veroorzakende activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen in, op, aan
                    of nabij een bouwwerk gebeurt is dit artikel in de bouwverordening nodig.</al><al> Voor zover het hinder in verband met de brandveiligheid betreft, ware in plaats
                    van artikel 7.3.2 toe te passen artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan onder meer
                    worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen of
                    voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde
                    gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het
                    veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere
                    wettelijke voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op
                    gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare
                    vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen
                    of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van
                    verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt.</al><al> Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen
                    die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein
                    zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels
                    gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen
                    een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                    aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van
                    sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                    overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende
                    aantoonbaar.</al><al> In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                    artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</al><al> Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                    artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                    maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                    rechtvaardigen.</al><al> Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen die geluid produceren
                    een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.</al><al> Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                    vergunningplichtige inrichtingen.</al><al> Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geldt
                    het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit besluit stelt
                    dat de gemeenteraad bij verordening twaalf dagen (of dagdelen) aanwijst waarop
                    de voorschriften 2.1 tot en met 2.6 van het Besluit niet van toepassing zijn.
                    Ter uitvoering van deze plicht en in verband met de inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer is de Model-APV herzien waarbij de het bevoegd gezagbevoegd is om
                    voor het houden van festiviteiten dagen of dagdelen aan te wijzen waarop
                    horeca-inrichtingen de voorschriften met betrekking tot geluid- en
                    trillinghinder niet hoeven na te leven. (Model-APV artikelen 4.1.1 tot en met
                    4.1.4). Het lijkt alleszins redelijk in de periode dat deze zogenaamde
                    twaalfdagenregeling geldt voor de geluidsoverlast afkomstig van
                    horeca-inrichtingen geen toepassing te geven aan artikel 7.3.2 van de
                    (Model-)bouwverordening. </al><al> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel
                    7.4.1 Preventie</al><al> Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                    schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid.
                    Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de
                    duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar.</al><al> Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1. Paragraaf 5 Watergebruik Artikel
                    7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al> Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de
                    beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 tot en met
                    7.2.3. Paragraaf 6 Installaties Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van
                    installaties</al><al> In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of
                    de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al> Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                    terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte
                    opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al> N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                    veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                    Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust. 8 Slopen</al><al> Algemeen</al><al> Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In
                    dit hoofdstuk is een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de
                    vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke
                    sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de
                    bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel
                    mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief
                    gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze
                    toelichting daarop verwijzen wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren
                    van een nieuwe beschikking, de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is
                    in de bouwverordening het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren
                    afdoende te regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van
                    zaken en de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet
                    haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest -
                    voor zover niet kan worden volstaan met een melding - in het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven.</al><al> Asbest</al><al> In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het Asbestverwijderingsbesluit
                    gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het Asbestverwijderingsbesluit 2005,
                    Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                    stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van
                    asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het
                    besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe
                    werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                    regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                    bouwverordening zijn bindend voor de burger.</al><al> Het laatstgenoemde besluit is in werking getreden op 1 maart 2006. In de daarop
                    volgende zin wordt het zinsdeel ‘de artikelen 2, 3, 4 en 9’ vervangen door ‘de
                    artikelen 10 en 11. Artikel 8, negende lid, van de Woningwet bepaalt dat de
                    gemeenteraad een jaar de tijd heeft om dit deel van het besluit - in casu de
                    artikelen 2, 3, 4 en 9 - in de bouwverordening op te nemen en dus uiterlijk op
                    18 juni 1994 van kracht te doen zijn.</al><al> Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al> Incident</al><al> Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit),
                    zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid
                    van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van
                    een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                    asbestbranden”.</al><al> Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al> Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al> Certificering</al><al> Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> De instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting
                    Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl, fax:
                    0317-425725, website: www.ascert.nl.</al><al> Risicoklasse</al><al> Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al> De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al> Intensivering van de handhaving</al><al> Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de sloopvoorschriften.</al><al> De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving asbest van 12 februari 2007,
                    Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving van de voorschriften over
                    asbestverwijdering en de LOMprojecten over ketenhandhaving asbest.</al><al> De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland publiceert in de eerste helft
                    van 2007 de “Handreiking slopen. Vergunningverlening, controle en handhaving”.
                    Deze handreiking staat ook op de site van deze vereniging:
                    www.vereniging-bwt.nl</al><al> Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de voorschriften over
                    asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het ministerie
                    van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil,
                    de vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM. Paragraaf 1 Sloopvergunning
                    Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</al><al> De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
                    moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld.</al><al> De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis
                    voor de sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen van de
                    sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb.</al><al> Lid 1</al><al> Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en
                    handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen, zonder
                    afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang. Veel van wat
                    behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van veranderingen van
                    ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden onderworpen aan een
                    sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat sloopafval.</al><al> Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in artikel
                    8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende
                    interne verbouwingen.</al><al> Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                    meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                    vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al> Lid 2</al><al> Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het
                    te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een
                    gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de
                    sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren.</al><al> Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10
                    m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om
                    kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens
                    het ontbreken van een sloopvergunning. Overigens verwachten wij deze ontduiking
                    niet, omdat puin afvoeren naar een puinbreker aanzienlijk minder kost dan
                    storten op een stortplaats.</al><al> Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.</al><al> Lid 3</al><al> Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden
                    verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                    vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d.
                    Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                    scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                    detaillering.</al><al> Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen
                    genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al> Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerken</al><al> Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het
                    bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en
                    het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat
                    deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard
                    behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet
                    nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede
                    afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de
                    directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld.
                    Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                    veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de
                    sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie.
                    Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                    aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2,
                    tweede lid.</al><al> Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de
                    gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                    voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de sloopvergunning voorschriften verbonden ter
                    voorkoming van deze strijdigheid.</al><al> Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al> Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van
                    gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer
                    dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en
                    transpor-teurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan
                    bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning
                    ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de sloopvergunning mogen geen
                    'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar
                    bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder
                    zijn.</al><al> De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften.</al><al> De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en samenstelling van het
                    te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige
                    bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest minimale scheiding
                    vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al> Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest
                    en overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties
                    als voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen:</al><al> - steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al> - bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al> - met PAKS verontreinigde materialen;</al><al> - asfalt;</al><al> - dakgrind;</al><al> - glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al><al> De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al> Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                    bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel
                    5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                    gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                    sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</al><al> Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</al><al> Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een
                    vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen
                    bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke
                    hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en
                    voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder
                    bewerkings- en verwerkingscapaciteit.</al><al> Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al> Het is van belang dat voordat een aanvraag om sloopvergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan:</al><al> • - wat kan worden hergebruikt;</al><al> • - wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al><al> • - kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al><al> • - aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al><al> • - wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders en
                    inzamelaars.</al><al> Onderzoek</al><al> Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de volgende
                    onderzoeken plaatsvinden:</al><al> Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                    daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter f);</al><al> Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen
                    bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met gevaarlijke
                    afvalstoffen (voorheen: chemische afvalstoffen) als bedoeld in het BAGA, dient
                    een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet
                    het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning
                    worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde lid);</al><al> Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest aanwezig is,
                    moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2, daarover bij het indienen
                    van een aanvraag om sloopvergunning gegevens worden ingediend. Op grond van
                    artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht
                    naar de aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe
                    gecertificeerd bedrijf.</al><al> Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                    vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de
                    sloopvergunning een handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter
                    in de voorwaarden van de sloopvergunning verplicht is gesteld om op de
                    slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande
                    scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen in zijn
                    beschouwing betrekken.</al><al> Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</al><al> Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de
                    producenten van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten
                    van kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze twee
                    deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al> De VKG heeft met het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst
                    gesloten over de inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en
                    deuren. Daartoe zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen en
                    herverwerken van alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al> De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend
                    voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden
                    afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al> Andere inzamelsystemen</al><al> Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie.</al><al> Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al> De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De
                    artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met
                    het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls nog niet
                    bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om sloopvergunning. Deze
                    gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling
                    nemen.</al><al> In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                    uiterlijk... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                    sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden
                    is belast worden overgelegd aan het bevoegd gezag of de directeur van het
                    (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al> Het gebruik van een mobiele puinbreker</al><al> In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening sinds omstreeks
                    1996 een regeling voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers op
                    slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de
                    gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men de
                    desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke, provinciale
                    voorschriften terzake gelden.</al><al> In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                    blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                    zinvol. Zulke voorschriften stonden tot en met de derde serie wijzigingen ook in
                    de Model-bouwverordening 1992. Zij bestonden uit:</al><al> a. een extra tekstelement in de opsomming van het derde lid, luidende: x het
                    gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is opgesteld op de sloopplaats,
                    voorzover de toestemming, als bedoeld in het vijfde lid, van toepassing is;</al><al> b. een vijfde lid, luidende: 5 Het bewerken van het sloopafval op de plaats
                    waar dit afval vrijkomt, is niet toegestaan.</al><al> Op verzoek van de aanvrager van de sloopvergunning kan, onder in de vergunning
                    te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton en
                    metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                    puinbreekinrichting.</al><al> Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15 januari 2004, Stb. 2004,
                    25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele brekers en is in werking
                    getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke
                    bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over mobiele brekers van
                    rechtswege vervallen. De hogere regeling treedt in de plaats van de lagere
                    regeling.</al><al> Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                    toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan
                    een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval
                    wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie
                    maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te
                    bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de
                    breker is opgesteld.</al><al> Interessant is de uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst. 7208, 90 m.nt. Nijmeijer
                    en Teunissen. Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een omgevingsvergunning voor
                    het bouwenplichtig bouwwerk. De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is
                    hierop van toepassing.</al><al> Lid 4</al><al> Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                    Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                    bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval
                    zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De
                    tweede zin verplicht het bevoegd gezag over het afzonderlijk gereed maken voor
                    de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn waarbinnen dit moet
                    gebeuren een voorschrift in de vergunning op te nemen. Deze verplichting staat
                    in artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Lid 5</al><al> Indien op grond van het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet een
                    tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden
                    bouwwerk, is verleend en daarin voorschriften zijn opgenomen over het slopen van
                    het tijdelijke bouwwerk – meestal in de zin van het uit elkaar nemen en opslaan
                    van de onderdelen van het bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt opgebouwd -
                    is daarvoor geen afzonderlijke sloopvergunning nodig. De tijdelijke
                    omgevingsvergunning voor het bouwen dient de nodige voorschriften te bevatten
                    voor het slopen van het bouwwerk. Uit de Memorie van Toelichting bij de
                    Woningwet blijkt dat met name gedacht wordt aan strandpaviljoens, bouwwerken
                    voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d. Artikel 8.1.2 Aanvraag
                    sloopvergunning</al><al> Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de zin
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de zogeheten
                    Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van toepassing op de
                    behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt niet zinvol, deze UOV
                    van toepassing te verklaren op de sloopvergunning. Aanvullend op de eisen die in
                    dit artikel zijn gesteld gelden de voorschriften van de Awb over het indienen
                    van verzoeken om besluiten, indienen door een gemachtigde enz.</al><al> Leden 1 en 2</al><al> Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                    verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coerdinatie tussen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie
                    voorts artikel 8.1.5, tweede lid. Ook wanneer een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen is vereist en het bouwen tevens (gedeeltelijk) slopen inhoudt is een
                    sloopvergunning vereist. De omgevingsvergunning voor het bouwen houdt derhalve
                    niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze situatie van samenloop van twee
                    vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid, bedoeld. De aanvrager is niet
                    verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan te vragen. Doet hij dit wel, dan
                    heeft dit voor hem (en overigens ook voor de gemeente) enige procedurele
                    voordelen.</al><al> De in te dienen gegevens over de aanwezigheid van asbest in een te slopen
                    bouwwerk en de plaatsen waar dit asbest zich bevindt dienen om een juist beeld
                    te krijgen van de verwijdering van asbest en om vast te stellen welke overige
                    bepalingen van de bouwverordening hierop van toepassing zijn.</al><al> Een asbestinventarisatierapport, waaruit blijkt waar het asbest zich bevindt,
                    opgesteld door een deskundig bedrijf, is verplicht. Een dergelijk rapport
                    behoeft niet te worden overgelegd indien een van de gevallen zich voordoet als
                    bedoeld in het derde of vierde lid.</al><al> Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op grote schaal
                    asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer asbestcementgolfplaten als
                    dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de agrarische sector in verscheidene
                    streken van Nederland initiatieven tot projectmatige asbestverwijdering vanaf
                    een reeks agrarische bedrijfsgebouwen in de gemeente. Het verlenen van één
                    enkele zogenaamde paraplusloopvergunning voor het gehele
                    asbestverwijderingsproject is in dat geval minder omslachtig dan het verlenen
                    van individuele sloopvergunningen voor de verwijderingswerkzaamheden aan ieder
                    agrarisch bedrijfsgebouw afzonderlijk.</al><al> Een dergelijke paraplusloopvergunning behoeft niet op juridische bezwaren te
                    stuiten, indien een nauwkeurige plaatsaanduiding van alle agrarische
                    bedrijfsgebouwen die in het kader van dat asbestverwijderingsproject zullen
                    worden aangepakt, wordt opgenomen in de vergunningaanvraag. Aldus komen ook voor
                    paraplusloopvergunningen tijdig en volledig de gegevens beschikbaar die
                    noodzakelijk zijn, omdat vergunningen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
                    vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Zie voor een verdere toelichting op de
                    consequenties van laatstgenoemde wet voor sloopvergunningen de aanhef van de
                    toelichting op het onderhavige artikel.</al><al> Een sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede lid is te
                    vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 1.2.5 onder a van
                    de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is slechts nodig in enkele
                    risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan behoort zeker niet tot de
                    standaardbescheiden bij een aanvraag om sloopvergunning. In een overleg
                    voorafgaande aan het indienen van een aanvraag kan blijken of een dergelijk plan
                    nodig is.</al><al> De zinsnede 'en voorts, indien van toepassing' duidt erop dat slechts indien
                    door of namens het bevoegd gezag het opstellen van een sloopveiligheidsplan van
                    toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te worden voldaan. Over het
                    tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt verwezen naar het eerste lid van
                    artikel 8.1.3 en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al> Lid 3</al><al> Algemeen</al><al> De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt dat
                    het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt aan hem
                    de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is gebaseerd.
                    Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk zijn dat er geen
                    asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van VROM, de
                    bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de aanvrager van
                    een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen sprake is van
                    verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van het bevoegd gezag
                    moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn opgesomd in het onderhavige lid 3.
                    Dit lid is een direct werkend voorschrift, waarop de indiener van een verzoek om
                    sloopvergunning zich kan beroepen door op het aanvraagformulier aan te geven dat
                    en waarom geen onderzoeksrapport is bijgevoegd.</al><al> De gedachte achter deze inventarisatie is dat wordt voorkomen dat de plicht tot
                    het doen van een onderzoek naar asbest onevenredig hoge maatschappelijke kosten
                    met zich brengt, omdat de kans op de aanwezigheid van asbest niet in verhouding
                    tot die kosten staat. In sommige gevallen is het evident dat het te slopen
                    bouwwerk geen asbest bevat. In andere gevallen kan de aanvrager zelf constateren
                    dat er vermoedelijk geen asbest aanwezig is. Bij de inventarisatie van de
                    gevallen waarin de aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat er geen
                    sprake is van verwijdering van asbest, is als richtlijn genomen dat het
                    bouwwerk, gelet op bouwconstructie en gebruikte materialen, betrekkelijk
                    eenvoudig moet zijn. Niet valt uit te sluiten dat zich in de praktijk
                    vergelijkbare gevallen zullen aandienen, waarin gemeente en aanvrager het erover
                    eens zijn dat aannemelijk is dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Het
                    voorstel biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van het bevoegd
                    gezag in andere, vergelijkbare gevallen of op andere, vergelijkbare wijze aan te
                    tonen dat de verplichting om een onderzoek door een deskundig bedrijf te
                    overleggen niet van toepassing is.</al><al> Onder b</al><al> Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat - voorafgaand aan met name grote
                    sloopprojecten - een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond.</al><al> Deze onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien daarin
                    aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen worden
                    gesteld. Het bevoegd gezag bepalen, zo nodig met externe ondersteuning, of het
                    onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het onderzoeksrapport niet aan deze
                    eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek door een deskundig
                    asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden.</al><al> Een dergelijk onderzoek kan als voldoende deskundig uitgevoerd worden
                    beschouwd, indien het aan de volgende criteria voldoet:</al><al> - De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in principe
                    dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in beoordelingsrichtlijn BRL 5052,
                    uitgave 1998.</al><al> - De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet duidelijk
                    omschreven zijn.</al><al> - Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen met een
                    aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende materialen.</al><al> Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                    woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend uit
                    het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA).</al><al> Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                    onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten:</al><al> - een samenvatting;</al><al> - de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met informatie
                    uit desk research;</al><al> - de bemonstering;</al><al> - de laboratoriumanalyses;</al><al> - een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van bevestiging
                    van het asbestbevattende materiaal;</al><al> - een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar waar
                    mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is.</al><al> De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                    verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993 heeft
                    plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de aanwezigheid van
                    asbest zal geven.</al><al> Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen bij de beoordeling worden betrokken
                    indien uit de schriftelijke verklaring blijkt dat de onderzochte situatie later
                    niet meer gewijzigd is. Hiervoor kan onder andere informatie ingewonnen worden
                    bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al><al> Onder c</al><al> De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                    opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                    januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken die
                    na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest.
                    Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk stuk
                    overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel van het
                    bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd.</al><al> Onder d</al><al> Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager bekend
                    zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde verbouwingen kan
                    worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de fabrikant dat het
                    hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze situatie is echter niet
                    beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van tussentijds aangebrachte
                    voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende voorzieningen, dient te worden
                    aangetoond dat deze geen asbest bevatten. Hiervoor kan onder andere informatie
                    ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al><al> Onder e</al><al> Sinds de risico's van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                    fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij is
                    van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers bij
                    gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen van de
                    fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is gebruikt.
                    Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige situatie onnodig;
                    voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze verklaringen worden volstaan.
                    Onder verwijdering van bepaalde materialen wordt bijvoorbeeld verstaan
                    verwijdering van vinylvloerbedekking of standleidingen uit een serie woningen.
                    Zie ook de toelichting onder f.</al><al> Visuele inspectie</al><al> De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een visuele inspectie de
                    aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11e serie van wijzigingen
                    vervallen.</al><al> De visuele inspectie aan de hand van de checklist van bijlage 8 van de
                    bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie tussen de gemeente en de
                    aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet worden uitgegaan van
                    asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de visuele inspectie voldoende
                    houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest aanwezig is. Mede gelet op de
                    strekking van het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit om minder uitzonderingen toe
                    te laten op de asbestinventarisatieplicht dan voorheen het geval was, is de
                    visuele inspectie aan de hand van de toen bestaande checklist bijlage 8
                    vervallen.</al><al> De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als bijlage bij de
                    toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering.</al><al> Het vierde lid dat handelt over de verplichte asbestinventarisatie is
                    aangescherpt in die zin dat de gevallen waarin een dergelijk
                    inventarisatierapport niet behoeft te worden overgelegd bij de aanvraag om
                    sloopvergunning is beperkt. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de tekst van
                    artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte “…
                    beschikt … over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De
                    combinatie van de herziene leden 3 en 4 van artikel beoogt hier invulling aan te
                    geven.</al><al> Lid 4</al><al> Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                    slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                    criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                    asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. Deze criteria zijn
                    ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit besluit wordt in
                    artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die voornemens
                    is te slopen. In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee situaties genoemd
                    waarin het niet nodig is een asbestinventarisatierapport te doen opstellen.
                    Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde lid en het vierde lid
                    voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                    vereist.</al><al> Lid 5</al><al> Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                    historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                    historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan te
                    treffen en de daaraan te verbinden conclusie - wel of geen onderzoek instellen -
                    is vooroverleg met de gemeente verstandig.</al><al> Lid 6</al><al> Het aantalvoud waarin de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten
                    worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                    plaatselijke organisatie.</al><al> Het opstellen van een sloopveiligheidsplan</al><al> Analoog aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of een
                    omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge verkeersintensiteit, de
                    externe veiligheid bijzondere aandacht vergen.</al><al> De maatregelen die de aanvrager om sloopvergunning denkt te nemen, moeten
                    voorafgaand aan de sloop aan de hand van een sloopveiligheidsplan kunnen worden
                    getoetst. Er wordt met nadruk op gewezen dat het sloopveiligheidsplan als
                    bedoeld in dit artikel alleen betrekking heeft op de weg, de in de weg gelegen
                    werken, de weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                    gebruikers.</al><al> Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig</al><al> Indien de bedreigingen die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage 5
                    van de toelichting) zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen buiten de
                    afgrenzing van het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om deze
                    bedreigingen weg te nemen. Afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden
                    kan het nodig zijn deze maatregelen in een sloopveiligheidsplan op te nemen
                    (bijlage 6 van de toelichting).</al><al> Een sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig indien de locatiespecifieke
                    omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder een dergelijk plan voor het
                    bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de externe veiligheid op voorhand
                    afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk sprake is van bedreiging(en) van de
                    externe veiligheid. Aan de hand van enkele voorbeelden is hierna één en ander
                    verduidelijkt.</al><al> Wat is de inhoud van het sloopveiligheidsplan</al><al> De inhoud van het sloopveiligheidsplan is afhankelijk van de locatiespecifieke
                    omstandigheden. In de in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist wordt
                    voor de verschillende bedreigde objecten en functies een aantal mogelijke
                    maatregelen gegeven die in het sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De
                    aanvrager om sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige
                    maatregelen opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de
                    toelichting is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een
                    sloopveiligheidsplan.</al><al> Toetsing van het sloopveiligheidsplan</al><al> De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde objecten
                    en functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het opstellen en
                    toetsen van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de betreffende situatie
                    en voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met de in de checklist
                    gegeven objecten, functies en maatregelen.</al><al> Vooroverleg</al><al> Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                    vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen dienen
                    bij een vooroverleg de met de sloop samenhangende bedreigingen, de bedreigde
                    objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend te zijn,
                    zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan worden bepaald of
                    er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het sloopveiligheidsplan
                    zich op dient te richten.</al><al> Voorbeelden</al><al> Voorbeeld 1: Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20 m)
                    drukke winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto's. De weg dient
                    gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven vervullen.
                    De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te slopen gebouw.
                    Voor slopen van het dak is een kraan nodig.</al><al> Het zal duidelijk zijn dat in deze complexe situatie de externe veiligheid een
                    belangrijke rol speelt. In het sloopveiligheidsplan zullen opgenomen moeten
                    worden:</al><al> - gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt (dit kan
                    inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden gesloopt);</al><al> - de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals bijvoorbeeld
                    uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of voetgangertunnels;</al><al> - de verkeerscirculatie gedurende de sloop;</al><al> - de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram;</al><al> - het tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de hijswerkzaamheden.</al><al> Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er is
                    te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten worden
                    gewerkt.</al><al> In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten worden geschonken
                    aan:</al><al> - de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan;</al><al> - de draagkracht van het wegdek;</al><al> - de duur, het tijdstip van de werkzaamheden;</al><al> - het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van de
                    hijslast of delen daarvan;</al><al> - eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken.</al><al> Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft ook
                    de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De gevel van
                    het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is sprake van
                    gemeenschappelijke bouwmuren. De belendende panden zijn oud, in een matige staat
                    en bezitten een historische waarde.</al><al> In het sloopveiligheidsplan zullen de volgende aspecten minimaal aan de orde
                    moeten komen:</al><al> - stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                    steunconstructie;</al><al> - sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen;</al><al> - bemaling in verband met grondwaterstand;</al><al> - stabiliteit belendingen in verband met bouwput;</al><al> - verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur.</al><al> Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                    midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten minste
                    500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is er geen
                    sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand tot de
                    openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan noodzakelijk.</al><al> Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt gesloopt
                    kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop buitenwand
                    (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat deze wand
                    regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan voldoen aan de
                    eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie zoals bedoeld in het
                    Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan vooraf worden besproken
                    tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is een privaatrechtelijke
                    aangelegenheid. De overheid kan volstaan met het stellen van voorschriften tot
                    het voorkomen van schade.</al><al> Voorbeeld 6: Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het
                    bouwwerk blijft bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen
                    sloopmethode en de samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een
                    voorschrift op te nemen over het voorkomen van brand.</al><al> Aanbevelingen</al><al> Het opvolgen van de onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid
                    tijdens het slopen vergroten:</al><al> - vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt;</al><al> - voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het moment dat
                    sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is of een
                    sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan moet zijn. Een
                    mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met betrekking tot de externe
                    veiligheid op te nemen; (Deze aspecten worden niet als voorschrift aan de
                    sloopvergunning verbonden, omdat zij van privaatrechtelijke aard zijn).</al><al> - zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan wordt
                    momenteel gewerkt door de brancheorganisaties);</al><al> - indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het gebied
                    van sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden ingeschakeld.</al><al> In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting
                    bevinden worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan.'</al><al> Lid 7</al><al> Met betrekking tot het zevende lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te
                    doen.</al><al> Leden 12 en 13</al><al> Het bepaalde in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van het
                    Asbestverwijderingsbesluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een bouwwerk
                    zowel een vergunning als een melding is vereist. Indien een deel van de
                    sloopwerkzaamheden vergunningplichtig is en een deel meldingplichtig, is het
                    geheel van sloopwerkzaamheden vergunningplichtig en is derhalve het
                    meldingplichtige gedeelte begrepen in de sloopvergunning.</al><al> Indien per abuis een vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan worden
                    met een melding, wordt de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als melding.
                    Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al> Lid 1</al><al> Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Dit
                    is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat de aanvrager
                    in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde
                    termijn de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke mededeling is een beschikking
                    in de zin van de Awb.</al><al> Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de procedure de toelichting bij
                    artikel 6.1.3. Het daar gestelde met betrekking tot de gebruiksvergunning geldt
                    mutatis mutandis ook voor de sloopvergunning.</al><al> Omdat bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning nog geen
                    onderzoeksplicht geldt, kan het gebeuren dat de aanvrager op grond van eigen
                    inzichten meent dat zich in het te slopen bouwwerk geen asbest bevindt, doch dat
                    het bevoegd gezag op grond van hun ter beschikking staande gegevens menen dat
                    het te slopen bouwwerk wel asbest bevat. Indien het bevoegd gezag voldoende
                    zeker is van hun zaak stellen zij op grond van de tweede zin van dit lid de
                    aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende gegevens over de aanwezigheid van
                    asbest aan te vullen binnen vier weken.</al><al> Lid 2</al><al> Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk uitvoert buiten
                    de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. Deze gegevens mogen op een later
                    tijdstip doch voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden worden ingediend. Zie
                    daarover de toelichting bij artikel 8.1.1, derde lid, letter d. Artikel 8.1.4
                    Termijn van beslissing</al><al> Ingevolge het eerste lid moet het bevoegd gezag binnen twaalf weken na
                    ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien toepassing
                    is gegeven aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn wordt opgeschort. Zie
                    hierover de toelichting bij artikel 8.1.3.</al><al> De termijnen in dit artikel zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van
                    orde.</al><al> Dit betekent dat ook na het verstrijken van een termijn het bevoegd gezag
                    alsnog een beslissing kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager niet te wachten.
                    Deze mag aannemen dat een vergunning is geweigerd indien na het verstrijken van
                    de termijnen geen beslissing is genomen. Tegen deze fictieve weigering kan op
                    grond van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld.</al><al> Het tweede lid bevat een uitzondering op de termijn van het eerste lid.</al><al> Het derde lid bevat een aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen
                    dat een sloopvergunning op grond van de bouwverordening wordt verleend en daarna
                    een andere noodzakelijke vergunning voor het slopen wordt geweigerd. Deze
                    verwarrende situatie zou tot onherstelbare schade kunnen leiden, zoals het
                    slopen van een beschermd monument.</al><al> Lid 2</al><al> Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter i een
                    termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een verzoek om
                    sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het woord
                    uitsluitend is volgens de toelichting bij het besluit zeer bepalend. Dit houdt
                    in dat de termijn van vier weken niet geldt voor alle andere sloopsituaties
                    waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin naast de asbestverwijdering ook
                    andere materialen worden gesloopt.</al><al> Een mogelijk nadeel van de korte termijn van vier weken is dat er geen tijd
                    meer is om - met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV - een aanvrager in de
                    gelegenheid te stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen. Het aantal keren
                    dat een aanvraag niet in behandeling wordt genomen wegens onvolledigheid van de
                    stukken kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb). Artikel 10 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor verlenging van de
                    termijn.</al><al> Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen relatie legt met de
                    Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of met een
                    leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, gaan
                    wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de bouwverordening de koppeling die
                    bedoeld is om de beschermende werking te verzekeren, te handhaven ook indien
                    daarmee de termijn van vier weken aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel
                    monumenten zijn opgericht in een tijd dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij
                    een eerdere (meestal inpandige) verandering of restauratie asbest zijn
                    toegepast, dat nu weer wordt verwijderd.</al><al> Lid 3</al><al> De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol vervullen bij
                    het al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen van een weg kan een
                    aanlegvergunning zijn vereist. Indien de aanlegvergunning er niet is, mag die
                    weg niet worden aangelegd. Dan is het niet nodig een bouwwerk te slopen dat
                    staat in het tracé van die weg. Indien in artikel 8.1.6 een extra
                    weigeringsgrond voor een sloopvergunning wordt opgenomen onder de letter f. voor
                    het (nog) niet aanwezig zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 30 of
                    artikel 33 van de Huisvestingswet, dienen deze vergunningen ingevolge de
                    Huisvestingswet ook in de opsomming van artikel 8.1.4, tweede lid te worden
                    opgenomen als aanhoudingsgrondslag. Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en
                    bouwen</al><al> Men zij erop bedacht dat de regeling over het in behandeling nemen van de
                    aanvraag om sloopvergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de aanvraag
                    om omgevingsvergunning voor het bouwen. Indien bij beide aanvragen gegevens
                    ontbreken zal dat praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om
                    sloopvergunning moet worden beslist, dan op de aanvraag om omgevingsvergunning
                    voor het bouwen.</al><al> Gelet op de samenhang van beide vergunningen, kan het onder omstandigheden de
                    voorkeur verdienen de beslistermijn ter zake van de sloopvergunning te
                    overschrijden in afwachting van de beslissing op de aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen. Ter zake van de aanvraag om sloopvergunning
                    gelden immers geen fatale termijnen. Zie hierover ook de toelichting bij artikel
                    8.1.4.</al><al> Wanneer een omgevingsvergunning voor het bouwen en een sloopvergunning nodig
                    zijn voor één activiteit zoals verbouwen en zowel een sloopveiligheidsplan als
                    een bouwveiligheidsplan wordt verlangd, kan een gecombineerd sloop- en
                    bouwveiligheidsplan worden ingediend.</al><al> Zie voorts de toelichting bij artikel 8.1.2, eerste en tweede lid.</al><al> Een toepassing van de samenloopregeling is niet zinvol indien uitsluitend
                    asbest wordt verwijderd en daarop de termijn van vier weken van toepassing is
                    als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.1.4. Artikel 8.1.6 Weigeren
                    sloopvergunning</al><al> Algemeen</al><al> De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld.</al><al> Voorheen bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet 1962
                    een regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing. Per 1
                    juli 1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89, eerste lid,
                    tweede zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot en
                    met 56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de Woningwet 1991. De
                    artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen thans de mogelijkheid tot
                    het eisen van een onttrekkingvergunning respectievelijk een
                    splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een gemeentelijke
                    huisvestingsverordening.</al><al> Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog wordt verwezen naar de
                    vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet, dienen deze
                    verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren van de sloopvergunning
                    hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen het niet aanwezig zijn van
                    een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Woningwet
                    1962.</al><al> Een formulering voor een dergelijke weigeringgrond kan nu luiden: 'f. een
                    vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de Huisvestingswet (Stb.
                    1992, 548) is vereist en deze niet is verleend.'</al><al> Ad a en b</al><al> Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                    bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens
                    het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is
                    gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau
                    van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de sloopvergunning
                    worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de
                    indiening van de aanvraag om sloopvergunning - worden gezocht naar een voor de
                    gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende
                    bescherming van nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a
                    en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van
                    andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen
                    onmogelijk te maken. Er moet van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een
                    keer wordt gesloopt.</al><al> Ad c, d en e</al><al> Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                    aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond voor
                    de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is geweigerd. Op deze
                    wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverordening het sluitstuk van het
                    complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het slopen van een
                    bouwwerk.</al><al> Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning,
                    waarbij het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond oplevert voor de tweede
                    vergunning, is enkel van belang indien de aanlegvergunning een duidelijke
                    relatie vertoont met de reden waarop een sloopvergunning is gevraagd voor die
                    locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval indien voor de aanleg van een weg een
                    bouwwerk moet worden gesloopt en voor die weg een aanlegvergunning is vereist en
                    niet is verleend. Dan bestaat een causaal verband tussen de sloopvergunning en
                    de aanlegvergunning en is het logisch dat de sloopvergunning wordt geweigerd
                    indien de reden voor de aanvraag is vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de
                    weg er niet. Indien er geen relatie tussen een aanlegvergunning en een
                    sloopvergunning aanwezig is, maar beide om uiteenlopende redenen tegelijk in
                    hetzelfde gebied nodig zijn, geldt deze weigeringsgrond niet. Artikel 8.1.7
                    Intrekking sloopvergunning</al><al> Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van
                    die vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de
                    houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                    werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot
                    intrekking nog niet te nemen. </al><al> Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning Artikel 8.2.1
                    Sloopmelding</al><al> Algemeen</al><al> De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al> Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van
                    het bevoegd gezag. Deze mededeling is een beschikking en vatbaar voor bezwaar en
                    beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.. Dit betekent onder meer dat
                    de melding schriftelijk moet worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan,
                    dit is het bevoegd gezag. Ingevolge het zesde lid moet worden gebruik gemaakt
                    van de door het bevoegd gezag vastgestelde formulieren. In het achtste lid is
                    bepaald dat aan de mededeling voorschriften kunnen worden verbonden.</al><al> Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het Ministerie van
                    Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) heeft een brochure
                    uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis van een ontvangen
                    mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat richtlijnen over de wijze
                    waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het is aan te raden deze brochure
                    aan de burger uit te reiken bij het verstrekken van de mededeling.</al><al> Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus
                    de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen
                    voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze
                    voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de
                    mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                    praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                    onvoldoende zijn.</al><al> Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                    open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                    afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                    tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                    grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling
                    dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                    inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen
                    de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al> Lid 1</al><al> Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert.
                    Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de
                    woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de woning ook genoemd het
                    logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de woonwagen alsmede de op het
                    daarbij behorende erf staande bijgebouwen.</al><al> Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                    asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is
                    in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een
                    maximum van 35 m2 per kadastraal perceel.</al><al> Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en
                    bijgebouwen bij woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen of
                    woonkeet wel een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling voor woning in
                    het tweede lid van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor
                    geen oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en
                    omdat in de Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld
                    is met dit Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid
                    noch in de uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat
                    onder woning mede wordt verstaan een woonwagen, een woonkeet en een
                    logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 MBV.</al><al> De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij
                    een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder het
                    nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf
                    van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in
                    het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                    bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                    perceel bedraagt’.</al><al> Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is – net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel
                    van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                    bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de model-bouwverordening, de
                    bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                    ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’ gehandhaafd.</al><al> Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is
                    beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van
                    een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger
                    het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En
                    illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans
                    dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is
                    de burger legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren.</al><al> Met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet
                    meer toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan
                    tot het verwijderen van:</al><al> - gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met betrekking
                    tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken zodanig complex dat ze
                    voor particulieren niet goed waren na te leven. Minder vergaande voorschriften
                    leiden echter tot een risico op blootstelling aan asbestvezels.</al><al> - dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot. Bij
                    breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen leidt tot een
                    onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en verontreiniging van het
                    milieu met deze vezels.</al><al> Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Lid 9</al><al> De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften'
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een
                    melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over
                    het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor
                    grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de
                    gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al> Lid 10</al><al> Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk.</al><al> Lid 11</al><al> De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                    van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de
                    aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kan het bevoegd gezag besluiten de
                    aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager in de
                    gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door het bevoegd gezag te
                    stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn
                    kort te houden (één week), mede gelet op de korte beslistermijn op de
                    sloopmelding.</al><al> Men zij erop bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van
                    termijnoverschrijding groot is.</al><al> Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij artikel
                    3.1, achtste lid. Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</al><al> Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                    bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag
                    gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere regelingen waarin
                    bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning, ontheffing of melding
                    zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening.</al><al> Sinds de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook het
                    verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen als
                    vergunningvrij genoemd. Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als
                    voegkit.</al><al> Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                    waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor
                    zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                    rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                    bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf.
                    Bij het verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een
                    bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een
                    beheersbaar risico. Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen Artikel 8.3.1
                    Veiligheid op het sloopterrein</al><al> Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De
                    artikelen 4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384 van
                    de MBV 1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op het
                    slopen. Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al> Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                    aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                    of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die
                    de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan de houder van de
                    vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen. Artikel 8.3.3, tweede lid,
                    bepaalt dat de houder van de sloopvergunning, indien deze mede betrekking heeft
                    op asbest, een afschrift van deze vergunning ter hand stelt aan de
                    sloopaannemer. Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</al><al> De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest.
                    De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3
                    schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. Artikel 8.3.4 geldt
                    voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze
                    situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5
                    geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                    sloopvergunning als op grond van een mededeling naar aanleiding van een melding.
                    De eis dat bij het slopen de beste bestaande technieken worden toegepast geldt
                    krachtens het derde lid van dit artikel echter niet voor het slopen op grond van
                    een mededeling. Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</al><al> De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, letters
                    k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten
                    verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning.</al><al> Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de bouwverordening.
                    Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al> Lid 1</al><al> Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die
                    moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al><al> Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van
                    de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van artikel 100 van de
                    Woningwet.</al><al> Lid 2</al><al> De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk. Hetzelfde
                    geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde lid, indien
                    tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt.</al><al> Indien het bevoegd gezag de ontvangst van een melding van de voltooiing van een
                    sloopwerk bevestigen, bijv. door de melding af te stempelen en van de
                    ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die
                    niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt
                    daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en
                    het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval. Artikel 8.3.5 Wijze van
                    slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al> Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften
                    voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest voorzover dit gebeurt
                    anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.</al><al> Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden
                    regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende
                    certificering.</al><al> Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt en is
                    thans mei 2006 evenmin een aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd alsnog
                    te doen.</al><al> De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van
                    asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister
                    op grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                    vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking. Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de
                    sloop van tuinbouwkassen</al><al> Vervallen Paragraaf 4 Vrij slopen Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al> Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht tot
                    het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3
                    sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                    bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden.</al><al> Voorheen bestond tussen het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe
                    relatie. Met ingang van de vierde serie wijzigingen van de MBV 1992,
                    gepubliceerd in 1997, is dit niet meer het geval. De fracties waarin het
                    sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen
                    daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen
                    worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen,
                    omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder melding mag worden
                    verwijderd.</al><al> Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet
                    voorzien. De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer
                    dan 10 m3, uitsluitend repressief plaats. 9 Het welstandstoezicht</al><al> Algemeen</al><al> In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al> De werkwijze van de welstandscommissie is in de Model-bouwverordening niet
                    concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                    nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien
                    een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke
                    keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                    welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is het
                    aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te onderschrijven.</al><al> Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al> Welstandscriteria en welstandsnota</al><al> De werking van het begrip 'redelijke eisen van welstand' heeft met de
                    gewijzigde wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de
                    hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                    welstand kan het bevoegd gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op
                    aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook
                    omgevingsvergunning voor het bouwenvrije bouwwerken moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kan het bevoegd
                    gezag de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is met
                    redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De
                    criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht meer mogelijk.</al><al> Voor het uitwerken van de welstandscriteria alsmede de samenstelling van en de
                    besluitvorming over de welstandsnota geldt een overgangstermijn van 18 maanden
                    na 1 januari 2003. Tot het moment dat een gemeentelijke welstandsnota van kracht
                    wordt, blijft de zelfstandige werking van de in de bouwverordening aangeduide
                    'redelijke eisen van welstand' in stand. Als er op 1 juli 2004 geen door de
                    gemeenteraad aangenomen welstandsnota ligt, vervalt van rechtswege de
                    mogelijkheid om bouwplannen te toetsen aan redelijke eisen van welstand.</al><al> De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de
                    plaats waar een bouwwerk of standplaats is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om
                    de criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen
                    als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                    kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                    ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                    beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                    stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                    beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor
                    een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend
                    beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de
                    orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een
                    terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist
                    alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit
                    vereist.</al><al> De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure
                    (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door de raad) wordt
                    gevolgd.</al><al> Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al> Het werken met deelnota's ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk
                    wordt toegepast, heeft met name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004
                    belangrijke consequenties. Indien voor een deel van de gemeente een
                    welstandsnota wordt vastgesteld, zal vanaf dat moment immers in het deel van de
                    gemeente waarin een deel-welstandsnota wordt vastgesteld artikel 9.1 (oud) MBV
                    niet meer gelden op grond van artikel VII, tweede lid van de Wet van 18 oktober
                    2001 (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij gebruik maken van de bij artikel 1.3 MBV
                    behorende kaart.</al><al> De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol bij:</al><al> - de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen;</al><al> - het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen bij of
                    krachtens de Woningwet is bepaald.</al><al> Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al> De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de voorrangsregel
                    uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten
                    naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al> De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de
                    (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en het
                    welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven als
                    zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen.</al><al> De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van
                    toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die
                    voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart
                    1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al> In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                    Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften
                    van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                    welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het
                    bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg,
                    aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al> Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al> Tot het moment dat de gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt, blijft de
                    zelfstandige werking van de tot de achtste serie wijzigingen van de MBV
                    aangeduide 'redelijke eisen van welstand' in stand (zie ook artikel VII, tweede
                    lid van de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 2001, 518). Voor de overige bepalingen
                    van hoofdstuk 9 geldt geen overgangstermijn. Tabel oude/nieuwe
                    welstandsbepalingen</al><al> Artikelnummer oud Titel oud Artikelnummer nieuw Titel nieuw</al><al> 9.1 Welstandscriteria – –</al><al> 9.2 Advisering door commissie van onafhankelijke deskundigen 9.1 Advisering
                    door welstandscommissie</al><al> 9.3 Termijn van advisering 9.5 Termijn van advisering</al><al> 9.4 Openbaarheid van vergaderen 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</al><al> 9.5 Afdoening bij mandaat 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al> 9.6 Mondelinge toelichting – –</al><al> 9.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 9.8 Vorm waarin het advies wordt
                    uitgebracht</al><al> 9.8 gebieden 9.9 Uitsluiting gebieden en categorieën bouwwerken en
                    standplaatsen</al><al> – – 9.2 Samenstelling van de welstands-commissie</al><al> – – 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al> – – 9.4 Jaarlijkse verantwoording Artikel 9.1 De advisering door de
                    welstandscommissie</al><al> Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                    welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere omgevingsvergunning voor het
                    bouwen verplicht indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van
                    criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De
                    commissie adviseert, het bevoegd gezag besluit.</al><al> In de herziene Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouwmeester
                    opgenomen. Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in plaats
                    van een welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient
                    de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet nader uitgewerkt in
                    de Model-bouwverordening, omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                    welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                    welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de figuur van de stadsbouwmeester
                    niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle collectieve
                    oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties
                    van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan
                    worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen aanknopingspunten hoe de
                    figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed moet worden. Naar verwachting
                    zal een zeer beperkt aantal gemeenten kiezen voor een stadsbouwmeester.</al><al> In de welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel vaststellen dat de
                    welstandstoets voor de categorie licht-omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerken niet door de volledige welstandscommissie
                    plaatsvindt, maar door een of meer gemandateerde leden van de commissie als
                    bedoeld in artikel </al><al> 9.2 Model-bouwverordening dan wel door het bevoegd gezag.</al><al> De huidige adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale
                    dan wel provinciale welstandscommissies. Ook onder het nieuwe regime van de
                    Woningwet kan de gemeenteraad ervoor kiezen om voor de welstandsadvisering
                    gebruik te (blijven) maken van een provinciale welstandsorganisatie, die het
                    resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke
                    samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale
                    welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de welstandscom-missie
                    eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij artikel 9.2.</al><al> Alternatief 1</al><al> In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan het bevoegd gezag om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerken.</al><al> Alternatief 2</al><al> Evenals in alternatief 1 wordt in dit alternatief provinciale
                    welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan hebben van een gemeenschappelijke
                    regeling, een vereniging of stichting door de gemeenteraad aangewezen voor de
                    advisering over redelijke eisen van welstand. Het bevoegd gezag oordeelt zonder
                    advies van de welstandscommissie over strijdigheid met redelijke eisen van
                    welstand ten aanzien van licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige
                    bouwwerken.</al><al> Alternatief 3</al><al> In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                    adviseert over alle omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige
                    bouwwerken.</al><al> Alternatief 4</al><al> Evenals in alternatief 3 is er sprake van een lokale welstandscommissie. Het
                    bevoegd gezag oordeelt zonder advies van deze commissie over strijdigheid met
                    redelijke eisen van welstand ten aanzien van licht-omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerken. Artikel 9.2 Samenstelling van de
                    welstandscommissie</al><al> Onafhankelijkheid</al><al> Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                    afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien
                    de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                    is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te
                    zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het het
                    bevoegd gezag aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente is in dit verband
                    uitgesloten.</al><al> Deskundigen en burgers</al><al> In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de
                    eis dat in de welstandscommissie uitsluitend 'deskundigen' zitting kunnen
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al> Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al> Alternatief 1</al><al> De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                    geen lid van de welstandscommissie.</al><al> Alternatief 2</al><al> In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar, maar
                    minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners
                    deelnemen.</al><al> De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                    welstandscommissie.</al><al> Alternatief 3</al><al> De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al> Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik wordt
                    gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al> Alternatief 4</al><al> In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat uit
                    elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al> Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een provinciale
                    welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al> Alternatief 5</al><al> In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om een
                    stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is vooralsnog niet uitgewerkt in
                    de MBV. Enerzijds omdat de doelstellingen van het vernieuwde welstandstoezicht,
                    vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de welstandsadvisering en
                    openbaarheid met de figuur van de stadsbouwmeester juist niet lijken te worden
                    bereikt. De waardevolle collectieve oordeelsvorming ontbreekt bovendien bij de
                    keuze voor een stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties van smaak, zoals deze
                    meespelen bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan worden geacht.
                    Anderzijds omdat naar verwachting een zeer beperkt aantal gemeenten zal kiezen
                    voor een stadsbouwmeester. Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al> Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen.</al><al> Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de
                    zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar
                    kan brengen. De leden en voorzitter van een welstandscommissie die op 1 januari
                    2003 ten minste drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen nog ten
                    hoogste drie jaar na die datum benoemd blijven in die commissie.</al><al> Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure voor
                    (deskundige) leden op te nemen in de (Model)-verordening. Een reglement van orde
                    dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                    toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk
                    reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te
                    regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven
                    welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen tonen.
                    Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al> Jaarverslag welstandscommissie</al><al> In de afgelopen jaren is er sprake van een toegenomen kritiek op het
                    welstandstoezicht. De kritiek richt zich onder meer op het functioneren van de
                    welstandscommissies. De adviesprocessen van deze commissies zijn doorgaans aan
                    de openbare waarneming onttrokken. Ondanks de door de welstandscommissies gedane
                    inspanningen tot verbetering van deze negatieve maatschappelijke beeldvorming,
                    kan er nog steeds gesproken worden van een onvoldoende maatschappelijk draagvlak
                    voor de werkwijze van de welstandscommissies. Het besef is gegroeid voor het
                    aanscherpen van de politieke verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het
                    functioneren van het welstandstoezicht. Ook bestaat het algemeen gevoel om de
                    functie van de gemeenteraad als algemeen controleorgaan van het bevoegd gezag,
                    voorzover het betreft hun verantwoordelijkheid voor het welstandstoezicht te
                    versterken. Enerzijds zijn er de algemene uitgangspunten zoals deze zijn
                    opgenomen in de Wet Dualisering gemeentebestuur om de controlefunctie van de
                    gemeenteraad te versterken en te verduidelijken. Anderzijds beoogt de nieuwe
                    Woningwet te voorzien in het verbeteren van de kwaliteit alsmede het
                    transparanter maken van de welstandsadvisering. Een jaarverslag is bij uitstek
                    geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende
                    houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter
                    verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde
                    beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort
                    uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet.</al><al> Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni. </al><al> Jaarverslag het bevoegd gezag</al><al> Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan het bevoegd gezag ingevolge artikel 12c
                    van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing
                    van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag
                    zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al> - op welke wijze het bevoegd gezag is omgegaan met de welstandsadviezen;</al><al> - in welke categorieën van gevallen het bevoegd gezag de aanvraag voor een
                    lichte omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de welstandscommissie heeft
                    voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven
                    aan de welstandscriteria;</al><al> - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;</al><al> - in welke categorieën van gevallen het bevoegd gezag een besluit heeft genomen
                    tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op
                    grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in
                    artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                    overgegaan.</al><al> Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al> Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al> In de Woningwet wordt per 1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor
                    het bevoegd gezag opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving. Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al> Gelet op de korte beslissingstermijnen is een beperkte adviestermijn met een
                    oplossing voor termijnoverschrijding noodzakelijk. In de MBV is dit uitgangspunt
                    als procedurevoorschrift uitgewerkt.</al><al> De adviestermijn laat de mogelijkheid van beoordeling van een schetsplan
                    onverlet, omdat het uitgangspunt voor de adviestermijn de beoordeling van een
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen is.</al><al> De Woningwet formaliseert de behandeling van bouwplannen door de korte
                    beslissingstermijnen. Ook voor de welstandsadvisering houdt dit in dat de
                    behandeling snel moet leiden tot een positieve of negatieve conclusie, omdat in
                    beginsel binnen twaalf weken respectievelijk zes weken op de aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen moet zijn beslist. Indien bij een verlening
                    van een omgevingsvergunning voor het bouwen in twee fasen, de eerstefasetoetsing
                    moet worden herhaald vanwege een wijziging van het bouwplan in de tweede fase,
                    zou in beginsel een relatief korte termijn van twee weken kunnen gelden, omdat
                    volgens de wetgever alleen de wijzigingen van het bouwplan voorzover relevant
                    door de welstandscommissie opnieuw moeten worden beoordeeld.</al><al> Indien de commissie niet binnen de in dit artikel gestelde termijnen adviseert,
                    zal het bevoegd gezag zelf moeten beslissen of het bouwwerk waarop de aanvraag
                    om omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft niet in strijd is met
                    redelijke eisen van welstand. Daarbij dienen zij de in de welstandsnota
                    opgenomen welstandscriteria in acht te nemen.</al><al> Indien er een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend,
                    ten aanzien waarvan een discussie over alternatieven verwacht kan worden, lijkt
                    het raadzaam overleg voorafgaand aan de indiening van een formele bouwaanvraag
                    te stimuleren. Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</al><al> Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al> Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                    bekendmaking.</al><al> De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit.</al><al> Bovendien zal de openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het
                    begrip voor en kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de
                    burger/bouwer.</al><al> Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning voor het bouwen en anderzijds andere
                    belanghebbenden.</al><al> Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al> Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn
                    bouwaanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager
                    kan - indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden
                    gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan
                    worden verkleind.</al><al> Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen die tijdens de vergadering
                    van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al> De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al> De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiele bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient. Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al> In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat. Behalve de keuze tussen álle bouwaanvragen voorleggen aan de
                    welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 1 en 3) en alleen reguliere
                    bouwaanvragen voorleggen aan de welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 2
                    en 4), blijkt in de praktijk behoefte te bestaan aan een tussenvorm voor
                    licht-omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken, zoals bedoeld in
                    alternatief 2 van artikel 9.7 MBV. Het is evident dat deze tussenvorm niet kan
                    worden gecombineerd met een keuze voor artikel 9.1 MBV, alternatief 1 of 3,
                    waarbij de advisering ten aanzien van licht-omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerken immers aan de welstandscommissie wordt opgedragen.
                    Dit houdt in dat de welstandstoets van bouwplannen voor
                    licht-vergunningplichtige bouwwerken die voldoen aan de welstandscriteria uit de
                    welstandsnota wordt gemandateerd aan een ambtenaar. Het mandaat kan slechts
                    bestaan uit een positief welstandsoordeel. Indien het bouwplan niet aan de
                    criteria uit de nota voldoet, legt het bevoegd gezag het bouwplan alsnog voor
                    aan de welstandscommissie.</al><al> Mandaat aan één persoon verdient in dit verband de meeste aandacht. Indien bij
                    artikel 9.2 gekozen is voor alternatief 1 of 2 kan aan een ambtelijk secretaris,
                    die geen lid is van de commissie, geen mandaat worden verleend. Mandaat aan een
                    subcommissie behoort uiteraard wel tot de mogelijkheden.</al><al> De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al> Daarnaast kan het bevoegd gezag ook kiezen voor mandatering met betrekking tot
                    bepaalde categorieën bouwwerken (bijvoorbeeld licht-omgevingsvergunning voor het
                    bouwenplichtige bouwwerken)</al><al> Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al> Behandeling van bouwplannen onder mandaat vraagt met name ten aanzien van de
                    openbaarheid enige aandacht. Met name in geval van veelvoorkomende kleine
                    bouwplannen zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al> Voor een beknopte uiteenzetting over mandatering: zie de VNG-uitgave 'WRO 2000
                    in de praktijk', vragen en antwoorden gewijzigde WRO (3 april 2000), bijlage 3.
                    Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al> Lid 1</al><al> Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                    uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003 in
                    artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het
                    niet ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                    motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct
                    zodra bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend.
                    Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</al><al> Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, wordt verwezen naar alternatief 3 of 4 van artikel 1.3 MBV.
                    10 Overige administratieve bepalingen Artikel 10.1 De aanvraag om
                    woonvergunning</al><al> De aanvraag</al><al> Ook de Woningwet 1962 hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in
                    gebruik geven of nemen van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of
                    niet eerder legaal gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning bruikbaar
                    maken verbouwd worden en is voor die verbouwing een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen nodig, dan wijkt de eis van een woonvergunning voor de eis van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al> Met de Woningwet van 1991 verandert er in zoverre iets, dat de woonvergunning
                    nu in de wet is uitgewerkt in plaats van in de bouwverordening. In de nieuwe
                    bouwverordening is alleen nog plaats voor een invulling van de wijze van
                    indiening en inrichting van de aanvraag, zoals artikel 8, lid 2, onder e, van de
                    Woningwet verplichtend vaststelt. Volstaan is met het in artikel 10.1 opnemen
                    van de op basis van de oude bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor
                    een woonvergunning.</al><al> De vergunning</al><al> Met het in de Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning verdwijnt
                    overigens de regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de op de
                    Woningwet 1962 gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd als er
                    sprake was van strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende
                    nieuwbouweisen. Op grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet een
                    woonvergunning alleen worden geweigerd als de aanvraag strijd oplevert met het
                    bestemmingsplan of de bouwverordening.</al><al> Welk deel van de bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is onduidelijk.</al><al> Het niet voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is uitdrukkelijk
                    geen weigeringgrond voor de woonvergunning.</al><al> Uit het eerste lid van artikel 60 van de Woningwet valt af te leiden, dat het
                    gebouw in principe geschikt moet zijn voor bewoning. Is er geen uit het
                    bestemmingsplan of de bouwverordening voortvloeiende weigeringgrond en is het
                    gebouw bouw- en/of woontechnisch toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er
                    volgens het Ministerie van VROM twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw
                    alsnog geschikt gemaakt wordt:</al><al> 1. het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                    woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al><al> 2. een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet.</al><al> Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord.</al><al> Ad 1</al><al> Welke bouw- en/of woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als
                    voorwaarden aan de woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van
                    uitgebreide technische maatregelen wordt op een gegeven moment immers een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk en de wetssys-tematiek gaat
                    ervan uit, dat er of een woonvergunning of een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen noodzakelijk is.</al><al> Ad 2</al><al> Bij welk niveau van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning?
                    Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de bestaande
                    woningbouw, dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                    onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning kan
                    echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de noodzakelijkheid van
                    voorzieningen.</al><al> Ten aanzien van gebouwen die over een voorzieningenniveau beschikken, dat ligt
                    tussen het niveau voor nieuwbouw en het niveau voor bestaande bouw, zal de
                    noodzakelijkheid van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet niet gauw
                    aangetoond kunnen worden.</al><al> De praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen.</al><al> Het kiezen voor de tweede oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning
                    wordt toegestaan voordat het gebouw geschikt is tot bewoning.</al><al> De woonvergunning is een beschikking. Dat betekent dat naast de eisen van de
                    bouwverordening, de algemene eisen van de Awb van toepassing zijn. De aanvraag
                    moet dus bijvoorbeeld schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb).</al><al> Ingevolge artikel 60 van de Woningwet is het bevoegd gezag het bevoegde
                    orgaan.</al><al> Worden de in de bouwverordening geeiste gegevens niet ingediend, dan is artikel
                    4:5 juncto artikel 4:15 Awb van toepassing. Artikel 10.2 De aanvraag om
                    vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of
                    woonwagen</al><al> Vervallen. Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al> Artikel 8, tweede lid, onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor de
                    overdraagbaarheid van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde
                    vergunningen.</al><al> De op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling voor de
                    overdraagbaarheid van omgevingsvergunning voor het bouwenen. Deze bepaling is in
                    de nieuwe MBV overgenomen voor de overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en
                    bouwverordening gebaseerde vergunningen.</al><al> Artikel 10.3 houdt in, dat het bevoegd gezag verplicht zijn tot overschrijving
                    als daarom wordt gevraagd, zelfs al leidt overschrijving tot een niet gewenste
                    en planologisch niet juiste situatie. Zowel de rechtverkrijgende onder
                    bijzondere titel (bij voorbeeld de koper) als de rechtverkrijgende onder
                    algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam) moet om overschrijving vragen. Met
                    het recht van de verkrijgende wordt hier het recht bedoeld dat is neergelegd in
                    de vergunning.</al><al> De wet van 10 juni 2004 is onder de naam Aanpassingswet BIBOB verschenen in
                    Stb. 2004, 320, en krachtens Besluit van 31 augustus 2004 in werking getreden op
                    15 september 2004, Stb. 2004, 452. In de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59
                    gewijzigd. Artikel 10.4 Overdragen mededeling</al><al> De tekst van de toelichting komt te vervallen. Artikel 10.5 Het kenteken voor
                    onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde
                    standplaatsen</al><al> Vervallen. Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                    andere voorschriften</al><al> Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                    gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                    werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat het bevoegd gezag bij
                    toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een daarin
                    aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij
                    houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                    voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                    instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                    waarbij een commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit gemeentelijke
                    kring - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van een voorlopige
                    editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz. Met het onderhavige
                    voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het verschijnen van een
                    gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een norm, voornorm,
                    praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening moet worden gewijzigd
                    om de actuele versie van de aangewezen uitgave van kracht te doen zijn. 11
                    Handhaving</al><al> Algemeen</al><al> Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                    bestuursdwangbevoegdheden van het bevoegd gezag krachtens het toenmalige artikel
                    8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid van de Woningwet.</al><al> Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de regeling van de handhaving
                    integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium voor bestaande bouwwerk vormt
                    niet langer een geïsoleerd deel van de Woningwet, maar sluit beter aan op de
                    voorschriften inzake het bouwen van bouwwerken. Qua systematiek is zoveel
                    mogelijk aangesloten bij het generieke instrumentarium van de Awb.</al><al> Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 gaat nu voor alle bouwwerken gelden (artikel 1b Woningwet), voor de
                    bouwverordening krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor
                    het welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a
                    Woningwet.</al><al> Met het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de
                    Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander
                    bouwwerk of standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open
                    erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk
                    van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is met redelijke
                    eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de
                    welstandsnota.</al><al> Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                    standplaats in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van
                    dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in overeenstemming met die
                    voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn
                    maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24,
                    vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel
                    overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een
                    dwangsom voorkomen.</al><al> Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al> Deze nieuwe systematiek betekent ook een vereenvoudigde regeling voor de
                    toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van de bouw- en
                    sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de
                    mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel
                    5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen
                    illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze
                    werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste
                    vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende
                    aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel
                    5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale
                    bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                    situatie verder in omvang toeneemt, waardoor het bevoegd gezag mogelijk voor
                    voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen
                    naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003
                    (BR 2003, 893). Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</al><al> Vervallen. Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al> Vervallen. Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al> Vervallen. Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al> Dit onderwerp wordt thans geregeld in artikel 5:18 Awb. In het kader van
                    toezicht zijn voorts van belang:</al><al> Het betreden en binnentreden van woningen met toestemming van de bewoners,
                    artikel 5:15 Awb.</al><al> In artikel 5:15 Awb is tevens geregeld dat de toezichthouder zich kan doen
                    vergezellen van de 'sterke arm'.</al><al> Idem, zonder toestemming van de bewoner, artikel 10, lid 5 Ww.</al><al> Procedurele voorschriften over het binnentreden, Algemene wet op het
                    binnentreden. 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al> Algemeen</al><al> Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet langer
                    mogelijk.</al><al> Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende herkomst en structuur
                    zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk daarvan een afzonderlijk
                    overgangsartikel op te nemen. Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al> De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                    vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld in
                    artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in artikel
                    1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED).</al><al> Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van
                    (brand)veiligheid en gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft
                    gekozen voor het onder de WED brengen van deze overtredingen, omdat aan
                    overtredingen als bedoeld veelal een financieel-economisch belang ten grondslag
                    ligt. Door de indeling in artikel 1a, onder 2o van de WED wordt aangesloten bij
                    de strafbaarstelling van een groot aantal milieudelicten, die veelal een
                    vergelijkbare achtergrond hebben en waarmee inmiddels de nodige ervaring is
                    opgedaan door de politie, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht. Voor
                    deze indeling heeft de wetgever mede gekozen vanwege het (potentiële) gevaar en
                    de (potentieel) zeer ernstige gevolgen die het niet naleven van deze
                    voorschriften met zich mee kan brengen. Indien opzettelijk gepleegd, zijn deze
                    delicten misdrijven; indien niet opzettelijk gepleegd, zijn het
                    overtredingen.</al><al> Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel 132 van de Woningwet bepaalt dat
                    overtredingen van de oude bouwverordening worden afgedaan volgens de oude
                    Woningwet. Men zie artikel 97 oude Woningwet en artikel 394 oude MBV.</al><al> Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op het
                    bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift gegeven
                    krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over voorschriften in
                    een a.m.v.b. ter nakoming van internationale verplichtingen. Overtreding van de
                    verbodsbepaling is in artikel 110, tweede lid van de Woningwet aangemerkt als
                    een economisch delict in de zin van de Wet op de Economische Delicten
                    (WED).</al><al> Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is een nakoming van een Europese
                    internationale verplichting. Artikel 11 van dit Besluit en artikel 12.1, tweede
                    lid van de MBV legt de relatie met het tweede lid van artikel 110 van de
                    Woningwet. Overtreding van de artikelen genoemd in het tweede lid van artikel
                    12.1, voor zover deze betrekking hebben op het slopen van asbest, is een
                    economisch delict. Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al> Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                    opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt niet
                    wanneer het bevoegd gezag van mening is dat het eerder uitgevoerde indicatieve
                    bodemonderzoek niet meer als recent kan worden aangemerkt.</al><al> Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent onderzoek, zie de
                    toelichting bij artikel 2.4.1 van de Model-bouwverordening. Artikel 12.3
                    Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</al><al> De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                    situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en
                    redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties - dat
                    wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze voorschriften -
                    lijkt de eis wel redelijk.</al><al> Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                    vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om
                    te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen
                    van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen. Artikel 12.4 Overgangsbepaling
                    (aanvragen om) gebruiksvergunning</al><al> Deze overgangsbepaling strekt ertoe een gebruiksvergunning die is verleend
                    krachtens artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening haar rechtskracht te
                    doen behouden. Het tweede lid heeft eveneens deze strekking, maar dan voor de
                    ontheffingen, toestemmingen, voorschriften, beperkingen krachtens de
                    brandbeveiligingsverordening. Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</al><al> vervallen Artikel 12.6 Slotbepaling</al><al> Algemeen</al><al> De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een
                    (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                    Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de
                    gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen plaats.</al><al> De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet.</al><al> De gemeenteraad kan echter een ander tijdstip van inwerkingtreding in de
                    verordening vaststellen of het bevoegd gezag in de verordening de bevoegdheid
                    geven om de inwerkingtreding van de veror-dening op een nader tijdstip te
                    bepalen.</al><al> De verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van
                    het arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                    Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige mededeling
                    ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de
                    bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan de
                    inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt;
                    zie artikel 95 van de Woningwet.</al><al> Alternatief 1 (inwerkingtreding ineens)</al><al> Als na de vaststelling door de gemeenteraad de bouwverordening in zijn geheel
                    op dezelfde datum in werking treedt dient alternatief 1 in de bouwverordening
                    opgenomen te worden.</al><al> Alternatief 2 (gefaseerde inwerkingtreding)</al><al> De mogelijkheid bestaat om de bouwverordening gefaseerd in werking te laten
                    treden. Aangeraden wordt om hier zo min mogelijk gebruik van te maken. Met
                    betrekking tot een aantal onderwerpen kan het organisatorisch echter wenselijk
                    zijn om de artikelen omtrent deze onderwerpen op een later tijdstip in werking
                    te laten treden.</al><al> In beginsel komen drie onderwerpen in aanmerking: de bodembepalingen, de
                    sloopbepalingen (inclusief de bouwafvalbepaling) en de bepalingen omtrent het
                    brandveilig gebruik.</al><al> Van een of meerdere van deze onderwerpen kan de inwerkingtreding worden
                    uitgesteld.</al><al> De gewenste artikelen kunnen bij lid 1 gekozen worden.</al><al> Bij lid 2, sub a, dient, in het geval dat ervoor gekozen is de inwerkingtreding
                    van (mede) de sloopbepalingen uit te stellen, de aangegeven toevoeging plaats te
                    vinden.</al><al> Lid 2, sub b, mag niet opgenomen worden voor het geval dat de inwerkingtreding
                    van (mede) de bepalingen voor het brandveilig gebruik uitgesteld worden.</al><al> Het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende artikelen dient te zijner
                    tijd bij raadsbesluit vastgesteld te worden. Desgewenst kunnen voor de diverse
                    artikelen verschillende momenten van inwerkingtreding bepaald worden.</al><al> Indien de gemeente reeds bij de vaststelling van de MBV 1992 het tijdstip wil
                    bepalen waarop de desbetreffende artikelen in werking treden, kan zij een
                    bepaling ter zake aan dit artikel 12.6 toevoegen.</al><al> De inwerkingtreding van alle artikelen dient vóór 1 oktober 1993 te geschieden,
                    zo bepaalt de Woningwet 1991. </al><al> Bijlage 1 Toelichting verordening</al><al> Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al> - Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder c)</al><al> - Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al> - Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder a)</al><al> - Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder a)</al><al> - Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder a)</al><al> - Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder b)</al><al> - Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder c)</al><al> - Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder c)</al><al> - Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder d)</al><al> - Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                    onder e)</al><al> - Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2)</al><al> - Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><al> Binnen de bebouwde kom</al><al> - Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><al> Buiten de bebouwde kom</al><al> - Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2).</al><al> - Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al><al> - Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea)</al><al> - Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea)</al><al> - Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea)</al><al> - Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea)</al><al> - Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn
                    (artikelen 2.5.22) </al><al> Bijlage 2 Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</al><al> Bijlage bij toelichting op hoofdstuk 6 van de Model-bouwverordening</al><al> Voor zover in een gebruiksvergunning niet anders is bepaald, gelden de algemene
                    voorschriften inzake brandveilig gebruik uit de bijlagen 3 en 4 van de
                    bouwverordening.</al><al> Gebruikseisen afhankelijk van de bestemming</al><al> Het bevoegd gezag beoordeelt of voor specifieke bouwwerken in de gemeente
                    bijzondere eisen dienen te worden gesteld inzake brandveilig gebruik in
                    aanvulling op de algemeen geldende voorschriften uit bijlage 3 en 4 van deze
                    verordening. Deze bijzondere eisen en voorwaarden worden in dat geval
                    gemotiveerd opgenomen in de gebruiksvergunning.</al><al> Voorbeelden van bijzondere situaties waarvoor aanvullende eisen geformuleerd
                    kunnen worden, zijn:</al><al> Een gebouw waar een beurs wordt gehouden: de breedte van gangpaden binnen de
                    opstellingsruimte waarlangs de stands, kramen e.d. zijn opgesteld;</al><al> Theaters waarin brandschermen zijn gemaakt boven het podium als gelijkwaardige
                    oplossing voor bepaalde prestatie-eisen: aanvullende eisen in het kader van een
                    brandveilig gebruik;</al><al> Gebouwen zoals politiebureau’s, gevangenissen, huizen van bewaring,
                    psychiatrische inrichtingen, etc.: aanvullende eisen in het kader van de interne
                    organisatie;</al><al> Bij bijzondere evenementen zoals concerten, festivals, tentoonstellingen,
                    kermis, circus, markten etc.: aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van
                    doorlopend toezicht;</al><al> Grote gebouwen waarin veel mensen samen komen: aanvullende eisen in het kader
                    van een gefaseerde ontruiming;</al><al> In gebouwen waarin zitplaatsen in rijen opgesteld zijn, kan de eis gesteld
                    worden dat bij de aanvraag van een gebruiksvergunning een opstellingsplan wordt
                    ingediend. </al><al> Bijlage 3 bij de toelichting op de bouwverordening Maximaal toelaatbaar aantal
                    personen in een ruimte van een gebouw met het oog op de brandveiligheid</al><al> De rekenmethodiek met betrekking tot het maximaal toelaatbaar aantal personen
                    in een gebouw met het oog op brandveiligheid is opgenomen in de brochure
                    ‘Vluchten bij brand – Handreiking voor gebruiksvergunningen’ van het Ministerie
                    van VROM en BZK. Voor meer informatie kunt u terecht bij de afdeling
                    Publieksvoorlichting van VROM telefoonnummer 070 339 50 50. Via de internetsite
                    www.vrom.nl kunt u de tekst van de brochure downloaden. </al><al> Bijlage 4 Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>